HvJ EU 5 september 2024, C-256/23, ECLI:EU:C:2024:683

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

5 september 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 299 VWEU – Verordening (EG) nr. 1907/2006 – Registratie en beoordeling van en autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) – Artikel 94, lid 1 – Verordening (EG) nr. 340/2008 – Artikel 11, lid 3, tweede alinea en artikel 13, lid 4, derde alinea – Aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) te betalen vergoedingen – Voor registratie van een stof te betalen vergoeding – Lagere vergoeding voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) – Verificatie door ECHA van de verklaring inzake de omvang van de onderneming – Verzuim om bepaalde informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken – Besluit van ECHA om betaling van de volledige betrokken vergoeding te eisen en een vergoeding voor administratieve kosten op te leggen – Gedwongen tenuitvoerlegging – Mogelijkheid voor ECHA om zich tot de nationale rechter te wenden met een vordering tot betaling van die vergoeding voor administratieve kosten”

In de gevoegde zaken C‑256/23 en C‑290/23,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg (bestuursrechter in eerste aanleg Regensburg, Duitsland) (C‑256/23), en het Oberverwaltungsgericht des Landes Sachsen-Anhalt (hoogste bestuursrechter van de deelstaat Saksen-Anhalt, Duitsland) (C‑290/23), bij beslissingen van 11 april 2023 en 6 april 2023, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 20 april 2023 en 8 mei 2023, in de procedures

Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)

tegen

Hallertauer Hopfenveredelungsges. m.b.H.,

in tegenwoordigheid van:

Regierung von Niederbayern (C‑256/23),

en

Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)

tegen

B. GmbH (C‑290/23),

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, N. Wahl, J. Passer en M. L. Arastey Sahún, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 maart 2024,

gelet op de opmerkingen van:

– het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), vertegenwoordigd door F. Becker en M. Heikkilä als gemachtigden, bijgestaan door H. Tammert, Rechtsanwalt,

– Hallertauer Hopfenveredelungsges. m.b.H., vertegenwoordigd door K. Lüdtke, Rechtsanwältin,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Baroutas en M. Tassopoulou als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, J. Flett, P. Ortega Sánchez de Lerín en S. Romoli als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2024,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 299 VWEU, artikel 94, lid 1, van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB 2008, L 353, blz. 1) (hierna: „Reach-verordening”), artikel 11, lid 3, tweede alinea, en artikel 13, lid 4, derde alinea, van verordening (EG) nr. 340/2008 van de Commissie van 16 april 2008 betreffende de aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen te betalen vergoedingen krachtens [de Reach-verordening] (PB 2008, L 107, blz. 6).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen, in zaak C‑256/23, het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en Hallertauer Hopfenveredelungsges. m.b.H. (hierna: „Hallertauer”), en in zaak C‑290/23, ECHA en B. GmbH, over de invordering door ECHA van een vergoeding voor administratieve kosten die deze vennootschappen verschuldigd zouden zijn naar aanleiding van de indiening bij dit agentschap van de Europese Unie van een aanvraag tot registratie van een chemische stof op grond van de Reach-verordening, nadat in een besluit van dat agentschap van de Unie is vastgesteld dat zij geen recht hadden op de lagere vergoeding voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) waarop zij aanspraak hadden gemaakt bij de indiening van hun aanvraag.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Reach-verordening

3 Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de Reach-verordening moeten fabrikanten en importeurs die chemische stoffen in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar vervaardigen of invoeren, bij ECHA een aanvraag tot registratie indienen voor die stoffen. Artikel 6, lid 4, van die verordening bepaalt dat bij de indiening van een aanvraag tot registratie de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding wordt betaald.

4 Artikel 20, leden 2 en 5, van die verordening, luidt als volgt: „2. [ECHA] controleert elke registratie op volledigheid, om zich ervan te vergewissen dat alle […] elementen, alsmede de in artikel 6, lid 4, […] bedoelde registratievergoeding, zijn verstrekt. De controle op volledigheid omvat geen beoordeling van de kwaliteit of de geschiktheid van de ingediende gegevens of motiveringen. [ECHA] voert de controle op volledigheid uit binnen drie weken na de indieningsdatum, […]. Indien een registratie onvolledig is, deelt [ECHA] de registrant vóór het verstrijken van de in de tweede alinea bedoelde termijn van drie weken […] mee welke nadere informatie vereist is om de registratie aan te vullen, waarbij een redelijke uiterste termijn wordt vermeld. De registrant past zijn registratie aan en dient deze binnen de gestelde termijn bij [ECHA] in. [ECHA] stuurt de registrant een bevestiging van de datum van indiening van de nadere informatie. [ECHA] voert opnieuw een controle op volledigheid uit, waarbij de ingediende nadere informatie in aanmerking wordt genomen. [ECHA] wijst de registratie af indien de registrant zijn registratie niet binnen de gestelde termijn aanvult. De registratievergoeding wordt in dergelijke gevallen niet terugbetaald. […] 5. Tegen de besluiten van [ECHA] overeenkomstig lid 2 van dit artikel kan overeenkomstig de artikelen 91, 92 en 93 beroep worden ingesteld.”

5 In titel IX van die verordening bepaalt artikel 74, met als opschrift „Vergoedingen”, het volgende: „1. De krachtens artikel 6, lid 4, […] vereiste vergoedingen worden vastgesteld in een verordening van de [Europese] Commissie die [uiterlijk] 1 juni 2008 volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure wordt aangenomen. […] 3. De structuur en de hoogte van de in lid 1 bedoelde vergoedingen worden zo bepaald dat rekening wordt gehouden met de in het kader van deze verordening vereiste werklast voor [ECHA] en de bevoegde instantie, en de opbrengsten ervan in combinatie met andere inkomstenbronnen van [ECHA] overeenkomstig artikel 96, lid 1, toereikend zijn om de kosten van de verrichte diensten te dekken. […] […] In alle gevallen wordt er een lagere vergoeding voor kleine en middelgrote ondernemingen vastgesteld. […] 4. In de in lid 1 bedoelde verordening is bepaald in welke omstandigheden een deel van de vergoedingen aan de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat wordt overgedragen. 5. [ECHA] kan kosten aanrekenen voor de andere van zijn geleverde diensten.”

6 De artikelen 91 tot en met 93 van de Reach-verordening hebben betrekking op beroepen tegen besluiten van ECHA bij de kamer van beroep van dat agentschap, zoals de besluiten tot weigering van registratie als bedoeld in artikel 20, lid 2, van die verordening.

7 Artikel 94 van de Reach-verordening, met als opschrift „Beroep bij het [Gerecht] en het [Hof]”, bepaalt in lid 1: „Tegen beslissingen van de kamer van beroep of, bij ontbreken van recht op beroep bij de kamer, tegen beslissingen van [ECHA], kan bij het [Gerecht] of het [Hof] beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel [263 VWEU].”

Verordening nr. 340/2008

8 Artikel 3 van verordening nr. 340/2008, met als opschrift „Vergoedingen voor registraties ingediend krachtens de artikelen 6, 7 of 11 van [de Reach-verordening]”, bepaalt: „1. [ECHA] brengt een vergoeding in rekening, zoals bepaald in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel, voor elke registratie van een stof krachtens de artikelen 6, 7 of 11 van [de Reach-verordening]. […] 4. Wanneer de registrant een kmo is, brengt [ECHA] een lagere vergoeding in rekening, […]. […] 6. Wanneer de betaling niet voor het verstrijken van de in lid 5 genoemde termijn is verricht, stelt [ECHA] een tweede betalingstermijn vast. Wanneer de betaling niet voor het verstrijken van de tweede termijn wordt verricht, wordt de registratie afgewezen. […]”

9 Artikel 11 van die verordening, met als opschrift „Andere te betalen vergoedingen”, bepaalt: „1. Een vergoeding kan in rekening worden gebracht voor op verzoek door [ECHA] verrichte administratieve en technische diensten die niet onder andere in deze verordening vastgestelde vergoedingen vallen. Bij de hoogte van de vergoeding wordt de omvang van de werkzaamheden in aanmerking genomen. […] 2. De vergoedingen voor administratieve dienstverrichting moeten worden betaald binnen 30 kalenderdagen nadat [ECHA] de factuur heeft verzonden. 3. Wanneer de betaling niet voor het verstrijken van de in lid 2 genoemde termijn is verricht, stelt [ECHA] een tweede betalingstermijn vast. Wanneer de betaling niet voor het verstrijken van de tweede termijn wordt verricht, wijst [ECHA] het verzoek af. […] 5. De raad van bestuur stelt een lijst van de diensten en bijbehorende vergoedingen op en stelt deze vast nadat de Commissie hierover een gunstig advies heeft uitgebracht.”

10 Artikel 13 van die verordening, met als opschrift „Lagere vergoedingen en vrijstelling”, luidt als volgt: „1. Een natuurlijke of rechtspersoon die aanspraak maakt op een lagere vergoeding krachtens de artikelen 3 tot en met 10, stelt [ECHA] hiervan in kennis bij de indiening van de registratie, de aanpassing van de registratie, het verzoek, de kennisgeving, het herbeoordelingsverslag, de aanvraag of het beroep waarvoor de vergoeding moet worden betaald. […] 3. [ECHA] kan te allen tijde om bewijsstukken verzoeken ter staving dat aan de voorwaarden voor een lagere vergoeding of vrijstelling van vergoeding is voldaan. 4. Wanneer een natuurlijke of rechtspersoon die aanspraak maakt op een lagere vergoeding of een vrijstelling van vergoeding, zijn recht op verlaging of vrijstelling niet kan aantonen, brengt [ECHA] de volledige vergoeding in rekening, vermeerderd met een vergoeding voor administratieve kosten. Wanneer een natuurlijke of rechtspersoon die aanspraak heeft gemaakt op een lagere vergoeding, deze reeds heeft betaald, doch het recht daarop niet kan aantonen, brengt [ECHA] de rest van de volledige vergoeding in rekening, vermeerderd met een vergoeding voor administratieve kosten. Artikel 11, leden 2, 3 en 5, is van overeenkomstige toepassing.”

Duits recht

11 § 40, lid 1, van de Verwaltungsgerichtsordnung (wetboek van bestuursprocesrecht) van 21 januari 1960 (BGBl. 1960 I, blz. 17), in de op 19 maart 1991 gepubliceerde versie (BGBl. 1991 I, blz. 686), zoals gewijzigd bij artikel 1 van het Gesetz zur Beschleunigung von verwaltungsgerichtlichen Verfahren im Infrastrukturbereich (wet tot versnelling van bestuursrechtelijke procedures op het gebied van infrastructuur) van 14 maart 2023 (BGBl. 2023 I nr. 71; hierna: „VwGO”), luidt als volgt: „Een beroep op de bestuursrechter is mogelijk in alle publiekrechtelijke geschillen van niet-constitutionele aard, tenzij de geschillen door het federale recht uitdrukkelijk aan een andere rechterlijke instantie zijn toegewezen; publiekrechtelijke geschillen op het gebied van het recht van de deelstaten kunnen ook krachtens het recht van de betrokken deelstaat aan een andere rechterlijke instantie worden toegewezen.”

12 § 167 VwGO bepaalt in lid 1: „Tenzij in deze wet anders is bepaald, is het achtste boek van de Zivilprozessordnung [(Duits wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: ‚ZPO’)] van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging. De voor de tenuitvoerlegging bevoegde rechter is de rechter van eerste aanleg.”

13 § 753 ZPO, in de op 5 december 2005 gepubliceerde versie (BGBl. 2005 I, blz. 3202), zoals gewijzigd bij artikel 19 van het Gesetz zur Umsetzung der Umwandlungsrichtlinie und zur Änderung weiterer Gesetze (wet tot omzetting van de richtlijn met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen) van 22 februari 2023 (BGBl. 2023 I, nr. 51), bepaalt in lid 1: „Tenzij de tenuitvoerlegging aan de rechterlijke instanties is opgedragen, wordt zij uitgevoerd door gerechtsdeurwaarders die deze in opdracht van de schuldeiser uitvoeren.”

14 § 764 ZPO bepaalt: „(1) Het opleggen van en meewerken aan tenuitvoerleggingshandelingen behoren tot de bevoegdheid van het Amtsgericht [(rechter van eerste aanleg, Duitsland)] als voor de tenuitvoerlegging bevoegde rechter. (2) Tenzij de wet een andere rechter van eerste aanleg aanwijst, is de voor de tenuitvoerlegging bevoegde rechter de rechter van eerste aanleg in wiens arrondissement de tenuitvoerleggingsprocedure plaatsvindt of heeft plaatsgevonden. (3) De beslissingen van de voor de tenuitvoerlegging bevoegde rechter worden bij beschikking gegeven.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑256/23

15 Op 16 november 2010 heeft Hallertauer bij ECHA een aanvraag tot registratie van een chemische stof ingediend, waarbij die onderneming zich beriep op de hoedanigheid van kmo en meer in het bijzonder op de hoedanigheid van „micro-onderneming” in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB 2003, L 124, blz. 36; hierna: „aanbeveling 2003/361”), teneinde in aanmerking te komen voor een lagere registratievergoeding.

16 In de loop van 2013 heeft ECHA de door die vennootschap verschafte informatie met betrekking tot de omvang van de betrokken onderneming getoetst. In dat verband heeft dat agentschap haar bij brief van 31 mei 2013 meegedeeld dat kmo’s inderdaad in aanmerking komen voor een lagere vergoeding voor kosten, maar dat zij daartoe bewijzen betreffende de omvang van de betrokken onderneming moeten overleggen, en dat een verlaging uitgesloten was zonder de overlegging van dergelijke bewijzen binnen de gestelde termijnen.

17 Op 20 november 2013 heeft ECHA besluit SME(2013) 4439 (hierna: „in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA”) vastgesteld en ter kennis gebracht aan Hallertauer. In dat besluit heeft ECHA vastgesteld dat die vennootschap geen aanspraak kon maken op een lagere vergoeding omdat zij geen bewijzen had verschaft om aan te tonen dat zij een „micro-onderneming” was, en dat haar bijgevolg een bedrag van 9950 EUR als vergoeding voor administratieve kosten in rekening moest worden gebracht. Dat besluit bevatte tevens informatie over de rechtsmiddelen, waaruit bleek dat die onderneming binnen twee maanden na de kennisgeving van dat besluit beroep kon instellen bij het Gerecht van de Europese Unie om dat besluit aan te vechten.

18 Bij brief van 22 november 2013 heeft ECHA aan Hallertauer de factuur toegezonden voor de betaling van de vergoeding voor administratieve kosten, te voldoen op 22 december 2013.

19 Op 22 december 2013 heeft ECHA Hallertauer een herinneringsbrief gestuurd waarin de vervaldatum voor deze factuur werd vastgesteld op 20 februari 2014.

20 Hallertauer heeft die vergoeding voor administratieve kosten niet betaald en heeft evenmin binnen de gestelde termijn beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht tegen het in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA.

21 Op 15 mei 2019 heeft ECHA bij het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg (bestuursrechter in eerste aanleg Regensburg, Duitsland), de verwijzende rechter in zaak C‑256/23, een vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van Hallertauer tot betaling van een bedrag van 9950 EUR, zoals vastgesteld in het in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA.

22 De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af of de rechterlijke instanties van de lidstaten bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering van een agentschap van de Unie zoals ECHA waarmee wordt verzocht om tenuitvoerlegging van een geldelijke verplichting die is opgelegd bij een besluit waartegen geen beroep meer openstaat bij de Unierechter, zoals het in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA.

23 Die rechter merkt op dat naar Duits recht een rechter zich alleen over de gegrondheid van een vordering mag uitspreken wanneer die valt onder de bevoegdheid van de tak van de rechterlijke macht waartoe hij behoort. Wat de bevoegdheid betreft van de bestuursrechtelijke tak van de rechterlijke macht waartoe de verwijzende rechter behoort, rijst de vraag of het bij de in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 ingestelde vordering gaat om een – tot de bevoegdheid van de bestuursrechter behorend – „niet-grondwettelijk publiekrechtelijk geschil” in de zin van § 40, lid 1, eerste volzin, VwGO.

24 De bevoegdheid van de Duitse bestuursrechter om kennis te nemen van een tenuitvoerleggingsprocedure als die in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 – die niet tot doel heeft een beslissing ten gronde over een schuldvordering te verkrijgen – wordt echter uitsluitend beheerst door § 167 VwGO, dat als lex specialis voorrang heeft op de algemene regel van § 40, lid 1, eerste volzin, VwGO. § 167 veronderstelt evenwel dat de executoriale titel het resultaat is van een gerechtelijke procedure, een voorwaarde waaraan in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 niet is voldaan.

25 Aldus rijst de vraag of de in dat geding ingestelde vordering valt onder de in artikel 94, lid 1, van de Reach-verordening bedoelde bijzondere bevoegdheid van de Unierechter, en dus buiten de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten.

26 De verwijzende rechter is het veeleer eens met de stelling van verweerster in het hoofdgeding dat die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de Unierechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van een handeling van Unierecht.

27 Om te beginnen is een onderscheid tussen enerzijds de vaststelling van een vergoeding voor administratieve kosten en anderzijds de invordering ervan immers kunstmatig en weinig voor de hand liggend aangezien die bepaling tot doel heeft het bestuurlijk handelen van verzoekster in het hoofdgeding als orgaan van de Unie aan een volledig toezicht te onderwerpen.

28 Vervolgens vormt een geval als dat in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 een rechtstreekse uitvoering van het Unierecht door een agentschap van de Unie in de vorm van de vaststelling van een besluit waarbij financiële verplichtingen worden opgelegd. De Duitse rechterlijke instanties zijn echter slechts bevoegd in geval van indirecte uitvoering van het Unierecht waarbij sprake is van een overheidshandeling van de betrokken nationale autoriteiten. Daarom is het passend om besluiten die deel uitmaken van het overheidshandelen van een agentschap van de Unie volledig onder het toezicht van de rechterlijke instanties van de Unie te laten vallen.

29 Ten slotte moet de Unierechter met het oog op het waarborgen van een uniforme toepassing van het recht binnen de Unie, niet alleen toezicht kunnen uitoefenen op de schorsing van de tenuitvoerlegging van een handeling van de Unie – zoals is geregeld in artikel 299, vierde alinea, VWEU – maar ook – onder voorbehoud van hetgeen is bepaald in artikel 299, vierde alinea, tweede volzin – op de gehele tenuitvoerleggingsprocedure van een dergelijke handeling.

30 Mocht het Hof oordelen dat artikel 94, lid 1, van de Reach-verordening niet van toepassing is op een invorderingsprocedure zoals die welke in het hoofdgeding is ingeleid, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af of het in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA een executoriale titel in de zin van artikel 299, eerste alinea, VWEU vormt.

31 Dienaangaande is de verwijzende rechter van oordeel dat het niet uitgesloten is dat artikel 299, eerste alinea, VWEU, gelet op de plaats ervan in de opzet van het VWEU en op het voorwerp en het doel ervan, ruim moet worden uitgelegd zodat het ook betrekking heeft op handelingen die financiële verplichtingen inhouden die zijn vastgesteld door agentschappen van de Unie zoals ECHA.

32 Een dergelijke uitlegging vindt bovendien steun in het feit dat noch de Reach-verordening, noch verordening nr. 340/2008 specifieke regels inzake gedwongen tenuitvoerlegging bevatten. Aangezien ECHA bevoegd is om vergoedingen en vergoedingen voor administratieve kosten te innen, moet het over de nodige middelen beschikken om besluiten tot oplegging van die vergoeding ten uitvoer te leggen.

33 Indien het Hof oordeelt dat het in het hoofdgeding in zaak C‑256/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA binnen de werkingssfeer van de eerste alinea van artikel 299 VWEU valt, wenst de verwijzende rechter in de derde plaats te vernemen of de verwijzing in de tweede alinea van dat artikel 299 naar de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindt, moet worden opgevat als een „volledige verwijzing” die ook ziet op de bevoegdheidsregels van het bevoegde uitvoeringsorgaan.

34 Tegen deze achtergrond heeft het Bayerische Verwaltungsgericht Regensburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 94, lid 1, van [de Reach-verordening] op grond waarvan bij het [Gerecht] beroep kan worden ingesteld tegen de besluiten van [ECHA] aldus worden uitgelegd dat ook ter zake van de tenuitvoerlegging van besluiten van [ECHA] beroep kan worden ingesteld? 2) Voor zover de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord: moet artikel 299, eerste alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat het niet alleen van toepassing is op besluiten van de Raad [van de Europese Unie], de Commissie of de Europese Centrale Bank [(ECB)], maar ook op besluiten van [ECHA] waarbij een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd? 3) Voor zover de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord: moet artikel 299, tweede alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat de verwijzing naar de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering van de lidstaat niet alleen betrekking heeft op de procedureregels, maar ook op bevoegdheidsregels?”

Zaak C‑290/23

35 In 2010 heeft B. een registratiedossier uit hoofde van de Reach-verordening ingediend en daarbij aangegeven dat zij een middelgrote onderneming was in de zin van aanbeveling 2003/361.

36 Aangezien die vennootschap daartoe binnen de gestelde termijnen niet de nodige bewijzen had overgelegd, heeft ECHA op 9 augustus 2016 besluit SME(2016) 3729 vastgesteld (hierna: „in het hoofdgeding in zaak C‑290/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA”).

37 In dat besluit heeft ECHA vastgesteld dat B. niet in aanmerking kwam voor de lagere vergoeding voor kleine en middelgrote ondernemingen en dat zij dus krachtens artikel 13, lid 4, van verordening nr. 340/2008 het verschil moest betalen tussen de reeds betaalde vergoeding en de door grote ondernemingen verschuldigde vergoeding, en dus een vergoeding voor administratieve kosten voor een bedrag van 17437 EUR. In dat besluit werd informatie verschaft over de rechtsmiddelen, waaruit bleek dat overeenkomstig artikel 94, lid 1, van de Reach-verordening juncto artikel 263 VWEU binnen twee maanden na ontvangst van dat besluit beroep bij het Gerecht kon worden ingesteld om de wettigheid ervan te laten nagaan.

38 B. heeft binnen de gestelde termijn geen beroep ingesteld bij het Gerecht tegen het in het hoofdgeding in zaak C‑290/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA en heeft evenmin het in dat besluit gevorderde bedrag betaald, ondanks meerdere herinneringsbrieven van ECHA.

39 ECHA heeft bij het Verwaltungsgericht Halle (bestuursrechter in eerste aanleg Halle, Duitsland) een vordering ingesteld tot veroordeling van B. tot betaling van het bedrag van 17437 EUR zoals vastgesteld in het in het hoofdgeding in zaak C‑290/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA.

40 Die rechter heeft die vordering niet-ontvankelijk verklaard, in wezen op grond dat er – anders dan ECHA had aangevoerd – op grond van § 40 VwGO geen bestuursrechtelijke rechtsgang bestond.

41 Het Oberverwaltungsgericht des Landes Sachsen-Anhalt (hoogste bestuursrechter van de deelstaat Saksen-Anhalt, Duitsland), de verwijzende rechter in zaak C‑290/23, waarbij hoger beroep tegen het vonnis van het Verwaltungsgericht Halle is ingesteld, is in de eerste plaats van oordeel dat, anders dan in dat vonnis wordt verklaard, de vordering niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond dat het in § 40, lid 1, VwGO bedoelde rechtsmiddel niet openstaat bij gebreke van een rechtshandeling van een Duitse overheidsinstantie.

42 Aangezien de rechterlijke instanties van de Unie overeenkomstig de artikelen 256 en volgende VWEU niet bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van een publiekrechtelijke schuldvordering van een orgaan van de Unie, zijn het de nationale rechterlijke instanties die krachtens artikel 274 VWEU bevoegd zijn om die vorderingen te onderzoeken.

43 Artikel 94, lid 1, van de Reach-verordening voorziet niet in de bevoegdheid van de Unierechter om kennis te nemen van dergelijke vorderingen, aangezien die bepaling volgens de bewoordingen ervan alleen van toepassing is indien die rechter bevoegd is overeenkomstig artikel 263 VWEU. Dat is echter niet het geval bij die vorderingen, aangezien zij strekken tot de uitvoering van geldelijke verplichtingen en niet tot de nietigverklaring van een handeling van de Unie.

44 In de tweede plaats rijst volgens de verwijzende rechter de vraag of het in het hoofdgeding in zaak C‑290/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA waarbij overeenkomstig artikel 13, lid 4, van verordening nr. 340/2008 een vergoeding voor administratieve kosten is opgelegd, een executoriale titel vormt. Dat zou het geval zijn indien dat besluit valt binnen de werkingssfeer van artikel 299 VWEU zoals die is omschreven in de eerste alinea van dat artikel.

45 De verwijzende rechter is in dit verband van oordeel dat twijfel kan bestaan over de toepasselijkheid van artikel 299 VWEU op een besluit als het in het hoofdgeding in zaak C‑290/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA.

46 In de derde en laatste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of, indien komt vast te staan dat het in het hoofdgeding in zaak C‑290/23 aan de orde zijnde besluit van ECHA niet binnen de werkingssfeer van artikel 299 VWEU valt, artikel 13, lid 4, derde alinea, juncto artikel 11, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 340/2008 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering van ECHA tot tenuitvoerlegging van een verplichting tot betaling van een vergoeding voor administratieve kosten moet worden uitgesloten.

47 Volgens die rechter kunnen die bepalingen van verordening nr. 340/2008, in hun onderlinge samenhang gelezen aldus worden uitgelegd dat wanneer een vergoeding of een vergoeding voor administratieve kosten niet betaald is vóór het verstrijken van de tweede door ECHA vastgestelde termijn, het enige gevolg waarin deze verordening voorziet, de afwijzing is van de aanvraag tot registratie van de betrokken chemische stof, en dat de Uniewetgever aldus een vordering bij de nationale rechterlijke instanties ter tenuitvoerlegging van het besluit waarbij een vergoeding voor administratieve kosten wordt opgelegd, heeft willen uitsluiten.

48 Tegen deze achtergrond heeft het Oberverwaltungsgericht des Landes Sachsen-Anhalt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 299, eerste alinea, [VWEU] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling uitsluitend van toepassing is op besluiten van de Raad, de Commissie of de [ECB] of dat zij ook geldt voor besluiten van [ECHA] waarbij een vergoeding voor administratieve kosten in de zin van artikel 13, lid 4, van verordening nr. 340/2008 ter uitvoering van de Reach-verordening in rekening wordt gebracht? 2) Indien het besluit van [ECHA] waarbij een dergelijke vergoeding voor administratieve kosten in rekening wordt gebracht, geen executoriale titel [in de zin van artikel 299, eerste alinea, VWEU] vormt: moet artikel 13, lid 4, derde alinea, gelezen in samenhang met artikel 11, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 340/2008 dan aldus worden uitgelegd dat het niet mogelijk is om een vordering tot tenuitvoerlegging in te stellen die strekt tot betaling van de vergoeding voor administratieve kosten?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag in zaak C‑256/23

49 Met zijn eerste vraag in zaak C‑256/23, die in de eerste plaats moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in die zaak in wezen te vernemen of artikel 94, lid 1, van de Reach-verordening aldus moet worden uitgelegd dat ECHA zich tot de Unierechter kan wenden met een vordering tot uitvoering van een geldelijke verplichting die aan een persoon is opgelegd bij een besluit van dat agentschap.

50 Aangezien er krachtens de artikelen 91 tot en met 93 van de Reach-verordening geen recht van beroep bij de kamer van beroep van ECHA bestaat met betrekking tot de betwisting van besluiten van dit agentschap tot vaststelling van geldelijke verplichtingen in verband met de registratie van een chemische stof, vereist deze vraag dat wordt onderzocht of een vordering tot uitvoering van een geldelijke verplichting, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is in zaak C‑256/23, een betwisting vormt van een „besluit van ECHA” in de zin van artikel 94, lid 1, van die verordening, die overeenkomstig artikel 263 VWEU bij de Unierechter aanhangig kan worden gemaakt.

51 Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld dat artikel 94, lid 1, van de Reach-verordening, waarin wordt verwezen naar de bij artikel 263 VWEU aan de Unierechter verleende bevoegdheid, een declaratoir karakter heeft en die bevoegdheid niet kan verruimen.

52 In deze context zij eraan herinnerd dat het beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU op algemene wijze openstaat tegen alle handelingen van de instellingen van de Unie, ongeacht hun aard of vorm, die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen welke de verzoeker in zijn belangen kunnen raken doordat diens rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd (arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Europese Commissie,C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 De in artikel 263 VWEU bedoelde rechterlijke bevoegdheid heeft met name betrekking op de toetsing door de Unierechter van de „wettigheid” van „handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd”.

54 In het bijzonder kan een natuurlijke of rechtspersoon krachtens artikel 263 VWEU beroep instellen tot nietigverklaring van een besluit van ECHA waarbij hem een geldelijke verplichting is opgelegd in verband met zijn aanvraag tot registratie van een chemische stof uit hoofde van de Reach-verordening, aangezien een dergelijk besluit een handeling is die rechtsgevolgen beoogt teweeg te brengen ten aanzien van derden en die tot die persoon is gericht.

55 In casu staat vast dat de betrokken vennootschappen in de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde besluiten van ECHA uitdrukkelijk in kennis zijn gesteld van hun recht om bij het Gerecht beroep in te stellen tegen het tot hen gerichte besluit, maar dat zij dit recht van beroep niet hebben uitgeoefend binnen de in artikel 263, zesde alinea, VWEU bepaalde termijn van twee maanden.

56 Bovendien bepaalt artikel 263, vijfde alinea, VWEU inderdaad dat de handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd.

57 Dit neemt niet weg dat, ten eerste, zaak C‑256/23 een beroep betreft dat is ingesteld door een agentschap van de Unie tegen een rechtspersoon en, ten tweede, de Uniewetgever op basis daarvan de in artikel 263 VWEU bedoelde bevoegdheid hoe dan ook niet kan uitbreiden tot het onderzoek van vorderingen tot uitvoering van geldelijke verplichtingen die bij dergelijke handelingen van organen of instanties zijn opgelegd, aangezien die wetgever daarmee niet voorziet in „bijzondere voorwaarden en bepalingen” voor de in dat artikel bedoelde beroepen, maar een nieuw rechtsmiddel in het leven roept waarin het VWEU niet voorziet.

58 Zou de Unierechter zich bevoegd achten om kennis te nemen van beroepen van organen of instanties van de Unie die strekken tot de uitvoering van geldelijke verplichtingen, dan zou namelijk het gevaar bestaan dat hij de grenzen van zijn rechterlijke bevoegdheid overschrijdt, zoals die zijn getrokken door artikel 274 VWEU, waarbij de gemeenrechtelijke bevoegdheid inzake geschillen waarin de Unie partij is, aan de nationale rechterlijke instanties wordt toegekend (zie naar analogie arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Europese Commissie,C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Evenzo kan de Uniewetgever door de vaststelling van een handeling van afgeleid recht geen rechtsmiddel in het leven roepen waarin het VWEU niet voorziet, aangezien dat Verdrag een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures heeft vastgesteld waarbij aan de Unierechter het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen (arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad,C‑50/00 P, EU:C:2002:462, punt 40).

60 Een uitbreiding van de in artikel 263 VWEU bedoelde bevoegdheid tot het onderzoek van vorderingen tot uitvoering van geldelijke verplichtingen zou derhalve onverenigbaar zijn met het fundamentele kenmerk van het in die bepaling bedoelde beroep tot nietigverklaring, dat er namelijk toe strekt de wettigheid van de betrokken handeling te betwisten, en dus in strijd zijn met het primaire Unierecht.

61 Aangezien de Unierechter niet bevoegd is om kennis te nemen van een beroep van ECHA dat ertoe strekt de kosten in verband met de registratie van een chemische stof op basis van artikel 263 VWEU in te vorderen, en geen enkele andere bepaling van primair Unierecht die rechter een dergelijke bevoegdheid verleent, vloeit in die omstandigheden uit artikel 274 VWEU voort dat een dergelijk beroep is voorbehouden aan de nationale rechterlijke instanties die de gemeenrechtelijke bevoegdheid hebben om kennis te nemen van geschillen waarin de Unie partij is (zie naar analogie arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Europese Commissie,C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 De tegenovergestelde stelling van Hallertauer voor de verwijzende rechter kan niet worden aanvaard.

63 Los van de vraag of het in de praktijk – om redenen van doeltreffendheid – opportuun zou zijn dat de Unierechter zich niet alleen buigt over de wettigheid van de handelingen van ECHA, maar zich ook uitspreekt over de uitvoering van de geldelijke verplichtingen welke bij deze handelingen worden opgelegd, blijkt uit punt 59 van het onderhavige arrest immers dat hier kennelijk geen sprake van is in het kader van het stelsel van rechtsmiddelen en procedures waarin het VWEU thans voorziet.

64 Een dergelijke rechterlijke bevoegdheid is overigens niet onontbeerlijk om de uniforme toepassing van het Unierecht te verzekeren, aangezien met betrekking tot de wettigheid van de betrokken handelingen bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, en vragen over de uitlegging van het Unierecht die een vordering tot tenuitvoerlegging van die handelingen voor de nationale rechterlijke instanties met zich mee zou kunnen brengen, krachtens artikel 267 VWEU kunnen, en in voorkomend geval, moeten worden gesteld aan het Hof.

65 Ten slotte is het feit dat er in casu sprake is van een geval van rechtstreekse uitvoering van het Unierecht door een agentschap van de Unie in de vorm van het opleggen van een geldelijke verplichting, irrelevant voor de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties, gelet op het stelsel van rechtsmiddelen en procedures zoals dat thans is neergelegd in het VWEU, in het bijzonder in artikel 274 daarvan.

66 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag in zaak C‑256/23 te worden geantwoord dat artikel 94, lid 1, van de Reach-verordening aldus moet worden uitgelegd dat ECHA zich niet tot de Unierechter kan wenden met een vordering tot uitvoering van een geldelijke verplichting die aan een persoon is opgelegd bij een besluit van dit agentschap.

Tweede vraag in zaak C‑256/23 en eerste vraag in zaak C‑290/23

67 Met de tweede vraag in zaak C‑256/23 en de eerste vraag in zaak C‑290/23, die in de tweede plaats en samen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in die zaken in wezen te vernemen of artikel 299, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een besluit van ECHA dat voor een persoon een geldelijke verplichting inhoudt in verband met de registratie van een chemische stof bij dat agentschap, een executoriale titel in de zin van die bepaling vormt.

68 Volgens artikel 299, eerste alinea, VWEU, vormen de besluiten van de Raad, de Commissie of de ECB welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, een executoriale titel.

69 Uit die bepaling volgt dat die handelingen het voorwerp van een gedwongen tenuitvoerlegging kunnen zijn tegen de natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, waartegen zij zijn gericht (zie arrest van 9 november 2017, Dimos Zagoriou,C‑217/16, EU:C:2017:841, punt 29).

70 Aangezien uit de bewoordingen van artikel 299, eerste alinea, VWEU blijkt dat de daarin vervatte opsomming kennelijk uitputtend is en deze bepaling niet vatbaar is voor een ruime uitlegging, in het bijzonder gelet op het feit dat zij ertoe strekt een overheidsbevoegdheid toe te kennen, moet worden vastgesteld dat noch de handelingen van instellingen van de Unie die niet in die opsomming voorkomen, noch de handelingen van organen of instanties van de Unie – waaronder ECHA –, ook wanneer ze een geldelijke verplichting inhouden voor personen met uitzondering van staten, een executoriale titel in de zin van die bepaling vormen en dus het voorwerp kunnen uitmaken van een gedwongen tenuitvoerlegging op grond van artikel 299 VWEU volgens de daarin bepaalde voorwaarden.

71 Zoals de advocaat-generaal in de punten 48 tot en met 50 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, wordt het uitputtende karakter van die opsomming ook bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van artikel 299 VWEU, in het bijzonder door het feit dat de opstellers van het Verdrag van Lissabon in het kader van dat wijzigingsverdrag enkel een verwijzing naar de ECB in die opsomming hebben toegevoegd en geen andere instellingen, organen of instanties van de Unie in die opsomming hebben opgenomen.

72 Voorts moet worden opgemerkt dat de Reach-verordening geen bepalingen bevat over de gedwongen tenuitvoerlegging van besluiten van ECHA zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn.

73 Daarentegen bevatten meerdere verordeningen tot oprichting van organen of instanties van de Unie – zoals ook de advocaat-generaal in de punten 65 tot en met 67 van haar conclusie heeft opgemerkt – wel bepalingen inzake de uitvoering van besluiten van die entiteiten, met name inzake de kosten voor registratieprocedures, die in wezen identiek zijn aan die van artikel 299 VWEU.

74 Dit geldt onder meer voor artikel 110 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), met als opschrift „Tenuitvoerlegging van beslissingen tot vaststelling van de kosten”, waarvan lid 1 bepaalt dat iedere onherroepelijke beslissing van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) tot vaststelling van de kosten, een executoriale titel vormt, en waarvan de leden 2 tot en met 4 voorschriften bevatten die in wezen identiek zijn aan die van artikel 299, tweede tot en met vierde alinea, VWEU.

75 Evenzo bepaalt artikel 41, lid 3, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), in de eerste alinea dat de geldboeten en dwangsommen die door de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (GAR) krachtens de artikelen 38 en 39 van die verordening zijn opgelegd, afdwingbaar zijn, en bevatten de tweede tot en met de vierde alinea van dat lid 3 bepalingen die in wezen identiek zijn aan die van artikel 299, tweede tot en met vierde alinea, VWEU.

76 Daarentegen moet, wat in het bijzonder de invordering van kosten en lasten betreft, worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 69 en 70 van haar conclusie, bepaalde verordeningen tot oprichting van een orgaan of instantie van de Unie, zoals verordening (EG) nr. 297/95 van de Raad van 10 februari 1995 inzake de vergoedingen die aan het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling moeten worden betaald (PB 1995, L 35, blz. 1), en een groot aantal verordeningen van de Commissie waarbij zij bepaalde van haar eigen bevoegdheden aan reeds opgerichte agentschappen van de Unie delegeert, geen specifieke regels bevatten inzake de tenuitvoerlegging van de door die agentschappen vastgestelde handelingen, die zijn opgesteld naar het voorbeeld van de regels in artikel 299 VWEU.

77 Hieruit volgt dat, wat ECHA betreft, moet worden geoordeeld dat de Uniewetgever in de Reach-verordening bewust geen regels heeft opgenomen met betrekking tot de gedwongen tenuitvoerlegging van de besluiten van het betrokken agentschap zoals die welke in artikel 299 VWEU zijn opgenomen voor de in de eerste alinea van dat artikel bedoelde handelingen van de instellingen van de Unie.

78 Tevens dient te worden opgemerkt dat artikel 100, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1), inderdaad bepaalt dat onder bepaalde voorwaarden en in „uitzonderlijke omstandigheden”, „andere instellingen van de Unie” de Commissie kunnen verzoeken om een uitvoerbaar besluit ten behoeve van hen goed te keuren.

79 Nog los van de vraag of ECHA deze mogelijkheid heeft, moet echter hoe dan ook worden vastgesteld dat die beperkt is tot schuldvorderingen die verband houden met personeelsleden dan wel leden of voormalige leden van de betrokken instelling en dus geen betrekking heeft op andere soorten schuldvorderingen zoals de schuldvorderingen van ECHA die in de hoofdgedingen aan de orde zijn en betrekking hebben op de invordering van vergoedingen voor administratieve kosten ten laste van particuliere marktdeelnemers.

80 Zoals de advocaat-generaal in de punten 63 en 64 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, lijkt de aldus aan bepaalde andere instellingen van de Unie dan die bedoeld in artikel 299, eerste alinea, VWEU geboden mogelijkheid om zich een executoriale titel te verschaffen, bovendien steun te bieden aan het standpunt dat deze bepaling zodanig moet worden uitgelegd dat zij een uitputtende opsomming bevat.

81 Ten slotte moet hieraan worden toegevoegd dat uit een gezamenlijke lezing van artikel 19, lid 1, VEU en artikel 274 VWEU volgt dat de lidstaten, die in dat verband wegens de hun ter zake toekomende procedurele autonomie over een ruime beoordelingsmarge beschikken, in hun interne rechtsorde de nodige rechtsmiddelen en procedurevoorschriften moeten vaststellen die de daadwerkelijke tenuitvoerlegging verzekeren van besluiten van de instellingen, organen en instanties van de Unie waarbij aan personen zoals die in de hoofdgedingen geldelijke verplichtingen worden opgelegd, met inachtneming evenwel van het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel.

82 Die verplichting rust ook op de lidstaten op grond van het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking en in het bijzonder op grond van de tweede alinea van die bepaling, volgens welke de lidstaten alle algemene en bijzondere maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

83 Een dergelijk geheel van rechtsmiddelen en procedurevoorschriften mag geen afbreuk doen aan de toepassing en de doeltreffendheid van het Unierecht. Dat zou met name het geval zijn wanneer de toepassing ervan de invordering door ECHA van de betrokken bedragen nagenoeg onmogelijk zou maken. Het nationale recht moet voorts zodanig worden toegepast dat niet wordt gediscrimineerd ten opzichte van procedures ter beslechting van soortgelijke nationale geschillen, en de nationale autoriteiten moeten ter zake te werk gaan met dezelfde zorgvuldigheid en volgens voorwaarden die de invordering van de betrokken bedragen niet moeilijker maken dan in vergelijkbare gevallen die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van overeenkomstige nationale bepalingen (zie in die zin arrest van 9 november 2017, Dimos Zagoriou,C‑217/16, EU:C:2017:841, punt 16).

84 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag in zaak C‑256/23 en de eerste vraag in zaak C‑290/23 te worden geantwoord dat artikel 299, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een besluit van ECHA dat voor een persoon een geldelijke verplichting inhoudt in verband met de registratie van een chemische stof bij dat agentschap, geen executoriale titel in de zin van die bepaling vormt.

Tweede vraag in zaak C‑290/23

85 Met zijn tweede vraag in zaak C‑290/23, die in de derde plaats moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in die zaak in wezen te vernemen of artikel 11, lid 3, tweede alinea, juncto artikel 13, lid 4, tweede en derde alinea, van verordening nr. 340/2008 aldus moet worden uitgelegd dat die bepalingen, wanneer ECHA vaststelt dat de volledige vergoeding en een vergoeding voor administratieve kosten verschuldigd zijn, aangezien de betrokkene die stelt aanspraak te kunnen maken op een lagere vergoeding niet binnen de gestelde termijnen kan aantonen dat hij recht heeft op een dergelijke verlaging, uitsluiten dat dit agentschap van de Unie bij de nationale rechterlijke instanties een vordering tot tenuitvoerlegging instelt, teneinde de betrokken vergoeding voor administratieve kosten in te vorderen indien die vergoeding niet binnen de gestelde termijnen is betaald.

86 In de eerste plaats moet in dat verband om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 340/2008 bepaalt dat een vergoeding in rekening kan worden gebracht voor op verzoek door ECHA verrichte administratieve en technische diensten die niet onder andere in deze verordening vastgestelde vergoedingen vallen. Vervolgens bepaalt artikel 11, lid 2, van die verordening dat de vergoedingen voor administratieve dienstverrichting moeten worden betaald binnen 30 kalenderdagen nadat ECHA de factuur heeft verzonden. Ten slotte stelt ECHA krachtens artikel 11, lid 3, van die verordening een tweede betalingstermijn vast wanneer de betaling niet voor het verstrijken van de termijn van 30 dagen is verricht, en „wijst [ECHA] het verzoek af” wanneer de betaling niet voor het verstrijken van de tweede termijn wordt verricht.

87 Uit een gezamenlijke lezing van die bepalingen volgt dat het verzoek dat ECHA krachtens artikel 11, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 340/2008 moet afwijzen, het in artikel 11, lid 1, bedoelde verzoek om administratieve diensten is.

88 In de tweede plaats is het juist dat volgens artikel 13, lid 4, derde alinea, van verordening nr. 340/2008, de leden 2, 3 en 5 van artikel 11 van die verordening „van overeenkomstige toepassing [zijn]”.

89 Een dergelijke „overeenkomstige toepassing” van artikel 11, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 340/2008 in de context van de opeisbaarheid van de specifieke vergoeding voor administratieve kosten als bedoeld in artikel 13, lid 4, tweede alinea, van die verordening, impliceert echter niet dat ECHA, indien de volledige vergoeding niet vóór het verstrijken van de tweede termijn wordt betaald, die vergoeding voor administratieve kosten niet kan invorderen door middel van een vordering tot tenuitvoerlegging bij de nationale rechterlijke instanties.

90 Om te beginnen heeft artikel 11, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 340/2008 immers geen betrekking op de afwijzing van de registratieaanvraag, zoals blijkt uit punt 87 van het onderhavige arrest.

91 Vervolgens vormt artikel 13 van verordening nr. 340/2008 een aanvulling op de bepalingen van artikel 20 van de Reach-verordening betreffende de procedure voor de „controle op volledigheid van de aanvraag”.

92 In tegenstelling tot de betaling van de registratievergoeding, waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in lid 2 van dat artikel 20, maakt de betaling van de in artikel 13, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 340/2008 bedoelde vergoeding voor administratieve kosten geen deel uit van die procedure. Zelfs zonder een dergelijke betaling is de aanvraag derhalve volledig en kan de betrokken registratie worden verricht.

93 Ten slotte wordt aan een dergelijke uitlegging niet afgedaan door het feit dat de Reach-verordening niet uitdrukkelijk verwijst naar de mogelijkheid voor ECHA om zich tot een nationale rechterlijke instantie te wenden indien een vergoeding en een vergoeding voor administratieve kosten niet binnen de gestelde termijnen worden betaald, anders dan het geval is in artikel 10, lid 3, van verordening nr. 297/95 met betrekking tot het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling, thans het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA).

94 Een dergelijke verwijzing heeft immers duidelijk een declaratoir karakter. