HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257
Beklag ex art. 552a Sv na vordering van gegevens (klantdossiers) bij derde i.v.m. onderzoek naar frauduleuze (belasting)constructies, terwijl zich bij verstrekte gegevens correspondentie bevindt tussen advocaten (klagers) en verdachte (belastingadviseur). Verschoningsrecht advocaten, art. 218 Sv. Zijn ‘uitgegrijsde’ gegevens ‘vernietigd’ a.b.i. art. 126aa.2 Sv jo. art. 5.1 en 5.2 Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2007:BA5632 en HR:2009:BH2678 m.b.t. doel van art. 126aa Sv dat gegevens onmiddellijk worden vernietigd als zij vallen onder verschoningsrecht a.b.i. art. 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van processtukken en daarop in verdere verloop van strafproces geen acht wordt geslagen. Uit art. 5.1 en 5.2 Besluit volgt verder dat, als gegevens zijn opgeslagen op een (afzonderlijke) gegevensdrager of ander voorwerp, ook van vernietiging van die gegevens sprake is als die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’. Hoewel in die artikelleden wordt gesproken over de bewerking van ‘gegevensdrager’ of ‘voorwerp’, is gelet op strekking van deze voorschriften niet uitgesloten dat ook door bewerking van de digitale voorziening waarmee gegevens raadpleegbaar zijn, kan worden bereikt dat die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’ a.b.i. die artikelleden. De wijze waarop dit wordt vormgegeven, moet beantwoorden aan doel van art. 126aa Sv. Oordeel Rb dat met privilegiëren ofwel ‘uitgrijzen’ van gegevens is verzekerd dat gegevens geen deel uitmaken van processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht kan worden geslagen, is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR mede in aanmerking dat Rb weliswaar heeft vastgesteld dat de gegevens ontoegankelijk zijn gemaakt “voor de opsporing” maar geen vaststellingen heeft gedaan over de wijze waarop is gewaarborgd dat personen die bij opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot ‘uitgegrijsde’ gegevens. In dat verband is van belang dat Rb er wel van uitgaat dat er “technisch mogelijkheden bestaan om eenmaal ‘gegrijsde’ informatie opnieuw toegankelijk te maken” maar dat uit haar vaststellingen niet blijkt voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/00315 B en 22/00316 Bv.
De uitspraak op rechtspraak.nl