CBb 2 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:120
artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Appellante heeft aangevoerd dat zij geen datum vóór de peildatum kan aanwijzen waarop een representatiever aantal dieren op het bedrijf aanwezig was. Het beroep op de knelgevallenregeling faalt. Beroep op de startersregeling faalt. Appellante heeft niet voor 1 april 2018 bij verweerder een verzoek om toepassing van de startersregeling ingediend. Ten overvloede overweegt het College dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat appellante ook niet voldoet aan de vereisten voor toepassing van de startersregeling. Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing vanaf 2009 te verwachten waren niet navolgbaar. Dat, zoals appellante heeft uiteengezet, de hoge werklast van een van de maten van appellante aanleiding was voor de keuze om zich geheel op het melkveebedrijf te richten, maakt, hoe begrijpelijk die keuze ook was, niet dat er sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor de geplande uitbreiding. Dat de beoogde, forse, groei noodzakelijk was om het wegvallen van de inkomsten van de klauwverzorging te compenseren heeft zij ook niet onderbouwd. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de forse uitbreiding naar 165 melk- en kalfkoeien voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Dat appellante de uitbreiding heeft uitgesteld vanwege de ziekte van de (schoon)vader is voorstelbaar. Toch neemt dit niet weg dat zij zelf de verantwoordelijkheid moet dragen voor de risico’s die zij heeft genomen door op dat tijdstip te investeren. Appellante heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaarstermijn met ruim 11 maanden overschreden. Appellante heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114
- CBb 7 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:1
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:295
- CBb 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:246
- CBb 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:5
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252