Gerecht EU 17 juli 2024, T-1077/23, ECLI:EU:T:2024:478

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

17 juli 2024 ( *1 )

„Digitale diensten – Verordening (EU) 2022/1925 – Aanwijzing als poortwachter – Onlinesocialenetwerkdienst – Artikel 3, leden 1, 2 en 5, van verordening 2022/1925 – Eisen – Vermoedens – Weerlegging van vermoedens – Rechten van de verdediging – Gelijke behandeling”

In zaak T‑1077/23,

ByteDance Ltd, gevestigd te George Town (Kaaimaneilanden), vertegenwoordigd door E. Batchelor, N. Baeten en M. Frese, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo, M. Mataija, I. Rogalski en C. Sjödin als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: A. Kornezov (rapporteur), president, G. De Baere, D. Petrlík, K. Kecsmár en S. Kingston, rechters,

griffier: A. Marghelis, administrateur,

gezien de stukken, met name:

– het door verzoekster op 16 november 2023 ingediende verzoek om een versnelde procedure, en de verkorte versie van het verzoekschrift waarin zij afstand deed van bepaalde middelen voor het geval het verzoek om een versnelde procedure zou worden ingewilligd,

– de beslissing van het Gerecht van 8 december 2023 waarbij het verzoek om een versnelde procedure is ingewilligd,

– de beschikking van 9 februari 2024, ByteDance/Commissie (T‑1077/23 R, niet gepubliceerd, EU:T:2024:94), waarbij het verzoek in kort geding is afgewezen,

– de schriftelijke vragen van het Gerecht aan partijen en de op 16 februari 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden op deze vragen,

na de terechtzitting op 29 april 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, ByteDance Ltd, nietigverklaring van besluit C(2023) 6102 final van de Commissie van 5 september 2023 waarbij ByteDance overeenkomstig artikel 3 van verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (digitalemarktenverordening) (PB 2022, L 265, blz. 1; hierna: „DMA” of „verordening”) is aangewezen als poortwachter (hierna: „bestreden besluit”).

I. Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster, die in 2012 in China is opgericht naar het recht van de Kaaimaneilanden, exploiteert met de ondernemingen waarover zij direct of indirect zeggenschap heeft (hierna samen: „ByteDance”) onder meer het digitale platform TikTok.

3 Het digitale platform TikTok, dat in augustus 2018 in zijn huidige versie in de Europese Unie is geïntroduceerd, biedt zijn gebruikers de mogelijkheid om video’s te zoeken, te bekijken en te verspreiden, alsmede om te interageren, te communiceren en inhoud te delen met andere gebruikers.

4 Op 3 juli 2023 heeft verzoekster overeenkomstig artikel 3, lid 3, eerste alinea, DMA een kennisgeving bij de Europese Commissie ingediend (hierna: „kennisgeving”) waarin zij om te beginnen stelde dat TikTok een videoplatform was in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), en punt 8, DMA; dat niet aan de drempel van artikel 3, lid 2, onder c), DMA was voldaan, zodat ByteDance niet kon worden geacht te voldoen aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA om als poortwachter te worden aangewezen, en dat de in artikel 3, lid 2, DMA bedoelde vermoedens om een onderneming als poortwachter aan te wijzen hoe dan ook waren weerlegd op basis van de argumenten en bewijzen die zij krachtens artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA had aangevoerd.

5 Bij brief van 26 juli 2023 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van haar voorlopig advies met betrekking tot de aanwijzing van ByteDance als poortwachter overeenkomstig artikel 3, lid 4, DMA en de kwalificatie van TikTok als een onlinesocialenetwerkdienst die voor zakelijke gebruikers een belangrijke toegangspoort tot eindgebruikers (hierna: „belangrijke toegangspoort”) kan vormen in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA (hierna: „voorlopig advies”).

6 Bij brief van 2 augustus 2023 heeft verzoekster op het voorlopig advies geantwoord.

7 Op 5 september 2023 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.

8 In het bestreden besluit heeft de Commissie ten eerste geoordeeld dat TikTok een onlinesocialenetwerkdienst was in de zin van artikel 2, punt 7, DMA, en dus een kernplatformdienst (hierna ook: „KPD”) in de zin van artikel 2, punt 2, onder c), DMA.

9 Ten tweede heeft de Commissie opgemerkt dat ByteDance met betrekking tot TikTok voldeed aan de drempels van artikel 3, lid 2, DMA, zodat kon worden vermoed dat aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA met betrekking tot de aanwijzing als poortwachter was voldaan.

10 Ten derde was de Commissie van mening dat de argumenten die verzoekster overeenkomstig artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA had aangevoerd om de in artikel 3, lid 2, DMA bedoelde vermoedens te weerleggen, niet voldoende waren onderbouwd om deze vermoedens kennelijk in twijfel te trekken. Derhalve heeft zij deze argumenten overeenkomstig artikel 3, lid 5, tweede alinea, DMA afgewezen zonder overeenkomstig artikel 17, lid 3, DMA een marktonderzoek uit te voeren.

11 De artikelen 1 en 2 van het dispositief van het bestreden besluit luiden als volgt: „Artikel 1 ByteDance is aangewezen als poortwachter overeenkomstig artikel 3 [DMA]. Artikel 2 De volgende [KPD] van ByteDance is een [belangrijke toegangspoort] in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), [DMA]: a) de onlinesocialenetwerkdienst TikTok van ByteDance”.

II. Conclusies van partijen

12 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

13 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

14 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan: schending van artikel 3, leden 1 en 5, DMA, schending van de rechten van de verdediging, en schending van het beginsel van gelijke behandeling.

A. Eerste middel: schending van artikel 3, leden 1 en 5, DMA

15 Het eerste middel bestaat uit vijf onderdelen; het eerste middel houdt in dat de Commissie een onjuist juridisch criterium heeft toegepast bij het onderzoek van de argumenten die waren aangevoerd ter weerlegging van de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA; het tweede tot en met het vierde middel houden in dat de Commissie artikel 3, leden 1 en 5, DMA heeft geschonden door de argumenten te verwerpen die waren aangevoerd ter weerlegging van respectievelijk het vermoeden dat ByteDance een aanzienlijke impact had op de interne markt, het vermoeden dat TikTok een belangrijke toegangspoort vormde en het vermoeden dat ByteDance een stevig verankerde en duurzame positie innam, en het vijfde middel houdt in dat de Commissie artikel 3, leden 1 en 5, DMA heeft geschonden door geen algehele beoordeling van de overgelegde bewijzen uit te voeren.

16 Alvorens het eerste middel in zijn verschillende onderdelen te onderzoeken, moet worden herinnerd aan, ten eerste, de ontstaansgeschiedenis en de normatieve inhoud van de DMA en, ten tweede, de relevante niet-betwiste aspecten van het bestreden besluit.

1. Ontstaansgeschiedenis en normatieve inhoud van de DMA

17 Heden ten dage spelen digitale diensten in het algemeen en onlineplatforms in het bijzonder een steeds belangrijkere rol in de economie, doordat zij bedrijven in staat stellen gebruikers in de hele Unie te bereiken, grensoverschrijdende handel vergemakkelijken en een groot aantal bedrijven in de Unie geheel nieuwe zakelijke kansen bieden ten behoeve van de consumenten in de Unie, zoals in wezen is verwoord in overweging 1 DMA.

18 Zoals de Uniewetgever in overweging 2 DMA heeft opgemerkt, is het evenwel vaak zo dat bepaalde digitale diensten, de zogenoemde KPD’s, kenmerken vertonen zoals extreme schaalvoordelen, zeer sterke netwerkeffecten, het vermogen om veel zakelijke gebruikers met veel eindgebruikers te verbinden door de veelzijdigheid van die diensten, de aanzienlijke mate van afhankelijkheid van zowel zakelijke gebruikers als eindgebruikers van die diensten, lock-in-effecten, de onmogelijkheid van multihoming door eindgebruikers voor hetzelfde doel, en verticale integratie en door gegevens gestuurde voordelen. In combinatie met oneerlijke praktijken van ondernemingen die de KPD’s aanbieden, kunnen deze kenmerken tot gevolg hebben dat de betwistbaarheid van de KPD’s aanzienlijk wordt ondergraven en dat de eerlijkheid van de commerciële relatie tussen ondernemingen die die diensten aanbieden en hun zakelijke gebruikers en eindgebruikers wordt aangetast. Dat kan op zijn beurt leiden tot een snelle en potentieel verregaande afname van de keuzemogelijkheden van zakelijke gebruikers en eindgebruikers, waardoor de aanbieder van die diensten de positie van een zogenoemde poortwachter kan verwerven.

19 In dat verband heeft de Uniewetgever opgemerkt dat marktprocessen vaak geen eerlijke economische resultaten met betrekking tot KPD’s waarborgden en dat de bestaande Uniewetgeving het niet mogelijk maakte om de potentieel negatieve effecten van sommige kenmerken van KPD’s adequaat aan te pakken. Hoewel de artikelen 101 en 102 VWEU van toepassing zijn op het gedrag van poortwachters, is de werkingssfeer van die bepalingen met name beperkt tot bepaalde gevallen van marktmacht, bijvoorbeeld dominantie op specifieke markten en concurrentieverstorend gedrag, en vindt de handhaving achteraf plaats, waarbij een uitgebreid onderzoek van vaak zeer complexe feiten per geval is vereist. De wetgever heeft bovendien vastgesteld dat het bestaande Unierecht geen of slechts niet ter zake dienende oplossingen bood voor de uitdagingen met betrekking tot de doeltreffende werking van de interne markt als gevolg van het gedrag van poortwachters, die niet noodzakelijkerwijs dominant zijn in de zin van het mededingingsrecht (zie in die zin overweging 5 DMA). Hij heeft er ook op gewezen dat de DMA een doel nastreeft dat complementair is aan, maar verschilt van dat van de bescherming van onvervalste mededinging op een bepaalde markt, zoals gedefinieerd in mededingingsrechtelijke bepalingen, namelijk ervoor zorgen dat markten waar poortwachters aanwezig zijn, betwistbaar en eerlijk zijn en blijven, los van de daadwerkelijke, potentiële of vermoede gevolgen van het gedrag van een bepaalde onder de DMA vallende poortwachter voor de mededinging op een bepaalde markt (zie in die zin overweging 11 DMA).

20 Verder heeft de Uniewetgever opgemerkt dat een aantal regelgevingsoplossingen reeds was aangenomen op nationaal niveau of was voorgesteld met betrekking tot oneerlijke praktijken en de betwistbaarheid van digitale diensten, of ten minste sommige daarvan, en dat dit had geleid tot uiteenlopende regelgevingsoplossingen, hetgeen resulteerde in versnippering van de interne markt, waardoor het risico op hogere nalevingskosten als gevolg van verschillende nationale regelgevingseisen was toegenomen (zie in die zin overweging 6 DMA).

21 In deze context heeft de Uniewetgever beslist om de DMA vast te stellen teneinde met name bij te dragen tot de goede werking van de interne markt door regels vast te stellen die de betwistbaarheid en de eerlijkheid van de markten in de digitale sector moeten waarborgen zowel in het algemeen als ten behoeve van zakelijke gebruikers en eindgebruikers van door poortwachters aangeboden KPD’s in het bijzonder (zie in die zin artikel 1, lid 1, en overweging 7 DMA).

22 Zoals volgt uit de overwegingen 32 en 33 DMA heeft de doelstelling inzake het waarborgen van de betwistbaarheid van de markten in de digitale sector betrekking op het vermogen van ondernemingen om toegangs- en expansiedrempels doeltreffend weg te nemen en met de poortwachter te concurreren op basis van de merites van hun producten en diensten. De eerlijkheid van die markten waarborgen heeft als doel te voorkomen dat er een onevenwicht ontstaat tussen de rechten en plichten van de zakelijke gebruikers wanneer de poortwachter een onevenredig voordeel verkrijgt. Het is namelijk mogelijk dat poortwachters, vanwege hun positie als toegangspoort en hun betere onderhandelingspositie, gedrag vertonen waardoor anderen niet ten volle de voordelen van hun eigen bijdragen kunnen benutten, en dat zij eenzijdig onevenwichtige voorwaarden vaststellen voor het gebruik van hun KPD’s of van diensten die samen met of ter ondersteuning van deze KPD’s worden aangeboden.

23 Daartoe bepaalt artikel 3, lid 1, DMA dat een onderneming als poortwachter wordt aangewezen wanneer zij aan de volgende drie cumulatieve vereisten voldoet: a) zij heeft een aanzienlijke impact op de interne markt. b) zij biedt een KPD aan die een belangrijke toegangspoort vormt. c) zij neemt met betrekking tot haar activiteiten een stevig verankerde en duurzame positie in of zal naar verwachting in de nabije toekomst een dergelijke positie innemen.

24 Volgens artikel 3, lid 2, DMA wordt een onderneming vermoed te voldoen aan de respectieve vereisten van lid 1: a) wat betreft lid 1, onder a), indien zij in de laatste drie boekjaren in de Unie een jaaromzet van ten minste 7,5 miljard EUR heeft behaald (hierna: „drempel inzake de in de Unie behaalde omzet”), of indien haar gemiddelde marktkapitalisatie of haar equivalente marktprijswaarde in het laatste boekjaar ten minste 75 miljard EUR bedroeg (hierna: „drempel inzake de wereldwijde marktprijswaarde”), en indien zij in ten minste drie lidstaten dezelfde KPD aanbiedt; b) wat betreft lid 1, onder b), indien zij een KPD aanbiedt met in het laatste boekjaar ten minste 45 miljoen maandelijks actieve eindgebruikers die in de Unie zijn gevestigd of zich aldaar bevinden (hierna: „eindgebruikers”) en ten minste 10000 jaarlijks actieve, in de Unie gevestigde zakelijke gebruikers (hierna: „zakelijke gebruikers”), waarbij alle gebruikers worden geïdentificeerd en hun aantal wordt berekend aan de hand van de methode en de indicatoren in de bijlage bij deze verordening; c) wat betreft lid 1, onder c), indien in elk van de laatste drie boekjaren aan de onder b) van dit lid genoemde drempels is voldaan.

25 Artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA bepaalt dat de onderneming die KPD’s aanbiedt in haar kennisgeving in de zin van artikel 3, lid 3, eerste alinea, DMA voldoende onderbouwde argumenten kan aanvoeren om aan te tonen dat zij door de omstandigheden waarin de betrokken kernplatformdienst actief is bij wijze van uitzondering niet voldoet aan de vereisten van lid 1, ondanks het feit dat zij aan alle drempels van lid 2 voldoet.

26 Overeenkomstig artikel 3, lid 5, tweede en derde alinea, DMA kan de Commissie, indien zij van oordeel is dat de argumenten die door de onderneming die KPD’s aanbiedt op grond van de eerste alinea zijn aangevoerd, onvoldoende onderbouwd zijn omdat zij de vermoedens van lid 2 van dat artikel niet kennelijk in twijfel trekken, die argumenten binnen de in lid 4 ervan bedoelde termijn afwijzen zonder een marktonderzoek krachtens artikel 17, lid 3, DMA uit te voeren.

27 Indien de onderneming die KPD’s aanbiedt wel voldoende onderbouwde argumenten aanvoert die de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA kennelijk in twijfel trekken, kan de Commissie binnen diezelfde termijn een marktonderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 3, DMA uitvoeren.

28 Ten slotte moet worden opgemerkt dat de DMA voorziet in een gerichte reeks wettelijke verplichtingen waaraan een als poortwachter aangewezen onderneming met betrekking tot elk van de in het desbetreffende aanwijzingsbesluit vermelde KPD’s moet voldoen. Deze verplichtingen zien op bepaalde praktijken die, rekening houdend met de kenmerken van de digitale sector, worden geacht de betwistbaarheid te ondermijnen of oneerlijk te zijn, of beide, en die een bijzonder negatieve directe impact hebben op zakelijke gebruikers en eindgebruikers (zie in die zin overweging 31 DMA).

2. Niet-betwiste aspecten van het bestreden besluit

29 In de eerste plaats betwist verzoekster in het kader van het onderhavige geding niet dat TikTok een onlinesocialenetwerkdienst is in de zin van artikel 2, punt 2, onder c), en punt 7, DMA en geen videoplatformdienst in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), en punt 8, DMA, zoals in het bestreden besluit is vastgesteld.

30 In de tweede plaats betwist verzoekster niet dat aan de drempels van artikel 3, lid 2, onder a) tot en met c), DMA was voldaan en dat ByteDance bijgevolg geacht werd te voldoen aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA voor de aanwijzing als poortwachter.

31 Met name betwist verzoekster ten eerste niet de vaststelling in het bestreden besluit dat de wereldwijde marktprijswaarde van ByteDance, die in het laatste boekjaar op [> 75] ( 1 ) miljard EUR werd geschat, de in artikel 3, lid 2, onder a), DMA gestelde drempel inzake de wereldwijde marktprijswaarde overschreed, noch dat TikTok in alle lidstaten van de Unie beschikbaar was en dat derhalve ook was voldaan aan het in diezelfde bepaling neergelegde vereiste dat de KPD in kwestie in ten minste drie lidstaten moet worden aangeboden, zodat ByteDance kon worden geacht een aanzienlijke impact op de interne markt te hebben in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), DMA.

32 Ten tweede betwist verzoekster niet dat eveneens was voldaan aan de in artikel 3, lid 2, onder b), DMA neergelegde drempels van ten minste 45 miljoen eindgebruikers en ten minste 10000 zakelijke gebruikers, zodat TikTok kon worden geacht een belangrijke toegangspoort in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA te vormen. Uit het bestreden besluit blijkt dat TikTok in 2022 125 miljoen eindgebruikers en [> 10000] zakelijke gebruikers had.

33 Ten derde betwist verzoekster evenmin dat in elk van de laatste drie boekjaren aan de in artikel 3, lid 2, onder b), DMA genoemde drempels is voldaan en dat ByteDance bijgevolg overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder c), DMA kon worden geacht met betrekking tot haar activiteiten een stevig verankerde en duurzame positie in te nemen of naar verwachting in de nabije toekomst een dergelijke positie te zullen innemen in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), DMA. Uit het bestreden besluit blijkt dat TikTok in 2020, 2021 en 2022 respectievelijk [> 45], [> 45] en 125 miljoen eindgebruikers had en volgens een conservatieve berekening ten minste [> 10000], [> 10000] en [> 10000] zakelijke gebruikers, zodat de drempels van artikel 3, lid 2, onder b), DMA werden overschreden.

34 Partijen verschillen daarentegen van mening over de vraag of de Commissie terecht kon oordelen dat de door verzoekster overeenkomstig artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA aangevoerde argumenten niet voldoende waren onderbouwd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA met betrekking tot TikTok kennelijk in twijfel te trekken.

35 In het licht van deze overwegingen moeten de verschillende onderdelen van het eerste middel worden onderzocht.

3. Juridische toets toegepast door de Commissie bij het onderzoek van de ter weerlegging van de vermoedens aangevoerde argumenten (eerste middel, eerste onderdeel)

36 Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie in het bestreden besluit een onjuist juridisch criterium heeft toegepast bij haar onderzoek van de argumenten en bewijzen die zij overeenkomstig artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA had aangevoerd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen. In een eerste grief verwijt zij de Commissie dat zij bepaalde „kwalitatieve” argumenten en bewijzen heeft verworpen en in een tweede grief dat zij een te hoge bewijsstandaard heeft gehanteerd door „overtuigende” bewijzen te eisen.

a) Soort argumenten en bewijzen dat kan worden aangevoerd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen

1) Argumenten van partijen

37 Zoals zij ter terechtzitting heeft toegelicht, stelt verzoekster dat de Commissie in overweging 161 van het bestreden besluit ten onrechte bepaalde „kwalitatieve” argumenten en bewijzen heeft verworpen die zij had aangevoerd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen. Volgens verzoekster is de uitlegging van overweging 23 DMA waarop de Commissie zich bij de afwijzing van die argumenten en bewijzen heeft gebaseerd en volgens welke elk bewijs dat niet in deze overweging is genoemd, wordt uitgesloten, in strijd met zowel de bewoordingen van die overweging als artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA, waarin staat dat de kwalificatie van poortwachter moet voldoen aan de in lid 1 van dat artikel genoemde vereisten, rekening houdend met de „omstandigheden waarin de betrokken [KPD] actief is” Die overweging sluit alleen rechtvaardigingen op economische gronden uit die bedoeld zijn om de markt te bepalen of efficiëntieverbeteringen aan te tonen. Daarentegen worden daardoor niet de „kwalitatieve” bewijzen uitgesloten die rechtstreeks verband houden met de omkering van de vermoedens dat de kwantitatieve drempels de poortwachtersstatus aantonen. Volgens verzoekster is het redundant om enkel kwantitatieve elementen te aanvaarden om de eveneens kwantitatieve drempels te weerleggen waarop deze vermoedens zijn gebaseerd.

38 De Commissie is het met verzoekster eens dat overweging 23 DMA niet aldus kan worden uitgelegd dat „kwalitatieve” argumenten en bewijzen worden uitgesloten, mits zij rechtstreeks verband houden met de kwantitatieve drempels waarop de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA zijn gebaseerd, en dat de in deze overweging opgesomde elementen die in aanmerking kunnen worden genomen, bij wijze van voorbeeld zijn gegeven. Zij betoogt evenwel dat zij in het bestreden besluit de door verzoekster aangevoerde „kwalitatieve” argumenten of bewijzen niet als irrelevant heeft afgewezen, maar ze net als de door verzoekster aangevoerde „kwantitatieve” argumenten en bewijzen heeft onderzocht voor zover zij rechtstreeks verband hielden met deze vermoedens. Volgens haar zijn enkel de zogenoemde „aanvullende” argumenten van verzoekster uitgesloten op grond dat zij niet rechtstreeks verband hielden met de kwantitatieve drempels waarop de vermoedens waren gebaseerd, zoals blijkt uit overweging 161 van het bestreden besluit.

2) Beoordeling door het Gerecht

39 Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoekster met de uitdrukking „kwalitatieve’ argumenten en bewijzen” in het kader van de eerste grief verwijst naar de argumenten en bewijzen die zij tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen, en die niet in cijfers waren uitgedrukt.

40 In dit verband moet erop worden gewezen dat het moeilijk, zo niet onmogelijk, kan zijn om onderscheid te maken tussen „kwantitatieve” en „kwalitatieve” argumenten of bewijzen. Een „kwalitatief” argument wordt vaak ondersteund door cijfers. Het kan daarom kunstmatig zijn om de twee van elkaar te scheiden en alleen het kwantitatieve element te aanvaarden, ook al is het bedoeld om een kwalitatief argument te ondersteunen.

41 Vervolgens moet worden opgemerkt dat de in artikel 3, lid 1, DMA neergelegde vereisten voor aanwijzing als poortwachter niet in cijfers zijn uitgedrukt. Voor deze aanwijzing is vereist dat de onderneming in kwestie een aanzienlijke impact heeft op de interne markt, een KPD aanbiedt die een belangrijke toegangspoort vormt en met betrekking tot haar activiteiten een stevig verankerde en duurzame positie inneemt of naar verwachting in de nabije toekomst een dergelijke positie zal innemen.

42 Het is juist dat de in artikel 3, lid 2, DMA vastgestelde drempels, die het mogelijk maken om aan te nemen dat aan de in lid 1 van dat artikel vastgestelde vereisten is voldaan, in wezen kwantitatief zijn.

43 Het betreft echter weerlegbare vermoedens. Op grond van artikel 3, lid 5, eerste en tweede alinea, DMA kan de betrokken onderneming namelijk voldoende onderbouwde argumenten aanvoeren om aan te tonen dat zij, door de omstandigheden waarin de betrokken KPD actief is, bij wijze van uitzondering niet voldoet aan de vereisten van lid 1 van dat artikel, ondanks het feit dat zij aan alle kwantitatieve drempels van lid 2 ervan voldoet. Wanneer die argumenten onvoldoende onderbouwd zijn, omdat die vermoedens daardoor kennelijk niet in twijfel worden getrokken, kan de Commissie ze verwerpen zonder krachtens artikel 17, lid 3, DMA een marktonderzoek uit te voeren.

44 Niets in de bewoordingen van artikel 3, lid 5, DMA biedt de Commissie dus de mogelijkheid om argumenten of bewijzen die door een onderneming worden aangevoerd, zonder meer als irrelevant uit te sluiten op grond dat zij niet in cijfers zijn uitgedrukt.

45 In dit verband wordt in overweging 23 DMA met name gepreciseerd dat de Commissie „[b]ij haar beoordeling van de [krachtens artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA] overgelegde bewijzen en argumenten […] alleen rekening [dient] te houden met de elementen die rechtstreeks verband houden met de kwantitatieve criteria, namelijk de impact op de interne markt van de onderneming die [KPD’s] aanbiedt, boven inkomsten of marktkapitalisatie, zoals haar omvang in absolute termen en het aantal lidstaten waar zij aanwezig is; de mate waarin de werkelijke aantallen zakelijke gebruikers en eindgebruikers de drempels overschrijden en het belang van de [KPD] van de onderneming, rekening houdend met de totale omvang van de activiteiten van de respectieve [KPD], en het aantal jaren waarvoor de drempels zijn bereikt”. Verder staat in diezelfde overweging te lezen dat „[e]lke rechtvaardiging op economische gronden die bedoeld is om mee de markt te bepalen of die moet aantonen dat een bepaald soort gedrag van de onderneming die [KPD’s] aanbiedt, tot efficiëntieverbeteringen leidt, moet worden verworpen, aangezien dat niet relevant is voor de aanwijzing als poortwachter”.

46 Uit overweging 23 DMA volgt dat de enige categorieën argumenten of bewijzen die de Uniewetgever uitdrukkelijk als irrelevant heeft uitgesloten, de argumenten of bewijzen zijn die voortkomen uit een rechtvaardiging op economische gronden die bedoeld is om de markt te bepalen of die efficiëntieverbeteringen moet aantonen.

47 Uit overweging 23 DMA blijkt ook dat argumenten en bewijzen, om in aanmerking te worden genomen, „rechtstreeks verband [moeten] houden met de kwantitatieve criteria”, waarbij de term „kwantitatieve criteria” verwijst naar de kwantitatieve drempels waarin artikel 3, lid 2, DMA voorziet. Dit vereiste van een rechtstreeks verband betekent echter niet dat een argument of bewijs a priori als irrelevant moet worden uitgesloten op de enkele grond dat het niet in cijfers is uitgedrukt. Een dergelijk argument of bewijs kan namelijk, naargelang de omstandigheden, rechtstreeks verband houden met die kwantitatieve drempels, zodat het in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van de argumenten en bewijzen die zijn aangevoerd om de vermoedens van die bepaling te weerleggen. Omgekeerd is het mogelijk dat een argument of bewijs van kwantitatieve aard, naargelang de omstandigheden, niet rechtstreeks verband houdt met die kwantitatieve drempels, zodat het bij dit onderzoek niet in aanmerking moet worden genomen.

48 Hieruit volgt dat overweging 23 DMA niet a priori argumenten of bewijzen die niet in cijfers zijn uitgedrukt, als irrelevant uitsluit, mits zij rechtstreeks verband houden met een of meer van de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA, die de vorm van kwantitatieve drempels aannemen.

49 Ook moet worden opgemerkt dat de in overweging 23 DMA genoemde lijst van elementen die in aanmerking kunnen worden genomen, niet uitputtend is.

50 Hoewel de betrokken lijst wordt ingeleid door het woord „namelijk”, worden sommige elementen van deze lijst vervolgens toegelicht aan de hand van voorbeelden („zoals”). Bovendien is het enige element dat in overweging 23 DMA wordt genoemd in verband met de omkering van het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder c), DMA het „aantal jaren waarvoor de drempels [betreffende het aantal zakelijke gebruikers en het aantal eindgebruikers] zijn bereikt”. Dit element komt echter in wezen overeen met de drempel waarop dit vermoeden is gebaseerd. Indien ditzelfde element dus de enige toelaatbare factor was om dat vermoeden te weerleggen, zou dit vermoeden de facto onweerlegbaar worden, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 3, lid 5, DMA. Bovendien geeft dat artikel geen uitputtende lijst van elementen die hiertoe kunnen worden aangevoerd, maar verwijst het slechts naar de „omstandigheden waarin de betrokken [KPD] actief is”.

51 Derhalve kan worden geconcludeerd dat artikel 3, lid 5, DMA, gelezen in het licht van overweging 23 DMA, aldus moet worden uitgelegd dat het de betrokken onderneming de mogelijkheid biedt om argumenten en bewijzen aan te voeren, ongeacht of zij in cijfers zijn uitgedrukt, om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen, mits zij rechtstreeks verband houden met een of meer van deze vermoedens.

52 Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft verklaard, verwijt zij de Commissie in casu dat zij in overweging 161 van het bestreden besluit haar „aanvullende” argumenten heeft verworpen op grond dat deze argumenten niet rechtstreeks verband hielden met de kwantitatieve drempels waarin artikel 3, lid 2, DMA voorziet.

53 Van haar kant heeft de Commissie bevestigd dat zij in het bestreden besluit had geoordeeld dat alle argumenten en bewijzen die verzoekster had aangevoerd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA, waaronder die van „kwalitatieve” aard, te weerleggen, rechtstreeks verband hielden met deze vermoedens, en dat zij deze argumenten en bewijzen op andere gronden had afgewezen, met uitzondering van verzoeksters „aanvullende” argumenten, die zij in overweging 161 van het bestreden besluit had verworpen op grond dat zij niet rechtstreeks verband hielden met die vermoedens.

54 In dit verband moet worden vastgesteld dat de Commissie verzoeksters „aanvullende” argumenten pas heeft onderzocht na de argumenten en bewijzen te hebben onderzocht die verzoekster had aangevoerd om elk van de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen.

55 In deze omstandigheden moet de vraag of de Commissie terecht de door verzoekster aangevoerde „aanvullende” argumenten kon verwerpen op grond dat zij niet rechtstreeks verband hielden met deze vermoedens, worden onderzocht in de volgorde waarin deze argumenten in het bestreden besluit aan de orde komen. Deze vraag zal derhalve worden onderzocht na verzoeksters argumenten betreffende de vermoedens van artikel 3, lid 2, onder a) tot en met c), van de verordening.

56 Hieruit volgt dat de uitkomst van de eerste grief van het eerste onderdeel van het eerste middel afhankelijk is van de gegrondheid van verzoeksters argumenten betreffende overweging 161 van het bestreden besluit, die in de punten 321 tot en met 328 hieronder worden onderzocht.

b) Bewijsstandaard die vereist is om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA in twijfel te trekken

1) Argumenten van partijen

57 Verzoekster verwijt de Commissie dat zij in overweging 126 van het bestreden besluit een hogere bewijsstandaard heeft geëist dan artikel 3, lid 5, DMA voorschrijft, door te oordelen dat verzoekster, om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen, „overtuigende” bewijzen moest aanleveren. In andere besluiten ter zake heeft de Commissie een onderscheid gemaakt tussen enerzijds argumenten die de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA kennelijk in twijfel trekken en de uitvoering van een marktonderzoek rechtvaardigen, en anderzijds argumenten die „volledig en ondubbelzinnig” aantonen dat niet aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA is voldaan. Ten slotte wijst zij erop dat het bestaan van „twijfels” of „prima-faciebewijs” over de vraag of de betrokken onderneming aan deze vereisten voldoet, voldoende moet zijn om een marktonderzoek krachtens artikel 17, lid 3, DMA uit te voeren.

58 De Commissie betwist verzoeksters argumenten. Zij stelt dat de verklaring in overweging 126 van het bestreden besluit dat de betrokken onderneming „overtuigende” bewijzen moet aanleveren, geen hogere bewijsstandaard oplegt dan de DMA. Volgens haar geeft het enkele gebruik van het woord „overtuigend” niet de toegepaste bewijsstandaard aan, aangezien het, ongeacht deze standaard, voor het trekken van conclusies uit een bewijs noodzakelijk is dat dit bewijs overtuigend is. Zij voegt hier in wezen aan toe dat het door verzoekster aangevoerde onderscheid tussen de bewijsstandaard die vereist is om een marktonderzoek krachtens artikel 17, lid 3, DMA uit te voeren en de bewijsstandaard die vereist is om aan te nemen dat de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA zijn weerlegd, in casu niet relevant is, aangezien verzoeksters argumenten noch aan de ene, noch aan de andere bewijsstandaard voldoen.

2) Beoordeling door het Gerecht

59 Volgens overweging 23 DMA is het „aan [de betrokken] onderneming om te bewijzen dat hetgeen wordt vermoed als gevolg van het feit dat de kwantitatieve drempels [van artikel 3, lid 2, van deze verordening] worden gehaald, niet gerechtvaardigd is”.

60 Wat betreft de bewijsstandaard die vereist is om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA te weerleggen bepaalt lid 5, eerste alinea, van dat artikel dat de betrokken onderneming voldoende onderbouwde argumenten kan aanvoeren om aan te tonen dat zij, door de omstandigheden waarin de betrokken kernplatformdienst actief is, bij wijze van uitzondering niet voldoet aan de vereisten van lid 1 van dat artikel, ondanks het feit dat zij aan alle drempels van lid 2 ervan voldoet. Volgens artikel 3, lid 5, tweede en derde alinea, DMA kan de Commissie bovendien, wanneer zij van mening is dat de door de betrokken onderneming aangevoerde argumenten niet voldoende zijn onderbouwd omdat zij die vermoedens kennelijk niet ter discussie stellen, deze argumenten verwerpen zonder een marktonderzoek uit te voeren, terwijl zij, wanneer deze onderneming voldoende onderbouwde argumenten aanvoert die deze vermoedens kennelijk wel ter discussie stellen, een dergelijk onderzoek kan uitvoeren.

61 De bewijsstandaard die vereist is om de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA in twijfel te trekken is dus door de Uniewetgever zelf bepaald, door van de betrokken onderneming, waarop de bewijslast rust, te eisen dat zij voldoende onderbouwde argumenten aanvoert die deze vermoedens kennelijk ter discussie stellen.

62 In de onderhavige zaak is door verzoekster slechts één overweging van het bestreden besluit genoemd waarin de Commissie een hogere bewijsstandaard heeft geëist dan die van artikel 3, lid 5, DMA, namelijk overweging 126 van dat besluit. Ook moet worden opgemerkt dat de Commissie in deze overweging in het kader van haar onderzoek van de argumenten die waren aangevoerd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen, met name heeft aangegeven dat het aan de betrokken onderneming was om „overtuigende bewijzen” aan te leveren waaruit bleek dat haar KPD – ook al overschreed deze dienst de in die laatste bepaling vastgestelde drempels ruimschoots – geen belangrijke toegangspoort in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA was, en dat verzoekster, om de in de overwegingen 127 tot en met 154 van het bestreden besluit uiteengezette redenen, dergelijk bewijs niet had geleverd.

63 In dit verband moet ten eerste worden vastgesteld dat de Commissie in punt 5.1.3.2.2 van het bestreden besluit de argumenten en bewijzen heeft onderzocht die verzoekster had aangevoerd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen. In overweging 125 van dat besluit heeft zij opgemerkt dat de door verzoekster overeenkomstig artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA aangevoerde argumenten „niet voldoende [waren] onderbouwd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), [DMA] kennelijk in twijfel te trekken”. Voorts heeft zij in haar analyse van de verschillende door verzoekster aangevoerde argumenten en bewijzen opgemerkt dat deze niet geschikt of toereikend waren om dit vermoeden „kennelijk in twijfel te trekken” (zie de overwegingen 129, 134 en 143 van het bestreden besluit).

64 Evenzo heeft de Commissie in haar conclusie betreffende de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA, die is opgenomen in punt 5.1.3.2.5 van het bestreden besluit, geoordeeld dat de door verzoekster overeenkomstig artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA aangevoerde argumenten „niet voldoende [waren] onderbouwd om de vermoedens van artikel 3, lid 2, [DMA] kennelijk in twijfel te trekken”, zodat zij overeenkomstig artikel 3, lid 5, tweede alinea, DMA moesten worden afgewezen zonder dat een marktonderzoek hoefde te worden uitgevoerd.

65 Hieruit volgt dat de Commissie bij haar onderzoek van de argumenten en bewijzen die verzoekster had aangevoerd ter weerlegging van het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA, heeft verklaard dat zij de in punt 60 hierboven beschreven bewijsstandaard van artikel 3, lid 5, DMA heeft toegepast.

66 De Commissie heeft dus slechts één keer, namelijk in overweging 126 van het bestreden besluit, verwezen naar het vereiste om „overtuigende” bewijzen te leveren teneinde het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen, zodat het om een geïsoleerd geval gaat. Indien deze verwijzing aldus moet worden begrepen dat zij bewijzen moet aanleveren die dit vermoeden definitief weerleggen, zoals verzoekster stelt, zou een dergelijk vereiste alleszins niet overeenstemmen met de bewijsstandaard die door artikel 3, lid 5, DMA wordt voorgeschreven. In het bestreden besluit, in zijn geheel gelezen, wijst niets er echter op dat de Commissie met het woord „overtuigend” heeft willen eisen dat bewijzen worden overgelegd die het vermoeden definitief weerleggen.

67 Hoe dan ook zal in het kader van het derde onderdeel van het eerste middel worden onderzocht of de bewijsstandaard die door de Commissie daadwerkelijk is toegepast bij het onderzoek van de argumenten en bewijzen die verzoekster heeft aangevoerd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen, ongeacht de wijze waarop de Commissie in overweging 126 van het bestreden besluit de vereiste bewijsstandaard heeft omschreven, in overeenstemming is met de bewijsstandaard van artikel 3, lid 5, DMA.

68 Ten tweede moet verzoeksters argument worden verworpen dat is ontleend aan het feit dat de Commissie in andere besluiten ter zake een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds argumenten die de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA kennelijk in twijfel trekken en het uitvoeren van een marktonderzoek rechtvaardigen, en anderzijds argumenten die „volledig en ondubbelzinnig” aantonen dat niet aan de vereisten van artikel 3, lid 1, DMA is voldaan, op basis waarvan de Commissie kan concluderen dat deze vermoedens zijn weerlegd zonder dat zij een marktonderzoek hoeft uit te voeren. Verzoekster stelt namelijk niet dat de Commissie in het bestreden besluit haar argumenten heeft verworpen op grond dat zij niet „volledig en ondubbelzinnig” konden aantonen dat niet aan deze vereisten was voldaan, zodat haar argument niet ter zake dienend is. Bovendien mag hoe dan ook niet uit het oog worden verloren dat de Commissie de omstandigheden van elk geval afzonderlijk moet analyseren, zonder gebonden te zijn aan eerdere besluiten betreffende andere marktdeelnemers of andere KPD’s (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 september 2022, SŽ – Tovorni promet/Commissie, T‑575/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:551, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69 Ten derde kan verzoeksters argument dat de door de DMA van de betrokken onderneming vereiste bewijsstandaard neerkomt op het aantonen van het bestaan van „twijfels” of „prima-faciebewijs”, hetgeen volgens haar voldoende moet zijn om een marktonderzoek uit te voeren krachtens artikel 17, lid 3, DMA, niet slagen.

70 Een dergelijke bewijsstandaard stemt namelijk niet overeen met die van artikel 3, lid 5, derde alinea, DMA, op grond waarvan een marktonderzoek kan worden ingesteld wanneer de argumenten van de betrokken onderneming voldoende zijn onderbouwd om, bij wijze van uitzondering, de vermoedens van artikel 3, lid 2, van deze verordening kennelijk in twijfel te trekken.

71 In dit verband blijkt uit de begrippen „bij wijze van uitzondering” en „kennelijk” in artikel 3, lid 5, DMA ondubbelzinnig dat van de betrokken onderneming een hoge bewijsstandaard wordt geëist, in die zin dat de door haar aangevoerde argumenten in hoge mate aannemelijk moeten kunnen maken dat de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA in twijfel worden getrokken. De door verzoekster aangevoerde bewijsstandaard, namelijk het aantonen van het bestaan van louter „twijfels” of van „prima-faciebewijs”, is lager dan door de DMA wordt vereist.

72 Onder voorbehoud van het onderzoek van de bewijsstandaard die de Commissie daadwerkelijk heeft toegepast bij haar beoordeling van de argumenten en bewijzen die verzoekster heeft aangevoerd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te weerleggen moet verzoeksters argument inzake de bewijsstandaard die is vereist om het in deze bepaling bedoelde vermoeden in twijfel te trekken, dan ook worden verworpen.

4. Vermoeden dat ByteDance een aanzienlijke impact heeft op de interne markt (eerste middel, tweede onderdeel)

a) Argumenten van partijen

73 Verzoekster stelt dat de Commissie in de overwegingen 120 tot en met 124 van het bestreden besluit artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 3, lid 5, DMA heeft geschonden door de argumenten te verwerpen waarmee verzoekster wilde aantonen dat ByteDance geen aanzienlijke impact had op de interne markt. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft verduidelijkt, verwijt zij de Commissie niet dat zij bepaalde argumenten en bewijzen die ByteDance tijdens de administratieve procedure had aangevoerd, niet heeft onderzocht, maar dat de Commissie deze in die overwegingen oppervlakkig en onjuist heeft onderzocht. Zij voert in wezen aan dat de impact van ByteDance op de interne markt niet aanzienlijk was in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), DMA, zoals blijkt uit het feit dat de omzet van ByteDance in de Unie laag was, TikTok sinds de introductie ervan in de Unie [vertrouwelijk] was en de totale marktprijswaarde van ByteDance voornamelijk gebaseerd was op haar activiteiten in China, zodat deze waarde niet representatief was voor haar impact op de interne markt.

74 De Commissie betwist verzoeksters argumenten door in wezen de in de overwegingen 120 tot en met 124 van het bestreden besluit uiteengezette gronden te herhalen. De inhoud daarvan wordt hieronder in herinnering gebracht.

b) Bestreden besluit

75 In overweging 120 van het bestreden besluit heeft de Commissie opgemerkt dat de argumenten die verzoekster overeenkomstig artikel 3, lid 5, eerste alinea, DMA in haar kennisgeving had aangevoerd, onvoldoende onderbouwd waren om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA kennelijk in twijfel te trekken.

76 Ten eerste was de Commissie in overweging 121 van het bestreden besluit in wezen van mening dat het feit dat de inkomsten van ByteDance in de Unie lager waren dan de drempel inzake de in de Unie behaalde omzet, irrelevant was, aangezien aan de drempel inzake de wereldwijde marktprijswaarde was voldaan en deze twee drempels als alternatieven werden gesteld.

77 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 122 van het bestreden besluit met name opgemerkt dat verzoeksters argumenten betreffende de herkomst van de reclame-inkomsten van ByteDance in de Unie eveneens irrelevant waren, aangezien zij voldeed aan de drempel inzake de wereldwijde marktprijswaarde.

78 Ten derde heeft de Commissie in overweging 123 van het bestreden besluit in wezen geoordeeld dat het feit dat TikTok in de Unie [vertrouwelijk] heeft, als zodanig het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA niet kennelijk in twijfel kan trekken, op grond dat ByteDance een aanzienlijk potentieel had om haar gebruikers in de Unie in de nabije toekomst te gelde te maken, gelet op haar eerlijke marktprijswaarde op mondiaal niveau en het aantal TikTok-gebruikers in de Unie, die de drempels van artikel 3, lid 2, onder a), respectievelijk onder b), DMA in aanzienlijke mate overschreden.

79 Ten vierde heeft de Commissie in overweging 124 van het bestreden besluit verzoeksters argument dat de eerlijke marktprijswaarde van ByteDance op mondiaal niveau geen aanwijzing was voor haar capaciteit om de TikTok-gebruikers in de Unie te gelde te maken, aangezien deze waarde voortvloeide uit haar activiteiten in China, als irrelevant verworpen op grond dat artikel 3, lid 2, onder a), DMA verwijst naar de marktprijswaarde op mondiaal niveau van de betrokken onderneming in haar geheel, en niet in een specifiek geografisch gebied, en dat deze bepaling bedoeld is als indicatie van de financiële slagkracht van de betrokken onderneming, met inbegrip van haar toegang tot de financiële markten en haar capaciteit om bijvoorbeeld andere innovatieve ondernemingen over te nemen die soortgelijke diensten aanbieden.

c) Beoordeling door het Gerecht

80 In de eerste plaats moet verzoeksters argument worden onderzocht dat de Commissie in overweging 121 van het bestreden besluit ten onrechte heeft geoordeeld dat het feit dat de inkomsten van ByteDance in de Unie lager waren dan de drempel inzake de in de Unie behaalde omzet, irrelevant was om aan te tonen dat ByteDance geen aanzienlijke impact op de interne markt had in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), DMA.

81 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat een onderneming overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), DMA slechts als poortwachter kan worden aangewezen indien zij een aanzienlijke impact heeft op de interne markt.

82 Op grond van artikel 3, lid 2, onder a), DMA kan worden aangenomen dat dit het geval is wanneer aan een van de twee alternatieve drempels is voldaan. De eerste drempel betreft de jaaromzet die de betrokken onderneming binnen de Unie heeft behaald en die in elk van de laatste drie boekjaren ten minste 7,5 miljard EUR moet bedragen. De tweede drempel heeft betrekking op haar gemiddelde marktkapitalisatie of haar equivalente marktprijswaarde, die in het laatste boekjaar ten minste 75 miljard EUR moet bedragen. In beide gevallen moet de onderneming de betrokken KPD in ten minste drie lidstaten aanbieden.

83 In het onderhavige geval betwist verzoekster niet dat ByteDance voldeed aan de drempel inzake de wereldwijde marktprijswaarde en dat zij bijgevolg werd geacht een aanzienlijke impact op de interne markt te hebben.

84 Evenmin wordt betwist dat zij daarentegen niet voldeed aan de drempel inzake de in de Unie behaalde omzet. Tijdens deze periode ging de omzet van ByteDance in de Unie van [< 7,5 miljard] EUR in 2020 naar [< 7,5 miljard] EUR in 2021 en vervolgens naar [< 7,5 miljard] EUR in 2022, zodat deze onder de drempelwaarde bleef.

85 In dit verband moet om te beginnen worden benadrukt dat het feit dat in elk van de laatste drie boekjaren niet is voldaan aan de drempel inzake de in de Unie behaalde omzet, op zich niet voldoende is om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA kennelijk in twijfel te trekken, aangezien aan de andere alternatieve drempel in casu is voldaan, zodat dit vermoeden van toepassing was, zoals in punt 83 hierboven is uiteengezet. Als dat niet zo was, zouden de twee drempels de facto cumulatief worden, hetgeen in strijd zou zijn met de duidelijke bewoordingen van die bepaling.

86 De alternatieve aard van de twee in artikel 3, lid 2, onder a), DMA genoemde drempels doet echter niets af aan de relevantie van de eerste drempel voor het onderzoek of dit element, in combinatie met andere voldoende onderbouwde argumenten, dat vermoeden kennelijk in twijfel trekt.

87 Uit overweging 17 DMA blijkt namelijk dat een hoge in de Unie gerealiseerde omzet in combinatie met het in artikel 3, lid 2, onder b), DMA genoemde aantal betrokken gebruikers van KPD’s in de Unie wijst op een relatief sterk vermogen om deze gebruikers te gelde te maken, terwijl een hoge marktkapitalisatie of marktprijswaarde op mondiaal niveau, in combinatie met hetzelfde aantal gebruikers wijst op een relatief aanzienlijk potentieel om die gebruikers in de nabije toekomst te gelde te maken. Marktkapitalisatie kan ook een indicatie zijn van de verwachte toekomstige positie en de impact op de interne markt van de betrokken ondernemingen, ondanks een mogelijk relatief lage omzet op dat moment.

88 Deze twee drempels vormen dus de weerslag van verwante, maar onderscheiden hypothesen. Terwijl een hoge omzet in de Unie erop wijst dat de betrokken onderneming al in staat is om haar gebruikers op de interne markt te gelde te maken, wijst een hoge marktkapitalisatie of eerlijke marktprijswaarde op mondiaal niveau er eerder op dat deze onderneming het potentieel heeft om in de nabije toekomst haar gebruikers op de interne markt te gelde te maken.

89 Bovendien is de omzet die de betrokken onderneming binnen de Unie behaalt, door de Uniewetgever specifiek gekozen als aanwijzing voor de impact van deze onderneming op de interne markt, zoals blijkt uit artikel 3, lid 2, onder a), en overweging 17 DMA.

90 Het kan dus niet worden uitgesloten dat de betrokken onderneming op basis van verscheidene voldoende onderbouwde argumenten, waaronder haar lage omzet in de Unie, kan aantonen dat zij, ondanks het feit dat haar wereldwijde marktprijswaarde boven de in artikel 3, lid 2, onder a), DMA vastgestelde drempel ligt, slechts beperkt aanwezig is op de interne markt, zodat deze marktprijswaarde, wegens de omstandigheden waarin de betrokken KPD opereert, geen afspiegeling is van haar potentieel om in de nabije toekomst haar gebruikers in de Unie te gelde te maken, en dat zij bijgevolg geen aanzienlijke impact op de interne markt heeft in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), DMA.

91 Bovendien kan de stelling van de Commissie in de laatste volzin van overweging 121 van het bestreden besluit dat de hoogte van de inkomsten van ByteDance in de Unie geen element was dat verband hield met haar impact op de interne markt „boven inkomsten of marktkapitalisatie” in de zin van overweging 23 DMA, alleen maar worden verworpen. De zinsnede „boven inkomsten of marktkapitalisatie” in deze laatste overweging verduidelijkt namelijk alleen dat de betrokken onderneming, om het in deze bepaling bedoelde vermoeden te weerleggen, naast deze twee nog andere elementen kan aanvoeren met betrekking tot haar impact op die markt, aangezien deze twee elementen al in het kader van artikel 3, lid 2, onder a), DMA in aanmerking worden genomen. Zoals in punt 89 hierboven is opgemerkt, wordt in artikel 3, lid 2, onder a), en overweging 17 DMA de omzet binnen de Unie duidelijk genoemd als een van de relevante criteria voor de beoordeling van de impact van deze onderneming op deze markt.

92 Derhalve heeft de Commissie blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door verzoeksters argument betreffende de omzet die ByteDance in de laatste drie boekjaren in de Unie heeft behaald, als irrelevant te verwerpen. De gevolgen van deze onjuiste rechtsopvatting voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit worden in de punten 111 tot en met 117 hieronder besproken.

93 In de tweede plaats verwijt verzoekster de Commissie in overweging 122 van het bestreden besluit haar argumenten met betrekking tot het beperkte aantal zakelijke gebruikers waarvan de reclame-uitgaven op TikTok aanzienlijk zijn, en het beperkte aantal „betrokken landen” als irrelevant van de hand te hebben gewezen.

94 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de Commissie in overweging 122 van het bestreden besluit geen standpunt heeft ingenomen over verzoeksters argument dat het aantal zakelijke gebruikers dat aanzienlijke reclame-uitgaven op TikTok doet, beperkt is, omdat een dergelijk argument niet was aangevoerd in de kennisgeving om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA te weerleggen. Verzoeksters grief berust derhalve op een onjuiste lezing van dat besluit en moet om die reden worden afgewezen.

95 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 122 van het bestreden besluit een standpunt ingenomen over verzoeksters argument dat was aangevoerd in de kennisgeving om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA te weerleggen dat TikTok alleen in [vertrouwelijk] lidstaten, namelijk [vertrouwelijk], aanzienlijke reclame-inkomsten had.

96 Dienaangaande volstaat het om vast te stellen dat verzoekster voor het Gerecht geen concreet argument heeft aangevoerd dat specifiek is gericht tegen de afwijzing, in overweging 122 van het bestreden besluit, van de relevantie van het feit dat TikTok alleen in [vertrouwelijk] lidstaten aanzienlijke reclame-inkomsten verwierf. Overigens blijkt uit de kennisgeving dat TikTok reclame-inkomsten heeft verworven in [vertrouwelijk] van de lidstaten. Zij legt echter niet uit hoe het feit dat het merendeel daarvan is gegenereerd in een aantal van de dichtstbevolkte lidstaten van enigerlei invloed zou kunnen zijn op de beoordeling van haar impact op de interne markt in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), DMA.

97 In de derde plaats verwijt verzoekster de Commissie in wezen dat zij in overweging 123 van het bestreden besluit ten onrechte heeft geoordeeld dat haar argument dat ByteDance sinds haar introductie [vertrouwelijk] was in de Unie, het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA niet kennelijk in twijfel kon trekken.

98 In dit verband zij erop gewezen dat het TikTok-platform in zijn huidige versie in augustus 2018 in de Unie is geïntroduceerd en zich ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit dus in een vroeg stadium van tegeldemaking in de Unie bevond, zoals verzoekster in haar stukken heeft uiteengezet. Zo is ByteDance sinds de introductie van TikTok in de Unie steeds in het platform blijven investeren om gebruikers en adverteerders aan te trekken, met name door contentcreators aan te moedigen om inhoud voor TikTok te produceren.

99 Bijgevolg kan het feit dat ByteDance gedurende de eerste jaren na haar intrede op de interne markt [vertrouwelijk] kan zijn geweest, op zich het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA niet kennelijk in twijfel trekken, aangezien verschillende andere relevante factoren samen aantoonden dat deze onderneming over een aanzienlijk potentieel beschikte om de TikTok-gebruikers in de Unie in de nabije toekomst te gelde te maken, zoals de Commissie in overweging 123 van het bestreden besluit terecht heeft opgemerkt.

100 De mate waarin de drempels van artikel 3, lid 2, onder a), DMA zijn overschreden en, meer in het bijzonder, de zeer hoge eerlijke marktprijswaarde van ByteDance op mondiaal niveau, namelijk [> 75] miljard EUR, waarmee de in deze bepaling vastgestelde drempel van 75 miljard EUR ruimschoots is overschreden, alsmede het grote aantal eindgebruikers en zakelijke gebruikers van TikTok in de Unie in 2022, namelijk respectievelijk 125 miljoen en [> 10000], waarmee ook de in artikel 3, lid 2, onder b), DMA vastgestelde drempels van ten minste 45 miljoen eindgebruikers en 10000 zakelijke gebruikers in elk van de laatste drie boekjaren meer dan ruimschoots zijn overschreden, getuigen namelijk van het aanzienlijke potentieel van ByteDance om haar gebruikers in de Unie in de nabije toekomst te gelde te maken, ondanks haar [vertrouwelijk] toestand gedurende een eerste periode na haar introductie in de Unie, en bijgevolg van haar aanzienlijke impact op de interne markt.

101 Bijgevolg moeten verzoeksters argumenten tegen overweging 123 van het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

102 In de vierde plaats verwijt verzoekster de Commissie dat zij in overweging 124 van het bestreden besluit ten onrechte verzoeksters argument heeft verworpen dat de eerlijke marktprijswaarde van ByteDance op mondiaal niveau geen aanwijzing vormde voor de capaciteit van ByteDance om de TikTok-gebruikers in de Unie te gelde te maken, aangezien deze waarde hoofdzakelijk voortvloeide uit haar activiteiten in China, die op geen enkele wijze verband hielden met haar activiteiten op de interne markt.

103 De Commissie heeft dit argument als irrelevant verworpen op grond dat de drempel inzake de wereldwijde marktprijswaarde van toepassing was op de betrokken onderneming in haar geheel en niet met betrekking tot een bepaald geografisch gebied. Bovendien was dat argument volgens de Commissie in strijd met de doelstelling die ten grondslag ligt aan het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA dat volgens overweging 17 DMA de financiële capaciteit van de betrokken onderneming weerspiegelt, met inbegrip van haar toegang tot de financiële markten en het daaruit voortvloeiende vermogen om bijvoorbeeld andere innovatieve ondernemingen te verwerven die soortgelijke diensten verlenen.

104 Dienaangaande zij opgemerkt dat het criterium van de marktprijswaarde betrekking heeft op de eerlijke marktprijswaarde van de betrokken onderneming op mondiaal niveau, zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt naargelang de geografische herkomst van deze waarde. De Commissie heeft dus terecht geoordeeld dat het feit dat de eerlijke marktprijswaarde van ByteDance hoofdzakelijk het gevolg was van haar activiteiten in China, irrelevant was.

105 Om te beginnen heeft het feit dat de eerlijke marktprijswaarde van ByteDance op mondiaal niveau hoofdzakelijk voortvloeit uit haar activiteiten in China, haar „Aziatische activiteiten” niet beschikbaar waren in de Unie en bepaalde van de activiteiten in de Unie zijn mislukt, zoals verzoekster stelt, geen gevolgen voor het vermogen van ByteDance om haar in China of elders in de wereld gegenereerde waarde te gebruiken om haar positie in de Unie te versterken.

106 Vervolgens hoefde de Commissie, anders dan verzoekster stelt, niet specifiek te onderzoeken of de „Aziatische activiteiten” van ByteDance op culturele en wettelijke belemmeringen in de Unie stuitten. Het was namelijk aan verzoekster, op wie de bewijslast rust, om aan te tonen dat dit het geval was en dat ByteDance wegens dergelijke culturele en wettelijke belemmeringen op de interne markt niet kon profiteren van haar eerlijke marktprijswaarde op mondiaal niveau.

107 Verzoekster heeft dergelijke elementen echter niet aangevoerd. Integendeel, met name uit de overwegingen 74, 79 en 98 van het bestreden besluit blijkt dat TikTok sinds de introductie ervan in de Unie zeer snel is gegroeid, zoals kan worden opgemaakt uit de omzet van ByteDance in de Unie, die is toegenomen van [< 7,5 miljard] EUR in 2020 tot [< 7,5 miljard] EUR in 2022, te weten een stijging van ongeveer [100‑2 000] %, alsmede uit het steeds sterker stijgende aantal eindgebruikers in de Unie, dat is toegenomen van [> 45] miljoen in 2020 tot 125 miljoen in 2022, zijnde een stijging van ongeveer [50‑100] %, en het aantal zakelijke gebruikers in de Unie, dat volgens de conservatieve methode die de Commissie in het bestreden besluit heeft gebruikt, ten minste is toegenomen van [> 10000] in 2020 tot [> 10000] in 2022, zijnde een stijging van ongeveer [100‑2 000] %. Verzoekster legt niet uit hoe de gestelde culturele en wettelijke belemmeringen te verzoenen zijn met het feit dat TikTok sinds de introductie ervan in de Unie zeer snel is gegroeid.

108 In deze context kon de Commissie terecht oordelen dat de eerlijke marktprijswaarde van ByteDance op mondiaal niveau, in combinatie met het grote aantal TikTok-gebruikers in de Unie, de weerspiegeling vormde van haar financiële capaciteit en haar potentieel om de TikTok-gebruikers in de Unie te gelde te maken.

109 Ten slotte kan het door verzoekster aangevoerde feit dat de door TikTok in de Unie gegenereerde inkomsten minder dan [0‑5] % van de wereldwijde inkomsten van ByteDance vertegenwoordigden en dat de activiteiten van TikTok in de Unie, indien zij afzonderlijk zouden worden gewaardeerd, slechts een [vertrouwelijk] van de waardering van ByteDance op mondiaal niveau zouden vertegenwoordigen, evenmin het potentieel van ByteDance om de TikTok-gebruikers in de Unie te gelde te maken, kennelijk in twijfel trekken, rekening houdend met de elementen die in punt 107 hierboven zijn uiteengezet.

110 Verzoeksters argumenten tegen overweging 124 van het bestreden besluit moeten dus worden verworpen.

111 Derhalve moet nog worden onderzocht welke gevolgen de in punt 92 hierboven vastgestelde onjuiste rechtsopvatting van de Commissie heeft voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

112 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat een onjuistheid in de motivering van de bestreden handeling volgens de rechtspraak niet tot nietigverklaring van deze handeling leidt indien deze onjuistheid in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval geen beslissende invloed op het resultaat kan hebben gehad (zie in die zin arresten van 14 mei 2002, Graphischer Maschinenbau/Commissie, T‑126/99, EU:T:2002:116, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 april 2024, Columbus Stainless/Commissie, T‑445/22, niet gepubliceerd, EU:T:2024:228, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Evenzo heeft het Gerecht geoordeeld dat de eventuele fouten in het bestreden besluit, ongeacht hun omvang, niet tot nietigverklaring ervan kunnen leiden indien en voor zover het Gerecht het op grond van alle andere elementen van dit besluit bewezen kan achten dat de door verzoekster aangevoerde elementen hoe dan ook niet voldoende zijn onderbouwd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA kennelijk in twijfel te trekken (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 oktober 2002, Schneider Electric/Commissie, T‑310/01, EU:T:2002:254, punt 412).

113 Derhalve moet worden nagegaan of de in punt 92 hierboven vastgestelde onjuistheid die de Commissie heeft begaan, door de omzet van ByteDance in de Unie als irrelevant af te doen, in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval een beslissende invloed kan hebben gehad op de verwerping door de Commissie van de door verzoekster ter weerlegging van het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA aangevoerde argumenten.

114 In dit verband moet, ten eerste, worden vastgesteld dat de door de Commissie begane onjuistheid in punt 92 hierboven enkel overweging 121 van het bestreden besluit ongeldig maakt. Verzoekster heeft daarentegen niet aangetoond dat de andere overwegingen van dit besluit, op grond waarvan de Commissie alle andere argumenten heeft verworpen die verzoekster had aangevoerd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA te weerleggen, door een onjuiste rechtsopvatting zijn aangetast, zoals blijkt uit de punten 93 tot en met 110 hierboven.

115 Ten tweede is het feit dat aan de drempel inzake de in de Unie behaalde omzet in elk van de laatste drie boekjaren niet is voldaan, op zich niet voldoende om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA kennelijk in twijfel te trekken, zoals in punt 85 hierboven is opgemerkt. Geen van de andere door verzoekster aangevoerde elementen kan echter worden aanvaard.

116 Ten derde blijven alle andere elementen in het bestreden besluit die de Commissie in aanmerking heeft genomen om te concluderen dat ByteDance over een aanzienlijk potentieel beschikte om haar gebruikers in de Unie in de nabije toekomst te gelde te maken, geldig, niettegenstaande de omzet die zij in de Unie behaalde, die weliswaar onder de in artikel 3, lid 2, onder a), DMA vastgestelde drempel ligt, maar is blijven stijgen, zoals is uiteengezet in de punten 84 en 107 hierboven (zie ook overweging 98 van het bestreden besluit), hetgeen door verzoekster overigens niet wordt betwist. Uit de overwegingen 121, 123 en 124 van dat besluit blijkt dat de eerlijke marktprijswaarde van ByteDance „ruim boven” de drempel van 75 miljard EUR lag, dat het aantal eindgebruikers en zakelijke gebruikers in de Unie de laatste drie boekjaren was blijven stijgen, waarbij de drempels van artikel 3, lid 2, onder b), DMA ruimschoots waren overschreden (zie punt 107 hierboven) en dat de Commissie, gelet op deze omstandigheden, heeft geconcludeerd dat verzoeksters argumenten niet konden weerleggen dat ByteDance over een aanzienlijk potentieel beschikte om haar gebruikers in de Unie in de nabije toekomst te gelde te maken.

117 In deze omstandigheden kan de in punt 92 hierboven vastgestelde onjuiste rechtsopvatting van de Commissie geen beslissende invloed hebben gehad op de conclusie van de Commissie dat de argumenten die verzoekster had aangevoerd om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder a), DMA te weerleggen, niet voldoende waren onderbouwd om dit vermoeden kennelijk in twijfel te trekken, zodat deze onjuiste rechtsopvatting zonder gevolgen blijft voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

118 Het tweede onderdeel van het eerste middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.

5. Vermoeden dat TikTok een belangrijke toegangspoort was (eerste middel, derde onderdeel)

119 Verzoekster stelt dat de Commissie in de overwegingen 125 tot en met 154 van het bestreden besluit artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 3, lid 5, DMA heeft geschonden door de argumenten waarmee zij wilde aantonen dat TikTok geen belangrijke toegangspoort was, te verwerpen.

120 Het onderhavige onderdeel bestaat uit vier grieven, die in wezen zijn ontleend aan het feit dat, ten eerste, ByteDance, in tegenstelling tot andere ondernemingen uit de digitale sector, niet over een ecosysteem beschikt en niet van sterke netwerkeffecten profiteert; ten tweede, een aanzienlijk deel van de TikTok-gebruikers kiezen voor multihoming, dat wil zeggen dat zij naast TikTok een of meer andere platforms gebruiken, zodat er geen significante lock-in-effecten zijn; ten derde, TikTok kleiner van omvang is dan bepaalde andere onlinesocialenetwerkdiensten zoals Facebook en Instagram, en ten vierde, de mate van interactie van adverteerders en geregistreerde zakelijke gebruikers met het TikTok-platform laag is. Volgens haar tonen deze elementen aan dat TikTok geen belangrijke toegangspoort in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA is.

a) Gesteld ontbreken van een ecosysteem en van sterke netwerkeffecten

1) Argumenten van partijen

121 Verzoekster stelt in wezen dat ByteDance, in tegenstelling tot andere ondernemingen uit de digitale sector, niet over een ecosysteem beschikt en niet van sterke netwerkeffecten profiteert, waardoor volgens haar het vermoeden dat TikTok een belangrijke toegangspoort is, in twijfel wordt getrokken. Volgens haar heeft de Commissie in de overwegingen 127 tot en met 133 van het bestreden besluit haar argumenten ten onrechte verworpen.

122 De Commissie betwist verzoeksters argumenten door in wezen de in de overwegingen 127 tot en met 133 van het bestreden besluit uiteengezette gronden te herhalen. De inhoud daarvan wordt hieronder in herinnering gebracht.

2) Bestreden besluit

123 In de overwegingen 127 tot en met 129 van het bestreden besluit heeft de Commissie opgemerkt dat verzoeksters argument dat ByteDance, in tegenstelling tot andere ondernemingen zoals Meta en Alphabet, niet over een ecosysteem beschikte, betrekking had op de mogelijkheid die deze ondernemingen hadden om dankzij hun ecosystemen onlineadvertenties te verkopen, en heeft zij dit argument als irrelevant verworpen op grond dat de betrokken KPD een onlinesocialenetwerkdienst was en geen onlineadvertentiedienst, en de DMA een onderscheid maakt tussen deze twee categorieën KPD’s.

124 Hoe dan ook was de Commissie van mening dat verzoeksters argumenten het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA niet kennelijk in twijfel konden trekken, en wel om de volgende redenen.

125 Ten eerste heeft de Commissie in de overwegingen 130 en 131 van het bestreden besluit opgemerkt dat niets in de DMA erop wijst dat het bestaan van een ecosysteem een absolute voorwaarde is om een KPD als een belangrijke toegangspoort te kunnen beschouwen, en dat het begrip „ecosysteem” verschillende bedrijfsmodellen omvat, zodat elk ecosysteem geval per geval moet worden onderzocht. Bovendien heeft zij opgemerkt dat er meer dan één poortwachter in een specifieke categorie KPD’s kan zijn, en dat niets in de DMA erop wijst dat het enkele feit dat sommige poortwachters een dienst beter te gelde kunnen maken dan andere, betekent dat die andere poortwachters geen belangrijke toegangspoort in deze categorie KPD’s zijn.

126 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 132 van het bestreden besluit vastgesteld dat ByteDance over een eigen ecosysteem beschikte, dat bestond uit zeer populaire videobewerkingsdiensten, bedrijfssoftware en reclame-, nieuws- en gezondheidstoepassingen. Daarbij moet worden opgemerkt dat sommige van de door ByteDance aangeboden diensten, zoals haar videobewerkingstoepassing CapCut, volgens de Commissie in de Unie zeer succesvol waren.

127 Ten derde heeft de Commissie hoe dan ook in overweging 133 van het bestreden besluit opgemerkt dat het aantal eindgebruikers van TikTok was gestegen van [> 45] miljoen in 2020 tot 125 miljoen in 2022, en dat TikTok al de helft van de omvang van Facebook of Instagram had, ook al was het ecosysteem van TikTok niet zo groot als dat van Meta.

3) Beoordeling door het Gerecht

128 De DMA bevat geen definitie van de term ecosysteem. De inhoud van dit begrip kan evenwel worden afgeleid uit de overwegingen 3, 32 en 64 DMA, waaruit in wezen blijkt dat een ecosysteem van digitale platforms kan bestaan uit één of zelfs meerdere KPD’s alsmede uit andere diensten die daaraan gerelateerd zijn, bijvoorbeeld door technologische banden of interoperabiliteit, waardoor de toetredingsdrempels voor concurrenten van deze ondernemingen hoger kunnen worden en de overstapkosten voor eindgebruikers kunnen toenemen, zodat het voor bestaande of nieuwe marktdeelnemers moeilijker wordt om met deze ondernemingen te concurreren of hun positie aan te tasten.

129 Er is dus sprake van een digitaal „ecosysteem” wanneer verschillende categorieën leveranciers, klanten en consumenten worden samengebracht en met elkaar interageren binnen een platform, waarbij de producten of diensten waaruit dit ecosysteem bestaat, met elkaar vervlochten of verbonden kunnen zijn gelet op de horizontale of verticale complementariteit ervan.

130 Uit overweging 3 DMA blijkt dat een van de kenmerken van bepaalde poortwachters juist is dat zij zeggenschap hebben over volledige platformecosystemen in de digitale economie.

131 Hieruit volgt dat het voorhanden zijn van een ecosysteem van digitale platforms een relevante factor kan zijn om te beoordelen of de betrokken onderneming een poortwachter is en, meer in het bijzonder, of de KPD in kwestie een belangrijke toegangspoort vormt.

132 Zoals de Commissie in overweging 130 van het bestreden besluit heeft gepreciseerd, is het bestaan van een ecosysteem een van de typische kenmerken van „sommige” poortwachters als vermeld in de overwegingen 2 en 3 DMA. Evenzo suggereert geen enkele bepaling of overweging van de DMA dat een onderneming noodzakelijkerwijs een platformecosysteem moet beheren om als poortwachter te worden aangewezen. Integendeel, door te bepalen dat „een [KPD]” een belangrijke toegangspoort kan vormen, geeft artikel 3, lid 1, onder b), DMA aan dat een KPD op zichzelf een dergelijke toegangspoort kan vormen, zonder noodzakelijkerwijs deel uit te maken van een ecosysteem.

133 Derhalve is het feit dat een KPD geen deel uitmaakt van een ecosysteem niet voldoende om aan te tonen dat deze KPD geen belangrijke toegangspoort is.

134 Opgemerkt zij ook dat het de voor- of nadelen van het bestaan of ontbreken van een ecosysteem zijn – en dus niet louter het bestaan of ontbreken van een ecosysteem als zodanig – die het mogelijk maken om te beoordelen of de betrokken KPD een belangrijke toegangspoort vormt. Zoals de Commissie in overweging 130 van het bestreden besluit terecht heeft opgemerkt, omvat het begrip „ecosysteem” verschillende bedrijfsmodellen. Bijgevolg moet elk ecosysteem per geval worden onderzocht, rekening houdend met de voordelen die al dan niet uit een dergelijk bedrijfsmodel voortvloeien, met name wat de betwistbaarheid betreft.

135 Vervolgens moet in de eerste plaats worden onderzocht of verzoekster haar stelling dat ByteDance niet over een ecosysteem beschikt, voldoende heeft onderbouwd.

136 Alle argumenten van verzoekster betreffende de overwegingen 127 tot en met 133 van het bestreden besluit zijn namelijk gebaseerd op de premisse dat ByteDance daar niet over beschikt. Zo betwist zij de vaststelling van de Commissie in overweging 132 van dat besluit dat ByteDance over een ecosysteem beschikt bestaande uit zeer populaire videobewerkingsdiensten, bedrijfssoftware en reclame-, nieuws- en gezondheidstoepassingen, waaronder met name CapCut; zij stelt dat dat niet het geval is en dat de Commissie haar conclusie op dit punt hoe dan ook niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd.

137 De Commissie antwoordt met name dat verzoekster haar bewering dat ByteDance geen ecosysteem had, tijdens de administratieve procedure niet heeft onderbouwd.

138 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de bewijslast voor het weerleggen van de vermoedens van artikel 3, lid 2, DMA bij de betrokken onderneming ligt, zoals in punt 59 is opgemerkt.

139 Derhalve stond het aan verzoekster om haar argument dat ByteDance niet over een ecosysteem beschikte, rechtens genoegzaam te onderbouwen en de gevolgen van dit feit voor het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA te preciseren.

140 Op een vraag dienaangaande in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft verzoekster geantwoord dat zij tijdens de administratieve procedure haar argument dat ByteDance niet over een ecosysteem beschikte, had onderbouwd door te verwijzen naar bepaalde documenten die zij in de loop van die procedure had overgelegd.

141 Niettemin moet worden vastgesteld dat verzoekster zich in de betrokken documenten in wezen heeft beperkt tot de verklaring dat ByteDance, anders dan bepaalde concurrenten, met name Meta en Alphabet, niet over een ecosysteem beschikte, zonder evenwel onderbouwde elementen aan te leveren op grond waarvan kon worden aangenomen dat de verschillende digitale diensten die ByteDance in de Unie aanbood, in het licht van de in de punten 128 en 129 hierboven genoemde criteria geen deel uitmaakten van een ecosysteem.

142 Stellig kan niet worden geëist dat de betrokken onderneming voor het weerleggen van een vermoeden buitensporige of onrealistische stappen onderneemt (zie in die zin en naar analogie arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a., C‑74/14, EU:C:2016:42, punt 41).

143 Het vereiste om haar bewering te onderbouwen dat ByteDance niet over een ecosysteem beschikt, houdt echter niet in dat aan verzoekster buitensporige of onrealistische stappen worden opgelegd. Het stond haar namelijk volledig vrij om uit te leggen welke digitale diensten ByteDance in de Unie aanbood en om in het licht van de in de punten 128 en 129 hierboven genoemde criteria de verhouding daartussen te beschrijven, temeer daar zij daarvoor als aanbieder van deze diensten in de beste positie verkeerde.

144 Zoals de Commissie in het kader van het onderhavige geding terecht heeft opgemerkt, moet worden vastgesteld dat verzoekster, die de bewijslast droeg, haar argument dat ByteDance niet over een ecosysteem beschikte waarvan TikTok deel uitmaakte, niet heeft onderbouwd.

145 Aangezien verzoekster niet heeft aangetoond op welke premisse haar argumenten met betrekking tot de overwegingen 127 tot en met 133 van het bestreden besluit zijn gebaseerd, moeten deze argumenten bijgevolg als niet ter zake dienend worden verworpen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of overweging 132 van het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd.

146 In de tweede plaats blijft de conclusie van de Commissie hoe dan ook geldig, zelfs als wordt aangenomen dat ByteDance niet over een ecosysteem beschikt, zoals verzoekster stelt.

147 Het is juist dat de motivering in de overwegingen 127 tot en met 129 van het bestreden besluit niet volledig ingaat op de argumenten die zij in de kennisgeving had aangevoerd, zoals verzoekster stelt. Verzoekster blijkt hierin namelijk verschillende voordelen te hebben opgesomd die verbonden zijn aan een ecosysteem, waarvan één betrekking had op de verkoop van onlineadvertenties. Hieruit volgt dat haar argument inzake het gestelde ontbreken van een ecosysteem niet beperkt was tot de voordelen in verband met de verkoop van onlineadvertenties, anders dan de Commissie in overweging 127 van dat besluit heeft vastgesteld. De motivering in de overwegingen 127 tot en met 129 van het bestreden besluit vloeit dus voort uit een onvolledige uitlegging van verzoeksters argumenten.

148 Niettemin moet worden vastgesteld dat TikTok het aantal eindgebruikers heeft zien stijgen van [> 45] miljoen in 2020 tot 125 miljoen in 2022, waarmee zij volgens de gegevens waarover de Commissie beschikte, half zo groot was als Facebook of Instagram, zelfs zonder dat zij over een ecosysteem beschikte, of op zijn minst een ecosysteem dat vergelijkbaar was met dat van Meta, zoals de Commissie in overweging 133 van het bestreden besluit heeft opgemerkt zonder dat dat door verzoekster is betwist.

149 Evenzo heeft de Commissie in overweging 126 van het bestreden besluit opgemerkt dat TikTok in 2022, wat de absolute omvang betreft, de in artikel 3, lid 2, onder b), DMA vastgestelde gebruikersdrempels in aanzienlijke mate heeft overschreden, met meer dan [> 10000] zakelijke gebruikers en 125 miljoen eindgebruikers.

150 Hieruit volgt dat TikTok, dat pas in augustus 2018 in zijn huidige versie in de Unie is geïntroduceerd, in korte tijd erin is geslaagd om een zeer groot aantal eindgebruikers aan te trekken, zodat dit aantal in 2022 bijna drie keer zo hoog was als de drempel van artikel 3, lid 2, onder b), DMA, evenals een zeer groot aantal zakelijke gebruikers, namelijk meer dan [> 10000] in 2022. Daarmee is de in artikel 3, lid 2, onder b), DMA vastgestelde drempel van 10000 zakelijke gebruikers ver overschreden en heeft TikTok in korte tijd de helft van de omvang van Facebook of Instagram bereikt.

151 Hieruit blijkt dat het gestelde ontbreken van een ecosysteem TikTok geenszins heeft belet om zowel in absolute als in relatieve termen te groeien met een exponentiële opwaartse trend in termen van het aantal gebruikers.

152 In de derde plaats betekent het ontbreken van een ecosysteem, anders dan verzoekster stelt, geenszins dat de betrokken KPD geen sterke netwerkeffecten heeft.

153 Netwerkeffecten treden op wanneer de waarde van een product of dienst stijgt naarmate meer mensen er gebruik van maken. Zo genereren online sociale netwerken sterke netwerkeffecten en gegevensgerelateerde voordelen naarmate het aantal gebruikers ervan toeneemt, aangezien een netwerk voor gebruikers nuttiger is en de waarde ervan in hun ogen toeneemt naarmate er meer gebruikers zijn, hetgeen op zijn beurt meer gebruikers aantrekt. Bovendien geldt dat hoe meer eindgebruikers een online sociaal netwerk heeft, hoe meer zakelijke gebruikers ertoe worden aangetrokken (zie in die zin het werkdocument van de diensten van de Commissie van 15 december 2020 met als titel „Effectbeoordelingsverslag bij het document; Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector (wet inzake digitale markten)” [SWD(2020) 363 final, punten 130 en 386]). Een onlinesociaalnetwerkplatform kan dus op zichzelf sterke netwerkeffecten genereren, zelfs als het geen deel uitmaakt van een ecosysteem. Niets in de DMA wijst er namelijk op dat een KPD alleen sterke netwerkeffecten kan hebben als er een ecosysteem aanwezig is. Integendeel, uit de overwegingen 2 en 13 DMA volgt dat sterke netwerkeffecten een kenmerk van KPD’s zijn dat moet worden onderscheiden van het kenmerk van verticale integratie.

154 Opgemerkt zei dat verzoekster geen enkel onafhankelijk argument aanvoert waaruit kan worden opgemaakt dat TikTok geen sterke netwerkeffecten heeft. Haar argumentatie is namelijk gebaseerd op de premisse dat de gestelde afwezigheid van een ecosysteem zich vertaalt in de afwezigheid van sterke netwerkeffecten. Zoals in de punten 152 en 153 hierboven is aangetoond, is deze premisse echter onjuist.

155 In dat verband vermeldt verzoekster in het verzoekschrift slechts, zonder verdere details te verstrekken, dat „TikTok niet profiteert van netwerkeffecten die verband houden met de ‚sociale grafiek’ die kenmerkend is voor echte sociale netwerken zoals Facebook of Instagram”. Dit argument is onvoldoende duidelijk.

156 Voor zover dit argument gebaseerd blijkt te zijn op een onderscheid tussen een „sociale grafiek” en een „inhoudsgrafiek”, volstaat het bovendien vast te stellen dat de DMA niet naar deze begrippen verwijst en er geen duidelijke afbakening tussen deze begrippen bestaat, zoals de Commissie in overweging 57 van het bestreden besluit heeft opgemerkt zonder dat dat door verzoekster is betwist.

157 Verzoekster legt evenmin uit waarom het feit dat TikTok niet op een „sociale grafiek” is gebaseerd, noodzakelijkerwijs zou betekenen dat zij geen sterke netwerkeffecten heeft. Integendeel, de gegevens waarnaar in de punten 33 en 107 hierboven wordt verwezen, tonen veeleer het tegendeel aan.

158 Zoals blijkt uit de overwegingen 38 tot en met 66 van het bestreden besluit heeft de Commissie overigens geoordeeld dat TikTok een onlinesocialenetwerkdienst in de zin van artikel 2, punt 7, DMA is en niet een videoplatformdienst in de zin van artikel 2, punt 8, DMA. Verzoekster heeft deze kwalificatie in het kader van het onderhavige beroep niet betwist. Met het in punt 155 hierboven vermelde argument trekt zij deze kwalificatie in feite in twijfel, zonder evenwel aan te tonen dat de overwegingen 38 tot en met 66 van dat besluit onjuist zijn.

159 In de vierde plaats stelt verzoekster dat voor de aanwijzing van ByteDance als poortwachter niet het aantal TikTok-gebruikers van belang is, maar de vraag of zij gebonden zijn wegens met name het bestaan van een ecosysteem of netwerkeffecten of om andere redenen.

160 De gestelde afwezigheid van een ecosysteem betekent als zodanig echter niet dat TikTok-gebruikers niet gebonden zijn (zie punt 179 hieronder) of dat TikTok geen sterke netwerkeffecten heeft (zie de punten 152‑157 hierboven). Verzoekster heeft geen onderbouwde elementen aangevoerd die op het tegendeel wijzen. Bijgevolg toont verzoekster niet aan dat TikTok-gebruikers niet gebonden zijn wegens het ontbreken van een ecosysteem of sterke netwerkeffecten.

161 Zelfs indien wordt verondersteld dat ByteDance niet over een ecosysteem beschikt, staat deze omstandigheid op zich in het licht van het voorgaande dus niet in de weg aan de vaststelling dat TikTok een belangrijke toegangspoort is in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), DMA, zodat de Commissie terecht tot de conclusie kon komen dat dit argument het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA niet kennelijk in twijfel kon trekken.

162 De eerste grief van het derde onderdeel van het eerste middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.

b) Bestaan van multihoming en gestelde afwezigheid van lock-in-effecten

1) Argumenten van partijen

163 Verzoekster stelt in wezen dat een aanzienlijk deel van de TikTok-gebruikers voor multihoming kiest, hetgeen laat zien dat er geen aanzienlijke lock-in-effecten zijn en dat de zakelijke gebruikers van TikTok niet van dit platform afhankelijk zijn om hun eindgebruikers te bereiken. Bovendien blijkt uit het feit dat TikTok in interoperabiliteit investeert en multihoming aanmoedigt, dat het geen poortwachter is.

164 De Commissie betwist verzoeksters argumenten door in wezen de in de overwegingen 134 tot en met 142 van het bestreden besluit uiteengezette gronden te herhalen. De inhoud daarvan wordt hieronder in herinnering gebracht.

2) Bestreden besluit

165 In overweging 134 van het bestreden besluit heeft de Commissie erkend dat er sprake is van een zekere mate van multihoming door eindgebruikers en zakelijke gebruikers met betrekking tot TikTok en andere online sociale netwerken. Zij was echter van mening dat deze omstandigheid onvoldoende was om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA kennelijk in twijfel te trekken, en wel om de volgende redenen.

166 Ten eerste merkt de Commissie in de overwegingen 135 en 136 van het bestreden besluit in wezen op dat de afwezigheid van multihoming weliswaar een relevante factor kan zijn om te beoordelen of een KPD een belangrijke toegangspoort is, maar dat het bestaan van een zekere mate van multihoming op zich niet betekent dat een KPD niet een dergelijke toegangspoort is of dat de betwistbaarheid van de markt niet beperkt is of dat er geen oneerlijke praktijken kunnen plaatsvinden.

167 Ten tweede heeft de Commissie in de overwegingen 137 tot en met 139 van het bestreden besluit in wezen vastgesteld dat het feit dat zakelijke gebruikers en eindgebruikers verschillende onlinesocialenetwerkdiensten naast elkaar gebruiken, niet betekent dat zij deze diensten op gelijke wijze gebruiken, aangezien zij deze diensten asymmetrisch kunnen gebruiken. Hoe dan ook, zelfs indien wordt verondersteld dat bepaalde eindgebruikers of zakelijke gebruikers op vergelijkbare wijze actief zijn op verschillende online sociale netwerken, wat verzoekster niet heeft aangetoond, betekent dat nog niet dat een bepaalde onlinesocialenetwerkdienst geen belangrijke toegangspoort is voor zakelijke gebruikers voor het bereiken van hun eindgebruikers, bijvoorbeeld bepaalde demografische groepen van deze eindgebruikers.

168 Ten derde heeft de Commissie in overweging 140 van het bestreden besluit in wezen opgemerkt dat de door verzoekster overgelegde vergelijking tussen de reclame-uitgaven van zakelijke gebruikers op de platforms van TikTok, Meta en Alphabet het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA niet kennelijk in twijfel kon trekken.

169 Ten vierde heeft de Commissie in overweging 141 van het bestreden besluit vastgesteld dat de gegevens die verzoekster had overgelegd om aan te tonen dat het merendeel van de TikTok-gebruikers ook Instagram en Facebook gebruikte, slechts beperkte bewijskracht hadden, op grond dat die platforms een groter aantal eindgebruikers hadden en reeds actief waren vóór het bestaan van TikTok, zodat statistisch gezien kon worden verwacht dat een groot aantal Facebook- en Instagramgebruikers ook TikTok gebruiken. Verder was zij van mening dat deze gegevens niet de gebruiksintensiteit van de verschillende online sociale netwerken weerspiegelden, aangezien voor TikTok een hoger engagementcijfer gold dan voor de andere sociale netwerken, in die zin dat de eindgebruikers – met name jonge gebruikers – meer tijd doorbrachten op TikTok dan op andere platforms.

170 Ten slotte merkt de Commissie in overweging 142 van het bestreden besluit in wezen op dat verzoeksters argument dat TikTok, als nieuwkomer op de markt, investeert in interoperabiliteit en multihoming aanmoedigt, werd aangevoerd ter ondersteuning van verzoeksters argument betreffende multihoming in het algemeen, en derhalve moest worden verworpen om de redenen die in de overwegingen 134 tot en met 141 van dit besluit zijn uiteengezet.

3) Beoordeling door het Gerecht

171 Opgemerkt zij dat het begrip „multihoming” in de context van digitale diensten in het algemeen en onlineplatforms in het bijzonder de situatie beschrijft waarin gebruikers verschillende concurrerende digitale diensten, in casu onlinesocialenetwerkdiensten, parallel gebruiken.

172 Uit overweging 2 DMA blijkt dat KPD’s zich van andere digitale diensten onderscheiden door bepaalde kenmerken die door ondernemingen die KPD’s aanbieden, kunnen worden uitgebuit, zoals de extreme schaalvoordelen ervan, die vaak het gevolg zijn van marginale kosten van bijna nul voor het toevoegen van zakelijke gebruikers of eindgebruikers, de zeer sterke netwerkeffecten, het vermogen van KPD’s om veel zakelijke gebruikers met veel eindgebruikers te verbinden door de veelzijdigheid van deze diensten, de aanzienlijke mate waarin zowel zakelijke gebruikers als eindgebruikers van die diensten afhankelijk zijn, lock-in-effecten, de onmogelijkheid van multihoming door eindgebruikers voor hetzelfde doel, verticale integratie en gegevensgestuurde voordelen.

173 In overweging 13 DMA wordt uitgelegd dat zwakke betwistbaarheid en oneerlijke praktijken in de digitale sector vaker voorkomen en uitgesprokener zijn bij bepaalde digitale diensten dan bij andere, en dat dit met name het geval is voor wijdverbreide en algemeen gebruikte digitale diensten die meestal rechtstreeks als intermediair tussen zakelijke gebruikers en eindgebruikers optreden en die voornamelijk worden gekenmerkt door factoren zoals die waarnaar in punt 172 hierboven wordt verwezen.

174 Hieruit volgt dat het ontbreken van multihoming en het bestaan van lock-in-effecten relevante factoren zijn, naast andere factoren, die kenmerkend kunnen zijn voor een poortwachter die een KPD aanbiedt die een belangrijke toegangspoort vormt.

175 Daarnaast moet ten eerste worden verduidelijkt dat de factoren die in de overwegingen 2 en 13 DMA bij wijze van voorbeeld zijn opgesomd, geen conditio sine qua non zijn om een KPD als een belangrijke toegangspoort te kunnen beschouwen.

176 Ten tweede moet, wanneer de betrokken onderneming argumenten aanvoert die verband houden met de factoren die bij wijze van voorbeeld in de overwegingen 2 en 13 DMA zijn opgesomd, overeenkomstig artikel 3, lid 5, DMA rekening worden gehouden met de omstandigheden waarin de betrokken KPD actief is.

177 Het al dan niet bestaan van multihoming of lock-in-effecten moet derhalve niet in abstracto worden onderzocht, maar in relatie tot de omstandigheden waarin de betrokken KPD actief is.

178 Bovendien moet rekening worden gehouden met de specifieke en concrete kenmerken van de multihoming in kwestie. Zoals blijkt uit overweging 137 van het bestreden besluit, zonder dat dit door verzoekster wordt betwist, betekent het enkele feit dat gebruikers van een onlinesociaalnetwerkplatform terzelfder tijd andere onlinesocialenetwerkplatforms gebruiken, namelijk niet dat deze verschillende platforms voor hen even belangrijk zijn. Zoals in wezen uit de overwegingen 138, 139 en 141 van dat besluit blijkt, kunnen de intensiteit van het gebruik, dat wil zeggen de tijd die een gebruiker aan interactie op dit platform besteedt, en het belang van een dergelijk platform voor bepaalde categorieën gebruikers, naast andere factoren en naargelang het geval, relevante factoren vormen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of het vermoeden dat de betrokken KPD een belangrijke toegangspoort vormt, kennelijk in twijfel kan worden getrokken doordat er sprake is van een zekere mate van multihoming.

179 Ook moet worden benadrukt dat de lock-in-effecten die een onlinesociaalnetwerkplatform ten aanzien van zijn gebruikers kan hebben, een andere factor zijn dan het al dan niet bestaan van multihoming, zoals blijkt uit de overwegingen 2 en 13 DMA. Dergelijke effecten kunnen zich namelijk ook in geval van multihoming voordoen, afhankelijk van bijvoorbeeld sterke netwerkeffecten die door het betrokken platform worden gegenereerd, de intensiteit van het gebruik van een bepaald onlinesociaalnetwerkplatform, het grotere engagement van bepaalde categorieën gebruikers met dit platform of gedragsneigingen die bepaalde groepen gebruikers kunnen vertonen ten aanzien van een dergelijk platform, waaraan zij bijzonder gehecht kunnen zijn. Bovendien kunnen bepaalde gebruikers, zelfs in geval van multihoming, worden geconfronteerd met overschakelingskosten wanneer zij hun activiteiten van het ene naar het andere platform verleggen, zoals kosten in verband met de aanpassing van hun inhoud aan de opzet en het algoritme van de verschillende platforms, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt in de overwegingen 136 tot en met 139 van het bestreden besluit.

180 Hieruit volgt dat het al dan niet bestaan van multihoming en lock-in-effecten, naargelang het geval, weliswaar een relevante factor kan zijn om te beoordelen of het vermoeden dat de betrokken KPD een belangrijke toegangspoort vormt, kennelijk in twijfel kan worden getrokken, maar dat rekening moet worden gehouden met de specifieke, concrete kenmerken van deze multihoming en van de lock-in-effecten zoals zij tot uiting komen in de omstandigheden waarin de betrokken KPD actief is.

181 In het licht van het voorgaande dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht.

182 In de eerste plaats volgt uit de punten 174 tot en met 177 hierboven dat de Commissie in de overwegingen 135 en 136 van het bestreden besluit terecht heeft opgemerkt dat, hoewel de afwezigheid van multihoming een relevante factor kan zijn bij de beoordeling of een KPD een belangrijke toegangspoort vormt, het bestaan van een zekere mate van multihoming op zich niet bewijst dat een KPD niet een dergelijke toegangspoort is. Zo kan de relevantie van deze factor, als een element dat in aanmerking moet worden genomen om te bepalen of een KPD een dergelijke toegangspoort is, variëren naargelang van de verschillende categorieën KPD’s.

183 Zoals de Commissie in haar antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft uiteengezet, zonder dat dit door verzoekster is betwist, is multihoming voor bepaalde categorieën KPD’s, zoals onlinesocialenetwerkdiensten, een wijdverbreide praktijk. Indien het enkele bestaan van multihoming van bijzonder belang zou zijn om te bepalen of een online sociaal netwerk een belangrijke toegangspoort vormt, zou dit tot gevolg hebben dat geen enkele of bijna geen enkele onlinesocialenetwerkdienst als een dergelijke toegangspoort zou worden beschouwd, hetgeen in strijd zou zijn met de bewoordingen en de ratio legis van de DMA, waarin onlinesocialenetwerkdiensten worden gerekend tot de KPD’s in de zin van artikel 2, punt 2, onder c), DMA.

184 De prevalentie van multihoming onder gebruikers van online sociale netwerken wordt geïllustreerd door de gegevens die verzoekster zelf heeft overgelegd. Uit deze gegevens blijkt dat alle door verzoekster vermelde online sociale netwerken een hoge mate van multihoming vertonen, in die zin dat meer dan 65 % van de eindgebruikers ervan tegelijkertijd twee andere platforms gebruikt.

185 Hieruit volgt dat het enkele bestaan van multihoming, zelfs in aanzienlijke mate, gelet op de kenmerken van de betrokken KPD, op zich niet voldoende is om het vermoeden van artikel 3, lid 2, onder b), DMA kennelijk in twijfel te trekken.

186 In de tweede plaats en zoals blijkt uit punt 178 hierboven zijn de beoordelingen van de Commissie in de overwegingen 137 tot en met 139 van het bestreden besluit dat het parallelle gebruik van verschillende onlinesocialenetwerkdiensten in wezen geen gelijk gebruik impliceert, aangezien gebruikers die op meer dan één sociaal netwerk aanwezig zijn, deze diensten asymmetrisch kunnen gebruiken, niet onjuist.

187 Zoals de Commissie in overweging 138 van het bestreden besluit opmerkt, geeft het feit dat de meeste contentcreators op TikTok voor multihoming kiezen, geen enkele aanwijzing over het belang van elk platform, aangezien het mogelijk is dat deze creators bijvoorbeeld hoofdzakelijk actief zijn op TikTok en slechts in beperkte mate gebruikmaken van andere platforms. De Commissie kon dus terecht opmerken dat het feit dat zij voor multihoming kiezen niet verrassend is, aangezien contentcreators er belang bij hebben dat hun bekendheid bij een zo groot mogelijk publiek toeneemt. Evenzo kon zij er met rede op wijzen dat, voor zover sommige creators het merendeel van hun activiteiten op een bepaald platform richten, zij geconfronteerd kunnen worden met overschakelingskosten indien zij beslissen hun activiteiten naar een ander platform te verleggen. Deze kosten houden met name verband met de noodzaak om een publiek aan te trekken of inhoud aan te passen aan de opzet en het algoritme van verschillende platforms.

188 Ten slotte kan een bepaalde onlinesocialenetwerkdienst in wezen nog steeds een belangrijke toegangspoort vormen, zoals blijkt uit de overwegingen 139 en 141 van het bestreden besluit, zelfs indien sommige gebruikers verschillende online sociale netwerken op vergelijkbare wijze gebruiken, omdat zakelijke gebruikers daarmee met name een bepaalde demografische groep eindgebruikers, zoals jongeren, kunnen bereiken.

189 Opgemerkt zij echter dat de argumenten en het bewijsmateriaal die verzoekster, op wie de bewijslast rust, tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd, alleen betrekking hadden op het bestaan van multihoming in het algemeen, en niet op de intensiteit van het gebruik van de verschillende onlinesocialenetwerkplatforms.

190 In het kader van het onderhavige beroep beperkt verzoekster zich bovendien tot de stelling dat de Commissie rekening had moeten houden met het feit dat de gebruiksintensiteit van TikTok „als sociaal netwerk” praktisch nihil is, aangezien het hoofddoel van dit platform het aanbieden van diensten voor het delen van video’s is.

191 Dit argument faalt echter.

192 Met haar in punt 190 hierboven uiteengezette argument trekt verzoekster in werkelijkheid de kwalificatie van TikTok als een onlinesocialenetwerkdienst in twijfel, zonder evenwel aan te tonen dat de overwegingen 38 tot en met 66 van het bestreden besluit onjuist zijn.

193 Verder wordt een „onlinesocialenetwerkdienst” in artikel 2, punt 7, DMA gedefinieerd als een platform dat eindgebruikers in staat stelt via meerdere apparaten met elkaar in verbinding te treden en te communiceren, inhoud te delen en andere gebruikers en inhoud te ontdekken, met name via chats, posts, video’s en aanbevelingen. Hieruit volgt dat een van de essentiële functies van een online sociaal netwerk erin bestaat het delen en ontdekken van inhoud, en met name van video’s, mogelijk te maken. De factoren met betrekking tot het delen en ontdekken van video’s op TikTok zijn dus zeker relevant voor een beoordeling van de gebruiksintensiteit van dit platform door eindgebruikers.

194 Derhalve moet worden vastgesteld dat de beoordelingen van de Commissie in de overwegingen 137 tot en met 139 van het bestreden besluit niet onjuist zijn.

195 In de derde plaats kon de Commissie in overweging 141 van het bestreden besluit terecht stellen dat de bewijskracht van de door verzoekster overgelegde gegevens waaruit blijkt dat de meerderheid van de TikTok-gebruikers ook Instagram en Facebook gebruikt, beperkt was.

196 In dit verband legt verzoekster gegevens voor waaruit blijkt dat ongeveer 82 % van de eindgebruikers van TikTok ook Instagram gebruikt en 77 % ervan ook Facebook, terwijl 38 % van de eindgebruikers van Facebook en 48 % van de eindgebruikers van Instagram ook TikTok gebruiken. Zij wijst erop dat de asymmetrische aard van multihoming aantoont dat TikTok, anders dan „echte sociale netwerken” zoals Facebook en Instagram, niet van netwerk- en lock-in-effecten profiteert.

197 Zoals in punt 184 hierboven is opgemerkt, blijkt uit de door verzoekster overgelegde gegevens echter dat er sprake is van een hoge mate van multihoming tussen alle vermelde platforms, in die zin dat meer dan 65 % van de eindgebruikers ervan tegelijkertijd twee andere platforms gebruikt.

198 Zoals in overweging 141 van het bestreden besluit is uiteengezet, kan het asymmetrische karakter van multihoming wat TikTok-gebruikers betreft voorts worden verklaard door de economische en historische context waarin online sociale netwerken in de Unie actief zijn. Het staat namelijk vast dat Facebook en Instagram reeds lang vóór TikTok in de Unie actief waren en dat zij reeds een aanzienlijke gebruikersbasis in de Unie hadden voordat TikTok op de interne markt werd geïntroduceerd. In deze omstandigheden was te verwachten dat een groot deel van de gebruikers van TikTok reeds vóór de introductie ervan Facebook en Instagram gebruikte en deze platforms vervolgens tegelijkertijd zou blijven gebruiken.

199 Bovendien weerspiegelen de door verzoekster overgelegde gegevens, zoals de Commissie in overweging 141 van het bestreden besluit heeft opgemerkt zonder dat dit door verzoekster is betwist, niet de intensiteit van het gebruik van de verschillende online sociale netwerken, temeer daar voor TikTok een hoger engagementcijfer gold dan voor de andere sociale netwerken, aangezien eindgebruikers, met name jongeren, meer tijd doorbrachten op TikTok dan op andere sociale netwerken, zoals de Commissie in dat verband eveneens heeft opgemerkt.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in