Gerecht EU 3 juni 2026, T-1078/23, ECLI:EU:T:2026:357
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
3 juni 2026 ( *1 )
„Digitale diensten – Verordening (EU) 2022/1925 – Aanwijzing als poortwachter – Begrip ‚kernplatformdienst’ – Onlinesocialenetwerkdienst – Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst – Onlinetussenhandelsdienst – Gelijke behandeling – Artikel 3, leden 2 en 5, van verordening 2022/1925 – Belangrijke toegangspoort tot eindgebruikers – Vermoedens – Weerlegging van vermoedens – Artikel 17, leden 1 en 3, van verordening 2022/1925 – Voorwaarden voor inleiding van een marktonderzoek – Rechten van de verdediging – Motiveringsplicht”
In zaak T‑1078/23,
Meta Platforms, Inc., gevestigd te Menlo Park, Californië (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door D. Jowell, D. Bailey, barristers, J. Aitken, S. Malhi, solicitors, A. Pliego Selie, O. Brouwer, T. Janssens, T. Oeyen en T. Lübbig, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Franchoo, P.‑J. Loewenthal, M. Mataija en I. Naglis als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door T. Lechevallier als gemachtigde,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, G. De Baere, D. Petrlík, K. Kecsmár en S. Kingston (rapporteur), rechters,
griffier: A. Marghelis, administrateur,
gezien de stukken, met name:
– de schriftelijke vragen van het Gerecht van 28 maart 2025 aan verzoekster, de Commissie en de Franse Republiek en de antwoorden daarop, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 april 2025 door verzoekster en de Commissie en op 18 april 2025 door de Franse Republiek,
– de schriftelijke vraag van het Gerecht van 2 mei 2025 aan verzoekster en de Commissie en de antwoorden daarop, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 14 en 13 mei 2025,
na de terechtzitting op 3 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Meta Platforms, Inc., gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2023) 6105 final van de Commissie van 5 september 2023, waarbij Meta overeenkomstig artikel 3 van verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector is aangewezen als poortwachter (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een onderneming in de technologiesector die in 2004 in de Verenigde Staten is opgericht en die samen met de onder haar directe of indirecte zeggenschap staande vennootschappen (hierna gezamenlijk: „Meta”) de onlinesocialenetwerkdiensten Facebook en Instagram alsook andere diensten exploiteert.
3 Op 3 juli 2023 heeft verzoekster de Europese Commissie een kennisgeving gezonden overeenkomstig artikel 3, lid 3, eerste alinea, van verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (PB 2022, L 265, blz. 1; Digital Markets Act, hierna: „DMA”) (hierna: „kennisgeving”). In de kennisgeving heeft verzoekster betoogd dat haar met onlinereclame gefinancierde overkoepelende onlinesocialenetwerkdienst, waaronder Facebook, Instagram, Meta Ads, Facebook Messenger (hierna: „Messenger”), Facebook Marketplace (hierna: „Marketplace”), Facebook Dating en Facebook Gaming Play vallen, aangemerkt moest worden als kernplatformdienst (hierna ook: „KPD”) van het type onlinesocialenetwerkdienst in de zin van de DMA. Zij meende dat Messenger en Marketplace de drempel van artikel 3, lid 2, onder b), DMA niet hadden bereikt, zodat zij hoe dan ook niet kon worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, DMA om voor die diensten als poortwachter te worden aangewezen. Verzoekster heeft daarnaast krachtens artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA, argumenten en bewijzen aangedragen om in voorkomend geval de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA betreffende Messenger en Marketplace te weerleggen.
4 Bij brief van 26 juli 2023 heeft de Commissie verzoekster haar voorlopige standpunt gezonden over de mogelijke aanwijzing van Meta als poortwachter overeenkomstig artikel 3, lid 4, DMA, voor met name de volgende KPD: haar onelinesocialenetwerkdienst Facebook, haar nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst (hierna ook: „NI-ICS”) Messenger en haar onlinetussenhandelsdienst Marketplace (hierna: „voorlopig standpunt”).
5 Bij brief van 3 augustus 2023 heeft verzoekster op het voorlopige standpunt gereageerd.
6 Op 5 september 2023 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.
7 In dit besluit heeft de Commissie ten eerste vastgesteld dat: – Facebook een onlinesocialenetwerkdienst was in de zin van artikel 2, punt 7, DMA en daarmee een KPD in de zin van artikel 2, punt 2, onder c), DMA; – Messenger een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst was in de zin van artikel 2, punt 9, DMA, losstaand en onafhankelijk van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook en daarmee een KPD in de zin van artikel 2, punt 2, onder e), DMA; – Marketplace een onlinetussenhandelsdienst was in de zin van artikel 2, punt 5, DMA, losstaand van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook en daarmee een KPD in de zin van artikel 2, punt 2, onder a), DMA.
8 Ten tweede heeft de Commissie in essentie vastgesteld dat Meta alle drempels in artikel 3, lid 2, DMA bereikte voor wat betreft de betrokken KPD, afzonderlijk beschouwd, zodat kon worden vermoed dat zij voldeed aan alle voorwaarden van artikel 3, lid 1, DMA om voor die diensten te worden aangemerkt als poortwachter.
9 Ten derde waren verzoeksters argumenten in de zin van artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA volgens de Commissie onvoldoende onderbouwd om de vermoedens aangaande Messenger en Marketplace zoals omschreven in artikel 3, lid 2, DMA kennelijk in twijfel te trekken. Daarom heeft zij deze argumenten afgewezen zonder een marktonderzoek in de zin van artikel 17, lid 3, DMA in te leiden.
10 Artikel 1 van het bestreden besluit luidt als volgt: „Meta wordt aangemerkt als poortwachter overeenkomstig artikel 3 [DMA].
11 Artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt: „De volgende [KPD] van Meta vormen voor zakelijke gebruikers een belangrijke toegangspoort tot de eindgebruikers in de zin van artikel 3, lid 1, [onder b), DMA]: a) de onlinesocialenetwerkdienst Facebook van Meta; […] e) de [NI-ICS] Messenger van Meta; […] f) de onlinetussenhandelsdienst Marketplace van Meta.”
Conclusies van partijen
12 Meta verzoekt het Gerecht: – artikel 2 van het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het bepaalt dat de NI-ICS Messenger en de onlinetussenhandelsdienst Marketplace voor zakelijke gebruikers belangrijke toegangspoorten tot eindgebruikers vormen (hierna: „belangrijke toegangspoorten”) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA, of subsidiair artikel 2, onder e) en f), van het bestreden besluit nietig te verklaren; – artikel 2 van het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het bepaalt dat de onlinesocialenetwerkdienst Facebook een belangrijke toegangspoort is in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA, of subsidiair artikel 2, onder a), van het bestreden besluit nietig te verklaren, in beide gevallen ten minste met de strekking dat Messenger niet onder deze KPD valt; – de Commissie te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten van eventuele interveniënten die hun eigen kosten niet dragen.
13 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
14 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste betreft onjuiste toepassingen van het recht, kennelijke beoordelingsfouten, een ontoereikende motivering en/of schending van een wezenlijk vormvoorschrift in verband met de kwalificatie van Messenger als KPD die een belangrijke toegangspoort vormt overeenkomstig artikel 3, lid 9, DMA. Het tweede betreft onjuiste toepassingen van het recht, kennelijke beoordelingsfouten, een ontoereikende motivering en/of schending van een wezenlijk vormvoorschrift in verband met de aanwijzing van Marketplace als KPD die een belangrijke toegangspoort vormt overeenkomstig artikel 3, lid 9, DMA.
15 Alvorens verzoeksters middelen te onderzoeken is er een analyse nodig van haar verzoek om weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek, en van de vraag of zij procesbelang behoudt bij de nietigverklaring van het deel van het bestreden besluit waarin Marketplace wordt aangemerkt als KPD die een belangrijke toegangspoort vormt.
Verzoek om weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek
16 Tijdens de procedure voor het Gerecht heeft verzoekster bij afzonderlijke akte en in wezen op grond van de artikelen 66 en 66 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, verzocht om weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek, met name bepaalde informatie in verband met de wijzigingen in Marketplace sinds 31 juli 2023 die in punt 210 hieronder zijn beschreven, en informatie in verband met het begrip „power sellers” zoals Meta dat in haar interne systeem gebruikt om Marketplace-gebruikers aan te duiden die veel of vaak advertenties plaatsen.
17 Wat dit betreft zij eraan herinnerd dat de rechter, bij de afweging tussen het belang van de openbaarheid van rechterlijke beslissingen en het recht op bescherming van persoonsgegevens en van het zakengeheim, in de omstandigheden van het concrete geval het juiste evenwicht moet zoeken en er daarbij tevens rekening mee moet houden dat het publiek overeenkomstig de in artikel 15 VWEU neergelegde beginselen recht heeft op toegang tot rechterlijke beslissingen (zie arrest van 27 april 2022, Sieć Badawcza Łukasiewicz – Port Polski Ośrodek Rozwoju Technologii/Commissie, T‑4/20, EU:T:2022:242, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Bovendien is de vertrouwelijke behandeling van gegevens uit het dossier niet gerechtvaardigd wanneer het bijvoorbeeld gaat om informatie die reeds openbaar is of toegankelijk is voor het grote publiek of bepaalde gespecialiseerde kringen, om informatie die ook voorkomt in andere passages of stukken van het dossier waarvoor de partij die de betrokken informatie vertrouwelijk wenst te houden geen verzoek om vertrouwelijke behandeling heeft ingediend, om gegevens die niet voldoende specifiek of nauwkeurig zijn om als vertrouwelijk te worden aangemerkt, of om informatie die duidelijk blijkt uit dan wel kan worden afgeleid uit andere informatie die rechtmatig toegankelijk is voor de belanghebbenden (zie beschikking van 14 maart 2022, Bulgarian Energy Holding e.a./Commissie,T‑136/19, EU:T:2022:149, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Verder geldt dat gegevens die geheim of vertrouwelijk zijn geweest, maar ten minste vijf jaar oud zijn, na verloop van die periode in beginsel worden geacht niet meer actueel en dus niet langer geheim of vertrouwelijk te zijn, tenzij de partij die aanvoert dat de betreffende gegevens nog steeds geheim of vertrouwelijk zijn, bij wijze van uitzondering aantoont dat deze gegevens ondanks het feit dat ze oud zijn nog steeds wezenlijk zijn voor haar commerciële positie of die van een betrokken derde (zie arrest van 19 juni 2018, Baumeister,C‑15/16, EU:C:2018:464, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Aan verzoeksters wens moet dus zo veel mogelijk gehoor worden gegeven, voor zover het recht van het publiek op toegang tot rechterlijke beslissingen zich daar niet tegen verzet.
21 In deze zaak behoeven de gegevens over de wijzigingen per 31 juli 2023 geen vertrouwelijke behandeling meer, ten eerste omdat verzoekster die gegevens op haar eigen publiekswebsite heeft bekendgemaakt, ten tweede omdat die gegevens ter terechtzitting zijn besproken en kunnen worden afgeleid uit de overwegingen 241 en 262 van de openbare versie van het bestreden besluit, en ten derde omdat de vermelding van deze gegevens gerechtvaardigd is gelet op het vereiste om de argumenten van partijen op begrijpelijke wijze te beantwoorden.
22 Wat betreft het verzoek om het begrip „power sellers” op Marketplace niet openbaar te maken, moet worden opgemerkt dat de gegevens over dat begrip, zoals die in het interne systeem van verzoekster worden gebruikt, in het onderhavige arrest niet openbaar worden gemaakt. Vastgesteld moet dus worden dat het verzoek om die gegevens niet openbaar te maken geen voorwerp heeft.
23 Bovendien geeft verzoekster in de eerste plaats niet aan waarom zij meent dat het begrip „power sellers” vertrouwelijk moet worden behandeld. Zij beperkt zich ertoe in algemene bewoordingen te stellen dat dit begrip verwijst naar gevoelige commerciële gegevens over de wijze waarop zij intern bepaalde categorieën gebruikers beoordeelt, en dat openbaarmaking daarvan haar rechtmatige commerciële belangen ernstig zou schaden. Met die motivering maakt verzoekster het Gerecht evenwel niet duidelijk hoe de openbaarmaking van het enkele begrip „power sellers”, dat volgens haar overigens verwijst naar een oud concept dat zij reeds geruime tijd voor de vaststelling van het bestreden besluit intern niet meer gebruikte, haar rechtmatige commerciële belangen ernstig zou kunnen schaden. In de tweede plaats is dit begrip ter terechtzitting openbaar gemaakt. In de derde plaats is het Gerecht van oordeel dat openbaarmaking ervan gerechtvaardigd is gelet op het vereiste om de argumenten van partijen op begrijpelijke wijze te beantwoorden.
24 Daarom moet het verzoek van verzoekster om de beschrijving van de wijzigingen in Marketplace per 31 juli 2023 en de gegevens over het begrip „power sellers” niet openbaar te maken, worden afgewezen.
Verzoeksters voortdurend procesbelang bij nietigverklaring van het deel van het bestreden besluit waarin Marketplace wordt aangemerkt als KPD die een belangrijke toegangspoort vormt
25 Onderzocht moet worden of verzoekster nog steeds een procesbelang heeft bij nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover Marketplace daarin wordt aangemerkt als KPD die een belangrijke toegangspoort vormt, na de vaststelling van besluit C(2025) 2547 van de Commissie van 23 april 2025 krachtens artikel 4, lid 1, DMA (Zaak DMA.100044 – Meta – Onlinetussenhandelsdienst – Marketplace), waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C, C/2025/4223), en waarbij de Commissie artikel 2, onder f), van het bestreden besluit, waarin Marketplace op grond van artikel 3, lid 9, DMA werd aangemerkt als KPD, heeft ingetrokken (hierna: „wijzigingsbesluit”).
26 In het wijzigingsbesluit is de Commissie in wezen tot de slotsom gekomen dat verzoekster, gelet op de aanvullende maatregelen die zij in december 2023 en januari 2024 had genomen, had aangetoond dat er in een van de feiten waarop het bestreden besluit berustte een wezenlijke verandering was opgetreden in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), DMA. In het bijzonder was de Commissie in de kern van mening dat niet was voldaan aan het criterium van de in artikel 3, lid 2, onder b), DMA vastgestelde drempel van 10000 zakelijke gebruikers en dat Marketplace dus niet langer een belangrijke toegangspoort was in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA, zonder dat zij een standpunt hoefde in te nemen over de vraag of Marketplace op de datum van vaststelling van het wijzigingsbesluit nog steeds een onlinetussenhandelsdienst was in de zin van artikel 2, punt 5, DMA.
27 In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang van 2 mei 2025 waarbij de hoofdpartijen werd verzocht een standpunt in te nemen over de gevolgen van het wijzigingsbesluit voor het tweede middel, heeft verzoekster aangegeven dat zij dit middel in zijn geheel handhaafde.
28 In haar antwoord op de in punt 27 hierboven genoemde maatregel tot organisatie van de procesgang heeft de Commissie verzoeksters procesbelang niet betwist. Overeenkomstig de rechtspraak (arrest van 15 juli 2025, ECB en Commissie/Corneli, C‑777/22 P en C‑789/22 P, EU:C:2025:580, punt 98), staat het evenwel aan het Gerecht om, alvorens uitspraak te doen over de grond van de zaak, zo nodig ambtshalve na te gaan of de verzoekende partij een procesbelang behoudt.
29 Het procesbelang van een verzoekende partij verdwijnt niet noodzakelijkerwijs vanwege het feit dat de bestreden handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren. De door deze handeling geraakte persoon kan er immers belang bij behouden dat deze nietig wordt verklaard, om zijn oorspronkelijke situatie te herstellen of om de auteur van de bestreden handeling ertoe te brengen in de toekomst passende wijzigingen aan te brengen en aldus het risico te voorkomen dat de onrechtmatigheid die beweerdelijk aan de bestreden handeling kleeft, wordt herhaald. Zelfs in gevallen waarin het voor de instelling waarvan de nietig verklaarde handeling is uitgegaan, door omstandigheden onmogelijk blijkt te zijn om haar verplichting na te komen om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarbij die nietigverklaring is uitgesproken, kan er een belang blijven bestaan bij een beroep tot nietigverklaring, omdat het de grondslag voor een aansprakelijkheidsvordering zou kunnen opleveren (zie arrest van 30 juni 2022, Camerin/Commissie, C‑63/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:516, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Wat in het bijzonder de (gedeeltelijke) intrekking van een bestreden besluit aangaat, kan een verzoekende partij belang blijven houden bij de nietigverklaring van een ingetrokken handeling, aangezien de intrekking niet dezelfde juridische gevolgen sorteert als een eventuele nietigverklaring door het Gerecht. De intrekking van een handeling van een instelling houdt immers geen erkenning van de onwettigheid ervan in en werkt ex nunc, terwijl een eventuele nietigverklaring ex tunc werkt (zie arrest van 9 september 2011, Dow AgroSciences e.a./Commissie,T‑475/07, EU:T:2011:445, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 In casu werkt de intrekking van het gedeelte van het bestreden besluit dat Marketplace betreft, en met name artikel 2, onder f), van het dispositief daarvan, door het wijzigingsbesluit ex nunc en niet ex tunc. Het bestreden besluit sorteert dus juridische gevolgen met betrekking tot de situatie van verzoekster voor de periode voorafgaand aan de intrekking.
32 Zoals partijen overigens beamen, moest verzoekster zich namelijk overeenkomstig artikel 3, lid 10, DMA, wegens de vaststelling van het bestreden besluit voor wat Marketplace betreft, uiterlijk zes maanden na die vaststelling, dus niet later dan 7 maart 2024, conformeren aan de relevante verplichtingen van die verordening.
33 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster met de gedeeltelijke intrekking van het bestreden besluit aangaande Marketplace met ingang van 23 april 2025 geen herstel van haar oorspronkelijke situatie heeft verkregen in de zin van de in de punten 29 en 30 hierboven aangehaalde rechtspraak, zodat zij nog steeds een procesbelang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover Marketplace daarbij wordt aangemerkt als KPD die een belangrijke toegangspoort vormt.
Eerste middel: kwalificatie van Messenger als KPD die een belangrijke toegangspoort vormt
34 Het eerste middel bestaat uit vier onderdelen: – volgens het eerste onderdeel heeft de Commissie niet erkend dat Messenger, gelet op de kenmerken van deze dienst, de onlinechatfunctie vervulde van Facebook, dat een KPD van het type onlinesocialenetwerkdienst vormt (hierna: „KPD Facebook”), en daar integrerend deel van uitmaakte; – volgens het tweede onderdeel heeft de Commissie de DMA onjuist toegepast en uitgelegd bij de aanwijzing van Messenger als KPD van het type NI-ICS, losstaand en onafhankelijk van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook; – volgens het derde onderdeel heeft de Commissie ten onrechte vastgesteld dat Messenger afzonderlijk een belangrijke toegangspoort vormde, door de argumenten en bewijzen die verzoekster tijdens de administratieve procedure krachtens artikel 3, lid 5, DMA had aangedragen te verwerpen op grond dat deze de vermoedens als bedoeld in artikel 3, lid 2, DMA kennelijk niet ter discussie stelden, en door geen marktonderzoek op grond van artikel 17, lid 1 of lid 3, DMA in te leiden; – volgens het vierde onderdeel heeft de Commissie in het bestreden besluit voor het eerst nieuwe bewijzen aangevoerd, hetgeen schending van een wezenlijk vormvoorschrift inhoudt.
Eerste onderdeel, inzake de concrete beoordeling van Messenger en de kwalificatie ervan als KPD van het type NI-ICS
35 Met het eerste onderdeel bestrijdt verzoekster de beoordeling van de Commissie naar aanleiding waarvan deze heeft geweigerd om Messenger enkel te beschouwen als een onlinechatfunctie die integrerend deel uitmaakt van de KPD Facebook. Dit onderdeel valt in wezen in drie grieven uiteen.
– Eerste grief: de Commissie heeft de door verzoekster aangevoerde bewijzen buiten beschouwing gelaten, onjuist uitgelegd en/of onjuist opgevat
36 Verzoekster betoogt dat de Commissie de bewijzen waaruit blijkt dat Messenger alleen de onlinechatfunctie vervulde van de KPD Facebook, en daarvan integrerend deel uitmaakte, buiten beschouwing heeft gelaten, onjuist heeft uitgelegd en/of onjuist heeft opgevat. De Commissie heeft een beoordelingsfout gemaakt door vast te stellen dat uit de bewijzen die bij de vaststelling van het bestreden besluit beschikbaar waren, bleek dat Messenger een afzonderlijke dienst was die door eindgebruikers kon worden gebruikt en die ook los van Facebook werd gebruikt.
37 De Commissie betwist het betoog van verzoekster.
38 Volgens artikel 3, lid 1, DMA wordt een onderneming als poortwachter aangewezen indien zij voldoet aan drie cumulatieve voorwaarden, waaronder de in artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening genoemde voorwaarde om een KPD aan te bieden die een belangrijke toegangspoort vormt.
39 Artikel 2, punt 2, DMA bepaalt dat onder KPD een van de in die bepaling genoemde diensten wordt verstaan, onder andere onlinesocialenetwerkdiensten en NI-ICS.
40 In het bestreden besluit is de Commissie tot de slotsom gekomen dat deze dienst, gelet op de in concreto beoordeelde kenmerken van Messenger, een zelfstandige KPD van het type NI-ICS was, die niet kon worden beschouwd als de enkele onlinechatfunctie van de KPD Facebook.
41 In dit verband heeft de Commissie vastgesteld dat Messenger door Meta op de markt werd aangeboden als een van Facebook losstaande dienst en dat het gebruik van Messenger voor de [vertrouwelijk] ( 1 ) meerderheid van de gebruikers niet voortvloeide uit het gebruik van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook.
42 De Commissie is terecht tot deze slotsom gekomen. In de eerste plaats berust deze namelijk op het feit dat Meta voor Messenger autonome applicaties heeft ontwikkeld, met name voor mobiele apparaten. Zoals de Commissie in overweging 177 van het bestreden besluit heeft aangegeven, bestaat Messenger ook in de vorm van een van Facebook losstaande applicatie voor mobiele apparaten, die door gebruikers moet worden gedownload en geopend om berichten te lezen of te verzenden. Aangezien Messenger het meest op mobiele apparaten wordt gebruikt, zoals is aangegeven in voetnoot 150 van het bestreden besluit en door verzoekster niet is betwist, vormt deze van Facebook losstaande applicatie voor mobiele apparaten voor de [vertrouwelijk] meerderheid van de gebruikers dus het toegangspunt tot Messenger.
43 In de tweede plaats en zoals de Commissie in overweging 169 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, kunnen gebruikers, zodra zij aan de hand van een Facebook-identificatiemiddel zijn geïdentificeerd, gebruikmaken van Messenger, ongeacht of hun Facebook-account actief is en ongeacht of zij tegelijkertijd actief zijn op Facebook, hetgeen relevant is om te beoordelen of Messenger en Facebook afzonderlijke diensten zijn.
44 In de derde plaats is de beoordeling van de Commissie tevens – terecht – gebaseerd op het feit dat Meta voor Messenger specifieke tools verstrekt en aanprijst waarmee ondernemingen in contact kunnen treden met een grote gebruikersgroep, bijvoorbeeld door die ondernemingen in staat te stellen om gegevens van potentiële klanten te verzamelen, een klantendienst aan te bieden, en gebruik te maken van een systeem om klanten herinneringen te sturen. Zoals in overweging 181 van het bestreden besluit is opgemerkt, wijst het bestaan van dergelijke tools erop dat Meta de dienst Messenger binnen haar ecosysteem opvat als een zelfstandig platform.
45 Bovendien kunnen verzoeksters argumenten, die in de punten 46 en volgende hieronder zijn uiteengezet, niet afdoen aan de gevolgtrekking van de Commissie dat de bewijzen waarover zij bij de vaststelling van het bestreden besluit beschikte, aantoonden dat Messenger een KPD van het type NI-ICS was die losstond en onafhankelijk was van de KPD Facebook.
46 Ten eerste betwist verzoekster dat de toegang tot Messenger op mobiele apparaten op de datum van vaststelling van het bestreden besluit een afzonderlijke applicatie vereiste, zoals in punt 42 hierboven is opgemerkt. Zij voert aan dat bijlage A.26 bij het verzoekschrift schermafdrukken bevat van een aantal essentiële functies die door Messenger worden aangeboden en waartoe gebruikers rechtstreeks toegang hebben via de Facebook-applicatie. Bovendien konden gebruikers die op mobiele apparaten geen gebruik maakten van de Facebook-applicatie maar van de webversie van Facebook, rechtstreeks via Facebook toegang krijgen tot Messenger, zonder de Messenger-applicatie te gebruiken.
