HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114
Oplegging levenslange gevangenisstraf voor medeplegen 3 moorden, medeplegen voorbereiding van moord (art. 289 Sr) en deelneming aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr). 1. Levert oplegging levenslange gevangenisstraf, gelet op huidige tenuitvoerleggingspraktijk in Nederland, schending van art. 3 EVRM op? 2. Is gebruik van Ennetcom-data in overeenstemming met recht op bescherming van persoonlijke levenssfeer ex art. 8 EVRM en noodzakelijkheid en evenredigheid ex art. 7, 8 en 52 Handvest? Toepassing Post-Landeck-jurisprudentie op Ennetcom-data. Ad 1. HR wijdt (n.a.v. CAG) algemene beschouwingen aan verenigbaarheid van oplegging levenslange gevangenisstraf met art. 3 EVRM in het licht van huidige tenuitvoerleggingspraktijk. EHRM vereist dat herbeoordeling levenslange gevangenisstraf niet meer dan 25 jaren na oplegging plaatsvindt, dat daarna periodiek mogelijkheid van herbeoordeling wordt geboden en deze is omgeven van voldoende procedurele waarborgen. HR heeft in HR:2017:3185 huidige herbeoordelingsprocedure onder verantwoordelijkheid van minister getoetst aan deze eisen en geoordeeld dat deze niet in strijd is met art. 3 EVRM. Daarbij heeft HR i.h.b. betekenis toegekend aan beoordelingsmogelijkheden van penitentiaire en burgerlijke rechter (vgl. HR:2020:1747). Bij oplegging levenslange gevangenisstraf gaat het erom of stelsel als geheel waarborgen biedt dat tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met art. 3 EVRM. Tot op heden heeft HR deze vraag bevestigend beantwoord. Dat sluit niet uit dat rechter op enig moment tot ander oordeel kan komen als o.g.v. ttz. vastgestelde feiten is gebleken dat levenslange gevangenisstraf in praktijk nooit wordt verkort. Daarbij zal van belang zijn of en zo ja, hoe vaak gratie wordt verleend, maar ook of sprake is van structurele tekortkomingen in tenuitvoerleggingspraktijk, waaruit moet worden afgeleid dat rechtsgang naar rechter onvoldoende effectief is of dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen. Na verloop van tijd mag worden verwacht dat verbeteringen worden aangebracht in stelsel (ook t.a.v. fase van re-integratieactiviteiten) en in tijdige doorloop daarvan. Als voor goed verloop van procedure ook in toekomst telkens interventies van rechter nodig zijn, komt daaraan steeds groter gewicht toe bij beoordeling of sprake is van structurele tekortkomingen in tenuitvoerleggingspraktijk. In CAG worden tekortkomingen in tenuitvoerleggingspraktijk genoemd. Daarbij wordt verwezen naar geval waarin minister in weerwil van hem verstrekte adviezen veroordeelde niet toeliet tot re-integratieactiviteiten en waarin gratieverlening resultaat was van meerdere procedures bij burgerlijke rechter. Ook wordt genoemd het ontbreken van duidelijke termijnen in gratieprocedure en beperkte mate waarin invulling en toepassing is gegeven aan bevoegdheid van ambtshalve gratieverlening. Hoewel hiermee gezichtspunten zijn benoemd die van belang zijn bij beoordeling van vraag of tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM, blijkt uit in CAG opgenomen informatie ook dat met huidige herbeoordelingsprocedure gratie niet is uitgebleven en dat rechtspraak van burgerlijke en penitentiaire rechter erin heeft geresulteerd dat minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van rechterlijk oordeel en minister hieraan opvolging heeft gegeven en in voorkomende gevallen is overgegaan tot gratie. Daarmee bestaat momenteel onvoldoende grond om te oordelen dat onder huidig stelsel levenslange gevangenisstraf in strijd met art. 3 EVRM komt. HR volgt aanbeveling AG om uitspraak op dit punt aan te houden niet op. ’s Hofs oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook in het licht van wat namens verdachte is aangevoerd niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat inbeslagname en overdracht van Ennetcom-data geen schending van art. 8 EVRM opleveren. Hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat overdracht heeft plaatsgevonden overeenkomstig internationale rechtshulp en dat voor gebruik telkens machtiging van RC is gegeven. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat bij het verlenen daarvan steeds belangen van derden zijn betrokken, dat sprake was van verdenking van strafbare feiten die ernstige inbreuk op rechtsorde opleveren en dat machtigingen zijn beperkt tot het verrichten van onderzoek in relatie tot specifieke e-mailadressen van mogelijke verdachten. Gelet hierop getuigt oordeel hof niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. V.zv. middel beroep doet op art. 7, 8 en 52 Handvest wijst HR op strekking van Post-Landeck-arrest (vgl. HR:2025:409). Er is geen grond om, waar het gaat om een i.h.k.v. rechtshulp overgedragen grote hoeveelheid gegevens die op servers waren opgeslagen en die verband houden met communicatie met mobiele telefoons, andersoortige eisen te stellen dan in Post-Landeck zijn gesteld. In vaststellingen hof ligt besloten dat aan deze eisen is voldaan, nog daargelaten dat hierop voor hof geen beroep is gedaan. HR ziet af van stellen prejudiciële vragen aan HvJ. Volgt verwerping. Samenhang met 23/05033, 23/05123, 24/00023 en 24/00085. CAG: anders t.a.v. opgelegde levenslange gevangenisstraf.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409
- HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900
- Hof Den Haag 19 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:73
- HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747
- HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600
- HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185
- HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:830