Hof Amsterdam 22 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3576

Megazaak Himalaya. Betreft meerdere onderzoeken naar liquidaties, voorbereidingen van liquidaties en het bestaan van een criminele organisatie die zich in 2013-2016 bezighield met liquidaties, voorbereidingen daarvan en wapenbezit. Bespreking Ennetcom-verweren (PGP) en alternatieve scenario’s. Hof acht bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan drie voltooide liquidaties (waaronder een vergismoord) en één voorbereiding daarvan. De verdachte was ook bijna 2,5 jaar lid van de criminele organisatie. Hof is van oordeel dat uitsluitend het opleggen van een levenslange gevangenisstraf aan de orde kan zijn. Beslissingen op vorderingen benadeelde partijen. Arresten inzake de medeverdachten: ECLI:NL:GHAMS:2023:3569 ECLI:NL:GHAMS:2023:3574 ECLI:NL:GHAMS:2023:3575 ECLI:NL:GHAMS:2023:3566

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000215-22
datum uitspraak: 22 december 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
15-870566-18 en 15-871938-18 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Nieuwegein, te Nieuwegein.

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 en 21 december 2022, 16 en 23 maart 2023; 6 en 8 september 2023, 7, 8, 9, 14, 21 en 23 november 2023 en 22 december 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: het Openbaar Ministerie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden, de gemachtigden van de benadeelde partijen en de nabestaanden naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na nadere omschrijving van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 314a Sv op de terechtzitting van 4 december 2020 in eerste aanleg – ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1 (Himalaya)

primair: medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] op 20 februari 2014;
subsidiair: uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] in de periode van 14 tot en met 20 februari 2014;
meer subsidiair: medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 1] in de periode van 14 tot en met 20 februari 2014;
meest subsidiair: voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] in de periode van 14 februari 2014 tot en met 20 februari 2014;

Feit 2 (Tienshan)

- medeplegen van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] in de periode van 24 juli 2014 tot en met 17 september 2014;

Feit 3 (Dollar)

primair: medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] op 13 juli 2014;
subsidiair: uitlokking van de moord op [slachtoffer 3] in de periode van 1 juni 2014 tot en met 13 juli 2014;

Feit 4 (Theezeef)

primair: medeplegen van de moord op [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] op 3 september 2014;
subsidiair: uitlokking van de moord op [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] in de periode van 20 augustus 2014 tot en met 3 september 2014;

Feit 5 (criminele organisatie)

- het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (moord, voorbereiding van moord en wapenbezit) in de periode van 1 december 2013 tot en met 1 maart 2017.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een iets andere bewijsconstructie dan de rechtbank hanteert en deels tot andere beslissingen komt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en het (gedeeltelijk) bevestigen van het vonnis een te weinig overzichtelijk samenstel van overwegingen en beslissingen zou opleveren. Het hof neemt wel veel overwegingen van de rechtbank over.

4 Vormverzuim in het voorbereidend onderzoek (Ennetcomverweer)

4.1 Verweer van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en dat de Ennetcomberichten moeten worden uitgesloten van het bewijs. De verdediging beaamt dat er gelet op rechtspraak van de Hoge Raad kan worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de ‘Ennetcomhack’, maar meent dat er door het hof expliciet moet worden getoetst aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Volgens de verdediging heeft het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) alle versleutelde data ontsleuteld. Dit kan als onrechtmatig worden aangemerkt, omdat de interceptie van de data zag op een specifiek aantal genoemde onderzoeken en niet op ander crimineel handelen. Het vervolgens ontsleutelen en analyseren van alle versleutelde berichten lijkt niet noodzakelijk noch proportioneel te zijn geweest. Indien het hof tot de conclusie komt dat het vormverzuim aangaande het zonder machtiging verkrijgen van de ‘bulkdata’ van de Ennetcomserver geen vormverzuim in de zaak tegen de verdachte oplevert, meent de verdediging dat er sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Het verkrijgen van de berichten en het vergaren van persoonlijke data levert een inmenging op in het recht op privéleven en er is een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat het analyseren en ontsleutelen gepaard is gegaan met een machtiging van de rechter-commissaris, betekent niet dat deze inmenging in het privéleven van de verdachte noodzakelijk en proportioneel is. De wijze waarop door de Nederlandse autoriteiten ‘bulkdata’ van de servers van Ennetcom zijn verwerkt voldoet niet aan de eisen van artikel 8, tweede lid, EVRM, nu deze wijze van verwerking niet als proportioneel noch als noodzakelijk kan worden aangemerkt. Er is sprake van een dusdanig ernstige schending van artikel 8 EVRM dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtstatelijke waarborg en als middel om de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.

4.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vormverzuim/schending van artikel 8 EVRM en dat het verweer moet worden verworpen.

4.3 Oordeel van het hof

4.3.1 De feitelijke gang van zaken
Ennetcom betreft een Nederlands bedrijf dat in binnen- en buitenland, ook via resellers, beveiligde BlackBerry-telefoons verkocht waarmee het mogelijk was om versleutelde, geëncrypte berichten en notities op te stellen en te verzenden. Deze telefoons worden ook wel aangeduid als ‘crypto-telefoons’ of ‘PGP-toestellen’, waarbij de letters PGP staan voor Pretty Good Privacy.
Uit gegevens van de Nederlandse politie bleek dat criminelen uit de zware en georganiseerde misdaad veelvuldig gebruik maakten van deze telefoons.
Op 8 april 2016 heeft de officier van justitie van het Landelijk Parket een rechtshulpverzoek gericht aan de bevoegde autoriteiten van Canada. Dit rechtshulpverzoek is gedaan in vier strafrechtelijke onderzoeken:
het onderzoek 26DeVink: het onderzoek tegen het bedrijf Ennetcom en diens directeur en enig aandeelhouder [naam 1] ;
de onderzoeken 26Koper, 13Rendlia en 13Rooibos: drie zogenoemde liquidatieonderzoeken, althans onderzoeken naar (voorbereidingen van en/of pogingen tot) ernstige geweldsdelicten, waarbij gebruik is gemaakt van BlackBerry-telefoons van het bedrijf Ennetcom.
De verzochte rechtshulp zag – voor zover hier van belang – op het (forensisch) veiligstellen van de data op de door Ennetcom gehuurde servers van Bitflow Technologies Inc. in Toronto (Canada), teneinde deze data te kunnen gebruiken in de genoemde onderzoeken.
Door de autoriteiten van Canada is uitvoering gegeven aan dit rechtshulpverzoek en de vermelde data (hierna ook: Ennetcomdata) zijn op of vanaf 19 april 2016 veiliggesteld. Het gaat om een zeer grote hoeveelheid data, afkomstig van (tien)duizenden gebruikers van de diensten van Ennetcom.

4.3.2 De beslissing(en) van de Canadese rechter
Bij beslissing van 13 september 2016 heeft de Canadese rechter J. Nordheimer, van de Superior Court of Justice, regio Toronto, overwogen dat wordt ingestemd met een bevel verzending (‘sending order’) van de Ennetcomdata aan Nederland. Deze beslissing houdt onder meer het volgende in:
16. (…) Wat mij zorgen baart is dat, indien al deze data naar Nederland worden gestuurd, er theoretisch niets is dat de Nederlandse autoriteiten ervan zou weerhouden om die informatie op bewijsmateriaal te doorzoeken naar andere criminele activiteiten van anderen die niets met de lopende onderzoeken te maken hebben (…) en die op dit moment geen voorwerp van enig onderzoek vormen. Met andere woorden, dit zou een "fishing expedition" (…) kunnen worden (…). (…) het is wel degelijk een reëel risico en ik ben van mening dat het mijn plicht is om (…) bescherming tegen dat risico te bieden. (…)
17. Door de advocaten van Ennetcom werd niet betwist dat de in beslag genomen data, die
betrekking hebben op de vier onderzoeken waarvoor het bevel doorzoeking was afgegeven, aan
het Koninkrijk der Nederlanden worden verstrekt. Dat is Canada's plicht op grond van het
verdrag dat wij met dat land hebben. Wel werd door de advocaten van Ennetcom gesteld dat
alleen die gegevens verstrekt mogen worden aangezien deze betrekking hebben op de vier
onderzoeken. De advocaten erkenden niet te weten hoe die gegevens zouden kunnen worden
geïdentificeerd en van de andere data worden afgescheiden. Het komt mij inderdaad voor dat er
zonder dat Nederlandse opsporingsambtenaren hierheen komen om alle data hier in Toronto door
te nemen, geen praktische manier is om dat te bereiken, gelet op de aard van de data waar het hier om gaat. (…) Realistisch gezien is het niet mogelijk om de data zo te schiften dat slechts een deel ervan naar Nederland gaat en de rest niet. Het (…) druist ook in tegen het fundamentele doel van de Wet Wederzijdse Rechtshulp in Strafzaken en de internationale verdragen die door Canada zijn ondertekend en die erop zien andere landen te ondersteunen bij het opsporen en onderzoeken van misdrijven (…)
18. Vervolgens gelet op het feit dat de data in hun geheel aan het Koninkrijk der Nederlanden
verzonden dienen te worden blijft de grootste zorg dat het onontkoombaar is dat de data
informatie zullen bevatten die betrekking heeft op personen die niets te maken hebben met de
vier onderzoeken die de aanleiding zijn geweest voor het bevel doorzoeking. Uit de officiële
verklaring van één van de politiefunctionarissen in Toronto die bij deze zaak betrokken zijn,
die is afgelegd ter ondersteuning van het verzoek voor het bevel verzending, blijkt dat de
opsporingsambtenaren in Nederland al door een aantal collega's in zowel Nederland als andere
landen zijn benaderd met betrekking tot aldaar lopende onderzoeken waar dezelfde PGP
BlackBerry-toestellen van Ennetcom bij betrokken zijn. Het staat daarom nagenoeg vast dat ook
andere collega's met het oog op de voortgang van hun onderzoeken toegang tot de gegevens
zullen willen hebben.
20. Het is duidelijk dat ik (…) de bevoegdheid heb om in het bevel verzending alle voorwaarden op te nemen die ik wenselijk acht voor de bescherming van de belangen van derden zoals de personen hier, met betrekking tot wie de data informatie kunnen bevatten maar die niet betrokken zijn bij de vier onderzoeken. (…)
22. Deze bescherming kan geboden worden door het opnemen van een voorwaarde in het bevel verzending op grond waarvan andere Nederlandse opsporingsambtenaren die toegang tot de gegevens willen hebben daartoe door een gerecht in Nederland gemachtigd dienen te worden. Wanneer de data eenmaal daadwerkelijk in Nederland zijn en de rechtbank aldaar ervan overtuigd is dat er gegronde redenen zijn om opsporingsambtenaren toegang tot de gegevens te verlenen in het kader van een legitiem onderzoek door de politie, dan zie ik geen redenen om die
opsporingsambtenaren het recht hiertoe te ontzeggen door hen op te leggen een verzoek in te dienen voor machtiging van een gerecht in dit land. Wederzijdse rechtshulp gaat immers om assistentie door landen onderling. (…) Ik herhaal dat het voor een adequate bescherming van de belangen van derden zo dient te zijn dat toestemming voor toegang tot de gegevens door andere opsporingsambtenaren door een gerecht in Nederland wordt verleend en niet op grond van administratieve processen die er eventueel in dat land mogelijk zijn voor het verkrijgen van bewijsmiddelen.
Bij bevel verzending van 19 september 2016 heeft de Canadese rechter Nordheimer vervolgens gelast dat de Ennetcomdata aan Nederland worden verstrekt, onder de volgende voorwaarden:
1. Het bewijsmateriaal mag alleen worden gebruikt voor onderzoek en vervolging van strafbare feiten (…) die naar voren zijn gekomen in de volgende onderzoeken (…) (de vier hiervoor genoemde strafrechtelijke onderzoeken).
2. Er mag niet op enige andere wijze toegang tot het bewijsmateriaal worden verkregen, noch mag het worden onderzocht of gebruikt in enig ander onderzoek in het Koninkrijk der Nederlanden tenzij hiervoor van tevoren een gerechtelijke machtiging door het Koninkrijk der Nederlanden is afgegeven.

4.3.3 Het vervolg in Nederland
Op 12 oktober 2016 zijn de Ennetcomdata overgedragen aan Nederland. Middels een vergelijking van de zogenoemde hashwaarden, die overeenkwamen, is de integriteit c.q. authenticiteit van de data vastgesteld.
Vervolgens zijn de data in de periode van oktober 2016 tot en met maart 2017 geüpload in Hansken, een door het NFI ontwikkeld systeem (zoekmachine) om grote hoeveelheden data te onderzoeken.
Op 19 oktober 2017 is door de politie in het onderzoek 26DeVink een “proces-verbaal restinformatie” opgemaakt (map 16, pagina 120 e.v.). Uit dit proces-verbaal blijkt dat bij analyse van de Ennetcomdata in het kader van het onderzoek 26DeVink berichten zijn aangetroffen die mogelijk van belang zijn voor een ander reeds lopend strafrechtelijk onderzoek in Nederland, te weten 11Himalaya, het onderzoek naar de liquidatie van [slachtoffer 1] op 20 februari 2014.
Naar aanleiding van dit proces-verbaal heeft de officier van justitie van het Landelijk Parket op 14 december 2017 een vordering gericht aan de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, die is belast met het onderzoek 26DeVink (map 16, pagina 113 e.v.). De officier van justitie heeft – kort gezegd – gevorderd dat de rechter-commissaris toe zal staan dat de bedoelde restinformatie ter beschikking wordt gesteld aan het onderzoeksteam 11Himalaya.
Bij beschikking van 18 december 2017 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam deze vordering toegewezen en de officier van justitie gemachtigd om de restinformatie ter beschikking te stellen aan het onderzoeksteam 11Himalaya (map 16, pagina 109 e.v.). Deze beschikking houdt verder het volgende in:
Het is voorzienbaar dat het onderzoeksteam van 11Himalaya na het ontvangen van de huidige informatie zelf nog onderzoek zal willen verrichten aan en in de gegevens die zich op de servers van Ennetcom bevonden. Voor een dergelijk vervolgonderzoek kan de officier van justitie zich wenden tot de zaaks-rechter-commissaris van het onderzoek 11Himalaya.
Vervolgens is de restinformatie ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam 11Himalaya.

4.3.4 De (deel)onderzoeken van de megazaak Himalaya
Naar aanleiding van onderzoek aan de restinformatie heeft de officier van justitie in het arrondissement Noord-Holland op 11 januari 2018 een eerste vordering gericht aan de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Holland, die is belast met het onderzoek 11Himalaya (map 16, pagina 147 e.v.). De vordering zag – kort gezegd – op het mogen doen van onderzoek in de Ennetcomdata wat betreft twee
e-mailadressen van gebruikers die (op basis van de verkregen restinformatie) te maken zouden hebben met de liquidatie van [slachtoffer 1] . De rechter-commissaris heeft deze vordering op 18 januari 2018 toegewezen (map 16, pagina 142 e.v.).
Hierna zijn zogenoemde vervolgvorderingen ingediend, die nagenoeg volledig door de rechter-commissaris zijn toegewezen. Deze vorderingen zijn niet alleen gedaan in het onderzoek 11Himalaya, maar ook in de hiermee samenhangende onderzoeken 13Theezeef (het onderzoek naar de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ) en/of Tienshan (het onderzoek naar de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 2] ).
Hiernaast zijn door de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam, op vorderingen van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, vergelijkbare beslissingen genomen in de onderzoeken 13Reek (het onderzoek naar de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 5] ) en 13Dollar (het onderzoek naar de liquidatie van [slachtoffer 3] ).
Voor een overzicht van de vorderingen van de officier van justitie en de beslissingen van de rechters-commissarissen verwijst het hof naar het schriftelijk requisitoir van het Openbaar Ministerie in eerste aanleg (pagina’s 17-18).

4.3.5 Beoordeling van het verweer
De Hoge Raad heeft zich op 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900, uitgelaten over Ennetcomdata die op basis van het rechtshulpverdrag tussen Nederland en Canada met toestemming van de Canadese rechter aan Nederland zijn overgedragen ten behoeve van de vier in het betreffende rechtshulpverzoek genoemde in Nederland lopende onderzoeken: 26DeVink, 26Koper, 13Rendlia en 13Rooibos. In de zaak waarover de Hoge Raad oordeelde en die evenals de onderhavige zaak niet een van de vier genoemde onderzoeken betrof, waren door de politie Ennetcomdata verkregen en gebruikt. Hieraan lagen, teneinde aan de door de Canadese rechter gestelde voorwaarde te voldoen en net als in de onderhavige zaak, machtigingen van de rechter-commissaris ten grondslag die op vordering van de officier van justitie waren verleend.
De Hoge Raad heeft – kort samengevat – geoordeeld dat uitgegaan dient te worden van het oordeel van het Ontario Superior Court of Justice dat voornoemd rechtshulpverdrag een toereikende grondslag biedt voor het veiligstellen en overdragen van de gegevens en dat het Wetboek van Strafvordering zich er niet tegen verzet dat de officier van justitie in een geval als het onderhavige een machtiging van de rechter-commissaris vordert voor het gebruik van dergelijke gegevens en de rechter-commissaris op die vordering beslist.
Het hof verwijst naar deze uitspraak van de Hoge Raad en oordeelt dat de Ennetcomberichten rechtmatig zijn verkregen en gebruikt. De grondslag voor het rechtshulpverzoek van Nederland aan Canada was het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: het Rechtshulpverdrag). De berichten zijn aldus verkregen in het
kader van interstatelijke samenwerking tussen Nederland en Canada, waarbij het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft te gelden. Het bestaan van het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Canada – alsmede het bestaan van diverse andere verdragen waarbij beide landen partij zijn, waaronder het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten – duidt immers op een zeker vertrouwen aan Nederlandse zijde in de deugdelijkheid van de Canadese rechtspleging.
De Canadese rechter heeft onder ogen gezien dat de overdracht van de Ennetcomdata aan Nederland een inbreuk oplevert op de belangen van derden die niet bij de vier genoemde onderzoeken zijn betrokken. Daarbij is ook aandacht geweest voor het feit dat vóór overdracht van de data aan Nederland, niet identificeerbaar is welke data betrekking hebben op deze vier onderzoeken. Ook was al duidelijk dat Nederlandse opsporingsambtenaren die met andere onderzoeken bezig waren interesse hadden in de data. Ter bescherming van de belangen van die derden is in het bevel van de Canadese rechter daarom de voorwaarde van een rechterlijke machtiging opgenomen.
Het hof leidt uit de overwegingen van de Canadese rechter aldus af dat de ontsleuteling van de Ennetcomdata valt binnen de grenzen van het bevel verzending van de Canadese rechter. Dat dit een enorme hoeveelheid data betrof, maakt niet dat sprake is van bulkinterceptie. De inbeslagname en overdracht van de Ennetcomdata levert een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers op, maar – zo moet op basis van het vertrouwensbeginsel worden aangenomen – dat is toegestaan binnen de daarvoor geldende kaders (in accordance with the law). Door de verdediging is niet betwist dat voor het gebruik in de onderhavige onderzoeken – overeenkomstig de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden – steeds een machtiging is afgegeven door een rechter-commissaris. Voorts blijkt uit de machtigingen dat de rechters-commissarissen – in de lijn met de beslissing van de Canadese rechter – zich bewust zijn geweest van de (te beschermen) belangen van derden, en dat zij die belangen in hun afwegingen hebben betrokken. Er zijn enkel machtigingen verstrekt indien sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, waarbij de rechter-commissaris heeft overwogen dat het ging om een verdenking van strafbare feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren en de machtigingen zijn telkens beperkt tot een of meer specifieke e-mailadressen van mogelijke verdachten.
Tegen deze achtergrond en in het licht van wat de verdediging heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM.
Het hof verwerpt het verweer.

5 Standpunten van partijen ten aanzien van feiten 1 tot en met 5

5.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren feit 1 primair (Himalaya), feit 2 (Tienshan), feit 3 primair (Dollar), feit 4 primair (Theezeef) en feit 5 (criminele organisatie, tot en met 31 mei 2016).

5.2 Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd voor wat betreft de feiten 2 en 5.
Met betrekking tot de feiten 1, 3 en 4 heeft de verdediging betoogd dat de verdachte van alle tenlastegelegde varianten moet worden vrijgesproken.

6 Identificatie PGP-adressen en bijnamen

In het dossier komen meerdere PGP-adressen en bijnamen van betrokkenen voor. Ter bevordering van de leesbaarheid van dit arrest, volgt hieronder een beknopt overzicht van de PGP-adressen en bijnamen die het hof aan verschillende betrokkenen koppelt. Het hof gaat uitgebreider in op deze koppelingen in bijlage II bij dit arrest. De overwegingen uit bijlage II zijn op hun beurt weer gebaseerd op de bewijsmiddelen die in bijlage III bij dit arrest zijn opgenomen.

Naam betrokkene
Bijnaam
PGP-adres
[verdachte]
[bijnaam a verdachte]
[bijnaam b verdachte]
[bijnaam c
verdachte]
[4j9q]@ennetcom.com
[e-mailadres1]@publicpgp.com
[e-mailadres2]@luxberry.cc
[medeverdachte 1]
[bijnaam a medeverdachte 1]
[bijnaam b medeverdachte 1]
[bijnaam c medeverdachte 1]
[u2z6]@ennetcom.com
[897b]@ennetcom.com
[8475]@ennetcom.com
[e-mailadres3]@pubicpgp.com
[medeverdachte 2]
[bijnaam a medeverdachte 2]
[bijnaam b medeverdachte 2]
[bijnaam c medeverdachte 2]
[bijnaam d medeverdachte 2]
[y86z]@ennetcom.com
[0959]@ennetcom.biz
[EC8R]@ennetcom.com
[e-mailadres4]@publicpgp.com
[medeverdachte 3]
[bijnaam medeverdachte 3]
[9xkn]@ennetcom.biz
[medeverdachte 4]
[bijnaam medeverdachte 4]
[8oes]@ennetcom.com
(hof: dit adres wordt ook gekoppeld aan
[medeverdachte 7])
[medeverdachte 5]
[bijnaam a medeverdachte 5]
[bijnaam b medeverdachte 5]
[bijnaam c medeverdachte 5]
[medeverdachte 6]
[bijnaam a medeverdachte 6] [bijnaam b medeverdachte 6]
[26v0]@ennnetcom.com
[a914]@ennetcom.biz
[medeverdachte 7]
[8oes]@ennetcom.com
(hof: dit adres wordt ook gekoppeld aan
[medeverdachte 4])
[medeverdachte 8]
[12zg]@ennetcom.com
[medeverdachte 9]
[bijnaam medeverdachte 9]
[87tL]@ennetcom.com
[8aig]@ennetcom.com
[plru]@ennetcom.com
[medeverdachte 10]
[bijnaam a medeverdachte 10]
[bijnaam b medeverdachte 10]
[3304]@ennetcom.com
[433a]@ennetcom.com
[fsb8]@ennetcom.com
[medeverdachte 11]
[bijnaam medeverdachte 11]
[3x77]@ennetcom.com
[049x]@ennetcom.com
[medeverdachte 12]
[bijnaam a medeverdachte 12]
[bijnaam b medeverdachte 12]
[u0z3]@ennetcom.com
[medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4]
[bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4]
[bijnaam b medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4]
[bijnaam c medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4]

7 Himalaya (feit 1)

7.1 Inleidende feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in bijlage IV, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 20 februari 2014 omstreeks 07.20 uur is [slachtoffer 1] (hierna ook: het slachtoffer) geliquideerd op de [straatnaam 2] in Zaandam. Het slachtoffer bevindt zich in zijn geparkeerde auto – een zwarte Ford Fiësta met kenteken [kenteken 1] – als een man al schietend op hem afkomt. Nadat het slachtoffer uit de auto weet te komen en op de grond valt, wordt hij nogmaals door de man onder vuur genomen. Vervolgens rent de man (hierna: de schutter) weg en stapt in een auto.
In het hoofd van het slachtoffer worden meerdere kogels aangetroffen. Volgens de patholoog wordt het overlijden van het slachtoffer verklaard door uitval van hersenfuncties, opgetreden als gevolg van schotletsels door het hoofd. Uit onderzoek door het NFI, in combinatie met de overige inhoud van de bewijsmiddelen, concludeert het hof dat gebruik is gemaakt van twee vuurwapens: vermoedelijk een semiautomatisch werkend pistool (kaliber 9mm Browning Kort) en een machinepistool van het type Skorpion (kaliber 7,65mm Browning).
De waarnemingen van verschillende getuigen in combinatie met ARS- en Vialis-gegevens leiden al snel naar een grijze Volkswagen Golf met (vals) kenteken [kenteken 2] , die op de Reizigersweg in Amsterdam is aangetroffen. Op basis van voornoemde bevindingen, in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen, stelt het hof vast dat dit de auto is waarin de schutter wegvluchtte nadat hij van de plaats delict is weggerend. Het hof zal deze auto hierna (ook) aanduiden als de eerste vluchtauto. Deze auto blijkt tussen 27 en 28 januari 2014 te zijn weggenomen in Amsterdam.
In en om de eerste vluchtauto wordt onderzoek verricht, waarbij een benzinegeur wordt waargenomen en wordt geconstateerd dat in de auto brand heeft gewoed.
Wederom op basis van verschillende getuigenverklaringen en ARS- en Vialis-gegevens komt een tweede mogelijk betrokken auto in beeld: een Renault Clio met het kenteken [kenteken 3] . Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de schutter, na het achterlaten van de brandende eerste vluchtauto op de Reizigersweg, ter plekke in de Renault Clio stapt. Daarbij is hij vergezeld door een tweede man, die als bestuurder instapt. Het hof zal deze auto hierna (ook) aanduiden als de tweede vluchtauto.
Uit de gegevens van ARS en Vialis blijkt dat op 20 februari 2014, de dag van de liquidatie, de Renault Clio (de tweede vluchtauto) en de Volkswagen Golf (de eerste vluchtauto) om 05.49 uur, met slechts één seconde verschil, een camera passeren die zich – zo constateert het hof – vlakbij de Reizigersweg bevindt. De eerste vluchtauto rijdt door naar Zaandam, waar deze auto omstreeks 06.00 uur arriveert. Van de tweede vluchtauto zijn tussen 05.49 uur en 07.30 uur geen reisbewegingen te zien. Omstreeks 07.24 uur rijdt de eerste vluchtauto terug naar Amsterdam, waar deze auto, zoals vermeld, op de Reizigersweg in brand is gestoken. De tweede vluchtauto passeert om 07.30 uur wederom een camera in de omgeving van de Reizigersweg.
Uit het voorgaande concludeert het hof dat de tweede vluchtauto voorafgaand aan de liquidatie is klaargezet in de omgeving van de Reizigersweg te Amsterdam, terwijl de eerste vluchtauto is doorgereden naar Zaandam en vervolgens, na de liquidatie, weer is teruggekeerd naar de Reizigersweg te Amsterdam. Vanaf daar is, nadat de eerste vluchtauto in brand is gestoken, de vlucht voortgezet met behulp van de tweede vluchtauto.
Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte zelf, stelt het hof vast dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] de schutter is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 1] op 20 februari 2014 en dat [medeverdachte 6] de eerste vluchtauto heeft bestuurd.

7.2 Is de verdachte medepleger?
De vraag die voorligt is of de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de liquidatie op [slachtoffer 1] . Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte overweegt het hof als volgt.
Het beoordelingskader
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is verder vereist dat de verdachte opzet had op het gronddelict.
Januari 2014
De verdachte heeft verklaard dat na de poging tot liquidatie van [medeverdachte 11] eind december 2013 en een daarop volgende bomaanslag in de auto van [medeverdachte 11] , door [medeverdachte 11] en anderen werd vermoed dat (onder meer) [slachtoffer 1] hiermee te maken zou hebben. Volgens de verdachte had [medeverdachte 9] dan ook ‘groen licht’ van [medeverdachte 11] gekregen om [slachtoffer 1] te liquideren. De verdachte raakte hiervan op de hoogte in januari 2014.
15 en 16 februari 2014
De verdachte heeft zich ervoor ingezet dat de PGP-telefoon met het daaraan gekoppelde account 26v0 op 15 februari 2014 van de gebruiker ‘ [bijnaam 5] ’ overging op [medeverdachte 6] , die – zo heeft de verdachte verklaard – vanaf dat moment de gebruiker van voornoemd account is.
18 februari 2014
Op 18 februari 2014 maken de eerste en de tweede vluchtauto eenzelfde reisbeweging. Uit de gegevens van ARS en Vialis blijkt dat deze twee voertuigen op 18 februari 2014 omstreeks 05.00 uur kort na elkaar naar Zaandam rijden en vanaf ongeveer 06.50 uur kort na elkaar terug naar Amsterdam – beide keren met een verschil van minder dan tien minuten. De aan 26v0 gekoppelde PGP telefoon wikkelt op deze dag tussen 05.08 uur en 06.51 uur meerdere dataverbindingen af met BTS-sides in Zaandam die dekking bieden aan de omgeving van de [straatnaam 2] (de latere plaats delict).
In de avond van 18 februari 2014 om 21.01 uur stuurt [medeverdachte 6] het volgende bericht naar de verdachte: “Bro stuur me die k.teken”, waarop de verdachte reageert: “ [kenteken 10] zwart fiesta”. Zoals vermeld, is dit het kenteken van de auto van [slachtoffer 1] , waarin hij op 20 februari 2014 zat toen hij werd doodgeschoten. De verdachte heeft ook bekend het kenteken van [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 6] te hebben gestuurd.
19 februari 2014
In de ochtend van 19 februari 2014 stuurt [medeverdachte 6] onder meer de volgende berichten naar de verdachte: “Sorry bro was K.O. hahahah” en “(…) hele nacht gewacht voor niks!!”.
In de middag van 19 februari 2014 vraagt [medeverdachte 6] aan de verdachte of ‘die man’ morgen ook werkt. De verdachte antwoordt: “Ja man morgen moet bro maar zie je zo nog en neem die [bijnaam medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ook mee”. De verdachte heeft verklaard dat hij met ‘die [bijnaam medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ’ in dit bericht [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] bedoelt.
20 februari 2014
[slachtoffer 1] is op 20 februari 2014 omstreeks 07.20 uur geliquideerd. Op die dag vindt het volgende contact plaats tussen de [medeverdachte 6] en de verdachte:
- [medeverdachte 6] om 07.47 uur: “Broer het is geklaart”;
- de verdachte om 08.00 uur: “Ik ben onderweg na jullie”;
- [medeverdachte 6] om 08.05 uur: “Broer je ik ga je een straat geven dan moet je ons daar oppikken goed??”;
- de verdachte om 08.05 uur: “Ja. Broer”;
- [medeverdachte 6] om 08.06 uur: “ [adres 1] nummer [huisnummer x] ”;
(…)
- [medeverdachte 6] om 08.36 uur: “Bro je moet een beetje haast maken. Begint heet te worden hier”;
- de verdachte om 08.37 uur: “Ja bro is druk op de weg zijn er bijna man”;
- [medeverdachte 6] om 08.37 uur: “(…) die [bijnaam medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] word helemaal leip”.
De verdachte heeft verklaard dat hij na het bericht “Broer het is geklaart” naar de [adres 1] in Amsterdam Noord is gereden. Dit vindt bevestiging in de logbestanden van het voertuig waarin hij volgens zijn verklaring reed (de Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 4] ). Uit die logbestanden volgt verder dat het voertuig om 08.08 uur wordt gestart. De verdachte heeft verder verklaard dat hij in Amsterdam Noord [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] heeft gezien en dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] zei dat ze (‘wij’) [slachtoffer 1] hadden doodgeschoten.
De berichtenwisseling gaat als volgt verder:
- de verdachte om 09.15 uur: “Zeg me als je osso bent”;
- [medeverdachte 6] om 09.45 uur: “We zijn osso”;
- de verdachte om 09.52 uur: “Oke bro zie je straks”;
(…)
- [medeverdachte 6] om 10.58 uur: “Bro wats de planning”;
- de verdachte om 10.59 uur: “Zie julluie straks lekker rustig aan doen”.
Later op de avond stuurt [medeverdachte 6] aan de verdachte: “(…) wil je vandaag nog afspreken of zie ik je morgen??”, waarop de verdachte reageert: “(…) hoor het zo van die andere hoe en wat en dan laat ik je weten ja bro”.
21 februari 2014
De volgende dag, op 21 februari 2014, vraagt [medeverdachte 6] wederom aan de verdachte wat de planning is, waarop de verdachte om 14.00 uur laat weten: “(…) als het goed is zien we zo die andere en dan jullie”. Even later stuurt [medeverdachte 6] aan de verdachte: “Bro, ik ben met [(deel van) bijnaam b medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . Die man wilt ze doekoe, hij is skeeeeer. Laten we ff afspreken a.u.b.”.
Het hof heeft hiervoor, in paragraaf 6, de bijnaam ‘ [(deel van) bijnaam b medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ’ gekoppeld aan [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] .
In de avond bericht de verdachte aan [medeverdachte 6] : “Bro het wordt morgen er is en grote controle in noord en ijburg man kreeg het net door dus van die andere”. Kort daarvoor wordt de verdachte door de gebruiker ‘ [bijnaam a medeverdachte 2] ’ via het account y86z geattendeerd op deze controle met de mededeling “dus ff rustig op de bank is beste optie en morgen breng ik het”. Voornoemde bijnaam en account heeft het hof in paragraaf 6 aan medeverdachte [medeverdachte 2] gekoppeld.
Met betrekking tot de berichten op 20, 21 en 22 februari 2014 heeft de verdachte verklaard dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] hun geld wilden hebben voor de liquidatie van [slachtoffer 1] . Volgens de verdachte is er veel gecommuniceerd over dit geld en onderhield hij daarover contact met enerzijds [medeverdachte 6] en anderzijds [medeverdachte 2] .
22 februari 2014
Een dag later, op 22 februari 2014, wordt er zowel in contact tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , als tussen de verdachte en [medeverdachte 6] gesproken over “het uit elkaar halen van die radio’s”. De verdachte heeft verklaard dat wanneer in berichten van 21 en 22 februari 2014 wordt gesproken over “radio’s” en “hamers”, daarmee de wapens worden bedoeld die bij de liquidatie van [slachtoffer 1] zijn gebruikt. [medeverdachte 6] zegt in de berichten dat die dingen al zijn weggehaald, en met betrekking tot de opmerking van de verdachte “die moeten nog uit elkaar he”, dat het al is geregeld.
Het hof leidt uit voorgaande feiten en omstandigheden het volgende af:
- in januari 2014 is de verdachte ervan op de hoogte dat er door [medeverdachte 11] ‘groen licht’ is gegeven voor het liquideren van [slachtoffer 1] vanwege zijn vermoedelijke betrokkenheid bij de aanslag op [medeverdachte 11] in zijn Audi A6;
- tussen 27 en 28 januari 2014 is, in opdracht van de verdachte, de Volkswagen Golf gestolen die door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] vervolgens als eerste vluchtauto is ingezet na de liquidatie op [slachtoffer 1] ;
- de verdachte heeft op 15 februari 2014 geregeld dat de PGP-telefoon gekoppeld aan het account 26v0 naar [medeverdachte 6] overging, die vanaf dat moment de gebruiker was van voornoemd account;
- de verdachte heeft op 18 februari 2014, via de 26v0, aan [medeverdachte 6] het kenteken van de auto van het slachtoffer doorgegeven;
- de verdachte stond in de dagen voorafgaand aan de liquidatie via de 26v0 in contact met [medeverdachte 6] , waarbij onder andere over het posten (“hele nacht gewacht voor niks”) en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] (“die [bijnaam medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ” / “die [bijnaam medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ”), de schutter, is gesproken;
- op 20 februari 2014 is [slachtoffer 1] geliquideerd;
- de verdachte is binnen dertig minuten na de liquidatie geïnformeerd dat “het is geklaard”, waarna hij direct afreisde naar Amsterdam Noord om daar [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] te ontmoeten op het door [medeverdachte 6] doorgegeven adres;
- de verdachte heeft zich na de liquidatie, zowel op de dag zelf als gedurende de daarop volgende dagen, ermee bezig gehouden dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] betaald kregen voor de liquidatie, waarbij hij met [medeverdachte 6] ook over het uit elkaar halen van de gebruikte vuurwapens heeft gesproken. Daarbij stond hij enerzijds in contact met [medeverdachte 6] , en anderzijds met [medeverdachte 2] , om een en ander te faciliteren.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is komen vast te staan. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte zodanig geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen. Zijn rol is immers niet beperkt gebleven tot het doorgeven van het kenteken van de auto van het slachtoffer. De verdachte heeft ook de auto laten stelen die is gebruikt bij het posten in de dagen voorafgaand aan de liquidatie en bij het wegvluchten vanaf de plaats delict. Hij heeft een PGP-telefoon geregeld voor de spotter tevens latere bestuurder van een gebruikte vluchtauto, met wie hij vervolgens veelvuldig contact had in de dagen voorafgaand aan de liquidatie. Verder heeft hij zich ervoor ingezet dat de bestuurder van de vluchtauto en de schutter betaald zouden krijgen en heeft hij zich bemoeid met het weghalen en uit elkaar halen van de gebruikte wapens. Dit alles deed hij in de wetenschap dat kort daarvoor ‘groen licht’ was gegeven voor de liquidatie van het slachtoffer.

7.3 Alternatief scenario verdediging
De verdediging heeft een alternatief scenario gepresenteerd, inhoudende dat de verdachte ten tijde van het verstrekken van het kenteken geen concrete voorkennis had van de liquidatie op [slachtoffer 1] . Daarbij heeft de verdachte verklaard dat hij, nadat hij bekend was met het ‘groen licht’ voor [slachtoffer 1] , de groep [medeverdachte 11] nog met [slachtoffer 1] heeft gezien. Daardoor ging hij ervan uit dat de groep weer op goede voet stond met [slachtoffer 1] en het ‘groen licht’ kennelijk niet meer geldig was. De verdachte heeft verklaard dat tot het moment dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] in Amsterdam Noord zei dat hij en [medeverdachte 6] (‘wij’) [slachtoffer 1] hadden doodgeschoten, hij niet wist dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] en [medeverdachte 6] daarmee bezig waren. Volgens de verdachte zag het posten in de dagen voorafgaand aan de liquidatie niet op [slachtoffer 1] , maar op [naam 2] , wiens broer [naam 3] een ander doelwit was van de groep [medeverdachte 11] . Gelet op het voorgaande kan volgens de verdediging niet worden gezegd dat de verdachte opzet heeft gehad op de liquidatie van [slachtoffer 1] en dient hij te worden vrijgesproken.
Het hof stelt deze verklaringen van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde en overweegt in dat verband het volgende.
Het hof wijst allereerst op een gesprek op 15 februari 2014 tussen de verdachte en de 26v0 (‘ [bijnaam 5] ’), onder meer inhoudende: “(…) hij doet ook vreemd tegen hun allemaal (…) en hij zit ook achter die ding in die a6 (…)”. Het hof brengt in herinnering dat het ‘groene licht’ voor [slachtoffer 1] is gegeven vanwege zijn vermoedelijke betrokkenheid bij de aanslag op [medeverdachte 11] in diens Audi A6. In deze berichtenwisseling spreekt de verdachte verder over “als je hoort wie me wilt kieren ga je schrikken”, “wordt korte mette met hem gedaan heel gauw ook nog”, “kwam hem tegen vandaag waren we met ze alle je merkt gwn aan hoe iemand groet snap je dat het niet klopt” en “maar ik weet nog meer ik ken elke routine van a tot z (…) hij zegt het niet ik ga wat doen maar je hoort dingen je ziet dingen je ziet hoe die groet weet je genoeg”. Het in contact (blijven) staan met een beoogd slachtoffer staat dus kennelijk niet in de weg aan een plan om dat slachtoffer te liquideren. De verklaring van de verdachte dat de groep [medeverdachte 11] weer contact had met [slachtoffer 1] en de verdachte daarom ‘het groene licht’ niet serieus nam, is dan ook niet steekhoudend.
De verklaring van de verdachte dat hij pas in Amsterdam Noord van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] hoorde dat [slachtoffer 1] was gedood, en dat hij daarvan schrok, acht het hof evenmin geloofwaardig. Nadat de verdachte om 07.47 uur van [medeverdachte 6] het bericht krijgt dat het is geklaard, stuurt de verdachte al om 08.00 uur “Ik ben onderweg na jullie”. Kort nadat [medeverdachte 6] vervolgens het specifieke adres aan de verdachte heeft doorgegeven is de verdachte afgereisd naar Amsterdam Noord om daar [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] te ontmoeten. Bovendien is het de verdachte die door [medeverdachte 6] wordt benaderd voor het verstrekken van het kenteken en is het wederom de verdachte die kort na de liquidatieop de hoogte wordt gebracht dat de klus is geklaard. Dat de verdachte laatstgenoemd bericht niet zou hebben gekoppeld aan de liquidatie van [slachtoffer 1] is, gelet op het voorgaande, volstrekt onaannemelijk.
Ook de communicatie van de verdachte later op de dag, nadat hij in Amsterdam Noord is geweest – “Zeg me als je osso bent”, “Oke bro zie je straks” en “Zie julluie straks lekker rustig aan doen” – getuigt niet van enige verbazing bij de verdachte over het feit dat [slachtoffer 1] het slachtoffer is van ‘de geklaarde klus’. Integendeel. De verdachte houdt zich immers diezelfde dag en de dagen daarna bezig met de betaling van de schutter en de bestuurder van de vluchtauto, waarbij hij tevreden lijkt over het resultaat, gelet op zijn bericht aan [medeverdachte 6] (de bestuurder) een dag na de liquidatie: “Haha ik hou van jullie”.
Bovendien lijkt de verdachte zelf ook geld te ontvangen, gelet op de berichtgeving tussen [medeverdachte 9] en de verdachte op 21 februari 2014:
- [medeverdachte 9] : “Bro zodra die man pap heeft gehaald geeft hij je tien ok laat niemand weten goed”;
- de verdachte: “Ja bro ik laat niks niemand weten”;
(…)
- [medeverdachte 9] : “Bro elke keer als wij werken zorg ik dat je dat krijgt ok ik haal het er gewoon vanaf”;
- de verdachte: “(…) Is goed bro dank je wel”;
- [medeverdachte 9] : “Hoeft niet bro jij werkt ook hard bro”.
Naar het oordeel van het hof passen alle voornoemde feiten en omstandigheden, die elkaar bovendien in chronologie rap opvolgden, als een puzzel in elkaar. Gelet op de hiervoor omschreven handelingen van de verdachte, in het licht van de communicatie voorafgaand aan en na de liquidatie, laat het doorgeven van het kenteken zich moeilijk anders verklaren dan dat dit was gericht op de liquidatie van [slachtoffer 1] . Het hof concludeert daarmee dat het alternatieve scenario van de verdachte – inhoudende dat de verdachte geen concrete voorkennis had van de liquidatie op [slachtoffer 1] ten tijde van het doorgeven van het kenteken – niet aannemelijk is geworden en schuift dit als ongeloofwaardig terzijde.
Dat er mogelijk in de dagen voorafgaand aan de liquidatie (ook) gepost is op [naam 2] om bij diens broer terecht te komen teneinde deze te liquideren, staat niet in de weg aan het opzet van de verdachte om (ook) [slachtoffer 1] te laten doden. Dat [naam 3] als getuige ter terechtzitting heeft verklaard dat hij was gewaarschuwd heeft dan ook, voor het opzet van de verdachte op de liquidatie van [slachtoffer 1] , geen betekenis. De omstandigheden die de verdediging bij pleidooi heeft aangevoerd, leiden niet tot een ander oordeel.
Gelet op al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleger is van de moord op [slachtoffer 1] .

8 Tienshan (feit 2)

Het hof acht, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de overige bewijsmiddelen in bijlage V bij dit arrest, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 24 juli 2014 tot en met 21 augustus 2014, tezamen en in vereniging met anderen (onder wie de medeverdachte [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] ), voorbereidingshandelingen voor de moord (liquidatie) op [slachtoffer 2] heeft gepleegd. Evenals de rechtbank ziet het hof aanleiding de verdachte vrij te spreken van het in het kader van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] voorhanden hebben van een Fiat 500 en bromfiets. Nu de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak van dat feit is bepleit, volstaat het hof met de opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv.

9 Dollar (feit 3)

9.1 Feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in bijlage VI, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 13 juli 2014 omstreeks 01.38 uur kreeg de politie de melding van een schietpartij in de [straatnaam 3] te Amsterdam. Ter plaatse (ter hoogte van perceel [huisnummer y] ) bleek een man in een blauw voertuig, een Fiat Punto met kenteken [kenteken 5] , te zijn neergeschoten. Het voertuig stond geparkeerd in een parkeervak. Het portier stond open. Het raam van de passagiersdeur lag eruit. De man is door de politie uit de auto getild, waarbij werd gezien dat hij meerdere schotwonden in zijn lichaam had. De politie en later het brandweerpersoneel hebben de man gereanimeerd, maar dit mocht niet baten. Een getuige vertelt aan de ter plaatse aanwezige politie dat hij een man voorbij zag rennen met een soort geweer. De man stapte in een gereedstaande grijze auto, een Volkswagen Golf of Polo. Deze getuige, de heer [getuige 1] , werd later uitgebreider gehoord.
Het slachtoffer bleek [slachtoffer 3] te zijn, geboren op [geboortedatum] . Bij sectie aan het lichaam door een patholoog van het NFI bleek van 7 doorschoten die goed te herleiden waren, 5 doorschoten aan de romp die niet meer goed te herleiden waren en 6 inschoten. Vele belangrijke organen (waaronder het hart, de longen, de lever en de hersenen) waren geraakt/beschadigd. Ook waren belangrijke bloedvaten geraakt met daardoor functiestoornissen van organen en algehele weefselschade door substantieel bloedverlies tot gevolg. Het intreden van de dood wordt daarmee verklaard.
Er was dus sprake van meerdere schotletsels aan het lichaam. Ook zijn tijdens de sectie 6 kogels in het lichaam aangetroffen.
Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat er met een machinepistool, een pistoolmitrailleur, type Skorpion, op het slachtoffer is geschoten.
Getuige [getuige 1] verklaart dat hij op de fiets de [straatnaam 3] in reed en op dat moment 4 of meer schoten hoorde. Hij zag een jongen over de [straatnaam 3] aan komen rennen in de richting van de [straatnaam 4] met een groot pistool of geweer in zijn rechterhand, dat hij tegen zijn borst hield. Deze man rende door naar een geparkeerde auto die in een parkeervak op de [straatnaam 3] stond. Toen de man vlakbij de auto was, werd de auto het parkeervak uitgereden en stapte de man met het wapen aan de passagierszijde in. De auto reed vervolgens weg door de [straatnaam 4] . Het was een grijze auto, naar de getuige denkt een Volkswagen Golf of Polo.
Getuige [getuige 2] heeft op 13 juli 2014 om ongeveer 01.00 uur een geparkeerde auto met brandende koplampen zien staan. De auto stond file geparkeerd en zij zag dat er twee mannen in de auto zaten en dat één van hen een telefoon in de hand had, waarschijnlijk een BlackBerry. Ongeveer 20 minuten later, nadat zij haar woning was binnen gelopen, hoorde zij vanaf de straat 5 a 6 harde knallen.
Op camerabeelden is te zien dat op 13 juli 2014 om 01.38.11 uur een auto (gelijkend op een Volkswagen Golf) de [straatnaam 4] uit komt rijden, uit de richting van de [straatnaam 3] , en de Czaar Peterstraat inrijdt in de richting van de [straatnaam 5] .
Om 01.45 uur diezelfde nacht kreeg de politie de melding van een autobrand op de Flevoparkweg te Amsterdam. Ter plaatse zagen zij een zilverkleurige Volkswagen Golf, voorzien van een Duits uitvoerkenteken ( [kenteken 6] ), in brand staan. Na onderzoek bleken de Duitse kentekenplaten op 9 juli 2014 te zijn gestolen in Utrecht. De zilverkleurige Volkswagen Golf bleek op 11 juli 2014 te zijn gestolen in Amsterdam, vanaf de Jacob van Lennepkade.
[medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] (de schutter in het onderzoek Himalaya) had sinds 26 februari 2014 een Volkswagen Polo op zijn naam staan met kenteken [kenteken 7] . Uit onderzoek is gebleken dat dit kenteken op 12 juli 2014 omstreeks 23.50.01 uur een mastlocatie van Vialis aan de Zuiderzeeweg (richting zuid) in Amsterdam passeert. Op 13 juli 2014 om 01.42.04 uur passeert het kenteken dezelfde locatie in tegenovergestelde richting (richting noord). Deze locatie is in de buurt van de Flevoparkweg. De avond en nacht ervoor, van 11 op 12 juli 2014, is het kenteken eveneens in die omgeving geregistreerd; (onder andere) op 11 juli 2014 om 23.47.00 uur op de Zuiderzeeweg en op 12 juli 2014 om 01.41.58 uur op de Flevoweg.
Het hiervoor vermelde Duits uitvoerkenteken ( [kenteken 6] ) was op 12 juli 2014 in de middag gescand op de Zeeburgerdijk in Amsterdam. Een politieagent heeft het voertuig met dit kenteken (de in brand staande Volkswagen Golf) in de avond/nacht van 12 op 13 juli 2014 afgesloten geparkeerd zien staan op de Flevoparkweg te Amsterdam. Later zag hij ditzelfde voertuig in brand staan. Dit alles duidt op een planmatige actie.
[slachtoffer 3] had geen enkel politie- of justitieel antecedent en is per vergissing om het leven gebracht. Het beoogde doelwit was [beoogd slachtoffer Dollar] , de jongere broer van [naam 9] , die op 29 december 2012 in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam is doodgeschoten. Uit onderzoek bleek dat [beoogd slachtoffer Dollar] de door hem gebruikte Fiat Punto (een zwarte vijfdeurs, kenteken [kenteken 8] ) bijna altijd in de [straatnaam 3] parkeerde; op 10 en 11 juli 2014 had dat voertuig ter hoogte van perceel [huisnummer y] – de latere plaats delict – zelfs nog een parkeerboete gekregen. [beoogd slachtoffer Dollar] verbleef toen bij zijn ouders aan de [straatnaam 1] . Omdat het in die straat op zondags gratis parkeren was, had hij de auto op zondag 13 juli 2014, iets ná 01.00 uur, in deze straat geparkeerd in plaats van in de [straatnaam 3] .
Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte medepleger is van de moord op [slachtoffer 3] . Het juridisch kader van medeplegen is hiervoor uiteengezet.

9.2 Oordeel van het hof

9.2.1 De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] , die van meet af aan de beoogde schutter was, [slachtoffer 3] heeft doodgeschoten. De opdracht voor de liquidatie van het eigenlijk beoogde slachtoffer, [beoogd slachtoffer Dollar] , is gegeven door [medeverdachte 9] . De verdachte heeft begin juni 2014 het kenteken van de auto van [beoogd slachtoffer Dollar] en diens laatst bekende verblijfsadres doorgegeven aan ‘ [bijnaam 1] ’. Hij wist toen al dat het de bedoeling was om [beoogd slachtoffer Dollar] te liquideren. Eveneens begin juni 2014 heeft hij ‘ [bijnaam 1] ’ gevraagd auto’s te stelen ten behoeve van de liquidatie. Een van de gestolen auto’s, een Volkswagen Golf, is ook gebruikt bij de liquidatie. De verdachte wist dat [beoogd slachtoffer Dollar] klein was en een petje droeg en heeft dat doorgegeven. ‘ [bijnaam 1] ’ is met de door de verdachte aan hem verstrekte informatie aan de slag gegaan en is [beoogd slachtoffer Dollar] gaan observeren. De verdachte weet van de berichten van ‘ [bijnaam 1] ’ dat deze op enig moment precies de dagelijks routine van [beoogd slachtoffer Dollar] wist. Er is een peilbaken onder de auto van [beoogd slachtoffer Dollar] geplaatst. De verdachte werd op de hoogte gehouden van de observatie van [beoogd slachtoffer Dollar] . ‘Ze’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 9] en de verdachte) kwamen bij ‘ [bijnaam 1] ’ uit omdat hij al dingen voor de verdachte en de organisatie (waartoe onder meer de verdachte en [medeverdachte 9] behoorden) deed, en in de buurt woonde van [beoogd slachtoffer Dollar] . ‘Ze’ wisten in het begin niet waar [beoogd slachtoffer Dollar] woonde, maar [bijnaam 1] en/of (een) ander(en) zijn daar door het observeren achter gekomen. Op enig moment hoorde de verdachte van [medeverdachte 9] dat de beoogde chauffeur van de vluchtauto niet beschikbaar was. De verdachte heeft dit doorgegeven aan ‘ [bijnaam 1] ’, die zelf een chauffeur bleek te hebben geregeld, waarna de verdachte dit heeft doorgegeven aan [medeverdachte 9] . De verdachte heeft zich na de moord ervoor ingezet dat de chauffeur die samen met [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] was en die na de liquidatie de vluchtauto vanaf de [straatnaam 3] bestuurde, betaald kreeg voor de klus.

9.2.2 De Ennetcomberichten
Uit de Ennetcomberichten blijkt dat [medeverdachte 9] op 12 juli 2014 om 23.08 uur aan de verdachte vraagt: ‘Bro iedereen ready?’. Om 02.09 uur op 13 juli 2014 bericht de verdachte aan [medeverdachte 9] ‘Bro niet mailen naar ‘order’ (het hof begrijpt: de PGP-telefoon die [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] bij zich had) gooi die eruit hij heeft hem ergens laten vallen ze zijn veilig’. [medeverdachte 9] is bezorgd omdat er vingerafdrukken op zitten. De verdachte hoopt dat die ‘meefikt’ of ‘dat die helemaal niet daar in de buurt’. [medeverdachte 9] vraagt de verdachte om te vragen hoe het is gegaan en zegt dat hij ‘hem’ sprak toen ze daar aan het wachten waren. De verdachte antwoordt dat hij ‘hem’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ) sprak toen het was gebeurd en dat deze zei ‘is gebeurd’, dat hij toen niks meer hoorde totdat zijn ‘andere neefje’ stuurde dat ze veilig waren. Om 03.06 uur bericht de verdachte aan [medeverdachte 9] dat ‘waggie is gefikt’, ‘dsie hond is weg’ en ‘tillie hjebben ze gevonde’. [medeverdachte 9] hoeft zich volgens de verdachte dus niet meer druk te maken. [medeverdachte 9] reageert met: ‘Ok bro top (…) ben happy bro welterusten en zeg ze bedankt bro’.
Om 11.30 uur bericht de verdachte aan [medeverdachte 9] dat ‘ [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ’ een grote fout heeft gemaakt, ‘man is niet die man is niet die kenteken is niet die auto’ en ‘dit is een punto 2deur geen zwarte 4 deur’ en even later: ‘is zelfde straat is fiat punto alleen niet en zwarte punto (…) wij moesten zwarte punto [deel kenteken 8] heb ik hem duidlijk gezegd’. Zoals hiervoor is vermeld, reed [beoogd slachtoffer Dollar] in een zwarte Fiat Punto, vijfdeurs, met kenteken [kenteken 8] . Deze auto parkeerde hij bijna altijd in de [straatnaam 3] .
Op de vraag van [medeverdachte 9] of hij weet wie het is, antwoordt de verdachte om 11.42 uur: ‘Ik weet niet wie dit is (…) ik hoop dat het dan nog en broer van ze is ofzo’.
De verdachte bericht ook om 12.14 uur aan [medeverdachte 2] dat ‘ [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ’ een grote fout heeft gemaakt. [medeverdachte 2] reageert met: ‘Tering meen je niet tering nu is die andere zemel wakker ook’. Ook vraagt [medeverdachte 2] : ‘Had hij niet genoeg info? Dit gaat faya worden bro’. De verdachte antwoordt: ‘dit is al faya al die tijd voor niks alle (m)oeite en alles’ waarna [medeverdachte 2] zegt: ‘Nu weer vanaf 0 dus’. In een bericht van de daarop volgende dag, 14 juli 2014, om 03:03 uur bericht de verdachte aan [medeverdachte 2] ‘ik zeg al 1 maand de kenteken en kleur en welke auto en ik omschrijf die gast en dan doe je dit come on man hoop dat ik dit snel vergeet’.
Uit de hierna te noemen berichten blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 9] in de middag van 13 juli 2014 nog de mogelijkheden bespreken om alsnog het beoogde doelwit dan wel een ander beoogd doelwit te liquideren.
De verdachte bericht om 15.41 uur aan [medeverdachte 9] : ‘bro moet zelf gaan dan gebeuren deze dingen nooit’ en om 16.00 uur, dat hij echt op ‘deze’ gerekend had. [medeverdachte 9] antwoordt dat de verdachte het gelijk weer uit zijn hoofd moet halen en: ‘focus op die gasten bro kunnen we hem nog doen denk je?’. De verdachte reageert ‘Ik weet echt nniet bro is de zelfde straat enzo he dus ik ga kijken als ze hem straks daar zien geparkeerd of anders de [deel van achternaam 1] (hof: een van de broers [achternaam 1] ) kijken’. [medeverdachte 9] geeft aan dat het ‘kut’ is wat er is gebeurd, maar dat ze verder moeten. De verdachte hoopt ‘dat ie daar nog parkeert vandaag en dan ze hem kunnen pakken meteen’. [medeverdachte 9] vraagt: ‘heb je waggie klaar staan?’. De verdachte antwoordt: ‘Nee bro dat is zo geregeld bro zoeken en klaar ik heb schijt alleen is faya verheugde me echt er op en die andere ook’.
Ook blijkt uit de berichten dat de verdachte [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] nog op dezelfde dag weer wil inschakelen. Zo vraagt de verdachte op 13 juli 2014 om 18.20 uur aan [medeverdachte 9] : ‘Bro waar is [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] met spoed? Die kk [deel van achternaam 1] is in ah osdorpplein’. [medeverdachte 9] heeft vervolgens kennelijk contact met [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] over een ‘plak’ (naar het hof begrijpt een peilbaken). [medeverdachte 2] , die door de verdachte van de ontwikkelingen op de hoogte wordt gehouden, bericht op 16 juli 2014 om 23.56 uur aan de verdachte: ‘Maar geven niet op. Focus en komen sterker terug’.
De verdachte stuurt op 13 juli 2014 om 22.22 uur aan [medeverdachte 9] het volgende bericht: ‘hij (het hof begrijpt de chauffeur van de vluchtauto) zegt ik wil alvast iets ik heb gereden is die man ze fout’. [medeverdachte 9] antwoordt: ‘regel is diegene die we moeten hebben en 100% anders word er niks betaald’ en in een later bericht: ‘ze waren samen ze horen dat samen te doen het kan niet zo zijn als het fout gaat dat er nu 1 de schuld krijgt’. De verdachte oppert om dan ‘ [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ze shit af trekken’. De verdachte geeft aan: ‘Hij zegt nu alleen 10 is genoeg hij zegt maakt niks uit de rest dan heb ik tenminsten wat gekregen’. [medeverdachte 9] zegt vervolgens: ‘anders moeten we [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] laten werken bro en dan wat aan hem geven’. De verdachte reageert: ‘Ja daar dacht is (het hof begrijpt: ik) aan gaat die maar lekker alleen rijden om het goed te maken’. De volgende ochtend, om 02.36 uur, stuurt de verdachte aan [medeverdachte 2] : ‘die kk hond (het hof begrijpt: [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ) gaat morgen maar alleen daar naar toe en het afmaken wat die moest doen als we hem kunnen vinden en dan trekken we het gwn van hem eraf bro moet wel bro hij (het hof begrijpt: de chauffeur van de vluchtauto) heeft een kant gelijk hij zegt ik moest rijden heb die jongen gebracht en veilig thuis gebracht hij zei als ik moest doen en het was mis dan begrijp ik het hij zegt heb me werk gedaan en deze jongen kan ik niet kwijt raken bro weet je wrm hij kent [deel van achternaam 1] hij kan hem lokken voor ons’ en in een later bericht: ‘ik begrijp [bijnaam medeverdachte 9] ook hoe ga je wat regelen als er iets anders is gebeurd’. [bijnaam medeverdachte 9] is een bijnaam van [medeverdachte 9] .

9.2.3 Conclusie van het hof
Uit de verklaring van de verdachte in samenhang met de Ennetcomberichten blijkt het volgende over de rol van de verdachte. De verdachte heeft begin juni 2014 in verband met het plan om [beoogd slachtoffer Dollar] te liquideren het kenteken, de kleur en het model van de auto van [beoogd slachtoffer Dollar] en diens vermoedelijke verblijfplaats aan ‘ [bijnaam 1] ’ doorgegeven. Ook heeft de verdachte doorgegeven hoe [beoogd slachtoffer Dollar] eruit zag. Verder heeft de verdachte ‘ [bijnaam 1] ’ gevraagd om ten behoeve van de liquidatie auto’s te stelen. Een van de door ‘ [bijnaam 1] ’ gestolen auto’s is als vluchtauto bij de liquidatie gebruikt. ‘ [bijnaam 1] ’ bracht de dagelijkse routine van [beoogd slachtoffer Dollar] in beeld en kwam zo achter zijn nieuwe adres. De verdachte kreeg tussentijds een terugkoppeling. Het was de verdachte bekend dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] de schutter zou zijn. Toen de beoogde chauffeur van de vluchtauto niet beschikbaar bleek, heeft de verdachte dit aan ‘ [bijnaam 1] ’ gemeld die zelf een chauffeur regelde, hetgeen de verdachte aan [medeverdachte 9] heeft doorgegeven. De verdachte stond op 13 juli 2014 zeer kort na het delict in nauw contact met [medeverdachte 9] , volgens de verdachte de opdrachtgever van de liquidatie, alsmede met de uitvoerders. De verdachte werd op de hoogte gesteld van het feit dat de telefoon van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] was gevallen (‘hij heb hem ergens laten vallen'), dat de liquidatie had plaatsgevonden (‘ik sprak hem toen het was gebeurd zei die is gebeurd’ en ‘dsie hond is weg’), dat de vluchtauto in brand was gestoken (‘waggie is gefikt’) en dat de gevallen telefoon weer gevonden was (‘tillie hjebben ze gevonde’). Als de verdachte te horen krijgt dat de telefoon is gevallen instrueert hij [medeverdachte 9] niet naar deze telefoon te mailen en deze te wissen. Nadat bleek dat niet [beoogd slachtoffer Dollar] , maar de onschuldige [slachtoffer 3] was doodgeschoten, heeft de verdachte zich niet gedistantieerd van de uitvoerders, maar, integendeel, zich ingespannen om betaling te verkrijgen voor de chauffeur, en [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] in eerste instantie gelijk weer ingeschakeld voor de verdere jacht op de doelwitten, waarbij [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ook ‘moet afmaken wat die moest doen’.
Het hof is van oordeel dat de door de verdachte geleverde bijdrage essentieel en onmisbaar was. Hij vervulde een sturende en coördinerende rol, zowel in de voorbereiding, als in de uitvoering en de afwikkeling van het delict. Dat de schutter niet [beoogd slachtoffer Dollar] maar [slachtoffer 3] heeft doodgeschoten, doet niets af aan het bij de verdachte aanwezige opzet op het gronddelict. Het beschermd belang van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is het menselijk leven en het opzet van de verdachte was gericht op het doden van een mens.
Het hof acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

10 Theezeef (feit 4)

10.1 Feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in bijlage VII, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 3 september 2014 omstreeks 12.40 uur is in een personenauto op de Pisuissehof in Amsterdam het lichaam van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] aangetroffen. De personenauto betrof een Volkswagen Polo (kenteken [kenteken 9] ) die sinds 19 augustus 2014 op naam van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] stond. Uit het (forensisch) onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] de voorafgaande nacht door vuurwapengeweld om het leven is gekomen. Hij is, zittend op de bestuurdersstoel van zijn auto, meerdere malen van achteren door het hoofd geschoten. Daarbij is het zeer waarschijnlijk dat de schutter zich op of (deels, met zijn arm) boven de linkerzijde van de achterbank heeft bevonden en eerst door de hoofdsteun van de bestuurdersstoel en daarna, nadat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] opzij was gezakt, tussen de voorstoelen door, heeft geschoten. Er lijkt geen sprake te zijn geweest van ander fysiek geweld voorafgaand aan zijn dood. Er zijn geen directe getuigen.
[medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] was in juni 2014 als verdachte aangemerkt in het onderzoek Himalaya, de liquidatie van [slachtoffer 1] in februari 2014. Het hof heeft in dat onderzoek vastgesteld dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] de schutter is geweest. Enige tijd na de dood van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is zowel het onderzoek Himalaya als het onderhavige onderzoek Theezeef gestaakt. Begin 2018 is het onderzoek Himalaya opnieuw geopend omdat het Openbaar Ministerie de beschikking kreeg over Ennetcomberichten.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen – waaronder in het bijzonder de Ennetcomberichten en de eigen verklaring van de verdachte – staat voor het hof vast dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is geliquideerd, omdat hij voor met name de verdachte en [medeverdachte 9] een (groot) probleem was geworden. Zo had [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] nog geen twee maanden eerder, op 13 juli 2014, niet [beoogd slachtoffer Dollar] geliquideerd maar [slachtoffer 3] , en ook ontstond de verdenking dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] naar een rivaliserende groep was overgelopen en mogelijk mensen zou gaan verlinken. Hij werd bovendien gezien met mensen die op de verdachte aan het jagen waren. Om die reden moest – aldus de verdachte – [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] weg, geliquideerd worden.
Niet is komen vast te staan wie degene is geweest die [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] heeft doodgeschoten en evenmin dat de verdachte bij de uitvoering van de liquidatie op 3 september 2014 feitelijke betrokkenheid heeft gehad.

10.2 Is de verdachte medepleger?
Het hof moet aldus de vraag beantwoorden of de – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is geweest om een veroordeling voor het medeplegen van moord te kunnen dragen. Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde stelt het hof het volgende vast.
Na de vergismoord op [slachtoffer 3] op 13 juli 2014 hebben de verdachte en [medeverdachte 9] intensief contact met elkaar. Om 11.30 uur stuurt de verdachte aan [medeverdachte 9] “Bro [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] heeft grote fout gemaakt serieus heel groot bro”. Om 21.33 uur bericht de verdachte aan [medeverdachte 9] dat het gedrag van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] hen in de problemen brengt. Een kwartier later stuurt [medeverdachte 9] aan de verdachte “Ja bro deze man is een probleem aan het worden bro ik ga ff nadenken wat te doen bro”. Later op de avond overleggen de verdachte en [medeverdachte 9] met elkaar over wat ze moeten doen. [medeverdachte 9] laat de verdachte weten dat dit tussen hen moet blijven. De verdachte schrijft dat hij “fucking parra” op [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is, stelt voor hem die dag en/of de dag erna nog een klus te laten doen en dan “opkankeren”.
Op 24 juli 2014 stuurt [medeverdachte 9] aan de verdachte “Bro heb je iemand verteld van fout want [bijnaam b medeverdachte 10] zegt net we hadden die fout niet mogen maken”. De verdachte reageert “Fuck hem man bro (…) laat ons hier bijna dood gaan en alles”.
Uit de berichten tussen de verdachte en [medeverdachte 9] in de weken daarna blijkt dat zij [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] nog inzetten voor klussen.
Uit berichten vanaf 20 augustus 2014 blijkt van groot wantrouwen van de verdachte en [medeverdachte 9] richting [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . [medeverdachte 9] meldt op 20 augustus 2014 aan de verdachte “Bro die hond is de lul bro geloof me ik heb die dikke nu gemeld dat het een mannetje van [achternaam 1] is dus ik hoop dat ie pap gaat trekken”. De verdachte heeft verklaard dat met ‘pap’ geld wordt bedoeld. De verdachte zet die avond zijn ‘neefje’ in om te kijken waar [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] (“ [(deel van) bijnaam b medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4]”) is. In de daaropvolgende nacht, de vroege ochtend van 21 augustus 2014, laat [medeverdachte 8] aan de verdachte weten boos te zijn op [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] (“[bijnaam c medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ”). De verdachte stuurt hem in reactie daarop “Ik ga zorgen dat hij weg gaat bro maak je niet druk om [bijnaam c medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ze laatste week iss geteld”. Die avond om 23.23 uur stuurt de verdachte aan [medeverdachte 9] “Bro het is [bijnaam c medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] die met ze praat gwn vegen direct”. De verdachte heeft verklaard dat hij hiermee bedoelde dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] meteen dood moet. Ook maakt de verdachte aan [medeverdachte 8] duidelijk dat hij afstand moet houden van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] omdat hij is overgelopen naar de andere kant en hem, de verdachte, loopt te verraden.
Op 23 augustus 2014 maken de verdachte en [medeverdachte 9] concrete plannen om [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] te vermoorden. Zo schrijft [medeverdachte 9] aan de verdachte: “Zeg hem ook dat er 2 9mm met demp voor hem geregeld is (…)” en “Gassen bro gelijk daarom ga hem lekker maken zodat ie komt”. Enkele minuten later schrijft de verdachte aan [medeverdachte 9] dat hij heeft gezegd dat er 2 9mm voor hem zijn geregeld. Ook bericht de verdachte aan [medeverdachte 9] dat het hem niets zou verbazen als [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] “ [bijnaam 2] gedaan heeft”, want hij heeft ineens weer geld. Het hof merkt op dat met “ [bijnaam 2] ” wordt bedoeld [naam 4] (bijnaam: [bijnaam 2] ), die op 18 augustus 2014 in Amsterdam is doodgeschoten en volgens de politie toentertijd ook tot de groep rondom [medeverdachte 11] behoorde. [medeverdachte 9] vraagt dan aan de verdachte: “(…) hou hem warm zijn je mannen klaar (…)?”, waarop de verdachte reageert “Eentje is klaar die mattie van me zou vandaag horen als die andere ook gaat dan gaan ze meteen”. [medeverdachte 9] schrijft vervolgens: “Bro is heel makkelijk we sturen dat ie die dingen kan ophalen dan gaat ie meteen want hij is gierig ervoor toch en dan geven bro ze moer maar we’ll 100% moet je ze zeggen he hij moet loesoe”. De verdachte heeft verklaard dat met “geven” wordt bedoeld dat hij dood moet. De verdachte vraagt aan [medeverdachte 9] of er wel apparaten (wapens) zijn, waarop [medeverdachte 9] antwoordt dat [bijnaam a medeverdachte 6] (de medeverdachte [medeverdachte 6] ) die heeft. In de avond van 23 augustus 2014 worden dan de volgende berichten tussen [medeverdachte 9] en de verdachte gewisseld:
- [medeverdachte 9] : “Bro zodra je niffo klaar is kunnen we (…) als je niffo kan dan klaar staan voor morgen dan mailen dat [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] die spullen kan ophalen ergens waar je niffo zegt en dan geven bro wat denk jij?”
- de verdachte: “Precies zo zegt me niffo hij gaat me straks zeggen welke plek ergens nieuw sloten hoop alleen niet (…) dat die met iemand komt ofzo (…)”
- [medeverdachte 9] : “(…) je niffo moet gewoon op afstand staan en kijken of hij met iemand komt zo ja dan moet ie gewoon afstand blijven en dan maak ik nieuwe afspraak”
- de verdachte: “Oke bro had je hem al gesproken [verschrijving van bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] vandaag ofzo?”
- [medeverdachte 9] : “ [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] bedoel je? Ja ik sprak hem (…) ik zei hem van die dingen toen vroeg hij of er iemand nieuws gedaan moest worden (…)”
- de verdachte: “Oke bro als die maar komt morgen zo niet gwn voor ze deur”.
De verdachte heeft verklaard dat de “niffo” over wie in de berichten wordt gesproken, degene is die [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] zou liquideren. Hij zou hem lokken en daarna doodschieten, met (een) wapen(s) dat/die bij “ [bijnaam a medeverdachte 6] ” ( [medeverdachte 6] ) lag(en).
Op 24 augustus 2014 rond 01.00 uur bericht de verdachte aan [medeverdachte 8] : “Geef me kenteken van ze nieuwe auto en huis straat en huis nummer aub bro” en “(…) laat niks merken aan die [bijnaam c medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] he voordat jullie wat verpesten”. De verdachte heeft verklaard dat hij met ‘ [bijnaam c medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ’ [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] bedoelde.
Op 3 september 2014 is [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] dood aangetroffen in zijn auto in Amsterdam-West, in de wijk Osdorp, net naast de wijk Nieuw Sloten. Zoals hiervoor vermeld, is van binnen in de auto geschoten.
Op 4 september 2014 hebben de verdachte en [medeverdachte 9] contact naar aanleiding van berichtgeving op de site van AT5 over de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] .
Om 16.44 uur schrijft [medeverdachte 9] : “Bro zie je nou met zijn grote mond open doen de hele dag scotoe wist dat hij het was maar nu zien die gasten ook dat hij loog dat het gasten van de bijlmer waren”
Om 16.45 uur reageert de verdachte: “Ja dat we’ll maar nu zien [bijnaam b medeverdachte 10] en [bijnaam c medeverdachte 1] het ook bro gaan ze we’ll pap trekken”.
Om 16.48 uur schrijft [medeverdachte 9] : “Bro ik had al doorgegeven dat die man een keer voor me had gewerkt maar nu bij hun was en 1 van ons wou doen en dat hij als het goed is [bijnaam 2] heeft gedaan (…)”.
Om 16.49 uur reageert de verdachte: “Aaai gelukkig bro drm hou ik van je tio”.
Om 18.32 uur stuurt [medeverdachte 9] : “Krijgen weekend pap bro [bijnaam b medeverdachte 10] stuurde net dat op internet staat dat hij [bijnaam slachtoffer 1] had gedaan (…)”.
Een dag later stuurt [medeverdachte 9] : “Bro we kunnen sowieso 25 delen door 3 dus dan heb je wat pap toch plus onze pap van maandelijkse moeten we ook krijgen”.
In de avond van 5 september 2014 heeft de verdachte dan contact met [medeverdachte 9] . Laatstgenoemde laat weten dat zijn broertje het er moeilijk mee heeft dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] dood is. De verdachte bericht dan aan [medeverdachte 9] : “is ze eigen schuld bro serieus hoefte niet maar ja hij koos er voor”. [medeverdachte 9] antwoordt: “Klopt bro dat zeg ik ook die man heeft ons verraden bro en dat is een les voor anderen bro”.
Op 9 september 2014 laat [medeverdachte 9] aan de verdachte weten “(…) morgen ff kijken hoe jullie buit krijgen ok heb het al”.
Tot slot is er nog communicatie op 13 september 2014 tussen de verdachte en [medeverdachte 9] over de verdeling van telefoons die bij anderen in gebruik zijn. De verdachte bericht dan: “ik weet niet welke ik moet afpakken want die 3 hebben ons gezegd over [bijnaam a medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] en heb ze nog niks gegeven wou ze geven als ik van [bijnaam c medeverdachte 1] had gekregen anders gaan ze denken uhu geven hem info maar pakt me tel af snap je me”. De verdachte heeft verklaard dat “die 3” uit dit bericht de drie personen zijn die informatie over [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] hebben gegeven.
Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden het volgende af:
- na de moord op [slachtoffer 3] 13 juli 2014 is [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] voor de organisatie waartoe onder meer de verdachte en [medeverdachte 9] behoorden, een probleem geworden;
- de verdachte en [medeverdachte 9] worden door hoger geplaatsten in de organisatie medeverantwoordelijk gehouden voor de fout van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ;
- in augustus 2014 is er een liquidatiedreiging richting de verdachte, die daarvan op de hoogte is;
- na 20 augustus 2014 groeit het wantrouwen van de verdachte en [medeverdachte 9] richting [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . Ze denken dat hij is overgelopen naar een rivaliserende groep en de verdachte vermoedt dat hij achter de liquidatie van [naam 4] (‘ [bijnaam 2] ’) zit, die – evenals de verdachte en [medeverdachte 9] – door de politie wordt gerekend tot de groep [medeverdachte 11] . [medeverdachte 9] heeft aan ‘die dikke’ laten weten dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is overgelopen en hoopt dat er geld beschikbaar wordt gesteld;
- de verdachte zet zijn ‘neefje’ in om [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] in de gaten te houden;
- de verdachte bericht op 21 augustus 2014 dat de laatste week van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is geteld en dat hij geliquideerd moet worden. Ook geeft hij aan dat [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] hem, de verdachte, loopt te verraden;
- op 23 augustus 2014 maken de verdachte en [medeverdachte 9] concrete plannen om [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] te vermoorden. Het idee is om [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] te lokken door te zeggen dat hij twee wapens krijgt en hem dan te vermoorden. De verdachte heeft de boodschap over de twee wapens ook daadwerkelijk aan [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] overgebracht;
- de verdachte is op 23 augustus 2014 bezig met het regelen van mensen die de liquidatie gaan uitvoeren en [medeverdachte 9] laat hem weten dat de wapens bij [medeverdachte 6] liggen;
- de verdachte en [medeverdachte 9] bespreken in de avond van 23 augustus 2014 dat het ‘morgen’ moet plaatsvinden, ergens in Nieuw Sloten, en dat als het niet zo loopt er een nieuwe afspraak moet worden gemaakt of hij gewoon voor zijn deur moet worden doodgeschoten;
- op 24 augustus 2014 vraagt de verdachte om het kenteken van de nieuwe auto en het adres van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ;
- op 3 september 2014 is [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] dood in zijn auto aangetroffen, in Osdorp, net naast Nieuw Sloten. Hij is doodgeschoten door iemand die achter hem in de auto zat;
- nadat de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] op 4 september 2014 in het nieuws is gekomen rekenen de verdachte en [medeverdachte 9] er op dat zij van hoger geplaatsten in de organisatie geld gaan krijgen voor de liquidatie. Enkele dagen later is de buit ook daadwerkelijk binnen;
- de verdachte en [medeverdachte 9] vinden dat het de eigen schuld van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is omdat hij hen heeft verraden. Zijn dood is een les voor anderen;
- op 13 september 2014 moet de verdachte nog mensen betalen die hem informatie over [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] hebben gegeven.
Op grond van het vorengaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten (onder wie in elk geval de schutter en [medeverdachte 9] ) is komen vast te staan. De intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte is zodanig geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen.
De verdachte is, samen met [medeverdachte 9] , initiatiefnemer geweest voor de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . Het motief daarvoor was persoonlijk: zij verdachten hem ervan te zijn overgelopen naar een rivaliserende groep en levensgevaar voor hen op te leveren. Zij hebben gezamenlijk een plan bedacht voor de liquidatie. Ze wilden [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] lokken en vervolgens door iemand anders laten doodschieten. De verdachte heeft een deel van de ‘lokboodschap’ overgebracht aan [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . De verdachte stond ook in contact met een beoogde schutter en informeerde naar wapens. Bovendien heeft hij gevraagd naar het nieuwe kenteken en adres van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] , kennelijk om hem te kunnen lokaliseren. [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] is geliquideerd terwijl hij in zijn auto zat, vanaf de achterbank. Er zijn geen sporen van fysiek geweld, wat past bij een onverwachte aanval. Met andere woorden, de wijze van tenuitvoerlegging past bij het plan dat de verdachte en [medeverdachte 9] hadden beraamd. Na de liquidatie bericht de verdachte dat het [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ’s eigen schuld was. Ook ontvangt hij geld voor de liquidatie en moet hij nog mensen betalen die hem informatie hebben verschaft.
De verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] dood wilde en de chauffeur uit de zaak Dollar, volgens de verdachte [naam 5] , had gevraagd dat te doen. [naam 5] zou niet willen omdat hij niet zou zijn betaald voor de zaak Dollar, waarna de verdachte zijn handen eraf zou hebben getrokken. Volgens de verdediging is hiervoor steun te vinden in het dossier, namelijk in een berichtenwisseling tussen de verdachte en [medeverdachte 9] van 24 augustus 2014, meer in het bijzonder het bericht van de verdachte van 22.36 uur “Rare gesprek he bro die man vertrouwt mij niet ofzo geef hem alles en toch wrm dit wrm dat echt vaag”. Volgens de verdediging slaat ‘die man’ terug op ‘neefje’ in een bericht van 16.34 uur (“(…) ik heb net me neefje gestuurd kijken hoe en wat de plan is”). Deze uitleg van de verdachte zou worden ondersteund door de omstandigheid dat er na 24 augustus 2014 rond 01.36 uur geen berichten meer zijn die wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij het plannen en uitvoeren van de liquidatie op [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . Er zitten bovendien geen berichten in het dossier uit de periode na 24 augustus 2014. Er is pas weer een bericht van de verdachte op 4 september 2014, waarin hij een nieuwsbericht over de liquidatie doorstuurt. De verdediging heeft ter ondersteuning van de stelling dat de verdachte zijn handen eraf had getrokken PGP-berichten uit de periode tot 4 september 2014 aan het hof doen toekomen, waaruit blijkt dat er wel degelijk contact was tussen hem en onder andere [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] , maar dit niet over de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] ging.
De verdediging heeft tot slot gesteld dat het ‘pap trekken’ waarover in de berichten wordt gesproken geen betrekking had op de liquidatie, maar op de maandelijkse betalingen die de verdachte in het kader van de criminele organisatie ontving.
Het hof overweegt dat de stelling van de verdachte dat met ‘die man’ ‘neefje’ wordt bedoeld uit een bericht van 6 uren eerder enkel is gebaseerd op de verklaring van de verdachte. Het is niet een conclusie die logischerwijs uit de berichten voortvloeit en evenmin uit de overige inhoud van het dossier. Het zou ook kunnen dat – zoals het Openbaar Ministerie stelt – met ‘die man’ [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] wordt bedoeld. Hetzelfde geldt voor de stelling van de verdachte dat uit het bericht van 22.36 uur moet worden afgeleid dat hij zijn handen eraf heeft getrokken. De tekst van dat bericht dwingt niet tot die conclusie en is voor meerderlei uitleg vatbaar. De omstandigheid dat er geen Ennetcomberichten in het dossier zitten uit de periode van 25 augustus 2014 tot en met 3 september 2014 disculpeert de verdachte evenmin. Uit de overige inhoud van het dossier, waaronder de eigen verklaringen van de verdachte, blijkt immers dat de verdachten ook van andere PGP-toestellen gebruik maakten. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bijvoorbeeld verklaard dat hij in die dagen contact had met ‘ [bijnaam 1] ’. Ook deze berichten bevinden zich niet in het dossier.
Ten overvloede merkt het hof op dat de berichten uit de periode na 24 augustus 2014 die de verdediging aan het hof heeft doen toekomen ook zo zouden kunnen worden uitgelegd dat de gebruiker van 8oes op verzoek van de verdachte (4j9q) op de plaats delict is gaan kijken (“Ja maak foto bro”, “Politie is overal bro”, “Ja als ik in de buurt ben gwn mt dese tell make tog”, “Ja tuurlijk met deze en sturen met deze dan ziet niemand die foto gek”.
Wat betreft het ‘pap trekken’ stelt het hof vast dat er – zoals de verdediging stelt – inderdaad maandelijkse betalingen plaatsvonden door de organisatie aan onder andere de verdachte. Uit het dossier kan echter ook worden afgeleid dat er werd betaald als er iemand werd geliquideerd. Zo ontstonden er in de zaak Dollar problemen: de chauffeur wilde zijn geld, maar de organisatie wilde niet betalen “regel is diegene die we moeten hebben en 100% anders word er niks betaald”. Naar het oordeel van het hof zijn die twee geldstromen zichtbaar rondom de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . Het bericht van [medeverdachte 9] aan de verdachte van 20 augustus 2014 om 17.26 uur is moeilijk anders te begrijpen dan dat ‘pap trekken’ in verband wordt gebracht met [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] . Datzelfde geldt voor de kort op elkaar volgende berichten (16.44 uur tot en met 16.48 uur) van de verdachte en [medeverdachte 9] nadat de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] door AT5 naar buiten is gebracht. Op 5 september 2014 beschikt [medeverdachte 9] vervolgens kennelijk over geld en geeft aan dat ze sowieso 25 kunnen delen door 3 “dan heb je wat pap toch plus onze pap van maandelijkse moeten we ook krijgen”. Ook dat laat zich moeilijk anders begrijpen dan dat er naast de maandelijkse betalingen nog een andere bron van geld is.
Het hof concludeert dat het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat hij na het terugtrekken van de beoogde schutter zijn handen van de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] af heeft getrokken, niet alleen onwaarschijnlijk is tegen de achtergrond van het persoonlijke motief van de verdachte, zijn handelingen en de financiële afhandeling van de moord, maar door hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht ook niet aannemelijk is geworden.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleger is van de moord op [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] .

11 Deelname aan een criminele organisatie (feit 5)

Voor beantwoording van de vraag of de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van moord, het voorbereiden van moord en het bezit van vuurwapens en munitie, zal het hof hierna de bestanddelen “organisatie” en “oogmerk van de organisatie” bespreken en vervolgens “deelneming aan de organisatie”.

11.1 Organisatie en oogmerk van de organisatie

11.1.1 Beoordelingskader
Volgens vaste jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378).
Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het oogmerk ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie. Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Het oogmerk behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (HR 13 oktober 1987, NJ 1988/425). Voor bewijs van het bestanddeel “oogmerk” zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502 NJ 2008/559).
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen – waaronder de verklaringen van de [verdachte] – het volgende af.
Op 27 december 2013 heeft er een poging liquidatie plaatsgevonden op [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11] ). Daarna vindt, via PGP-toestellen, versleutelde communicatie plaats waaruit blijkt dat [medeverdachte 11] en personen rondom hem wraak willen nemen.
[medeverdachte 11] communiceert dan met name met [medeverdachte 10] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] , maar ook met [medeverdachte 12] . In de avond van 28 december 2013 zegt [medeverdachte 11] tegen [medeverdachte 12] : ‘We gaan er vol tegen aan nu. Geen weg terug’.
[medeverdachte 11] vraagt op 29 december 2013 aan [medeverdachte 9] om ‘een paar goede gasten’ te regelen. [medeverdachte 1] geeft op deze dag aan [medeverdachte 11] aan: ‘we moeten gewoon echt gaan zuiveren om ons heen en de boel strakker aantrekken’. [medeverdachte 10] geeft op 29 december 2013 aan [medeverdachte 11] aan: ‘hun hebben al de start knop gedrukt bij onze brada (…) bijna hadden ze weer 1 van ons dus gewoon beginnen als packman pakken wat je kan en dan vallen ze wel weer uit elkaar’ en ‘We gaan ze laten schudden als een vulkaan’.
In de periode hierna hebben liquidaties en voorbereidingen daarvan plaatsgevonden door personen die behoorden tot de groep rond [medeverdachte 11] . Dit volgt uit de aan de onderhavige zaak gelieerde deelonderzoeken Himalaya (naar aanleiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] op 20 februari 2014 te Zaandam); Tienshan (voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 2] in de periode juli/augustus 2014 te Amsterdam; Dollar (de vergismoord op [slachtoffer 3] op 13 juli 2014 te Amsterdam); Theezeef (de liquidatie van [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] op 3 september 2014 te Amsterdam) en Reek (voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 5] in oktober 2015 te Amsterdam).
Uit die onderzoeken blijkt een duidelijke rolverdeling tussen de betrokken personen. Er was sprake van opdrachtgevers, personen die slachtoffers observeerden en personen die zich bezig hielden met de uitvoering. Hieruit volgt op zichzelf genomen al dat sprake is geweest van een goed georganiseerde samenwerking.
De [verdachte] heeft op de terechtzitting in eerste aanleg op 25 oktober 2021 over de organisatie het navolgende verklaard:
“Er was een organisatie die zich bezig hield met het plegen van liquidaties, voorbereidingen daarvan en vuurwapenbezit. [medeverdachte 9] had een leidinggevende rol in deze organisatie, maar toen [medeverdachte 11] nog leefde stond hij boven [medeverdachte 9] . [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 13, tevens slachtoffer 4] en [medeverdachte 5] behoorden, naast anderen, ook tot de organisatie. Dat geldt ook voor mij.”

11.1.2 Financiële notities
Een ondersteuning voor de aanwezigheid van een gestructureerd samenwerkingsverband kan bovendien worden gevonden in de onder [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangetroffen financiële notities. Daaruit blijkt dat er niet alleen bedragen aan leden van de organisatie worden betaald, maar ook betalingen worden verricht ten behoeve van ‘huur’, ‘pantser’ en ‘belhuis’. Onder [medeverdachte 2] is de navolgende financiële notitie aangetroffen:
[…]
Over deze notitie, genaamd ‘Nieuwe boekH’ (nieuwe boekhouding), heeft de [verdachte] verklaard dat deze met de organisatie te maken heeft en een boekhouding betreft. Naast een overzicht van betalingen aan personen, is daarin ook een overzicht opgenomen van PGP-toestellen, bij wie deze in gebruik zijn en of ze verlengd of nieuw zijn, dan wel vervangen of geactiveerd moeten worden.
De in de notitie genoemde bijnamen horen bij de volgende personen:
- [bijnaam medeverdachte 9] : [medeverdachte 9]
- [bijnaam a medeverdachte 2] : [medeverdachte 2]
- [bijnaam a verdachte] : [verdachte]
- [bijnaam b medeverdachte 6] : [medeverdachte 6]
- [bijnaam c medeverdachte 1] : [medeverdachte 1]
De [verdachte] heeft verklaard dat hij een maandelijks inkomen kreeg van de organisatie. Dat was eerst €2.500,- per maand en is later €3.000,- per maand geworden. Andere leden van de organisatie kregen ook een dergelijk inkomen. Naast een maandelijks inkomen en PGP’s regelde de organisatie voor de leden ook huisvesting, wapens, kogelwerende vesten en pantserauto’s.
Het oogmerk van de organisatie blijkt, naast voornoemde deelonderzoeken en PGP-berichten, ook uit de navolgende ‘To Do’ lijst en een aangetroffen notitie.

11.1.3 Dodenlijst
In het op 7 juni 2015 onder [medeverdachte 6] aangetroffen PGP-toestel is een ‘To Do’ lijst aangetroffen. De lijst is op 23 maart 2015 aangemaakt en op 7 mei 2015 aangepast. Op de lijst staan onder meer adressen van de moeder en zussen van [slachtoffer 2] (‘ [bijnaam slachtoffer 2] ’), [slachtoffer 5] (‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’), [beoogd slachtoffer Dollar] en de broers [achternaam 1] , althans adressen die met deze personen in verband kunnen worden gebracht.
[slachtoffer 2] was het beoogde slachtoffer in de zaak Tienshan.
[beoogd slachtoffer Dollar] was het beoogde slachtoffer in de zaak Dollar.
[slachtoffer 5] was het beoogde slachtoffer in de zaak Reek.
Uit politieonderzoek is gebleken dat alle op de lijst genoemde personen contacten zijn dan wel deel uitmaken van een groep personen die bekend staan als criminele opponenten van de groep [medeverdachte 11] . Ook de daarbij genoemde adressen zijn direct of indirect te relateren aan criminele personen en/of familieleden daarvan.

11.1.4 Beoogde doelwitten
In een andere, op 30 november 2015, onder [medeverdachte 2] in beslag genomen telefoon is een notitie aangetroffen genaamd ‘Gesprek [bijnaam b medeverdachte 1] ’, opgeslagen op 26 oktober 2015. Hieruit blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 25 oktober 2015 een gesprek hebben gevoerd over (kort gezegd) ‘het boven aan de lijst zetten van [slachtoffer 2] (‘ [bijnaam slachtoffer 2] ’) omdat dit wel een mannetje van hun is waar ze hun wel pijn mee doen’. Ook wordt er gesproken over [achternaam 1] en over het bedrag dat betaald kan worden voor [slachtoffer 5] (‘die bolle’). [medeverdachte 1] geeft aan niet meer dan 100 te geven omdat hij ‘geen hotspot is’.
Vanuit het onderzoek 26Sassenheim is een proces-verbaal verstrekt met betrekking tot het e-mailadres [e-mailadres2] @luxberry.cc. Het hof acht voldoende komen vast te staan dat dit e-mailadres in gebruik is geweest bij [verdachte] . In de berichten van dit e-mailadres, in mei 2016, wordt gesproken over of ‘die bolle’ is gespot, waar ‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’ rijdt en het ‘plakken’ van een scooter. Op 27 mei 2016 wordt door een onbekend gebleven persoon aan [verdachte] gevraagd wat een ‘driver’ krijgt voor rijden bij een ‘veegje’. [verdachte] antwoordt dat hij een keer 25 heeft gegeven en een keer 30, voor alleen rijden en niets anders. De ‘hitter’ kreeg toen 75. Uit de communicatie met een andere onbekend gebleven persoon op 29 mei 2016 blijkt dat er nog steeds maandelijks ‘pap’ van [bijnaam c medeverdachte 1] wordt gekregen, maar dat men dit liever op een vaste dag, bijvoorbeeld iedere 15e van de maand, zou willen ontvangen.

11.1.5 Conclusie
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat er gedurende de ten laste gelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich, in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties, dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie. Daarbij werd een dodenlijst gehanteerd. De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen en bakens. Zij werden voor hun werkzaamheden door de organisatie betaald. Een groot deel van de leden kreeg een maandelijks inkomen, dat niet anders kan worden gezien dan een (vast) salaris voor een crimineel dienstverband. Dat enkele leden van de organisatie ook in andere samenwerkingsverbanden opereerden, bijvoorbeeld met het doel om plofkraken of overvallen te plegen, doet aan het voorgaande niet af.
Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt reeds uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet tot het oogmerk van de organisatie ook worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk, en daarmee door de organisatie gewild gevolg, dat tevens overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken