HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491

1. Art. 552a Sv-procedure. Onmiddellijkheidsbeginsel en beginselen van behoorlijke procesorde. 2. Art. 98 Sv, verschoningrecht notaris bij doorzoeking. Zeer uitzonderlijke omstandigheden. Ad 1. De wetsgeschiedenis biedt geen steun aan de opvatting dat bij toestemming van zowel de OvJ als klager en diens raadsman, waarvan i.c. sprake is, de behandeling in raadkamer van 9-12-05 niet had mogen worden hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond t.t.v. de schorsing van de behandeling op 16-9-05. Niet valt immers in te zien waarom hetgeen geldt voor het onderzoek op de ttz niet ook zou gelden voor de behandeling door de raadkamer o.g.v. art. 21 e.v. Sv. De tegenovergestelde opvatting waarvan het middel uitgaat is dus onjuist. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen HR NJ 2005, 353 en HR NJ 2006, 622. De Rb heeft kennelijk tot uitgangspunt genomen dat de inbeslaggenomen voorwerpen gegevens bevatten die de verdachte als notaris zijn toevertrouwd en voorts dat hetgeen inbeslaggenomen is geen voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend. Aldus heeft de Rb het geval voor ogen dat de notaris zich t.a.v. de inbeslaggenomen voorwerpen op zijn verschoningsrecht kan beroepen, tenzij zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het - door de Rb aannemelijk geachte - belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Omtrent deze zeer uitzonderlijke omstandigheden heeft de Rb niets vastgesteld. Zij heeft weliswaar overwogen dat het belang van de waarheidsvinding aanwezig is, waarbij kennisneming van de inhoud van het inbeslaggenomene essentieel is voor de voortgang van het onderzoek, maar niet – bijv. aan de hand van de aard en de ernst van het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht - gemotiveerd op grond waarvan dat belang moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Het oordeel van de Rb is dan ook niet begrijpelijk. Opmerking verdient dat de rechter die moet oordelen of zich zodanige zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, anders dan waarvan de Rb lijkt uit te gaan, niet mag volstaan met een marginale toetsing daarvan, doch zich daaromtrent aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer een eigen, zelfstandig, oordeel zal moeten vormen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen