Gerecht EU 3 juni 2026, T-1097/23, ECLI:EU:T:2026:355

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

3 juni 2026 (*)

„ Mededinging – Concentraties – Verzoek om inlichtingen – Artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 – Keuze van de rechtsgrond – Misbruik van bevoegdheid – Motiveringsplicht – Geen willekeur – Impossibilium nulla obligatio est – Evenredigheid – Noodzakelijkheid van de gevraagde inlichtingen – Artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – Vrijheid van meningsuiting – Bescherming van journalistieke bronnen – Exceptie van onwettigheid – Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten – Recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven ”

In zaak T‑1097/23,

Vivendi SE, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door P. Gassenbach, P. Wilhelm, E. Dumur, O. Thomas, S. Schrameck, F. de Bure, Y. Boubacir en M. Oiknine, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Caro de Sousa, B. Cullen en D. Viros als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A.‑L. Meyer en N. Coghlan als gemachtigden,

interveniënt,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

tijdens de beraadslagingen samengesteld als volgt: L. Truchot, president, M. Jaeger, J. Schwarcz, M. Sampol Pucurull en T. Perišin (rapporteur), rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 14 mei 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Vivendi SE, nietigverklaring van besluit C(2023) 6428 final van de Commissie van 19 september 2023 inzake een procedure op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (zaak M.11184 – Vivendi/Lagardère) (hierna: „besluit van 19 september 2023”), zoals gewijzigd bij besluit C(2023) 7463 final van de Commissie van 27 oktober 2023 (hierna: „besluit van 27 oktober 2023”) (hierna: „bestreden besluit”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster is de moedermaatschappij van de Vivendi-groep, een Franse internationale groep die zich richt op media en entertainment en via haar dochterondernemingen actief is op verschillende markten.

3 Op 24 oktober 2022 heeft verzoekster bij de Europese Commissie een concentratie aangemeld die bestond in de verwerving van de uitsluitende zeggenschap over Lagardère SA, een Franse groep die met name actief is in de mediasector.

4 Bij besluit van 9 juni 2023 heeft de Commissie de voorgenomen concentratie goedgekeurd onder de voorwaarde dat verzoekster haar verbintenissen zou uitvoeren om al haar activiteiten op het gebied van boekenuitgeverij en een tijdschrift te verkopen (hierna: „besluit van 9 juni 2023 tot goedkeuring van de concentratie”).

5 Bij brief van 25 juli 2023 heeft de Commissie verzoekster ervan is kennis gesteld dat zij een formeel onderzoek naar de mogelijke vervroegde totstandbrenging van de concentratie had ingesteld (hierna: „brief van 25 juli 2023 betreffende de inleiding van de formele onderzoeksprocedure”).

Besluit van 19 september 2023

6 In het kader van het formele onderzoek naar de mogelijke vervroegde totstandbrenging van de concentratie heeft de Commissie, bij besluit van 19 september 2023, verzoekster om inlichtingen verzocht krachtens artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de „EG-concentratieverordening”) (PB 2004, L 24, blz. 1), waartoe zij haar een termijn tot 27 oktober 2023 heeft gegund. Dat besluit verplicht verzoekster in wezen tot het verzamelen en verstrekken aan de Commissie van, ten eerste, de in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 september 2023 (hierna: „betrokken periode”) via verschillende communicatiemiddelen uitgewisselde en door vijftien met naam genoemde natuurlijke personen en hun opvolgers en voorgangers (hierna: „betrokken personen”) ontvangen, verzonden of bijgehouden documenten waarin bepaalde zoektermen voorkomen, en, ten tweede, de documenten die in de betrokken periode zijn uitgewisseld tussen vier met naam genoemde personen, waarvan er twee ook tot de betrokken personen behoren.

7 In punt I.1 van de bijlage bij het bestreden besluit wordt met name bepaald dat „[v]oor het [...] verzoek om inlichtingen, ‚Lagardère’ [...] naar Lagardère S.A. [en] ‚Vivendi’ naar Vivendi SE en de Bolloré-groep [verwijst]”.

8 In punt I.2 van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 wordt het begrip „document” als volgt omschreven:

„Onder het begrip ‚document(en)’ wordt verstaan: alle computerbestanden die in het bezit zijn van, worden bijgehouden door of onder zeggenschap staan van Vivendi, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de volgende zaken:

a) alle informatie die in elektronische vorm is opgeslagen, met inbegrip van e-mails en chatberichten (WhatsApp, sms, Telegram, Signal, enz.), tekstverwerkingsbestanden en pdf-documenten, spreadsheets en presentaties, en alle software en andere systemen voor informatiebeheer en opslag van documenten die zijn opgesomd in het antwoord op vraag 6 van verzoek om inlichtingen nr. 1 van de Commissie van 16 augustus 2023;

b) ontwerpdocumenten, metagegevens en kopieën van documenten waarvan de originelen, al naargelang van het geval, niet in het bezit zijn van Vivendi of niet onder haar zeggenschap staan;

c) het begrip „document” omvat voor alle duidelijkheid ook:

i) materiaal dat is opgeslagen in privé- en/of persoonlijke mailboxen (voor zover deze minstens eenmaal voor zakelijke communicatie werden gebruikt) en op mobiele toestellen, waaronder gsm’s of tablets (met inbegrip van privé- en/of persoonlijke gsm’s of tablets, voor zover deze minstens eenmaal voor zakelijke communicatie werden gebruikt), met inbegrip van chat- en sms-berichten; en

ii) materiaal dat weliswaar door de eindgebruiker is gewist, maar beschikbaar of toegankelijk blijft in de IT-systemen van Vivendi (bijvoorbeeld in back-ups).”

9 In punt I.4 van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 wordt het begrip „betrokken periode” omschreven als de periode van 1 januari 2020 tot en met de dag van dat verzoek om inlichtingen, dat wil zeggen 19 september 2023.

10 In punt II.5 van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 wordt het begrip „betrokken personen” omschreven als een groep van vijftien met naam genoemde personen „en alle personen die hen zijn voorgegaan of opgevolgd in de verschillende functies die zij in de betrokken periode hebben uitgeoefend”. Volgens punt II.6 van de bijlage bij dat besluit hebben die personen „vermoedelijk documenten ontvangen, verstuurd of in hun bezit die volgens de Commissie onontbeerlijk zijn om te kunnen analyseren of de tussenkomst en/of de raadpleging en/of de betrokkenheid van Vivendi bij bepaalde beslissingen van Lagardère kunnen worden aangemerkt als de uitoefening van een beslissende invloed door Vivendi”.

11 In punt III.7 van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 wordt van verzoekster verlangd dat zij de documenten verstrekt die in de betrokken periode werden verzonden of ontvangen door de in punt II.5 van die bijlage met naam genoemde betrokken personen (en hun opvolgers en voorgangers) en waarin minstens één van de in punt VII van die bijlage opgesomde zoektermen voorkwam, alsook de documenten die in de betrokken periode werden uitgewisseld tussen de vier in punt III.7, onder a) tot en met c), van die bijlage met naam genoemde personen.

12 In de punten IV, V en VI van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 wordt verduidelijkt op welke manier de gevraagde documenten dienen te worden verstrekt, wat er dient te worden opgenomen in het begeleidende verslag en aan welke eisen de verklaringen inzake de volledigheid van het antwoord dienen te voldoen. Punt VII van die bijlage bevat een opsomming van de zoektermen.

Ontwikkelingen van na de vaststelling van het besluit van 19 september 2023

13 Bij e-mail van 11 oktober 2023 heeft verzoekster verzocht om de termijn om op het verzoek om inlichtingen te antwoorden, met drie maanden te verlengen. In dat verband heeft zij erop gewezen dat het verzoek om inlichtingen heel wat moeilijkheden met zich meebracht en een uitzonderlijke inspanning vergde op het gebied van het verzamelen, verwerken en inventariseren van gegevens, evenals de inzet van aanzienlijke personele en technische middelen.

14 Bij e-mail van 12 oktober 2023 heeft de Commissie verzoekster verzocht om de aard en het belang van de moeilijkheden die zij ondervond, toe te lichten.

15 Bij e-mail van 14 oktober 2023 heeft verzoekster verduidelijkt dat een aantal van die moeilijkheden met name verband hielden met het ontbreken van voldoende procedurele waarborgen om ervoor te zorgen dat het privéleven van de betrokken personen en dat van andere werknemers en mandatarissen van haar of van eventuele andere door het verzoek om inlichtingen getroffen personen werd geëerbiedigd en de journalistieke bronnen werden beschermd.

16 Tijdens een conference call op 18 oktober 2023 heeft de Commissie aan verzoekster bevestigd dat documenten die mogelijk journalistieke bronnen zouden kunnen onthullen, een bijzondere bescherming zouden genieten naar het voorbeeld van de procedure waarin is voorzien om de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt te waarborgen.

17 Op 19 oktober 2023 heeft verzoekster aangegeven dat zij vanwege de huidige „hold separate”-situatie tussen haar en een van haar dochterondernemingen, die voortvloeide uit de in het besluit van 9 juni 2023 tot goedkeuring van de concentratie opgenomen voorwaarden en verplichtingen, geen toegang kon eisen tot de mailboxen en de gsm’s van de in punt II.5, onder i), van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 genoemde persoon.

18 Bij e-mail van 26 oktober 2023 heeft de Commissie verzoekster verzocht om haar de lijst van de betrokken personen met een perskaart toe te zenden en haar uitgenodigd om te overleggen op welke manier de bescherming van journalistieke bronnen in de praktijk kon worden verzoend met het verstrekken van de in het besluit van 19 september 2023 bedoelde documenten.

19 Op 27 oktober 2023, de datum waarop de in het besluit van 19 september 2023 gestelde termijn verstreek, had verzoekster geen enkel document ingediend. Op diezelfde dag heeft de Commissie het besluit van 27 oktober 2023 vastgesteld. Bij artikel 1 van dat besluit heeft de Commissie de in punt II.5, onder i), van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 genoemde persoon van de lijst van de betrokken personen gehaald. Bij artikel 2 van dat besluit is de bij artikel 1 van het besluit van 19 september 2023 oorspronkelijk vastgestelde deadline van 27 oktober 2023 verschoven naar 1 december 2023.

20 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 november 2023, heeft verzoekster beroep ingesteld tot nietigverklaring van het bestreden besluit, te weten het besluit van 19 september 2023, zoals gewijzigd bij besluit van 27 oktober 2023.

Feiten van na de instelling van het beroep

21 Bij brief van 6 december 2023 heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie verklaard dat alle documenten waarbij de bescherming van gevoelige persoonsgegevens of journalistieke bronnen in het geding is, procedurele waarborgen genieten overeenkomstig de relevante wetgeving en rechtspraak, en heeft hij die procedurele waarborgen nader toegelicht (hierna: „brief van 6 december 2023”).

22 Op 24 januari 2024 heeft de Commissie besluit C(2024) 571 final, inzake een procedure op grond van artikel 11, lid 3, en artikel 15, lid 1, van verordening nr. 139/2004 vastgesteld (hierna: „besluit van 24 januari 2024”). Ten eerste is bij artikel 1 van dat besluit de in artikel 2 van het besluit van 27 oktober 2023 vastgestelde deadline van 1 december 2023 verschoven naar 7 februari 2024. Ten tweede is bij artikel 2 van het besluit van 24 januari 2024 krachtens artikel 15 van verordening nr. 139/2004 aan verzoekster een dwangsom opgelegd van hoogstens 5 % van haar gemiddelde dagelijkse omzet per dag vertraging, te rekenen vanaf de eerste werkdag na de in artikel 1 van dat besluit vastgestelde datum. Ten derde bevat overweging 13, onder a), van het besluit van 24 januari 2024 met de invoering van een virtuele-dataroomprocedure, zoals voorgesteld in de brief van 6 december 2023, aanvullende procedurele waarborgen ten opzichte van het bestreden besluit om de bescherming van gevoelige persoonsgegevens te waarborgen. Overweging 13, onder b), van het besluit van 24 januari 2024 bevat met de bevestiging van de in de brief van 6 december 2023 voorgestelde procedure procedurele waarborgen om de journalistieke bronnen te beschermen.

23 Na de contacten met verzoeksters raadslieden heeft de Commissie tijdens een conference call op 30 januari 2024 aanvaard om de communicatie tussen de personen waarop het bestreden besluit betrekking heeft, alsook contacten die tot de persoonlijke levenssfeer behoren, in de virtuele dataroom op te nemen.

24 In februari 2024 heeft verzoekster de Commissie een deel van de documenten verstrekt die aan de in het bestreden besluit vastgestelde criteria beantwoorden.

25 Tussen september en december 2024 heeft verzoekster nog meer documenten aan de Commissie verstrekt, zodat die instelling in december 2024 van verzoekster de documenten had ontvangen die beantwoordden aan de in het bestreden besluit vastgestelde criteria, met uitzondering van documenten die te beschouwen waren als vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt, vielen onder het journalistieke bronnengeheim of behoorden tot de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen.

Procedure in kort geding

26 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 november 2023, heeft verzoekster in kort geding met name verzocht om de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit op te schorten.

27 Bij beschikking van 28 november 2023, Vivendi/Commissie (T‑1097/23 R, niet gepubliceerd) heeft de president van het Gerecht gelast om de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit op te schorten totdat een eindbeschikking is gegeven in zaak T‑1097/23 R, onverminderd de verplichting van verzoekster om door te gaan met het verzamelen van informatie en om alle documenten waarop dit besluit betrekking heeft, op een elektronische gegevensdrager te bewaren.

28 Bij beschikking van 19 januari 2024, Vivendi/Commissie (T‑1097/23 R, niet gepubliceerd, EU:T:2024:15) heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen.

29 Bij beschikking van 6 februari 2024, Vivendi/Commissie [C‑90/24 P(R)-R, EU:C:2024:121] heeft de vicepresident van het Hof de opschorting gelast van de bij het litigieuze besluit aan verzoekster opgelegde verplichting, onverminderd de verplichting van verzoekster om alle passende maatregelen te treffen om de bewaring van alle in dat besluit bedoelde documenten te waarborgen.

30 Bij beschikking van 11 april 2024, Vivendi/Commissie [C‑90/24 P(R), EU:C:2024:318] heeft de vicepresident van het Hof de beschikking van 19 januari 2024, Vivendi/Commissie (T‑1097/23 R, niet gepubliceerd, EU:T:2024:15) vernietigd. Voorts heeft hij vastgesteld dat aan de voorwaarde van spoedeisendheid was voldaan en heeft hij de zaak terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de voorwaarde inzake fumus boni juris en, in voorkomend geval, voor een afweging van de betrokken belangen.

31 Bij beschikking van 13 juni 2024, Vivendi/Commissie (T‑1097/23 R-RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2024:381) heeft de vicepresident van het Gerecht verzoeksters verzoek om de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit op te schorten en om haar bij wijze van voorlopige maatregel te gelasten alle op het litigieuze besluit betrekking hebbende documenten te bewaren op een speciaal daarvoor bestemde elektronische gegevensdrager, elektronisch verzegeld afgeleverd bij een vertrouwde onafhankelijke partij, gedeeltelijk toegewezen.

32 Op 3 juli 2024 heeft verzoekster een hogere voorziening ingesteld tot vernietiging van de beschikking van 13 juni 2024, Vivendi/Commissie (T‑1097/23 R-RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2024:381). Daarnaast heeft verzoekster het Hof verzocht de tenuitvoerlegging van die beschikking en het bestreden besluit op te schorten.

33 Bij beschikking van 8 juli 2024, Vivendi/Commissie [C‑470/24 P(R)-R, niet gepubliceerd, EU:C:2024:592] is de aan verzoekster opgelegde verplichting om de in het bestreden besluit bedoelde documenten te verzamelen en aan de Commissie te verstrekken, opgeschort tot de vaststelling van de beschikking die het eerst van beide wordt gegeven, ofwel die waarbij de onderhavige procedure in kort geding wordt beëindigd, ofwel die waarbij uitspraak wordt gedaan op de hogere voorziening in zaak C‑470/24 P(R), onverminderd de verplichting van verzoekster om alle passende maatregelen te treffen om de bewaring van alle documenten te waarborgen.

34 Bij beschikking van 26 juli 2024, Vivendi/Commissie (T‑1097/23 R-RENV-INTP, niet gepubliceerd, EU:T:2024:516) heeft de vicepresident van het Gerecht het verzoek tot uitlegging van punt 1 van het dictum van de beschikking van 13 juni 2024, Vivendi/Commissie (T‑1097/23 R-RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2024:381) niet-ontvankelijk verklaard.

35 Bij beschikking van 16 augustus 2024, Vivendi/Commissie [C‑470/24 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2024:674] heeft de vicepresident van het Hof verzoeksters hogere voorziening in zaak C‑470/24 P(R) afgewezen.

Conclusies van partijen

36 Verzoekster verzoekt het Gerecht:

– het bestreden besluit nietig te verklaren;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

37 De Commissie, ondersteund door de Raad van de Europese Unie, verzoekt het Gerecht:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

38 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan de keuze van een onjuiste rechtsgrond en aan misbruik van bevoegdheid, het tweede, aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, het derde, aan schending van het beginsel van bescherming tegen willekeurige of onredelijke ingrepen van het openbaar gezag, het vierde, aan schending van het beginsel „impossibilium nulla obligatio est”, wat het verzoek betreft om documenten over te leggen die afkomstig zijn van de Bolloré-groep, het vijfde, aan schending van het evenredigheidsbeginsel, het zesde, aan afbreuk die wordt gedaan aan de bescherming van journalistieke bronnen en, het zevende, aan het ontbreken van passende waarborgen om het recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen.

39 Het Gerecht acht het aangewezen om eerst het tweede middel, dat is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, te onderzoeken.

Tweede middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

40 Met haar tweede middel verwijt verzoekster de Commissie dat die instelling de algemene motiveringsplicht en de specifieke motiveringsplicht die op haar rusten krachtens respectievelijk artikel 296 VWEU en artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004, niet is nagekomen doordat zij het voorwerp en de omvang van haar onderzoek niet voldoende duidelijk heeft omschreven.

41 Het tweede middel bestaat in wezen uit vier onderdelen. Met het eerste onderdeel betoogt verzoekster dat het bestreden besluit niet duidelijk aangeeft waarop het verzoek om inlichtingen betrekking heeft, aangezien het geen nauwkeurige en objectieve overwegingen bevat ter rechtvaardiging van de vaststelling ervan. Met het tweede onderdeel stelt verzoekster dat in het bestreden besluit de materiële, temporele en persoonlijke reikwijdte van de gevraagde inlichtingen niet is gemotiveerd. Met het derde onderdeel verwijt verzoekster de Commissie dat zij in het bestreden besluit niet uitlegt waarom de Bolloré-groep in de werkingssfeer van dat besluit moest worden opgenomen. Met het vierde onderdeel betoogt verzoekster in wezen dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom bij besluit krachtens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 om inlichtingen is verzocht, noch waarom er snel moest worden opgetreden.

Opmerkingen vooraf

42 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Europese Unie zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten van de handeling of andere personen die door de handeling worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, bij een verklaring kunnen hebben. In de motivering hoeven niet alle relevante feitelijke en juridische gegevens te worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Wat meer in het bijzonder de motivering van een besluit houdende een verzoek om inlichtingen betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 de wezenlijke elementen ervan bepaalt (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 17).

44 Volgens deze bepaling „vermeldt [de Commissie] de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek, geeft zij aan welke inlichtingen worden gevraagd en stelt zij de termijn vast waarbinnen deze inlichtingen moeten worden verstrekt”. Verder, aldus deze bepaling, vermeldt de Commissie „tevens de sancties waarin artikel 14 [van verordening nr. 139/2004] voorziet en de sancties waarin artikel 15 [van die verordening] voorziet, of [...] legt [zij] deze laatste sancties op” en „wijst [zij] ook op het recht, bij het Hof van Justitie beroep tegen [het besluit] in te stellen”.

45 Vooraf zij eraan herinnerd dat alle taalversies van een handeling van de Unie in beginsel dezelfde waarde hebben. Teneinde de eenvormige uitlegging van het Unierecht te handhaven, moet de betrokken bepaling derhalve, indien er verschillen tussen de taalversies bestaan, worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. Zo kan de in een van de taalversies van een handeling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die handeling dienen of in zoverre voorrang hebben boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht (zie arrest van 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punten 49 en 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 In casu moet erop worden gewezen dat de Franse taalversie van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 bepaalt dat de Commissie, wanneer zij verzoekt om inlichtingen bij besluit, in dat besluit de rechtsgrond voor dat verzoek vermeldt, alsook het „objet” ervan. Met uitzondering van de Spaanse taalversie, waarin de term „objeto” wordt gehanteerd; wordt in de andere taalversies van die bepaling gebruikgemaakt van termen die overeenkomen met het begrip „doel”, zoals bijvoorbeeld de Engelse, de Duitse, de Nederlandse, de Italiaanse, de Griekse en de Kroatische taalversie, waarin respectievelijk de termen „purpose”, „Zweck”, „doel”, „scopo”, „σκοπό” en „svrhu” worden gehanteerd. Uit de in de andere taalversies gebruikte termen blijkt dus, mede in het licht van de context van die bepaling en de met de betrokken verordening nagestreefde doelstelling, dat de wetgever in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 heeft willen verwijzen naar het begrip „doel” in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 139/2004 en artikel 18, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de [artikelen 101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), zoals uitgelegd in de in punt 48 hieronder aangehaalde rechtspraak.

47 De specifieke motiveringsplicht vormt een fundamenteel vereiste, niet alleen om het voor de betrokken ondernemingen duidelijk te maken dat het verzoek om inlichtingen gerechtvaardigd is, maar ook om hun inzicht te geven in de omvang van hun verplichting tot medewerking en tegelijk hun recht van verweer veilig te stellen (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 De verplichting om het „doel van het verzoek” te vermelden betekent dat de Commissie het voorwerp van haar onderzoek moet aangeven in haar verzoek, en dus de vermoede inbreuk op de mededingingsregels moet identificeren (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 In dit verband is de Commissie niet verplicht om de adressaat van een besluit houdende een verzoek om inlichtingen in kennis te stellen van alle inlichtingen waarop zij het vermoeden van het bestaan van inbreuken baseert, noch om een nauwgezette juridische kwalificatie van die inbreuken te geven, maar wel om de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, duidelijk te omschrijven (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Een dergelijke verplichting is met name te begrijpen door de omstandigheid dat, zoals blijkt uit artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004, de Commissie ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken met een gewoon verzoek of bij besluit de ondernemingen en ondernemersverenigingen kan vragen „alle nodige inlichtingen” te verstrekken (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 22).

51 Hieruit volgt dat de Commissie alleen die inlichtingen kan opvragen die voor haar van nut kunnen zijn bij de verificatie van de vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk die het onderzoek rechtvaardigen en die in het verzoek om inlichtingen zijn genoemd (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 23).

52 Aangezien de noodzakelijkheid van de gevraagde inlichtingen moet worden getoetst aan het in het verzoek om inlichtingen vermelde doel, moet dit doel met een redelijke mate van nauwkeurigheid worden aangegeven, omdat anders onmogelijk kan worden bepaald of de gevraagde informatie noodzakelijk is, en omdat anders de Unierechter zijn rechterlijk toezicht niet kan uitoefenen (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 De vraag of een besluit houdende een verzoek om inlichtingen toereikend is gemotiveerd, hangt derhalve af van de vraag of de vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk waarnaar de Commissie een onderzoek wenst in te stellen, voldoende duidelijk worden toegelicht (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 25).

54 Bij de beoordeling van de omvang van de motiveringsplicht ten aanzien van een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd besluit houdende een verzoek om inlichtingen, moet ook rekening worden gehouden met het stadium van het onderzoek waarin dat besluit is vastgesteld en met de vraag of de Commissie al dan niet reeds over bepaalde informatie inzake de vermeende inbreuken beschikte (zie in die zin en naar analogie arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of het bestreden besluit toereikend is gemotiveerd.

Eerste onderdeel van het tweede middel: ontoereikende motivering van het doel van het verzoek om inlichtingen

56 Met het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoekster in wezen aan dat het bestreden besluit niet duidelijk aangeeft wat het doel van het verzoek om inlichtingen is, aangezien het geen nauwkeurige en objectieve overwegingen bevat ter rechtvaardiging van de vaststelling ervan, en met name niet aangeeft wat de vermoede inbreuken zijn. In het bijzonder bevat het bestreden besluit volgens verzoekster geen nadere informatie over de „klachten” en de „feiten” waarvan de Commissie kennis heeft gekregen en die weliswaar worden vermeld in de brief van 25 juli 2023 betreffende de inleiding van de formele onderzoeksprocedure, maar niet in het bestreden besluit.

57 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

58 Dienaangaande blijkt uit de overwegingen 1 tot en met 3 van het bestreden besluit dat de Commissie de verwerving van Lagardère door verzoekster had goedgekeurd onder de voorwaarde dat verzoekster haar verbintenissen zou uitvoeren om al haar activiteiten op het gebied van boekenuitgeverij (die waren samengebracht in Editis, een dochteronderneming van verzoekster) en het tijdschrift Gala te verkopen en daarnaast dat verzoekster ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit die verwerving nog steeds diende op te schorten, aangezien de Commissie de koper en de voorwaarden voor de verkoop van Editis en Gala nog niet had goedgekeurd.

59 In overweging 4 van het bestreden besluit herinnert de Commissie eraan dat zij krachtens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 alle nodige inlichtingen kan vragen ter vervulling van de haar bij die verordening opgedragen taken.

60 In overweging 5 van het bestreden besluit verwijst de Commissie voorts naar de motiveringsvereisten waaraan een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd verzoek om inlichtingen moet voldoen. In dat verband geeft zij aan dat „[w]anneer [zij] krachtens artikel 11, lid 3, van [die verordening] bij besluit van een onderneming verlangt dat deze inlichtingen verstrekt, zij de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek vermeldt, aangeeft welke inlichtingen worden gevraagd en de termijn vaststelt waarbinnen deze inlichtingen moeten worden verstrekt[;] tevens [vermeldt zij] de sancties waarin artikel 14 van [die verordening] voorziet en de sancties waarin artikel 15 van [die verordening] voorziet, of [...] legt [zij] deze laatste sancties op[; b]ovendien informeert zij over het recht om het besluit ter toetsing voor te leggen aan het Hof van Justitie”.

61 Het doel van het verzoek om inlichtingen is aangegeven in de overwegingen 6 en 7 van het bestreden besluit, die luiden als volgt:

„(6) Ter beoordeling of Vivendi een beslissende invloed op Lagardère heeft uitgeoefend die kan worden aangemerkt als een niet-nakoming van de aanmeldingsverplichting en/of een niet-nakoming van de opschortingsverplichting en/of een niet-naleving van de aan het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de transactie tussen Vivendi en Lagardère verbonden voorwaarden en verplichtingen heeft de Commissie besloten om van Lagardère te verlangen dat zij een aantal documenten en bepaalde interne en externe communicatie zou verstrekken. Deze documenten en communicatie hebben betrekking op beslissingen van Lagardère waarbij Vivendi mogelijk een beslissende rol heeft gespeeld die vergelijkbaar is met die van een controlerende aandeelhouder. Het verzoek om inlichtingen is als bijlage bij dit besluit gevoegd.

(7) De krachtens dit besluit gevraagde en in de bijlage opgenomen documenten en communicatie zijn cruciaal om de Commissie in staat te stellen te analyseren of de tussenkomst en/of de raadpleging en/of de betrokkenheid van Vivendi bij bepaalde beslissingen kunnen worden aangemerkt als de uitoefening van een beslissende invloed door Vivendi zoals omschreven in overweging 6. De bedoelde documenten en communicatie hebben betrekking op de realisatie van operationele synergieën, zoals gezamenlijke programma’s voor de audiovisuele entiteiten van Vivendi en Lagardère, de vaststelling van het uitzendschema van radiozender Europe 1, die tot de Lagardère-groep behoort, benoemingen en afvloeiingen van journalisten bij tijdschriften van de Lagardère-groep, redactionele keuzen bij tijdschriften van de Lagardère-groep die mogelijk zijn beïnvloed door leidinggevenden van Vivendi of van haar belangrijkste aandeelhouder, de Bolloré-groep, en de verhuizing van entiteiten van de Vivendi-groep naar gebouwen die eigendom zijn van Lagardère. Voorts hebben die documenten en communicatie betrekking op strategische beslissingen die zijn genomen door de boekenuitgeverijgroep Hachette (die deel uitmaakt van Lagardère) en waarbij Vivendi mogelijk een rol heeft gespeeld die kan worden aangemerkt als het uitoefenen van beslissende invloed, zoals het staken van een rechtszaak tegen een dochteronderneming van Vivendi of het niet uitbrengen van een bod op de Amerikaanse uitgever [...], evenals de voorwaarden voor de benoeming van bepaalde leden in de raad van bestuur van Lagardère waarvan bekend is dat zij banden hebben met de Bolloré-groep.”

62 Vastgesteld moet worden dat de Commissie in de overwegingen 6 en 7 van het bestreden besluit in de zin van de in punten 48 en 49 hierboven aangehaalde rechtspraak aangeeft welke vermoede inbreuken op de bepalingen van verordening nr. 139/2004 zij voornemens is te onderzoeken en het voorwerp van haar onderzoek afbakent.

63 De overwegingen 6 en 7 van het bestreden besluit bevatten dus een duidelijke en ondubbelzinnige omschrijving van het voorwerp van het onderzoek van de Commissie. Aan de hand van dergelijke informatie kan tevens overeenkomstig de in de punten 48 tot en met 53 hierboven aangehaalde rechtspraak met voldoende nauwkeurigheid worden achterhaald welke vermoede inbreuken de vaststelling van dat besluit rechtvaardigden.

64 Bijgevolg voldoet die motivering aan de verplichting om het doel van het verzoek om inlichtingen te vermelden in de zin van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004.

65 Aan die slotsom kan niet worden afgedaan door verzoeksters argument dat het bestreden besluit geen nadere informatie bevat over de „klachten” en de „feiten” waarvan de Commissie kennis heeft gekregen en die weliswaar worden vermeld in de brief van 25 juli 2023 betreffende de inleiding van de formele onderzoeksprocedure, maar niet in het bestreden besluit.

66 Ten eerste is het doel van het verzoek om inlichtingen, zoals verzoekster toegeeft, ook vermeld in de brief van 25 juli 2023 betreffende de inleiding van de formele onderzoeksprocedure, waarvan verzoekster ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit kennis had.

67 Ten tweede is de Commissie volgens de in punt 49 hierboven aangehaalde vaste rechtspraak niet verplicht om de adressaat van een besluit houdende een verzoek om inlichtingen in kennis te stellen van alle inlichtingen waarop zij het vermoeden van het bestaan van inbreuken baseert, noch om een nauwgezette juridische kwalificatie van die inbreuken te geven, maar wel om de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren duidelijk te omschrijven.

68 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit is vastgesteld in het kader van de vooronderzoeksfase van de administratieve procedure uit hoofde van verordening nr. 139/2004, die de Commissie in staat moet stellen alle relevante bewijzen te verzamelen die het bestaan van een inbreuk op de uit die verordening voortvloeiende verplichtingen bevestigen en een eerste standpunt in te nemen over de richting die en het gevolg dat aan de procedure zal worden gegeven (zie in die zin en naar analogie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69 Volgens de rechtspraak kan de Commissie niet worden verplicht om in de vooronderzoeksfase naast de vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk die zij wenst te verifiëren, ook de aanwijzingen mee te delen, dat wil zeggen de feiten die haar ertoe hebben gebracht om aan te nemen dat het mededingingsrecht mogelijkerwijs is geschonden. Een dergelijke verplichting zou immers afbreuk doen aan het door de rechtspraak gevestigde evenwicht tussen het behoud van de doeltreffendheid van het onderzoek en de bescherming van de rechten van verdediging van de betrokken onderneming (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 37).

70 In het licht hiervan moet worden geoordeeld dat verzoekster aan de hand van de motivering van het bestreden besluit kan nagaan of de gevraagde inlichtingen noodzakelijk zijn voor het onderzoek, en de Unierechter aan de hand daarvan zijn toezicht kan uitoefenen. Verzoekster voert dus ten onrechte aan dat, wat betreft het voorwerp van het onderzoek van de Commissie en de omschrijving van de praktijken waarvan die instelling in het kader van haar onderzoek het bestaan wenst te verifiëren, niet voldaan is aan de motiveringsplicht, zoals neergelegd in artikel 296 VWEU en artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004.

71 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het tweede middel: geen motivering van de materiële, temporele en personele reikwijdte van de gevraagde inlichtingen

72 Met het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt verzoekster dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd om de materiële, temporele en personele reikwijdte van de gevraagde inlichtingen te rechtvaardigen, met name de keuze van de zoektermen, de criteria om de betrokken personen aan te wijzen en de betrokken periode die door het bestreden besluit wordt gedekt.

73 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.

74 Dienaangaande moet worden vastgesteld, zoals volgt uit de punten 6 tot en met 12 en 19 hierboven, dat het bestreden besluit, en met name de bijlage erbij, de materiële, temporele en personele reikwijdte van de gevraagde inlichtingen duidelijk afbakent. Zoals de Commissie terecht stelt, kan het feit dat het bestreden besluit geen specifieke motivering bevat voor elke gevraagde inlichting of elke zoekterm, niet als zodanig worden beschouwd als een ontoereikend motivering.

75 Volgens de rechtspraak kan van de Commissie namelijk niet worden verlangd dat zij, alvorens om inlichtingen te verzoeken, kennis heeft van de inhoud van de gevraagde documenten en van het relatieve belang ervan voor het onderzoek (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 maart 2012, Slovak Telekom/Commissie, T‑458/09 en T‑171/10, EU:T:2012:145, punt 55).

76 Gelet op de in de punten 42 tot en met 54 hierboven gememoreerde bepalingen en rechtspraak gaat de motiveringsplicht bij een besluit houdende een verzoek om inlichtingen niet zover dat de Commissie uit hoofde daarvan specifiek voor elke gevraagde inlichting, of, zoals in casu, voor elke zoekterm waarvan de toepassing wordt gevraagd, de redenen moet uiteenzetten waarom zij meent dat die inlichting of die zoekterm, ten eerste, noodzakelijk is voor haar onderzoek en, ten tweede, uitsluitend voor dat onderzoek relevante informatie bevat of uitsluitend naar dergelijke informatie leidt.

77 Voorts moet, zoals uit punt 42 hierboven voortvloeit, bij de vraag of voldaan is aan de motiveringsplicht niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen van de betrokken handeling, maar ook op de context ervan, te weten in casu de handelingen die reeds werden vastgesteld in het kader van de vooronderzoeksfase van de administratieve procedure uit hoofde van verordening nr. 139/2004 (zie punt 68 hierboven).

78 Een verzoek om inlichtingen zoals het bestreden besluit dient enkel om de Commissie in staat te stellen de noodzakelijke inlichtingen en documenten te verzamelen om de juistheid en de strekking van een bepaalde feitelijke en rechtstoestand na te gaan (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 37).

79 In het licht van het voorgaande kan verzoekster niet met succes aanvoeren dat de materiële, temporele en personele reikwijdte van de gevraagde inlichtingen niet is gemotiveerd.

80 Er moet trouwens op worden gewezen dat verzoeksters argumenten waarmee zij betwist dat de gevraagde inlichtingen noodzakelijk zijn, de rechtmatigheid ten gronde van het bestreden besluit betreffen en niet in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van het onderzoek van het middel inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht (zie in die zin arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die argumenten zullen daarom worden geanalyseerd in het kader van het onderzoek van het vijfde middel.

81 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Derde onderdeel van het tweede middel: geen motivering van de reden waarom de Bolloré-groep in het verzoek om inlichtingen is opgenomen

82 Met het derde onderdeel van het tweede middel stelt verzoekster dat het bestreden besluit geen motivering bevat van de reden waarom de Bolloré-groep in het verzoek om inlichtingen is opgenomen. De vermoedens van de Commissie die zijn uiteengezet in de brief van 25 juli 2023 betreffende de inleiding van de formele onderzoeksprocedure en die bondig zijn overgenomen in het bestreden besluit, zien op de uitoefening van beslissende invloed op Lagardère door verzoekster veeleer dan door de Bolloré-groep. Verzoekster is dan ook van mening dat het verzoek om inlichtingen in handen van een derde waarover zij geen zeggenschap heeft, te weten de Bolloré-groep, niet gemotiveerd is.

83 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

84 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat in overweging 7 van het bestreden besluit is aangegeven dat de bedoelde documenten met name betrekking hebben op bepaalde beslissingen van Lagardère „die mogelijk zijn beïnvloed door leidinggevenden van Vivendi of van haar belangrijkste aandeelhouder, de Bolloré-groep”. Zoals de Commissie erop wijst, staat het bovendien volgens het besluit van 9 juni 2023 tot goedkeuring van de concentratie en het door verzoekster bij haar ingediende formulier voor de aanmelding ervan vast dat de Bolloré-groep en Vivendi één enkele onderneming vormen in de zin van het mededingingsrecht.

85 Verzoekster voert bijgevolg ten onrechte aan dat de motiveringsplicht niet is nagekomen met betrekking tot de opname van de Bolloré-groep in de lijst van personen waarop het verzoek om inlichtingen betrekking heeft.

86 Derhalve moet het derde onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Vierde onderdeel van het tweede middel: ontoereikende motivering van de reden om gebruik te maken van een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd besluit houdende een verzoek om inlichtingen en van de noodzaak om snel op te treden

87 Met het vierde onderdeel stelt verzoekster in wezen dat in het bestreden besluit niet rechtens genoegzaam is uiteengezet waarom het nodig werd geacht om gebruik te maken van een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd verzoek om inlichtingen bij besluit en niet van een op artikel 11, lid 2, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd gewoon verzoek om inlichtingen of van een op artikel 13 van verordening nr. 139/2004 gebaseerde inspectie. Voorts is zij van mening dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom er snel moest worden opgetreden.

88 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

89 In casu wordt in overweging 8 van het bestreden besluit aangegeven dat „[i]n deze procedure tot vaststelling van een inbreuk [...] alleen een op grond van artikel 11, lid 3, van de concentratieverordening vastgesteld besluit er volgens de Commissie voor [kan] zorgen dat Vivendi alle documenten verstrekt die beantwoorden aan de door de Commissie in [dat] besluit genoemde criteria[;] de procedure van artikel 11, lid 3, van de concentratieverordening is namelijk de enige procedure van de concentratieverordening waarmee de ondernemingen tot wie het besluit is gericht, op straffe van sancties kunnen worden verplicht tot het geven van een volledig antwoord[; b]ovendien is het volgens de Commissie noodzakelijk om snel op te treden teneinde te voorkomen dat relevante documenten uit de bestanden van Vivendi zouden worden verwijderd, met name wanneer berichten na een bepaalde tijd worden gewist of bepaalde documenten van een medewerker na diens vertrek niet erg lang worden bewaard[; d]e keuze voor een besluit op grond van artikel 11, lid 3, beantwoordt aan die doelstelling om snel op te treden”.

90 De Commissie zet in overweging 8 van het bestreden besluit dus uiteen dat alleen een op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 vastgesteld besluit ervoor kan zorgen dat verzoekster, op straffe van sancties, alle documenten verstrekt die beantwoorden aan de door haar genoemde criteria en dat snel kan worden opgetreden teneinde te voorkomen dat relevante documenten uit verzoeksters bestanden zouden worden verwijderd.

91 Derhalve moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit met betrekking tot de toepassing van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 als rechtsgrond voor dat besluit toereikend is gemotiveerd in de zin van de in punt 42 hierboven aangehaalde rechtspraak.

92 Aan die slotsom kan niet worden afgedaan door verzoeksters andere argumenten.

93 Wat in de eerste plaats het gebruik van een op artikel 11, lid 2, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd verzoek om inlichtingen bij besluit in plaats van een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd gewoon verzoek betreft, volgt uit artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 dat de Commissie „met een gewoon verzoek of bij [besluit]” om inlichtingen mag verzoeken, zonder dat die bepaling vereist dat aan de vaststelling van een besluit een gewoon verzoek voorafgaat.

94 De keuze die moet worden gemaakt tussen een gewoon verzoek om inlichtingen en een besluit moet afhangen van de vereisten van een doeltreffend onderzoek, zulks in het licht van de bijzondere omstandigheden van elk geval [zie naar analogie arrest van 14 maart 2014, Holcim (Deutschland) en Holcim/Commissie, T‑293/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:127, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

95 De Commissie beschikt namelijk over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de toepassing van de artikelen 11, 14 en 15 van verordening nr. 139/2004 (arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 380).

96 Zoals de Commissie aangeeft, is er met betrekking tot gewone verzoeken om inlichtingen die worden overgemaakt op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 139/2004, in artikel 14, lid 1, onder b), van die verordening slechts voorzien in een sanctie in geval van onjuiste of misleidende inlichtingen, terwijl, wanneer het gaat om verzoeken bij besluit op grond van artikel 11, lid 3, van die verordening, onvolledige of te laat verstrekte antwoorden nog andere redenen zijn om sancties op te leggen overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder c), van die verordening.

97 Het verschil tussen een verzoek om inlichtingen bij besluit en een gewoon verzoek om inlichtingen is gelegen in het feit dat de Commissie, wanneer zij gebruikmaakt van de eerste mogelijkheid, op grond van respectievelijk artikel 14, lid 1, onder c), en artikel 15, lid 1, onder a), van verordening nr. 139/2004 een boete of dwangsommen kan opleggen om een onderneming te dwingen tot het verstrekken van volledige en juiste inlichtingen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 379).

98 Zoals volgt uit de in punt 89 hierboven geciteerde overweging 8 van het bestreden besluit, zet de Commissie in casu rechtens genoegzaam uiteen dat zij aan de hand van de procedure van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 de ondernemingen tot wie haar besluit is gericht, kan verplichten om op straffe van sancties een volledig antwoord te geven.

99 Wat in de tweede plaats het gebruik van een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd verzoek om inlichtingen bij besluit veeleer dan een op artikel 13 van verordening nr. 139/2004 gebaseerde inspectie betreft, moet erop worden gewezen dat inspecties volgens de in punt 141 hieronder aangehaalde rechtspraak belastender zijn dan een verzoek om inlichtingen en vergeleken daarmee een bijzonder grote impact hebben op de rechtspositie van de betrokken onderneming.

100 Bijgevolg kan van de Commissie niet worden verlangd dat zij haar keuze rechtvaardigt om geen gebruik te maken van een maatregel als een inspectie, die een belastendere procedure vormt dan een verzoek om inlichtingen waarin artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 voorziet.

101 Wat in de derde plaats de noodzaak om snel op te treden betreft, was de Commissie van mening, zoals volgt uit de in punt 89 hierboven geciteerde overweging 8 van het bestreden besluit, dat snel moest worden opgetreden om te voorkomen dat relevante documenten zouden worden verwijderd uit verzoeksters bestanden, met name wanneer berichten na een bepaalde tijd werden gewist of bepaalde documenten van een medewerker na diens vertrek niet lang genoeg werden bewaard. De keuze voor een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd verzoek om inlichtingen bij besluit beantwoordde volgens de Commissie aan die doelstelling om snel op te treden.

102 Gelet op het voorgaande moet tot de slotsom worden gekomen dat het bestreden besluit toereikend is gemotiveerd met betrekking tot zowel het gebruik van een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd besluit houdende een verzoek om inlichtingen als de noodzaak om snel op te treden.

103 Afgezien daarvan zij eraan herinnerd dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de kwestie van de juistheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft. De motivering van het besluit houdt immers in dat de gronden waarop dat besluit berust formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien deze gronden berusten op vergissingen doen deze afbreuk aan de inhoudelijke wettigheid van het besluit, maar niet aan de motivering ervan, die toereikend kan zijn ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 181 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104 Derhalve zijn verzoeksters overige argumenten om de onjuistheid van de motivering van het bestreden besluit aan te tonen, niet ter zake dienend in het kader van een middel ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht.

