HvJ EU 15 juli 2025, C-777/22, ECLI:EU:C:2025:580
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
15 juli 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Richtlijn 2014/59/EU – Herstel en afwikkeling van kredietinstellingen – Artikelen 27 tot en met 29 – Vroegtijdige interventiemaatregelen – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme – Artikel 4, lid 3 – Besluit van de Europese Centrale Bank (ECB) om een bank onder tijdelijk bewind te stellen – Beroep tot nietigverklaring van een aandeelhouder – Artikel 263, vierde alinea, VWEU – Natuurlijke persoon die rechtsreeks en individueel wordt geraakt door een handeling van een instelling van de Europese Unie – Voltooiing van de plaatsing onder tijdelijk bewind – Behoud van het procesbelang – Toepassing van het Unierecht en het nationale recht door de ECB – Verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht”
In de gevoegde zaken C‑777/22 P en C‑789/22 P,
betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op respectievelijk 21 en 22 december 2022,
Europese Centrale Bank (ECB), aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Hernández Saseta en A. Pizzolla als gemachtigden, bijgestaan door M. Lamandini, avvocato, vervolgens door C. Hernández Saseta, M. Ioannidis, A. Pizzolla en C. Zilioli als gemachtigden, bijgestaan door M. Lamandini, avvocato,
rekwirante in zaak C‑777/22 P,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Di Bucci, A. Nijenhuis en D. Triantafyllou als gemachtigden, vervolgens door P. A Messina, A. Nijenhuis en D. Triantafyllou als gemachtigden, en ten slotte door P. A. Messina en D. Triantafyllou als gemachtigden,
rekwirante in zaak C‑789/22 P,
ondersteund door:
Italiaanse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato, vervolgens door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
interveniënte in hogere voorziening,
andere partij in de procedure:
Francesca Corneli, wonende te Velletri (Italië), aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Boggio en F. Ferraro, avvocati, vervolgens door L. Boggio, F. Ferraro en C. E. Tuo, avvocati,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen en D. Gratsias (rapporteur), kamerpresidenten, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 juni 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 november 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met hun respectieve hogere voorzieningen verzoeken de Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 oktober 2022, Corneli/ECB (T‑502/19, EU:T:2022:627; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het door Francesca Corneli ingestelde beroep gedeeltelijk heeft toegewezen en besluit ECB-SSM-2019-ITCAR-11 van de ECB van 1 januari 2019 tot plaatsing onder tijdelijk bewind van Banca Carige SpA (hierna: „besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind”) en besluit ECB-SSM-2019-ITCAR-13 van de ECB van 29 maart 2019 tot verlenging van de plaatsing onder tijdelijk bewind tot en met 30 september 2019 (hierna: „verlengingsbesluit” en, samen met het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind, de „litigieuze besluiten”), nietig heeft verklaard.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1024/2013
2 Het „gemeenschappelijk toezichtsmechanisme” (GTM) wordt voor de toepassing van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63), in artikel 2, punt 9, ervan gedefinieerd als „het systeem voor financieel toezicht dat bestaat uit de ECB en nationale bevoegde autoriteiten van deelnemende lidstaten als omschreven in artikel 6 van deze verordening”.
3 Artikel 4 van deze verordening bepaalt: „1. Binnen het kader van artikel 6 heeft de ECB overeenkomstig lid 3 van dit artikel de exclusieve bevoegdheid om met het oog op het prudentieel toezicht ten aanzien van alle in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen de volgende taken uit te voeren: [...] e) toezien op de naleving van de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, bedoelde handelingen op grond waarvan kredietinstellingen moeten beschikken over solide governanceregelingen, met inbegrip van de betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen die gesteld worden aan de personen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur van kredietinstellingen, risicobeheerprocessen, mechanismen voor interne controle, beloningsbeleid en beloningspraktijk en een doeltreffend intern beoordelingsproces van kapitaaltoereikendheid, inclusief interneratingmodellen; [...] i) toezichttaken vervullen met betrekking tot herstelplannen, en vroegtijdige interventie wanneer een kredietinstelling of een groep ten aanzien waarvan de ECB de consoliderende toezichthouder is, de toepasselijke prudentiële vereisten niet naleeft of waarschijnlijk niet zal naleven en, alleen in de door het toepasselijke Unierecht voor bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk genoemde gevallen, met betrekking tot structurele veranderingen die van kredietinstellingen worden geëist om preventief op te treden tegen financiële spanningen en faillissement, met uitsluiting van afwikkelingsbevoegdheden. 2. Voor in een niet-deelnemende lidstaat gevestigde kredietinstellingen die in een deelnemende lidstaat een bijkantoor vestigen of grensoverschrijdende diensten verrichten, vervult de ECB binnen het toepassingsgebied van lid 1, de taken waarvoor de nationale bevoegde autoriteiten overeenkomstig het toepasselijke Unierecht bevoegd zijn. 3. Voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen past de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. Wanneer het toepasselijke Unierecht bestaat uit verordeningen die de lidstaten thans uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, past de ECB tevens de nationale wetgeving toe wanneer door hen van die keuzemogelijkheden gebruikgemaakt wordt. [...]”
4 Artikel 9, leden 1 en 2, van die verordening luidt: „1. Met het exclusieve oogmerk om de haar bij artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, lid 2, opgedragen taken uit te voeren, wordt de ECB, in voorkomend geval, aangemerkt als de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit van de deelnemende lidstaten zoals vastgelegd in het toepasselijke Unierecht. Met datzelfde exclusieve oogmerk beschikt de ECB over alle in deze verordening bepaalde bevoegdheden en verplichtingen. Zij heeft ook alle bevoegdheden en verplichtingen die de bevoegde en de aangewezen autoriteiten krachtens het toepasselijke Unierecht hebben, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Met name heeft de ECB de bevoegdheden die zijn opgesomd in de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk. [...] 2. De ECB oefent de in lid 1 van dit artikel vermelde bevoegdheden uit overeenkomstig de in artikel 4, lid 3, eerste alinea bedoelde handelingen. Bij de uitoefening van hun respectieve toezicht- en onderzoeksbevoegdheden werken de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten nauw samen.”
Richtlijn 2014/59
5 Artikel 2, lid 1, punt 21, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190) definieert een „bevoegde autoriteit” voor de toepassing van deze richtlijn als met name de ECB „wat betreft specifieke taken die haar bij verordening [nr. 1024/2013] zijn toegewezen”.
6 Artikel 27 („Vroegtijdige-interventiemaatregelen”) van richtlijn 2014/59 bepaalt in lid 1: „Wanneer een [kredietinstelling of beleggingsonderneming] de voorschriften van verordening (EU) nr. 575/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1)], richtlijn 2013/36/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338)], titel II van richtlijn 2014/65/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (PB 2014, L 173, blz. 349)] of een van de voorschriften van de artikelen 3 tot en met 7, de artikelen 14 tot en met 17, en de artikelen 24, 25 en 26 van verordening (EU) nr. 600/2014 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2014, L 173, blz. 84)], overtreedt of wegens een snel verslechterende financiële toestand, waaronder begrepen een verslechterende liquiditeitssituatie, een toenemende mate van hefboomfinanciering, hoeveelheid slechte leningen of concentratie van risico’s, beoordeeld aan de hand van een reeks voorwaarden, waaronder eventueel het vereiste aan eigen vermogen van de instelling plus 1,5 procentpunten, waarschijnlijk in de nabije toekomst zal overtreden, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten, [...] ten minste de volgende maatregelen ter beschikking hebben: [...]”
7 Artikel 28 („Afzetting van het hogere management en het leidinggevend orgaan”) van deze richtlijn is als volgt verwoord: „In geval van een significante verslechtering van de financiële positie van een instelling, bij ernstige overtredingen van wetten, reglementen of van de statuten van de instelling of ernstige administratieve onregelmatigheden, waarbij andere overeenkomstig artikel 27 genomen maatregelen niet volstaan om die verslechtering te keren, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de afzetting van het volledige hogere management of leidinggevende orgaan van de instelling, dan wel van individuele leden daarvan kunnen eisen. De aanstelling van het nieuwe hogere management of leidinggevende orgaan geschiedt in overeenstemming met het nationale recht en het Unierecht en is onderworpen aan de goedkeuring of instemming van de bevoegde autoriteit.”
8 Artikel 29 („Tijdelijk bewindvoerder”) van die richtlijn bepaalt in lid 1: „Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de in artikel 28 bedoelde vervanging van het hogere management of het leidinggevend orgaan niet volstaat om de situatie te verhelpen, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten een of meer tijdelijk bewindvoerders van de instelling kunnen aanstellen. De bevoegde autoriteiten kunnen een tijdelijk bewindvoerder aanstellen die, naargelang van de omstandigheden, het bestuur van de instelling tijdelijk vervangt, dan wel tijdelijk met het bestuur van de instelling samenwerkt; de bevoegde autoriteit deelt bij de aanstelling van de bestuurder mee welke optie zij verkiest. Indien de bevoegde autoriteit de tijdelijk bewindvoerder aanstelt om met het bestuur van de instelling samen te werken, deelt zij bij de aanstelling mee welke rol, taken en bevoegdheden aan de tijdelijk bewindvoerder worden toegekend, en aan welke regels aangaande het raadplegen van de tijdelijk bewindvoerder of het verkrijgen van diens goedkeuring het bestuur van de instelling zich dient te houden alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen. De bevoegde autoriteit moet de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar maken, tenzij de tijdelijk bewindvoerder geen bevoegdheid heeft om de instelling te vertegenwoordigen. De lidstaten waarborgen voorts dat de tijdelijk bewindvoerder de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis heeft om zijn functies uit te oefenen en geen conflicterende belangen heeft.”
Italiaans recht
9 Artikel 69 octiesdecies van decreto legislativo n. 385 – Testo unico delle leggi in materia bancaria e creditizia (wetsbesluit nr. 385 houdende gecoördineerde tekst van de wetten op het bank- en kredietwezen) van 1 september 1993 (GURI nr. 230 van 30 september 1993, gewoon supplement nr. 92), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „gecoördineerde banktekst”), waarbij artikel 28 van richtlijn 2014/59 in Italiaans recht is omgezet, bepaalt in lid 1: „De Banca d’Italia kan ten aanzien van een bank of de moedermaatschappij van een bankgroep de volgende maatregelen nemen: [...] (b) de afzetting [van de leden van de bestuurs- en toezichtsorganen en het hogere management] in geval van ernstige overtredingen van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen of van ernstige bestuurlijke onregelmatigheden, of wanneer de verslechtering van de situatie van de bank of bankgroep bijzonder significant is, mits de onder a) of in de artikelen 53 bis en 67 ter bedoelde maatregelen niet volstaan om de situatie te verhelpen.”
10 Artikel 70 („Tijdelijk bewindvoerder”) van de gecoördineerde banktekst zet artikel 29 van richtlijn 2014/59 om in Italiaans recht en bepaalt in lid 1: „De Banca d’Italia kan ontbinding gelasten van organen met bestuurs- en toezichttaken in banken in geval van de in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), bedoelde overtredingen of onregelmatigheden of indien ernstige vermogensverliezen worden verwacht, of wanneer om ontbinding is verzocht bij met redenen omkleed verzoek van de bestuursorganen of de buitengewone vergadering.”
Voorgeschiedenis van het geding
11 In de punten 2 tot en met 19 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de voorgeschiedenis van het geding en de feiten die zich na de instelling van het beroep bij het Gerecht hebben voorgedaan, uiteengezet. Deze kunnen ten behoeve van de onderhavige gevoegde zaken als volgt worden samengevat.
12 Banca Carige was een in Italië gevestigde, beursgenoteerde kredietinstelling die sinds 2014 onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB stond. Tussen december 2014 en 1 januari 2019 had zij meer dan 1,6 miljard EUR verlies geleden. Corneli was minderheidsaandeelhouder van Banca Carige. Bij de instelling van het beroep bij het Gerecht bezat zij 200000 gewone aandelen, wat overeenkomt met 0,000361 % van het maatschappelijk kapitaal van Banca Carige.
13 Aangezien Banca Carige op 1 januari 2018 niet voldeed aan de minimumvereisten voor de kapitaalratio, heeft zij in 2018 verschillende pogingen ondernomen om deze situatie te verhelpen. Deze pogingen zijn echter niet succesvol geweest. Zeven leden van de raad van bestuur van Banca Carige, onder wie de voorzitter, de vicepresident en de directeur-generaal, hebben met onmiddellijke ingang op 23 december 2018 en 2 januari 2019 ontslag genomen nadat aandeelhouders die 70 % van het kapitaal van Banca Carige in handen hadden, tijdens een buitengewone algemene vergadering van Banca Carige op 22 december 2018 bezwaar hadden gemaakt tegen een kapitaalverhoging door middel van een ruil van achtergestelde obligaties tegen nieuw uitgegeven aandelen. Deze ontslagen hebben geleid tot de afzetting van de raad van bestuur op grond van de statuten van Banca Carige en de toepasselijke bepaling van Italiaans recht. Overeenkomstig deze statuten behielden de vier overgebleven leden van de raad van bestuur hun functie om het dagelijks bestuur van Banca Carige te verzekeren.
14 Op 1 januari 2019 heeft de ECB het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind vastgesteld, wat heeft geleid tot, ten eerste, de ontbinding van de raad van bestuur van Banca Carige en de vervanging van de voormalige leden door drie tijdelijke bewindvoerders, ten tweede, de ontbinding van het comité van toezicht van Banca Carige en de vervanging van de voormalige leden van dat comité door drie andere personen, en ten derde, de toewijzing aan de nieuwe organen van de opdracht om de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat Banca Carige opnieuw duurzaam aan de vermogensvereisten voldoet.
15 Op 29 maart 2019 heeft de ECB het verlengingsbesluit vastgesteld.
16 Bij besluit van 30 september 2019 heeft de ECB de plaatsing van Banca Carige onder tijdelijk bewind verlengd tot en met 31 december 2019. Bij besluit van 20 december 2019 heeft zij het tijdelijk bewind opnieuw verlengd tot en met 31 januari 2020 om de versterking van het eigen vermogen van Banca Carige te kunnen afronden.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 juli 2019, heeft Corneli beroep tot nietigverklaring ingesteld van het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind en van „alle daaropvolgende of latere besluiten”, waaronder met name het verlengingsbesluit en de latere besluiten tot verlenging van de plaatsing van Banca Carige onder tijdelijk bewind.
18 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 oktober 2019, heeft de ECB een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dit beroep opgeworpen, die bij beschikking van het Gerecht van 29 april 2020 met de zaak ten gronde is gevoegd.
19 Bij besluit van 24 juni 2020 is de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de ECB.
20 Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, heeft het Gerecht om te beginnen in de punten 22 tot en met 28 van het bestreden arrest onderzocht of het verzoek tot nietigverklaring van de verschillende in punt 17 van het onderhavige arrest genoemde besluiten van de ECB in elk opzicht voldeed aan de vormvereisten van de artikelen 76 en 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en of de handelingen waarvan nietigverklaring werd gevorderd, bestonden en voor Corneli bezwarend waren. Na dit onderzoek heeft het Gerecht in punt 29 van het bestreden arrest geoordeeld dat het beroep van Corneli ontvankelijk was voor zover het was gericht tegen de litigieuze besluiten, maar niet ten aanzien van „alle daaropvolgende of latere besluiten”, daaronder begrepen de besluiten waarmee de ECB, na de instelling van dat beroep, de plaatsing van Banca Carige onder tijdelijk bewind opnieuw had verlengd.
21 Vervolgens heeft het Gerecht zich uitgesproken over het door de ECB, met steun van de Commissie, opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, dat was gebaseerd op het ontbreken van procesbevoegdheid van Corneli. In de punten 33 tot en met 54 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich in de eerste plaats gebogen over de vraag of Corneli rechtstreeks werd geraakt door de litigieuze besluiten.
22 Zoals blijkt uit de punten 34 en 35 van dat arrest, was het Gerecht van oordeel dat de rechtsverhouding tussen Banca Carige en haar aandeelhouders, onder wie Corneli, door de litigieuze besluiten zonder enige nadere handeling was gewijzigd. Deze besluiten brachten op zich een wijziging aan in de rechten die Corneli had als aandeelhouder, om overeenkomstig de toepasselijke regels, deel te nemen aan het beheer van Banca Carige. In het bijzonder heeft het Gerecht geoordeeld dat die besluiten inbreuk maakten op de rechten van Corneli om als aandeelhouder de bestuurs- en toezichtsorganen van Banca Carige te verkiezen, de algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en de agenda vast te stellen, en de voorwaarden te wijzigen waaronder aandeelhouders, zoals Corneli, de bestuurs- en toezichtsorganen aansprakelijk konden stellen.
23 Na afwijzing van de tegenargumenten van de ECB en de Commissie, heeft het Gerecht in punt 54 van het bestreden arrest geoordeeld dat de litigieuze besluiten Corneli rechtstreeks raakten.
24 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 55 tot en met 76 van het bestreden arrest onderzocht of Corneli door de litigieuze besluiten individueel werd geraakt. Zoals blijkt uit de punten 58 tot en met 64 van dat arrest, heeft het Gerecht geoordeeld dat aan de criteria van het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17), was voldaan ten aanzien van Corneli. Ten eerste was zij immers identificeerbaar als aandeelhouder van Banca Carige op het tijdstip waarop de litigieuze besluiten werden genomen, aangezien op de datum van elk van die besluiten de lijst van aandeelhouders die door die besluiten zouden worden getroffen, vaststond. Dit gold des te meer voor het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind, dat werd vastgesteld op een dag waarop de kredietinstellingen gesloten waren, waardoor de aandelen die dag niet verhandelbaar waren. Ten tweede heeft het Gerecht vastgesteld dat de aandeelhouders van Banca Carige, onder wie Corneli, door de vaststelling van de litigieuze besluiten persoonlijk werden geraakt in een hoedanigheid die hen specifiek kenmerkte, namelijk die van houders van aandelen in het kapitaal van Banca Carige, die door deze besluiten werden verhinderd bepaalde aan die aandelen verbonden rechten uit te oefenen.
25 Het Gerecht heeft met name in punt 63 van het bestreden arrest opgemerkt dat Corneli behoorde tot de aandeelhouders die tegen het voorstel hadden gestemd dat was voorgelegd aan de algemene vergadering van 22 december 2018. Hoewel die stemming slechts een verzoek tot uitstel tot uitdrukking bracht, heeft zij geleid tot het aftreden van de leden van de raad van bestuur, gevolgd door de ontbinding ervan. Hierdoor kwam Banca Carige in een situatie die, gelet op de toenmalige context en zoals blijkt uit het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind, aanleiding gaf tot ingrijpen door de ECB. Dit ingrijpen ging gepaard met de opschorting van de taken van de algemene vergadering, en dus van de mogelijkheid voor de aandeelhouders om via hun stem invloed uit te oefenen op de koers van Banca Carige.
26 Na de bezwaren van de ECB en de Commissie te hebben afgewezen, heeft het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest geoordeeld dat Corneli individueel werd geraakt door de litigieuze besluiten en dus voldeed aan de voorwaarden inzake procesbevoegdheid.
27 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 77 tot en met 82 van het bestreden arrest het door de ECB aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid, dat was gebaseerd op het ontbreken van procesbelang van Corneli, verworpen. In dit verband heeft het Gerecht er in punt 81 van dat arrest aan herinnerd dat Corneli haar beroep had gemotiveerd met de impact van de litigieuze besluiten op de rechten die zij persoonlijk als aandeelhouder van Banca Carige bezat, met name het recht om een algemene vergadering bijeen te roepen teneinde een voorstel voor het instellen van een beroep in te dienen, of om een dergelijk punt aan de agenda van die vergadering toe te voegen. Het Gerecht heeft daaruit in punt 82 van het bestreden arrest afgeleid dat indien de litigieuze besluiten nietig zouden worden verklaard, de gevolgen voor de positie van de aandeelhouders niet identiek zouden zijn aan die voor Banca Carige zelf. Corneli kon dus, gelet op de gevolgen van die besluiten voor haar eigen rechten, een afzonderlijk belang aanvoeren bij de nietigverklaring van die besluiten, dat niet samenviel met het belang van Banca Carige.
28 Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep ontvankelijk verklaard en ten gronde onderzocht. Ter ondersteuning van haar beroep in eerste aanleg voerde Corneli zeven middelen aan: 1) schending van de evenredigheidsregels, 2) niet-naleving van de motiveringsplicht en schending van het recht om te worden gehoord, 3) de aanstelling als tijdelijk bestuurder van personen die voorheen belangrijke functies in het bestuur en het beheer van Banca Carige hadden uitgeoefend, 4) onjuiste toepassing van het recht bij het bepalen van de rechtsgrondslag voor de vaststelling van de litigieuze besluiten, 5) het feit dat de ECB heeft getracht om governanceproblemen op te lossen door personen aan te wijzen die deze problemen hadden gecreëerd, 6) schending van de regels betreffende de rechten van aandeelhouders en de fundamentele beginselen inzake de bescherming van eigendom en spaargeld, de vrijheid van particulier economisch initiatief en de zelfbeschikking van burgers bij hun persoonlijke keuzen, en 7) de ongeschiktheid van het tijdelijk bewind om het geconstateerde probleem op te lossen.
29 Om te beginnen heeft het Gerecht besloten om het vierde middel van het beroep in eerste aanleg te onderzoeken, namelijk onjuiste toepassing van het recht bij het bepalen van de rechtsgrondslag voor de vaststelling van de litigieuze besluiten. Zoals blijkt uit punt 86 van het bestreden arrest, heeft Corneli met dit middel aangevoerd dat de ECB het recht onjuist heeft toegepast door de litigieuze besluiten te baseren op artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst terwijl deze bepaling niet ziet op de situatie die is aangevoerd ter rechtvaardiging van de plaatsing van Banca Carige onder tijdelijk bewind, te weten een „aanzienlijke verslechtering” van haar situatie.
30 In dit verband heeft het Gerecht in punt 95 van het bestreden arrest uit een vergelijkende analyse van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70 van de gecoördineerde banktekst afgeleid dat de tweede bepaling niet voorzag in de ontbinding van de bestuurs- of toezichtsorganen en de instelling van een tijdelijk bewind in geval van een bijzonder significante verslechtering van de situatie van de betrokken bank of bankgroep.
31 Zo heeft het Gerecht in punt 100 van dat arrest geoordeeld dat de ECB artikel 70 van de gecoördineerde banktekst had geschonden door zich, hoewel deze bepaling niet in deze voorwaarde voorzag, te baseren op de aanzienlijke verslechtering van de situatie van Banca Carige om haar bestuurs- of toezichtsorganen te ontbinden, tijdelijk bewind in te stellen en dit bewind te handhaven gedurende de periode waarop het verlengingsbesluit betrekking heeft.
32 Om de in de punten 102 tot en met 108 van het bestreden arrest uiteengezette redenen heeft het Gerecht het door de ECB en de Commissie aangevoerde argument verworpen dat artikel 70 van de gecoördineerde banktekst in het licht van artikel 29 van richtlijn 2014/59 moest worden geïnterpreteerd, aangezien laatstgenoemd artikel voorzag in plaatsing onder tijdelijk bewind en middels artikel 70 in Italiaans recht moest worden omgezet. In dit verband heeft het Gerecht, zoals blijkt uit de punten 106 en 107 van het bestreden arrest, eraan herinnerd dat de verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht niet als grondslag kon dienen voor een uitlegging die ingaat tegen de in de nationale bepaling tot omzetting van een richtlijn gebruikte bewoordingen. Dit zou volgens het Gerecht evenwel het resultaat zijn indien die uitleggingsmethode in de bij hem aanhangige zaak zou worden gebruikt.
33 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 111 tot en met 113 van het bestreden arrest het door de ECB en de Commissie ter terechtzitting voor het Gerecht aangevoerde argument verworpen dat de ECB, wanneer zij optreedt als krachtens de bankenwetgeving bevoegde autoriteit, niet alleen het nationale recht moet toepassen, maar ook alle regels van het Unierecht, daaronder begrepen de bepaling van richtlijn 2014/59 op grond waarvan een gegeven kredietinstelling onder tijdelijk bewind kan worden geplaatst in geval van een aanzienlijke verslechtering van haar situatie.
34 In dit verband heeft het Gerecht in punt 112 van het bestreden arrest opgemerkt dat uit artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013 volgt dat wanneer het relevante Unierecht met betrekking tot de uitvoering van de aan de ECB opgedragen taken richtlijnen bevat, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet, moet worden toegepast. Volgens het Gerecht kan deze bepaling niet aldus worden gelezen dat zij twee verschillende bronnen van verplichtingen omvat, namelijk het Unierecht als geheel, de richtlijnen daaronder begrepen, waaraan het nationale recht tot omzetting ervan moet worden toegevoegd. Het Gerecht was van oordeel dat een dergelijke uitlegging zou veronderstellen dat de strekking van de nationale bepalingen verschilt van die van de richtlijnen die zij worden geacht in nationaal recht om te zetten, en dat in een dergelijk geval de twee soorten normen voor de ECB als afzonderlijke rechtsbronnen gelden, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 288 VWEU. Het Gerecht heeft overigens herinnerd aan de rechtspraak van het Hof, volgens welke een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen voor een particulier kan scheppen en een richtlijn als zodanig niet tegen een particulier kan worden ingeroepen.
35 In die omstandigheden heeft het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest geoordeeld dat de fout van de ECB bij de toepassing van artikel 70 van de gecoördineerde banktekst niet kan worden verholpen door een vrije uitlegging van de teksten waarmee de voorwaarden voor de toepassing van bepalingen waaraan op verschillende wijzen is vormgegeven in richtlijn 2014/59 en in het nationale recht, nader tot elkaar zouden kunnen worden gebracht. Het Gerecht heeft derhalve het middel van het beroep inzake een onjuiste toepassing van het recht bij het bepalen van de rechtsgrondslag voor de vaststelling van de litigieuze besluiten aanvaard en deze besluiten nietig verklaard, zonder de andere door Corneli aangevoerde middelen te onderzoeken.
Conclusies van partijen en procedure bij het Hof
36 Met haar hogere voorziening in zaak C‑777/22 P verzoekt de ECB het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, voor zover daarin de litigieuze besluiten nietig worden verklaard; – het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren; – subsidiair, de wettigheid van de litigieuze besluiten vast te stellen, en zo nodig de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over de in het bestreden arrest niet onderzochte middelen van het beroep, en – Corneli te verwijzen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als in hogere voorziening.
37 Met haar hogere voorziening in zaak C‑789/22 P verzoekt de Commissie het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk of op zijn minst ongegrond te verklaren; – Corneli te verwijzen in de kosten, en – subsidiair, na vernietiging, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht.
38 In haar memorie van antwoord verzoekt Corneli het Hof: – primair, de hogere voorzieningen niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond te verklaren, en – subsidiair, voor het geval dat de hogere voorzieningen worden toegewezen, haar beroep in eerste aanleg toe te wijzen of, meer subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht.
39 In haar memorie van antwoord in zaak C‑777/22 P geeft de Commissie aan dat zij de conclusies van de ECB volledig ondersteunt en vordert dat deze worden toegewezen.
40 Bij beslissing van de president van het Hof van 8 februari 2023 zijn de zaken C‑777/22 P en C‑789/22 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.
41 Bij beslissing van de president van het Hof van 17 april 2023 is de Italiaanse Republiek op haar verzoek toegelaten tot interventie aan de zijde van de ECB en de Commissie in de zaken C‑777/22 P en C‑789/22 P.
42 In haar memorie in interventie verzoekt de Italiaanse Republiek het Hof de hogere voorzieningen van de ECB en de Commissie toe te wijzen en bijgevolg het door Corneli ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren dan wel, subsidiair, het ten gronde te verwerpen.
43 De ECB en de Italiaanse Republiek hebben overeenkomstig artikel 16, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op respectievelijk 3 en 6 november 2023 verzocht om de onderhavige gevoegde zaken naar de Grote kamer te verwijzen. Het Hof heeft hier op 7 mei 2024 akte van genomen.
Hogere voorzieningen
44 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening in zaak C‑777/22 P voert de ECB twee middelen aan: 1) onjuiste opvatting van de feiten door het Gerecht met betrekking tot de vermeende rechten waarop Corneli zich als aandeelhouder van Banca Carige zou kunnen beroepen, en 2) onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 70 van de gecoördineerde banktekst.
45 Tot staving van haar hogere voorziening in zaak C‑789/22 P voert de Commissie vijf middelen aan: 1) schending van artikel 263 VWEU, doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat de litigieuze besluiten Corneli rechtstreeks en individueel raken, 2) schending van artikel 84 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en het verbod om ambtshalve een middel tot nietigverklaring inzake de inhoudelijke rechtmatigheid van de bestreden handeling aan te voeren, 3) schending van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013 en artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst, 4) schending van artikel 288, derde alinea, VWEU, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst niet in overeenstemming met artikel 29 van richtlijn 2014/59 kon worden uitgelegd, en 5) schending van zowel artikel 288, tweede en derde alinea, VWEU als artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat de ECB zich niet kon baseren op bepalingen van richtlijnen die rechtstreekse werking hadden, en een nationale regeling moest toepassen die in strijd is met Europese richtlijnen.
46 In haar memorie in interventie geeft de Italiaanse Republiek aan alle door de ECB en de Commissie aangevoerde middelen te steunen, met uitzondering van het vijfde middel in hogere voorziening van de Commissie, waarover zij geen standpunt inneemt.
Eerste middel in hogere voorziening van de ECB en eerste middel van de hogere voorziening van de Commissie
Argumenten van partijen
47 Met hun eerste middel in hogere voorziening betwisten de ECB en de Commissie, ondersteund door de Italiaanse Republiek, de overwegingen van het bestreden arrest waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat Corneli procesbevoegdheid had op grond dat de litigieuze besluiten haar rechtstreeks en individueel raakten, en dat zij tevens het vereiste procesbelang had, zodat haar beroep ontvankelijk was. Deze middelen bestaan uit vier onderdelen voor de ECB en drie onderdelen voor de Commissie.
48 De eerste twee onderdelen van het eerste middel van de ECB en het eerste onderdeel van het eerste middel van de Commissie hebben betrekking op de punten 34 en 35 van het bestreden arrest, op basis waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat de litigieuze besluiten Corneli rechtstreeks raken. De gevolgen die deze besluiten hebben voor een vennootschap en haar organen zijn namelijk vergelijkbaar met de gevolgen voor de situatie van elke aandeelhouder van deze vennootschap, waaronder ook aandeelhouders zoals Corneli die een gering percentage van het kapitaal bezitten. In dit verband verwijt de ECB het Gerecht met het eerste onderdeel van haar eerste middel de feiten onjuist te hebben opgevat. Bovendien stellen de ECB, in het tweede onderdeel van haar eerste middel, en de Commissie, in het eerste onderdeel van haar eerste middel, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
49 Deze instellingen benadrukken dat de in punt 34 van het bestreden arrest opgesomde rechten niet individueel aan elke aandeelhouder toekomen en zijn van mening dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de toepasselijke bepalingen van Italiaans recht en van de statuten van Banca Carige. Uit deze bepalingen en statuten blijkt ten eerste dat het recht om lijsten in te dienen voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur en van het comité van toezicht voorbehouden is aan aandeelhouders die ten minste 1 % van de gewone aandelen bezitten, ten tweede dat het recht om de leden van deze organen te kiezen toekomt aan de algemene vergadering van aandeelhouders, ten derde dat het recht om de algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en de agenda ervan vast te stellen enkel kan worden uitgeoefend door een groep aandeelhouders die 5 % van het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, en ten vierde dat de aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders van een vennootschap slechts kan worden uitgeoefend door de algemene vergadering van aandeelhouders of door een groep aandeelhouders die 2,5 % van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt.
50 De ECB betoogt overigens dat het onderhavige geding gelijkenis vertoont met de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 juli 2020, Albert e.a. tegen Hongarije (CE:ECHR:2020:0707JUD000529414). Volgens de ECB heeft die rechterlijke instantie in die zaak geoordeeld dat de gevolgen van de betrokken handelingen niet rechtstreeks de verzoekende partijen – aandeelhouders van twee banken – raakten, maar uitsluitend de banken zelf, aangezien de aandeelhouders slechts indirecte en bijkomstige gevolgen ondervonden.
51 Met respectievelijk het derde en het tweede onderdeel van hun eerste middel bekritiseren de ECB en de Commissie, ondersteund door de Italiaanse Republiek, de punten 58, 61 tot en met 63, 74 en 75 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft onderzocht of de litigieuze besluiten Corneli individueel raakten.
52 In dit verband verwijten zij het Gerecht de in punt 56 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak niet in acht te hebben genomen. De loutere mogelijkheid om de aandeelhouders van Banca Carige te identificeren op 1 januari 2019 – een dag waarop de markten gesloten waren – betekent volgens hen niet dat het op diezelfde dag genomen besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind deze aandeelhouders individueel raakte. Hetzelfde geldt voor het verlengingsbesluit, dat niet op een feestdag is vastgesteld, zoals het Gerecht zelf heeft erkend. De plaatsing onder tijdelijk bewind – zo menen zij – had betrekking op Banca Carige, adressaat van de litigieuze besluiten, alsmede op haar bestuurders, en niet op haar aandeelhouders. Bovendien heeft het Gerecht niet toegelicht waarom het feit dat Corneli tegen een ontwerpresolutie had gestemd tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders tot gevolg zou hebben gehad dat zij op vergelijkbare wijze als de adressaten van de litigieuze besluiten als individueel geraakt moest worden beschouwd.
53 Voorts kan op basis van de in de punten 74 en 75 van het bestreden arrest uiteengezette overwegingen niet worden geoordeeld dat Corneli deel uitmaakte van een „gesloten groep” in de zin van de in punt 71 van dat arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof. Het arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci (C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873), waarnaar het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest verwijst, is irrelevant, aangezien de litigieuze besluiten geen regelgevingshandelingen zijn.
54 Meer in het algemeen is de rechtspraak van het Hof inzake „gesloten groepen” ontwikkeld in de specifieke context van zaken waarin Uniehandelingen van algemene strekking in werkelijkheid slechts een klein aantal marktdeelnemers betroffen, zodat zij meteen konden worden geïdentificeerd. Daarentegen kunnen de ongeveer 35000 aandeelhouders van Banca Carige redelijkerwijs niet als een dergelijke beperkte groep van marktdeelnemers worden beschouwd. Deze rechtspraak is overigens niet van toepassing wanneer de personen die door een handeling worden geraakt, identificeerbaar zijn op grond van een objectieve feitelijke of juridische situatie die door de betrokken handeling zelf wordt omschreven. Dit is het geval voor Corneli en elke andere aandeelhouder van Banca Carige.
55 Met respectievelijk het vierde en het derde onderdeel van hun eerste middel in hogere voorziening betogen de ECB en de Commissie, ondersteund door de Italiaanse Republiek, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat Corneli het vereiste procesbelang had om een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze besluiten in te stellen. Het Hof heeft slechts bij hoge uitzondering een dergelijk belang erkend aan aandeelhouders van een vennootschap die adressaat is van een handeling van een instelling van de Unie – namelijk wanneer een dergelijke handeling ook heeft geleid tot een wijziging van de statuten van de betrokken vennootschap, of wanneer zij rechtstreekse en ingrijpende gevolgen van confisquerende aard heeft gehad ten nadele van de aandeelhouders. De invoering van een overgangsregeling voor het bestuur van een bank vormt geen dergelijk uitzonderlijk geval.
56 Bovendien heeft het Gerecht niet aangetoond dat de litigieuze besluiten afbreuk deden aan de belangen van Corneli. Ten eerste heeft het Gerecht in punt 81 van het bestreden arrest ten onrechte rechten toegekend aan iedere aandeelhouder, terwijl die rechten in werkelijkheid slechts toekomen aan gekwalificeerde minderheidsaandeelhouders. Ten tweede heeft het in punt 82 van dat arrest verklaard dat er verschillen bestaan tussen de gevolgen die een eventuele nietigverklaring van de litigieuze besluiten heeft voor Banca Carige enerzijds en voor haar aandeelhouders anderzijds, zonder echter aan te geven waarin die verschillen bestaan. De Commissie voegt hieraan toe dat het Gerecht heeft nagelaten om – desnoods ambtshalve – te onderzoeken of een eventueel procesbelang van Corneli nog bestond na afloop van de periode van tijdelijk bewind over Banca Carige.
57 Corneli betwist de ontvankelijkheid van het eerste middel in hogere voorziening van de ECB, op grond dat de ECB niet heeft gepreciseerd of zij zich beroept op een onjuiste rechtsopvatting dan wel op een onjuiste opvatting van de feiten. Hoe dan ook is Corneli van mening dat zowel het eerste middel in hogere voorziening van de ECB als het eerste middel van de hogere voorziening van de Commissie ongegrond moeten worden verklaard.
Beoordeling door het Hof
58 Wat de ontvankelijkheid van het eerste middel in hogere voorziening van de ECB betreft, volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke punten van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het betrokken middel (arrest van 23 november 2021, Raad/Hamas, C‑833/19 P, EU:C:2021:950, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 In casu voldoet het eerste middel in hogere voorziening van de ECB aan deze vereisten en is het derhalve ontvankelijk. Dit wordt niet weerlegd door de – in wezen door Corneli aangevoerde – omstandigheid dat de ECB het Gerecht zowel een onjuiste rechtsopvatting als een onjuiste opvatting van de feiten verwijt.
60 Wat het onderzoek ten gronde van het eerste middel van de hogere voorziening van de ECB en de Commissie betreft, zij eraan herinnerd dat voor de ontvankelijkheid van een beroep van een natuurlijke of rechtspersoon tegen een niet tot hem gerichte handeling, volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU de voorwaarde geldt dat hij procesbevoegd is. Dat is het geval in twee situaties. Om te beginnen kan hij een dergelijk beroep instellen indien deze handeling hem rechtstreeks en individueel raakt. Voorts kan hij beroep instellen tegen een regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, indien deze hem rechtstreeks raakt (arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 59).
61 Aangezien de onderhavige zaken niet het tweede geval betreffen, moet worden onderzocht of het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de litigieuze besluiten Corneli rechtstreeks en individueel raakten.
62 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of deze besluiten Corneli rechtstreeks raakten, volgt uit vaste rechtspraak, die ook door het Gerecht in punt 33 van het bestreden arrest in herinnering is gebracht, dat ter vervulling van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door het besluit waartegen beroep is ingesteld, aan twee cumulatieve criteria moet zijn voldaan. Ten eerste moet de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de particulier, en ten tweede moet hij aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (arrest van 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a.,C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 In casu heeft het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest vastgesteld dat de litigieuze besluiten inbreuk maakten op de rechten van de aandeelhouders van Banca Carige, waaronder Corneli. Ten eerste deden deze besluiten volgens het Gerecht afbreuk aan het recht van deze aandeelhouders om de bestuurs- en toezichtsorganen van deze bank te verkiezen, alsook aan hun recht om de algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en de agenda ervan vast te stellen. Ten tweede hadden de besluiten gevolgen voor de voorwaarden waaronder aandeelhouders de bestuurs- en toezichtsorganen van Banca Carige aansprakelijk konden stellen. Civiele vorderingen tegen de door de ECB benoemde tijdelijke bewindvoerders waren enkel mogelijk bij opzet of grove fout, en bovendien slechts met toestemming van de ECB. Aansprakelijkheidsvorderingen tegen leden van de ontbonden organen van Banca Carige of tegen haar directeur-generaal kunnen enkel door die tijdelijke bewindvoerders worden ingesteld. Dit zou de aandeelhoudersvergadering of de aandeelhouders die samen een bepaald percentage van het maatschappelijk kapitaal in handen had, het recht hebben ontnomen om een dergelijk beroep in te stellen.
64 Op basis van deze vaststellingen heeft het Gerecht in punt 35 van het bestreden arrest geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen Banca Carige en haar aandeelhouders, waaronder Corneli, zonder nadere handeling was gewijzigd bij de litigieuze besluiten, die Corneli dus rechtstreeks raakten.
65 Ter ondersteuning van hun betoog dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 34 en 35 van het bestreden arrest, verwijten de ECB en de Commissie het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met het feit dat het recht om een kandidatenlijst in te dienen voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur en het comité van toezicht van Banca Carige, het recht om de algemene vergadering van deze bank bijeen te roepen en het recht om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de leden van de bestuurs- en toezichtsorganen van die bank slechts kon worden uitgeoefend door aandeelhouders die individueel of collectief een groter aandeel van het kapitaal van Banca Carige in handen hadden dan Corneli.
66 Vanaf het moment dat Banca Carige onder tijdelijk bewind werd geplaatst en zolang die situatie voortduurde, werd Corneli in elk geval de mogelijkheid ontnomen om gebruik te maken van het recht dat zij als aandeelhouder van die bank bezat om zich met andere aandeelhouders van deze bank te verenigen om gezamenlijk een van de in het vorige punt genoemde rechten uit te oefenen. Dit gevolg voor de rechtspositie van Corneli vloeit rechtstreeks voort uit de vaststelling van de litigieuze besluiten, die de adressaat ervan in dit verband geen enkele beoordelingsmarge laten. Derhalve was wel degelijk voldaan aan de voorwaarden van de in punt 62 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld.
67 Wat voorts het eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening van de ECB betreft, volgens hetwelk het Gerecht de toepasselijke bepalingen van Italiaans recht of de statuten van Banca Carige onjuist heeft opgevat, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een onjuiste opvatting duidelijk uit de stukken van het dossier moet blijken, zonder dat een nieuwe beoordeling van de feiten en de bewijzen dient te worden verricht (arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Anders dan de ECB betoogt, blijkt in casu uit het bestreden arrest niet dat het Gerecht heeft geoordeeld dat Corneli krachtens de toepasselijke bepalingen van Italiaans recht of de statuten van de bank zelfstandig een van de in punt 34 van het bestreden arrest genoemde rechten had kunnen uitoefenen. Integendeel, in antwoord op een door de ECB en de Commissie voor het Gerecht aangevoerd argument – namelijk dat de door de litigieuze besluiten aangetaste rechten niet individueel aan elke aandeelhouder van de betrokken vennootschap toekomen, maar uitsluitend aan de algemene vergadering van aandeelhouders – heeft het Gerecht in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest opgemerkt dat dit argument op zijn minst voorbijging aan het stemrecht op grond waarvan elke aandeelhouder individueel kon deelnemen aan de verkiezing van de leden van de bestuurs- en toezichtsorganen van Banca Carige, een recht dat gerechtelijke bescherming verdient en dat na de plaatsing van Banca Carige onder tijdelijk bewind niet langer kon worden uitgeoefend.
69 Uit de motivering van het bestreden arrest, zoals samengevat in het vorige punt, blijkt dat het Gerecht wel degelijk rekening heeft gehouden met het feit dat bepaalde besluiten die in punt 34 van dat besluit worden genoemd, op grond van de toepasselijke bepalingen van Italiaans recht of van de statuten van de bank slechts gezamenlijk konden worden vastgesteld door de algemene vergadering van Banca Carige of door aandeelhouders die een bepaald aandeel van haar maatschappelijk kapitaal in handen hadden. Het Gerecht heeft echter in wezen en terecht geoordeeld dat uit deze omstandigheid niet kon worden afgeleid dat de litigieuze besluiten een bepaalde aandeelhouder, zoals Corneli, niet rechtstreeks zouden raken.
70 Ten slotte kan het feit dat het Gerecht acht heeft geslagen op het door de ECB aangevoerde arrest van het EHRM van 7 juli 2020, Albert e.a./Hongarije (CE:ECHR:2020:0707JUD000529414), niet afdoen aan de vaststelling dat de litigieuze besluiten Corneli rechtstreeks raakten.
71 Om te oordelen dat de verzoekende partijen in de zaak die heeft geleid tot dat arrest – meer bepaald aandeelhouders van twee Hongaarse spaarbanken – niet de hoedanigheid van „slachtoffer” konden claimen in de zin van artikel 34 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft het EHRM zich immers gebaseerd op het in zijn rechtspraak ontwikkelde onderscheid tussen maatregelen die de belangen van een vennootschap raken en maatregelen die afbreuk doen aan de rechten die zijn verbonden aan de hoedanigheid van aandeelhouder van die vennootschap.
72 Door te oordelen dat de in die zaak aan de orde zijnde wettelijke regeling onder de eerste categorie maatregelen viel, heeft het EHRM het uit zijn rechtspraak voortvloeiende en in § 124 van dat arrest in herinnering gebrachte algemene beginsel toegepast op grond waarvan de aandeelhouders van een vennootschap zich niet kunnen beroepen op de hoedanigheid van „slachtoffer” in bovengenoemde zin van handelingen of maatregelen die hun vennootschap raken. In dit verband heeft het EHRM, met name in § 151 van dat arrest, in wezen opgemerkt dat deze wettelijke regeling niet tot gevolg had dat de aandeelhouders van de twee betrokken banken, al was het maar tijdelijk, werden belet de rechten uit te oefenen waarover zij in hun eigen hoedanigheid beschikten.
73 Deze overwegingen, die betrekking hebben op de criteria om zich te kunnen beroepen op de hoedanigheid van „slachtoffer” in de zin van artikel 34 EVRM, zijn irrelevant voor de beoordeling of Corneli in casu rechtstreeks door de litigieuze besluiten wordt geraakt.
74 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de litigieuze besluiten Corneli individueel raken, heeft het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest terecht herinnerd aan de vaste rechtspraak dat andere personen dan de adressaten van een beslissing slechts kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt, in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, indien deze beslissing, waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, hen raakt uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (zie arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232, en 4 oktober 2024, Commissie en Raad/Front Polisario, C‑779/21 P en C‑799/21 P, EU:C:2024:835, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 Het is juist dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een handeling van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze handeling te worden geraakt, wanneer deze toepasselijkheid wordt bepaald op grond van een door de betrokken maatregel omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 157 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 Wanneer een handeling echter een groep personen raakt die op de datum waarop deze handeling werd vastgesteld waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van deze groep, moeten deze personen worden beschouwd als individueel geraakt door die handeling (arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 In casu heeft het Gerecht, zoals blijkt uit de punten 56 tot en met 59 van het bestreden arrest, geoordeeld dat Corneli individueel door de litigieuze besluiten werd geraakt, aangezien zij als aandeelhouder van Banca Carige aan beide voorwaarden voldeed. Ten eerste maakte zij deel uit van een groep waarvan de leden waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op het moment waarop de litigieuze besluiten werden vastgesteld, en ten tweede kon deze identificatie worden gebaseerd op specifieke kenmerken die eigen zijn aan de leden van deze groep, namelijk het bezit van aandelen in het kapitaal van die bank en het feit dat zij als gevolg van die besluiten werden verhinderd bepaalde aan die aandelen verbonden rechten uit te oefenen.
78 Wat deze tweede voorwaarde betreft, heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest opgemerkt dat Corneli vóór de vaststelling van de litigieuze besluiten verworven rechten had die verbonden waren aan haar aandelen en dat inbreuk op die rechten werd gemaakt gedurende de periode waarin de litigieuze besluiten van toepassing waren. In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 62 van dat arrest verwezen naar de opschorting van de werkzaamheden van de algemene vergadering van Banca Carige, die, als eerste gevolg van het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind, de aandeelhouders van die bank de mogelijkheid heeft ontnomen om hun standpunt over de voorstellen die hen nochtans betroffen, kenbaar te maken.
79 Deze overwegingen van het bestreden arrest vormen een juiste toepassing van de in de punten 74 tot en met 76 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof, en geven dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De argumenten die de ECB en de Commissie tegen deze overwegingen hebben aangevoerd, kunnen aan deze conclusie niet afdoen.
80 Ten eerste heeft het Gerecht, hoewel het in punt 58 van het bestreden arrest inderdaad vermeld dat het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind was vastgesteld op 1 januari, een dag waarop de kredietinstellingen gesloten zijn en de aandelen in Banca Carige derhalve niet verhandelbaar waren, zich niet uitsluitend op deze omstandigheid gebaseerd om te oordelen dat Corneli individueel door de litigieuze besluiten werd geraakt. Dit bleek ook uit het feit dat het Gerecht van oordeel was dat Corneli eveneens individueel werd geraakt door het verlengingsbesluit, dat, zoals het Gerecht in hetzelfde punt van het bestreden arrest heeft opgemerkt, niet op een feestdag was vastgesteld.
81 Met andere woorden, punt 58 van het bestreden arrest mag niet zo worden begrepen dat het Gerecht zijn oordeel dat Corneli individueel werd geraakt – met name door het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind – heeft gebaseerd op het enkele feit dat dit besluit op een feestdag werd genomen. Die passage moet veeleer worden opgevat als een overweging ten overvloede, waarmee enkel wordt benadrukt dat de aandeelhouders van Banca Carige, die door dat besluit individueel werden geraakt, des te gemakkelijker identificeerbaar waren doordat de beurzen die dag gesloten waren.
82 Evenmin mag punt 63 van het bestreden arrest zo worden gelezen dat het Gerecht zijn oordeel dat Corneli individueel werd geraakt door de litigieuze besluiten, heeft gebaseerd op het feit dat zij tot de aandeelhouders van Banca Carige behoorde die op de algemene vergadering van 22 december 2018 een negatieve stem had uitgebracht, temeer daar het Gerecht in punt 63 heeft gepreciseerd dat met deze stemming „enkel een verzoek [om] uitstel tot uitdrukking werd gebracht”. Met deze overwegingen wilde het Gerecht veeleer het belang onderstrepen dat voor Corneli verbonden was aan het recht om deel te nemen aan de algemene vergadering van Banca Carige – een recht dat zij niet kon uitoefenen zolang de litigieuze besluiten van kracht waren.
83 Ten tweede is, anders dan de ECB en de Commissie betogen, de in punt 76 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof betreffende groepen personen die zijn geïdentificeerd of kunnen worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van de betrokken groep, in casu wél van toepassing. De door de ECB en de Commissie aangevoerde omstandigheid dat Banca Carige ongeveer 35000 aandeelhouders zou hebben gehad die allen individueel door de litigieuze besluiten zouden zijn geraakt, is in dit verband irrelevant. De toepassing van deze rechtspraak hangt uitsluitend af van de mogelijkheid om de door een handeling geraakte personen te identificeren op basis van hun eigen kenmerken, en niet van het – al dan niet grote – aantal van die personen.
84 De in punt 75 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van het Hof, waarop de ECB en de Commissie zich beroepen, heeft geen betrekking op een geval als het onderhavige. Die rechtspraak heeft immers betrekking op situaties waarin een maatregel wordt toegepast op grond van een in de betrokken handeling omschreven feitelijke of rechtssituatie, zodat het per definitie gaat om handelingen van algemene strekking – zoals ook de advocaat-generaal in punt 66 van haar conclusie heeft opgemerkt – en niet om individuele handelingen zoals de litigieuze besluiten.
85 Wat ten derde de grieven tegen de punten 74 en 75 van het bestreden arrest betreft, volstaat het om op te merken dat, zoals blijkt uit de punten 77 tot en met 79 van het onderhavige arrest, de overwegingen in de punten 56 tot en met 62 van het bestreden arrest rechtens genoegzaam aantonen dat Corneli individueel werd geraakt door de litigieuze besluiten. In die omstandigheden kunnen deze grieven, ook al zijn zij gegrond, niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest en moeten zij als niet ter zake dienend worden afgewezen omdat zij zijn gericht tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van dat arrest (zie in die zin arrest van 29 maart 2011, Anheuser-Busch/Budějovický Budvar, C‑96/09 P, EU:C:2011:189, punt 211 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Wat in de derde plaats het procesbelang van Corneli betreft, moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak elke natuurlijke of rechtspersoon die een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU instelt, van een procesbelang moet doen blijken. Het bestaan van dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van de bestreden handeling als zodanig in het voordeel kan zijn van deze persoon (arrest van 13 juli 2023, D & A Pharma/EMA, C‑136/22 P, EU:C:2023:572, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 In casu heeft het Gerecht in punt 81 van het bestreden arrest vastgesteld dat Corneli zich ter rechtvaardiging van haar belang om op te komen tegen de litigieuze besluiten had beroepen op de gevolgen van die besluiten voor de rechten die zij persoonlijk als aandeelhouder van Banca Carige bezit, met name het recht om een algemene vergadering bijeen te roepen teneinde een voorstel voor het instellen van een beroep in te dienen of het recht om daartoe een punt toe te voegen aan de agenda van een dergelijke vergadering.
88 Het Gerecht heeft daaruit in punt 82 van het bestreden arrest afgeleid dat niet kon worden geoordeeld dat een eventuele nietigverklaring van de litigieuze besluiten hetzelfde gevolg zou hebben voor de situatie van de aandeelhouders als voor die van Banca Carige. Derhalve was in casu voldaan aan het vereiste dat een aandeelhouder een eigen procesbelang heeft dat verschilt van dat van de vennootschap waarvan hij aandelen bezit.
89 Deze overwegingen van het bestreden arrest volstaan rechtens om het bestaan aan te tonen van het vereiste belang bij het instellen van een nietigverklaringsberoep krachtens artikel 263 VWEU, dat Corneli had zolang de litigieuze besluiten van kracht waren.
90 De verwijzing in punt 81 van het bestreden arrest naar het recht om „een algemene vergadering bijeen te roepen” of „een punt toe te voegen” aan de agenda van een dergelijke vergadering betekent, anders dan de ECB en de Commissie stellen, niet dat het Gerecht aan Corneli rechten heeft toegekend waarin de statuten van Banca Carige of de toepasselijke bepalingen van Italiaans recht niet voorzien. Deze verwijzing moet worden gelezen in samenhang met de overwegingen van het bestreden arrest waaruit blijkt dat de litigieuze besluiten Corneli rechtstreeks raken. In deze context kan die verwijzing slechts worden begrepen in die zin dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat Corneli een belang had om op te komen tegen de litigieuze besluiten, aangezien bij nietigverklaring van deze besluiten de plaatsing van Banca Carige onder tijdelijk bewind zou eindigen en Corneli haar recht zou terugkrijgen om zich met andere aandeelhouders van die bank te verenigen om onder meer een algemene vergadering bijeen te roepen of een punt aan de agenda van deze vergadering toe te voegen.
91 Punt 82 van het bestreden arrest vormt het logische vervolg en de bevestiging van punt 81, wat blijkt uit het feit dat het begint met het woord „derhalve”.
92 In de vierde plaats moet worden ingegaan op het argument van de Commissie dat het Gerecht heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of het procesbelang van Corneli nog steeds bestond na afloop van de periode van tijdelijk bewind over Banca Carige.
93 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het procesbelang van een verzoeker, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep en, evenals het voorwerp van het beroep, op straffe van afdoening zonder beslissing moet blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42, en 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 26).
94 In beginsel behoudt een partij haar belang om een beroep tot nietigverklaring in te stellen wanneer dat beroep als grondslag kan dienen voor een eventueel beroep wegens aansprakelijkheid. De mogelijkheid om een schadevordering in te stellen vormt reeds een voldoende grondslag voor een dergelijk procesbelang, mits het niet om een hypothetische vordering gaat (arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 Het procesbelang kan voortvloeien uit elke bij een nationale rechterlijke instantie ingestelde vordering in het kader waarvan de mogelijke nietigverklaring van de bestreden handeling door de Unierechter de verzoeker een voordeel kan verschaffen (arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96 Het staat aan een verzoekende partij om te bewijzen dat zij een procesbelang heeft, wat de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte is. In het bijzonder kan het door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring van een handeling slechts ontvankelijk zijn wanneer de verzoekende partij haar belang bij de nietigverklaring van die handeling afdoende aantoont (arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97 In casu blijkt uit de punten 1 en 17 van het bestreden arrest dat de litigieuze besluiten op 30 september 2019 geen rechtsgevolgen meer hadden.
98 Het is juist dat, zoals blijkt uit de in de punten 94 en 95 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, deze omstandigheid niet noodzakelijkerwijs betekent dat het procesbelang van Corneli – en dus het voorwerp van het geding bij het Gerecht – in de loop van het geding was komen te vervallen. Het was evenwel de plicht van het Gerecht om, alvorens uitspraak te doen over de grond van de zaak, zo nodig ambtshalve na te gaan of dit niet het geval was. Door dit niet te doen, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
99 Deze onjuiste rechtsopvatting kan op zich echter niet tot vernietiging van het bestreden arrest leiden.
100 Zoals blijkt uit de punten 94 tot en met 96 van het onderhavige arrest, blijft Corneli immers belang houden bij de nietigverklaring van de litigieuze besluiten indien een dergelijke nietigverklaring de grondslag zou kunnen vormen voor een eventuele schadevordering.
101 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft Corneli in wezen bevestigd dat zij van mening is dat zij schade heeft geleden als gevolg van de besluiten die zijn genomen door de door de ECB benoemde tijdelijke bewindvoerders van Banca Carige, en dat zij voornemens is hiervoor schadevergoeding te verkrijgen. Volgens Corneli hebben deze besluiten geleid tot de verwatering van haar deelneming in het kapitaal van Banca Carige en uiteindelijk tot de gedwongen verkoop van de door haar gehouden aandelen, naar aanleiding van een verplicht openbaar overnamebod dat werd uitgebracht door BPR Banca SpA, die een meerderheidsbelang in het kapitaal van Banca Carige had verworven.
102 Uit het antwoord van Corneli blijkt ook dat zij overweegt schadevergoedingsvorderingen in te stellen, zowel bij het Gerecht tegen de ECB als bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties tegen de andere natuurlijke of rechtspersonen die, naar aanleiding van de litigieuze besluiten, betrokken waren bij het tijdelijk bewind over Banca Carige en vervolgens bij de verkoop ervan.
103 In dit verband moet worden opgemerkt dat de ECB in haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Hof heeft bevestigd dat de tijdelijke bewindvoerders van Banca Carige tijdens hun ambtstermijn inderdaad een reeks belangrijke besluiten hebben genomen, met name de ondertekening op 9 augustus 2019, met verschillende partijen, van een bindende raamovereenkomst betreffende de herkapitalisatie van Banca Carige. Deze handeling werd op 20 september 2019 goedgekeurd door een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van Banca Carige, die door voornoemde tijdelijke bewindvoerders was bijeengeroepen.
104 In die omstandigheden moet, net als de advocaat-generaal in de punten 77 en 78 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden geoordeeld dat, gelet op de in punt 94 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, het belang van Corneli bij het instellen van een beroep tegen de litigieuze besluiten niet als louter hypothetisch kan worden beschouwd, zelfs niet nadat de periode van tijdelijk bewind over Banca Carige is verstreken en Corneli haar aandelen heeft verkocht.
105 Dus, hoewel de gevolgen van de litigieuze besluiten en het tijdelijk bewind over Banca Carige in de loop van de procedure voor het Gerecht zijn beëindigd, is het belang van Corneli bij de nietigverklaring van die besluiten daarmee niet verdwenen.
106 Gelet op een en ander moet het eerste middel van respectievelijk de ECB en de Commissie in hogere voorziening ongegrond worden verklaard.
Tweede middel in hogere voorziening van de Commissie
Argumenten van partijen
107 Met haar tweede middel in hogere voorziening voert de Commissie, ondersteund door de ECB en de Italiaanse Republiek, aan dat Corneli voor het eerst in repliek voor het Gerecht heeft gesteld dat de ECB, overeenkomstig artikel 70 van de gecoördineerde banktekst, geen tijdelijk bewind over een kredietinstelling mocht opleggen in geval van een aanzienlijke verslechtering van de situatie van die instelling. In punt 67 van haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft Corneli immers precies het tegendeel bepleit, waarbij zij artikel 70 van de gecoördineerde banktekst op dezelfde wijze interpreteerde als de ECB.
108 Volgens de Commissie was voor een juiste uitlegging van artikel 70 van de gecoördineerde banktekst niet vereist dat kennis werd genomen van de volledige inhoud van het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind, waartoe Corneli pas toegang kreeg nadat zij haar beroep had ingesteld. De Commissie is derhalve van mening dat Corneli voor het eerst in repliek voor het Gerecht een nieuw middel heeft aangevoerd, dat niet steunt op juridische of feitelijke gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Door dit nieuwe middel niet niet-ontvankelijk te verklaren, heeft het Gerecht artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering geschonden.
109 Volgens Corneli moet dit middel worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
110 Uit artikel 84, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt dat middelen die voor het eerst in repliek zijn aangevoerd en niet steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Een middel of argument dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift aangevoerd middel, kan echter niet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat het tardief is aangevoerd (zie in die zin arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
111 In casu blijkt uit het verzoekschrift in eerste aanleg, zonder dat dit door de Commissie in haar hogere voorziening wordt betwist, dat Corneli ter ondersteuning van haar beroep met name een middel heeft aangevoerd dat is ontleend aan schending door de ECB van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst.
112 Het is juist dat Corneli, zoals de Commissie terecht opmerkt, voor het eerst in haar repliek in eerste aanleg betoogt dat deze bepaling niet toestaat dat een bank onder tijdelijk bewind wordt geplaatst in geval van een aanzienlijke verslechtering van haar situatie.
113 Corneli kan echter niet worden verweten dat zij in repliek een nieuw middel heeft aangevoerd, aangezien dit argument een nadere uitwerking vormde, in de zin van de in punt 110 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, van het in haar inleidend verzoekschrift aangevoerde middel inzake schending van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst. Hoewel zij in dat verzoekschrift met name heeft betoogd dat geen bijzonder significante verslechtering van de situatie van Banca Carige was aangetoond, heeft zij in haar repliek immers gepreciseerd dat deze bepaling niet toestaat dat een bank in een dergelijke situatie onder tijdelijk bewind wordt geplaatst. Met deze toelichting heeft Corneli echter slechts haar betoog aangevuld ter onderbouwing van haar stelling dat, zoals zij reeds in haar verzoekschrift had aangevoerd, de ECB het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind had vastgesteld in strijd met die bepaling.
114 Derhalve is de vraag of Corneli al dan niet in staat was dit argument met succes aan te voeren zonder toegang te hebben tot de volledige tekst van het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind – aangezien zij dit document pas na het indienen van haar verzoekschrift had verkregen – niet relevant.
115 Hieruit volgt dat het Gerecht niet kan worden verweten dat het artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft geschonden door het in punt 112 van het onderhavige arrest vermelde argument van Corneli niet ambtshalve als niet-ontvankelijk aan te merken wegens tardieve aanvoering. Het tweede middel van de Commissie dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Tweede middel in hogere voorziening van de ECB en derde en vierde middel in hogere voorziening van de Commissie
Argumenten van partijen
116 De ECB, met haar tweede middel in hogere voorziening, en de Commissie, met haar derde middel in hogere voorziening, betogen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de ECB artikel 70 van de gecoördineerde banktekst heeft geschonden bij het vaststellen van de litigieuze besluiten.
117 In de eerste plaats betoogt de Commissie dat het zinsdeel „in geval van de in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), [van de gecoördineerde banktekst] bedoelde overtredingen of onregelmatigheden”, in artikel 70, lid 1, van die tekst aldus moet worden gelezen dat het niet alleen ziet op de „ernstige overtredingen van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen” en op „ernstige bestuurlijke onregelmatigheden”, maar ook op de „[bijzonder significante] verslechtering van de situatie van de bank of bankgroep [...]”, waarop artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), van de gecoördineerde banktekst eveneens ziet.
118 In de tweede plaats betogen de ECB en de Commissie dat een contextuele en systematische uitlegging van de betrokken bepalingen eveneens pleit voor de opvatting dat de verwijzing in artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst naar artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), van die tekst ook ziet op het geval van een bijzonder significante verslechtering van de situatie van de betrokken bank. Er bestaat immers een logisch gevolg tussen de „afzetting” in de zin van eerstgenoemde bepaling en de „ontbinding”, in de zin van de tweede bepaling, van de bestuurs- of toezichtsorganen van een bank. Het zou dan ook onredelijk zijn ervan uit te gaan dat de Italiaanse wetgever in geval van een bijzonder significante verslechtering van de situatie van een bank enkel de eerste en niet de tweede maatregel heeft willen toestaan.
119 In de derde plaats zijn de ECB en de Commissie van mening dat de door hen voorgestane uitlegging van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst wordt bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling en door de bijbehorende voorbereidende werkzaamheden. Deze uitlegging strookt bovendien met het door de Italiaanse wetgever nagestreefde doel en met de noodzaak om de grondwet van de Italiaanse Republiek te eerbiedigen. Artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst vloeit immers voort uit een wijziging die is ingevoerd bij een wetsbesluit van 16 november 2015, dat de Italiaanse regering op basis van een door het Italiaanse parlement verleende delegatie heeft vastgesteld om de omzetting van de richtlijnen van de Unie te verzekeren. Volgens vaste rechtspraak van de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië) moet de regering bij de uitoefening van een dergelijke delegatie het Unierecht in zijn geheel strikt naleven. Voorts benadrukken de ECB en de Commissie dat hun uitlegging van artikel 70 van de gecoördineerde banktekst ook wordt bevestigd door de rechtspraak van de Italiaanse rechters.
120 Met haar vierde middel in hogere voorziening voert de Commissie aan dat het Gerecht het Unierecht en meer in het bijzonder artikel 288, derde alinea, VWEU heeft geschonden door in de punten 105 tot en met 107 van het bestreden arrest elke mogelijkheid uit te sluiten om artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst in overeenstemming met artikel 29 van richtlijn 2014/59 uit te leggen. Volgens de Commissie is de verwijzing in punt 105 van dat arrest naar een uitlegging „contra legem” van het nationale recht „semantisch twijfelachtig”, aangezien de uitdrukking„contra legem” niet van toepassing is wanneer de strekking van een verwijzing in een bepaling naar een andere bepaling moet worden uitgelegd, zoals het geval is bij artikel 70 van de gecoördineerde banktekst, dat verwijst naar artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), van die tekst.
121 De Commissie betoogt dat bij de beoordeling of de uitlegging van een bepaling van nationaal recht contra legem is, niet alleen rekening moet worden gehouden met de letterlijke uitlegging van de betrokken bepaling, maar ook met de andere uitleggingscriteria en met het nationale recht in zijn geheel. Volgens de Commissie lijdt het geen twijfel dat artikel 70 van de gecoördineerde banktekst op basis van de in het Italiaanse recht erkende uitleggingsregels in overeenstemming met richtlijn 2014/59 kan worden uitgelegd.
122 De Italiaanse Republiek steunt de door de ECB en de Commissie verdedigde uitlegging van de relevante bepalingen van Italiaans recht. Volgens haar vormt het begrip „ernstige vermogensverliezen” in de zin van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst een van de soorten „bijzonder significante verslechtering van de situatie van een bank” in de zin van artikel 69 octiesdecies, lid 1, van die tekst, zodat de ECB in de litigieuze besluiten mocht verwijzen naar het tweede, meer algemene, begrip in plaats van naar het eerste.
123 Volgens Corneli moeten de onderhavige middelen niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de ECB en de Commissie het Gerecht verwijten een onjuiste toepassing te hebben gemaakt niet van het Unierecht, maar van het Italiaanse recht. In hogere voorziening is de toetsing door het Hof van de uitlegging van het nationale recht door het Gerecht echter beperkt tot de vraag of het Gerecht dat recht niet onjuist heeft opgevat, wat in dit geval niet wordt aangevoerd.
124 Ten gronde betwist Corneli de door de ECB en de Commissie verdedigde uitlegging van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst. Zij is van mening dat overeenkomstig de uitleggingsregels van het Italiaanse recht voorrang moet worden gegeven aan de letterlijke uitlegging van deze bepaling. Zij voegt daaraan toe dat de door de ECB en de Commissie voorgestane uitlegging niet wordt bevestigd door de Italiaanse rechtspraak.
125 Corneli is bovendien van mening dat richtlijn 2014/59 correct in Italiaans recht is omgezet. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel stelt deze richtlijn een opbouw van interventiemaatregelen door de bevoegde autoriteit bij het beheer van een bank in, waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid om het hogere management of leidinggevende orgaan van een bank af te zetten in situaties die niet ernstig genoeg zijn om de benoeming van een of meer tijdelijke bewindvoerders te rechtvaardigen. Het betoog van de ECB en de Commissie gaat voorbij aan de duidelijke bewoordingen van artikel 29, lid 1, van die richtlijn, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen situaties die de afzetting van het hogere management of leidinggevende orgaan van een bank rechtvaardigen, en situaties die de benoeming van een of meer tijdelijke bewindvoerders rechtvaardigen.
126 Corneli voegt daaraan toe dat richtlijn 2014/59 slechts een minimumharmonisatie tot stand brengt, en merkt op dat de Commissie, die in kennis werd gesteld van de Italiaanse wettelijke bepalingen ter omzetting van deze richtlijn, geen niet-nakomingsprocedure tegen de Italiaanse Republiek heeft ingeleid – wat zij wel zou hebben gedaan indien die omzetting niet correct was uitgevoerd. Zelfs als dat het geval was geweest, kan deze omstandigheid volgens Corneli geen rechtvaardiging vormen voor een uitlegging van artikel 70 van de gecoördineerde banktekst die in strijd is met de bewoordingen ervan.
Beoordeling door het Hof
127 De ECB, met haar tweede middel van de hogere voorziening, en de Commissie, met haar derde en haar vierde middel van de hogere voorziening, betogen in wezen dat het Gerecht in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de ECB, bij de toepassing van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst in casu, een uitlegging contra legem van die nationale bepaling had gegeven en daarmee de grens heeft overschreden die het Unierecht stelt aan de verplichting om die bepaling conform artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/59 uit te leggen.
128 Wat de ontvankelijkheid van deze middelen betreft, zij eraan herinnerd dat de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen op een hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht is vastgesteld in artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU. Volgens deze bepaling moet de hogere voorziening beperkt blijven tot rechtsvragen en wordt deze ingesteld „op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald”. In een opsommende lijst van middelen die in dit kader kunnen worden aangevoerd, preciseert artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de hogere voorziening gebaseerd kan zijn op schending van het recht van de Unie door het Gerecht (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM,C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 46).
129 De vraag die door deze middelen wordt opgeworpen, namelijk of het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de ECB de grenzen had overschreden van haar verplichting op grond van het Unierecht om het nationale recht richtlijnconform uit te leggen, komt neer op een verzoek aan het Hof om te beoordelen of het Gerecht het Unierecht heeft geschonden. Het betreft dus een rechtsvraag die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst.
130 Anders dan Corneli stelt, zijn deze middelen dus ontvankelijk.
131 Ten gronde blijkt uit punt 2 van het bestreden arrest dat Banca Carige onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB stond. Bij de vaststelling van de litigieuze besluiten heeft de ECB zich, zoals in punt 111 van het bestreden arrest wordt bevestigd, gebaseerd op artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013.
132 Uit artikel 4, lid 3, eerste volzin, van deze verordening volgt dat voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken, waaronder het prudentieel toezicht op bepaalde kredietinstellingen, de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toepast, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. De tweede volzin van artikel 4, lid 3, bepaalt dat wanneer het toepasselijke Unierecht bestaat uit verordeningen die de lidstaten thans uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, de ECB tevens de nationale wetgeving toepast wanneer door hen van die keuzemogelijkheden gebruikgemaakt wordt.
133 Uit een gezamenlijke lezing van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013 blijkt dus dat de toepassing door de ECB van het nationale recht erop gericht is de keuzen van de nationale wetgever te respecteren binnen het kader dat wordt gesteld door de relevante bepalingen van het Unierecht, ongeacht of deze zijn opgenomen in verordeningen of richtlijnen.
134 In dit verband zij eraan herinnerd dat, wanneer zij hun nationale recht op de situatie van een bank die niet onder het rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB valt, de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten van een lidstaat die, binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden, belast zijn met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, volgens vaste rechtspraak zorg moeten dragen voor de volle werking van die bepalingen (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, HUMDA, C‑397/21, EU:C:2022:790, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
135 In het bijzonder wanneer het toepasselijke Unierecht richtlijnen bevat, impliceert het beginsel van conforme uitlegging, zoals het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, dat het nationale recht zo veel mogelijk moet worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijnen teneinde het ermee beoogde resultaat te bereiken (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark, C‑116/16 en C‑117/16, EU:C:2019:135, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
136 Evenzo is de ECB verplicht om, wanneer zij overeenkomstig artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013 op een bank die, zoals Banca Carige, onder haar rechtstreeks prudentieel toezicht valt, nationale wetgeving toepast die een richtlijn omzet, de bepalingen van die wetgeving waarop zij zich baseert uit te leggen op een wijze die in overeenstemming is met die richtlijn.
137 Zoals het Gerecht zelf in punt 103 van het bestreden arrest heeft benadrukt, is het, wanneer het – zoals in casu – het nationale recht moet toepassen, evenzeer verplicht dat recht uit te leggen in overeenstemming met de richtlijn die dit recht dient om te zetten.
138 Zoals het Gerecht ook in punt 105 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, wordt de verplichting voor de rechter om bij de uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van zijn interne recht rekening te houden met de inhoud van een richtlijn, begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en kan die verplichting niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (zie arresten van 16 juni 2005, Pupino, C‑105/03, EU:C:2005:386, punten 44 en 47, en 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 222 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Het begrip „uitlegging contra legem” moet worden opgevat in het licht van de overwegingen in de punten 132 tot en met 138 van het onderhavige arrest, alsook van de noodzaak om de voorrang van het Unierecht en de eis van een uniforme toepassing daarvan te eerbiedigen in het kader van de uitoefening door de ECB van de bevoegdheden die haar bij verordening nr. 1024/2013 zijn toegekend.
140 Bovendien moet ervan worden uitgegaan dat wanneer nationale bepalingen speciaal ter omzetting van een richtlijn zijn vastgesteld, de betrokken lidstaat de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen (zie in die zin arrest van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
141 Bijgevolg geldt het uit de in punt 138 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak voortvloeiende verbod van een uitlegging contra legem van het nationale recht slechts voor het geval waarin het nationale recht niet zodanig kan worden toegepast dat het tot een resultaat leidt dat verenigbaar is met het door de betrokken Unierechtelijke bepaling beoogde resultaat (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
142 In casu blijkt uit de punten 107 en 108 van het bestreden arrest dat het Gerecht in wezen heeft geoordeeld dat de ECB de door het Unierecht gestelde grens van een uitlegging van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst, die in overeenstemming moet zijn met artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/59, had overschreden door de betrokken nationale bepaling contra legem uit te leggen.
143 Het is derhalve aan het Hof om te onderzoeken of het Gerecht als gevolg daarvan het Unierecht heeft geschonden, zoals de ECB betoogt in haar tweede middel van de hogere voorziening en de Commissie in haar derde en vierde middel van de hogere voorziening.
144 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 28 van richtlijn 2014/59 de lidstaten verplicht er zorg voor te dragen dat de bevoegde autoriteiten de afzetting kunnen eisen van het volledige hogere management of leidinggevende orgaan van een bank, dan wel van individuele leden daarvan, met name in geval van een „significante verslechtering” van de financiële positie van die instelling.
145 Artikel 29, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat indien de bevoegde autoriteit de vervanging van het hogere management of leidinggevende orgaan als bedoeld in artikel 28 ervan onvoldoende acht om een dergelijke situatie te verhelpen, de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteit een of meer tijdelijke bewindvoerders voor de instelling kan aanstellen.
146 Uit deze twee bepalingen, in hun onderlinge samenhang gelezen, volgt dus dat de lidstaten moeten waarborgen dat, wanneer de positie van een bankinstelling aanzienlijk verslechtert, de bevoegde autoriteit afhankelijk van die situatie ofwel kan volstaan met het eisen van de afzetting van het volledige hogere management of leidinggevende orgaan, dan wel van individuele leden daarvan, ofwel daarnaast een of meer tijdelijke bewindvoerders kan aanstellen.
147 Uit artikel 9, lid 1, eerste en tweede alinea, en lid 2, van verordening nr. 1024/2013 volgt dat de ECB voor de uitvoering van de haar met name bij artikel 4, leden 1 en 2, van deze verordening opgedragen taken wordt beschouwd als de „bevoegde autoriteit”, die alle bevoegdheden heeft die krachtens de relevante bepalingen van het Unierecht op dergelijke autoriteiten rusten, en dat zij die bevoegdheden moet uitoefenen overeenkomstig de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, van die verordening bedoelde handelingen.
148 Wat in dit verband het argument van Corneli betreft dat in wezen stelt dat er – met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel – een „opbouw” moet zijn in de interventiemaatregelen van de bevoegde autoriteit bij het beheer van een bankinstelling, dient te worden vastgesteld dat het stelsel van interventiemaatregelen zoals bedoeld in de artikelen 27 tot en met 29 van richtlijn 2014/59, aan dit beginsel voldoet.
149 Wat meer in het bijzonder de in artikel 29, lid 1, van deze richtlijn bedoelde maatregel van tijdelijk bewind betreft, volgt uit deze bepaling dat deze maatregel pas kan worden genomen nadat de minder beperkende maatregel van artikel 28 van die richtlijn – namelijk de vervanging van het hogere management of leidinggevende orgaan van de betrokken bankinstelling – ontoereikend is gebleken gelet op de situatie van die instelling.
150 Uit de punten 144 tot en met 149 van dit arrest blijkt dat de nationale wetgever bij de omzetting van richtlijn 2014/59 in zijn interne rechtsorde moet voorzien in de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteit om tijdelijk bewind in te stellen over een bankinstelling, met name in geval van een aanzienlijke verslechtering van de situatie van die instelling.
151 Overeenkomstig het beginsel van richtlijnconforme uitlegging en de in de punten 134 en 135 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak van het Hof moeten de relevante bepalingen van nationaal recht dus zo veel mogelijk worden uitgelegd op een wijze die ertoe leidt dat dit resultaat wordt bereikt.
152 In casu is het juist dat, zoals blijkt uit de punten 92 tot en met 95 van het bestreden arrest, artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), van de gecoördineerde banktekst – betreffende de „afzetting”, meer bepaald de afzetting van de bestuurs- of toezichtsorganen van een bank – enerzijds, en artikel 70, lid 1, van deze tekst – betreffende het tijdelijk bewind over een bank – anderzijds, toepassingsvoorwaarden bevatten die gedeeltelijk anders zijn geformuleerd.
153 Een bijzonder significante verslechtering van de situatie van een bank in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), van de gecoördineerde banktekst wordt weliswaar in het bijzonder genoemd als een van de alternatieve voorwaarden voor de afzetting van de bestuurs- of toezichtsorganen van een bank, maar dit begrip wordt niet in die bewoordingen genoemd als voorwaarde voor de toepassing van artikel 70, lid 1, van die tekst, betreffende het tijdelijk bewind over een bank.
154 Anders dan het Gerecht in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, kan uit deze enkele omstandigheid niet worden afgeleid dat een uitlegging van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst, in overeenstemming met artikel 29 van richtlijn 2014/59 – voor zover deze bepaling van toepassing is in geval van een aanzienlijke verslechtering van de situatie van een bank – derhalve contra legem is in de zin van de in de punten 138 en 141 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof.
155 Een dergelijke uitlegging is immers niet in strijd met deze bepaling, aangezien, zoals het Gerecht zelf in punt 93 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, een van de alternatieve voorwaarden voor de toepassing van die bepaling is dat er „ernstige vermogensverliezen” van een bank „worden verwacht”.
156 Het begrip „aanzienlijke verslechtering” van de situatie van een bank, dat relevant is in het kader van artikel 29 van richtlijn 2014/59, en het begrip „verwachting van ernstige vermogensverliezen” in artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst vormen juridische begrippen die in algemene en vergelijkbare bewoordingen zijn geformuleerd.
157 Een verslechtering van de situatie van een bank impliceert immers noodzakelijkerwijs dat deze bank in de nabije toekomst vermogensverliezen kan lijden die, indien de verslechtering „aanzienlijk” is, als „ernstig” kunnen worden aangemerkt. Omgekeerd geldt: als verwacht wordt dat een bank ernstige vermogensverliezen zal lijden, dan duidt dat onvermijdelijk op een verslechtering van haar situatie die als „aanzienlijk” kan worden aangemerkt.
158 Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst naar Italiaans recht niet als grondslag kan dienen voor de vaststelling van een maatregel tot plaatsing onder tijdelijk bewind van een bank die wordt geconfronteerd met een aanzienlijke verslechtering van haar situatie, zonder daarbij in strijd te handelen met het verbod op de uitlegging contra legem van het nationale recht, in de zin van de in de punten 138 en 141 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
159 Bijgevolg moeten de hogere voorzieningen worden toegewezen en moet het bestreden arrest worden vernietigd, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de overige grieven van de ECB ter ondersteuning van haar tweede middel van hogere voorziening, noch op de grieven van de Commissie ter ondersteuning van haar derde en vierde middel van hogere voorziening, noch op haar vijfde middel van hogere voorziening.
Beroep bij het Gerecht
160 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.
161 In casu is de zaak in staat van wijzen wat betreft, ten eerste, de door de ECB, met steun van de Commissie, opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg, en ten tweede, het vierde middel van dat beroep, voor zover dit berust op een onjuiste toepassing van het recht bij het bepalen van de rechtsgrondslag van de litigieuze besluiten.
162 Wat in de eerste plaats de door de ECB opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg betreft – op grond dat Corneli door de litigieuze besluiten niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt en niet over het vereiste belang beschikt om nietigverklaring van die besluiten te vorderen – moet om dezelfde redenen als het Gerecht in de punten 33 tot en met 83 van het bestreden arrest heeft aangevoerd, en om de in de punten 62 tot en met 105 van het onderhavige arrest genoemde redenen, waarin het Hof de respectieve eerste middelen van de ECB en de Commissie in hogere voorziening ongegrond heeft verklaard, worden geoordeeld dat Corneli wél rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de litigieuze besluiten in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU en zij een belang heeft om op te komen tegen deze besluiten. Bijgevolg moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
163 In de tweede plaats voert Corneli met het vierde middel van haar beroep met name aan dat de ECB het recht onjuist heeft toegepast door de litigieuze besluiten te baseren op artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst, terwijl deze bepaling niet van toepassing is op de situatie die werd ingeroepen ter rechtvaardiging van het plaatsen van Banca Carige onder tijdelijk bewind, namelijk de „aanzienlijke verslechtering” van de situatie van die bank.
164 In dit verband blijkt uit de punten 144 tot en met 158 van het onderhavige arrest dat artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/59.
165 Ten eerste is het juist dat de term „aanzienlijke verslechtering” van de situatie van een bank niet letterlijk voorkomt als een van alternatieve voorwaarden genoemd in artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst die de toepassing van deze bepaling kunnen rechtvaardigen.
166 Zoals in de punten 157 en 158 van het onderhavige arrest is opgemerkt, ligt het begrip „aanzienlijke verslechtering” van de situatie van een bank echter nauw in de buurt van de toepassingsvoorwaarde van artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst, die inhoudt dat „ernstige vermogensverliezen worden verwacht”.
167 Ten tweede moet rekening worden gehouden met het feit dat artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst deel uitmaakt van een geheel van bepalingen die gericht zijn op het herstel van banken in moeilijkheden.
168 Verder staat vast dat artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst het resultaat is van een wijziging van de Italiaanse wetgeving door middel van een wetsbesluit dat is vastgesteld met het uitdrukkelijke doel om richtlijn 2014/59 in Italiaans recht om te zetten.
169 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst aldus moet worden uitgelegd dat aan de voorwaarde – dat kan worden verwacht dat de betrokken bank ernstige vermogensverliezen lijdt – is voldaan wanneer er sprake is van een aanzienlijke verslechtering van haar situatie, en dat deze verslechtering dus de plaatsing van de bank onder tijdelijk bewind rechtvaardigt.
170 Hieruit volgt dat de ECB het recht niet onjuist heeft toegepast door zich voor de vaststelling van de litigieuze besluiten te baseren op artikel 70, lid 1, van de gecoördineerde banktekst, en dat het vierde middel van het beroep in eerste aanleg – voor zover dat is gebaseerd op een onjuiste toepassing van het recht bij het bepalen van de rechtsgrondslag voor die besluiten – ongegrond is.
171 Voor het overige is de zaak niet in staat van wijzen, aangezien de andere middelen en argumenten die Corneli ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, niet door het Gerecht zijn onderzocht.
172 Bijgevolg moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over deze middelen.
Kosten
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-779/21, ECLI:EU:C:2024:835
- HvJ EU 5 maart 2024, C-755/21, ECLI:EU:C:2024:202
- HvJ EU 21 december 2023, C-38/21, ECLI:EU:C:2023:1014
- HvJ EU 13 juli 2023, C-376/20, ECLI:EU:C:2023:561
- HvJ EU 13 juli 2023, C-136/22, ECLI:EU:C:2023:572
- HvJ EU 13 oktober 2022, C-397/21, ECLI:EU:C:2022:790
- Gerecht EU 12 oktober 2022, T-502/19, ECLI:EU:T:2022:627
- HvJ EU 12 juli 2022, C-348/20, ECLI:EU:C:2022:548
- HvJ EU 23 november 2021, C-833/19, ECLI:EU:C:2021:950
- HvJ EU 5 november 2019, C-663/17, ECLI:EU:C:2019:923
- HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530
- HvJ EU 26 februari 2019, C-116/16, ECLI:EU:C:2019:135
- HvJ EU 7 november 2018, C-544/17, ECLI:EU:C:2018:880
- HvJ EU 6 november 2018, C-622/16, ECLI:EU:C:2018:873
- HvJ EU 21 december 2016, C-524/14, ECLI:EU:C:2016:971
- HvJ EU 17 september 2015, C-33/14, ECLI:EU:C:2015:609
- HvJ EU 5 juli 2011, C-263/09, ECLI:EU:C:2011:452
- HvJ EU 29 maart 2011, C-96/09, ECLI:EU:C:2011:189
- HvJ EU 7 juni 2007, C-362/05, ECLI:EU:C:2007:322
- HvJ EU 16 juni 2005, C-105/03, ECLI:EU:C:2005:386