HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3632
Beklag, beslag, art. 1:37 Algemene douanewet (Adw). 1. Begrip ‘vervoermiddel, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken’ a.b.i. art. 1:37.1 Adw. 2. Afwijzing verzoek om geldelijke tegemoetkoming o.g.v. art. 33c.2 Sr. Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1996:ZD0454. Het middel berust in de eerste plaats op de opvatting dat van een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken i.d.z.v. art. 1:37.1 Adw louter sprake kan zijn indien het een vervoermiddel betreft dat over verborgen ruimtes beschikt en aldus “tot het verbergen van goederen [is] ingericht”. Deze opvatting is onjuist, zodat het middel in zoverre faalt. Ook v.zv. het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rb dat het schip moet worden aangemerkt als een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken i.d.z.v. art. 1:37.1 Adw, faalt het. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat de Rb o.m. heeft vastgesteld dat in het schip een constructie is aangebracht welke geschikt is - en i.c. ook daadwerkelijk is gebruikt - om ongezien vanonder de waterlijn goederen, i.c. een grote hoeveelheid cocaïne, in de voorpiek van het schip te brengen. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1998:ZD1210. In het licht van hetgeen namens klaagster is aangevoerd omtrent de waarde van het schip en hetgeen de Rb daaromtrent zelf heeft vastgesteld, heeft de Rb de afwijzing van voormeld verzoek niet toereikend gemotiveerd. Nadere toelichting behoeft immers waarom klaagster door het aan de Staat vervallen van het inbeslaggenomen schip niet onevenredig is getroffen i.d.z.v. art. 33c.2 Sr, bij welke beoordeling - naast de waarde van het schip - de draagkracht als bedoeld in art. 24 Sr. dient te worden betrokken.
De uitspraak op rechtspraak.nl