105 Aangezien verzoekster in feite de gegrondheid van de toepassing van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 betwist, zal dat betoog worden onderzocht in het kader van het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel (zie punten 109‑125 en 130‑144 hieronder). Voorts betwist verzoekster in feite de noodzaak om snel op te treden, zodat dat betoog zal worden onderzocht in het kader van het tweede onderdeel van het vijfde middel zal worden onderzocht (zie punten 279‑299 hieronder).

106 Ten slotte wordt verzoeksters argument dat de Commissie haar verplichting niet is nagekomen om omstandiger te motiveren wanneer zij haar „vaste praktijk” wijzigt, niet nader toegelicht en voldoende gestaafd, zodat het moet worden verworpen.

107 Derhalve moet het vierde onderdeel van het tweede middel, en bijgevolg het tweede middel in zijn geheel, worden afgewezen.

Eerste middel: keuze van een onjuiste rechtsgrond en misbruik van bevoegdheid

108 Met haar eerste middel stelt verzoekster dat de Commissie artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 niet kon toepassen om het bestreden besluit vast te stellen. Het eerste middel bestaat in wezen uit drie onderdelen. Met het eerste onderdeel betoogt verzoekster dat het in het bestreden besluit niet gaat om de beoordeling van de gevolgen van een concentratie. Met het tweede onderdeel voert verzoekster aan dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eraan inherente vereisten van noodzakelijkheid en nauwkeurigheid. Met het derde onderdeel verwijt verzoekster de Commissie dat zij haar bevoegdheid heeft misbruikt.

Eerste onderdeel van het eerste middel: in het bestreden besluit gaat het niet om de beoordeling van de gevolgen van een concentratie

109 Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt verzoekster dat artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 slechts kan dienen als rechtsgrond voor verzoeken om inlichtingen die gericht zijn op het beoordelen van de verenigbaarheid van een bij de Commissie aangemelde concentratie met de interne markt. Bovendien is er geen reden om artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 toe te passen wanneer het onderzoek van de gevolgen van een concentratie op de markt is afgerond, hetgeen met name het geval is wanneer de concentratie door de Commissie is goedgekeurd.

110 Volgens verzoekster kan artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 in casu niet dienen als rechtsgrond voor het bestreden besluit omdat dit niet gericht is op het verkrijgen van informatie met betrekking tot de verenigbaarheid van verzoeksters verwerving van de zeggenschap over Lagardère en hoe dan ook is vastgesteld na de goedkeuring van die verwerving door de Commissie.

111 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

112 Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 luidt dat de Commissie „[t]er vervulling van de haar bij [die] verordening opgedragen taken [...] met een gewoon verzoek of bij [besluit] de in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde personen, alsmede ondernemingen en ondernemersverenigingen, [kan] vragen alle nodige inlichtingen te verstrekken”.

113 Uit de formulering van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 vloeit dus voort dat de Commissie ter vervulling van de haar bij die verordening opgedragen taken alle nodige inlichtingen kan vragen.

114 Het is waar dat er, zoals verzoekster aanvoert, is geoordeeld dat de Commissie de haar krachtens artikel 11 van verordening nr. 139/2004 verleende bevoegdheden slechts kan uitoefenen wanneer zij van mening is dat zij niet beschikt over alle gegevens die zij nodig heeft om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de betrokken concentratie met de gemeenschappelijke markt (zie arrest van 4 februari 2009, Omya/Commissie, T‑145/06, EU:T:2009:27, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

115 Zoals de Commissie erop wijst, weerspiegelt die redenering evenwel het beginsel dat de noodzaak van door de Commissie gevraagde inlichtingen moet worden getoetst aan het in het verzoek om inlichtingen genoemde doel. Dit doet niet af aan het feit dat de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 alle inlichtingen kan vragen die nodig zijn ter vervulling van de haar bij die verordening opgedragen taken.

116 In casu wordt het doel van het verzoek om inlichtingen aangegeven in de in punt 61 hierboven geciteerde overwegingen 6 en 7 van het bestreden besluit. Uit die overwegingen blijkt dat de Commissie de betrokken inlichtingen heeft gevraagd om te beoordelen of verzoekster een beslissende invloed op Lagardère had uitgeoefend die kon worden aangemerkt als een niet-nakoming van de aanmeldingsverplichting en/of een niet-nakoming van de opschortingsverplichting en/of een niet-naleving van de aan het besluit van 9 juni 2023 tot goedkeuring van de concentratie verbonden voorwaarden en verplichtingen. Die inlichtingen zouden cruciaal zijn om de Commissie in staat te stellen te analyseren of de tussenkomst en/of de raadpleging en/of de betrokkenheid van verzoekster bij bepaalde beslissingen van Lagardère kunnen worden aangemerkt als de uitoefening van een beslissende invloed door verzoekster.

117 Vastgesteld moet worden dat het doel van het verzoek om inlichtingen, zoals omschreven in de in punt 61 hierboven geciteerde overwegingen 6 en 7 van het bestreden besluit, valt binnen de werkingssfeer van de aan de Commissie bij verordening nr. 139/2004 opgedragen taken.

118 Zoals blijkt uit artikel 8, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 139/2004, kan de Commissie namelijk aan haar besluit waarbij zij de concentratie verenigbaar verklaart met de interne markt, voorwaarden en verplichtingen verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij tegenover de Commissie zijn aangegaan om de concentratie verenigbaar te maken met de interne markt.

119 Voorts bepaalt artikel 7 van verordening nr. 139/2004, met als opschrift „Opschorting van de totstandbrenging van de concentratie” in lid 1 ervan dat „[e]en concentratie met een communautaire dimensie, zoals omschreven in artikel 1, of een concentratie die door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 5, dient te worden onderzocht, mag niet tot stand worden gebracht zolang zij niet is aangemeld en met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is verklaard bij een krachtens artikel 6, lid 1, onder b), of artikel 8, lid 1 of lid 2, gegeven [besluit], dan wel mag worden geacht verenigbaar te zijn verklaard overeenkomstig artikel 10, lid 6”.

120 In casu volgt uit overweging 1 van het bestreden besluit dat de Commissie „[b]ij [het] besluit van 9 juni 2023 [tot goedkeuring van de concentratie] de verwerving van Lagardère [...] door Vivendi [heeft] goedgekeurd onder de voorwaarde dat laatstgenoemde haar verbintenissen zou uitvoeren om al haar activiteiten op het gebied van boekenuitgeverij (die zijn samengebracht in Editis, een dochteronderneming van Vivendi) en het tijdschrift Gala te verkopen”.

121 Volgens overweging 3 van het bestreden besluit houden „[d]e door Vivendi aangeboden verbintenissen inzake verkoop [...] bovendien in dat de verwerving van Lagardère door Vivendi niet kan worden afgerond zolang de Commissie de koper en de voorwaarden voor de verkoop [...] niet heeft goedgekeurd[; o]p de datum van [dit] besluit moet Vivendi nog steeds aan de opschortingsverplichting voldoen aangezien de Commissie nog niet is overgegaan tot die goedkeuringen”.

122 Overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 139/2004 moest de Commissie er dus op toezien dat verzoekster de bij het besluit van 9 juni 2023 tot goedkeuring van de concentratie opgelegde voorwaarden zou naleven en zich ervan vergewissen zij voldeed aan de verplichtingen die uit hoofde van die verordening op haar rusten.

123 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het zoeken naar bewijzen waarmee mogelijk een vermoeden van niet-nakoming van de uit verordening nr. 139/2004 voortvloeiende verplichtingen kan worden geverifieerd, een van de bij die verordening aan de Commissie opgedragen taken is voor de uitvoering waarvan de Commissie krachtens artikel 11, lid 1, van die verordening alle nodige inlichtingen kan vragen. Bijgevolg maakt het zoeken naar die bewijzen deel uit van de doelstellingen die worden nagestreefd met een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd verzoek om inlichtingen.

124 Hieruit vloeit voort dat de Commissie zich voor de vaststelling van het bestreden besluit rechtsgeldig kon baseren op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004.

125 Derhalve moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het eerste middel: niet-naleving van de vereisten van noodzakelijkheid en nauwkeurigheid

126 Met het tweede onderdeel van haar eerste middel voert verzoekster aan dat de bevoegdheid van de Commissie om inlichtingen te vragen haar uitsluitend in staat stelt om de overlegging van gegevens te verlangen die „nodig” zijn in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004. Een op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 gebaseerd verzoek om inlichtingen moet dus voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid en nauwkeurigheid en het bestreden besluit voldoet daar niet aan omdat er een „verkennend doel” mee wordt nagestreefd en het gericht is op een reeks documenten die niet vooraf door de Commissie zijn aangeduid.

127 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

128 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat verzoekster met de argumenten die zij in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel uiteenzet, in feite beoogt te betwisten dat het bestreden besluit voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid en nauwkeurigheid.

129 Deze argumenten hebben dus veeleer betrekking op het tweede middel, dat is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, en op het vijfde middel, dat is ontleend aan een schending van het evenredigheidsbeginsel, en worden bijgevolg geanalyseerd in het kader van die middelen.

Derde onderdeel van het eerste middel: misbruik van bevoegdheid

130 Met het derde onderdeel van het eerste middel betoogt verzoekster dat het bestreden besluit blijk geeft van misbruik van bevoegdheid omdat het niet gericht is op het verzamelen van gegevens met het oog op de beoordeling van de verenigbaarheid van een concentratie met de interne markt, aangezien de concentratie op 9 juni 2023 is goedgekeurd, dat wil zeggen drie maanden vóór de vaststelling van het bestreden besluit. Bovendien is het bestreden besluit volgens verzoekster in feite bedoeld om een „verkennende inspectie” uit te voeren. Ofschoon het bestreden besluit een even ingrijpende maatregel is als een inspectie, biedt het geen enkele procedurele waarborg die aan een dergelijke inspectie verbonden is, met name de verificatiemethode die de vertegenwoordigers van de geïnspecteerde onderneming in staat stelt opmerkingen te maken en te vragen om documenten die buiten het onderzoeksgebied vallen, beschermd zijn of gevoelige persoonsgegevens bevatten, te verwijderen. Volgens verzoekster had de Commissie zich kunnen houden aan het striktere rechtskader dat van toepassing is op inspecties.

131 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

132 Vooraf zij eraan herinnerd dat het begrip „misbruik van bevoegdheid” inhoudt dat een overheidsinstantie haar bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer uit objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat dit met een dergelijk doel is genomen. Wanneer het besluit meer doelen heeft, is er ook indien naast de geldige beweegredenen een niet-gerechtvaardigde wordt aangevoerd, geen sprake van misbruik van bevoegdheid, zolang het wezenlijke doel niet wordt opgeofferd (zie arrest van 4 februari 2009, Omya/Commissie, T‑145/06, EU:T:2009:27, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

133 Derhalve moet worden nagegaan of de door verzoekster aangevoerde elementen objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen vormen waaruit blijkt dat het bestreden besluit door de Commissie is vastgesteld voor een ander doel dan dat van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004.

134 In dat verband volgt uit de punten 123 en 124 hierboven dat het zoeken naar bewijzen waarmee mogelijk een vermoeden van niet-nakoming van de uit verordening nr. 139/2004 voortvloeiende verplichtingen kan worden geverifieerd, een van de bij die verordening aan de Commissie opgedragen taken is. Het zoeken naar die bewijzen behoort bijgevolg tot de wettelijk toegestane doeleinden van een verzoek om inlichtingen krachtens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004, dat de Commissie in staat stelt ondernemingen bij besluit te vragen alle nodige inlichtingen te verstrekken ter vervulling van de haar bij die verordening opgedragen taken.

135 Hieruit volgt dat, aangezien de uit hoofde van het bestreden besluit gevraagde inlichtingen zijn bedoeld om na te gaan of verzoekster niet heeft voldaan aan de aanmeldingsverplichting, de opschortingsverplichting of de verplichting tot naleving van de voorwaarden die verbonden zijn aan een besluit waarbij een concentratie verenigbaar is verklaard met de interne markt en het gaat om taken die overeenkomstig verordening nr. 139/2004 uitsluitend onder de bevoegdheid van de Commissie vallen, die instelling haar bevoegdheden niet heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij haar zijn verleend.

136 Aan die slotsom wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat de Commissie zich had kunnen houden aan het striktere rechtskader dat van toepassing is op inspecties en dat meer procedurele waarborgen biedt.

137 In dat verband zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat bij een handeling slechts kan worden gesproken van misbruik van bevoegdheid indien zij, op basis van objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen, uitsluitend, of ten minste in overwegende mate, is vastgesteld voor andere doeleinden dan die waarvoor de betrokken bevoegdheid is verleend of om te ontkomen aan een procedure waarin het VWEU speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (zie arrest van 5 mei 2015, Spanje/Parlement en Raad, C‑146/13, EU:C:2015:298, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

138 De voor inspecties geldende procedure is geen procedure waarin het VWEU in de omstandigheden van het geval speciaal heeft voorzien.

139 Voorts houdt het feit dat een inspectie kan dienen als alternatief voor een verzoek om inlichtingen, niet in dat de Commissie, door het bestreden besluit vast te stellen, haar bevoegdheden heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze haar bij verordening nr. 139/2004 zijn verleend.

140 Bovendien moet worden vastgesteld dat uit de opsomming van de krachtens artikel 13, lid 2, van verordening nr. 139/2004 aan de functionarissen van de Commissie verleende inspectiebevoegdheden volgt dat die inspecties een zeer ruime reikwijdte kunnen hebben (zie in die zin en naar analogie arrest van 12 juli 2007, CB/Commissie, T‑266/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:223, punt 71), aangezien zij de Commissie met name in staat stellen om de ruimten van de betrokken ondernemingen te betreden, afschriften of uittreksels van de boeken en bescheiden te maken of te verkrijgen, of ruimten, boeken en andere bescheiden van die ondernemingen te verzegelen voor de duur van de inspectie te verzegelen. De uitoefening van de inspectiebevoegdheden brengt dus andere gevolgen met zich mee dan die van een verzoek om inlichtingen.

141 Zoals de Commissie aanvoert, volgt uit de rechtspraak dat bij inspecties meer verplichtingen worden opgelegd dan bij verzoeken om inlichtingen en dat zij een bijzondere weerslag hebben op de situatie rechtens van de betrokken onderneming (zie in die zin arrest van 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie, T‑99/04, EU:T:2008:256, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

142 Bovendien blijkt uit de lezing van het bestreden besluit dat de Commissie, anders dan verzoekster stelt, heeft voorzien in een aantal procedurele waarborgen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van de op een aantal documenten toepasselijke communicatie tussen advocaat en cliënt wordt gewaarborgd [punt IV.10, onder j), van de bijlage bij dat besluit] en dat gevoelige persoonsgegevens worden beschermd [punt IV.10, onder l), van de bijlage bij dat besluit].

143 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat het bestreden besluit blijk geeft van misbruik van bevoegdheid.

144 Derhalve moet het derde onderdeel van het eerste middel, en bijgevolg het eerste middel in zijn geheel, worden afgewezen.

Derde middel: schending van het beginsel van bescherming tegen willekeurige of onredelijke ingrepen van het openbaar gezag

145 Met haar derde middel stelt verzoekster dat het bestreden besluit niet gebaseerd is op voldoende ernstige aanwijzingen om een inbreuk op de mededingingsregels te kunnen vermoeden en dat is een schending van het principiële verbod van willekeurige of onredelijke ingrepen van het openbaar gezag.

146 In de eerste plaats is verzoekster van mening dat het bestreden besluit geen informatie bevat over de aard, de herkomst en de inhoud van de gegevens waarop de Commissie zich heeft gebaseerd om dat besluit vast te stellen. Alleen in de brief van 25 juli 2023 betreffende de inleiding van de formele onderzoeksprocedure wordt aangegeven dat de Commissie „klachten [heeft] ontvangen en [...] in kennis [is] gesteld van feiten betreffende de uitoefening door Vivendi van een beslissende invloed op Lagardère”, zonder dat daarin nadere informatie wordt verschaft.

147 In de tweede plaats voert verzoekster aan dat de gegevens waarover de Commissie beschikt, blijkbaar zijn verstrekt door derden, met name de organisatie Reporters sans frontières (RSF). Volgens verzoekster kan op grond van die gegevens geen inbreuk worden vermoed omdat zij vanwege de algemeen bekende en historische vijandigheid van RSF jegens haar en de Bolloré-groep lasterlijk en van twijfelachtige herkomst zijn.

148 In de derde plaats stelt verzoekster dat op grond van het bestreden besluit documenten moeten worden verstrekt die een periode „van bijna vier jaar” bestrijken, zonder dat daarvoor een objectieve basis is, en willekeurig zijn gekozen.

149 In de vierde plaats voert verzoekster aan dat de brief van 25 juli 2023 betreffende de inleiding van de formele onderzoeksprocedure uitsluitend verwijst naar „klachten” of „feiten” volgens welke zij een beslissende invloed op Lagardère heeft uitgeoefend, zonder dat daarin wordt verwezen naar feiten die belastend zijn voor de Bolloré-groep. De bijlage bij het bestreden besluit richt zich nochtans evenzeer op haar als op de Bolloré-groep, waaruit blijkt dat de Commissie bij de vaststelling van het bestreden besluit niet over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte om te vermoeden dat zij een inbreuk had begaan.

150 Ten slotte verzoekt verzoekster het Gerecht om in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang waarin is voorzien in de artikelen 89 en 90 van zijn Reglement voor de procesvoering, de Commissie te gelasten alle documenten, stukken en andere gegevens over te leggen op basis waarvan zij tot de slotsom is gekomen dat zij op de datum van het bestreden besluit over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte om de vaststelling van dat besluit te rechtvaardigen met betrekking tot de vermoede inbreuken zoals omschreven in de overwegingen 2, 6 en 7 ervan.

151 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

152 In herinnering zij gebracht dat het een algemeen beginsel van Unierecht is dat bescherming moet worden geboden tegen willekeurige of buitensporige ingrepen van het openbaar gezag in de privésfeer van een persoon, ongeacht of het gaat om een natuurlijke persoon dan wel om een rechtspersoon (zie arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153 Een besluit waarbij om inlichtingen wordt verzocht, voldoet slechts aan dit algemene beginsel indien het beoogt de noodzakelijke bewijsstukken te verzamelen om de juistheid en de strekking na te gaan van een bepaalde situatie feitelijk en rechtens waarover de Commissie reeds gegevens in haar bezit heeft die voldoende ernstige aanwijzingen vormen voor de verdenking van een inbreuk op de mededingingsregels (zie arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

154 Volgens de rechtspraak inzake verzoeken om inlichtingen krachtens artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003, die mutatis mutandis kan worden toegepast op het onderhavige geval, staat het bovendien, gezien de ruime onderzoeksbevoegdheden die bij verordening nr. 1/2003 aan de Commissie zijn toegekend, aan deze instelling om te beoordelen of een inlichting noodzakelijk is om een inbreuk op de mededingingsregels te kunnen opsporen. Zelfs indien zij reeds over aanwijzingen of zelfs bewijzen voor het bestaan van een inbreuk beschikt, kan de Commissie het zeer wel noodzakelijk achten aanvullende inlichtingen te vragen om zich een nauwkeuriger idee te vormen van de omvang van de inbreuk en de duur daarvan of van de ondernemingen die erbij betrokken zijn (zie naar analogie arrest van 28 januari 2021, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, C‑466/19 P, EU:C:2021:76, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

155 Aangaande de toetsing door de Unierechter van de beoordeling door de Commissie of de gevraagde inlichtingen noodzakelijk zijn, heeft het Hof geoordeeld dat deze vraag moet worden getoetst aan het in het verzoek om inlichtingen vermelde doel, namelijk de vermoede inbreuken waarnaar de Commissie een onderzoek wenst in te stellen. Aan het vereiste dat er een verband bestaat tussen een verzoek om inlichtingen en de vermoede inbreuk is voldaan indien de Commissie op de datum van het verzoek redelijkerwijs mag aannemen dat deze inlichtingen haar kunnen helpen om het bestaan van die inbreuk aan te tonen (zie naar analogie arrest van 28 januari 2021, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, C‑466/19 P, EU:C:2021:76, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien moet er, zoals in punt 54 hierboven is opgemerkt, bij de beoordeling van de omvang van de motiveringsplicht ten aanzien van een besluit waarbij om inlichtingen wordt verzocht, ook rekening worden gehouden met het stadium van het onderzoek en met de vraag of de Commissie al dan niet reeds over bepaalde informatie inzake de vermeende inbreuken beschikt.

156 Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak, en zoals ook is bevestigd in artikel 6, lid 3, VEU, de fundamentele rechten integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de naleving verzekert. Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens administratieve mededingingsprocedures een algemeen Unierechtelijk beginsel vormt (zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

157 Wat de procedure inzake de toepassing van artikel 101 VWEU aangaat, zij erop gewezen dat de administratieve procedure die zich voor de Commissie afspeelt, is onderverdeeld in twee onderscheiden en achtereenvolgende fasen, die elk een eigen innerlijke logica hebben, te weten de vooronderzoeksfase en de fase op tegenspraak. De vooronderzoeksfase, die duurt tot de mededeling van punten van bezwaar, moet de Commissie in staat stellen alle relevante bewijzen te verzamelen die al of niet het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels bevestigen en een eerste standpunt in te nemen over de richting die en het gevolg dat aan de procedure zal worden gegeven. Daarentegen moet de fase op tegenspraak, die loopt van de mededeling van punten van bezwaar tot de vaststelling van het definitieve besluit, de Commissie in staat stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk (zie naar analogie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

158 De vooronderzoeksfase begint op de datum waarop de Commissie krachtens de haar door de Uniewetgever verleende bevoegdheden maatregelen neemt die impliceren dat aan de verdachte ondernemingen een inbreuk wordt verweten, en die belangrijke consequenties hebben voor hun situatie. Pas aan het begin van de administratieve fase op tegenspraak wordt de betrokken onderneming door middel van de mededeling van punten van bezwaar ingelicht over de belangrijkste feiten waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert en beschikt deze onderneming over een recht van toegang tot het dossier, dat dient te waarborgen dat zij haar rechten van verdediging daadwerkelijk kan uitoefenen. De betrokken onderneming kan dus pas na de verzending van de mededeling van punten van bezwaar haar rechten van verdediging ten volle uitoefenen. Indien deze rechten werden uitgebreid tot de periode vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar, zou immers afbreuk worden gedaan aan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie, omdat de onderneming dan reeds in de vooronderzoeksfase zou kunnen achterhalen over welke informatie de Commissie beschikt en welke informatie dus nog voor haar verborgen kan worden gehouden (zie naar analogie arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

159 De door de Commissie in de vooronderzoeksfase genomen onderzoeksmaatregelen, met name de verificaties en verzoeken om inlichtingen, impliceren evenwel naar hun aard dat een inbreuk ten laste wordt gelegd, en kunnen belangrijke consequenties hebben voor de situatie van de verdachte ondernemingen. Derhalve moet worden vermeden dat de rechten van verdediging in deze fase van de administratieve procedure onherstelbare schade lijden, aangezien de onderzoeksmaatregelen beslissend kunnen zijn voor de levering van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen die tot hun aansprakelijkheid leiden (zie naar analogie arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

160 In dit verband zij eraan herinnerd dat de verplichting van de Commissie om de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek om inlichtingen te vermelden een fundamenteel vereiste vormt dat er niet alleen toe strekt duidelijk te maken dat het tot de betrokken ondernemingen gerichte verzoek om inlichtingen gerechtvaardigd is, maar ook om deze ondernemingen inzicht te geven in de omvang van hun verplichting tot medewerking en tegelijk hun rechten van verdediging veilig te stellen. Hieruit volgt dat de Commissie alleen die inlichtingen kan opvragen die voor haar van nut kunnen zijn bij de verificatie van de vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk die het onderzoek rechtvaardigen en die in het verzoek om inlichtingen zijn genoemd (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

161 Voorts moet er worden verwezen naar de in punt 69 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

162 In casu verwijt verzoekster de Commissie dat zij het principiële verbod van willekeurige of onredelijke ingrepen van het openbaar gezag heeft geschonden door het bestreden besluit vast te stellen zonder te beschikken over voldoende ernstige aanwijzingen om een inbreuk op de mededingingsregels te kunnen vermoeden.

163 Wat in de eerste plaats verzoeksters stelling betreft dat het bestreden besluit geen informatie bevat over de aanwijzingen waarop het is gebaseerd, zij eraan herinnerd dat de motivering van het bestreden besluit, zoals volgt uit de punten 64 en 70 hierboven, voldoet aan de verplichting om het doel van het verzoek om inlichtingen te vermelden in de zin van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004.

164 Bovendien is het bestreden besluit overeenkomstig de in punt 157 hierboven aangehaalde rechtspraak vastgesteld tijdens de vooronderzoeksfase, die is bedoeld om de Commissie in staat te stellen alle relevante bewijzen te verzamelen die al of niet het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels bevestigen en een eerste standpunt in te nemen over de richting die en het gevolg dat aan de procedure zal worden gegeven.

165 Overeenkomstig de in punt 69 hierboven aangehaalde rechtspraak kan de Commissie dan ook niet worden verplicht om in het bestreden besluit naast de vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk die zij wenst te verifiëren, ook de aanwijzingen mee te delen, dat wil zeggen de feiten die haar ertoe hebben gebracht om aan te nemen dat de uit verordening nr. 139/2004 voortvloeiende regels mogelijkerwijs zijn geschonden.

166 Wat in de tweede plaats verzoeksters argument betreft dat de gegevens waarover de Commissie beschikt blijkbaar zijn verstrekt door derden en dat op grond van deze gegevens geen inbreuk kan worden vermoed, moet samen met de Commissie worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft uiteengezet waarom het feit dat de documenten afkomstig zijn van derden, en met name derden die belang hebben bij de procedure, het bestreden besluit onrechtmatig maakt. Uit het dossier blijkt namelijk dat de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 4, van verordening nr. 139/2004 aan RSF de hoedanigheid van belanghebbende derde had toegekend.

167 Wat in de derde plaats verzoeksters argument betreft inzake de opname van de Bolloré-groep in het verzoek om inlichtingen, wordt, zoals blijkt uit punt 84 hierboven, in overweging 7 van het bestreden besluit aangegeven dat de in dat besluit bedoelde documenten met name betrekking hebben op bepaalde beslissingen van Lagardère „die mogelijk zijn beïnvloed door leidinggevenden van Vivendi of van haar belangrijkste aandeelhouder, de Bolloré-groep”. Zoals de Commissie erop wijst, staat het volgens het besluit van 9 juni 2023 tot goedkeuring van de concentratie en het door verzoekster bij haar ingediende formulier voor de aanmelding ervan bovendien vast dat de Bolloré-groep en verzoekster één enkele onderneming vormen in de zin van het mededingingsrecht. De Commissie kon dus op de datum van het bestreden besluit redelijkerwijs aannemen dat de van die groep afkomstige inlichtingen haar konden helpen om het bestaan van een inbreuk op verordening nr. 139/2004 aan te tonen.

168 Wat in de vierde plaats de betrokken periode betreft, zij opgemerkt dat de Commissie, zoals blijkt uit de punten 218 tot en met 222 hieronder, gelet op het feit dat verzoekster in maart 2020 voor het eerst een deelneming in het kapitaal van Lagardère heeft verworven, op de datum van het bestreden besluit redelijkerwijs mocht aannemen dat de inlichtingen per 1 januari 2020 haar konden helpen om het bestaan van een inbreuk op verordening nr. 139/2004 aan te tonen, met name omdat die inlichtingen bijdragen tot een goed begrip van alle gebeurtenissen en de context waarin deze zich hebben afgespeeld.

169 Gelet op het voorgaande moet het derde middel worden afgewezen.

170 Wat het verzoek betreft om een maatregel van instructie vast te stellen waarbij de Commissie zou worden gelast de documenten, stukken en andere gegevens over te leggen op basis waarvan zij ten tijde van het bestreden besluit dacht te beschikken over aanwijzingen voor vermoedelijke inbreuken, zij eraan herinnerd dat de betrokken onderneming volgens de in punt 158 hierboven aangehaalde rechtspraak pas na de verzending van de mededeling van punten van bezwaar haar rechten van verdediging ten volle kan uitoefenen. Indien deze rechten werden uitgebreid tot de periode vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar, zou immers afbreuk worden gedaan aan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie, omdat de onderneming dan reeds in de vooronderzoeksfase zou kunnen achterhalen over welke informatie de Commissie beschikt en welke informatie dus nog voor haar verborgen kan worden gehouden.

171 Enkel indien bij het Gerecht een verzoek in die zin is ingediend en de ondernemingen waartoe het besluit krachtens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 is gericht bepaalde gegevens hebben aangevoerd waardoor kan worden betwijfeld of de aanwijzingen waarover de Commissie beschikte voldoende ernstig waren voor de vaststelling van dat besluit, kan het Gerecht oordelen dat het deze aanwijzingen dient te onderzoeken (zie naar analogie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

172 Anderzijds moet eraan worden herinnerd dat toetsing van de motivering van een besluit de rechter ook de mogelijkheid biedt erop toe te zien dat het beginsel van bescherming tegen willekeurig en onevenredig optreden wordt nageleefd, doordat deze motivering duidelijk maakt dat het voorgenomen optreden in de gebouwen van de betrokken ondernemingen gerechtvaardigd is (zie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

173 In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 de wezenlijke elementen bepaalt die moeten worden opgenomen in een besluit houdende een verzoek om inlichtingen door met name van de Commissie te eisen dat zij het doel van het verzoek vermeldt. Uit de in de punten 52, 53 en 160 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat de Commissie uit hoofde van die verplichting voldoende nauwkeurig moet aangeven welke vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk zij wenst te verifiëren.

174 In omstandigheden waarin het Gerecht meent dat de vermoedens die de Commissie wil verifiëren en de gegevens waarop het verzoek om inlichtingen betrekking moet hebben, voldoende nauwkeurig zijn omschreven, kan het derhalve tot de slotsom komen dat een besluit houdende een verzoek om inlichtingen niet willekeurig is, zonder dat de strekking van de aanwijzingen waarover de Commissie op de datum van de vaststelling van het besluit beschikt, inhoudelijk hoeft te worden geverifieerd (zie in die zin en naar analogie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 91). Het staat uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht of de gegevens waarover het beschikt in de aan hem voorgelegde zaken eventueel aanvulling behoeven (zie arrest van 22 juni 2022, thyssenkrupp/Commissie, T‑584/19, niet gepubliceerd, EU:T:2022:386, punt 344 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

175 Vastgesteld moet worden dat dit het geval is voor het bestreden besluit, aangezien uit de in punt 61 hierboven geciteerde overwegingen 6 en 7 ervan blijkt dat de aard van de vermoedelijke mededingingsbeperkingen in voldoende nauwkeurige en gedetailleerde bewoordingen is omschreven. Bovendien wordt in het bestreden besluit verduidelijkt waarom verzoeksters gedrag onder elk van de vermoedelijke concurrentieverstorende praktijken kan vallen.

176 In die omstandigheden kan het Gerecht alleen al op basis van de in het bestreden besluit uiteengezette gronden tot de slotsom komen dat dit besluit niet willekeurig is vastgesteld, zonder dat de Commissie hoeft te worden gelast de in haar bezit zijnde informatie over te leggen waaruit blijkt dat zij over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte om het bestreden besluit vast te stellen.

Vierde middel: schending van het beginsel „impossibilium nulla obligatio est” met betrekking tot het verzoek om documenten te verstrekken die afkomstig zijn van de Bolloré-groep

177 Met haar vierde middel betoogt verzoekster in wezen dat het bestreden besluit het beginsel „impossibilium nulla obligatio est” schendt door van haar te verlangen dat zij documenten aan de Commissie verstrekt die in het bezit zijn van, worden bijgehouden door of onder zeggenschap staan van de Bolloré-groep (hierna: „documenten van de Bolloré-groep”).

178 Ten eerste stelt verzoekster dat het bestreden besluit slechts bindende rechtsgevolgen sorteert ten aanzien van haarzelf en haar mandatarissen. Daarentegen hoeven haar aandeelhouders, waaronder de Bolloré-groep, die niet de adressaten van het bestreden besluit zijn, die niet worden genoemd in artikel 1 ervan en ten aanzien van wie er geen afzonderlijk besluit krachtens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 is vastgesteld, zich niet te onderwerpen aan het bij het bestreden besluit opgelegde bevel.

179 Ten tweede merkt verzoekster op dat het bestreden besluit haar een verplichting oplegt waarvan de uitvoering van meet af aan objectief en volstrekt onmogelijk was, aangezien zij daarbij wordt verzocht om documenten te bemachtigen die afkomstig zijn van de Bolloré-groep, een van haar talrijke aandeelhouders waarover zij geen zeggenschap uitoefent. Zoals blijkt uit de goedkeuring door de Commissie van de verwerving van de zeggenschap over verzoekster door de Bolloré-groep op 24 april 2017, is het de Bolloré-groep die zeggenschap uitoefent over verzoekster, en niet andersom. In dat verband wijst verzoekster erop dat geen enkele bepaling van het Franse recht een handelsvennootschap toestaat de overlegging van documenten te eisen en, meer in het algemeen, enige dwang uit te oefenen op haar aandeelhouder. Omgekeerd is een referentieaandeelhouder op geen enkele wijze verplicht om zich vrijwillig te onderwerpen aan een bevel dat hem door een derde vennootschap wordt opgelegd, zelfs niet wanneer hij een deelneming in haar kapitaal bezit.

180 Ten derde stelt verzoekster zich op het standpunt dat de Commissie, door haar een onuitvoerbare verplichting op te leggen, haar de facto verplicht om te verzaken aan haar verplichting tot medewerking en haar blootstelt aan het risico dat zij een inbreuk begaat en dat haar krachtens artikel 14, lid 1, onder c), van verordening nr. 139/2004 een boete wordt opgelegd.

181 Ten vierde stelt verzoekster dat het bestreden besluit blijkt geeft van misbruik van bevoegdheid doordat de Commissie, niettegenstaande dat zij de adressaat van dat besluit is, de bedoeling heeft om indirect documenten van de Bolloré-groep te verkrijgen. Volgens verzoekster wordt de Bolloré-groep door het bestreden besluit haar recht op effectieve rechterlijke bescherming ontzegd dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en in de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

182 De Commissie betwist verzoeksters betoog.

183 Vooraf zij er ten eerste aan herinnerd dat het beginsel dat „niemand rechtens tot het onmogelijke is gehouden” volgens de rechtspraak behoort tot de algemene beginselen van het Unierecht (zie arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

184 In dat verband volgt uit de rechtspraak dat eventuele procesrechtelijke of andere moeilijkheden met betrekking tot de uitvoering van een besluit de wettigheid ervan niet kunnen beïnvloeden. De Commissie mag daarentegen bij een besluit geen verplichting opleggen waarvan de uitvoering van meet af aan objectief en volstrekt onmogelijk is, op straffe van ongeldigheid van die verplichting (zie arrest van 17 juni 1999, België/Commissie, C‑75/97, EU:C:1999:311, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

185 Van een dergelijke onmogelijkheid kan enkel sprake zijn wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan, namelijk dat de aangevoerde moeilijkheden zich daadwerkelijk voordoen en voorts dat er geen alternatieve wijze van tenuitvoerlegging is (zie in die zin arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punten 91, 92 en 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

186 Ten tweede moet erop worden gewezen dat volgens vaste rechtspraak op de onderneming waartegen een onderzoeksmaatregel wordt genomen, de verplichting rust om actief mee te werken, wat betekent dat zij alle informatie die betrekking heeft op het voorwerp van het onderzoek, ter beschikking van de Commissie moet houden (zie naar analogie arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

187 In casu moet worden vastgesteld dat in artikel 2 van het bestreden besluit wordt aangegeven dat de adressaat van dat besluit „Vivendi SE” is.

188 In punt I.1 van de bijlage bij het bestreden besluit wordt evenwel bepaald dat „[v]oor het [...] verzoek om inlichtingen, ‚Lagardère’ [...] naar Lagardère S.A. [en] ‚Vivendi’ naar Vivendi SE en de Bolloré-groep [verwijst]”. In punt I.2 van die bijlage staat onder meer te lezen dat „[o]nder het begrip ‚document(en)’ wordt verstaan: alle computerbestanden die in het bezit zijn van, worden bijgehouden door of onder zeggenschap staan van Vivendi”, dat wil zeggen verzoekster en de Bolloré-groep.

189 Voorts wordt in overweging 7 van het bestreden besluit aangegeven dat „[d]e bedoelde documenten en communicatie [...] betrekking [hebben] op de realisatie van operationele synergieën [...] die mogelijk zijn beïnvloed door leidinggevenden van Vivendi of van haar belangrijkste aandeelhouder, de Bolloré-groep”.

190 Verzoekster stelt dat zij zich met betrekking tot de documenten van de Bolloré-groep onmogelijk kon houden aan het bestreden besluit, aangezien zij geen zeggenschap over of druk op die groep, een van haar aandeelhouders, uitoefent.

191 Er valt evenwel uit niets op te maken dat van een dergelijke onmogelijkheid tot tenuitvoerlegging van het bestreden besluit sprake was bij het ontstaan van de betrokken verplichting. Verzoekster heeft namelijk geen enkel element aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat de bij het bestreden besluit opgelegde verplichting van meet af aan objectief en volstrekt onuitvoerbaar was in de zin van de in punt 184 hierboven aangehaalde rechtspraak.

192 Bovendien heeft verzoekster, zoals zij zelf erkent in haar antwoord op de door het Gerecht op 2 april 2025 vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang, voldaan aan de uit het bestreden besluit voortvloeiende verplichting om de documenten van de Bolloré-groep te verstrekken aan de Commissie, waaruit blijkt dat zij het bestreden besluit kon uitvoeren. Verzoekster verklaart namelijk dat zij de Commissie alle gevraagde documenten heeft toegezonden, met uitzondering van documenten die die te beschouwen waren als vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt, vielen onder het journalistieke bronnengeheim of behoorden tot de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen.

193 De Commissie bevestigt dat verzoekster, gelet op de e-mail van haar raadslieden van 6 februari 2024 en het door die raadslieden ingediende begeleidende verslag, documenten van de Bolloré-groep heeft kunnen verzamelen en indienen, zodat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit met betrekking tot die documenten elk betoog dat erop gebaseerd is dat die uitvoering niet mogelijk is, zonder voorwerp maakt.

194 In dat verband moet worden vastgesteld dat beide partijen het erover eens zijn dat verzoekster, door te voldoen aan haar uit het bestreden besluit voortvloeiende verplichting om de Commissie ook de documenten van de Bolloré-groep te verstrekken, haar verplichting is nagekomen om actief mee te werken, zoals deze voortvloeit uit de in punt 186 hierboven aangehaalde rechtspraak.

195 Verzoekster stelt evenwel dat de „vrijwillige” overlegging door de Bolloré-groep van de in haar bezit zijnde documenten – die plaatsvond naar aanleiding van het besluit van 24 januari 2024 waarbij de Commissie haar een dwangsom had opgelegd en gezien het risico dat in geval van niet-nakoming van het bestreden besluit bij besluit nieuwe boeten en dwangsommen zouden worden opgelegd – niet relevant is voor de beoordeling van het vierde middel. Volgens verzoekster gaat het bij de beoordeling van dit middel uitsluitend om de vraag of het bij de vaststelling van het bestreden besluit voor haar onmogelijk was om aan de haar opgelegde verplichting te voldoen, en niet om de vraag of het volstrekt onmogelijk was dat de in de bestreden besluit bedoelde documenten zouden worden verstrekt als gevolg van bijvoorbeeld een gebeurtenis of een externe, eenzijdige en onzekere beslissing van een derde, waarover zij feitelijk noch rechtens enige zeggenschap had.

196 Vastgesteld moet worden dat het feit dat verzoekster heeft kunnen voldoen aan de uit het bestreden besluit voortvloeiende verplichting om de documenten van de Bolloré-groep te verzamelen en aan de Commissie te verstrekken, aantoont die verplichting niet van meet af aan objectief en volstrekt onuitvoerbaar was.

197 Zoals de Commissie erop wijst, kan volgens de rechtspraak de onmogelijkheid om een uit een besluit voortvloeiende verplichting na te komen, dat besluit niet ongeldig maken wanneer die onmogelijkheid pas in het stadium van de nakoming van die verplichting aan het licht komt. Uit de in punt 184 hierboven aangehaalde rechtspraak vloeit immers voort dat eventuele procesrechtelijke of andere moeilijkheden met betrekking tot de uitvoering van de bestreden handeling de wettigheid ervan niet kunnen beïnvloeden.

198 Bijgevolg moet samen met de Commissie worden vastgesteld dat, zelfs indien verzoekster geen documenten van de Bolloré-groep had kunnen verkrijgen, dat niet automatisch zou inhouden dat de uit het verzoek om inlichtingen voortvloeiende verplichting van meet af aan objectief en volstrekt onuitvoerbaar was in de zin van de in punt 184 hierboven aangehaalde rechtspraak.

199 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de uit het bestreden besluit voortvloeiende verplichting om aan de Commissie de documenten van de Bolloré-groep te vertrekken, van meet af aan objectief en volstrekt onuitvoerbaar was.

200 Aan die slotsom kan niet worden afgedaan door verzoeksters argument in punt 181 hierboven dat het bestreden besluit blijk geeft van misbruik van bevoegdheid doordat de doelstelling ervan is om indirect documenten van de Bolloré-groep te verkrijgen en die groep haar recht op effectieve rechterlijke bescherming te ontzeggen.

201 Dienaangaande zij erop gewezen dat volgens de rechtspraak schending van de rechten van de verdediging uit haar aard een subjectieve onregelmatigheid vormt die dus door de betrokken persoon zelf moet worden aangevoerd. Schending van een subjectief recht kan derhalve slechts worden aangevoerd door de persoon wiens recht zou zijn geschonden, en niet door derden [zie arrest van 4 mei 2022, CRIA en CCCMC/Commissie, T‑30/19, EU:T:2022:266, punten 87 en 88 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

202 Aldus moet worden vastgesteld dat verzoekster slechts procesbelang heeft om de eerbiediging van haar eigen procedurele rechten af te dwingen. Aangezien verzoekster geen procesbelang heeft om de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de Bolloré-groep af te dwingen, is de grief inzake schending van die rechten niet-ontvankelijk voor zover verzoekster deze grief indient (zie in die zin arrest van 12 mei 2011, Région Nord-Pas-de-Calais en Communauté d’agglomération du Douaisis/Commissie, T‑267/08 en T‑279/08, EU:T:2011:209, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

203 Hoe dan ook heeft verzoekster niet op basis van objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen aangetoond dat de Commissie haar bevoegdheden heeft gebruikt om een handeling vast te stellen voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend, aangezien zij op grond van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 alle nodige inlichtingen kan vragen ter vervulling van de haar bij die verordening opgedragen taken (zie punten 123 en 124 hierboven) en zij voorts op de datum van het bestreden besluit redelijkerwijs mocht aannemen dat de overlegging van de in het bezit van de Bolloré-groep zijnde documenten haar kon helpen om het bestaan van de vermoede inbreuken aan te tonen (zie punten 267‑269 hieronder).

204 Gelet op het voorgaande moet het vierde middel worden afgewezen.

Vijfde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

205 Het vijfde middel, waarmee verzoekster aanvoert dat het bestreden besluit het evenredigheidsbeginsel schendt, bestaat uit tweede onderdelen. Met het eerste onderdeel voert zij aan dat de gevraagde documenten geen verband houden met de vermoede inbreuk; met het tweede onderdeel betoogt zij dat het aan haar opgelegde bevel een onevenredige werklast meebrengt.

Opmerkingen vooraf

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken