HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1454
Beklag, beslag door douane ex art. art. 1:37.1 Algemene Douanewet (Adw) op auto van klager met verborgen ruimte, nadat ex art. 94 Sv gelegd beslag is opgeheven. Heeft Rb verzuimd te beslissen op subsidiair gedaan verzoek tot geldelijke tegemoetkoming a.b.i. art. 33c.2 Sr? Rb heeft klaagschrift ongegrond verklaard, terwijl bestreden beschikking geen beslissing inhoudt op verzoek tot geldelijke tegemoetkoming. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:403 inhoudende dat ex art. 1:37.1 en 1:37.4 Adw inbeslaggenomen vervoermiddelen zonder rechtsvervolging aan Staat vervallen tenzij bij rechterlijke beslissing a.b.i. art. 1:37.6 Adw inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, dat o.g.v. art. 1:37.8 Adw minister van Financiën aan Staat vervallen vervoermiddelen onder door hem te stellen voorwaarden aan eigenaar kan teruggeven, dat o.g.v. art. 1:37.6 Adw jo. art. 552b.5 Sv rechter ex art. 33c.2 Sr geldelijke tegemoetkoming toekent wanneer degene aan wie aan Staat vervallen vervoermiddelen toebehoren daardoor onevenredig zou worden getroffen en dat aan de hand van omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of eigenaar van vervoermiddelen door vervallen van zijn eigendom aan Staat onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend. Gelet op bij klaagschrift gedaan verzoek om toekenning van geldelijke tegemoetkoming alsmede op wat door raadsman van klager in raadkamer is aangevoerd, diende Rb te motiveren waarom het niet toepassing heeft gegeven aan (o.g.v. art. 1:37.6 Adw jo. art. 552b.5 Sv toepasselijk) art. 33c.2 Sr. In zoverre is bestreden beschikking niet toereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. verzuim te beslissen op verzoek om geldelijke tegemoetkoming) en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl