HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1900

Opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting voor escortbureau (art. 69 AWR) en opzettelijk in voorraad hebben van medicijnen (pillen) waarvoor geen handelsvergunning geldt (art. 40.2 Geneesmiddelenwet). 1. Verweer dat OM t.a.v. onjuist doen van aangifte omzetbelasting n-o is in vervolging, nu verdachte beroep toekomt op inkeerbepaling (art. 69.3 AWR). 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk). Kon hof bij strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan verdachte zijn tenlastegelegd? 3. Bewijsklacht in voorraad hebben van medicijnen. Kan opzet op omstandigheid dat voor geneesmiddelen geen handelsvergunning geldt uit bewijsvoering worden afgeleid? 4. Onvolkomenheid bij beëdiging van één van de raadsheren van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak heeft gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. Hof heeft vastgesteld dat voormalige partner van verdachte op eigen initiatief, uit rancune, en niet namens of als vertegenwoordiger van verdachte, administratie van eenmanszaak van verdachte m.b.t. niet opgegeven omzet heeft aangeleverd bij belastingdienst. Op grond daarvan heeft hof geoordeeld dat verdachte geen beroep toekomt op toepassing van inkeerbepaling m.b.t. tlgd. en bewezenverklaarde doen van onjuiste en onvolledige belastingaangiften voor haar eenmanszaak. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (zoals volgt uit ’s hofs vaststellingen) verdachte niet zelf juiste en volledige administratie heeft verstrekt, noch dit op enigerlei wijze heeft bevorderd. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:896 m.b.t. betrekken van niet tlgd. feit bij strafoplegging. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte in de in tll. genoemde periode opzettelijk 2 onjuiste aangiften heeft ingediend. Hof heeft verder overwogen dat o.g.v. verhandelde op tz. het grootschalige karakter van handelen van verdachte aannemelijk is geworden en heeft in dat verband bij strafoplegging (naast 2 in bewezenverklaring opgenomen aangiften) ook andere zich in dossier bevindende aangiften over periode van (gedeelte van) 2009 tot en met oktober 2013 betrokken, waarbij hof is uitgegaan van totaal fiscaal nadeel van € 804.785. In dat verband heeft hof overwogen dat aangiften omzetbelasting die niet in tll. en bewezenverklaring zijn genoemd, kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de 2 in bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat 2 in bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van andere in strafoplegging betrokken aangiften en “modus operandi” bij doen van onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Verder heeft hof vastgesteld dat verdachte in vooronderzoek over alle aangiften is gehoord en op tz. in hoger beroep alle zich in procesdossier bevindende aangiften aan verdachte zijn voorgehouden en verdachte over opzettelijk onjuist indienen van al die aangiften in de gelegenheid is gesteld verklaring af te leggen. In dat verband is nog van belang dat ’s hofs overwegingen over strafbare betrokkenheid van verdachte klaarblijkelijk ook zien op haar betrokkenheid bij aangiften die niet in tll. zijn opgenomen. Ad 3. Bewezenverklaring houdt o.m. in dat opzet van verdachte mede was gericht op omstandigheid dat voor geneesmiddel geen handelsvergunning geldt. Dit onderdeel van bewezenverklaring kan echter niet z.m. worden afgeleid uit ‘s hofs bewijsvoering. ‘s Hofs uitspraak is ten aanzien daarvan dus ontoereikend gemotiveerd. Dat behoeft bij gebrek aan voldoende belang echter niet tot cassatie te leiden, in aanmerking genomen dat, als betreffend onderdeel van bewezenverklaring van dit feit vervalt, aard en ernst van overige bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, mede in het licht van wat hof i.h.k.v. strafoplegging heeft overwogen over grootschalig karakter van ander bewezenverklaard delict. Ad 4. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken