HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558

Redelijke termijn. Herijking vuistregels m.b.t. redelijke termijn en vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan overschrijding redelijke termijn zoals samengevat in ECLI:NL:HR:2008:BD2578? N.a.v. pleidooi AG voor aanpassing van de gehanteerde maatstaven, wijdt de HR aan de middelen voorafgaande opmerking aan het in eerdere arresten geformuleerde beoordelingskader en de toe te passen vuistregels bij een overschrijding van de redelijke termijn. De HR ziet geen noodzaak de tot op heden gehanteerde maatstaven aan te passen op de eerder in ECLI:NL:HR:2011:BP5361 genoemde gronden. Daaraan voegt de HR toe dat dit thema vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten en regels die waar mogelijk tot een uniforme rechtstoepassing leiden. Bij de formulering daarvan is een zekere ruwheid onontkoombaar. Onvermijdelijk zijn er ook gevallen waarin zij slecht of geheel niet toepasbaar zijn. Geen rechtsregel verzet zich evenwel ertegen dat in zulke gevallen de betrokken verdachte of b.p. zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak met een op die door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn gebaseerde, tegen de Staat gerichte vordering tot schadevergoeding wendt tot de civiele rechter (vgl. ECLI:NL:HR:2014:736, civiele kamer). Het ligt op de weg van de wetgever de afweging te maken of de huidige wijze van compensatie, waarin het verdisconteren van verdragsschendingen betreffende de redelijke termijn zoveel mogelijk d.m.v. matiging van de sanctieoplegging geschiedt, geheel of ten dele dient te worden vervangen door een andersoortig stelsel van compensatie. Het Hof heeft i.c. geoordeeld dat kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn op de grond dat weliswaar de behandeling van de zaak in h.b. niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het instellen van het h.b., maar dat het "een zeer geringe overschrijding" betreft. Dit oordeel is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat verdachte zich voor deze zaak in voorlopige hechtenis bevond en de zaak in zo'n geval binnen zestien maanden behoort te worden afgedaan. Ook de inzend- en behandelingstermijn in cassatie zijn overschreden. HR doet de zaak zelf af en vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf met acht maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken