CBb 12 januari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:20
Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last. In dat verband is van belang dat appellante zeer fors wilde uit te breiden en daartoe vanaf 2012 tot en met 2015 – deels ook na de peildatum – financiële verplichtingen is aangegaan en investeringen heeft gedaan. Gezien het tijdstip daarvan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen daarvoor, acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren, niet navolgbaar. Dat de uitbreiding is aangegaan om het bedrijf toekomstbestendig te maken, zoals ter zitting is verklaard, kan niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid. Appellante had ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Vertraging van de uitbreiding door een dierziekte maakt dit niet anders. Een dergelijke gebeurtenis behoort tot het ondernemersrisico. Wat betreft het betoog van appellante dat andere melkveehouderijen zonder over de benodigde vergunningen te beschikken te hoge aantallen melkvee op de peildatum hielden en daarvoor fosfaatrechten toegekend hebben gekregen, overweegt het College dat, wat daar ook van zij, de wetgever de keuze heeft gemaakt om bij de vaststelling van het op een bedrijf rustende fosfaatrecht uit te gaan van het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Daarmee is het feitelijk aantal gehouden dieren op de peildatum – en niet (ook) de vergunde situatie – bepalend voor de hoogte van het fosfaatrecht.
De uitspraak op rechtspraak.nl