Conclusie A-G Knigge 28 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:565
Conclusie AG met betrekking tot de zogenaamde Amsterdamse medicijnmoorden. De AG gaat in het bijzonder in op de vraag of schakelbewijs alleen toelaatbaar is indien de modus operandi wordt vergeleken van twee strafbare feiten waarvan op andere gronden kan worden aangenomen dat zij zijn begaan. De AG beantwoordt die vraag ontkennend en betoogt dat schakelbewijs ook kan dienen om te bewijzen dat een strafbaar feit is begaan. Verder stelt de AG zich op het standpunt dat het middel dat erover klaagt dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan slagen. Omdat geen van de middelen naar zijn oordeel kan slagen, concludeert de AG dat de Hoge Raad het cassatieberoep moet verwerpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:718
- HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:720
- HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600
- HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:601
- HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:602
- HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:603
- Rb. Den Haag 17 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3769
- Conclusie A-G Spronken 19 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:256
- HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558
- Hof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:320
- HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185
- HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118
- HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907
- HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325
- HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491
- HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578
- HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3558
- HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496