Art. 72 Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
1. Op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf, verhoogt Onze Minister het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de wet.
2. Een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, is een bedrijf dat aantoonbaar:
a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;
b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;
c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;
d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de wet;
e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de wet.
3. De verhoging, bedoeld in het eerste lid, is 50 procent van het verschil tussen het aantal kilogrammen fosfaat dat uit hoofde van artikel 23, derde lid, van de wet is vastgesteld en het aantal kilogrammen fosfaat dat redelijkerwijs in een kalenderjaar met op 2 juli 2015 aanwezige stalcapaciteit voor melkvee geproduceerd had kunnen worden.
4. De verhoging, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien het verschil, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan 10 procent.
5. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 april 2018 ingediend met gebruikmaking van een door Onze Minister elektronisch beschikbaar gesteld middel.
6. Een bedrijf dat op 2 juli 2015 vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij hield en dat tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2018 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking, wordt in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, aangemerkt als nieuw gestart bedrijf. In afwijking van het vijfde lid, wordt het verzoek door een landbouwer op grond van dit artikellid ingediend voor 15 oktober 2018.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:419
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:301
- CBb 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:615
- CBb 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:414
- CBb 12 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:572
- CBb 21 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:281
- CBb 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:417
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:295
- CBb 6 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:708
- CBb 9 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:245
- CBb 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:394
- CBb 6 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:331
- CBb 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:418
- CBb 6 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:669
- CBb 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:623
- CBb 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:531
- CBb 14 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:429