47 In dat verband hoeft niet te worden nagegaan of de in punt 46 hierboven genoemde argumenten reeds tijdens de administratieve procedure door verzoekster waren aangevoerd, noch of zij ontvankelijk zouden kunnen worden geacht – hetgeen de Commissie betwist – indien zij voor het eerst voor het Gerecht zouden zijn aangevoerd. Deze argumenten kunnen immers hoe dan ook niet afdoen aan de in punt 42 hierboven vermelde vaststelling van de Commissie dat de wijze waarop Messenger wordt aangeboden ertoe leidt dat de specifieke mobiele Messenger-applicatie het toegangspunt van Messenger vormt voor de [vertrouwelijk] meerderheid van de gebruikers. Meer in het bijzonder vormen de twee door verzoekster aangevoerde gevallen slechts beperkte uitzonderingen wat betreft de toegang tot Messenger via die specifieke applicatie.
48 Verzoeksters argument dat bepaalde berichtenwisselingen in Messenger kunnen worden gevoerd via de Facebook-applicatie zonder dat de Messenger-applicatie geopend is, met name de functies die bestaan in het delen van een reel (een korte video) of een story (een reeks korte video’s of afbeeldingen), ziet namelijk alleen op die specifieke, door verzoekster vermelde communicatie, bedoeld om de verspreiding van Facebook-inhoud via Messenger te vergemakkelijken, en niet op andere gebruikelijke functionaliteiten zoals die waarmee een bericht kan worden opgesteld, gelezen en beantwoord.
49 Voorts betreft verzoeksters argument dat de mobiele gebruikers van de betrokken diensten steeds de mogelijkheid hebben gehad om Messenger te openen via de webversie van Facebook zonder de Messenger-applicatie te gebruiken, een marginale situatie ten opzichte van die van de [vertrouwelijk] meerderheid van de gebruikers die via de specifieke mobiele applicatie toegang hebben tot Messenger, aangezien Messenger vooral op mobiele apparaten wordt gebruikt, hetgeen verzoekster niet betwist (zie punt 42 hierboven).
50 Ten tweede beroept verzoekster zich erop dat 100 % van de berichten op Messenger wordt uitgewisseld tussen gebruikers van Facebook, dat in 2022 [80‑100] % van de maandelijkse actieve gebruikers van Messenger ook maandelijkse actieve gebruikers van andere functies van Facebook waren, en dat [80‑100] % van de dagelijkse actieve gebruikers van Messenger in de loop van diezelfde dag ook andere functies van Facebook gebruikte. Deze gegevens tonen echter niet aan dat Messenger en Facebook voor de toepassing van de DMA als één enkele KPD moeten worden beschouwd, maar enkel dat verzoekster ervoor heeft gekozen het gebruik van Messenger te beperken tot gebruikers met een Facebook-identificatiemiddel. Dit neemt niet weg dat, zoals de Commissie in overweging 182 van het bestreden besluit heeft aangegeven, deze gebruikers Messenger onafhankelijk van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook kunnen gebruiken en dat ook daadwerkelijk doen.
51 Ten derde verwijt verzoekster de Commissie, in overweging 184 van het bestreden besluit, de door haar verstrekte gegevens over de wekelijkse actieve gebruikers van Messenger buiten beschouwing te hebben gelaten zonder deze correct te hebben geanalyseerd. De Commissie had deze gegevens betreffende de correlatie tussen het gebruik van Messenger en dat van Facebook namelijk moeten vergelijken met de in punt 50 hierboven vermelde gegevens over de maandelijkse en dagelijkse actieve gebruikers. De Commissie had op zijn minst moeten uitleggen waarom zij de overgelegde cijfers buiten beschouwing heeft gelaten.
52 Het feit dat de Commissie in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk melding heeft gemaakt van de gegevens betreffende de maandelijkse en dagelijkse actieve gebruikers van Messenger die verzoekster tijdens de administratieve procedure heeft overgelegd, noch deze gegevens uitdrukkelijk in verband heeft gebracht met de in overweging 184 van dat besluit geanalyseerde gegevens betreffende de wekelijkse actieve gebruikers van Messenger, betekent echter niet dat zij al deze gegevens bij haar beoordeling buiten beschouwing heeft gelaten.
53 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296, tweede alinea, VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is echter niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 29 juli 2024, Ryanair en Laudamotion/Commissie, C‑591/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2024:635, punt 166 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 In casu vermeldt het bestreden besluit waarom de Commissie de gegevens betreffende de correlatie tussen het gebruik van Messenger en dat van Facebook niet overtuigend heeft geacht. Zo heeft de Commissie in overweging 182 van het bestreden besluit aangegeven dat het feit dat alle communicatie via Messenger plaatsvond tussen gebruikers die over een Facebook-account beschikten, slechts het gevolg was van de wijze waarop die dienst op de vaststellingsdatum van dat besluit was ingericht. Bovendien heeft de Commissie in overweging 187 van het besluit opgemerkt dat de gedeeltelijke overlap tussen de maandelijks actieve eindgebruikers van Messenger en die van Facebook niet verrassend was, aangezien Meta ervoor had gekozen om Facebook te gebruiken als identificatiemiddel voor het gebruik van Messenger, hetgeen haar gevolgtrekking over het autonome karakter van het gebruik van Messenger door de gebruikers niet ter discussie kon stellen.
55 Ten vierde kan verzoekster de Commissie niet verwijten onvoldoende rekening te hebben gehouden met de inhoud van de als bijlage A.27 bij het verzoekschrift ingediende studie, die volgens haar bevestigt dat de Europese gebruikers van door de Commissie aangewezen onlinesocialenetwerkdiensten de onlinechatfunctie van een dergelijke dienst systematisch beschouwen als een fundamenteel element van de gebruikerservaring ervan. Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid van deze bijlage, kan de Commissie namelijk niet worden verweten de resultaten van deze studie te hebben genegeerd, aangezien deze pas na de vaststelling van het bestreden besluit is verricht. Hoe dan ook geeft het feit dat de meeste gebruikers van onlinesocialenetwerkdiensten de integratie van chatfuncties in de functies van die diensten als zeer belangrijk voor hun gebruik ervan beschouwen en teleurgesteld zijn indien deze functies worden gescheiden, geen enkele informatie over de wijze waarop de chatdienst Messenger aan de gebruikers wordt aangeboden.
56 Ten vijfde verwijt verzoekster de Commissie de door haar overgelegde gegevens zoals bedoeld in overweging 185 van het bestreden besluit onjuist te hebben opgevat. Verzoekster heeft namelijk aangetoond dat tijdens de eerste sessie van de dag ongeveer [10‑20] miljoen mobiele gebruikers de mobiele Messenger-applicatie via een door Facebook aangeboden toegangspunt hadden geopend, hetgeen overeenkomt met [0‑30] % van de dagelijkse Messenger-gebruikers. De Commissie heeft daaruit afgeleid dat [70‑100] % van het dagelijkse gebruik van Messenger niet in gang werd gezet door het gebruik van Facebook. De door verzoekster verstrekte gegevens hebben echter enkel betrekking op de eerste sessie van de dag van de gebruikers en bovendien uitsluitend op toegang via een mobiel apparaat. Deze gegevens geven dus niet het gehele dagelijkse gebruik van Messenger weer dat door het gebruik van Facebook in gang is gezet.
57 Zelfs indien wordt aangenomen dat de Commissie de feiten wat betreft het percentage van het dagelijkse mobiele gebruik van Messenger dat niet door het gebruik van Facebook in gang wordt gezet onjuist heeft beoordeeld, kan verzoeksters betoog niet afdoen aan de stelling van de Commissie in overweging 185 van het bestreden besluit, dat voor de [vertrouwelijk] meerderheid van de gebruikers van de mobiele Messenger-applicatie de eerste sessie van de dag op Messenger niet plaatsvond door op een link in de Facebook-applicatie te klikken, maar door Messenger rechtstreeks te openen. Bovendien heeft de Commissie verzoekster tijdens de administratieve procedure verzocht om haar nadere gegevens dienaangaande te verstrekken, in het bijzonder een uitsplitsing over 2020 tot en met 2022 van de gebruikers die hun gebruikerssessie van Messenger hadden aangevangen via de webversie van Facebook, de Facebook-applicatie, de mobiele Messenger-applicatie of de Facebook Messenger Chat-plug-in. Verzoekster heeft toen geantwoord dat zij niet over dergelijke gegevens beschikte.
58 Ten zesde betoogt verzoekster dat de Commissie de voor het publiek toegankelijke commerciële documenten, de mededelingen aan beleggers en gebruikers en de financiële verslagen van Meta onjuist heeft uitgelegd of onjuist heeft opgevat, door te oordelen dat Messenger blijkens deze documenten niet de onlinechatfunctie van Facebook was die integrerend deel uitmaakte van de KPD Facebook.
59 Uit de in punt 58 hierboven vermelde documenten heeft de Commissie echter terecht afgeleid dat Meta Messenger opzette, presenteerde en positioneerde als een autonome dienst die verder ging dan een loutere onlinechatfunctie van Facebook. Zo onderscheidt Meta, zoals de Commissie in overweging 180 van het bestreden besluit heeft aangegeven – door voor het boekjaar dat eindigt op 31 december 2022 te verwijzen naar het formulier „10-K” van Meta Platforms – in haar financiële verslagen namelijk de volgende vier diensten binnen haar „groep app-producten”: Facebook, Instagram, Messenger en WhatsApp. In andere mededelingen aan beleggers zoals een transcriptie van een telefonische vergadering van 26 oktober 2022 over de resultaten van Meta’s derde kwartaal van 2022, welke door de Commissie is vermeld in voetnoot 158 bij overweging 180 van het bestreden besluit, verwijst Meta naar de verdienmogelijkheden van Messenger als zodanig en geeft zij aan dat de via WhatsApp en Messenger aangeboden berichtendiensten een „grote kans op het genereren van omzet” vormt door de ontwikkeling van producten zoals „bericht met een klik” (click-to-message) en een betaalde berichtendienst.
60 Het is juist dat de vraag of Messenger een KPD van het type NI-ICS is dan wel een functionaliteit die integrerend deel uitmaakt van de KPD Facebook, moet worden beoordeeld vanuit het objectieve oogpunt van de eindgebruikers. Voor die beoordeling zijn documenten als die aan de orde echter niet van alle relevantie gespeend, aangezien zij, samen met andere overeenstemmende gegevens zoals in casu de overwegingen in de punten 42 tot en met 44 hierboven, inlichtingen kunnen verstrekken over de wijze waarop de dienstverlener zijn diensten voor die gebruikers inricht en dus over de wijze waarop die diensten vervolgens door die gebruikers zullen worden gebruikt.
61 Verzoeksters betoog, en bijgevolg de eerste grief in zijn geheel, moet worden afgewezen.
– Tweede grief: de beweerde discriminerende en willekeurige beoordeling van Messenger
62 Verzoekster voert aan dat de Commissie de onlinechatfunctie van de socialenetwerkdiensten van andere als poortwachters aangewezen ondernemingen op kennelijk incoherente wijze heeft beoordeeld, waardoor het bestreden besluit willekeurig en discriminerend is.
63 De Commissie betwist het betoog van verzoekster.
64 De Commissie moet evenwel de omstandigheden van elk geval afzonderlijk analyseren, zonder dat zij gebonden is aan eerdere besluiten betreffende andere marktdeelnemers of andere KPD (arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punten 68 en 375).
65 Voorts is het beginsel van gelijke behandeling een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit beginsel vereist volgens vaste rechtspraak dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 16 juni 2022, Sony Optiarc en Sony Optiarc America/Commissie, C‑698/19 P, EU:C:2022:480, punt 153 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 In dit verband beroept verzoekster zich in de eerste plaats op besluit C(2023) 6100 final van de Commissie van 5 september 2023 tot aanwijzing van Apple als poortwachter overeenkomstig artikel 3 DMA (Zaken DMA.100013 Apple – Online intermediation services – App stores, DMA.100025 Apple – Operating systems en DMA.100027 Apple – Web browsers) (hierna: „besluit tot aanwijzing van Apple”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C, C/2023/548) en waarin de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de App Store één enkele KPD van het type onlinetussenhandelsdienst was, ongeacht vanaf welk type apparaat die dienst toegankelijk was. De benadering van de Commissie met betrekking tot Messenger is echter niet in tegenspraak met die in het besluit tot aanwijzing van Apple. De Commissie heeft Messenger immers niet onderverdeeld in verschillende KPD van het type NI-ICS naargelang van het type apparaat dat wordt gebruikt om toegang te krijgen tot deze dienst, maar heeft Messenger ongeacht de toegangswijze voor gebruikers als één enkele KPD van het type NI-ICS aangemerkt.
67 Wat de dienst iMessage van Apple betreft, waarop verzoekster zich in de tweede plaats beroept, moet worden opgemerkt dat deze dienst niet wordt verleend in verband met een KPD die een onlinesocialenetwerkdienst vormt. De kwestie van de afbakening tussen de NI-ICS en de onlinesocialenetwerkdiensten was dus niet aan de orde in het besluit tot aanwijzing van Apple, zodat dit besluit in dit verband niet relevant is.
68 Wat de door verzoekster in de derde plaats aangehaalde onlinechatfuncties van TikTok en LinkedIn betreft, hadden deze niet dezelfde kenmerken als Messenger en vertoonden zij met name niet de belangrijkste kenmerken op grond waarvan de Commissie tot de conclusie is gekomen dat Messenger een onafhankelijke en losstaande KPD van het type NI-ICS was. Messenger kon namelijk buiten de onlinesocialenetwerkdienst Facebook worden gebruikt, met name via een daarvoor bestemde applicatie, en kon bovendien worden gebruikt met een gedeactiveerd Facebook-account.
69 Bovendien stelt verzoekster in haar antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht van 28 maart 2025 dat de Commissie een andere benadering heeft gekozen in haar besluit C(2024) 3176 final van 13 mei 2024 betreffende een besluit op grond van artikel 3, van verordening (EU) 2022/1925 (Zaak DMA.100019 – Booking – Online intermediation services – Verticals), waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C, C/2024/4360), bij welk besluit zij Booking Holdings Inc. heeft aangewezen als poortwachter en de diensten Booking.com en RentalCars.com voor de DMA heeft opgevat als één enkele KPD, ook al bestonden er afzonderlijke applicaties en websites, aangezien deze diensten net als Facebook en Messenger toegankelijk waren via één account.
70 Anders dan de feitelijke situatie in de onderhavige zaak, blijkt echter uit besluit C(2024) 3176 final dat de gebruikers zonder een afzonderlijke specifieke applicatie toegang konden krijgen tot alle betrokken diensten, met inbegrip van de verhuur van voertuigen. Zoals in punt 42 hierboven is aangegeven, heeft de Commissie in casu terecht vastgesteld dat Meta autonome applicaties voor Messenger had ontwikkeld en dat de op mobiele apparaten gebruikte applicatie het toegangspunt van Messenger was voor de [vertrouwelijk] meerderheid van de gebruikers.
71 De tweede grief moet dus worden verworpen.
– Derde grief: vermeende niet-inachtneming van de bijlage bij de DMA
72 Verzoekster verwijt de Commissie dat zij op grond van de bijlage bij de DMA heeft geoordeeld dat Messenger een KPD van het type NI-ICS was die losstond en onafhankelijk was van de KPD Facebook. Gesteld al dat de bijlage bij de DMA relevant is voor de afbakening van KPD’s, hetgeen verzoekster betwist, past het bestreden besluit die bijlage niet correct toe. Deel D, punt 2, van die bijlage vereist namelijk dat Messenger wordt geacht deel uit te maken van de KPD Facebook, aangezien het wordt gebruikt voor hetzelfde doel als deze onlinesocialenetwerkdienst, namelijk de gebruikers van Facebook in staat stellen zich met elkaar te verbinden en met elkaar te communiceren, inhoud te delen en andere gebruikers en andere inhoud te ontdekken.
73 De Commissie betwist het betoog van verzoekster.
74 Wat om te beginnen de relevantie van de bijlage bij de DMA betreft om een onderscheid te maken tussen KPD die op geïntegreerde wijze worden aangeboden, geldt dat die bijlage dezelfde juridische waarde heeft als de DMA zelf en er integrerend deel van uitmaakt (zie in die zin en naar analogie arrest van 24 november 2010, Commissie/Raad,C‑40/10, EU:C:2010:713, punt 61).
75 Volgens deel A, punt 1, van de bijlage bij de DMA, is het doel van deze bijlage „een nauwkeurige beschrijving te geven van de methode om voor elke in artikel 2, punt 2, omschreven [KPD] de ‚actieve eindgebruikers’ en de ‚actieve zakelijke gebruikers’ te identificeren en hun aantal te berekenen”, op basis waarvan een onderneming kan beoordelen of haar KPD’s voldoen aan de kwantitatieve drempels van artikel 3, lid 2, onder b), DMA en derhalve geacht kunnen worden te voldoen aan de eis van artikel 3, lid 1, onder b), DMA.
76 Aangezien de bijlage bij de DMA tot doel heeft ondernemingen in staat te stellen de actieve eindgebruikers en actieve zakelijke gebruikers van elke in artikel 2, punt 2, DMA genoemde KPD te identificeren, moet worden vastgesteld dat deze bijlage relevante aanwijzingen bevat voor de afbakening van de door een onderneming op geïntegreerde wijze aangeboden KPD. Indien de Commissie voor de afbakening van KPD’s andere criteria zou toepassen dan die welke ondernemingen gebruiken om de actieve eindgebruikers en actieve zakelijke gebruikers van hun KPD’s te berekenen, teneinde te beoordelen of de drempels van artikel 3, lid 2, onder b), DMA zijn bereikt, zouden ondernemingen niet de rechtszekerheid kunnen genieten die de bijlage bij de DMA hun moet bieden, zoals aangegeven in overweging 20 van die verordening.
77 Tegen deze achtergrond moet bij de beoordeling en afbakening van KPD’s in de zin van de DMA ook rekening worden gehouden met de aanwijzingen die de bijlage bij de DMA bevat met betrekking tot de gevallen waarin de door een onderneming verrichte diensten als afzonderlijke KPD moeten worden beschouwd, met name wanneer zij op geïntegreerde wijze worden aangeboden.
78 Meer in het bijzonder moet deel D, punt 2, van de bijlage bij de DMA dus in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de omstandigheden waarin de door ondernemingen aangeboden KPD’s als één dienst dan wel als afzonderlijke diensten moeten worden beschouwd.
79 Deel D, punt 2, onder c), van de bijlage bij de DMA bepaalt dat voor de berekening van het aantal „actieve eindgebruikers” en „actieve zakelijke gebruikers”: „c. […] [D]e onderneming die [KPD’s] aanbiedt, [merkt] als verschillende [KPD’s] diensten [aan] die de betrokken onderneming geïntegreerd aanbiedt, maar die: i) op grond van artikel 2, punt 2), niet tot dezelfde categorie [KPD] behoren of, ii) door hun eindgebruikers of hun zakelijke gebruikers, of door beide worden gebruikt voor verschillende doeleinden, zelfs indien hun eindgebruikers of zakelijke gebruikers dezelfde zijn en zelfs indien zij op grond van artikel 2, punt 2), tot dezelfde categorie [KPD] behoren.”
80 Zo kan op grond van deel D, punt 2, onder c), i), van de bijlage bij de DMA de beoordeling van de Commissie in overweging 172 van het bestreden besluit worden bevestigd dat Messenger, als KPD van het type NI-ICS, moet worden gescheiden van de KPD Facebook, waarin Messenger is geïntegreerd, aangezien deze diensten niet tot dezelfde categorie KPD’s behoren.
81 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters betoog dat de betrokken KPD’s overeenkomstig deel D, punt 2, onder c), ii), van de bijlage bij de DMA als afzonderlijke KPD’s kunnen worden beschouwd indien zij voor verschillende doeleinden worden gebruikt, terwijl Messenger en Facebook dezelfde gebruiksdoeleinden hebben. Het criterium inzake het gebruiksdoel van de betrokken diensten is volgens de bewoordingen van deel D, punt 2, onder c), van de bijlage bij de DMA immers een alternatief voor het criterium dat in casu is toegepast, zodat verzoekster geen argument aan deze bepaling kan ontlenen.
82 De derde grief en daarmee het eerste onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Tweede onderdeel: juridische criteria om een dienst als Messenger als KPD van het type NI-ICS te kwalificeren
83 Verzoekster betoogt dat de Commissie artikel 2, punten 7 en 9, artikel 3, lid 1, onder b), en lid 9, DMA onjuist heeft uitgelegd en toegepast door Messenger aan te wijzen als KPD van het type NI-ICS. Meer bepaald betwist verzoekster niet dat Messenger voldoet aan de definitie van NI-ICS in de zin van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB 2018, L 321, blz. 36; hierna: „wetboek elektronische communicatie”). Zij verwijt de Commissie evenwel het recht verkeerd te hebben toegepast door vast te stellen dat een dienst die voldoet aan de definitie van NI-ICS in dat wetboek noodzakelijkerwijs wordt aangemerkt als KPD van het type NI-ICS in de zin van de DMA. Volgens verzoekster kan een dienst als Messenger, die slechts een onlinechatfunctie van een onlinesocialenetwerkdienst vormt, in beginsel onder twee verschillende categorieën KPD vallen, namelijk een KPD van het type NI-ICS en een KPD van het type onlinesocialenetwerkdienst waarvan die dienst deel uitmaakt. De dienst moet dus concreet worden beoordeeld op basis van bewijzen, teneinde vast te stellen met welke categorie KPD’s hij het meest overeenkomt.
84 Ter ondersteuning van haar betoog voert verzoekster in de eerste plaats aan dat de benadering van de Commissie in het bestreden besluit voorbijgaat aan de definitie van KPD van het type onlinesocialenetwerkdienst in artikel 2, punt 7, DMA, die uitdrukkelijk vereist dat de onlinechatfunctie van een onlinesocialenetwerkdienst valt binnen de reikwijdte van de KPD van die dienst.
85 In de tweede plaats stelt verzoekster dat de aanname van de Commissie in het bestreden besluit, dat een dienst geen deel kan uitmaken van een KPD van het type onlinesocialenetwerkdienst indien hij reeds aan de definitie van NI-ICS voldoet, erop neerkomt dat voorbij wordt gegaan aan het autonome karakter van de definitie van onlinesocialenetwerkdienst in de DMA, aangezien er volgens deze definitie geen ondergeschikte verhouding bestaat met de definitie van KPD van het type NI-ICS in het wetboek elektronische communicatie of met die van NI-ICS in artikel 2, punt 9, DMA.
86 In de derde plaats betoogt verzoekster dat de Commissie een incoherente en discriminerende benadering heeft gevolgd, aangezien zij de onlinechatfuncties van andere onlinesocialenetwerkdiensten zoals TikTok anders heeft beoordeeld. In besluit C(2023) 6102 final van 5 september 2023 betreffende een besluit op grond van artikel 3 DMA (Zaak DMA.100040 – Bytedance – Online social networking services), waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C, C/2023/552) en waarin ByteDance wordt aangewezen als poortwachter, heeft de Commissie namelijk aanvaard dat een dienst in beginsel onder de definities van meerdere KPD’s kan vallen, en heeft zij meer in het bijzonder naar behoren de vraag onderzocht of TikTok meer op een videoplatformdienst of op een onlinesocialenetwerkdienst leek.
87 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, betwist verzoeksters argumenten.
88 Zoals aangegeven in punt 39 hierboven bepaalt artikel 2, punt 2, DMA dat onder KPD een van de in die bepaling opgesomde diensten wordt verstaan, onder andere onlinesocialenetwerkdiensten en NI-ICS.
89 Artikel 2, punt 9, DMA preciseert dat voor de toepassing van die verordening onder NI-ICS wordt verstaan „een [NI-ICS] als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, [van het wetboek elektronische communicatie]”.
90 Artikel 2, punt 7, van het wetboek elektronische communicatie definieert de NI-ICS als „een interpersoonlijke communicatiedienst die geen verbinding maakt met openbaar toegewezen nummervoorraden, namelijk een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen, of die geen communicatie mogelijk maakt met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen […]”.
91 Om het begrip NI-ICS in het wetboek elektronische communicatie te begrijpen, moet ook rekening worden gehouden met de definitie van „interpersoonlijke communicatiedienst” zoals bepaald in artikel 2, punt 5, van dat wetboek, als „een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die directe persoonlijke en interactieve uitwisseling van informatie via elektronischecommunicatienetwerken tussen een eindig aantal personen mogelijk maakt, waarbij de personen die de communicatie starten of eraan deelnemen, bepalen welke de ontvangers zijn, en die geen diensten omvat die persoonlijke en interactieve communicatie mogelijk maken als een louter bijkomstig kenmerk dat onlosmakelijk verbonden is met een andere dienst”.
92 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de Commissie in deze zaak in de overwegingen 165 en 166 van het bestreden besluit heeft beoordeeld of Messenger voldeed aan de definitie van NI-ICS in de DMA en door toepassing van de criteria van het wetboek elektronische communicatie waarnaar de DMA verwijst, tot de slotsom is gekomen dat dit het geval was.
93 De Commissie heeft in overweging 166 van het bestreden besluit namelijk aangegeven dat Messenger voldeed aan de definities van interpersoonlijke communicatiedienst en NI-ICS in artikel 2, punten 5 en 7, van het wetboek elektronische communicatie, aangezien deze dienst directe persoonlijke en interactieve uitwisseling van informatie tussen een eindig aantal personen mogelijk maakte en geen verbinding maakte met openbaar toegewezen nummervoorraden.
94 Zoals de Commissie in overweging 167 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, heeft verzoekster overigens tijdens de administratieve procedure niet betwist dat Messenger voldeed aan de definities van artikel 2, punten 5 en 7, van het wetboek elektronische communicatie, welk standpunt zij in haar schriftelijke stukken en, in antwoord op een vraag van het Gerecht, ter terechtzitting heeft herhaald.
95 In de tweede plaats heeft de Commissie in de overwegingen 169 en 172 van het bestreden besluit terecht aangegeven dat het feit dat Messenger kon worden geacht op geïntegreerde wijze met de KPD Facebook, te worden aangeboden, aangezien Messenger de onlinechatfunctie van die dienst vormde, niet belette dat Messenger kon worden beschouwd als een van die onlinesocialenetwerkdienst gescheiden KPD van het type NI-ICS.
96 Om te beginnen bepaalt deel D, punt 2, onder c), i), van de bijlage bij de DMA immers, zoals in punt 79 hierboven is aangegeven, dat de onderneming die een of meer KPD’s aanbiedt, de diensten die zij geïntegreerd aanbiedt maar die niet behoren tot dezelfde categorie KPD’s zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, DMA, als verschillende KPD’s moet aanmerken.
97 Bovendien is het niet in strijd met de DMA dat een NI-ICS als Messenger kan worden beschouwd als een afzonderlijke KPD, hoewel deze tot op zekere hoogte samen met andere KPD’s wordt aangeboden.
98 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Uniewetgever juist dit soort configuratie voor ogen heeft gehad. Overweging 64 DMA geeft namelijk aan dat poortwachters NI-ICS vaak aanbieden als onderdeel van hun platformecosysteem, waardoor de toetredingsdrempels voor andere aanbieders van dergelijke diensten nog hoger worden en de overstapkosten voor eindgebruikers stijgen. De Uniewetgever was zich dus ten volle bewust van de complexiteit van de samenstelling van bepaalde platformecosystemen, waaronder met name aanvullende diensten die elkaar konden overlappen of onderling konden worden verbonden, en meer in het bijzonder van de gebruikelijke wijze waarop NI-ICS zoals Messenger in het kader van die ecosystemen worden aangeboden.
99 De Commissie heeft dus terecht het standpunt ingenomen dat het feit dat Messenger kan worden geacht op geïntegreerde wijze met de KPD Facebook te worden aangeboden, aangezien Messenger de onlinechatfunctie van Facebook vormde, niet belette dat Messenger kan worden beschouwd als een van die onlinesocialenetwerkdienst gescheiden KPD van het type NI-ICS.
100 Verzoekster voert niettemin aan dat het recht in het bestreden besluit onjuist is toegepast doordat de Commissie is voorbijgegaan aan het feit dat een chatdienst die voldeed aan de definitie van een NI-ICS als bedoeld in het wetboek elektronische communicatie, zowel aan de definitie van een KPD van het type NI-ICS als aan die van een KPD van het type onlinesocialenetwerkdienst kon voldoen door integrerend deel uit te maken van laatstgenoemde dienst, en dat in concreto moest worden beoordeeld onder welke voorwaarden deze NI-ICS werd aangeboden om te bepalen met welke KPD die chatdienst het meest overeenkwam. Indien de Commissie de juridische criteria van de DMA voor de afbakening van KPD juist had uitgelegd, zou zij Messenger op die manier hebben beoordeeld
101 Uit het bestreden besluit blijkt echter dat de Commissie, voor haar conclusie dat Messenger moest worden aangemerkt als een KPD van het type NI-ICS in de zin van de DMA, zich in casu niet heeft beperkt tot de vaststelling dat deze dienst voldeed aan de definitie van NI-ICS in de zin van het wetboek elektronische communicatie. Na in overweging 166 van het bestreden besluit te hebben vastgesteld dat Messenger voldeed aan de definitie van NI-ICS in de zin van het wetboek elektronische communicatie, en in dit verband in de overwegingen 167 tot en met 169 van het bestreden besluit te hebben gepreciseerd waarom Messenger niet kon vallen onder de uitzondering voor diensten die persoonlijke en interactieve communicatie mogelijk maken als een louter bijkomstig kenmerk dat onlosmakelijk verbonden is met een andere dienst, heeft de Commissie haar beoordeling namelijk voortgezet door met name in de overwegingen 176 tot en met 190 van het bestreden besluit een concrete analyse te maken van de voorwaarden en omstandigheden waaronder Messenger werd aangeboden.
102 Zo heeft de Commissie om te beginnen in overweging 177 van het bestreden besluit aangegeven dat uit de wijze waarop Messenger werd aangeboden en in het bijzonder uit het feit dat Meta voor die dienst een losstaande en autonome mobiele applicatie had ontwikkeld die voor de [vertrouwelijk] meerderheid van de gebruikers het toegangspunt naar Messenger vormde, zoals in punt 42 hierboven is aangegeven, bleek dat deze dienst was geëvolueerd om de gebruiker een andere ervaring dan die van Facebook aan te bieden en een zelfstandige NI-ICS te worden. Vervolgens heeft de Commissie in de overwegingen 177 tot en met 180 van het bestreden besluit vastgesteld dat de mededelingen van Meta aan haar beleggers, de commerciële mededelingen aan het publiek, de mededelingen aan gebruikers en de financiële verslagen bevestigden dat Meta Messenger zelf als een zelfstandige dienst beschouwde, zoals in punt 59 hierboven is aangegeven. Ten slotte heeft de Commissie in overweging 181 van het bestreden besluit vastgesteld dat Meta, door specifieke softwarefuncties aan te bieden en aan te prijzen waarmee ondernemingen op Messenger met gebruikers konden communiceren, Messenger binnen haar ecosysteem als een zelfstandig platform beschouwde, zoals in punt 44 hierboven is aangegeven.
103 De Commissie kwam tot de conclusie dat Messenger een losstaande dienst was die door gebruikers afzonderlijk kon worden gebruikt en ook op die manier werd gebruikt, zodat Messenger moest worden aangewezen als KPD van het type NI-ICS die losstaat van en autonoom is ten opzichte van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook.
104 In deze omstandigheden moet in casu worden vastgesteld dat, zelfs al was verzoeksters betoog in punt 100 hierboven gegrond, dit betoog in het kader van het onderhavige beroep niet tot nietigverklaring van het bestreden besluit zou kunnen leiden, aangezien de Commissie hoe dan ook een concrete analyse heeft gemaakt van de voorwaarden en omstandigheden waaronder Messenger werd aangeboden.
105 Deze concrete analyse van de voorwaarden waaronder Messenger aan gebruikers beschikbaar werd gesteld, wordt overigens door verzoekster in het eerste onderdeel van het eerste middel betwist.
106 Bijgevolg moeten het in punt 100 hierboven uiteengezette hoofdbetoog van verzoekster en de ter ondersteuning daarvan aangevoerde argumenten als niet ter zake dienend worden beschouwd.
107 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk als niet ter zake dienend worden verklaard.
Derde onderdeel: aanvechting van het vermoeden dat Messenger een belangrijke toegangspoort vormde
108 Verzoekster betoogt dat, zelfs indien de Commissie geen fout had begaan door Messenger aan te merken als KPD van het type NI-ICS, zij artikel 3, lid 1, onder b), en lid 9, DMA niet correct heeft uitgelegd en toegepast door te concluderen dat deze dienst op zichzelf een belangrijke toegangspoort vormde.
109 Het derde onderdeel bestaat uit drie grieven.
– Eerste grief: weerlegging van het vermoeden in artikel 3, lid 2, onder b), DMA
110 Volgens verzoekster heeft de Commissie in het bestreden besluit niet aangetoond dat Messenger een belangrijke toegangspoort vormde in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA. Voor dat standpunt voert zij met name aan dat de Commissie verzoeksters bewijzen om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen, heeft genegeerd of ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
111 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, betwist verzoeksters argumenten.
112 Zoals in punt 38 hierboven is aangegeven, wordt een onderneming volgens artikel 3, lid 1, DMA aangewezen als poortwachter wanneer zij voldoet aan drie cumulatieve voorwaarden, waaronder het aanbieden van een KPD die een belangrijke toegangspoort vormt.
113 Volgens artikel 3, lid 2, onder b), DMA wordt een onderneming, om als poortwachter te worden aangewezen, geacht te voldoen aan de voorwaarde van het aanbieden van een KPD die een belangrijke toegangspoort vormt indien de betreffende KPD in het laatste boekjaar ten minste 45 miljoen maandelijks actieve eindgebruikers had die in de Unie zijn gevestigd of zich aldaar bevinden en ten minste 10000 jaarlijks actieve, in de Unie gevestigde zakelijke gebruikers had.
114 Artikel 3, lid 5, DMA bepaalt dat de in artikel 3, lid 2, DMA bedoelde vermoedens kunnen worden weerlegd indien de onderneming „in haar kennisgeving voldoende onderbouwde argumenten [aanvoert] om aan te tonen dat zij door de omstandigheden waarin de betrokken [KPD] actief is bij wijze van uitzondering niet voldoet aan de vereisten van lid 1 [van artikel 3 DMA], ondanks het feit dat zij aan alle drempels van lid 2 voldoet”.
115 In casu moet worden nagegaan of de Commissie, zoals verzoekster betoogt, ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat verzoeksters argumenten onvoldoende onderbouwd waren in de zin van artikel 3, lid 5, DMA, om het vermoeden in artikel 3, lid 2, onder b), DMA kennelijk in twijfel te trekken.
116 In de eerste plaats wijst verzoekster erop dat zij tijdens de administratieve procedure heeft aangetoond dat Messenger slechts [0‑5] % van het verkeer tussen ondernemingen en consumenten (business-to-consumer; hierna: „B2C”) in de Europese Economische Ruimte (EER) betrof en dat zakelijke gebruikers voornamelijk via telefoon en e-mail contact opnamen met eindgebruikers. In het bestreden besluit is dit gegeven kennelijk onjuist beoordeeld en onvoldoende gemotiveerd.
117 Wat dat betreft zij ten eerste opgemerkt dat artikel 3, lid 5, DMA geen uitputtende lijst geeft van elementen die kunnen worden aangevoerd om de vermoedens van lid 2 van dat artikel te weerleggen, maar slechts verwijst naar de „omstandigheden waarin de betrokken [KPD] actief is” (zie in die zin arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 50). Bovendien wordt in overweging 23 DMA gepreciseerd dat de Commissie „[b]ij haar beoordeling van de [krachtens artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA] overgelegde bewijzen en argumenten […] alleen rekening [dient] te houden met de elementen die rechtstreeks verband houden met de kwantitatieve criteria, namelijk de impact op de interne markt van de onderneming die [KPD] aanbiedt, boven inkomsten of marktkapitalisatie, zoals haar omvang in absolute termen en het aantal lidstaten waar zij aanwezig is; de mate waarin de werkelijke aantallen zakelijke gebruikers en eindgebruikers de drempels overschrijden en het belang van de [KPD] van de onderneming, rekening houdend met de totale omvang van de activiteiten van de respectieve [KPD], en het aantal jaren waarvoor de drempels zijn bereikt”. De in die overweging genoemde lijst van elementen die in aanmerking kunnen worden genomen, is niet uitputtend (zie in die zin arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 49).
118 Ten tweede blijkt uit overweging 23 DMA dat door de betrokken onderneming gepresenteerde argumenten en bewijzen om in aanmerking te worden genomen „rechtstreeks verband [moeten] houden met de kwantitatieve criteria”, waarbij de term „kwantitatieve criteria” verwijst naar de kwantitatieve drempels waarin artikel 3, lid 2, DMA voorziet (arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 47). Die argumenten en bewijzen houden rechtstreeks verband met deze kwantitatieve drempels wanneer zij tot doel hebben een van de drie vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA concreet en specifiek te weerleggen (zie in die zin arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 326).
119 Zo kan niet a priori worden uitgesloten dat de bewijzen over het belang van Messenger in de totale B2C-communicatie relevant zijn om aan te tonen in welke omstandigheden deze KPD opereert, mits die bewijzen in de zin van overweging 23 DMA „rechtstreeks verband houden” met de kwantitatieve drempels die in artikel 3, lid 2, onder b), van deze verordening zijn vastgesteld.
120 De Commissie heeft de argumenten die verzoekster heeft ontleend aan het vermeende geringe belang van Messenger in de B2C-communicatie in de EER echter onderzocht en op basis daarvan terecht geconcludeerd dat deze argumenten onvoldoende waren onderbouwd om het vermoeden in artikel 3, lid 2, onder b), DMA kennelijk in twijfel te trekken.
121 De bewijsstandaard die in dat verband vereist is om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA in twijfel te trekken is door de Uniewetgever zelf bepaald, door van de betrokken onderneming, waarop de bewijslast rust, te eisen dat zij voldoende onderbouwde argumenten aanvoert die deze vermoedens kennelijk ter discussie stellen (arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 61). Uit de begrippen „bij wijze van uitzondering” en „kennelijk” in artikel 3, lid 5, DMA blijkt ondubbelzinnig dat van de betrokken onderneming een hoge bewijsstandaard wordt geëist, in die zin dat de door haar aangevoerde argumenten in hoge mate aannemelijk moeten kunnen maken dat de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA in twijfel worden getrokken (arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 71).
122 In casu heeft de Commissie vastgesteld dat de door verzoekster tijdens de administratieve procedure aangevoerde argumenten niet afdoende waren, aangezien het door haar aangevoerde en in punt 116 hierboven vermelde cijfer was gebaseerd op een rekenmethode die de Commissie gebruikt in het mededingingsrecht, zonder dat werd uitgelegd hoe dit cijfer relevant was voor de weerlegging van het betrokken vermoeden. De Commissie heeft dus geen beoordelingsfout gemaakt door in overweging 226 van het bestreden besluit te verklaren dat verzoekster geen gegevens of toelichtingen had verstrekt ter onderbouwing van haar argumenten dienaangaande.
123 Verder heeft de Commissie in overweging 227 van het bestreden besluit terecht aangegeven dat de in punt 116 hierboven vermelde argumenten werden ontkracht door het feit dat verzoekster softwarefuncties leverde die door zakelijke gebruikers op grote schaal werden gebruikt om via Messenger eindgebruikers te benaderen, hetgeen het belang van Messenger als B2C-communicatiekanaal aantoonde.
124 Bovendien moet worden vastgesteld, zoals de Commissie in overweging 220 van het bestreden besluit heeft gedaan, dat Messenger de drempel voor zakelijke gebruikers van artikel 3, lid 2, onder b), DMA aanzienlijk overschreed, aangezien het aantal ondernemingen dat van deze dienst gebruikmaakte in elk van de jaren 2020‑2022 hoger was dan [vertrouwelijk] miljoen, terwijl die drempel was vastgesteld op 10000. Volgens overweging 23 DMA is de mate waarin het aantal zakelijke gebruikers deze drempel overschrijdt relevant voor de analyse van de argumenten van een onderneming die ertoe strekken het uit artikel 3, lid 2, onder b), DMA voortvloeiende vermoeden ter discussie te stellen.
125 Ten slotte moet wat het door verzoekster in deze context aangevoerde motiveringsgebrek betreft, worden opgemerkt dat de overwegingen 226 tot en met 228 van het bestreden besluit toelichtingen bevatten die de redenering van de Commissie betreffende de afwijzing van verzoeksters argumenten duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen. Deze motivering voldoet dus aan de uit artikel 296 VWEU voortvloeiende vereisten zoals die in punt 53 hierboven in herinnering zijn gebracht.
126 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de Commissie er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat er zelfs in de engere categorie van „onlinegespreksdiensten” een breed scala aan andere diensten dan Messenger bestond, zoals die van sociale media (TikTok, X en Snapchat), diensten voor vergaderen op afstand (Microsoft Teams, Zoom) en NI-ICS (WhatsApp, Signal en Telegram). Verzoekster geeft ook aan dat er multihoming plaatsvindt, aangezien 73 % van de eindgebruikers meer dan één onlinechatdienst gebruikt. Volgens de benadering van de Commissie, waarbij alleen rekening wordt gehouden met de diensten binnen de relevante categorie KPD, in casu die van het type NI-ICS, wordt er geen rekening mee gehouden dat de activiteiten van Messenger veruit worden overtroffen door die van e-mail: in 2020 vonden er dagelijks 67 miljoen B2C-gesprekken via e-mail plaats en slechts [0‑5] miljoen via Messenger.
127 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de bewijslast voor het weerleggen van de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA bij verzoekster ligt. De door haar aangevoerde argumenten en bewijzen hadden echter enkel betrekking op het bestaan van andere diensten en op multihoming in het algemeen. In het bijzonder werden deze argumenten niet onderbouwd met nauwkeurige gegevens over het gebruik van deze verschillende diensten en over de specifieke en concrete kenmerken van multihoming, en met name de intensiteit ervan, dat wil zeggen de tijd die een gebruiker aan elk van de betrokken diensten besteedt. Wat betreft de door verzoekster aangehaalde cijfermatige informatie over multihoming, volgens welke 73 % van de eindgebruikers meer dan één onlinechatdienst gebruikt, kon de Commissie oordelen dat dit onvoldoende was onderbouwd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA kennelijk in twijfel te trekken, aangezien het vermelde cijfer enkel betrekking had op gebruikers in Duitsland in 2021 en dus niet volstond om de situatie in de gehele Unie te beoordelen.
128 Wat voorts de relevantie betreft van de mate waarin e-maildiensten zoals Microsoft Outlook en Gmail worden gebruikt, waarnaar verzoekster verwijst, volstaan haar argumenten dienaangaande niet om de verschillen tussen deze diensten en Messenger ter discussie te stellen. In het bijzonder staat de NI-ICS van verzoekster zakelijke gebruikers noch eindgebruikers toe vrij te communiceren met gebruikers van andere diensten, in tegenstelling tot e-mail, waarmee berichten van andere aanbieders van die dienst kunnen worden verzonden en ontvangen.
129 In de derde plaats stelt verzoekster dat Messenger een dienst is die op grote schaal wordt gebruikt voor communicatie tussen consumenten (consumer-to-consumer; hierna: „C2C”), wat afdoet aan het vermoeden dat deze dienst een belangrijke toegangspoort vormt.
130 In dit verband blijkt uit overweging 15 DMA dat het feit dat een onderneming die KPD’s aanbiedt niet alleen kan interveniëren tussen zakelijke gebruikers en eindgebruikers, maar ook tussen eindgebruikers onderling, bijvoorbeeld in het geval van NI-ICS, niet uitsluit dat een dergelijke onderneming een belangrijke toegangspoort is of kan zijn.
131 Het enkele feit dat een KPD naast haar B2C-kenmerken ook C2C-kenmerken heeft, zoals in casu, betekent bijgevolg niet dat die dienst niet als belangrijke toegangspoort kan worden gekwalificeerd.
132 In de vierde plaats voert verzoekster aan dat de B2C-gesprekken op Messenger alleen door eindgebruikers kunnen worden geïnitieerd, zodat zakelijke gebruikers Messenger niet als belangrijke toegangspoort kunnen benutten om die eindgebruikers te bereiken.
133 Verzoekster beroept zich in dit verband op bijlage A.28 bij het verzoekschrift voor haar argument dat eindgebruikers toestemming moeten geven om berichten van zakelijke gebruikers te ontvangen. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft bevestigd, is deze bijlage echter voor het eerst in het verzoekschrift overgelegd en is zij niet aan de Commissie verstrekt tijdens de administratieve procedure. De betrokken onderneming kan echter niet voor het eerst voor het Gerecht argumenten of bewijzen krachtens artikel 3, lid 5, DMA aanvoeren die zij niet tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen (arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 234). Bijlage A.28 bij het verzoekschrift is dus niet-ontvankelijk.
134 Hoe dan ook betekent de mogelijkheid van een „toegangspoort tot eindgebruikers” in artikel 3, lid 1, onder b), DMA niet dat de zakelijke gebruikers de contacten met die eindgebruikers per se moeten kunnen initiëren. Noch artikel 3 DMA, noch de definitie van actieve zakelijke gebruikers in deel E van de bijlage bij de DMA, namelijk ondernemingen „die ten minste eenmaal gedurende het jaar via de [NI-ICS] een zakelijk account hebben gebruikt of anderszins op enigerlei wijze een communicatie hebben geïnitieerd of daaraan hebben deelgenomen teneinde rechtstreeks met een eindgebruiker te communiceren” vereist dat dit mogelijk is.
135 Dit geldt in casu des te meer daar Messenger, zoals de Commissie in overweging 222 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, de mogelijkheid biedt om in reactie op reclame een gesprek aan te gaan via de functie „bericht met een klik”, waarmee „een gesprek via Messenger kan worden begonnen”, aangezien die mogelijkheid eindgebruikers ertoe kan aanzetten om contact op te nemen met zakelijke gebruikers.
136 In de vijfde plaats betoogt verzoekster dat het ontwerpverslag van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (Berec) van 11 maart 2021 over ex-anteregulering van digitale poortwachters, de aanbeveling bevatte dat NI-ICS’s nog niet worden beschouwd als KPD’s die door poortwachters worden aangeboden.
137 Dit document behandelt echter niet het specifieke geval van Meta en de betrokken diensten, zodat het de individuele beoordeling van Meta en die diensten in het bestreden besluit niet ter discussie stelt. Hoe dan ook bevat de definitieve versie van dat verslag geen voorbehoud meer met betrekking tot de kwalificatie van NI-ICS’s als belangrijke toegangspoort.
138 In de zesde plaats betwist verzoekster bepaalde aanvullende argumenten van de Commissie in de overwegingen 222 en 227 van het bestreden besluit, die in de kern betrekking hebben op de relevantie van de aanvullende verbindingsfuncties die ter beschikking van de zakelijke gebruikers worden gesteld om via Messenger met de eindgebruikers te communiceren.
139 In dit verband zij opgemerkt dat, blijkens overweging 222 van het bestreden besluit, de omstandigheid dat een onderneming dergelijke aanvullende softwarefuncties levert door de Commissie niet als zodanig als doorslaggevend is beschouwd, maar slechts een argument vormde ter onderbouwing van de afwijzing, in de overwegingen 220 tot en met 223 van het bestreden besluit, van verzoeksters argumenten en bewijzen om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen.
140 Bovendien betwist verzoekster niet dat zij bovengenoemde softwarefuncties aan zakelijke gebruikers aanbiedt. Ten eerste stelt zij enkel dat die ondernemingen geen communicatie via Messenger kunnen initiëren. Dit argument is reeds verworpen in de bovenstaande punten 133 tot en met 135. Ten tweede voert zij aan dat dergelijke softwarefuncties gewoonlijk door andere socialenetwerkdiensten worden aangeboden voor hun onlinechatfuncties. Verzoekster preciseert echter niet hoe het enkele feit dat andere ondernemingen soortgelijke softwarefuncties aanbieden het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA kan weerleggen.
141 In de zevende plaats leidt de benadering van de Commissie volgens verzoekster tot een ongelijke behandeling van Messenger ten opzichte van andere ondernemingen en hun diensten die eveneens aan de procedures van de DMA zijn onderworpen, te weten de internetbrowser van Samsung en de dienst iMessage van Apple, aangezien de Commissie voor die diensten argumenten heeft aanvaard die vergelijkbaar zijn met die van verzoekster. Wat betreft de diensten Gmail van Alphabet en Outlook van Microsoft is de benadering van de Commissie incoherent, aangezien zij van mening was dat voor deze diensten argumenten waren aangevoerd die voldoende waren onderbouwd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen, terwijl deze diensten miljoenen zakelijke gebruikers en eindgebruikers hadden.
142 Evenwel legt verzoekster, ten eerste, niet uit in welk opzicht haar situatie met betrekking tot Messenger vergelijkbaar is met die van ondernemingen die een ander soort KPD exploiteren, zoals Samsung met betrekking tot haar internetbrowser.
143 Ten tweede heeft verzoekster wat betreft de diensten iMessage van Apple, Gmail van Alphabet en Outlook van Microsoft niet aangetoond dat, afgezien van het feit dat het om hetzelfde soort KPD ging, hun situatie vergelijkbaar was met die van Messenger. Bovendien is verzoeksters vergelijking met de diensten Gmail van Alphabet en Outlook van Microsoft enkel gebaseerd op de omstandigheid dat deze diensten een bepaald aantal zakelijke gebruikers en eindgebruikers hebben, zonder dat rekening is gehouden met de gehele context van deze diensten.
144 Gelet op het voorgaande moeten verzoeksters argumenten ter weerlegging van het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA worden verworpen.
145 De eerste grief van het derde onderdeel van het eerste middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.
– Tweede grief: vereiste dat Messenger „afzonderlijk” een belangrijke toegangspoort vormt
146 Verzoekster betoogt dat de term „afzonderlijk” in artikel 3, lid 9, DMA betekent dat elke KPD op zichzelf en afzonderlijk moet worden beoordeeld, ook wat betreft de berekening van het aantal eindgebruikers om de drempels van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te beoordelen. Zij betoogt in essentie dat de Commissie in haar methode om de eindgebruikers van Messenger te berekenen alleen rekening mocht houden met de eindgebruikers die deze dienst anders gebruikten dan als onlinechatfunctie van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook. De andere door de Commissie in het bestreden besluit gehanteerde benadering kwam erop neer dat gebruikers van een andere KPD werden meegeteld, zodat de gebruikers dubbel werden geteld.
147 Bovendien kon de Commissie voor het aantal actieve zakelijke gebruikers niet afgaan op de gegevens over één week in 2020.
148 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, betwist verzoeksters argumenten.
149 Zoals opgemerkt in punt 113 hierboven wordt een onderneming volgens artikel 3, lid 2, onder b), DMA, geacht te voldoen aan de voorwaarde van het aanbieden van een KPD die een belangrijke toegangspoort vormt indien de betreffende KPD in het laatste boekjaar ten minste 45 miljoen maandelijks actieve eindgebruikers had die in de Unie waren gevestigd of zich aldaar bevonden en ten minste 10000 jaarlijks actieve, in de Unie gevestigde zakelijke gebruikers heeft.
150 Artikel 3, lid 9, DMA bepaalt dat „[de Commissie] [v]oor elke op grond van lid 4 of lid 8 als poortwachter aangewezen onderneming […] in het aanwijzingsbesluit een lijst [opneemt] met de betrokken [KPD’s] die binnen die onderneming worden aangeboden en die afzonderlijk voor zakelijke gebruikers een belangrijke toegangspoort tot eindgebruikers vormen, als bedoeld in lid 1, [onder] b)”.
151 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de term „afzonderlijk” in artikel 3, lid 9, DMA niet impliceert dat de Commissie bij de methode voor de berekening van de eindgebruikers van Messenger alleen rekening mocht houden met de eindgebruikers die deze dienst anders gebruikten dan als onlinechatfunctie van de onlinesocialenetwerkdienst Facebook.
152 Artikel 2, punt 20, DMA bepaalt namelijk dat onder „eindgebruiker” wordt verstaan „elke natuurlijke of rechtspersoon die gebruikmaakt van [KPD’s] anders dan als zakelijke gebruiker”. Volgens punt 21 van dit artikel is een zakelijke gebruiker „een natuurlijke of rechtspersoon die in commerciële of beroepsmatige hoedanigheid gebruikmaakt van [KPD’s] ten behoeve van of in het kader van het aanbieden van goederen of diensten aan eindgebruikers”.
153 Overweging 20 DMA luidt: „[…] Actieve eindgebruikers en zakelijke gebruikers moeten zodanig worden geïdentificeerd en hun aantal moet zodanig worden berekend dat aan de hand daarvan de rol en het bereik van de betrokken specifieke [KPD] adequaat kunnen worden weergegeven. Om poortwachters rechtszekerheid te bieden, moeten de elementen ter bepaling van het aantal actieve eindgebruikers en zakelijke gebruikers per [KPD] worden opgenomen in een bijlage bij deze verordening. […]”
154 Wat betreft de actieve eindgebruikers van een NI-ICS vermeldt de tabel in deel E („Specifieke definities”) van de bijlage bij de DMA dat deze gebruikers „ten minste eenmaal gedurende de maand via de [NI-ICS] een communicatie hebben geïnitieerd of op enigerlei wijze daaraan hebben deelgenomen”.
155 Volgens de definitie van „eindgebruiker” van een NI-ICS in de bijlage bij de DMA volstaat het dus om één keer gedurende de maand gebruik te maken van Messenger – namelijk door het initiëren van of deelnemen aan een communicatie door middel van Messenger – ongeacht het gebruik van enige andere dienst of KPD, om voor de toepassing van artikel 3, lid 2, onder b), DMA als actieve eindgebruiker te worden beschouwd. Indien, zoals verzoekster voorstelt, slechts rekening wordt gehouden met een deel van die gebruikers, met name die met een gedeactiveerd Facebook-account of die welke „uitsluitend Messenger” hebben gebruikt, zou het niet mogelijk zijn om „de rol en het bereik” van Messenger adequaat weer te geven, zoals overweging 20 DMA aanbeveelt.
156 In de tweede plaats volgt uit overweging 197 van het bestreden besluit dat de Commissie rekening heeft gehouden met het maandelijkse aantal actieve eindgebruikers van Messenger. De Commissie heeft dus rekening gehouden met de gebruikers die gebruik hebben gemaakt van Messenger. De omstandigheid of zij daarnaast al dan niet gebruik hebben gemaakt van een andere dienst, met name de onlinesocialenetwerkdienst Facebook, is daarbij niet van invloed geweest.
157 In dit verband wordt in overweging 64 DMA, zoals in punt 98 hierboven is aangegeven, uitdrukkelijk verwezen naar het feit dat poortwachters NI-ICS vaak aanbieden als onderdeel van een platformecosysteem. Een KPD van het type NI-ICS kan dus geïntegreerd met een KPD van het type onlinesocialenetwerkdienst worden aangeboden. In die configuratie gebruikt een deel van de eindgebruikers beide KPD’s. Niettegenstaande deze configuratie verplicht deel D, punt 2, onder c), i), van de bijlage bij de DMA dat de onderneming die een of meer KPD’s aanbiedt, de diensten die zij op geïntegreerde wijze verleent maar die niet behoren tot dezelfde categorie KPD’s zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, DMA, als verschillend moet aanmerken (zie punt 79 hierboven). Verder bepaalt deel A, punt 3, van de bijlage bij de DMA dat „dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon tegelijkertijd een actieve eindgebruiker of een actieve zakelijke gebruiker kan zijn voor verschillende [KPD’s]”. De Commissie heeft deze bepalingen dus correct toegepast door het aantal actieve eindgebruikers van Messenger te berekenen zonder in aanmerking te nemen of zij ook gebruikmaakten van de KPD Facebook.
158 Wat in de derde plaats verzoeksters argument betreft dat de Commissie zich voor de berekening van het aantal actieve zakelijke gebruikers van Messenger niet had mogen beperken tot het aantal zakelijke gebruikers van die dienst in één week van 2020, moet worden opgemerkt dat het aan de betrokken onderneming staat om het aantal actieve eindgebruikers en actieve zakelijke gebruikers vast te stellen en te berekenen, zoals blijkt uit deel A, punt 1, van de bijlage bij de DMA. Zoals nader bepaald in de punten 4.1 en 4.2 van bijlage I bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/814 van de Commissie van 14 april 2023, betreffende gedetailleerde regelingen voor bepaalde procedures van de Commissie op grond van [de DMA] (PB 2023, L 102, blz. 6), moesten deze gegevens in de kennisgeving worden opgenomen. Verder staat het dus weliswaar in de eerste plaats aan de betrokken onderneming om tot de best mogelijke raming van het aantal zakelijke gebruikers en eindgebruikers te komen, maar niets belet de Commissie om van de onderneming die KPD’s aanbiedt te verlangen dat zij alle informatie verstrekt die nodig is om actieve zakelijke gebruikers of actieve eindgebruikers te identificeren en hun aantal te berekenen.
159 In casu heeft verzoekster zelf met haar kennisgeving de betrokken gegevens over september 2020 verstrekt, die op verzoek van de Commissie zijn geëxtrapoleerd naar de jaren 2020 tot en met 2022. Bovendien heeft de Commissie in overweging 199 van het bestreden besluit opgemerkt dat verzoekster geen andere schatting of andere gegevens had overgelegd waarop een dergelijke raming kon worden gebaseerd.
160 In het licht van het voorgaande heeft de Commissie in overweging 202 van het bestreden besluit terecht geoordeeld dat de berekening van het aantal actieve zakelijke gebruikers van Messenger was gebaseerd op de best mogelijke raming, en heeft zij op basis daarvan kunnen vaststellen dat de drempel van artikel 3, lid 2, onder b), DMA voor zakelijke gebruikers was bereikt.
161 In de vierde plaats moet verzoeksters argument inzake een vermeende technologische afschrikking worden afgewezen. Verzoekster betoogt dat de door de Commissie gehanteerde methode om het aantal actieve eindgebruikers van Messenger te berekenen, de ontwikkeling van aanvullende autonome functionaliteiten van een dienst ontmoedigt, aangezien deze kunnen worden aangemerkt als afzonderlijke KPD’s die aan de verplichtingen van de DMA zijn onderworpen. Verzoekster onderbouwt echter onvoldoende waarom die afschrikking – gesteld dat deze bestaat – in aanmerking moet worden genomen bij het aanwijzen van een onderneming als poortwachter in de zin van de DMA. Het is juist dat de DMA, zoals met name blijkt uit overweging 107 ervan, beoogt te zorgen voor een betwistbare en eerlijke digitale sector in het algemeen en betwistbare en eerlijke KPD’s in het bijzonder, met het oog op de bevordering van onder andere innovatie. Toch is volgens artikel 3 DMA, inzake de aanwijzing van poortwachters, technologische innovatie niet een van de criteria die voor die aanwijzing in aanmerking worden genomen.
162 Derhalve moet de tweede grief van het derde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
– Derde grief: de Commissie heeft ten onrechte geen marktonderzoek ingeleid
163 Verzoekster betoogt dat de Commissie zonder marktonderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 1 of lid 3, DMA niet tot de slotsom kon komen dat Messenger een belangrijke toegangspoort was. Aangezien zij voldoende onderbouwde argumenten had aangevoerd die aantoonden dat Messenger niet afzonderlijk een belangrijke toegangspoort vormde, verplichtten de DMA en het beginsel van behoorlijk bestuur de Commissie om alle relevante elementen grondiger te onderzoeken. Bovendien heeft de Commissie het recht onjuist toegepast en een beoordelingsfout gemaakt door te suggereren dat artikel 17, lid 1, DMA uitsluitend wanneer een KPD niet voldoet aan de kwantitatieve drempels van artikel 3, lid 2, DMA de inleiding van een marktonderzoek beoogt.
164 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, betwist verzoeksters argumenten.
165 Volgens artikel 17, lid 1, DMA kan de Commissie „een marktonderzoek uitvoeren om na te gaan of een onderneming die [KPD’s] aanbiedt, moet worden aangewezen als poortwachter op grond van artikel 3, lid 8, of om de [KPD’s] te identificeren die in het aanwijzingsbesluit moeten worden vermeld op grond van artikel 3, lid 9” en „streeft [zij] ernaar haar marktonderzoek af te ronden binnen twaalf maanden na de [datum van inleiding daarvan]”.
166 Artikel 17, lid 3, DMA bepaalt: „[i]ndien de onderneming die [KPD’s] aanbiedt, voldoet aan de in artikel 3, lid 2, vastgelegde drempels, maar overeenkomstig artikel 3, lid 5, voldoende onderbouwde argumenten heeft aangevoerd die het vermoeden van artikel 3, lid 2, kennelijk in twijfel hebben getrokken, tracht de Commissie het marktonderzoek binnen vijf maanden na de [datum van inleiding daarvan] af te ronden […]”.
167 Uit de bewoordingen van de respectievelijk in de punten 165 en 166 hierboven genoemde bepalingen volgt dat deze betrekking hebben op verschillende situaties.
168 In het in artikel 17, lid 1, DMA bedoelde geval moet worden nagegaan of een onderneming moet worden aangewezen als poortwachter overeenkomstig artikel 3, lid 8, DMA of moeten de KPD’s worden geïdentificeerd die in het aanwijzingsbesluit moeten worden opgenomen op grond van artikel 3, lid 9, DMA, ondanks het feit dat die onderneming of die KPD’s de drempels van artikel 3, lid 2, DMA niet halen. De verwijzing naar artikel 3, lid 9, DMA in artikel 17, lid 1, van die verordening heeft dus betrekking op situaties waarin sommige KPD’s van een onderneming die drempels wel bereiken, terwijl dat voor andere KPD’s niet geldt. In die gevallen kan de Commissie op basis van artikel 17, lid 1, DMA een marktonderzoek inleiden om te beoordelen of deze diensten voldoen aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA.
169 Het in artikel 17, lid 3, DMA bedoelde geval geldt echter voor ondernemingen die KPD’s aanbieden die de drempels van artikel 3, lid 2, DMA hebben gehaald. In dat geval moet worden nagegaan of de onderneming voldoende onderbouwde argumenten overeenkomstig artikel 3, lid 5, DMA heeft aangevoerd, te weten argumenten om aan te tonen dat de onderneming door de omstandigheden waarin de KPD actief is bij wijze van uitzondering niet voldoet aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA, ondanks het feit dat zij aan alle drempels van de betrokken bepaling voldoet.
170 Bijgevolg vallen ondernemingen die KPD’s aanbieden die de drempels van artikel 3, lid 2, DMA bereiken, zoals in het geval van verzoekster met betrekking tot Messenger, niet binnen de werkingssfeer van artikel 17, lid 1, DMA.
171 Wat betreft het argument dat de Commissie op grond van artikel 17, lid 3, DMA een marktonderzoek had moeten inleiden, moet worden vastgesteld dat de Commissie, zoals blijkt uit het onderzoek van de eerste en de tweede grief van het derde onderdeel van het eerste middel, terecht heeft geoordeeld dat verzoekster geen voldoende onderbouwde argumenten had aangevoerd om aan te tonen dat zij door de omstandigheden waarin Messenger actief is bij wijze van uitzondering niet voldeed aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA, ondanks het feit dat zij aan alle drempels van artikel 3, lid 2, DMA had voldaan. Bijgevolg waren de voorwaarden van artikel 17, lid 3, DMA voor de inleiding van een marktonderzoek hoe dan ook niet vervuld, zodat verzoeksters argument moet worden afgewezen.
172 Wat betreft de vermeende ontoereikende motivering van het bestreden besluit wegens het ontbreken van een toelichting waarom de Commissie geen marktonderzoek heeft ingeleid, moet met betrekking tot de toepassing van artikel 17, lid 1, DMA worden opgemerkt dat de Commissie in de overwegingen 215 tot en met 218 van het bestreden besluit heeft uitgelegd waarom zij niet verplicht was om een marktonderzoek uit te voeren op basis van die bepaling, die, zoals is bevestigd in punt 170 hierboven, geen betrekking had op de situatie van Messenger. Wat betreft de motivering, in de overwegingen 215 tot en met 232 van het bestreden besluit, van de beslissing van de Commissie om geen marktonderzoek ingevolge artikel 17, lid 3, DMA uit te voeren, heeft de Commissie, zoals in de punten 115 tot en met 144 hierboven is opgemerkt, verzoeksters argumenten getoetst aan artikel 3, lid 5, DMA en is zij tot de slotsom gekomen dat die argumenten onvoldoende waren onderbouwd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA kennelijk in twijfel te trekken en dat deze dus konden worden afgewezen zonder een marktonderzoek krachtens artikel 17, lid 3, DMA in te leiden. Aangezien deze toelichting overeenkomstig de in punt 53 aangehaalde rechtspraak duidelijk en ondubbelzinnig is, moet verzoeksters betoog worden afgewezen.
173 Daarenboven faalt verzoeksters betoog dat zij ongelijk is behandeld ten opzichte van de wijze waarop de diensten Bing, Edge en Microsoft Advertising van Microsoft alsook iMessage van Apple zijn behandeld in de besluiten om jegens hen een marktonderzoek ingevolge artikel 17, lid 3, DMA in te leiden.
174 Zoals in de punten 64 en 65 hierboven is opgemerkt, moet de Commissie de omstandigheden van elk geval immers afzonderlijk analyseren, zonder dat zij gebonden is aan eerdere besluiten betreffende andere marktdeelnemers of andere KPD’s, en is het algemene beginsel van gelijke behandeling van toepassing op vergelijkbare situaties.
175 In casu blijkt om te beginnen uit de bewoordingen van artikel 3, lid 5, DMA dat de Commissie in de omstandigheden van artikel 17, lid 3, DMA een marktonderzoek „kan” inleiden, wat betekent dat zij dienaangaande over een beoordelingsruimte beschikt.
176 Wat vervolgens de diensten Bing, Edge en Microsoft Advertising betreft, die overigens niet tot dezelfde categorie KPD’s behoren als Messenger, heeft verzoekster niet uitgelegd waarom de situatie van deze diensten vergelijkbaar is met die van Messenger.
177 Ten slotte moet over de dienst iMessage worden opgemerkt dat de Commissie heeft besloten om met betrekking tot die dienst een marktonderzoek in te leiden nadat zij tot de conclusie was gekomen dat Apple voldoende onderbouwde argumenten had aangevoerd, waarmee de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA kennelijk ter discussie werden gesteld. Zoals in de punten 115 tot en met 144 hierboven is opgemerkt, heeft verzoekster echter geen dergelijke argumenten aangevoerd.
178 Derhalve moet de derde grief en daarmee het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Vierde middel: schending van de rechten van de verdediging
179 Verzoekster betoogt dat de Commissie haar rechten van verdediging heeft geschonden door nieuwe bewijzen aan te voeren waarop zij zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd, zonder verzoekster de mogelijkheid te hebben geboden om daarover in het kader van de administratieve procedure opmerkingen te maken.
180 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, betwist verzoeksters argumenten.
181 Niettegenstaande het feit dat de op grond van artikel 3, lid 5, tweede alinea, DMA vastgestelde besluiten, zoals het bestreden besluit, niet worden genoemd in lid 1 van artikel 34 DMA („Recht om te worden gehoord en toegang tot het dossier”), is het aan de Unierechter om alle rechten van verdediging van de poortwachters te waarborgen, met inbegrip van hun recht om te worden gehoord (zie in die zin arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punten 340‑343).
182 Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en alvorens een besluit wordt vastgesteld dat zijn belangen ongunstig kan beïnvloeden (zie arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 344 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
183 De Commissie kan dus niet stellen dat zij, door in het voorlopige standpunt „de belangrijkste punten waarop mogelijk een verschil van mening bestaat over bepaalde belangrijke kwesties in de kennisgeving” op te nemen, net als „de voornaamste argumenten op basis waarvan [haar] voorlopige bevindingen […] verschilden van die welke [verzoekster] in haar kennisgeving heeft aangevoerd”, verder is gegaan dan het niveau van bescherming van het recht om te worden gehoord waarin de DMA voorziet. Aangezien het recht om te worden gehoord geldt voor alle gegevens feitelijk en rechtens waarop de beslissing is gebaseerd, was de Commissie namelijk verplicht om verzoekster op die punten te horen.
184 Het recht om te worden gehoord geldt voor alle gegevens feitelijk en rechtens waarop de beslissing is gebaseerd, maar niet voor het definitieve standpunt dat de administratie voornemens is in te nemen (zie arrest van 17 juli 2024, Bytedance/Commissie, T‑1077/23, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:478, punt 349 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
185 In casu blijkt uit het dossier dat verzoekster vóór de vaststelling van het bestreden besluit meermaals is gehoord. Om te beginnen zijn verzoekster en de Commissie vóór de kennisgeving minstens zesmaal bijeengekomen, op 26 oktober, 8 en 15 december 2022 en op 9 januari, 16 mei en 6 juni 2023. Verder blijkt uit het dossier dat in de periode voorafgaand aan die kennisgeving minstens zeven verzoeken om inlichtingen aan verzoekster zijn gericht. Na de indiening van de kennisgeving op 3 juli 2023 heeft de Commissie op 26 juli 2023 het voorlopige standpunt meegedeeld en verzoekster in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken, hetgeen zij heeft gedaan bij twee brieven van 3 en 13 augustus 2023.
186 Verzoekster betoogt evenwel dat zij, ondanks de in punt 185 hierboven vermelde communicatie, niet de gelegenheid heeft gehad om haar opmerkingen in te dienen over de argumenten en bewijzen in de voetnoten 144 tot en met 148, 151, 154, 158 en 193 tot en met 195 van het bestreden besluit, waarop de overwegingen 177, 179, 180, 221 en 222 van dat besluit zijn gebaseerd.
187 In de eerste plaats heeft de Commissie in de voetnoten 144 tot en met 148 en 151 bij overweging 177 van het bestreden besluit verwezen naar argumenten en bewijzen ter ondersteuning van haar standpunt dat Messenger zich had ontwikkeld tot een NI-ICS dat losstaat van de KPD Facebook. In die voetnoten heeft de Commissie aangegeven dat er afzonderlijke Messenger-applicaties waren ontwikkeld voor mobiele apparaten die gebruikmaken van de besturingssystemen iOS en Android (voetnoot 144), voor Windows en iMac (voetnoot 145), voor iPads (voetnoot 146), alsook voor de augmented-realityapparaten van verzoekster (voetnoot 147), en dat er een website van verzoekster bestond die gewijd was aan Messenger (voetnoot 148). Bovendien heeft de Commissie in voetnoot 151 een publieke verklaring van verzoeksters bestuursvoorzitter aangehaald, waarin hij Messenger als voorbeeld heeft genomen ter illustratie van zijn argument dat bepaalde functionaliteiten van Facebook zich hadden ontwikkeld en „afzonderlijke ervaringen” waren geworden.
188 Overweging 177 van het bestreden besluit past in de beoordeling van de Commissie dat Messenger een KPD van het type NI-ICS is, en niet louter de onlinechatfunctie van de KPD Facebook. Meer bepaald heeft de Commissie zich in die overweging op het standpunt gesteld dat Messenger zich had ontwikkeld tot een NI-ICS dat losstaat van de KPD Facebook.
189 De kwestie van de ontwikkeling van Messenger tot een afzonderlijke KPD van het type NI-ICS is tijdens de administratieve procedure besproken. In het bijzonder waren de argumenten in overweging 177 van het bestreden besluit opgenomen in punt 39, onder d), van het voorlopige standpunt. Verzoekster heeft met name in punt 3.9, onder a), ii), van haar brief van 3 augustus 2023 op deze argumenten geantwoord. Zo heeft verzoekster de gelegenheid gehad om opmerkingen te maken over het standpunt van de Commissie, dat met name wordt gestaafd door de gegevens in de voetnoten 144 tot en met 148 en 151, volgens welke Messenger zich in feite tot een afzonderlijke KPD had ontwikkeld.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 15 juli 2025, C-777/22, ECLI:EU:C:2025:580
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-541/22, ECLI:EU:C:2024:820
- Gerecht EU 17 juli 2024, T-1077/23, ECLI:EU:T:2024:478
- HvJ EU 10 november 2022, C-211/20, ECLI:EU:C:2022:862
- HvJ EU 16 juni 2022, C-698/19, ECLI:EU:C:2022:480
- Gerecht EU 27 april 2022, T-4/20, ECLI:EU:T:2022:242
- HvJ EU 14 mei 2020, C-446/18, ECLI:EU:C:2020:369
- HvJ EU 19 juni 2018, C-15/16, ECLI:EU:C:2018:464
- HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11, ECLI:EU:C:2013:522
- Gerecht EU 9 september 2011, T-475/07, ECLI:EU:T:2011:445
- HvJ EU 24 november 2010, C-40/10, ECLI:EU:C:2010:713