CBb 22 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:646
Msw. Fosfaatrecht. Artikel 1 EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College volgt appellante niet in haar standpunt dat de voorzienbaarheid van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel haar gelet op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 maart 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:1050) niet langer kan worden tegengeworpen. Appellante heeft in 2014 concreet vorm gegeven aan de door haar beoogde uitbreiding. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en waarop de bouw van de nieuwe stal is gestart acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren, niet navolgbaar. Daarnaast is van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende reden tot het fors uitbreiden van het bedrijf niet gebleken. Het College acht het wel begrijpelijk dat in het geval van appellante bijzondere omstandigheden ingrijpend zijn geweest en invloed hebben gehad op de bedrijfsvoering. Echter, daargelaten dat appellante onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze dit het bedrijf van appellante heeft geraakt, bestaat het tekort aan fosfaatrechten voor appellante enkel uit het niet kunnen houden van de beoogde dieraantallen. Dit is op zich zelf onvoldoende om aan te nemen dat appellante individueel en buitensporig wordt getroffen. Appellante heeft verder niet onderbouwd in welk opzicht het bestreden besluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl