Gerecht EU 9 september 2011, T-475/07, ECLI:EU:T:2011:445

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑475/07

Dow AgroSciences Ltd e.a.

tegen

Europese Commissie

„Gewasbeschermingsmiddelen – Werkzame stof trifluralin – Niet-opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG – Beroep tot nietigverklaring – Evaluatieprocedure – Nieuwe studie en aanvullende studie – Termijnen – Begrippen ‚risico’ en ‚gevaar’ – Kennelijke beoordelingsfout – Ontwerp‑evaluatieverslag – Ontwerp-richtlijn of -beschikking – Termijnen – Gevolgen van mogelijke niet-inachtneming – Gewettigd vertrouwen – Evenredigheidsbeginsel – Besluit 1999/468/EG (‚comitologiebesluit’) – Verordening (EG) nr. 850/2004 – Artikel 3, lid 3 – Exceptie van onwettigheid”

Samenvatting van het arrest

1. Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Beroep tegen ingetrokken handeling

(Art. 231 EG en 233 EG)

2. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414 – Procedure voor opneming van werkzame stoffen van die middelen in bijlage I bij deze richtlijn – Beoordelingsvrijheid van Commissie

(Verordening nr. 451/2000 van de Commissie, art. 8; richtlijn 91/414 van de Raad, art. 8, lid 2)

3. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414 – Procedure voor opneming van werkzame stoffen van die middelen in bijlage I bij deze richtlijn – Blijvende wetenschappelijke onzekerheid over onschadelijkheid van stof

(Verordening nr. 451/2000 van de Commissie, art. 6, leden 1, 2 en 3, en 8, lid 5)

4. Bescherming van volksgezondheid – Risicobeoordeling – Toepassing van voorzorgsbeginsel – Draagwijdte – Begrippen risico en gevaar

(Art. 3 EG, 6 EG, 152, lid 1, EG, 153, leden 1 en 2, EG en 174, leden 1 en 2, EG)

5. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414 – Procedure voor opneming van werkzame stoffen van die middelen in bijlage I bij deze richtlijn

(Verordening nr. 451/2000 van de Commissie, art. 8, leden 8 en 9)

6. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414 – Procedure voor opneming van werkzame stoffen van die middelen in bijlage I bij deze richtlijn – Wijze van uitoefening van aan Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden

(Besluit 1999/468 van de Raad, art. 5, lid 4)

7. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Ontbrekende of ontoereikende motivering – Beoordelingsfout – Onderscheid

(Art. 230 EG en 253 EG)

1. Een verzoeker kan belang blijven houden bij de nietigverklaring van een ingetrokken handeling, aangezien de intrekking niet dezelfde juridische gevolgen sorteert als een eventuele nietigverklaring door het Gerecht. De intrekking van een handeling van een instelling houdt immers niet een erkenning van de onwettigheid ervan in en werkt ex nunc, terwijl een eventuele nietigverklaring ex tunc werkt.

Voorts moet, wanneer een handeling nietig wordt verklaard, de instelling welke de handeling heeft verricht, de maatregelen nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest. Deze maatregelen dienen in het bijzonder de gevolgen van de onwettigheden die in het arrest houdende nietigverklaring zijn vastgesteld, weg te nemen. De betrokken instelling kan aldus worden genoopt de situatie van de verzoeker op passende wijze te herstellen of te vermijden dat een identieke handeling wordt vastgesteld.

(cf. punten 68‑69)

2. Uit de vijfde, de zesde en de negende overweging van haar considerans blijkt dat richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen tot doel heeft belemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer van deze middelen weg te nemen, maar tegelijkertijd een hoge mate van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te handhaven. In dit kader moet de Commissie een ruime discretionaire bevoegdheid worden toegekend opdat zij de haar opgedragen doelstelling efficiënt kan nastreven, alsmede vanwege de ingewikkelde technische evaluaties die zij moet maken.

In het kader van artikel 8 van verordening nr. 451/2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 is de Commissie niet gebonden aan het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EAVV). De Commissie stelt weliswaar haar beschikking inzake opneming of niet-opneming van de betrokken stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 vast na kennis te hebben genomen van het advies van de EAVV, maar niets in verordening nr. 451/2000 wijst erop dat de Commissie gehouden zou zijn om het advies van de EAVV op te volgen en bijgevolg geen eigen discretionaire bevoegdheid zou hebben. Tevens blijkt duidelijk uit het regelgevingskader dat het standpunt dat de lidstaat-rapporteur tijdens de evaluatieprocedure inneemt, niet doorslaggevend is.

(cf. punten 86‑87, 95)

3. Volgens artikel 8, lid 5, van verordening nr. 451/2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen wordt, onverminderd artikel 7 van die richtlijn, niet met de indiening van nieuwe dossiers ingestemd. De als rapporteur optredende lidstaat kan evenwel, met de instemming van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EAVV), de kennisgevers verzoeken om binnen een bepaalde termijn nadere gegevens te verstrekken die door de als rapporteur optredende lidstaat of door de EAVV noodzakelijk worden geacht ter verduidelijking van het dossier.

Bijgevolg kan de verstrekking van aanvullende gegevens enkel dienen tot verheldering van bestaande elementen in het volledige dossier dat door de kennisgevers moet zijn overgelegd.

Een aanvullende studie mag alleen worden ingediend, wanneer deze bij de indiening van het volledige dossier nog in uitvoering was, de indiening ervan is aangekondigd bij de indiening van het volledige dossier en de indiening ervan binnen één jaar na de indiening van het volledige dossier plaatsvindt.

(cf. punten 110‑111, 113)

4. Ingevolge artikel 152, lid 1, EG wordt bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd. Het voorzorgsbeginsel is een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat de bevoegde autoriteiten verplicht om in het kader van de door de toepasselijke regelgeving aan hen verleende bevoegdheden passende maatregelen te nemen om een aantal potentiële gevaren voor de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu te voorkomen, waarbij aan de vereisten in verband met de bescherming van deze belangen voorrang moet worden verleend boven economische belangen.

Voor de betrokken instelling van de Gemeenschap die wordt geconfronteerd met de mogelijk negatieve gevolgen van een verschijnsel houdt de risico-evaluatie in dat op basis van een wetenschappelijke risicobeoordeling moet worden bepaald of deze risico’s een voor de samenleving nog aanvaardbaar geacht niveau overschrijden. Dit betekent dat de communautaire instellingen pas de risico’s kunnen beoordelen, wanneer zij, in de eerste plaats, over een wetenschappelijke risicobeoordeling beschikken en, in de tweede plaats, het voor de samenleving onaanvaardbaar geacht niveau hebben bepaald.

De wetenschappelijke beoordeling van risico’s is een proces dat, naar algemeen aanvaarde opvatting, zo veel mogelijk bestaat uit het identificeren en karakteriseren van een gevaar, het beoordelen van de blootstelling daaraan en het karakteriseren van het risico.

In een dergelijke context stemt het begrip „risico” dus overeen met de mate van waarschijnlijkheid van negatieve gevolgen voor het door de rechtsorde beschermde goed ten gevolge van het gebruik van een product of procedé. Het begrip „gevaar” wordt in deze context gewoonlijk in een ruimere betekenis gebruikt en beschrijft elk product of procedé dat een negatief gevolg kan hebben voor de gezondheid van de mens.

De bepaling van het onaanvaardbaar geacht risiconiveau is, met inachtneming van de toepasselijke normen, de taak van de communautaire instellingen die belast zijn met de beleidsmatige keuze van het beschermingsniveau dat zij voor de samenleving geschikt achten. Het staat aan hen om vast te stellen welk niveau van risico’s – dat wil zeggen de kritische drempel voor mogelijke negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en de ernst van die potentiële gevolgen – hun voor de samenleving niet meer aanvaardbaar lijkt en bij overschrijding waarvan, in het belang van de bescherming van de volksgezondheid en ondanks blijvende wetenschappelijke onzekerheid, preventieve maatregelen vereist zijn.

Bij de bepaling van dit risiconiveau moeten de instellingen van de Gemeenschap zich houden aan de in artikel 152, lid 1, eerste alinea, EG opgenomen verplichting om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te verzekeren. Om verenigbaar te zijn met die bepaling behoeft een dergelijk beschermingsniveau niet noodzakelijkerwijs het hoogste niveau te zijn dat technisch mogelijk is.

(cf. punten 143‑149)

5. Bij gebreke van een bepaling waarin expliciet of impliciet wordt vastgesteld welke gevolgen de overschrijding van een proceduretermijn zoals de in artikel 8 van verordening nr. 451/2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 gestelde termijn heeft, kan deze overschrijding enkel leiden tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de handeling waarvoor het besluitvormingsproces in deze termijn voorziet, indien vaststaat dat deze handeling bij ontbreken van die onregelmatigheid mogelijkerwijs een andere inhoud had kunnen hebben.

(cf. punt 203)

6. Uit artikel 5, lid 4, van besluit 1999/468 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden volgt dat wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het bevoegde comité of wanneer geen advies is uitgebracht, de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel betreffende de te nemen maatregelen indient en het Europees Parlement op de hoogte brengt. Door de uitdrukking „onverwijld” te gebruiken, draagt de gemeenschapswetgever de Commissie weliswaar op met spoed te handelen, maar laat haar een zekere manoeuvreerruimte. In deze context hangt het van de ingewikkeldheid van het betrokken dossier af hoeveel tijd de Commissie heeft om de verschillende handelwijzen waaruit zij kan kiezen, af te wegen.

Om te beoordelen of de Commissie onverwijld heeft gehandeld, moet worden nagegaan of zij, rekening houdend met de omstandigheden van het concrete geval, binnen een redelijke termijn heeft gehandeld, en moet haar een ruime speelruimte worden toegekend om een compromis te bereiken.

Bijgevolg, en a fortiori wanneer het gaat om een regelgevend comité, moet de Commissie kunnen beschikken over een grote speelruimte in de tijd, afhankelijk van de moeilijkheid, de ingewikkeldheid en de gevoeligheid van het betrokken dossier om binnen het comité een compromis te bereiken alvorens een voorstel voor een maatregel ter stemming voor te leggen.

(cf. punten 211, 218‑219, 222‑223)

7. Het middel inzake schending van artikel 253 EG moet worden onderscheiden van het middel inzake kennelijk onjuiste beoordeling. Terwijl namelijk het eerste middel, dat zich tegen het ontbreken of de ontoereikendheid van de motivering richt, onder de schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 230 EG valt en als middel van openbare orde door de gemeenschapsrechter moet worden opgeworpen, valt het tweede middel, dat verband houdt met de wettigheid ten gronde van een besluit, onder de schending van een op de uitvoering van het Verdrag betrekking hebbende rechtsregel in de zin van datzelfde artikel 230 EG en kan het door de gemeenschapsrechter slechts worden onderzocht indien het door de verzoeker is aangevoerd. De vraag of aan de motiveringsplicht is voldaan, staat dus los van de vraag of de motivering gegrond is.

(cf. punt 245)

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

9 september 2011 (*)

„Gewasbeschermingsmiddelen – Werkzame stof trifluralin –Niet-opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG – Beroep tot nietigverklaring – Evaluatieprocedure – Nieuwe studie en aanvullende studie – Termijnen – Begrippen ‚risico’ en ‚gevaar’ – Kennelijke beoordelingsfout – Ontwerp‑evaluatieverslag – Ontwerp-richtlijn of -beschikking – Termijnen – Gevolgen van mogelijke niet-inachtneming – Gewettigd vertrouwen – Evenredigheidsbeginsel – Besluit 1999/468/EG (‚comitologiebesluit’) – Verordening (EG) nr. 850/2004 – Artikel 3, lid 3 – Exceptie van onwettigheid”

In zaak T‑475/07,

Dow AgroSciences Ltd, gevestigd te Hitchin (Verenigd Koninkrijk), en de 20 andere verzoeksters van wie de naam is opgenomen in de bijlage bij het arrest (vertegenwoordigers: C. Mereu en K. Van Maldegem, advocaten)

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Parpala en B. Doherty als gemachtigden, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2007/629/EG van de Commissie van 20 september 2007 betreffende de niet‑opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten (PB L 255, blz. 42),

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Azizi, president, E. Cremona en S. Frimodt Nielsen (rapporteur), rechters,

griffier: K. Pocheć, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 december 2010,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Trifluralin is een veelgebruikt, selectief herbicide uit de groep van de dinitroanilines. Het middel kan worden gebruikt ter bestrijding van grasonkruiden en breedbladige onkruiden. Het wordt opgenomen door de wortels en de scheuten van deze planten en remt de celdeling. Om de afbraak ervan onder invloed zonlicht te voorkomen, wordt trifluralin meestal in de bodem ingebracht.

2 Trifluralin valt onder de tweede fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230, blz. 1) en is geplaatst op de lijst van stoffen die zijn onderworpen aan de procedures die in het leven zijn geroepen door verordening (EG) nr. 451/2000 van 28 februari 2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414/EEG (PB L 55, blz. 25).

3 Het preparaat dat wordt gebruikt voor de krachtens richtlijn 91/414 uit te voeren beoordeling is „EF 1521” (ook aangeduid als Treflan), te weten een emulgeerbaar concentraat dat onder verschillende handelsnamen in Europa is gedeponeerd.

4 Dow AgroSciences Ltd (eerste verzoekende partij), Makhteshim Agan Holding BV (tweede verzoekende partij), door tussenkomst van haar internationaal coördinatiecentrum, Makhteshim Agan International Coordination Center (derde verzoekende partij), Dintec Agroquímica Produtos Químicos Lda (vierde verzoekende partij) en Finchimica SpA (vijfde verzoekende partij) hebben de Commissie van de Europese Gemeenschappen kennis gegeven van hun wens tot opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414. De eerste verzoekende partij heeft hiervan kennis gegeven op 25 augustus 2000, in haar eigen naam alsook in naam van de vierde en de vijfde verzoekende partij. De tweede en de derde verzoekende partij hebben hun kennisgeving op 29 augustus 2000 ingediend.

5 Al deze kennisgevingen [bijlagen A.3 en A.4] hebben plaatsgevonden vóór het verstrijken van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 451/2000 vastgestelde uiterste datum van 31 augustus 2000.

6 Alle partijen die kennis hebben gegeven van hun wens om het product in de bijlage te laten opnemen, produceren of maken trifluralin, dan wel gewasbeschermingsmiddelen op basis van trifluralin of zijn houder van een nationale vergunning voor de verhandeling en de verkoop van deze producten in een of verschillende lidstaten van de Europese Unie.

7 De European Union Trifluralin Taskforce (EUTTF) (werkgroep van de Europese Unie voor trifluralin), die tot taak heeft om de communicatie van de kennisgevende ondernemingen met de Commissie in het kader van de procedure ter beoordeling van trifluralin te coördineren, is in maart 2001 in het leven geroepen met medewerking van Agan Chemical Manufacturers Ltd en Dintec Agroquímica Produtos Químicos Tda. Laatstgenoemde is een naamloze vennootschap die Dow AgroSciences BV (zesde verzoekende partij) en Suroholi – Comercio Internacional e Servicios Lda omvat.

8 Dow AgroSciences BV heeft Dow AgroSciences Ltd als kennisgever opgevolgd en wordt als zodanig gezien door de Commissie.

9 De Helleense Republiek werd als lidstaat‑rapporteur belast met de evaluatie van trifluralin, zoals geregeld in bijlage I, deel B, bij verordening nr. 451/2000.

10 Verzoeksters hebben op 24 april 2002 hun dossiers bij de lidstaat-rapporteur ingediend.

11 De lidstaat-rapporteur heeft op 11 juli 2003 het ontwerp-evaluatieverslag ingediend. Hierin adviseerde hij om Trifluralin onder twee voorwaarden op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414: in de eerste plaats een zuiverheid van trifluralin van ten minste 950 g/kg en, in de tweede plaats, het nemen van risicobeheersmaatregelen met het oog op de bescherming van de in het water levende organismen door de lidstaten bij de afgifte van vergunningen.

12 Met betrekking tot de ecotoxicologische kenmerken preciseert punt 4.9 van het ontwerp-evaluatieverslag van de lidstaat-rapporteur:

„Om het risico waaraan de in het water levende organismen worden blootgesteld te verminderen of de niet-behandelde bufferzones te verkleinen, kan de kennisgever nieuwe proeven en studies laten uitvoeren teneinde hiermee bijzondere bedenkingen in de lidstaat weg te nemen. Dergelijke proeven en studies zijn geen voorwaarde voor de opneming van trifluralin in bijlage I [van richtlijn 91/414].”

13 De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EAVV) heeft het ontwerp‑evaluatieverslag op 24 juli 2003 aan de lidstaten en de kennisgevers laten toekomen ter intercollegiale toetsing als bedoeld in artikel 8, lid 5, van verordening nr. 451/2000.

14 Verschillende lidstaten hebben schriftelijk commentaar gegeven op het ontwerp-evaluatieverslag en twee van hen hebben bij die gelegenheid hun bezorgdheid kenbaar gemaakt met betrekking tot de persistentie, het gevaar van bioaccumulatie en de hoge vluchtigheid van trifluralin, hetgeen een toelating van deze stof in de weg zou staan.

15 Tijdens de eerste vergadering van de werkgroep Evaluatie van de EAVV op 15 januari 2004, waarbij vertegenwoordigers van de kennisgevende ondernemingen en van de European Crop Protection Associatie (Europese associatie voor gewasbescherming) aanwezig waren, werd dit commentaar herhaald en de noodzaak geconstateerd van aanvullende gegevens met betrekking tot met name de chemische stabiliteit van de stof tijdens de opslag, de levensduur ervan, analysemethoden voor de bepaling van onzuiverheden, de toxiciteit voor zoogdieren, een studie naar het metabolisme van oliehoudende zaden, alsmede verschillende studies met betrekking tot de gevolgen van de stof voor het milieu.

16 Op 3 maart 2004 heeft de vertegenwoordiger van de kennisgevers aan de EAVV het volgende e-mailbericht gestuurd:

„Wij bevestigen bij dezen de ontvangst van de evaluatietabel met betrekking tot trifluralin die de lidstaat‑rapporteur ons heeft toegezonden en zijn doende met het formuleren van onze opmerkingen. Wij zouden evenwel van u advies willen krijgen met betrekking tot een bijzonder punt.

In het tweede deel, eerste kolom, punt 2.4 [van de evaluatietabel met betrekking tot trifluralin] staat dat ‚de kennisgever proeven dient over te leggen met betrekking tot de genotoxiciteit [...] en de acute orale toxiciteit voor de plantaardige metabolieten TR-22 en TR-28, dan wel een andere studie inzake het metabolisme van oliehoudende zaden die de identificatie omvat van de metabolieten in de zaden’. Zoals wij reeds tijdens de vergadering van de werkgroep Evaluatie hebben uiteengezet, hebben onze deskundigen op het gebied van de synthesechemie te kennen gegeven dat het bijzonder lastig zou zijn en zeer lang zou gaan duren om voldoende TR-28 te produceren voor proeven met betrekking tot de toxiciteit en dat het derhalve eenvoudiger, doelmatiger en nuttiger zou zijn om een studie te verrichten inzake het metabolisme van oliehoudende zaden die de identificatie omvat van de metabolieten in de zaden, aangezien de behandelde delen van deze gedeelten van het gewas bestemd zijn voor menselijke en dierlijke consumptie. Kunt u ons uw mening geven met betrekking tot het overleggen van een nieuwe metabolismestudie, in de wetenschap dat het hierbij niet gaat om een kortetermijnstudie?”

17 Op 5 maart 2004 heeft de EAVV in antwoord hierop het volgende e-mailbericht gestuurd:

„In uw e-mailbericht van 3 maart vraagt u naar de informatie die vereist is voor de nieuwe studies met betrekking tot de plantaardige metabolieten TR-22 en TR-28 van trifluralin.

Deze vereisten zijn besproken en akkoord bevonden door de lidstaat tijdens de laatste vergadering van de werkgroep Evaluatie en zijn toegevoegd, met nog andere vereisten met betrekking tot de gegevens, aan de evaluatietabel. U dient thans te voldoen aan deze vereisten door hetzij de verzochte informatie over te leggen, hetzij te bevestigen dat de verzochte informatie zal worden overgelegd.

Dit in aanmerking nemend, zal de intercollegiale toetsing van trifluralin onverminderd plaatsvinden volgens de termijnen die zijn opgenomen in verordening (EG) nr. 1490/2002 [van de Commissie van 14 augustus 2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot wijziging van verordening (EG) nr. 451/2000 (PB L 224, blz. 23)]. De eventueel nog niet overgelegde informatie wordt vermeld in de conclusie van de EAVV met betrekking tot de risico-evaluatie.”

18 Omdat een aantal lidstaten niet instemde met het verslag van de als rapporteur optredende lidstaat werd besloten om de vraag voor te leggen aan de vergaderingen van de European Pesticides Co-ordination (groep voor de coördinatie van het peer review van pesticiden; hierna: „EPCO”), te weten het dagelijks secretariaat – bestaande uit ambtenaren van het Bundesamt für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit (federaal bureau voor consumentenbescherming en voedselveiligheid) en de UK Pesticides Safety Directorate (Britse algemene directie voor de veiligheid van pesticiden) – dat binnen de EAVV belast is met de praktische organisatie van de vergaderingen van de met de intercollegiale toetsing belaste deskundigen.

19 De evaluatie, uitgevoerd door de technische deskundigen van de lidstaten met het doel het ontwerp-evaluatieverslag en het hierop geleverde commentaar opnieuw tegen het licht te houden, heeft plaatsgevonden in de maanden april tot en met juni 2004. In die periode heeft EPCO zes keer vergaderd over trifluralin, maar ook over andere stoffen:

– 27 en 28 april 2004: tweede vergadering van EPCO (opname en gedrag in het milieu);

– 28 en 29 april 2004: derde vergadering van EPCO (ecotoxicologie);

– 10 tot en met 12 mei 2004: vierde vergadering van EPCO (toxicologie met betrekking tot zoogdieren);

– 11 en 12 mei 2004: vijfde vergadering van EPCO (residuen en analysemethoden);

– 15 en 16 mei 2004: zesde vergadering van EPCO (fysische en chemische eigenschappen);

– 22 juni 2004: achtste vergadering van EPCO (ecotoxicologie).

20 In de conclusie van de op 22 juni 2004 gehouden vergadering van de deskundigen van EPCO wordt opgemerkt (blz. 93 en 94):

„Nieuwe eisen met betrekking tot de gegevens: voor een nieuwe evaluatie van de risico’s zou gebruik moeten worden gemaakt van de aanvankelijke PEC’s (voorspelde concentratie in het milieu) met de NOEC (concentratie zonder waargenomen effecten) van 0.3µg/l. Mocht de kennisgever niet instemmen met dit punt, dan dienen aanvullende studies te worden uitgevoerd met verschillende wijzen van blootstelling, teneinde de meest kritieke periode van blootstelling te bepalen.

De kennisgever is gehouden om blootstellingsstudies over te leggen die verslag doen van verschillende tijdspannes van blootstelling met gebruikmaking van de Amerikaanse dikkop-elrits (pimephales promelas) als meest kwetsbare vissoort.”

21 In een aan de kennisgevers verzonden e-mailbericht van 6 oktober 2004 merkt de lidstaat-rapporteur het volgende op:

„Hierbij treft u de eisen aan met betrekking tot de gegevens voor de ecotoxicologie en residuen zoals opgenomen in de evaluatietabel voor trifluralin die is opgesteld na de vergaderingen van EPCO. Voor de gedeelten die betrekking hebben op de lotgevallen, het gedrag en de toxicologie gelden geen eisen met betrekking tot de gegevens en de afdeling fysica/chemie en analysemethoden heeft in afwachting van een door EPCO te beantwoorden vraag, haar deel nog niet opgesteld.”

22 Bij dit e-mailbericht van 6 oktober 2004 waren de notulen gevoegd van de in punt 20 hiervoor vermelde vergadering van de deskundigen van EPCO.

23 Tijdens de door de EAVV op 8 en 9 november 2004 gehouden vergadering van de werkgroep Evaluatie, waarbij de kennisgevers aanwezig waren, heeft de lidstaat-rapporteur opgemerkt dat laatstgenoemden bepaalde gegevens – in casu de studie inzake de chronische toxiciteit voor vissen – in juli 2005 zou aanleveren.

24 Tijdens de door de EAVV op 8 en 9 februari 2005 belegde vergadering van de werkgroep Evaluatie waarbij de kennisgevers aanwezig waren, heeft deze werkgroep met betrekking tot de ecotoxicologie het volgende opgemerkt:

„Twee eisen ter zake van gegevens kunnen nog worden aangevuld met betrekking tot [dit gedeelte]. Tot op heden is geen informatie aangeleverd.”

25 Na deze vergadering heeft de lidstaat-rapporteur de kennisgevende ondernemingen bij e-mailbericht van 22 februari 2005 op de hoogte gebracht van het navolgende:

„Het ontwerp van de conclusie van de EAVV met betrekking tot trifluralin is definitief geworden na lange gedachtenwisselingen die hebben plaatsgevonden tijdens drie dagen van vergaderen. De redenen hiervoor zijn:

– de te laat ingediende opmerkingen van een lidstaat met betrekking tot de PBT- [persistentie, bioaccumulatie en toxiciteit] en de POP- [persistente organische verontreinigende] eigenschappen van trifluralin;

– een nieuwe, van een lidstaat afkomstige wijziging die rekening houdt met de nieuwe verordening van de Raad met betrekking tot de POP’s [...].

Hoewel geen enkele evaluatie door de EAVV of de lidstaat-rapporteur heeft plaatsgevonden met betrekking tot de POP-eigenschappen van trifluralin, was de vergadering van mening dat met betrekking tot dit punt een alinea moest worden ingevoegd in de conclusie van de EAVV, teneinde de aandacht te vestigen op de kwestie van de POP’s.

Hoewel het vraagstuk van de POP’s geen criterium vormt voor de niet-opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 volgt uit voornoemde verordening dat een als POP ingedeelde stof uit de markt van de [Europese Unie] moet worden genomen.

Tijdens de vergadering van de werkgroep Wetgeving van de Commissie moet dit punt in aanmerking worden genomen, wanneer de stof trifluralin ter sprake komt.

Wij hebben evenwel nog geen officieel bericht gekregen over de komende stappen en de data van de volgende vergaderingen.”

26 De EAVV heeft op 14 maart 2005 haar advies uitgebracht.

27 Het advies van de EAVV omvat een lijst van acht nog uit te voeren of lopende studies met bij elke studie de vermelding van een mogelijke datum voor de indiening door de kennisgevers, zich uitstrekkend van juli 2005 tot maart 2006, of de vermelding dat door de kennisgevers geen geëigende datum is medegedeeld. Een van deze studies had betrekking op de chronische toxiciteit voor vissen.

28 De EAVV preciseert in dit advies dat zij geen rekening heeft kunnen houden met verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van richtlijn 79/117/EEG (PB L 158, blz. 7), omdat deze in een vergevorderd stadium van de intercollegiale toetsing in werking is getreden, maar dat op basis van de beschikbare informatie die tijdens de intercollegiale toetsing is geëvalueerd, de Commissie en de lidstaten in staat zouden moeten kunnen zijn om trifluralin ook aan de hand van deze verordening te evalueren.

29 De EAVV vermeldt in haar conclusie de volgende bedenkingen en merkt op dat verschillende studies noodzakelijk blijven:

– een verhoogde toxiciteit voor in het water levende organismen, in het bijzonder vissen;

– een verhoogd gevaar van bioaccumulatie;

– een aanzienlijke persistentie in de bodem;

– het gevaar van overbrenging door de lucht over een grote afstand door de hoge vluchtigheid van de stof.

30 Met betrekking tot de verhoogde toxiciteit voor in het water levende organismen is de EAVV van mening dat nieuwe gegevens noodzakelijk zijn en dat de risico-evaluatie dienaangaande pas kan worden afgesloten wanneer deze gegevens zijn geanalyseerd (blz. 33 en 34 van het verslag). Verder is de EAVV van mening dat met betrekking tot het verhoogde risico voor in het water levende organismen geschikte risicobeperkende maatregelen nodig zijn (blz. 35 van het verslag).

31 Bij brief van 2 mei 2005 aan Dow AgroSciences heeft de Commissie verzoeksters uitgenodigd om binnen een termijn van vier weken na ontvangst van de brief hun commentaar op de conclusies van het definitieve verslag van de EAVV te geven. Hierin deelde de Commissie ook mee dat wegens de voor de evaluatieprocedure geldende strikte termijnen geen aanvullende studies of wijzigingen van ter kennis gegeven gebruik zouden worden aanvaard.

32 Bij brief van 23 juni 2005 aan Dow AgroSciences heeft de Commissie opnieuw laten weten geen rekening te kunnen houden met welke nieuwe gegevens of studies dan ook en dat het commentaar niet bedoeld is om de evaluatieprocedure te heropenen. Verder deelde de Commissie mee noch te willen antwoorden op de door verzoeksters aangesneden technische vragen, noch informatie te willen verstrekken over de positie van de lidstaten dienaangaande.

33 Een ontwerp‑richtlijn ter opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414 werd opgenomen in de agenda van de vergadering van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna: „PCVD”) van 14 en 15 juli 2005. Hiervan werden verzoeksters in kennis gesteld via een e-mailbericht van de lidstaat-rapporteur.

34 De agenda van de daaropvolgende vergadering van het PCVD, die plaatsvond op 22 en 23 september 2005, vermeldde opnieuw een ontwerp‑richtlijn ter opneming van trifluralin.

35 In een nota van 21 oktober 2005 overwoog het Directoraat-generaal (DG) Milieu van de Commissie dat het noodzakelijk was om trifluralin te laten onderzoeken door de subgroep „Technical Committee on New and Existing Substances” (technische comité voor nieuwe en bestaande stoffen; hierna: „TCNES”) aan de hand van de POP- [persistent organisch verontreinigend] criteria. Gelet op de in richtlijn 91/414 opgenomen korte termijnen deed het DG Milieu in deze nota het voorstel dat een groep van deskundigen zich zo spoedig mogelijk zou moeten buigen over trifluralin, ondanks de afwezigheid van een formele beslissing in het kader van deze procedure. Zij merkte op dat een dergelijk advies van groot nut zou zijn voor het PCVD en de Commissie in de binnen het kader van richtlijn 91/414 uitgevoerde procedure. Verder gaf het DG Milieu in diezelfde nota de wens te kennen dat de subgroep TCNES dit punt zou behandelen tijdens zijn vergadering van 25 en 26 oktober 2005.

36 Tijdens de vergadering van 17 en 18 november 2005 van het PCVD is medegedeeld dat het dossier was doorgestuurd naar de subgroep TCNES.

37 De EUTTF heeft bij brief van 6 januari 2006 kennis genomen van het aan de hand van de POP-criteria uitgevoerde onderzoek en haar opmerkingen met betrekking tot deze evaluatie aan de subgroep TCNES laten toekomen.

38 Verzoeksters hebben op 19 januari 2006 een brief gestuurd naar de Commissie ter betwisting van de wettigheid van de evaluatie van trifluralin aan de hand van de POP-criteria in het kader van de door richtlijn 91/414 voorgeschreven evaluatie.

39 In een door het DG Milieu opgesteld werkdocument van 3 februari 2006 wordt onder andere het navolgende gepreciseerd:

„Geconstateerd is dat trifluralin mogelijk een POP is en op verzoek van de krachtens richtlijn 91/414 bevoegde autoriteiten heeft de subgroep [...] TCNES het dossier tegen het licht gehouden van de selectiecriteria van de POP’s [...].

De subgroep is tot de conclusie gekomen [...] dat trifluralin op basis van de selectiecriteria als POP kan worden ingedeeld. Bij deze conclusie is evenwel in gedachten gehouden dat in bepaalde opmerkingen erop is gewezen dat het trekken van conclusies met betrekking tot het gewicht van de persistentie voor de aanwijzing van een mondiaal risico wellicht verdergaand onderzoek vergt.

Trifluralin is het eerste geval van dit soort onder het regime van richtlijn 91/414 en tijdens de vergadering van de ter zake bevoegde werkgroep Wetgeving kon geen overeenstemming worden bereikt over de uitlegging van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004 in een dergelijk geval. De werkgroep heeft daarom besloten om met betrekking tot deze vraag het advies in te winnen van de krachtens verordening nr. 850/2004 hiervoor bevoegde instanties.

[...]

Conclusie

Trifluralin is een voorbeeld van een bestaande werkzame stof die wordt gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen en kenmerken vertoont van een persistente organische verontreinigende stof (POP). Bijgevolg moet artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004 worden toegepast voor het onderzoek van een mogelijke opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414 en voor de verlening van een nationale vergunning voor een gewasbeschermingsmiddel dat trifluralin bevat.

De bewoordingen van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004, met betrekking tot bestaande chemische stoffen en bestrijdingsmiddelen laten de beoordelings‑ en vergunningsinstanties een ruime discretionaire bevoegdheid. Wat beschermingsmiddelen betreft die bedoeld zijn om akkerbouwgewassen te behandelen en dus in het milieu terechtkomen, kan blootstelling enkel volledig worden voorkomen door een verbod op het gebruik van een dergelijk product voor gewasbescherming. Noch uit de verordening, noch uit het [op 22 mei 2001 ondertekende] Verdrag van Stockholm [inzake persistente organische verontreinigende stoffen] kan evenwel rechtstreeks een verplichting tot voorkoming van elke blootstelling worden afgeleid. Bijgevolg staat het aan de betrokken beoordelings‑ en vergunningsinstanties om per geval ‚passende maatregelen [te nemen] om controle uit te oefenen’ op een stof die kenmerken vertoont van een POP.

De op het gebied van de POP’s bevoegde instanties werd verzocht om vóór de vergadering dit vraagstuk te bespreken met hun in het kader van richtlijn 91/414 werkzame collega’s, hun mening te geven over de hiervoor vermelde vragen en, indien mogelijk, samen een aanbeveling op te stellen met betrekking tot de uitlegging van artikel 3, lid 3, van de verordening die zou kunnen worden verstuurd naar de krachtens richtlijn 91/414 bevoegde autoriteiten.”

40 De Commissie heeft bij brief van 14 maart 2006 op het schrijven van verzoeksters van 19 januari 2006 geantwoord dat de EAVV als enige verantwoordelijk is voor de inhoud van haar verslag en eraan herinnerd dat de EAVV en de Commissie functioneel los van elkaar staan.

41 Op 17 mei 2006 hebben verzoeksters aan de lidstaat-rapporteur een studie voorgelegd over de chronische toxiciteit voor vissen, uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksinstituut, vergezeld van een bijgewerkte evaluatie van het chronische risico. Deze studie is op 12 juni 2006 tevens voorgelegd aan de Commissie die de studie via de openbaarmaking ervan op haar internetpagina Circa aan de andere lidstaten heeft bekendgemaakt.

42 Uit de ontwerpnotulen van de vergadering van het PCVD van 22 en 23 mei 2006, tijdens welke de beoordeling van een ontwerp‑beschikking was geagendeerd die dit keer strekte tot de niet-opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414, blijkt dat de Commissie van mening was dat de van verzoeksters afkomstige studie met betrekking tot de chronische toxiciteit te laat was ingediend en daarom niet aanmerking hoefde te worden genomen.

43 Tijdens de vergadering van het PCVD van 13 en 14 juli 2006 heeft de Commissie opnieuw een ontwerp-beschikking inzake de niet-opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414 ingediend. De notulen van deze vergadering vermelden evenwel:

„Opmerkingen en een verlate studie inzake het chronische risico [van trifluralin] voor vissen zijn verspreid. [...] Aangezien de interne gedachtenwisseling nog niet is afgesloten, kan nog niet over een voorstel worden gestemd.”

44 De notulen van de vergadering van het PCVD van 28 en 29 september 2006, tijdens welke opnieuw de juridische situatie van trifluralin op de agenda stond, vermelden:

„Een aantal lidstaten dringt aan op een snelle afsluiting van dit dossier. De Commissie legt uit dat nog geen stemming heeft kunnen plaatsvinden, omdat de interne goedkeuringsprocedure nog niet kon worden afgesloten.”

45 Het dossier werd opnieuw geagendeerd voor de vergaderingen van het PCVD van 23 en 24 november 2006 en van 22 en 23 januari 2007, zonder dat het tot een stemming kwam.

46 De notulen van de vergadering van 23 en 24 november 2006 vermelden:

„De Commissie wijst erop dat de chronische toxiciteit voor vissen gedurende de hele procedure een punt van geschil vormde tussen de kennisgever, de lidstaat‑rapporteur en de EAVV, hetgeen erop wijst dat het niet mogelijk is om over deze studie te beslissen zonder deze aan een intercollegiale toetsing te onderwerpen. De Commissie uit tevens bedenkingen met betrekking tot de inaanmerkingneming van gegevens die niet intercollegiaal zijn getoetst of gegevens die op nationaal niveau zijn gebruikt. Zij herinnert aan het uitgangspunt van het stelsel dat de Commissie haar beschikking baseert op wetenschappelijke bewijzen die door de EAVV worden geleverd. Een andere handelwijze zou niet alleen onwettig zijn, maar ook het lopende onderzoek tenietdoen.

[De Bondsrepubliek Duitsland] verklaart dat zij op grond van richtlijn 91/414 verplicht is om rekening te houden met de laatste stand van de wetenschappelijke kennis bij het onderzoek van de goedkeuringsaanvragen. Zij kan niet voorbijgaan aan deze wetenschappelijke kennis wanneer zij tegelijkertijd een nationaal standpunt moet innemen met betrekking tot het al dan niet opnemen van de betrokken werkzame stof in bijlage I.”

47 Op 16 maart 2007 heeft het PCVD geadviseerd om trifluralin niet op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414.

48 Zoals blijkt uit de notulen van de vergadering hebben verschillende lidstaten evenwel bij deze gelegenheid opmerkingen gemaakt, waaronder ook de lidstaat‑rapporteur die in de notulen de verklaring liet vastleggen bereid te zijn om voor het voorstel om trifluralin niet op te nemen te stemmen, zodat de kennisgevers gebruik zouden kunnen maken van de komende periode van 18 maanden om de studie met betrekking tot de chronische toxiciteit voor vissen formeel in te dienen en hem, als lidstaat‑rapporteur, in staat te stellen deze studie officieel te evalueren.

49 Op 20 september 2007 heeft de Commissie de beschikking betreffende de niet-opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414 en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten (PB L 255, blz. 42; hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld.

50 De bestreden beschikking luidt onder andere:

„4) Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de EAVV (in haar werkgroep Evaluatie) intercollegiaal getoetst en op 14 maart 2005 bij de Commissie ingediend in de vorm van de conclusie van de EAVV betreffende de intercollegiale toetsing van de risico‑evaluatie van de werkzame stof trifluralin als bestrijdingsmiddel. Dit verslag is door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid [ het PCVD] onderzocht en op 16 maart 2007 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor trifluralin.

(5) Tijdens de evaluatie van deze werkzame stof is een aantal problemen vastgesteld. Trifluralin is zeer toxisch voor in het water levende organismen, met name vissen. De stof is ook zeer persistent in de bodem en niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar. Bovendien bestaat de mogelijkheid van accumulatie. Met name wordt de bij richtlijn 91/414[...] voor in het water levende organismen vastgestelde maximale bioconcentratiefactor (BCF) aanzienlijk overschreden, wat wijst op de mogelijkheid van bioaccumulatie in dergelijke organismen. Wegens de hoge vluchtigheid van de stof kan overbrenging door de lucht niet worden uitgesloten, en ondanks een snelle fotochemische afbraak is uit monitoringprogramma’s gebleken dat de stof zich verspreidt naar plaatsen die ver van de plaats van toediening verwijderd zijn. Gezien deze problemen lijkt trifluralin niet te voldoen aan de criteria voor opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414[...].

(6) De Commissie heeft de kennisgever verzocht haar zijn opmerkingen over de resultaten van de intercollegiale toetsing te doen toekomen en aan te geven of hij al dan niet van plan was om de stof verder te ondersteunen. De kennisgever heeft zijn opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht. Ondanks de door de kennisgever aangevoerde argumenten blijven de hierboven vermelde problemen echter bestaan en de evaluaties op basis van de verstrekte en tijdens de vergaderingen van deskundigen van de EAVV beoordeelde gegevens hebben niet aangetoond dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die trifluralin bevatten, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden in het algemeen aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 91/414[...] voldoen.

(7) Trifluralin mag bijgevolg niet in bijlage I bij richtlijn 91/414[...] worden opgenomen.

[...]

Artikel 1

Trifluralin wordt niet als werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414[...] opgenomen.

Artikel 2

De lidstaten zorgen ervoor dat:

a) toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die trifluralin bevatten, uiterlijk op 20 maart 2008 worden ingetrokken;

b) met ingang van de datum van bekendmaking van deze beschikking geen toelatingen voor trifluralin bevattende gewasbeschermingsmiddelen meer worden verleend of verlengd.

Artikel 3

Eventuele door de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 6, van richtlijn 91/414[...] toegestane termijnen moeten zo snel mogelijk en uiterlijk op 20 maart 2009 aflopen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.”

51 Op 11 april 2008 hebben verzoeksters de Commissie op de hoogte gebracht van hun voornemen om een nieuwe aanvraag in te dienen tot opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414, zoals mogelijk gemaakt door verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van richtlijn 91/414 van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (PB L 15, blz. 5).

52 De bestreden beschikking is ingetrokken bij artikel 2 van besluit 2010/355/EU van de Commissie van 25 juni 2010 betreffende de niet-opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414 (PB L 160, blz. 30).

Procesverloop

53 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 december 2007 hebben verzoeksters krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, alsmede tot onwettigverklaring van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004.

54 Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 19 maart 2008, hebben Dow AgroSciences Ltd, Dow AgroSciences LLC, Dow AgroSciences, Dow AgroSciences Export, Dow AgroSciences BV, Dow AgroSciences Hungary kft, Dow AgroSciences Italia Srl, Dow AgroSciences Polska sp. z.o.o., Dow AgroSciences Iberica SA, Dow AgroSciences s.r.o., Dow AgroSciences Danmark A/S, Dow AgroSciences GmbH, Dintec Agroquímica Produtos Químicos Lda en Finchimica Spa krachtens artikel 242 EG een verzoek ingediend tot opschorting van de uitvoering van de bestreden beschikking. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van de president van het Gerecht van 18 juni 2008.

55 Bij brief, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 23 juli 2010, heeft de Commissie het Gerecht in kennis gesteld van de vaststelling van besluit 2010/355, waarmee zij heeft besloten om, na afloop van de in verordening nr. 33/2008 neergelegde procedure, in de eerste plaats trifluralin niet op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414 en, in de tweede plaats, de bestreden beschikking in te trekken.

56 Het Gerecht heeft op 3 september 2010 partijen de schriftelijke vraag gesteld welke gevolgen aan de intrekking van de bestreden beschikking dienden te worden verbonden.

57 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 september 2009, hebben Dow AgroSciences Ltd en Dintec Agroquímica Produtos Químicos Lda beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit 2010/355, welk beroep voorwerp is van zaak T‑446/10.

58 Bij brief, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 29 september 2010, heeft de Commissie het Gerecht verzocht te verklaren dat in deze zaak niet meer hoeft te worden beslist, aangezien, volgens haar, gelet op de intrekking van de bestreden beschikking, het beroep zonder voorwerp is geraakt.

59 Bij brief, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, hebben verzoeksters medegedeeld onverminderd belang te hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beschikking en verzocht om aanpassing van hun conclusies, teneinde hun verzoek tot nietigverklaring uit te breiden tot besluit 2010/355.

60 Partijen hebben hun opmerkingen met betrekking tot hun respectieve verzoeken medegedeeld bij brieven van 15 oktober 2010.

61 Bij brief van de griffie aan partijen van 9 november 2010 is hun onder andere medegedeeld dat het Gerecht verzoeksters geen toestemming verleende om hun conclusies aan te passen teneinde hun verzoek tot nietigverklaring uit te breiden tot besluit 2010/355, aangezien bij het Gerecht inmiddels door Dow AgroSciences Ltd en Dintec Agroquímica Produtos Químicos Lda beroep was ingesteld tot nietigverklaring van dit besluit.

62 Verzoeksters concluderen dat het Gerecht:

– de bestreden beschikking nietig verklaart;

– artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004 met betrekking tot het onderzoek van trifluralin onwettig en niet-toepasselijk verklaart wat verzoeksters betreft;

– de Commissie verwijst in de kosten van de procedure, met inbegrip van rente ad 8 %.

63 De Commissie concludeert dat het Gerecht:

– verklaart dat het verzoek tot nietigverklaring van de bestreden beschikking zonder voorwerp is geraakt en, bijgevolg, het beroep van verzoeksters tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaart of, subsidiair, verwerpt;

– de grief, ontleend aan de onwettigheid van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004 afwijst;

– verzoeksters verwijst in de kosten van de Commissie.

In rechte

Voorwerp van het geding

64 De Commissie betoogt in wezen dat verzoeksters elk belang bij de nietigverklaring van de bestreden beschikking hebben verloren, aangezien deze bij besluit 2010/355 is ingetrokken.

65 Verzoeksters betwisten deze opvatting.

66 Volgens vaste rechtspraak moet het procesbelang van een verzoeker, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Dit voorwerp van het geding moet, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (zie in die zin arresten Hof van 16 december 1963, Forges de Clabecq/Hoge Autoriteit, 14/63, Jurispr. blz. 719, 748, en 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 42).

67 Volgens eveneens vaste rechtspraak hoeft namelijk niet meer op een beroep tot nietigverklaring te worden beslist in het geval dat een verzoeker die aanvankelijk procesbelang had, door een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden na de instelling van dat beroep geen persoonlijk belang meer heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling (zie beschikking Gerecht van 17 oktober 2005, First Data e.a./Commissie, T‑28/02, Jurispr. blz. II‑4119, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), hetgeen betekent dat de nietigverklaring van deze handeling op zichzelf geen juridische gevolgen meer kan sorteren (zie, in die zin, beschikking Gerecht van 14 maart 1997, Arbeitsgemeinschaft Deutscher Luftfahrt‑Unternehmen en Hapag‑Lloyd/Commissie, T‑25/96, Jurispr. blz. II‑363, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 Een verzoeker kan evenwel belang blijven houden bij de nietigverklaring van een ingetrokken handeling, aangezien de intrekking niet dezelfde juridische gevolgen sorteert als een eventuele nietigverklaring door het Gerecht. De intrekking van een handeling van een instelling houdt immers niet een erkenning van hun onwettigheid in en werkt ex nunc, terwijl een eventuele nietigverklaring ex tunc werkt (zie in die zin arrest Hof van 12 februari 1960, Geitling e.a./Hoge Autoriteit, 16/59 tot en met 18/59, Jurispr. blz. 45, en arrest Gerecht van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T‑481/93 en T‑484/93, Jurispr. blz. II‑2941, punten 46-48).

69 Voorts moet, wanneer een handeling nietig wordt verklaard, de instelling welke de handeling heeft verricht, de maatregelen nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest. Deze maatregelen dienen in het bijzonder de gevolgen van de onwettigheden die in het arrest houdende nietigverklaring zijn vastgesteld, weg te nemen. De betrokken instelling kan aldus worden genoopt de situatie van de verzoeker op passende wijze te herstellen of te vermijden dat een identieke handeling wordt vastgesteld (zie arrest Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, reeds aangehaald, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70 Aangezien in casu de intrekking van de bestreden beschikking door de Commissie ex nunc en niet ex tunc werkt, sorteert zij onverminderd juridische gevolgen met betrekking tot de situatie van verzoeksters voor de periode tussen het tijdstip van de inwerkingtreding en dat van de intrekking ervan. Bijgevolg kan de nietigverklaring van de bestreden beschikking op zichzelf juridische gevolgen sorteren met betrekking tot de situatie van verzoeksters, hetgeen inhoudt dat zij hun procesbelang behouden.

71 Bijgevolg moet het verzoek van de Commissie om vaststelling dat het beroep zonder voorwerp is geraakt, worden afgewezen.

Ten gronde

72 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan, alsmede een exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004.

73 Met het eerste middel wordt betoogd dat de bestreden beschikking niet is gebaseerd op het verslag van de EAVV als bedoeld in artikel 8, lid 8, van verordening nr. 451/2000 en is vastgesteld zonder de toepasselijke procedurele regels in acht te nemen.

74 Met hun tweede middel verwijten verzoeksters de Commissie verschillende kennelijke beoordelingsfouten te hebben gemaakt.

75 Het derde middel is ontleend aan non‑conformiteit van de bestreden beschikking met de toepasselijke regelgevingsprocedures en inbreuk op de artikelen 5 EG en 7 EG, artikel 8, lid 8, van verordening nr. 451/2000 en artikel 5 van besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184, blz. 23, zogenaamd „comitologiebesluit”).

76 Het vierde middel betreft schending van de in artikel 8, leden 7 en 8, van verordening nr. 451/2000 opgenomen procedurele termijnen.

77 Met het vijfde middel wordt ontoereikende motivering van de bestreden beschikking gesteld.

78 Het zesde middel tenslotte is ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen en het evenredigheidsbeginsel, alsmede schending van het recht van verdediging en het recht om naar behoren te worden gehoord.

Eerste middel: de bestreden beschikking is niet gebaseerd op het verslag van de EAVV als bedoeld in artikel 8, lid 8, van verordening nr. 451/2000 en is vastgesteld zonder de toepasselijke procedurele regels in acht te nemen

79 Verzoeksters betogen in wezen dat de Commissie gehouden is het advies van de EAVV op te volgen. De EAVV zou, evenals de lidstaat-rapporteur, in casu de opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414 hebben aanbevolen, aangezien de met deze stof verbonden risico’s aanvaardbaar waren, mits bepaalde voorwaarden in acht werden genomen. Aangezien de Commissie heeft voorgesteld om trifluralin niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 op te nemen, zou zij hiermee voorbij zijn gegaan aan het advies van de EAVV en daarmee artikel 8, lid 8, van verordening nr. 451/2000 hebben geschonden.

80 Voorts betogen verzoeksters kort gezegd dat de Commissie de procedure heeft heropend voor de evaluatie van trifluralin aan de hand van de POP-criteria als bedoeld in verordening nr. 850/2004. Aangezien er geen enkele rechtsgrondslag zou bestaan voor een dergelijke handelwijze in het kader van de in richtlijn 91/414 bedoelde evaluatie, zou de Commissie niet bevoegd zijn geweest om een dergelijke heropening van de evaluatieprocedure te gelasten en zou zij zich op deze wijze oneigenlijk hebben gemengd in de evaluatie van de EAVV. Zij zou hiermee misbruik hebben gemaakt van haar bevoegdheid.

81 De Commissie bestrijdt deze beweringen.

82 In de eerste plaats bepaalt artikel 22, lid 6, van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (EG) (PB L 31, blz. 1) dat deze Autoriteit wetenschappelijke adviezen uitbrengt die als wetenschappelijke grondslag dienen voor de formulering en de vaststelling van communautaire maatregelen op de gebieden die tot haar taakstelling behoren. Voorts heeft de EAVV ingevolge artikel 23, sub c, van deze verordening tot taak om de Commissie wetenschappelijke en technische ondersteuning te bieden op de gebieden die tot haar opdracht behoren en, op verzoek van laatstgenoemde, bij de interpretatie van de adviezen inzake risicobeoordeling.

83 Volgens artikel 8, lid 7, van verordening nr. 451/2000 evalueert de EAVV het door de als rapporteur optredende lidstaat opgestelde ontwerp‑evaluatieverslag en brengt zij uiterlijk één jaar na ontvangst van het ontwerp‑evaluatieverslag aan de Commissie advies uit over de waarschijnlijkheid dat de werkzame stof aan de veiligheidseisen van de richtlijn voldoet. In voorkomend geval brengt de EAVV advies uit over de mogelijke opties om aan de veiligheidseisen te voldoen.

84 Tot slot bepaalt artikel 8, lid 8, van verordening nr. 451/2000 dat de Commissie, uiterlijk zes maanden na ontvangst van het in artikel 7 bedoelde advies van de EAVV, het ontwerp‑evaluatieverslag voorstelt. Vervolgens legt de Commissie op basis van het definitieve evaluatieverslag aan het comité voor: een ontwerp‑richtlijn tot opneming van de werkzame stof in bijlage I bij de richtlijn, of een tot de lidstaten gerichte ontwerp-beschikking waarin is bepaald dat de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, moeten worden ingetrokken, met vermelding van de redenen voor de niet-opneming. De richtlijn of de beschikking wordt vastgesteld overeenkomstig de in het comitologiebesluit vastgestelde regelgevingsprocedure.

85 Zo moet een niet-toelating tot het in de handel brengen berusten op een grondige evaluatie van het risico voor de volksgezondheid, met inachtneming van de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens die beschikbaar zijn en de meest recente resultaten van het internationale onderzoek (arrest Hof van 5 februari 2004, Greenham en Abel, C‑95/01, Jurispr. blz. I‑1333, punt 50).

86 Voorts blijkt uit de vijfde, de zesde en de negende overweging van haar considerans dat richtlijn 91/414 tot doel heeft belemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer van gewasbeschermingsmiddelen weg te nemen, maar tegelijkertijd een hoge mate van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te handhaven. In dit kader moet de Commissie een ruime discretionaire bevoegdheid worden toegekend opdat zij de haar opgedragen doelstelling efficiënt kan nastreven, alsmede vanwege de ingewikkelde technische evaluaties die zij moet maken (zie arrest Hof van 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑326/05 P, Jurispr. blz. I‑6557, punten 74 en 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87 Dienaangaande heeft het Gerecht herhaaldelijk verklaard dat, in het kader van artikel 8 van verordening nr. 451/2000, de Commissie niet gebonden was aan het advies van de EAVV. De Commissie stelt weliswaar haar beschikking inzake opneming of niet-opneming van de betrokken stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 vast na kennis te hebben genomen van het advies van de EAVV, maar niets in verordening nr. 451/2000 wijst erop dat de Commissie gehouden zou zijn om het advies van de EAVV op te volgen en bijgevolg geen eigen discretionaire bevoegdheid zou hebben (beschikkingen Gerecht van 17 juni 2008, FMC Chemical/EAVV, T‑312/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 52-54; Dow AgroSciences/EAVV, T‑397/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 49, en FMC Chemical en Arysta Lifesciences/EAVV, T‑311/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52).

88 Aangezien het advies van de EAVV de Commissie niet bindt, betogen verzoeksters bijgevolg ten onrechte dat de Commissie niet aan dit advies van de EAVV voorbij kon gaan zonder artikel 8 van verordening nr. 451/2000 te schenden.

89 Bovendien kan uit de conclusies van de EAVV niet worden afgeleid dat, zoals verzoeksters betogen, zij zich in casu uitdrukkelijk heeft uitgesproken voor de opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414.

90 De EAVV beoordeelt in haar advies namelijk de risico’s van trifluralin, rekening houdend met de laatste stand van de wetenschappelijke kennis op het tijdstip van deze beoordeling, en vermeldt kort gezegd de aanwezigheid van een aantal niet weggenomen twijfels met betrekking tot de onschadelijkheid van de stof.

91 De EAVV stelt vervolgens, overeenkomstig artikel 8, lid 7, van verordening nr. 451/2000, bepaalde mechanismen voor waarmee de tijdens de evaluatieprocedure gebleken risico’s kunnen worden beheerst, mocht de Commissie ertoe overgaan de stof toe te laten.

92 Het feit dat de EAVV dergelijke modaliteiten voor risicobeheersmaatregelen in het oog neemt, mag derhalve niet worden uitgelegd als een aanbeveling om trifluralin op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414.

93 Het betoog van verzoeksters op dit punt moet bijgevolg worden afgewezen.

94 In de tweede plaats evalueert en behandelt de als rapporteur optredende lidstaat, conform artikel 8 van verordening nr. 451/2000, in een verslag ter zake van werkzame stoffen alleen de dossiers die als volledig worden beschouwd in de zin van artikel 6, leden 2 en 3, van deze verordening. In zijn verslag adviseert hij de Commissie om hetzij de werkzame stof in bijlage I bij de richtlijn op te nemen, zulks onder vermelding van de voorwaarden voor die opneming, hetzij de werkzame stof niet op te nemen, zulks onder vermelding van de redenen om de stof niet op te nemen. De EAVV evalueert vervolgens het ontwerp-evaluatieverslag van de lidstaat-rapporteur en brengt aan de Commissie advies uit over de waarschijnlijkheid dat de werkzame stof aan de veiligheidseisen van richtlijn 91/414 voldoet. Op basis van het definitieve evaluatieverslag legt de Commissie aan het bevoegde Comité een ontwerp‑richtlijn tot opneming van de werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 voor, of een ontwerp-beschikking waarin is bepaald dat de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, moeten worden ingetrokken, en dat bijgevolg deze stof niet in bijlage I wordt opgenomen.

95 Uit het regelgevingskader blijkt bijgevolg duidelijk dat het standpunt dat de lidstaat-rapporteur tijdens de evaluatieprocedure inneemt niet doorslaggevend is (zie naar analogie arrest Gerecht van 9 september 2008, Bayer CropScience e.a./Commissie, T‑75/06, Jurispr. blz. II‑2081, punt 164).

96 Verzoeksters kunnen zich dus niet met vrucht beroepen op inlichtingen die door de lidstaat-rapporteur zouden zijn verstrekt met betrekking tot de uitkomst van de procedure (zie naar analogie arrest Bayer CropScience e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 164).

97 Met betrekking tot, in de derde plaats, het betoog van verzoeksters dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het advies van de EAVV, blijkt ondubbelzinnig uit de punten 4-6 van de considerans van de bestreden beschikking dat zij bij de vaststelling ervan deze aanbevelingen in aanmerking heeft genomen. Bijgevolg snijdt dit argument geen hout.

98 Tot slot, in de vierde plaats, vormt de grief dat de evaluatie van de stof zou zijn uitgevoerd met gebruikmaking van de aan verordening nr. 850/2004 ontleende POP-criteria een overlapping met het vierde onderdeel van het tweede middel. Deze grief zal derhalve in dat kader worden onderzocht.

99 Het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.

Eerste en tweede onderdeel van het tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten, voor zover, in de eerste plaats, de Commissie haar verplichting niet zou zijn nagekomen om rekening te houden met alle beschikbare wetenschappelijke bewijselementen en, meer in het bijzonder, met een studie waar de kennisgevende partijen om zou zijn verzocht, en voor zover, in de tweede plaats, zij de toepasselijke termijnen had moeten verlengen om over deze aanvullende informatie te kunnen beschikken

100 Wat het eerste onderdeel van hun tweede middel betreft, betogen verzoeksters in wezen dat de lidstaat-rapporteur en de EAVV hun heeft verzocht om een studie over te leggen met betrekking tot de chronische toxiciteit voor vissen. Dienaangaande verwijzen zij naar de tabellen in de notulen van de vergadering van de EAVV die op 22 juni 2004 plaatsvond en naar het e-mailbericht van de lidstaat-rapporteur van 6 oktober 2004, waarmee deze hun de tabellen heeft toegezonden. De bevestiging dat een dergelijk verzoek wel degelijk aan de kennisgevers is gedaan, zou bovendien blijken uit de bladzijden 30 en 33 van het advies van de EAVV.

101 Verzoeksters betogen dat zij de gevraagde studie onmiddellijk toen deze beschikbaar was aan de Commissie hebben gezonden en betwisten dienaangaande onvoldoende voortvarend te zijn geweest. Vervolgens stond het krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414 juncto artikel 8, lid 5, van verordening nr. 451/2000 aan de Commissie om de aldus overgelegde nieuwe gegevens te beoordelen. De Commissie was van mening dat deze studie te laat is overgelegd en derhalve niet meer in aanmerking kon worden genomen, hetgeen zij heeft medegedeeld aan de leden van het PCVD.

102 De Commissie zou hiermee, in strijd met artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/414, hebben verzuimd om rekening te houden met de laatste stand van de beschikbare wetenschappelijke en technische kennis. De bestreden beschikking zou derhalve blijk geven van een kennelijke beoordelingsfout. Ook zou hieruit schending van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van gewettigd vertrouwen voortvloeien.

103 Met het tweede onderdeel van hun tweede middel betogen verzoeksters in wezen dat het niet mogelijk was om binnen de voor de evaluatieprocedure geldende termijnen te voldoen aan het aan hen gerichte verzoek om een nieuwe studie. Aangezien volgens verzoeksters noch de EAVV, noch de Commissie deze termijnen in acht heeft genomen, diende de Commissie nieuwe termijnen vast te stellen zodat rekening kon worden gehouden met de studie in plaats van zich te verschuilen achter de stelling dat deze te laat zou zijn overgelegd. Verzoeksters betogen dat, in de eerste plaats, de mogelijkheid van verlenging van dergelijke termijnen is erkend in de rechtspraak, waarin is verklaard dat een weigering om de termijnen te verlengen neerkomt op een kennelijk onjuiste beoordeling (arrest Industrias Químicas del Vallés/Commissie, reeds aangehaald), en dat, in de tweede plaats, de Commissie van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt in het kader van de evaluatie van andere voor gewasbescherming gebruikte stoffen. Zij verwijzen dienaangaande naar de beschikking van de Commissie van 29 april 2008 waarbij aan de lidstaten toestemming is verleend om de geldigheidsduur van de voorlopige toelatingen voor de nieuwe werkzame stoffen cyflufenamide, FEN 560 en flonicamide te verlengen (PB L 117, blz. 45).

104 Volgens verzoeksters is het belang van de studie voor de evaluatie van trifluralin duidelijk aangetoond, aangezien de lidstaat-rapporteur die deze heeft beoordeeld tot de slotsom is gekomen dat met de hierin opgenomen aanvullende gegevens tegemoet is gekomen aan de tijdens de evaluatieprocedure gerezen bedenkingen.

105 Verder zijn verzoeksters van mening dat de Commissie ook de termijnen had moeten verlengen toen zij de subgroep TCNES belastte met een onderzoek van de stof aan de hand van de POP-criteria, om de kennisgevers in staat te stellen te antwoorden op de tijdens dit onderzoek mogelijk geuite bedenkingen en om, in voorkomend geval, voor dit onderzoek relevante gegevens en studies over te leggen.

106 Volgens verzoeksters is de Commissie bijgevolg niet haar verplichting nagekomen om voldoende procedurele waarborgen te bieden om hen als kennisgevers in staat te stellen opmerkingen in te dienen en hun standpunt kenbaar te maken.

107 De Commissie bestrijdt dit.

108 Er zij aan herinnerd dat artikel 6, leden 1 en 3, van verordening nr. 451/2000 voorschrijft dat de kennisgevers voor elke werkzame stof bij de aangewezen autoriteit van de als rapporteur optredende lidstaat een volledig dossier indienen dat op materiële wijze de afzonderlijke test- en studieverslagen bevat betreffende alle in lid 2, sub c, bedoelde informatie of de protocollen en de verbintenissen als bedoeld in lid 2, sub c, indien de werkzaamheden in uitvoering zijn.

109 De in artikel 6, lid 2, sub c, van verordening nr. 451/2000 bedoelde informatie omvat:

– voor elk punt van bijlage II bij de richtlijn, de samenvattingen en resultaten van studies en proeven, de naam van de persoon die of het instituut dat de proeven heeft uitgevoerd;

– dezelfde gegevens voor elk van de in bijlage III bij de richtlijn genoemde punten die voor de beoordeling van de in artikel 5 van de richtlijn genoemde criteria relevant zijn, en voor een of meer preparaten die representatief zijn voor de onder b bedoelde omstandigheden waaronder het product kan worden gebruikt;

– voor nog niet volledig beëindigde studies, het bewijs dat de opdracht tot uitvoering van deze studies uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening was gegeven, met een verbintenis dat deze studies uiterlijk binnen twaalf maanden na de termijn voor de indiening van de in artikel 6 bedoelde dossiers bij de als rapporteur optredende lidstaat.

110 Verder zij eraan herinnerd dat volgens artikel 8, lid 5, van verordening nr. 451/2000 onverminderd artikel 7 van richtlijn 91/414/EEG niet met de indiening van nieuwe dossiers wordt ingestemd. De als rapporteur optredende lidstaat kan evenwel, met de instemming van de EAVV, de kennisgevers verzoeken om binnen een bepaalde termijn nadere gegevens te verstrekken die door de als rapporteur optredende lidstaat of door de EAVV noodzakelijk worden geacht ter verduidelijking van het dossier.

111 Bijgevolg kan de verstrekking van aanvullende gegevens enkel dienen tot verheldering van bestaande elementen in het volledige dossier dat door de kennisgevers moet zijn overgelegd.

112 De niet toegestane indiening van nieuwe studies kan dus in de zin van deze bepaling niet worden gelijkgesteld met de wel toegestane verstrekking van aanvullende gegevens.

113 Een aanvullende studie mag alleen worden ingediend, wanneer deze bij de indiening van het volledige dossier nog in uitvoering was, de indiening ervan is aangekondigd bij de indiening van het volledige dossier en de indiening ervan binnen één jaar na de indiening van het volledige dossier plaatsvindt.

114 Bijgevolg is een verzoek om aanvullende gegevens enkel mogelijk na de indiening van het volledige dossier, en zulks voor zover dit verzoek voldoet aan de voorwaarden van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 451/2000, dat kort gezegd voorschrijft dat het verzoek afkomstig is van de als rapporteur optredende lidstaat, het verzoek met instemming van de EAVV wordt gedaan, en daarbij een termijn wordt gesteld voor de verstrekking van de nadere gegevens.

115 In casu is aan geen van deze voorwaarden voldaan.

116 Weliswaar staat buiten kijf dat de noodzaak van aanvullende studies met betrekking tot de chronische toxiciteit van de stof voor vissen naar voren is gebracht door de deskundigen van EPCO tijdens zijn vergadering van 22 juni 2004, waarop door de EAVV in haar advies is gewezen („[d]e kennisgever is gehouden om blootstellingsstudies te overleggen die verslag doen van verschillende tijdspannes van blootstelling met gebruikmaking van de Amerikaanse dikkop-elrits (pimephales promelas) als meest kwetsbare vissoort”), en dat deze informatie door de lidstaat-rapporteur in zijn e-mailbericht van 6 oktober 2004 aan de kennisgevers is verstrekt.

117 Anders dan de kennisgevers menen, houdt dit e-mailbericht evenwel geen verzoek aan hen in om aanvullende gegevens in de zin van verordening nr. 451/2000.

118 In de eerste plaats maken EPCO, de lidstaat-rapporteur en de EAVV gewag van de noodzaak om over aanvullende studies te beschikken. Op grond van de notulen van EPCO, het e-mailbericht van de lidstaat-rapporteur en het advies van de EAVV kan worden uitgesloten dat de kennisgevers om aanvullende gegevens ter verheldering van het dossier is verzocht.

119 Overigens zijn verzoeksters zelf van mening dat de door de kennisgevers op 17 mei 2006 medegedeelde werkzaamheden wel degelijk een studie vormen.

120 Ook al zou, in de tweede plaats, de noodzaak om te beschikken over aanvullende studies kunnen worden aangemerkt als een verzoek om aanvullende gegevens, moet worden vastgesteld dat niets in het dossier erop wijst dat de EAVV met dit verzoek heeft ingestemd. Dienaangaande moet erop worden gewezen dat EPCO, dat bestaat uit een groep van deskundigen die specifieke evaluatiewerkzaamheden uitvoert met het oog op de opstelling van het advies van de EAVV, strikt gescheiden is van de EAVV en haar zonder haar uitdrukkelijke toestemming niet kan binden.

121 In de derde plaats moet worden vastgesteld dat er in het onderhavige geval geen sprake was van een termijn voor de indiening van de door EPCO en daarna door de lidstaat-rapporteur genoemde studies.

122 Anders dan verzoeksters betogen, vormt het ontbreken van een termijn een bijkomende aanwijzing voor de afwezigheid van een verzoek om aanvullende gegevens.

123 Zou namelijk vanwege een omissie geen termijn zijn bepaald voor de indiening van aanvullende gegevens, dan hadden de kennisgevers de mogelijkheid gehad om de procedure van peer review eindeloos te rekken en op die manier de overlegging van het advies van de EAVV zonder rechtvaardiging te vertragen.

124 Bijgevolg blijkt uit niets dat aan de kennisgevers een verzoek om aanvullende gegevens overeenkomstig de toepasselijke bepalingen is gedaan.

125 De feitelijke elementen die door verzoeksters tot staving van hun beweringen zijn aangevoerd, wijzen er veeleer op dat EPCO, de lidstaat-rapporteur en vervolgens de EAVV hebben geconstateerd en medegedeeld aan de kennisgevers dat nog nieuwe studies nodig waren om de onschadelijkheid van de stof te kunnen beoordelen, in het volle besef dat deze in dit stadium van de procedure niet meer konden worden ingediend.

126 Deze lezing wordt bevestigd door de notulen van de vergadering van 15 en 16 maart 2007 van de werkgroep Wetgeving van het PCVD, waarin de Helleense Republiek, de als rapporteur optredende lidstaat, de verklaring liet opnemen bereid te zijn om voor de voorgestelde niet-opneming van trifluralin te stemmen, om de kennisgevers in staat te stellen gebruik te maken van de komende periode van 18 maanden voor de formele indiening van de studie met betrekking tot vissen en haar als lidstaat-rapporteur de mogelijkheid te geven van een officiële beoordeling van deze studie.

127 In de vierde plaats ten slotte moet er ten overvloede op worden gewezen dat verzoeksters nooit hebben aangevoerd dat de aan de lidstaat-rapporteur op 17 mei 2006 overgelegde studie zou zijn aangekondigd door de kennisgevers, overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub c, derde streepje, van verordening nr. 451/2000 bij de indiening van hun volledig dossier.

128 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat aan de kennisgevers geen enkel verzoek om een nieuwe studie is gericht.

129 Hieruit volgt dat de Commissie niet kan worden verweten geen rekening te hebben gehouden met de door de kennisgevers in mei 2006 overgelegde studie.

130 De grief, ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen wordt in het kader van het zesde middel onderzocht.

131 Aangezien de Commissie noch blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, noch een beoordelingsfout heeft gemaakt, moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

132 De grief van verzoeksters in het kader van het tweede onderdeel van hun tweede middel, inhoudende dat de termijnen hadden moeten worden verlengd teneinde rekening te kunnen houden met de gevraagde studie, mist feitelijke grondslag aangezien aan de kennisgevers geen dergelijk verzoek is gedaan.

133 Bovendien is tijdens de op 15 januari 2004 gehouden vergadering van de werkgroep Evaluatie van de EAVV meer bepaald geconstateerd dat verschillende gegevens en studies noodzakelijk waren, waaronder een studie naar het metabolisme van oliehoudende zaden. Die studie is een andere dan die welke verzoeksters in mei 2006 hebben overgelegd. Op 3 maart 2004 heeft een vertegenwoordiger van de kennisgevende onderneming aan de EAVV een e-mailbericht gestuurd, waarin hij meer in het bijzonder vroeg naar de precieze termijn voor deze studie. In antwoord hierop heeft de EAVV op 5 maart 2004 een e-mailbericht gestuurd, waarin werd medegedeeld dat, in de eerste plaats, het aan de kennisgevende onderneming stond om, hetzij de studie over te leggen, hetzij aan te geven wanneer de studie zal worden overgelegd, en, in de tweede plaats, dat de intercollegiale toetsing onverminderd zou plaatsvinden volgens de termijnen van verordening (EG) nr. 1490/2002 van de Commissie van 14 augustus 2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot wijziging van verordening (EG) nr. 451/2000 (PB L 224, blz. 23).

134 Hieruit volgt dat verzoeksters vanaf dat moment duidelijk ervan op de hoogte waren dat hun geen enkele bijkomende termijn zou worden verleend voor de aanvulling van hun dossier. De bewering dat met betrekking tot de studie inzake de chronische toxiciteit voor vissen uitdrukkelijke andersluidende toezeggingen zouden zijn gedaan, wordt door verzoeksters niet met bewijs gestaafd.

135 Aangezien de Commissie met haar weigering de procedurele termijnen te verlengen om rekening te kunnen houden met de verzochte studie inzake de chronische toxiciteit voor vissen, noch blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, noch een beoordelingsfout heeft gemaakt, moet ook het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

136 Het verwijt dat de Commissie de termijnen had moeten verlengen toen zij trifluralin onderwierp aan een evaluatie op basis van de POP-criteria, wordt onderzocht in het kader van het vierde onderdeel van het tweede middel.

137 De grief, ontleend aan schending van het recht van verdediging, wordt onderzocht in het kader van het tweede onderdeel van het zesde middel.

Derde onderdeel van het tweede middel: kennelijke beoordelingsfout, aangezien de Commissie haar constatering niet wetenschappelijk zou hebben onderbouwd

138 Volgens verzoeksters is de constatering van de Commissie in punt 5 van de considerans van de bestreden beschikking dat trifluralin in hoge mate chronisch toxisch is voor in het water levende organismen, niet relevant in het kader van de risico-evaluatie uit hoofde van richtlijn 91/414. Zij zijn van mening dat de risico-evaluatie doorslaggevend is om te kunnen bepalen of, ondanks het vastgestelde bijzondere gevaar, dit risico bij een bepaald gebruik aanvaardbaar is. Uit de door hen overgelegde studie inzake chronische toxiciteit zou duidelijk blijken dat het risico aanvaardbaar was, hetgeen door de lidstaat-rapporteur zou zijn erkend.

139 De EAVV zou tot dezelfde slotsom zijn gekomen, aangezien zij zou hebben vastgesteld dat trifluralin met inachtneming van bepaalde voorwaarden voldeed aan de veiligheidsvoorschriften van richtlijn 91/414. De EAVV zou van mening zijn geweest dat het risico van chronische toxiciteit voor vissen zou kunnen worden beperkt door de vaststelling van geschikte voorwaarden voor het gebruik en dat de vastgestelde risico’s niet in de weg stonden aan de opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414. De EAVV en de rapporteur zouden eveneens tot de conclusie zijn gekomen dat met betrekking tot de persistentie, het gevaar van bioaccumulatie en de mate van vluchtigheid trifluralin een aanvaardbaar risico vormde.

140 Voorts zou de Bondsrepubliek Duitsland de verhandeling door verzoeksters van producten op basis van trifluralin voor een extra periode van tien jaar hebben toegestaan en hiermee de aanwezigheid van een onaanvaardbaar risico hebben uitgesloten.

141 Volgens verzoeksters zijn de vaststellingen in de bestreden beschikking dus gebaseerd op de gevaren en niet op de risico’s, hetgeen getuigt van een fundamenteel onjuiste methodiek. Aangezien de constateringen van de Commissie elke wetenschappelijke onderbouwing ontberen, heeft zij hiermee blijk gegeven van een kennelijke beoordelingsfout.

142 De Commissie betwist dit.

143 Er zij aan herinnerd dat ingevolge artikel 152, lid 1, EG bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd. Deze bescherming van de menselijke gezondheid weegt zwaarder dan economische belangen, zodat zij zelfs aanzienlijke negatieve gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest Gerecht van 28 juni 2005, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, T‑158/03, Jurispr. blz. II‑2425, punt 134).

144 Het voorzorgsbeginsel is een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat voortvloeit uit artikel 3, sub p, EG, artikel 6 EG, artikel 152, lid 1, EG, artikel 153, leden 1 en 2, EG en artikel 174, leden 1 en 2, EG en dat de bevoegde autoriteiten verplicht om in het kader van de door de toepasselijke regelgeving aan hen verleende bevoegdheden passende maatregelen te nemen om een aantal potentiële gevaren voor de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu te voorkomen, waarbij aan de vereisten in verband met de bescherming van deze belangen voorrang moet worden verleend boven economische belangen (zie arresten Gerecht van 26 november 2002, Artegodan e.a./Commissie, T‑74/00, T‑76/00, T‑83/00 tot en met T‑85/00, T‑132/00, T‑137/00 en T‑141/00, Jurispr. blz. II‑4945, punten 183 en 184, en van 21 oktober 2003, Solvay Pharmaceuticals/Raad, T‑392/02, Jurispr. blz. II‑4555, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

145 Voor de betrokken instelling van de Gemeenschap die wordt geconfronteerd met de mogelijk negatieve gevolgen van een verschijnsel houdt de risico-evaluatie in dat op basis van een wetenschappelijke risicobeoordeling moet worden bepaald of deze risico’s een voor de samenleving nog aanvaardbaar geacht niveau overschrijden. Dit betekent dat de communautaire instellingen pas de risico’s kunnen beoordelen, wanneer zij, in de eerste plaats, over een wetenschappelijke risicobeoordeling beschikken en, in de tweede plaats, het voor de samenleving onaanvaardbaar geacht niveau hebben bepaald (zie in die zin arresten Gerecht van 11 september 2002, Pfizer Animal Health/Raad, T‑13/99, Jurispr. blz. II‑3305, punt 145, en Alpharma/Raad, T‑70/99, Jurispr. blz. II‑3495, punt 162).

146 De wetenschappelijke beoordeling van risico’s is een proces dat, naar algemeen aanvaarde opvatting, zo veel mogelijk bestaat uit het identificeren en karakteriseren van een gevaar, het beoordelen van de blootstelling daaraan en het karakteriseren van het risico (arresten Pfizer Animal Health/Raad, reeds aangehaald, punt 156, en Alpharma/Raad, reeds aangehaald, punt 169).

147 In een dergelijke context stemt het begrip „risico” dus overeen met de mate van waarschijnlijkheid van negatieve gevolgen voor het door de rechtsorde beschermde goed ten gevolge van het gebruik van een product of procedé. Het begrip „gevaar” wordt in deze context gewoonlijk in een ruimere betekenis gebruikt en beschrijft elk product of procédé dat een negatief gevolg kan hebben voor de gezondheid van de mens (zie in die zin arrest Pfizer Animal Health/Raad, reeds aangehaald, punt 147).

148 De bepaling van het onaanvaardbaar geacht risiconiveau is, met inachtneming van de toepasselijke normen, de taak van de communautaire instellingen die belast zijn met de beleidsmatige keuze van het beschermingsniveau dat zij voor de samenleving geschikt achten. Het staat aan hen om vast te stellen welk niveau van risico’s – dat wil zeggen de kritische drempel voor mogelijke negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en de ernst van die potentiële gevolgen – hun voor de samenleving niet meer aanvaardbaar lijkt en bij overschrijding waarvan, in het belang van de bescherming van de volksgezondheid en ondanks blijvende wetenschappelijke onzekerheid, preventieve maatregelen vereist zijn (zie in die zin arrest Hof van 11 juli 2000, Toolex, C‑473/98, Jurispr. blz. I‑5681, punt 45, en arrest Hof Pfizer Animal Health/Raad, reeds aangehaald, punten 150 en 151).

149 Bij de bepaling van dit risiconiveau moeten de instellingen van de Gemeenschap zich houden aan de in artikel 152, lid 1, eerste alinea, EG opgenomen verplichting om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te verzekeren. Om verenigbaar te zijn met die bepaling behoeft een dergelijk beschermingsniveau niet noodzakelijkerwijs het hoogste niveau te zijn dat technisch mogelijk is (arrest Hof van 14 juli 1998, Safety Hi-Tech, C‑284/95, Jurispr. blz. I‑4301, punt 49).

150 Zoals blijkt uit de vijfde, de zesde en de negende overweging van de considerans heeft richtlijn 91/414 tot doel belemmeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer van gewasbeschermingsmiddelen weg te nemen, maar tegelijkertijd een hoge mate van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te handhaven. In dat kader moet worden erkend dat de Commissie een ruime discretionaire bevoegdheid heeft zodat zij de haar opgedragen doelstelling efficiënt kan nastreven, mede vanwege de ingewikkelde technische evaluaties die zij moet maken (zie arrest van 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, reeds aangehaald, punten 74 en 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

151 Deze ruime discretionaire bevoegdheid en deze ingewikkelde technische evaluaties houden in dat de rechterlijke toetsing van de beoordelingen van de Commissie beperkt dient te blijven tot de vraag of er bij de uitoefening door de instellingen van de Unie geen sprake is van een kennelijk verkeerde beoordeling of misbruik van bevoegdheid dan wel of de grenzen van de discretionaire bevoegdheid niet kennelijk zijn overschreden [arresten Hof van 9 september 2003, Monsanto Agricoltura Italia e.a., C‑236/01, Jurispr. blz. I‑8105, punt 135, en van 15 oktober 2009, Enviro Tech (Europe), C‑425/08, Jurispr. blz. I‑10035, punt 47].

152 Met betrekking tot de beoordeling door de communautaire rechter of sprake is van een kennelijke beoordelingsfout, moeten, om te kunnen vaststellen of de Commissie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van de bestreden beschikking rechtvaardigt, de door verzoekster aangevoerde bewijzen volstaan om de waarschijnlijkheid van de in de beschikking weergegeven beoordeling van de feiten te weerleggen (arresten Gerecht van 12 december 1996, AIUFFASS en AKT/Commissie, T‑380/94, Jurispr. blz. II‑2169, punt 59, en 1 juli 2004, Salzgitter/Commissie, T‑308/00, Jurispr. blz. II‑1933, punt 138). Onder voorbehoud van deze toetsing van de waarschijnlijkheid, kan het Gerecht zijn beoordeling van de complexe feiten niet in de plaats stellen van die van de auteur van beschikking [arrest Enviro Tech (Europe), reeds aangehaald, punt 47].

153 De hierboven toegelichte grenzen die zijn gesteld aan de controlebevoegdheid van de rechter doen evenwel niet af aan de op hem rustende verplichting om de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen alsook de betrouwbaarheid en samenhang daarvan te controleren, en na te gaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie arresten Hof van 22 november 2007, Spanje/Lenzing, C‑525/04 P, Jurispr. blz. I‑9947, punt 57, en 6 november 2008, Nederland/Commissie, C‑405/07 P, Jurispr. blz. I‑8301, punt 55).

154 Bovendien is in gevallen waarin een instelling van de Gemeenschap over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, het toezicht op de inachtneming van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures verleende waarborgen van fundamenteel belang. Het Hof heeft gepreciseerd dat tot die waarborgen met name behoren de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en die om haar beschikking toereikend te motiveren (zie arresten van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, Jurispr. blz. I‑5469, punt 14, en 7 mei 1992, Pesquerías De Bermeo en Naviera Laida/Commissie, C‑258/90 en C‑259/90, Jurispr. blz. I‑2901, punt 26; arresten Spanje/Lenzing, reeds aangehaald, punt 58, en Nederland/Commissie, reeds aangehaald, punt 56).

155 In casu zij, in de eerste plaats, erop gewezen dat het advies van de EAVV betrekking heeft op de beoordeling van de risico’s voor verschillende diersoorten en macro-organismen (paragraaf 5: risico’s voor gewervelde landdieren, voor in het water levende organismen, voor bijen, voor andere soorten geleedpotigen, voor regenwormen, voor in de bodem aanwezige macro-organismen grond waarop de stof niet is gericht, voor in de bodem aanwezige micro-organismen waarop de stof niet is gericht, voor andere organismen waarop de stof niet is gericht en voor de biologische methoden van waterzuivering), en dat hieruit blijkt dat trifluralin in hoge mate wordt geabsorbeerd door de grond, als persistent moet worden aangemerkt, niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar is, dat wegens de hoge vluchtigheid van de stof overbrenging door de lucht niet kan worden uitgesloten, en dat trifluralin een hoge mate van risico voor in het water levende organismen oplevert (zie blz. 3 van de samenvatting van het advies alsmede, in het bijzonder, met betrekking tot laatstgenoemde problematiek, paragraaf 5.4 en de conclusie van het advies). Tot slot stelt de EAVV maatregelen voor om de vastgestelde risico’s te beheersen ingeval trifluralin wordt opgenomen in bijlage I van richtlijn 91/414 (paragraaf „Aanbevelingen” van het advies).

156 Uit het advies van de EAVV blijkt dus duidelijk dat dit is gebaseerd op een beoordeling van de risico’s die trifluralin met zich brengt en niet enkel op de gevaren van deze stof.

157 Verder weerlegt dit advies de beweringen van verzoeksters dat trifluralin een aanvaardbaar risico vormt met betrekking tot de persistentie in de bodem, het gevaar van bioaccumulatie en de vluchtigheid ervan.

158 Bovendien mag het feit dat de EAVV, overeenkomstig artikel 8, lid 7, van verordening nr. 451/2000, bepaalde mechanismen heeft voorgesteld waarmee de tijdens de evaluatieprocedure gebleken risico’s kunnen worden beheerst, mocht de Commissie ertoe overgaan de stof toe te laten, in het geheel niet worden uitgelegd als een aanbeveling van de EAVV om trifluralin op te nemen in bijlage I bij richtlijn 91/414 (zie punten 91 en 92 hierboven). Verder zij eraan herinnerd dat de Commissie niet gebonden is door het advies van de EAVV (zie punten 87 en 88 hierboven) en dat haar ruime discretionaire bevoegdheid is erkend zodat zij de haar opgedragen doelstelling efficiënt kan nastreven, mede vanwege de ingewikkelde technische evaluaties die zij moet maken (zie punt 86 hierboven). De Commissie kon op goede gronden beslissen dat een dergelijk risico de niet-opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG rechtvaardigde, in weerwil van de mogelijkheden om het door de EAVV beschreven risico te verminderen.

159 Voorts blijkt de bestreden beschikking te zijn gebaseerd op de door de EAVV vastgestelde risico’s. Punt 5 van de considerans van de bestreden beschikking luidt namelijk:

„(5) Tijdens de evaluatie van deze werkzame stof is een aantal problemen vastgesteld. Trifluralin is zeer toxisch voor in het water levende organismen, met name vissen. De stof is ook zeer persistent in de bodem en niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar. Bovendien bestaat de mogelijkheid van accumulatie. Met name wordt de bij richtlijn 91/414[…] voor in het water levende organismen vastgestelde maximale bioconcentratiefactor (BCF) aanzienlijk overschreden, wat wijst op de mogelijkheid van bioaccumulatie in dergelijke organismen. Wegens de hoge vluchtigheid van de stof kan overbrenging door de lucht niet worden uitgesloten, en ondanks een snelle fotochemische afbraak is uit monitoringprogramma’s gebleken dat de stof zich verspreidt naar plaatsen die ver van de plaats van toediening verwijderd zijn. Gezien deze problemen lijkt trifluralin niet te voldoen aan de criteria voor opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG [...].”

160 De bestreden beschikking berust derhalve wel degelijk op een beoordeling van de risico’s, dat wil zeggen een analyse van de mate van waarschijnlijkheid van de negatieve gevolgen voor het door de rechtsorde beschermde goed van de opneming van trifluralin in bijlage I bij richtlijn 91/414, en niet op een analyse van enkel het gevaar dat deze stof vormt.

161 De enkele bewering van verzoeksters dat de Commissie de bestreden beschikking alleen op het gevaar en niet op de risico’s heeft gebaseerd, zonder andere bewijsmiddelen hiervoor aan te voeren, moet derhalve worden afgewezen.

162 In de tweede plaats kunnen verzoeksters niet staande houden dat de door hen overgelegde studie inzake de chronische toxiciteit voor vissen de beoordeling door de Commissie van de risico’s had kunnen beïnvloeden, indien deze bereid was geweest hiermee rekening te houden.

163 Afgezien van de tardieve overlegging ervan aan de Commissie zou deze studie, hoe dan ook, geen inzichten hebben geboden met betrekking tot de andere geïdentificeerde risico’s, in het bijzonder de persistentie in de bodem van trifluralin, het feit dat de stof niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar is, de mogelijkheid van accumulatie en de risico’s van de vluchtigheid ervan.

164 In de derde plaats kan de door de Duitse autoriteiten verleende vergunning, ook al is deze gebaseerd op dezelfde criteria en dezelfde beoordelingselementen, niet vooruitlopen op een beslissing van de communautaire autoriteiten. Het argument van de Commissie dat de intercollegiale toetsing kenmerkend is voor de beoordeling op het niveau van de Gemeenschap, hetgeen niet het geval is bij de beoordeling op nationaal niveau, lijkt wat dit betreft hout te snijden.

165 Bijgevolg hebben verzoeksters geen enkel element aangevoerd waaruit een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie blijkt met betrekking tot de inschatting van de risico’s van trifluralin.

166 Het derde onderdeel van het tweede middel moet bijgevolg worden afgewezen.

Exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004, enerzijds, en vierde onderdeel van het tweede middel, anderzijds, inhoudende dat de Commissie niet bevoegd was om trifluralin te beoordelen in het kader van verordening nr. 850/2004 en in ieder geval een beoordelingsfout heeft gemaakt bij de toepassing van de door deze verordening vastgestelde criteria

167 Tot staving van hun exceptie van onwettigheid betogen verzoeksters met betrekking tot artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004, in wezen dat deze bepaling hun rechten heeft gewijzigd en het gewettigd vertrouwen dat zij in de Commissie mochten hebben, heeft miskend. Zij zijn van mening dat de Commissie onwettig heeft gehandeld door de verordening met terugwerkende kracht toe te passen en tijdens het lopend onderzoek gebruik te maken van de in bijlage D van het Verdrag van Stockholm vastgelegde POP-criteria.

168 Verzoeksters zijn van mening dat de Commissie door bij de vaststelling van de bestreden beschikking voorbij te gaan aan de in richtlijn 91/414 opgenomen criteria en een nog niet officieel vastgestelde procedure te volgen, bijgevolg zonder enige rechtvaardiging een beroep heeft gedaan op verordening nr. 850/2004 of de criteria van bijlage D van het Verdrag van Stockholm.

169 Voorts zou het gevaar van overbrenging over een grote afstand, zijnde een van POP-criteria, niet behoren tot de criteria van de in richtlijn 91/414 geregelde evaluatie.

170 Verzoeksters stellen zich bovendien op het standpunt dat de Commissie de evaluatieprocedure opnieuw heeft ingeleid om trifluralin te onderzoeken in het licht van de POP-criteria en dat, aangezien in het kader van de evaluatie krachtens richtlijn 91/414 geen enkele juridische grondslag bestond voor dit optreden, de Commissie hiertoe niet bevoegd was en bijgevolg misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid.

171 Met betrekking tot het subsidiair aangevoerde vierde onderdeel van het tweede middel, betogen verzoeksters dat, ervan uitgaande dat verordening nr. 850/2004 van toepassing zou zijn, de Commissie opnieuw het verschil tussen de begrippen „gevaar” en „risico” heeft miskend. De subgroep TCNES zou namelijk zijn onderzoek na een zeer korte periode hebben afgesloten en hebben geconcludeerd dat trifluralin beantwoordde aan de POP-criteria. Volgens verzoeksters heeft de Commissie hiermee alleen het gevaar van trifluralin onderzocht, en nagelaten een risico-evaluatie uit te voeren.

172 Verzoeksters betogen dat de Commissie, door op deze wijze voorbij te gaan aan de vraag of de vermeende gevaren, aan de hand van de beweerde POP-kenmerken van trifluralin, een onaanvaardbaar risico doen ontstaan, met andere woorden door het miskennen van het verschil tussen risico’s en gevaren, tevens richtlijn 91/414 en de rechtspraak van de gemeenschapsrechter heeft geschonden. Bijgevolg zou bij de vaststelling van de bestreden beschikking een fundamentele methodische fout zijn gemaakt, zodat zij aangetast is door een kennelijke beoordelingsfout.

173 Tot slot zijn verzoeksters in wezen van mening dat de Commissie de termijnen had moeten verlengen om hen in staat te stellen te reageren op de door de subgroep TCNES geuite bedenkingen en dat zij, door dit niet te doen, hun recht van verdediging heeft geschonden.

174 De Commissie betwist dit betoog.

175 Er zij op gewezen dat verordening nr. 850/2004 een evaluatiemechanisme in het leven heeft geroepen dat losstaat van dat van richtlijn 91/414 en verordening nr. 451/2000.

176 Weliswaar bestrijdt de Commissie niet dat er een – op zijn minst beknopte – evaluatie van trifluralin aan de hand van de POP-criteria heeft plaatsgevonden.

177 Uit de notulen van de vergaderingen van het PCVD van 26 en 27 januari 2006 en van 3 en 4 april 2006 blijkt echter dat dit onderzoek niet is uitgevoerd in het kader van de evaluatie van trifluralin vanuit het oogpunt van richtlijn 91/414, maar in het kader van een parallelle evaluatie, ten aanzien waarvan in het bijzonder de Commissie van mening was dat deze geen gevolgen mocht hebben voor de lopende procedure.

178 Verder moet worden geconstateerd dat de bestreden beschikking niet is gebaseerd op de evaluatie van de stof aan de hand van de criteria van verordening nr. 850/2004, maar uitsluitend op de evaluatie van de stof aan de hand van de criteria van richtlijn 91/414, hetgeen blijkt uit de punten 4 tot en met 7 van de bestreden beschikking.

179 Dienaangaande kan het betoog van verzoeksters niet worden aanvaard dat de criteria ter zake van de persistentie in de bodem, de biologische afbreekbaarheid van de stof, de bioaccumulatie en de overbrenging door de lucht van de stof, die worden vermeld in punt 5 van de considerans van de bestreden beschikking, in werkelijkheid aantonen dat de stof niet is toegelaten vanwege de POP-kenmerken ervan.

180 Ingevolge artikel 5, lid 2, sub c, van richtlijn 91/414 moet namelijk bij het opnemen van een werkzame stof in bijlage I zeer in het bijzonder rekening te worden gehouden met in voorkomend geval een beoordeling van de vraag waar de stof in het milieu terechtkomt en wordt verspreid.

181 Voorts betreft bijlage II, deel A, punt 7, van richtlijn 91/414 specifiek de verspreiding en het gedrag van de stof in het milieu en behandelt zij de verspreiding en het gedrag in de bodem, in het water, in de lucht alsmede de bioaccumulatie en de biologische afbreekbaarheid van de stof.

182 Bijgevolg moest de stof aan de hand van deze criteria worden beoordeeld om als werkzame stof in bijlage I van de richtlijn te kunnen worden opgenomen.

183 Het betoog van verzoeksters dat de bestreden beschikking zou zijn gebaseerd op de evaluatie van trifluralin aan de hand van verordening nr. 850/2004, moet derhalve worden afgewezen.

184 De grief ontleend aan de onwettigheid van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 850/2004, ook al zou die gegrond zijn, snijdt dus geen hout en moet worden afgewezen.

185 Dit geldt eveneens voor het vierde onderdeel van het tweede middel, ontleend aan de onbevoegdheid van de Commissie om trifluralin te beoordelen aan de hand van verordening nr. 850/2004, dat eveneens als irrelevant moet worden afgewezen.

186 Ook de grieven, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing van de evaluatiecriteria van verordening nr. 850/2004 en aan een schending van het recht van verdediging in dit kader moeten worden afgewezen, aangezien de bestreden beschikking niet op deze evaluatie is gebaseerd.

Derde middel, ontleend aan de non-conformiteit van de bestreden beschikking met de toepasselijke regelgevingsprocedures en inbreuk op de artikelen 5 EG en 7 EG, artikel 8, lid 8, van verordening nr. 451/2000 en artikel 5 van het comitologiebesluit

187 Verzoeksters betogen in wezen dat de Commissie gehouden is tot overlegging van het verslag van de EAVV aan het PCVD, vergezeld van een ontwerp-richtlijn tot opneming van de stof in bijlage I bij richtlijn 91/414 of een ontwerp-beschikking voor de verwijdering van de stof van de markt binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van dit advies, in casu 13 september 2005. Volgens verzoeksters heeft de Commissie dienaangaande geen enkele discretionaire bevoegdheid.

188 De Commissie zou daarom haar verplichting om binnen de vereiste termijn een ontwerp van een richtlijn of een beschikking over te leggen, niet zijn nagekomen.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in