HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035
Jeugdzaak. Smaadschrift door deel van politieverklaring van aangeefster over betrokkenheid van verdachte bij brandstichting op Snapchat te plaatsen met daarbij tekst “snitch van Parkwijk” (art. 261.2 Sr) en medeplegen brandstichting boot (art. 157.1 Sr). 1. Smaadschrift. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte door tll. van bepaald feit eer en/of goede naam van aangeefster heeft aangerand? 2. Vordering b.p. Immateriële schade door brandstichting boot. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2291 m.b.t. gevallen waarin sprake is van tll. van ‘bepaald feit’ a.b.i. art. 261 Sr. Daarnaast dient tlgd. ‘feit’ eer of goede naam van betrokkene aan te randen doordat tenlasteleggen van concrete gedraging ertoe strekt betrokkene naar maatschappelijke opvattingen bij publiek in ongunstig daglicht te stellen. Hof heeft geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift en daartoe overwogen dat woord ‘snitch’ ‘verklikker’ betekent en zeker onder jongeren algemeen bekend is. Blijkens bewijsvoering heeft hof geoordeeld dat verdachte door desbetreffende foto op Snapchat te plaatsen met tekst “snitch van Parkwijk” met kennelijk doel daaraan ruchtbaarheid te geven aangeefster als concrete gedraging heeft tenlastegelegd dat zij hem heeft verklikt door politie informatie te verschaffen over betrokkenheid van verdachte bij brandstichting in een boot. ‘s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte aangeefster in haar eer of goede naam heeft aangerand door naar buiten te brengen dat zij die informatie aan politie heeft verschaft, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Hof heeft geen inzicht erin gegeven welke andere omstandigheden het bij zijn oordeel heeft betrokken dan dat ‘snitch’ ‘verklikker’ betekent en “zeker onder jongeren” algemeen bekend is en i.h.b. niet onderzocht of aangeefster door deze gedraging bij publiek in ongunstig daglicht wordt gesteld. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2019:376 m.b.t. gevallen waarin sprake kan zijn van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW. Oordeel dat sprake is van zo’n aantasting in persoon ‘op andere wijze’ is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu hof niets heeft vastgesteld over aard en ernst van normschending en van gevolgen daarvan voor benadeelde. Opmerking verdient dat enkele omstandigheid dat (hoogte van) schadevergoeding in h.b. niet is weersproken, niet volstaat ter motivering van oordeel dat zich een van hiervoor bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1465). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl