HvJ EU 4 oktober 2024, C-541/22, ECLI:EU:C:2024:820
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
4 oktober 2024 ( *1 )
Inhoud
I. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2014/59
B. GAM-verordening
C. Ontwerp van technische reguleringsnormen
II. Voorgeschiedenis van het geding
A. Economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017
B. Verloop van de afwikkelingsprocedure
C. Litigieuze afwikkelingsregeling
D. Feiten die zich na de vaststelling van de litigieuze afwikkelingsregeling hebben voorgedaan
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
A. Procedure bij het Gerecht
B. Bestreden arrest
IV. Conclusies van partijen in hogere voorziening
V. Hogere voorziening
A. Voorafgaande overwegingen
B. Vijfde onderdeel van het tweede middel, ontleend aan schending van artikel 90 van de GAM-verordening en van de artikelen 17, 41 en 52 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM, en zesde onderdeel van dat middel, ontleend aan schending van de in artikel 296 VWEU bedoelde motiveringsplicht
1. Vijfde onderdeel van het tweede middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
2. Zesde onderdeel van het tweede middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
i) Motivering van de litigieuze afwikkelingsregeling
ii) Motivering van besluit 2017/1246
C. Eerste onderdeel van het eerste middel: schending van artikel 18, lid 1, eerste alinea, onder a), van de GAM-verordening
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
a) Ontvankelijkheid
b) Ten gronde
D. Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van artikel 18, lid 1, eerste alinea, onder a), van de GAM-verordening
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
E. Derde onderdeel van het eerste middel: schending van artikel 18, lid 1, eerste alinea, onder c), van de GAM-verordening
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
F. Eerste tot en met vierde onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 20 van de GAM-verordening 68
1. Eerste onderdeel van het tweede middel
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Eerste grief
2) Tweede grief
3) Derde grief
4) Vierde grief
5) Vijfde grief
2. Tweede onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 20, lid 5, van de GAM-verordening
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
3. Derde onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 20, leden 7 en 9, van de GAM-verordening
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
4. Vierde onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 20, leden 10 en 11, van de GAM-verordening
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
G. Derde middel: schadevordering in verband met de nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en van besluit 2017/1246
H. Eerste onderdeel van het vierde middel: schending van de vertrouwelijkheidsverplichting
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
a) Eerste tot en met derde grief: niet-nakoming van de vertrouwelijkheidsverplichting
b) Vierde grief: het gestelde lekken van interne informatie
c) Vijfde tot en met achtste grief van het eerste onderdeel van het vierde middel
I. Tweede onderdeel van het vierde middel: bestaan van een causaal verband
J. Derde onderdeel van het vierde middel: schadevordering
Kosten
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Bankenunie – Verordening (EU) nr. 806/2014 – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen – Afwikkelingsprocedure die van toepassing is wanneer een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen – Vaststelling van een afwikkelingsregeling ten aanzien van Banco Popular Español, SA – Artikel 14 – Afwikkelingsdoelstellingen – Artikel 18, lid 1 – Voorwaarden die gelden voor de vaststelling van een afwikkelingsregeling – Verplichtingen van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) en van de Europese Commissie – Artikel 20 – Waarderingen ten behoeve van de afwikkeling – Vereisten – Artikelen 88 tot en met 91 – Vertrouwelijkheidsverplichting – Recht op toegang tot het dossier – Uitlatingen aan de pers”
In zaak C‑541/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 11 augustus 2022,
Araceli García Fernández, wonende te Villanueva de la Cañada (Spanje),
Faustino González Parra, wonende te Palma de Mallorca (Spanje),
Fernando Luis Treviño de Las Cuevas, wonende te Sevilla (Spanje),
Juan Antonio Galán Alcázar, wonende te Consuegra (Spanje),
Lucía Palazuelo Vallejo-Nágera, wonende te Madrid (Spanje),
Macon, SA, gevestigd te Barcelona (Spanje),
Marta Espejel García, wonende te Villanueva de la Cañada (Spanje),
Memphis Investments Ltd, gevestigd te Road Town (Britse Maagdeneilanden),
Pedro Alcantara de la Herrán Matorras, wonende te Madrid,
Pedro José de Jesús Benito Trebbau López, wonende te Madrid,
Pedro Regalado Cuadrado Martínez, wonende te Salas de los Infantes (Spanje),
María Rosario Mari Juan Domingo, wonende te Salas de los Infantes,
vertegenwoordigd door S. Cajal Martín, B. M. Cremades Román, J. López Useros en P. Marrodán Lázaro, abogados,
rekwiranten,
Andere partijen in de procedure:
Eleveté Invest Group, SL, gevestigd te Madrid,
Antonio Bail Cajal, wonende te Sant Cugat del Vallés (Spanje),
Carlos Sobrini Marín, wonende te Madrid,
Edificios 1326 de l’Hospitalet, SL, gevestigd te Hospitalet de Llobregat (Spanje),
Juan José Homs Tapias, wonende te Manresa (Spanje),
Anna María Torras Giro, wonende te Manresa,
Marbore 2000, SL, gevestigd te Hospitalet de Llobregat,
Trístán González del Valle, wonende te Madrid,
verzoekers in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn, P. Němečková, A. Nijenhuis, A. Steiblytė en D. Triantafyllou als gemachtigden, bijgestaan door A. Manzaneque Valverde en J. Rivas Andrés, abogados,
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door H. Ehlers, M. S. Fernández Rupérez, A. R. Lapresta Bienz en J. Rius Riu als gemachtigden, bijgestaan door F. B. Fernández de Trocóniz Robles, abogado, en B. Meyring en S. Schelo Rechtsanwälte,
verweerders in eerste aanleg,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigden,
Banco Santander, SA, gevestigd te Santander (Spanje), vertegenwoordigd door J. Remón Peñalver, J. M. Rodríguez Cárcamo, A. M. Rodríguez Conde en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogados,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening verzoeken Araceli García Fernández, Faustino González Parra, Fernando Luis Treviño de Las Cuevas, Juan Antonio Galán Alcázar, Lucía Palazuelo Vallejo-Nágera, Macon SA, Marta Espejel García, Memphis Investments Ltd, Pedro Alcántara de la Herrán Matorras, Pedro José de Jesús Benito Trebbau López, Pedro Regalado Cuadrado Martínez en María Rosario Mari Juan Domingo om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 1 juni 2022, Eleveté Invest Group e.a./Commissie en GAR (T‑523/17, EU:T:2022:313; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van hun beroepen tot, ten eerste, nietigverklaring van besluit SRB/EES/2017/08 betreffende de vaststelling door de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), tijdens zijn bestuursvergadering van 7 juni 2017, van een afwikkelingsregeling voor Banco Popular Español, SA (hierna: „litigieuze afwikkelingsregeling”), en besluit (EU) 2017/1246 van de Commissie van 7 juni 2017 tot goedkeuring van de afwikkelingsregeling voor Banco Popular Español, SA (PB 2017, L 178, blz. 15, met rectificatie in PB 2017, L 320, blz. 31), ten tweede, vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van die besluiten en, ten derde, vaststelling van de nietigheid van de voorlopige waardering en verkrijging van compensatie.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2014/59
2 Artikel 36 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190), met het opschrift „Waardering met het oog op afwikkeling”, bepaalt in de leden 14, 15 en 16 dat de Europese Bankautoriteit (EBA) ontwerpen van technische reguleringsnormen opstelt ter nadere bepaling van de criteria waarmee en de omstandigheden waaronder de waarde wordt vastgesteld van de instelling of de entiteit waartegen een afwikkelingsmaatregel kan worden getroffen. Volgens deze bepaling is het aan de EBA om deze ontwerpen van technische reguleringsnormen voor te leggen aan de Europese Commissie, die de bevoegdheid heeft om deze vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 12).
3 De artikelen 38 en 39 van deze richtlijn regelen de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming door de nationale afwikkelingsautoriteiten. Artikel 39 van deze richtlijn („Instrument van verkoop van de onderneming: procedurevoorschriften”) bepaalt: „1. Behoudens lid 3 van dit artikel verkoopt een afwikkelingsautoriteit, bij de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming op een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c), of d), de betrokken instelling of de activa, rechten, passiva of andere eigendomsinstrumenten van die instelling die de autoriteit wil overdragen, of treft zij regelingen voor de verkoop ervan. Pools van rechten, activa en passiva kunnen afzonderlijk worden verkocht. 2. Onverminderd de staatssteunregels van de [Europese] Unie, voor zover deze van toepassing zijn, vindt de in lid 1 bedoelde verkoop plaats met inachtneming van de volgende voorwaarden: a) de verkoop is zo transparant mogelijk en er wordt geen wezenlijk onjuiste voorstelling gegeven van de activa, rechten, passiva of andere eigendomsinstrumenten van die instelling die de autoriteit wil overdragen, rekening houdend met de omstandigheden en in het bijzonder met de noodzaak om de financiële stabiliteit in stand te houden; b) ongepaste bevoordeling of discriminatie van potentiële verkrijgers is niet toegestaan; c) de verkoop is vrij van belangenconflicten; d) bij de verkoop wordt geen enkele potentiële verkrijger ongerechtvaardigd bevoordeeld; e) er wordt rekening gehouden met de noodzaak van een snelle afwikkelingsmaatregel; f) voor zover mogelijk wordt beoogd de verkoopprijs van de betrokken aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva te maximaliseren. Behoudens punt b) van de eerste alinea beletten de in dit lid bedoelde beginselen de afwikkelingsautoriteit niet om specifieke potentiële verkrijgers te benaderen. […] 3. De afwikkelingsautoriteit mag het instrument van verkoop van de onderneming toepassen zonder aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarden voor de verkoop te voldoen wanneer zij besluit dat inachtneming van deze voorwaarden waarschijnlijk een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen zou ondermijnen, en met name indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) zij is van oordeel dat het falen of waarschijnlijk falen van de instelling in afwikkeling een wezenlijke bedreiging van de financiële stabiliteit vormt of die bedreiging verergert; en b) zij is van oordeel dat inachtneming van die vereisten de doelmatigheid van het instrument van verkoop van de onderneming bij het wegnemen van die bedreiging of het verwezenlijken van de in artikel 31, lid 2, onder b), bedoelde afwikkelingsdoelstelling zou ondermijnen. […]”
B. GAM-verordening
4 In de overwegingen 7, 13 tot en met 15, 24, 26, 52, 53, 58, 89 en 116 van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1) (hierna: „GAM-verordening”) staat te lezen: „(7) Als eerste stap op weg naar een bankenunie dient het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (het GTM), dat op grond van [verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63)] is ingesteld, ervoor te zorgen dat het Uniebeleid inzake het prudentiële toezicht op kredietinstellingen op een coherente en doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gelegd, dat het gemeenschappelijk rulebook voor financiële diensten op gelijke wijze wordt toegepast op kredietinstellingen in de lidstaten van de eurozone en in de lidstaten buiten de eurozone die gekozen hebben voor deelneming aan het GTM […], en dat die kredietinstellingen worden onderworpen aan een zo hoogwaardig mogelijk toezicht. […] (13) Om het vertrouwen en de geloofwaardigheid in de banksector te herstellen, voert de Europese Centrale Bank (ECB) momenteel een uitvoerige evaluatie van de balans van alle onder rechtstreeks toezicht vallende banken uit. Middels een dergelijke evaluatie moeten alle belanghebbenden de garantie krijgen dat banken die toetreden tot het [gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM)] en derhalve binnen de werkingssfeer van het GAM vallen, fundamenteel gezond en betrouwbaar zijn. (14) Na de instelling van het GTM bij [verordening nr. 1024/2013], op grond waarvan de banken in de deelnemende lidstaten hetzij onder centraal toezicht van de ECB komen te staan, hetzij – in het kader van het GTM – onder dat van de bevoegde nationale autoriteiten, sluiten het toezicht van de Unie op die banken enerzijds en de nationale behandeling van die banken in de afwikkelingsprocedures op grond van [richtlijn 2014/59]anderzijds niet op elkaar aan, hetgeen zal worden rechtgezet door de instelling van het GAM. (15) Deze verordening is enkel van toepassing op banken waarvan de ECB de toezichthouder van de lidstaat van herkomst is dan wel de bevoegde nationale autoriteit in lidstaten die de euro als munt hebben of de bevoegde nationale autoriteit in lidstaten die niet de euro als munt hebben en die overeenkomstig artikel 7 van [verordening nr. 1024/2013] een nauwe samenwerking tot stand hebben gebracht. Het toepassingsgebied van deze verordening is gekoppeld aan het toepassingsgebied van [verordening nr. 1024/2013]. Rekening houdend met het feit dat de aan het GTM toegewezen toezichthoudende taken in belangrijke mate vervlochten zijn met de te treffen afwikkelingsmaatregelen, is de totstandbrenging van een gecentraliseerd systeem van toezicht op grond van artikel 127, lid 6, [VWEU] voor de deelnemende lidstaten immers van cruciaal belang voor het harmonisatieproces aangaande afwikkeling in deelnemende lidstaten. Het feit onderworpen te zijn aan toezicht door het GTM, vormt een specifieke eigenschap die de entiteiten die binnen het toepassingsgebied van [verordening nr. 1024/2013] vallen het oog op de afwikkeling objectief en kenmerkend onderscheidt. De nodige maatregelen dienen te worden vastgesteld om het GAM in te stellen voor alle lidstaten die aan het GTM deelnemen, teneinde een goede en stabiele werking van de interne markt te bevorderen. […] (24) Aangezien alleen de instellingen van de Unie het afwikkelingsbeleid van de Unie mogen bepalen en aangezien er bij de vaststelling van elke specifieke afwikkelingsregeling een zekere beoordelingsmarge blijft bestaan, moeten de [Europese] Raad en de Commissie naar behoren worden betrokken als de instellingen die ter zake uitvoeringsbevoegdheden mogen uitoefenen overeenkomstig artikel 291 VWEU. De beoordeling van de discretionaire elementen van de door de afwikkelingsraad genomen besluiten dient te worden uitgevoerd door de Commissie. Gezien de aanzienlijke impact van afwikkelingsbesluiten op de financiële stabiliteit van de lidstaten en van de Unie als zodanig, alsook op de budgettaire soevereiniteit van de lidstaten, is het van groot belang dat de uitvoeringsbevoegdheid om bepaalde besluiten met betrekking tot de afwikkeling te nemen, aan de Raad wordt toegekend. Het moet derhalve aan de Raad worden overgelaten om op voorstel van de Commissie effectief toezicht uit te oefenen op de evaluatie van de afwikkelingsraad omtrent het al dan niet bestaan van een openbaar belang en om een oordeel uit te spreken over wezenlijke verandering in het bedrag van het [gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (hierna: ‚Fonds’)] dat aan een specifieke afwikkelingsmaatregel dient te worden besteed. Voorts moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de nadere criteria en voorwaarden die de afwikkelingsraad bij de uitoefening van zijn diverse bevoegdheden in acht moet nemen. De aldus toegekende afwikkelingstaken mogen op generlei wijze de werking van de interne markt voor financiële diensten belemmeren. De EBA moet derhalve haar rol blijven vervullen en haar al bestaande bevoegdheden en taken behouden: de EBA moet meewerken aan en bijdragen tot de consistente toepassing van de op alle lidstaten toepasselijke wetgeving van de Unie en de convergentie van afwikkelingspraktijken in de gehele Unie helpen vergroten. […] (26) De ECB, als toezichthouder binnen het GTM, en de afwikkelingsraad dienen de mogelijkheid te hebben om te beoordelen of een kredietinstelling faalt of waarschijnlijk falende is en of er redelijkerwijs niet te verwachten valt dat alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van toezichthouders het falen ervan binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen. De afwikkelingsraad moet de afwikkelingsregeling vaststellen, indien hij van oordeel is dat aan alle criteria voor de activering van afwikkelingen is voldaan. De procedure inzake de vaststelling van de afwikkelingsregeling, waarbij de Commissie en de Raad zijn betrokken, zet de noodzakelijke operationele onafhankelijkheid van de afwikkelingsraad meer kracht bij, onder inachtneming van het beginsel van de delegatie van bevoegdheden aan agentschappen, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie. […] […] (52) Het GAM moet gebaseerd zijn op de kaders van [verordening nr. 1024/2013] en van [richtlijn 2014/59]. De afwikkelingsraad moet derhalve de bevoegdheid krijgen om bij een verslechtering van de financiële situatie of de solvabiliteit van een entiteit in een vroeg stadium in te grijpen. De informatie die de afwikkelingsraad in deze fase van de nationale afwikkelingsautoriteiten of van de ECB ontvangt, is van groot belang voor de bepaling van de mogelijke maatregelen die hij ter voorbereiding van de afwikkeling van de betrokken entiteit neemt. (53) Om snel tot afwikkeling te kunnen overgaan op het moment waarop dit noodzakelijk wordt, moet de afwikkelingsraad, in samenwerking met de ECB of met de betrokken nationale bevoegde autoriteit, de toestand van de betrokken entiteiten van nabij volgen en daarbij ook nagaan of deze entiteiten zich houden aan de vroegtijdige-interventiemaatregelen die, in voorkomend geval, met betrekking tot hen zijn genomen. Om na te gaan of een maatregel van de particuliere sector binnen een redelijk tijdsbestek het falen van een entiteit kan voorkomen, moet de geëigende autoriteit rekening houden met de effectiviteit van de vroegtijdige-interventiemaatregelen die binnen een vooraf door de bevoegde autoriteit vastgestelde tijdsbestek zijn genomen. […] (58) Liquidatie van een falende entiteit volgens de normale insolventieprocedure kan de financiële stabiliteit in gevaar brengen, de verlening van essentiële diensten verstoren en de bescherming van deposanten aantasten. In een dergelijk geval is het in het algemeen belang om afwikkelingsinstrumenten toe te passen. De afwikkeling moet dus tot doel hebben de continuïteit van essentiële financiële diensten te waarborgen, de stabiliteit van het financiële stelsel te handhaven, het moreel risico te verkleinen door het beroep van falende entiteiten op openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken, en de deposanten te beschermen. […] (89) Om de doeltreffendheid van het GAM te versterken, moet de afwikkelingsraad onder alle omstandigheden nauw met de EBA samenwerken. […] Voorts moet de afwikkelingsraad nauw samenwerken met de ECB en de overige autoriteiten die de bevoegdheid hebben om binnen het GTM toezicht uit te oefenen op de entiteiten, en met name op de groepen die onder het geconsolideerde toezicht van de ECB vallen. Om het afwikkelingsproces van falende banken doeltreffend te beheren, moet de afwikkelingsraad in alle fasen van het afwikkelingsproces met de nationale afwikkelingsautoriteiten samenwerken. Met laatstgenoemden moet derhalve niet alleen worden samengewerkt in het kader van de uitvoering van de afwikkelingsbesluiten van de afwikkelingsraad, maar ook vóór de vaststelling van een afwikkelingsbesluit, in de fase van de afwikkelingsplanning of in de fase van vroegtijdige interventie. De afwikkelingsraad moet de mogelijkheid hebben om samen te werken met de ter zake bevoegde afwikkelingsautoriteiten en met instanties die directe of indirecte openbare financiële steun verlenen. […] (116) Afwikkelingsmaatregelen moeten naar behoren worden aangemeld en, behoudens specifieke uitzonderingsgevallen als bepaald in deze verordening, openbaar worden gemaakt. Aangezien de informatie die de afwikkelingsraad, de nationale afwikkelingsautoriteiten en hun professionele adviseurs tijdens de afwikkelingsprocedure verkrijgen naar alle waarschijnlijkheid gevoelig is moet zij, alvorens het afwikkelingsbesluit openbaar wordt gemaakt, evenwel aan effectieve vereisten inzake beroepsgeheim worden onderworpen. Er moet rekening mee worden gehouden dat informatie over de inhoud en de details van afwikkelingsplannen en de resultaten van eventueel van deze plannen opgemaakte evaluaties verregaande gevolgen kunnen hebben, in het bijzonder voor de betrokken ondernemingen. Alle informatie die met betrekking tot een besluit wordt verstrekt voordat het besluit wordt genomen, bijvoorbeeld over de vraag of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan, over het gebruik van een bepaald instrument of over een maatregel in de loop van de procedure, moet worden geacht gevolgen te hebben voor de openbare en particuliere belangen die bij de maatregel betrokken zijn. Alleen al de informatie dat de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten een bepaalde entiteit aan het onderzoeken zijn, kan echter al negatieve gevolgen voor die entiteit hebben. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat er passende mechanismen zijn om dergelijke informatie, zoals de inhoud en de details van afwikkelingsplannen en de resultaten van eventueel in dat verband opgemaakte evaluaties, vertrouwelijk te houden.”
5 Overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de GAM-verordening is de afwikkelingsraad, net als de Raad en de Commissie, onderworpen aan bindende technische regulerings- en uitvoeringsnormen die door de EBA zijn ontwikkeld en door de Commissie zijn aangenomen in overeenstemming met verordening nr. 1093/2010 alsook aan alle door de EBA krachtens die verordening uitgebrachte richtsnoeren en aanbevelingen.
6 In artikel 14 van deze verordening („Afwikkelingsdoelstellingen”) is bepaald: „1. Wanneer zij handelen volgens de in artikel 18 bedoelde afwikkelingsprocedure nemen de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de nationale afwikkelingsautoriteiten bij de uitoefening van hun respectieve verantwoordelijkheden de afwikkelingsdoelstellingen in acht en kiezen zij de afwikkelingsinstrumenten en afwikkelingsbevoegdheden waarmee naar hun mening de afwikkelingsdoelstellingen die gezien de omstandigheden van de zaak relevant zijn, het best kunnen worden verwezenlijkt. 2. De in lid 1 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen zijn: a) de continuïteit van kritieke functies garanderen; b) significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit vermijden, met name door besmetting, onder meer van de marktinfrastructuur, te voorkomen en door de marktdiscipline te handhaven; c) overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zo veel mogelijk te beperken; d) beschermen van deposanten die onder richtlijn [richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149)] vallen en van beleggers die onder [richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB 1997, L 84, blz. 22)] vallen; e) de gelden en activa van cliënten beschermen. Bij het nastreven van de in de eerste alinea genoemde doelstellingen trachten de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de nationale afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingskosten zo veel mogelijk te beperken en waardevernietiging te vermijden, tenzij die noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. 3. Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening zijn alle afwikkelingsdoelstellingen van gelijk belang en worden zij, als passend, gewogen op basis van de aard en de omstandigheden van elk geval.”
7 Lid 1 van artikel 15 van deze verordening („Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling”), luidt als volgt: „Wanneer zij handelen volgens de in artikel 18 bedoelde afwikkelingsprocedure nemen de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie en, waar van toepassing, de nationale afwikkelingsautoriteiten alle passende maatregelen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen: a) de aandeelhouders van de instelling in afwikkeling dragen de eerste verliezen; […]”
8 In artikel 18 van deze verordening („Afwikkelingsprocedure”) heet het: „1. De afwikkelingsraad stelt overeenkomstig lid 6 een afwikkelingsregeling vast met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en met betrekking tot de in artikel 7, lid 4, punt b), en lid 5, bedoelde entiteiten en groepen, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van deze leden is voldaan maar enkel indien hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de vierde alinea of op eigen initiatief, vaststelt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de entiteit faalt of [zal] waarschijnlijk […] falen; b) het valt, rekening houdend met het tijdsbestek en andere ter zake doende omstandigheden, redelijkerwijze niet te verwachten dat met betrekking tot de entiteit te nemen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, waaronder ook maatregelen van een [institutioneel protectiestelsel (IPS)], of zodanige maatregelen van een toezichthouder, met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 21, binnen een redelijk tijdsbestek het falen van die entiteit zouden voorkomen; c) een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang als bedoeld in lid 5. Of aan de in de eerste alinea, punt a), bedoelde voorwaarde is voldaan, wordt beoordeeld door de ECB na raadpleging van de afwikkelingsraad. De afwikkelingsraad kan, op zijn bestuursvergadering, een beoordeling in die zin vaststellen maar enkel nadat hij de ECB van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld en de ECB niet zelf binnen drie kalenderdagen na ontvangst van die informatie een beoordeling in die zin vaststelt. De ECB verstrekt de afwikkelingsraad onverwijld alle relevante informatie die door de afwikkelingsraad wordt opgevraagd teneinde zijn beoordeling te kunnen maken. Indien de ECB oordeelt dat met betrekking tot een in de eerste alinea bedoelde instelling of groep aan de in de eerste alinea, punt a), genoemde voorwaarde is voldaan, deelt zij deze beoordeling onverwijld mede aan de Commissie en de afwikkelingsraad. Of aan de in de eerste alinea, punt b), genoemde voorwaarde is voldaan, wordt beoordeeld door de afwikkelingsraad op zijn bestuursvergadering of, waar van toepassing, door de nationale afwikkelingsautoriteiten in nauwe samenwerking met de ECB. De ECB kan tevens de afwikkelingsraad of de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten meedelen dat naar haar oordeel aan de punt b) genoemde voorwaarde is voldaan. 2. Onverminderd de gevallen waarin de ECB op grond van artikel 6, lid 5, punt b), van [verordening nr. 1024/2013] heeft besloten haar toezichttaken met betrekking tot kredietinstellingen rechtstreeks uit te oefenen, stelt de afwikkelingsraad, indien hij een mededeling uit hoofde van lid 1 ontvangt of indien de afwikkelingsraad voornemens is op eigen initiatief een beoordeling op grond van lid 1 vast te stellen met betrekking tot een in artikel 7, lid 3, bedoelde entiteit of groep, de ECB onverwijld van zijn beoordeling in kennis. […] 4. Voor de toepassing van lid 1, punt a), wordt een entiteit beschouwd als een falende of waarschijnlijk falende entiteit onder één of meer van de volgende omstandigheden: a) de entiteit maakt op de voor het behouden van de vergunning in acht te nemen vereisten op een zodanige wijze inbreuk, of er zijn objectieve elementen aanwezig ter ondersteuning van de vaststelling dat de instelling in de nabije toekomst op zodanige wijze daarop inbreuk zal maken, dat intrekking van de vergunning door de ECB gerechtvaardigd zou zijn onder meer, doch niet uitsluitend, vanwege het feit dat de instelling verliezen heeft geleden of waarschijnlijk zal lijden die haar eigen vermogen geheel of aanmerkelijk uitputten; b) de activa van de entiteit zijn geringer dan haar passiva, of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de activa van de entiteit in de nabije toekomst geringer zullen zijn dan haar passiva; c) de entiteit is niet in staat of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de entiteit in de nabije toekomst niet in staat zal zijn haar schulden of andere passiva te betalen wanneer deze opeisbaar worden; d) er is buitengewone openbare financiële steun nodig, met uitzondering van het geval waarin die buitengewone openbare financiële steun, teneinde een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, één van de volgende vormen aanneemt. […] 5. Voor de toepassing van lid 1, punt c), van het onderhavig artikel wordt een afwikkelingsmaatregel behandeld als zijnde in het algemeen belang indien deze noodzakelijk is om één of meer van de in artikel 14 vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en daarmee evenredig is, en indien deze doelstellingen met een liquidatie van de entiteit volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt. 6. Indien aan de in lid 1 opgenomen voorwaarden is voldaan, stelt de afwikkelingsraad een afwikkelingsregeling vast. De afwikkelingsregeling: a) plaatst de entiteit in afwikkeling; b) bepaalt de toepassing van de in artikel 22, lid 2, bedoelde afwikkelingsinstrumenten op de instelling in afwikkeling, met name eventuele uitsluitingen van de toepassing van de bail-in overeenkomstig artikel 27, leden 5 en 14; c) bepaalt het gebruik van het Fonds ter ondersteuning van de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met artikel 76 en met een overeenkomstig artikel 19 genomen besluit van de Commissie. 7. De afwikkelingsraad doet de afwikkelingsregeling onmiddellijk na de vaststelling ervan aan de Commissie toekomen. Binnen 24 uur vanaf de toezending van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad bevestigt de Commissie de afwikkelingsregeling of maakt zij daartegen bezwaar met betrekking tot de discretionaire aspecten van de afwikkelingsregeling in de gevallen waarin niet is voorzien in de derde alinea van dit lid. Binnen 12 uur na toezending van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad kan de Commissie de Raad voorstellen: a) bezwaar te maken tegen de afwikkelingsregeling omdat de door de afwikkelingsraad vastgestelde afwikkelingsregeling niet voldoet aan het in lid 1, punt c), genoemde criterium van algemeen belang; b) zijn goedkeuring te hechten aan of bezwaar te maken tegen een materiële wijziging van het in de afwikkelingsregeling van de afwikkelingsraad bepaalde bedrag uit het Fonds. […] 8. Indien de Raad bezwaar maakt tegen het in afwikkeling plaatsen van een instelling omdat niet is voldaan aan het in lid 1, punt c), genoemde criterium van algemeen belang, wordt de betrokken entiteit op ordelijke wijze geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht. 9. De afwikkelingsraad draagt er zorg voor dat de afwikkelingsmaatregel wordt genomen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de afwikkelingsregeling door de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten. De afwikkelingsregeling wordt tot de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten gericht en bevat instructies voor deze autoriteiten, die alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de regeling in overeenstemming met artikel 29 uit te voeren door uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden. Indien er van staatssteun of steun uit het Fonds sprake is, handelt de afwikkelingsraad overeenkomstig een besluit van de Commissie ten aanzien van deze steun. 10. De Commissie heeft de bevoegdheid om van de afwikkelingsraad alle informatie te verkrijgen die zij relevant acht voor de uitvoering van haar taken uit hoofde van deze verordening. De afwikkelingsraad heeft de bevoegdheid om overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze titel van alle personen alle informatie te verkrijgen die hij nodig heeft om een afwikkelingsmaatregel voor te bereiden en daarover een besluit te nemen, met inbegrip van bijwerkingen en aanvullingen van de in de afwikkelingsplannen verstrekte informatie.”
9 Artikel 19 van de GAM-verordening („Staatssteun en steun uit het Fonds”) luidt als volgt: „1. Indien in het kader van een afwikkelingsmaatregel staatssteun uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU of steun uit het Fonds overeenkomstig lid 3 van dit artikel wordt verleend, wordt de in artikel 18, lid 6, van deze verordening bedoelde afwikkelingsregeling pas goedgekeurd nadat de Commissie een positief of een voorwaardelijk besluit heeft genomen over de verenigbaarheid van het gebruik van dergelijke steun met de interne markt. […] 3. Voor zover de door de afwikkelingsraad voorgestelde afwikkelingsmaatregel een beroep op het Fonds inhoudt, stelt de afwikkelingsraad de Commissie op de hoogte van het voorgestelde beroep op het Fonds. De kennisgeving van de afwikkelingsraad bevat alle informatie die nodig is om de Commissie in staat te stellen haar beoordelingen uit hoofde dit artikel uit te voeren. […]”
10 Artikel 20 van deze verordening („Waardering ten behoeve van de afwikkeling”) bepaalt: „1. Alvorens een besluit te nemen over afwikkelingsmaatregelen of over het uitoefenen van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten, draagt de afwikkelingsraad er zorg voor dat een eerlijke, prudente en realistische waardering van de activa en passiva van een in artikel 2 bedoelde entiteit wordt verricht door een persoon die onafhankelijk is van een overheidsinstantie, daaronder begrepen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteit, alsook van de betrokken entiteit. 2. Behoudens lid 15 wordt de waardering als definitief beschouwd, mits aan alle vereisten van de leden 1 en 4 tot en met 9 is voldaan. 3. Indien onafhankelijke waardering overeenkomstig lid 1 onmogelijk is, mag de afwikkelingsraad overeenkomstig lid 10 van dit artikel een voorlopige waardering van de activa en passiva van de in artikel 2 bedoelde entiteit verrichten. 4. De waardering heeft tot doel de waarde te bepalen van de activa en passiva van een in artikel 2 bedoelde entiteit die voldoet aan de in de artikelen 16 en 18 genoemde voorwaarden voor afwikkeling. 5. De waardering heeft tot doel: a) als onderbouwing te dienen voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling of aan de voorwaarden voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten; b) als aan de afwikkelingsvoorwaarden is voldaan, als onderbouwing te dienen voor het besluit welke de passende afwikkelingsmaatregel is die ten aanzien van een in artikel 2 bedoelde entiteit moet worden genomen; c) wanneer de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten wordt uitgeoefend, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de omvang van de intrekking of verwatering van eigendomsinstrumenten, en de omvang van de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten; d) wanneer het instrument van bail-in wordt toegepast, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de omvang van de afschrijving of omzetting van in aanmerking komende passiva; e) wanneer het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa wordt toegepast, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de activa, de rechten, de passiva of eigendomsinstrumenten die moeten worden overgedragen en voor het besluit over de waarde van elke aan de instelling in afwikkeling of, in voorkomend geval, aan de eigenaren van de eigendomsinstrumenten te betalen vergoeding; f) wanneer het instrument van verkoop van de onderneming wordt toegepast, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de activa, de rechten, de passiva, of eigendomsinstrumenten die moeten worden overgedragen, alsook mede vorm te geven aan de opvatting van de afwikkelingsraad over wat commerciële voorwaarden zijn voor de toepassing van artikel 24, lid 2, punt b); g) er in alle gevallen zorg voor te dragen dat ieder verlies met betrekking tot de activa van een in artikel 2 bedoelde entiteit volledig is erkend op het ogenblik waarop de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten wordt uitgeoefend. 6. Onverminderd de staatssteunregels van de Unie is, in voorkomend geval, de waardering gebaseerd op prudente aannamen, onder meer met betrekking tot wanbetalingspercentages en de ernst van de verliezen. Bij de waardering wordt niet uitgegaan van een eventuele toekomstige toekenning van buitengewone openbare financiële steun, noodliquiditeitssteun van een centrale bank of liquiditeitssteun van een centrale bank onder niet-standaardvoorwaarden […]. 7. De waardering wordt aangevuld met de volgende informatie zoals deze voorkomt in de boeken en bescheiden van een in artikel 2 bedoelde entiteit: a) een geactualiseerde balans en een verslag over de financiële positie van een in artikel 2 bedoelde entiteit; b) een analyse en een raming van de boekwaarde van de activa; c) de lijst van de uitstaande buitenbalans- en balansverplichtingen zoals die voorkomt in de boeken en bescheiden van een in artikel 2 bedoelde entiteit, met vermelding van de respectieve kredieten en de in artikel 17 bedoelde rangorde van vorderingen; […] 9. Bij de waardering wordt de onderverdeling van de crediteuren in categorieën overeenkomstig de in artikel 17 bedoelde rangorde van vorderingen aangegeven, samen met een inschatting van de behandeling die elke categorie van aandeelhouders en crediteuren naar verwachting had gekregen indien een in artikel 2 bedoelde entiteit volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd. Die raming laat de toepassing van het beginsel van ‚geen schuldeiser in een slechtere positie’ bedoeld in artikel 15, lid 1, punt g), onverlet. 10. Indien wegens de spoedeisende omstandigheden van de zaak ofwel onmogelijk aan de in leden 7 en 9 opgenomen vereisten kan worden voldaan, ofwel lid 3 van toepassing is, wordt een voorlopige waardering verricht. De voorlopige waardering voldoet aan de in lid 4 opgenomen vereisten en, voor zover dit gezien de omstandigheden redelijkerwijze haalbaar is, aan de in de leden 1, 7 en 9 opgenomen vereisten. De in de eerste alinea bedoelde voorlopige waardering omvat een buffer voor bijkomende verliezen, die passend wordt gemotiveerd. 11. Een waardering die niet aan alle vereisten van lid 1 en de leden 4 tot en met 9 voldoet, wordt als voorlopig beschouwd totdat een onafhankelijk persoon als bedoeld in lid 1 een waardering heeft verricht die ten volle aan alle vereisten van die leden voldoet. Deze definitieve waardering ex post wordt zo spoedig mogelijk verricht. Zij kan hetzij afzonderlijk van de in de leden 16, 17 en 18 bedoelde waardering, hetzij tegelijk met en door dezelfde onafhankelijke persoon als die waardering worden verricht, maar staat los van die waardering. De definitieve waardering ex post heeft tot doel: a) er zorg voor te dragen dat ieder verlies met betrekking tot de activa van een in artikel 2 bedoelde entiteit volledig in de boekhouding van die entiteit wordt opgenomen; b) als onderbouwing te dienen voor het besluit om overeenkomstig lid 12 van dit artikel de vorderingen van de crediteuren terug te nemen of de waarde van de betaalde vergoeding te verhogen. 12. Indien de geschatte definitieve waardering ex post van de nettowaarde van de activa van een in artikel 2 bedoelde entiteit hoger is dan de geschatte voorlopige waardering van de nettowaarde van de activa van die entiteit, kan de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteit verzoeken: a) haar bevoegdheid uit te oefenen om de waarde te verhogen van de vorderingen van de crediteuren of eigenaars van relevante kapitaalinstrumenten die zijn afgeschreven uit hoofde van het instrument van bail-in; b) een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer de opdracht te geven een verdere betaling te verrichten van de vergoeding met betrekking tot de activa, de rechten of passiva aan een instelling in afwikkeling of, in voorkomend geval, van de vergoeding met betrekking tot de eigendomsinstrumenten aan de eigenaren van deze eigendomsinstrumenten. 13. Niettegenstaande lid 1 vormt een overeenkomstig de leden 10 en 11 verrichte voorlopige waardering voor de afwikkelingsraad een geldige basis om tot afwikkelingsmaatregelen te besluiten, met inbegrip van instructies aan de nationale afwikkelingsautoriteiten om de zeggenschap over een falende instelling over te nemen, of tot uitoefening van de bevoegdheid tot het afschrijven of omzetten van de relevante kapitaalinstrumenten. […] 15. De waardering vormt een integrerend onderdeel van het besluit om een afwikkelingsinstrument toe te passen of een afwikkelingsbevoegdheid uit te oefenen of van het besluit om de bevoegdheid tot het afschrijven of omzetten van kapitaalinstrumenten uit te oefenen. De waardering zelf is niet vatbaar voor een afzonderlijk beroep, maar kan vatbaar zijn voor een beroep samen met het besluit van de afwikkelingsraad. 16. Om te beoordelen of aandeelhouders en crediteuren beter zouden zijn behandeld als er een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling in afwikkeling was geopend, draagt de afwikkelingsraad er zorg voor dat er zo spoedig mogelijk na de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel of -maatregelen een waardering door een onafhankelijke persoon als bedoeld in lid 1 wordt verricht. Deze waardering staat los van de waardering die uit hoofde van de leden 1 tot en met 15 wordt verricht. […]”
11 Artikel 21 van die verordening („Afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten”) bepaalt: „1. De afwikkelingsraad oefent overeenkomstig de procedure van artikel 18 de bevoegdheden tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten uit ten aanzien van de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en van de in artikel 7, lid 4, onder b), en lid 5, bedoelde entiteiten en groepen als aan de voorwaarden voor de toepassing van deze leden is voldaan, maar alleen als hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de tweede alinea of op eigen initiatief, van oordeel is dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) voordat er een afwikkelingsmaatregel wordt genomen, is vastgesteld dat de in de artikelen 16 en 18 bedoelde afwikkelingsvoorwaarden zijn vervuld; b) de entiteit [zal] niet langer levensvatbaar […] zijn tenzij de relevante kapitaalinstrumenten worden afgeschreven of in eigen vermogen worden omgezet; c) in het geval van door een dochteronderneming uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten die voor het vervullen van de eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, [zal] de groep niet langer levensvatbaar […] zijn tenzij met betrekking tot deze instrumenten de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid wordt uitgeoefend; d) in het geval van op het niveau van de moederonderneming uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten en indien die relevante kapitaalinstrumenten voor het vervullen van de eigenvermogensvereisten op individuele basis op het niveau van de moederonderneming of op geconsolideerde basis zijn erkend, [zal] de groep niet langer levensvatbaar […] zijn tenzij met betrekking tot deze instrumenten de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid wordt uitgeoefend; e) de entiteit of groep heeft buitengewone openbare financiële steun nodig, behalve onder een van de omstandigheden als beschreven in artikel 18, lid 4, punt d), onder iii). Of aan de in de eerste alinea, punten a), c) en d), bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt beoordeeld door de ECB na raadpleging van de afwikkelingsraad. De afwikkelingsraad kan op zijn bestuursvergadering ook een dergelijke beoordeling uitvoeren. 2. Wat de beoordeling van de levensvatbaarheid van de entiteit of groep betreft, kan de afwikkelingsraad op zijn bestuursvergadering een beoordeling in die zin maken maar enkel nadat hij de ECB van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld en de ECB niet zelf binnen drie kalenderdagen na ontvangst van die informatie een beoordeling in die zin maakt. De ECB verstrekt de afwikkelingsraad onverwijld alle relevante informatie die de afwikkelingsraad opvraagt teneinde zijn beoordeling te kunnen maken. 3. Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel wordt een in artikel 2 bedoelde entiteit of een groep geacht niet langer levensvatbaar te zijn indien beide onderstaande voorwaarden zijn vervuld: a) de entiteit of groep faalt of zal waarschijnlijk falen; b) gezien het tijdsbestek en andere ter zake doende omstandigheden valt redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel, inclusief alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van een toezichthouder (met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen), dan de afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met een afwikkelingsmaatregel, het falen van de betrokken entiteit of groep binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen. 4. Voor de toepassing van lid 3, punt a), van dit artikel wordt een entiteit beschouwd als een entiteit die faalt of waarschijnlijk zal falen als zich ten minste een van de in artikel 18, lid 4, bedoelde omstandigheden voordoet. 5. Voor de toepassing van lid 3, punt a), wordt een groep beschouwd als een groep die faalt of waarschijnlijk zal falen indien de groep op haar geconsolideerde prudentiële vereisten op zodanige wijze inbreuk maakt, of er objectieve elementen bestaan ter ondersteuning van de vaststelling dat de groep op de genoemde vereisten in de nabije toekomst op zodanige wijze inbreuk zal maken, dat een optreden door de ECB of de nationale bevoegde autoriteit gerechtvaardigd zou zijn, onder meer, doch niet uitsluitend, vanwege het feit dat de groep verliezen heeft geleden of waarschijnlijk zal lijden die haar eigen vermogen geheel of aanmerkelijk uitputten. […] 9. Indien aan een of meer van de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan en ook aan de in artikel 18, lid 1, bedoelde voorwaarden is voldaan, is de in artikel 18, leden 6, 7 en 8, opgenomen procedure van toepassing. […]”
12 Artikel 22 van deze verordening („Algemene beginselen van afwikkelingsinstrumenten”) bepaalt: „1. Indien de afwikkelingsraad besluit een afwikkelingsinstrument op een entiteit of groep als bedoeld in artikel 7, lid 2, of op een entiteit of groep als bedoeld in artikel 7, lid 4, punt b), en lid 5, indien de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen zijn vervuld, toe te passen, en deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat crediteuren verliezen lijden of dat hun vorderingen worden omgezet, geeft de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten de instructie de bevoegdheid tot het afschrijven en omzetten van de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 21 onmiddellijk vóór dan wel tegelijk met de toepassing van het afwikkelingsinstrument uit te oefenen. 2. De in artikel 18, lid 6, punt b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten zijn: a) het instrument van verkoop van de onderneming; b) het instrument van de overbruggingsinstelling; c) het instrument van afsplitsing van activa; d) het instrument van bail-in. 3. Bij de vaststelling van de in artikel 18, lid 6, bedoelde afwikkelingsregeling neemt de afwikkelingsraad de volgende factoren in aanmerking: a) de activa en passiva van de instelling in afwikkeling op basis van de waardering in de zin van artikel 20; b) de liquiditeitspositie van de instelling in afwikkeling; c) de verkoopbaarheid van de franchisewaarde van de instelling in afwikkeling in het licht van de op de markt heersende economische en concurrentievoorwaarden; d) de beschikbare tijd. 4. De afwikkelingsinstrumenten worden overeenkomstig de in artikel 15 vermelde afwikkelingsbeginselen toegepast om de in artikel 14 vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. Zij mogen ofwel afzonderlijk ofwel in combinatie worden toegepast, met uitzondering van het instrument van afsplitsing van activa, dat alleen samen met een ander afwikkelingsinstrument mag worden toegepast. […]”
13 Artikel 24 van de GAM-verordening („Instrument van verkoop van de onderneming”) is als volgt verwoord: „1. Binnen de afwikkelingsregeling bestaat het instrument van verkoop van de onderneming in de overdracht aan een koper die geen overbruggingsinstelling is, in het volgende: a) eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door een instelling in afwikkeling; of b) alle of bepaalde activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling. 2. In verband met het instrument van de verkoop van de onderneming wordt in de afwikkelingsregeling het volgende vastgelegd: a) de in overeenstemming met artikel 38, leden 1 en 7 tot en met 11, van [richtlijn 2014/59] door de nationale afwikkelingsautoriteit over te dragen instrumenten, activa, rechten en verplichtingen; b) de commerciële voorwaarden, gezien de omstandigheden en de in de loop van het afwikkelingsproces gemaakte kosten en verrichte uitgaven, waaronder de nationale afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 38, leden 2, 3 en 4, van [richtlijn 2014/59] de overdracht moet uitvoeren; c) of de nationale afwikkelingsautoriteit de overdrachtbevoegdheden meer dan eens mag uitoefenen in overeenstemming met artikel 38, leden 5 en 6, van [richtlijn 2014/59]; d) de regelingen voor de verkoop door de nationale afwikkelingsautoriteit van de betrokken entiteit of de betrokken instrumenten, activa, rechten en verplichtingen in overeenstemming met artikel 39, leden 1 en 2, van [richtlijn 2014/59]; e) of het waarschijnlijk is dat de inachtneming van de verkoopsvoorwaarden door de nationale afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsdoelstellingen zal ondermijnen in de zin van lid 3 van dit artikel. 3. De afwikkelingsraad past het instrument van verkoop van de onderneming toe zonder aan de in lid 2, punt e), opgenomen voorwaarden voor de verkoop te voldoen wanneer hij vaststelt dat inachtneming van deze voorwaarden waarschijnlijk een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen zou ondermijnen, en met name indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) hij is van oordeel dat het falen of het waarschijnlijke falen van de instelling in afwikkeling een wezenlijke bedreiging van de financiële stabiliteit vormt of die dreiging verergert; en b) hij is van oordeel dat het naleven van die vereisten de doelmatigheid van het instrument van verkoop van de onderneming zal aantasten wat betreft het wegnemen van die bedreiging of het verwezenlijken van de in artikel 14, lid 2, punt b), vermelde afwikkelingsdoelstelling zou ondermijnen.”
14 Artikel 29 van deze verordening regelt de uitvoering, door de nationale afwikkelingsautoriteiten en de afwikkelingsraad, van de besluiten die krachtens de verordening zijn genomen, en bepaalt in lid 5, eerste volzin, dat de afwikkelingsraad op zijn officiële website hetzij een kopie van de afwikkelingsregeling publiceert, hetzij een bericht waarin de gevolgen van de afwikkelingsmaatregel, en met name de gevolgen ervan voor retailklanten, worden samengevat.
15 Artikel 30, lid 2, van de verordening („Verplichting tot samenwerking en informatie-uitwisseling binnen het GAM”) bepaalt: „Bij de uitoefening van hun respectieve verantwoordelijkheden op grond van deze verordening werken de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie, de ECB en de nationale afwikkelingsautoriteiten en nationale bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten nauw samen, met name in de fasen van afwikkelingsplanning, vroegtijdige interventie en afwikkeling krachtens de artikelen 8 tot en met 29. Zij verstrekken elkaar alle informatie die zij nodig hebben voor de uitvoering van hun taken.”
16 Artikel 76, lid 1, onder b), van de GAM-verordening bepaalt dat de afwikkelingsraad in het kader van de afwikkelingsregeling een beroep kan doen op doen op het Fonds voor zover dat noodzakelijk is om de effectieve toepassing van de afwikkelingsinstrumenten te verzekeren met als doel leningen te verstrekken aan de instelling in afwikkeling, haar dochterondernemingen, een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer.
17 Artikel 88 van deze verordening („Beroepsgeheim en uitwisseling van informatie”) luidt als volgt: „1. Voor de leden van de afwikkelingsraad, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden van de afwikkelingsraad, de personeelsleden uitgewisseld met of gedetacheerd door de deelnemende lidstaten die afwikkelingstaken uitvoeren, geldt de geheimhoudingsplicht van artikel 339 VWEU en de desbetreffende bepalingen in het Unierecht, zelfs na afloop van hun functie. Met name mogen zij aan geen enkele persoon of autoriteit vertrouwelijke informatie bekendmaken waarvan zij bij de uitoefening van hun beroepswerkzaamheden of via een bevoegde autoriteit of afwikkelingsautoriteit in verband met hun taken als bedoeld in deze richtlijn kennis hebben gekregen, tenzij in het kader van de uitoefening van hun taken als bedoeld in deze verordening of in een zodanig samengevatte of geaggregeerde vorm dat in artikel 2 bedoelde entiteiten niet kunnen worden geïdentificeerd, of met de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit of de entiteit die de informatie heeft verschaft. Informatie die onder de vereisten inzake beroepsgeheim valt, mag niet aan een andere publieke of particuliere entiteit worden verstrekt, tenzij dat in het kader van gerechtelijke procedures noodzakelijk is. Die vereisten gelden ook voor kandidaat-kopers die worden gecontacteerd met het oog op de voorbereiding van de afwikkeling van een entiteit uit hoofde van artikel 13, lid 3. 2. De afwikkelingsraad zorgt ervoor dat personen die permanent of occasioneel, direct of indirect, diensten verstrekken voor de uitvoering van zijn taken, waaronder ook zijn ambtenaren en andere personen die door de afwikkelingsraad zijn gemachtigd of door de nationale afwikkelingsautoriteiten zijn aangewezen om inspecties ter plaatse te verrichten, worden onderworpen aan de vereisten inzake beroepsgeheim die gelijkwaardig zijn aan de in lid 1 bedoelde geheimhoudingsplicht. […] 5. De afwikkelingsraad ziet erop toe dat informatie die openbaar wordt gemaakt geen vertrouwelijke elementen bevat, en gaat daarbij na welke gevolgen de openbaarmaking zou kunnen hebben voor het openbaar belang met betrekking tot het financieel, monetair of economisch beleid, voor de commerciële belangen van natuurlijke en rechtspersonen, voor het doel van inspecties, voor onderzoeken en voor controles. De procedure voor het nagaan van de gevolgen van het openbaar maken van informatie omvat een specifieke beoordeling van de gevolgen van een mogelijke openbaarmaking van de inhoud en de details van afwikkelingsplannen als bedoeld in de artikelen 8 en 9, en van de resultaten van beoordelingen als bedoeld in artikel 10 of de afwikkelingsregeling als bedoeld in artikel 18. […]”
18 Artikel 90 van de GAM-verordening („Toegang tot documenten”) is als volgt verwoord: „1. [Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43)] is van toepassing op de documenten in bezit van de afwikkelingsraad. […] 4. Aan de besluiten van de afwikkelingsraad onderworpen personen zijn gerechtigd toegang tot het dossier van de afwikkelingsraad te krijgen, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van andere personen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen. Het recht van toegang tot het dossier is niet van toepassing op vertrouwelijke informatie of interne voorbereidende documenten van de afwikkelingsraad.”
19 Artikel 91 van deze verordening bepaalt dat de afwikkelingsraad op gerubriceerde en gevoelige, niet-gerubriceerde informatie de beveiligingsbeginselen toepast die zijn vastgelegd in de veiligheidsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van dergelijke informatie.
C. Technische reguleringsnormen
20 Op 23 mei 2017 heeft de EBA op basis van artikel 36, leden 14 en 15, van richtlijn 2014/59 het ontwerp van technische reguleringsnormen EBA/RTS/2017/05 voor de waardering ten behoeve van de afwikkeling vastgesteld (hierna: „technische reguleringsnormen”), met het oog op de vaststelling van de criteria op basis waarvan de waarderingen in het kader van een afwikkelingsprocedure moeten worden uitgevoerd.
21 Artikel 2, lid 3, van deze technische reguleringsnormen bepaalt: „De taxateur verstrekt de beste puntschatting van de waarde van een bepaald actief, passief of combinaties daarvan. Waar nodig worden de resultaten van de waardering ook verstrekt in de vorm van waarde-intervallen.”
22 Artikel 8 van het ontwerp van de technische reguleringsnormen („Gebieden die bij de waardering bijzondere aandacht vergen”) is als volgt geformuleerd: „De taxateur richt zich met name op gebieden met aanzienlijke waarderingsonzekerheid die significante gevolgen voor de totale waardering hebben. Voor deze gebieden verstrekt de taxateur de resultaten in de vorm van beste puntschattingen en, waar nodig, waarde-intervallen overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 3. Deze gebieden omvatten: a) leningen of leningenportefeuilles, waarvan de verwachte kasstromen afhankelijk zijn van het vermogen of de bereidheid van of de stimulans voor de tegenpartij om aan haar verplichting te voldoen, wanneer deze verwachtingen stoelen op aannamen met betrekking tot achterstalligheidspercentages, de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling of de kenmerken van het instrument, met name indien deze worden gestaafd door verliespatronen voor een leningenportefeuille; […]”
II. Voorgeschiedenis van het geding
23 Banco Popular Español SA (hierna: „Banco Popular”) was een kredietinstelling die onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB stond.
24 Rekwiranten waren vóór de vaststelling van een afwikkelingsregeling voor Banco Popular aandeelhouder of houder van aanvullende tier 1-instrumenten of van tier 2-instrumenten van deze bank.
A. Economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017
25 De feiten betreffende de ontwikkeling van de economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017, die in de punten 25 tot en met 46 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen als volgt worden samengevat.
26 In 2016 heeft Banco Popular een kapitaalverhoging van 2,5 miljard EUR doorgevoerd.
27 Op 5 december 2016 heeft de afwikkelingsraad tijdens zijn bestuursvergadering een afwikkelingsplan voor de groep Banco Popular (hierna: „afwikkelingsplan 2016”) vastgesteld. In het afwikkelingsplan 2016 werd, als afwikkelingsinstrument, de voorkeur gegeven aan het in artikel 27 van de GAM-verordening vermelde instrument van bail-in.
28 Op 3 februari 2017 heeft Banco Popular haar jaarverslag over 2016 gepubliceerd, waarin zij aankondigde dat uitzonderlijke voorzieningen ten belope van 5,7 miljard EUR nodig waren, wat resulteerde in een geconsolideerd verlies van 3,485 miljard EUR, en dat er een nieuwe CEO werd benoemd.
29 Op 10 februari 2017 heeft DBRS Ratings (DBRS), thans DBRS Morningstar, de rating van Banco Popular verlaagd, met een negatieve outlook, in het licht van de verzwakte kapitaalpositie van deze bank ten gevolge van een groter nettoverlies dan het in punt 28 van onderhavig arrest vermelde verlies dat in haar jaarverslag was verwacht, alsmede de inspanningen die Banco Popular leverde om haar nog steeds hoge voorraad niet-rendabele activa te verminderen.
30 Op 3 april 2017 heeft Banco Popular het resultaat van interne audits bekendgemaakt waarbij zij aangaf dat het jaarverslag over 2016 mogelijkerwijs moest worden gecorrigeerd. Deze correcties zijn doorgevoerd in het financiële verslag van Banco Popular over het eerste kwartaal van 2017.
31 Na deze aankondiging heeft DBRS Morningstar op 6 april de rating van Banco Popular verlaagd en de negatieve outlook gehandhaafd. Ook Standard & Poor’s – op 7 april – en Moody’s Investors service (hierna: „Moody’s”) – op 21 april 2017 – hebben de rating van Banco Popular verlaagd, eveneens met een negatieve outlook.
32 Op 10 april 2017 heeft de voorzitter van de raad van bestuur tijdens de algemene aandeelhoudersvergadering van Banco Popular aangekondigd dat de bank wegens de kapitaalpositie van de groep en de omvang van haar niet-rendabele activa een kapitaalverhoging of een bedrijfstransactie overwoog. De CEO van Banco Popular werd minder dan een jaar na zijn aantreden vervangen.
33 In april 2017 heeft Banco Popular een onderhandse verkoopprocedure gelanceerd met het oog op haar overdracht aan een sterke concurrent en daarmee het herstel van haar financiële positie. De uiterste datum waarop mogelijkerwijs in de overname van Banco Popular geïnteresseerde kopers een bod konden uitbrengen werd vastgesteld op 10 juni 2017.
34 Op 5 mei 2017 heeft Banco Popular haar financieel verslag over het eerste kwartaal van 2017 gepresenteerd, waarin een verlies van 137 miljoen EUR werd aangekondigd.
35 Op 12 mei 2017 daalde het liquiditeitsdekkingsvereiste (Liquidity Coverage Requirement) van Banco Popular tot onder de minimumdrempel van 80 % die is vastgesteld in artikel 460, lid 2, onder c), van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1).
36 Bij brief van 16 mei 2017 heeft Banco Santander, SA aan Banco Popular meegedeeld dat zij niet in staat was om in het kader van de onderhandse verkoopprocedure een bindend bod uit te brengen.
37 Op 16 mei 2017 heeft Banco Popular in een mededeling van een relevant feit aan de Comisión nacional del mercado de valores (nationale commissie voor de effectenmarkt, Spanje) vermeld dat potentiële kopers hun belangstelling voor de onderhandse verkoopprocedure kenbaar hadden gemaakt, maar dat er geen enkel bindend bod was ontvangen.
38 Op 19 mei 2017 heeft het ratingbureau Fitch Ratings Ltd de langetermijnrating van Banco Popular verlaagd.
39 Op 23 mei 2017 heeft de voorzitter van de afwikkelingsraad, Elke König, een interview gegeven aan de televisiezender Bloomberg, waarin haar onder meer werd gevraagd naar de situatie van Banco Popular.
40 In de loop van mei 2017 werd in talrijke persartikelen bericht over de moeilijkheden van Banco Popular.
41 In de eerste dagen van juni 2017 werd Banco Popular geconfronteerd met massale geldopnamen.
42 Op 5 juni 2017 heeft Banco Popular wegens aanzienlijke liquiditeitsbewegingen ’s ochtends een eerste verzoek om noodliquiditeitssteun ingediend bij de Banco de España (centrale bank van Spanje), gevolgd door een tweede verzoek in de middag, waarin het gevraagde bedrag werd verhoogd. Op verzoek van de Banco de España en na de op diezelfde dag door de ECB verrichte beoordeling van het verzoek van Banco Popular om noodliquiditeitssteun, heeft de Raad van bestuur van de ECB er geen bezwaar tegen gemaakt dat voor de periode tot en met 8 juni 2017 noodliquiditeitssteun aan Banco Popular werd verstrekt. Banco Popular heeft een deel van deze noodliquiditeitssteun ontvangen, waarna de Banco de España heeft verklaard dat zij Banco Popular geen extra noodliquiditeitssteun kon verlenen.
B. Verloop van de afwikkelingsprocedure
43 Het Gerecht heeft de feiten betreffende het verloop van de afwikkelingsprocedure uiteengezet in de punten 47 tot en met 67 van het bestreden arrest. Deze punten kunnen worden samengevat als volgt.
44 Op 23 mei 2017 heeft de afwikkelingsraad het auditkantoor Deloitte (hierna: „Deloitte”) aangesteld als onafhankelijke deskundige om Banco Popular te waarderen overeenkomstig artikel 20 van de GAM-verordening.
45 Op 24 mei 2017 heeft de afwikkelingsraad Banco Popular op de grondslag van artikel 34 van de GAM-verordening verzocht om informatie die hij nodig had om zijn waardering uit te voeren. Op 2 juni 2017 heeft hij Banco Popular tevens verzocht om informatie te verstrekken over de onderhandse verkoopprocedure en om toegang te verlenen tot de beveiligde virtuele dataroom die deze bank in het kader van die procedure had opgezet.
46 Op 3 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad tijdens zijn bestuursvergadering het tot het Fondo de Reestructuración Ordenada Bancaria (FROB) (fonds voor de ordelijke herstructurering van bankinstellingen, Spanje) gerichte besluit SRB/EES/2017/06 vastgesteld, dat betrekking heeft op de verkoop van Banco Popular. De afwikkelingsraad heeft het FROB zijn goedkeuring gegeven om onmiddellijk de procedure voor de verkoop van Banco Popular te lanceren en heeft het FROB gewezen op de voorwaarden voor de verkoop overeenkomstig artikel 39 van richtlijn 2014/59. De afwikkelingsraad heeft er met name op gewezen dat het FROB contact moest opnemen met de vijf potentiële kopers die in het kader van de onderhandse verkoopprocedure waren uitgenodigd om een bod uit te brengen.
47 Van de vijf potentiële kopers hebben er twee besloten om niet aan de verkoopprocedure deel te nemen en is er één om prudentiële redenen door de ECB uitgesloten.
48 Op 4 juni 2017 hebben de twee potentiële kopers die hadden besloten om aan de verkoopprocedure om deel te nemen – Banco Santander en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA – een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend en op 5 juni 2017 hebben zij toegang gekregen tot de virtuele dataroom.
49 Op 5 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 20, lid 5, onder a), van de GAM-verordening een eerste waardering opgesteld (hierna: „eerste waardering”), die tot doel had als onderbouwing te dienen voor de vaststelling of voldaan was aan de in artikel 18, lid 1, eerste alinea, van deze verordening vastgelegde voorwaarden om een afwikkelingsprocedure te starten.
50 Op 6 juni 2017 heeft de ECB – overeenkomstig artikel 18, lid 1, tweede alinea, van deze verordening – na raadpleging van de afwikkelingsraad beoordeeld of Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen.
51 Uit punt 61 van het bestreden arrest blijkt dat de ECB na die beoordeling – gelet op de ontwikkeling van de economische situatie van Banco Popular in 2016 en 2017, zoals samengevat in de punten 26 tot en met 42 van het onderhavige arrest, en in het bijzonder de al te grote uitstroom van deposito’s, de snelheid waarmee de liquiditeitspositie van de bank was verslechterd en het feit dat zij niet in staat was om andere liquide middelen te genereren – heeft vastgesteld dat er objectieve elementen bestonden waaruit bleek dat Banco Popular in de nabije toekomst waarschijnlijk niet in staat zou zijn om haar schulden of andere passiva te voldoen wanneer deze opeisbaar werden. De ECB is tot de slotsom gekomen dat Banco Popular moest worden beschouwd als een entiteit die faalde of althans in de nabije toekomst waarschijnlijk zou falen, in de zin van artikel 18, lid 1, eerste alinea, onder a), en lid 4, eerste alinea, onder c), van de GAM-verordening.
52 Diezelfde dag heeft Banco Popular de ECB meegedeeld dat haar raad van bestuur tot de conclusie was gekomen dat de bank waarschijnlijk zou falen.
53 De feiten inzake de verkoopprocedure zoals deze uit de punten 63 tot en met 67 van het bestreden arrest naar voren komen, kunnen worden samengevat als volgt.
54 Bij brief van 6 juni 2017 heeft het FROB de informatie verstrekt inzake de verkoopprocedure en 6 juni 2017 om middernacht vastgesteld als uiterste termijn voor het uitbrengen van een bod.
55 Nog steeds op diezelfde dag heeft Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, een van de twee potentiële kopers van Banco Popular, het FROB meegedeeld dat zij geen bod zou uitbrengen.
56 Eveneens op 6 juni 2017 heeft Deloitte de afwikkelingsraad een tweede waardering (hierna: „tweede waardering”) doen toekomen die was opgesteld overeenkomstig artikel 20, lid 10, van de GAM-verordening. De tweede waardering had tot doel de waarde van de activa en passiva van Banco Popular te bepalen, een inschatting te geven van de behandeling die de aandeelhouders en crediteuren zouden hebben genoten indien er een normale insolventieprocedure ten aanzien van Banco Popular was geopend, alsook om gegevens te leveren die konden dienen als onderbouwing voor het besluit over de aandelen en eigendomsinstrumenten die moesten worden overgedragen en die de afwikkelingsraad kon gebruiken om de commerciële voorwaarden voor het instrument van verkoop van de onderneming vast te stellen. In die waardering is onder meer de economische waarde van Banco Popular geraamd op 1,3 miljard EUR in het beste scenario, op min 8,2 miljard EUR in het slechtste scenario en op min 2 miljard EUR voor de beste taxatie.
57 Op 7 juni 2017 heeft Banco Santander een bindend bod uitgebracht.
58 Bij brief van 7 juni 2017 heeft het FROB de afwikkelingsraad meegedeeld dat Banco Santander op 7 juni om 3.12 uur een bod had uitgebracht en dat de door deze bank geboden prijs voor de koop van de aandelen van Banco Popular 1 EUR bedroeg. Het FROB heeft erop gewezen dat zijn directiecomité Banco Santander had geselecteerd als de succesvolle bieder in de op concurrentie gebaseerde procedure voor de verkoop van Banco Popular en had besloten om de afwikkelingsraad voor te stellen om Banco Santander als koper aan te wijzen in het besluit van de afwikkelingsraad over een afwikkelingsregeling voor Banco Popular.
C. Litigieuze afwikkelingsregeling
59 Op 7 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad op basis van de GAM-verordening de litigieuze afwikkelingsregeling voor Banco Popular vastgesteld.
60 In de overwegingen 19, 21 tot en met 25, 26, onder c), 36 en 46 van die regeling heeft de afwikkelingsraad vastgesteld: – dat de afwikkelingsraad op 5 december 2016 een afwikkelingsplan had vastgesteld waarin een afwikkelingsstrategie is bepaald en een afwikkelingsinstrument is aangewezen dat de voorkeur verdient (overwegingen 19, 21 en 22); – dat uit de beoordeling van de ECB van de vraag of Banco Popular faalt of waarschijnlijk zal falen blijkt dat de liquiditeitspositie van Banco Popular sinds oktober 2016 aanzienlijk was verslechterd ten gevolge van de deposito-opnamen in alle klantensegmenten; dat hieruit volgde dat de bank niet over voldoende mogelijkheden beschikte om haar liquiditeitspositie te herstellen om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen wanneer deze opeisbaar werden (overweging 23). – dat verschillende omstandigheden hadden geleid tot een snelle verslechtering van de liquiditeitspositie van Banco Popular, namelijk: – in februari 2017 had Banco Popular aangekondigd dat uitzonderlijke voorzieningen nodig waren ten belope van 5,7 miljard EUR, wat heeft geresulteerd in een geconsolideerd verlies van 3,485 miljard EUR, en had zij een nieuwe voorzitter benoemd; – op 10 februari 2017 had DBRS Morningstar de rating van Banco Popular verlaagd; – op 3 april 2017 had Banco Popular een publieke verklaring ad hoc bekendgemaakt over de uitkomst van interne audits die wezenlijke impact konden hebben op haar financiële staat, en had zij bevestigd dat haar CEO minder dan een jaar na zijn indiensttreding was vervangen; – op 7 april 2017 was de rating van Banco Popular verlaagd door Standard & Poor’s en op 21 april 2017 door Moody’s; – op 12 mei 2017 had Banco Popular het liquiditeitsdekkingsvereiste van 80 % geschonden en was er nadien niet in geslaagd om opnieuw aan de wettelijke limiet te voldoen; – de aanhoudende negatieve berichtgeving in de media over de financiële resultaten van Banco Popular en het vermeende dreigende risico van een faillissement of een gebrek aan liquiditeit hadden geleid tot een toename van deposito-opnamen, en – op 6 juni 2017 hadden DBRS en Moody’s de rating van Banco Popular verlaagd (overweging 24); – dat de bovengenoemde omstandigheden hebben geleid tot aanzienlijke deposito-opnamen (overweging 25); – dat Banco Popular op 5 juni 2017, na toestemming van de ECB, een eerste bedrag aan noodliquiditeitssteun had ontvangen, maar dat de Banco de España haar geen extra noodliquiditeitssteun had kunnen verschaffen [overweging 26, onder c)]; – dat Banco Popular de ECB op 6 juni 2017 had laten weten dat haar raad van bestuur tot de slotsom was gekomen dat de bank waarschijnlijk zou falen (overweging 36) – dat het in het afwikkelingsplan 2016 beoogde afwikkelingsinstrument niet geschikt was voor de omstandigheden die zich voordeden op het tijdstip van de afwikkeling (overweging 46).
61 Volgens artikel 1 van de litigieuze afwikkelingsregeling heeft de afwikkelingsraad besloten om Banco Popular vanaf de afwikkelingsdatum in afwikkeling te plaatsen, aangezien aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, eerste alinea, van de GAM-verordening was voldaan.
62 In dit verband blijkt uit de artikelen 2 tot en met 4 van de litigieuze afwikkelingsregeling dat de afwikkelingsraad van mening was dat Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen, dat er geen alternatieve maatregelen waren die binnen een redelijk tijdsbestek het falen van Banco Popular zouden kunnen voorkomen, en dat een afwikkelingsmaatregel in de vorm van het instrument van verkoop van Banco Popular noodzakelijk was om de continuïteit van de kritieke functies van de bank te garanderen en significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit, met name in Spanje, te vermijden.
63 In artikel 5, lid 1, van de litigieuze afwikkelingsregeling heeft de afwikkelingsraad derhalve het volgende besloten: „Het op Banco Popular toegepaste afwikkelingsinstrument zal bestaan in de verkoop van de onderneming overeenkomstig artikel 24 van [de GAM-verordening] door overdracht van de aandelen aan een koper. De afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten zal onmiddellijk vóór de verkoop van de onderneming plaatsvinden.”
64 Artikel 6 van de litigieuze afwikkelingsregeling definieert de voorwaarden voor deze afschrijving en de verkoop van de onderneming. Zo heeft de afwikkelingsraad in artikel 6, lid 1, ervan besloten om: – eerst het nominale bedrag van het aandelenkapitaal van Banco Popular ten belope van 2098429046 EUR af te schrijven, waardoor 100 % van de aandelen Banco Popular werden ingetrokken; – vervolgens de volledige hoofdsom van de door Banco Popular uitgegeven en op de datum van het litigieuze afwikkelingsbesluit in omloop zijnde aanvullende tier 1-instrumenten om te zetten in nieuw uitgegeven aandelen van Banco Popular, de „nieuwe aandelen I”; – daarna de nominale waarde van de „nieuwe aandelen I” tot nul af te schrijven, waardoor 100 % van deze „nieuwe aandelen I” werden ingetrokken; – tot slot de volledige hoofdsom van de door Banco Popular uitgegeven en op de datum van het afwikkelingsbesluit in omloop zijnde tier 2-instrumenten om te zetten in nieuw uitgegeven aandelen van Banco Popular, de „nieuwe aandelen II”.
65 Artikel 6, lid 3, van de litigieuze afwikkelingsregeling bepaalt dat die afschrijvings- en omzettingsmaatregelen berusten op de tweede waardering, die wordt ondersteund door de resultaten van een door het FROB gevoerde transparante en open verkoopprocedure.
66 In artikel 6, lid 5, van de litigieuze afwikkelingsregeling heeft de afwikkelingsraad aangegeven dat hij de hem bij artikel 24, lid 1, onder a), van de GAM-verordening toegekende bevoegdheden met betrekking tot het instrument van verkoop van de onderneming heeft uitgeoefend, en dat hij heeft gelast om de „nieuwe aandelen II” onbelast en zonder enig recht of voorrecht van een derde over te dragen aan Banco Santander tegen betaling van een aankoopprijs van 1 EUR. Gepreciseerd werd dat de koper reeds met de overdracht had ingestemd.
67 In artikel 6, lid 6, van die regeling heeft de afwikkelingsraad uiteengezet dat het zowel noodzakelijk als passend was om de overdracht te gelasten, en daarbij verduidelijkt dat hij, om tot dat besluit te komen, ten eerste heeft vastgesteld dat de verkoopprocedure van Banco Popular die het FROB vóór de vaststelling van die regeling had ingeleid, voldeed aan de vereisten van artikel 24 van de GAM-verordening, gelezen in samenhang met artikel 39 van richtlijn 2014/59, ten tweede dat het FROB uiteindelijk twee potentiële kopers had uitgenodigd om een bod uit te brengen en, ten derde, dat uiteindelijk één enkel geldig bod was ontvangen.
68 De afwikkelingsraad heeft ook aangegeven dat de overdracht van de „nieuwe aandelen II” moest plaatsvinden op basis van het bindende bod van de koper van 7 juni 2017 en door het FROB moet worden uitgevoerd.
69 De litigieuze afwikkelingsregeling is op 7 juni 2017 ter goedkeuring voorgelegd aan de Commissie.
70 Diezelfde dag heeft deze instelling besluit 2017/1246 tot goedkeuring van de litigieuze afwikkelingsregeling vastgesteld en de afwikkelingsraad van dat besluit in kennis gesteld. Zo staat in overweging 4 van dat besluit te lezen: „De Commissie stemt in met de afwikkelingsregeling. Met name stemt zij in met de door de afwikkelingsraad opgegeven redenen ter motivering van de noodzaak van een afwikkeling in het algemeen belang overeenkomstig artikel 18, lid 5, van [de GAM-verordening].”
71 Ook op 7 juni 2017 heeft de afwikkelingsraad het FROB in kennis gesteld van de litigieuze afwikkelingsregeling, en tegelijk op zijn website een mededeling gepubliceerd met informatie over de vaststelling van die regeling, met daarbij een document waarin de gevolgen van de afwikkeling werden samengevat.
72 Nog steeds op diezelfde datum heeft het FROB overeenkomstig artikel 29 van de GAM-verordening de nodige maatregelen getroffen om uitvoering te geven aan de litigieuze afwikkelingsregeling.
D. Feiten die zich na de vaststelling van de litigieuze afwikkelingsregeling hebben voorgedaan
73 Op 14 juni 2018 heeft Deloitte de in artikel 20, leden 16 tot en met 18, van de GAM-verordening geregelde waardering van het verschil in behandeling verzonden, die zij had uitgevoerd om vast te stellen of aandeelhouders en crediteuren beter zouden zijn behandeld indien er een normale insolventieprocedure ten aanzien van Banco Popular was geopend (hierna: „derde waardering”). Op 31 juli 2018 heeft Deloitte de afwikkelingsraad een addendum bij die waardering gestuurd, waarin een aantal vormfouten was rechtgezet.
74 Op 11 juli 2017 heeft de afwikkelingsraad op zijn website een niet-vertrouwelijke versie van de litigieuze afwikkelingsregeling openbaar gemaakt. In deze versie heeft de afwikkelingsraad met name bepaalde gegevens uit de overwegingen 23 tot en met 26 van die regeling, betreffende de liquiditeitscrisis van Banco Popular, en de daaruit voortvloeiende delen van artikel 6, leden 3 en 4, van de litigieuze afwikkelingsregeling betreffende de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid, onleesbaar gemaakt.
75 In juli 2017 heeft de ECB op haar website een niet-vertrouwelijke versie openbaar gemaakt van haar beoordeling of Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen.
76 Op 2 februari en 31 oktober 2018 heeft de afwikkelingsraad niet-vertrouwelijke, minder geschoonde versies van de litigieuze afwikkelingsregeling openbaar gemaakt, waarin thans bepaalde voorheen onleesbaar gemaakte gegevens, als bedoeld in punt 74 van het onderhavige arrest, zichtbaar waren, met uitzondering van bepaalde cijfers. In dit verband heeft hij ook niet-vertrouwelijke versies van de eerste en de tweede waardering bekendgemaakt.
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
77 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 augustus 2017, hebben rekwiranten beroep ingesteld strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en besluit 2017/1246, ten tweede, vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van die besluiten alsook, ten derde, vaststelling van de nietigheid van de tweede waardering en verkrijging van compensatie.
A. Procedure bij het Gerecht
78 Bij een op 31 oktober 2017 ter griffie neergelegde akte heeft de afwikkelingsraad het Gerecht overeenkomstig artikel 92, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om maatregelen van instructie te gelasten met betrekking tot de overlegging van bepaalde in de bijlage bij dat verzoek genoemde documenten. Bij beslissing van 28 november 2017 heeft het Gerecht besloten dit verzoek om maatregelen van instructie in dat stadium van het geding niet in te willigen.
79 Op 16 februari 2018 heeft het Gerecht de afwikkelingsraad in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang verzocht om de op de website van de afwikkelingsraad gepubliceerde laatste niet-vertrouwelijke versie van de afwikkelingsregeling en een niet-vertrouwelijke versie van de tweede waardering over te leggen. De afwikkelingsraad heeft deze documenten binnen de gestelde termijn neergelegd.
80 Bij beslissingen van 12 april 2019 heeft het Gerecht het Koninkrijk Spanje en Banco Santander toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie en de afwikkelingsraad en de verzoeken van rekwiranten om een jegens hen vertrouwelijke behandeling ingewilligd.
81 Bij een op 16 april 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief hebben rekwiranten verzocht om wijziging van de verzoeken om maatregelen van instructie in hun verzoekschrift en hun repliek. De Commissie, de afwikkelingsraad, het Koninkrijk Spanje en Banco Santander hebben binnen de gestelde termijn hun opmerkingen over dat verzoek ingediend.
82 Bij een op 6 mei 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief hebben rekwiranten een nieuw bewijsaanbod overgelegd ingevolge artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De Commissie en de afwikkelingsraad hebben binnen de gestelde termijn opmerkingen over dat nieuwe bewijsaanbod ingediend.
83 Bij een op 9 oktober 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief hebben rekwiranten een nieuw bewijsaanbod overgelegd overeenkomstig diezelfde bepaling van dat Reglement. De Commissie, de afwikkelingsraad, het Koninkrijk Spanje en Banco Santander hebben binnen de gestelde termijnen opmerkingen over dat nieuwe bewijsaanbod ingediend.
84 Op 16 maart 2021 heeft het Gerecht de afwikkelingsraad in het kader van de in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang verzocht om meerdere documenten over te leggen. Bij brief van 30 maart 2021 heeft de afwikkelingsraad geantwoord dat de opgevraagde documenten gedeeltelijk vertrouwelijk waren en dat zij konden worden overgelegd indien het Gerecht een maatregel van instructie in die zin vaststelde.
85 Bij beschikking van 12 mei 2021 heeft het Gerecht de afwikkelingsraad op grond van artikel 24, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede artikel 91, onder b), artikel 92, lid 3, en artikel 103 van zijn Reglement voor de procesvoering gelast om de volledige versies over te leggen van de litigieuze afwikkelingsregeling, de tweede waardering, de door de ECB op 6 juni 2017 verrichte beoordeling of Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen en de brief van de ECB aan Banco Popular van 18 mei 2017. Het Gerecht heeft de afwikkelingsraad tevens gelast om de niet-vertrouwelijke versie van de brief van de ECB aan Banco Popular van 18 mei 2017 over te leggen.
86 Bij beschikking van 9 juni 2021 heeft het Gerecht de vertrouwelijke versies van de door de afwikkelingsraad ter uitvoering van de beschikking van 12 mei 2021 overgelegde documenten verwijderd uit het dossier.
B. Bestreden arrest
87 Ter ondersteuning van hun eerste vordering tot nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en van besluit 2017/1246 hebben rekwiranten vier middelen aangevoerd. Het eerste middel was gebaseerd op schending van artikel 18 van de GAM-verordening. Het tweede middel was gebaseerd op schending van artikel 20 van deze verordening. Het derde middel berustte op schending van het recht om te worden gehoord en van het recht op toegang tot het dossier, die zijn neergelegd in artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Het vierde middel was ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht. In hun opmerkingen over de memories in interventie hebben rekwiranten tevens een nieuw middel aangevoerd, dat was gebaseerd op schending van artikel 24 van die verordening.
88 Met hun tweede vordering hebben rekwiranten verzocht om de afwikkelingsraad en de Commissie ertoe te veroordelen om op grond van hun niet-contractuele aansprakelijkheid een schadevergoeding aan rekwiranten te betalen. Rekwiranten hadden twee afzonderlijke schadevorderingen ingediend, waarvan de eerste was gebaseerd op nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en van besluit 2017/1246 en de tweede losstond van die nietigverklaring.
89 Met hun derde vordering hebben rekwiranten verzocht om nietigverklaring van de tweede waardering en aanspraak gemaakt op het recht op compensatie.
90 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.
91 In dat arrest heeft het tevens de door rekwiranten ingediende verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie afgewezen.
IV. Conclusies van partijen in hogere voorziening
92 Rekwiranten verzoeken het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – hun vorderingen bij het Gerecht tot nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en van besluit 2017/1246 toe te wijzen en dientengevolge de Commissie en de afwikkelingsraad te veroordelen tot restitutie van hun investeringen in Banco Popular of, bij gebreke daarvan, hen te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding uit hoofde van niet-contractuele aansprakelijkheid; – de Commissie en de afwikkelingsraad ertoe te veroordelen om hun een schadevergoeding te betalen op grond van hun niet-contractuele aansprakelijkheid, los van de nietigverklaring van de litigieuze afwikkelingsregeling en van besluit 2017/1246; – de nietigheid van de tweede waardering vast te stellen, alsmede de Commissie en de afwikkelingsraad ertoe te veroordelen om hun een compensatie te betalen; – de Commissie en de afwikkelingsraad te verwijzen in de kosten van beide instanties; – te gelasten dat de toegekende bedragen worden vermeerderd met compensatoire rente vanaf 23 mei 2017 of, subsidiair, vanaf 7 juni 2017 tot de datum van de uitspraak van het onderhavige arrest, alsook met vertragingsrente vanaf de datum van het onderhavige arrest, behalve wat betreft de kosten van de onderhavige procedure, die slechts vertragingsrente dragen vanaf de datum van het onderhavige arrest; – hun elk ander aanvullend rechtsherstel te verlenen dat het Gerecht passend acht.
93 De Commissie, de afwikkelingsraad, het Koninkrijk Spanje en Banco Santander verzoeken ieder het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwiranten te verwijzen in de kosten.
94 Voor het geval dat het Hof de hogere voorziening toewijst en overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beslist om het beroep tot nietigverklaring zelf af te doen, verzoekt Banco Santander het Hof om, overeenkomstig artikel 264, tweede alinea, VWEU, de draagwijdte van het te wijzen arrest te beperken door de gevolgen van de verkoop van Banco Popular aan Banco Santander te handhaven.
V. Hogere voorziening
95 Tot staving van hun hogere voorziening voeren rekwiranten vier middelen aan. Het eerste en het tweede middel zijn ontleend aan schending van respectievelijk artikel 18 en artikel 20 van de GAM-verordening. Met het derde en het vierde middel betwisten verzoekers dat de afwijzing, door het Gerecht, van hun schadevorderingen gegrond is.
A. Voorafgaande overwegingen
96 Vooraf zij opgemerkt dat rekwiranten met het beroep dat aan de onderhavige hogere voorziening ten grondslag ligt verzochten om nietigverklaring van zowel de litigieuze afwikkelingsregeling als besluit 2017/1246.
97 Ofschoon het Hof in zijn arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR (C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punten 102 en 103), reeds heeft geoordeeld dat de litigieuze afwikkelingsregeling geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU vormt, zodat een beroep niet-ontvankelijk is voor zover het tegen die regeling is gericht, vertoont besluit 2017/1246, waarbij de Commissie deze regeling heeft goedgekeurd, dan wel weer de kenmerken van een handeling waartegen beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU kan worden ingesteld.
98 Het Hof heeft niettemin verduidelijkt dat het, in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie als besluit 2017/1246, de betrokken natuurlijke of rechtspersonen vrijstaat zich te beroepen op de onrechtmatigheid van de afwikkelingsregeling die deze instelling heeft goedgekeurd en waaraan die instelling aldus bindende rechtsgevolgen heeft verbonden, hetgeen hun voldoende rechtsbescherming kan bieden. Bovendien wordt de Commissie door een dergelijke goedkeuring geacht de in die regeling vervatte elementen en motivering tot de hare te hebben gemaakt, zodat zij zich in voorkomend geval voor de Unierechter dient te verantwoorden (arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR, C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
99 De middelen waarmee de rechtmatigheid van de litigieuze afwikkelingsregeling wordt betwist, moeten dus in dit kader worden onderzocht.
B. Vijfde onderdeel van het tweede middel, ontleend aan schending van artikel 90 van de GAM-verordening en van de artikelen 17, 41 en 52 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM, en zesde onderdeel van dat middel, ontleend aan schending van de in artikel 296 VWEU bedoelde motiveringsplicht
100 Met het vijfde en het zesde onderdeel van het tweede middel, die als eerste moeten worden onderzocht, voeren rekwiranten in wezen aan dat zij toegang moesten krijgen tot de volledige versie van met name de litigieuze afwikkelingsregeling en de eerste en de tweede waardering om hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen uitoefenen (vijfde onderdeel van dit middel), en dat de litigieuze afwikkelingsregeling, de tweede waardering en besluit 2017/1246 ontoereikend waren gemotiveerd omdat informatie in die documenten onleesbaar was gemaakt (zesde onderdeel van dat middel).
1. Vijfde onderdeel van het tweede middel
101 Met het vijfde onderdeel van het tweede middel voeren rekwiranten schending aan van hun recht op toegang tot het dossier krachtens artikel 90 van de GAM-verordening en van de artikelen 17, 41 en 52 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 van het op 20 maart 1952 te Parijs ondertekende aanvullend Protocol nr. 1 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „Protocol nr. 1 bij het EVRM”). Dit onderdeel valt in vier grieven uiteen.
a) Argumenten van partijen
102 In de eerste plaats voeren rekwiranten aan dat het Gerecht zich in de punten 503 en 504 van het bestreden arrest heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van artikel 90 van de GAM-verordening, voor zover het heeft geoordeeld dat het door dit artikel beschermde recht op toegang tot het dossier uitsluitend betrekking heeft op de entiteit die voorwerp is van de afwikkelingsregeling. De Spaanse taalversie („personas sujetas a las decisiones”), de Engelse taalversie („persons who are the subject of”) en de Portugese taalversie („pessoas sujeitas às decisões”) van deze bepaling verwijzen namelijk niet naar het voorwerp van het afwikkelingsbesluit, maar naar de personen die aan een dergelijk besluit worden onderworpen. Bovendien waarborgt ook artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier.
103 In de tweede plaats kan een schending van het recht op toegang tot het dossier tijdens de administratieve procedure, voordat een besluit wordt vastgesteld, niet worden geregulariseerd in de loop van de gerechtelijke procedure en kan deze schending, in het geval de rechten van de verdediging zijn aangetast, leiden tot nietigverklaring van dat besluit. De rechten van verdediging van rekwiranten zijn aangetast doordat zij de gerechtelijke procedure hebben moeten inleiden zonder kennis te hebben van het dossier, des te meer daar zij nog steeds geen toegang hebben tot het volledige dossier.
104 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 505 en 515 van het bestreden arrest, met name op basis van artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest en artikel 90, lid 4, van de GAM-verordening, de toegang tot bepaalde informatie in de litigieuze afwikkelingsregeling, de tweede waardering en andere voorbereidende documenten geweigerd op grond dat deze informatie vertrouwelijk was. Het recht op toegang tot het dossier geldt echter ook wanneer de toepasselijke regeling niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit voorziet.
105 In de vierde en laatste plaats vormt een beperking van het recht van de betrokkenen om te worden gehoord, volgens de in punt 475 van dat arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, enkel een onevenredige en onduldbare ingreep indien de betrokkenen de mogelijkheid is onthouden om deze maatregelen in een latere procedure te betwisten en hun standpunt in het kader van die procedure naar behoren naar voren te brengen. Anders dan het Gerecht in dat punt heeft geoordeeld, vooronderstelt een dergelijke mogelijkheid dat er sprake is van volledige toegang tot het dossier. Overigens vloeit voort uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat artikel 1 van het aanvullend Protocol nr. 1 bij het EVRM vereist dat er in elke procedure waarbij afstand wordt gedaan van het eigendomsrecht een mogelijkheid bestaat van een contradictoir debat met inachtneming van het beginsel van equality of arms.
106 De Commissie voert aan dat het vijfde onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is omdat het betoog in hogere voorziening onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is. Volgens de afwikkelingsraad is het argument dat de taalversies van artikel 90, lid 4, van de GAM-verordening uiteenlopen, niet-ontvankelijk. Het vijfde onderdeel van het tweede middel is in elk geval ongegrond.
107 De afwikkelingsraad, het Koninkrijk Spanje en Banco Santander stellen dat dit onderdeel ongegrond is.
b) Beoordeling door het Hof
108 Wat betreft de ontvankelijkheid van het vijfde onderdeel van het tweede middel moet worden opgemerkt dat, ondanks een zekere mate van onduidelijkheid, uit het aangevoerde betoog kan worden opgemaakt dat rekwiranten zich, krachtens artikel 90, lid 4, van de GAM-verordening en de artikelen 17, 41 en 52 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 van het aanvullend Protocol nr. 1 bij het EVRM, beroepen op het recht op toegang tot de volledige versies van de litigieuze afwikkelingsregeling, de tweede waardering en andere voorbereidende documenten.
109 Meer in het bijzonder hebben zij kritiek op de overwegingen in, ten eerste, de punten 497 tot en met 504 van het bestreden arrest, waarmee het Gerecht hun argument heeft afgewezen waarmee zij stelden dat zij geen recht hadden gehad op toegang tot het dossier van de afwikkeling van Banco Popular en in, ten tweede, de punten 505 en 515 van dat arrest, waarmee het Gerecht heeft geoordeeld dat, anders dan rekwiranten beweerden, het feit dat het dossier vertrouwelijke informatie bevatte eraan in de weg stond dat dit volledig toegankelijk was.
110 Het argument dat is ontleend aan verschillen in de taalversies van artikel 90, lid 4, van de GAM-verordening heeft specifiek betrekking op de punten 503 en 504 van het bestreden arrest en moet worden beschouwd als kritiek op de beoordeling van het Gerecht in die punten. Een rekwirant kan een hogere voorziening instellen waarin hij middelen aanvoert die uit het bestreden arrest zelf voortvloeien en ertoe strekken de gegrondheid van het arrest in rechte te betwisten (arrest van 25 januari 2022, Commissie/European Food e.a., C‑638/19 P, EU:C:2022:50, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
111 De door de Commissie en de afwikkelingsraad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het vijfde onderdeel van het tweede middel moeten dus worden afgewezen.
112 Ten gronde blijkt uit de overwegingen in de punten 497 tot en met 504 van het bestreden arrest dat het Gerecht het betoog inzake schending van het recht van toegang tot alle in het dossier opgenomen informatie heeft afgewezen om de reden dat, ten eerste, artikel 90, lid 4, van de GAM-verordening ratione personae niet van toepassing was en, ten tweede, het dossier vertrouwelijke informatie bevatte. Er moet worden vastgesteld dat elk van deze overwegingen op zich de beslissing van het Gerecht kan rechtvaardigen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
- Artikel 56 Statuut
- Artikel 61 Statuut
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 6 VWEU
- Artikel 15 VWEU
- Artikel 18 VWEU
- Artikel 19 VWEU
- Artikel 20 VWEU
- Artikel 88 VWEU
- Artikel 107 VWEU
- Artikel 256 VWEU
- Artikel 263 VWEU
- Artikel 291 VWEU
- Artikel 296 VWEU
- Artikel 339 VWEU
- Artikel 6 VvL
- Artikel 10
- Artikel 14
- Artikel 36
- Artikel 38
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 juni 2024, C-551/22, ECLI:EU:C:2024:520
- HvJ EU 18 januari 2024, C-46/22, ECLI:EU:C:2024:50
- HvJ EU 11 januari 2024, C-363/22, ECLI:EU:C:2024:20
- HvJ EU 4 mei 2023, C-389/21, ECLI:EU:C:2023:368
- HvJ EU 23 maart 2023, C-365/21, ECLI:EU:C:2023:236
- HvJ EU 8 december 2022, C-694/20, ECLI:EU:C:2022:963
- HvJ EU 10 november 2022, C-211/20, ECLI:EU:C:2022:862
- HvJ EU 29 september 2022, C-202/21, ECLI:EU:C:2022:734
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-523/17, ECLI:EU:T:2022:313
- HvJ EU 12 mei 2022, C-430/20, ECLI:EU:C:2022:377
- HvJ EU 25 januari 2022, C-638/19, ECLI:EU:C:2022:50
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- HvJ EU 6 mei 2021, C-551/19, ECLI:EU:C:2021:369
- HvJ EU 24 november 2020, C-225/19, ECLI:EU:C:2020:951
- HvJ EU 9 juli 2020, C-241/19, ECLI:EU:C:2020:545
- HvJ EU 8 mei 2019, C-450/17, ECLI:EU:C:2019:372
- HvJ EU 21 december 2016, C-131/15, ECLI:EU:C:2016:989
- HvJ EU 15 februari 2016, C-601/15, ECLI:EU:C:2016:84
- HvJ EU 3 september 2015, C-398/13, ECLI:EU:C:2015:535
- HvJ EU 4 juni 2013, C-300/11, ECLI:EU:C:2013:363