HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:277
Beklag, beslag onder (kandidaat)notaris ex art. 98 Sv op geheimhouderstukken i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek naar verdenking t.a.v. klagers (niet naleving meldingsplicht ongebruikelijke transactie) en 3 andere personen (witwassen). Verschoningsrecht notaris, art. 218 Sv. Moeten onregelmatigheden bij doorzoeking en inbeslagneming leiden tot gegrondverklaring klaagschrift? Rb heeft in haar beoordeling tot uitgangspunt genomen dat vormverzuimen die beslaglegging zelf niet van onwaarde maken, slechts raken aan mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor bewijs van hetgeen door inbeslagneming is verkregen alsmede dat zij als beklagrechter niet mag vooruitlopen op daarover o.g.v. art. 359a Sv door zittingsrechter te geven oordeel. Voorts heeft Rb onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2017:1323 geoordeeld dat dit niet anders is nu sprake is van zaak m.b.t. verschoningsrecht. Middel dat er slechts toe strekt te klagen over dit uitgangspunt, faalt gelet op ECLI:NL:HR:2017:1323. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:CA0434, ECLI:NL:HR:2014:1566 en ECLI:NL:HR:2016:1324 m.b.t. te volgen procedure wanneer verschoningsgerechtigde zich op standpunt stelt dat geheimhouderstukken geen voorwerp van strafbaar feit uitmaken en evenmin tot begaan daarvan hebben gediend en kennisneming daarvan zou leiden tot schending van beroepsgeheim. In beschikking besloten liggend oordeel van Rb dat zich noodzaak voordeed om voor beoordeling van klaagschrift kennis te nemen van desbetreffende stukken, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:1323. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl