HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:169

Rijden onder invloed van alcohol, cannabis en cocaïne, art. 8.5 WVW 1994. 1. Redelijke termijn in hoger beroep. Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsman dat er sprake is van “schending van redelijke termijn in hoger beroep (art. 6 EVRM)”? 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van raadsheer van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak heeft gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. Gelet op wat raadsman heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn, had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Zo’n beslissing ontbreekt in ‘s hofs uitspraak. HR doet zaak zelf af. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat redelijke termijn van berechting a.b.i. art. 6.1 EVRM bij behandeling van zaak in h.b. met ruim 2 maanden is overschreden. In het licht van opgelegde taakstraf van 40 uren en voorwaardelijke ontzegging van bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor duur van 6 maanden, is er geen aanleiding om aan oordeel dat bij berechting van zaak in h.b. de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. HR zal daarom met dat oordeel volstaan. Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken