Hof Amsterdam 18 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1083

Het hof is van oordeel dat de door het BFT in eerste aanleg ingediende klacht in hoger beroep wordt uitgebreid. Het hof is van oordeel dat een dergelijke uitbreiding van de klacht ongeoorloofd is. Klagers brengen in hoger beroep naar voren dat de kamer kennelijk van oordeel is dat ingeval een klager heeft meegewerkt aan malafide constructies, danwel had moeten weten dat hij daaraan meewerkte, valse informatie heeft verstrekt en stukken heeft ondertekend die niet in overeenstemming waren met de werkelijke situatie, de betreffende klager alsdan geen "klaagrecht " meer toekomt. Volgens klagers lijkt de kamer te concluderen dat de door de notaris geschonden norm alsdan niet strekt tot de bescherming van klagers. Naar het oordeel van het hof is dit klachtenonderdeel terecht door klagers voorgesteld. Naar het oordeel van het hof is door de notaris onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van klagers heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Het hof verklaart dit klachtenonderdeel gegrond. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de notaris had gelegen om verantwoording af te leggen over het al dan niet in persoon identificeren van de betrokken partijen in ieder van de door het BFT aangehaalde dossiers. Nu de notaris dit heeft nagelaten is, naar het oordeel van het hof, onweersproken gebleven dat de notaris ten aanzien van de betreffende dossiers niet heeft voldaan aan de voorschriften van de Wid. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat de klacht van het BFT op dit onderdeel gegrond dient te worden verklaard. Ten aanzien van de overige klachtonderdelen overweegt het hof dat het onderzoek in hoger beroep niet heeft geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dat die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Het hof stelt, gezien het vorenstaande, vast dat de notaris de in artikel 98 lid van de Wna geformuleerde tuchtnorm in vrijwel alle onderzochte gevallen in ernstige mate heeft overtreden. Het hof acht, gelet op de aard en de ernst van de tuchtrechtelijk laakbare handelwijze van de notaris en het grote aantal ongeoorloofde transacties in een relatief kort tijdbestek, de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden. Het hof: - vernietigt de beslissing van de kamer voor zover daarin de klachten van het BFT en de KNB gedeeltelijk gegrond zijn verklaard, de klachten van klagers en het klachtonderdeel als bedoeld in rechtsoverweging 3.6 ongegrond zijn verklaard alsmede voor wat betreft de opgelegde maatregel; en in zoverre opnieuw rechtdoende: - verklaart de klachten van het BFT en de KNB alsmede de klachten van klagers en het klachtonderdeel als bedoeld in rechtsoverweging 3.6 van de bestreden beslissing gegrond; - legt aan de notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt op; - bevestigt de beslissing van de kamer voor het overige onder verbetering respectievelijk aanvulling van gronden, zoals hiervoor in rechtsoverwegingen vermeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen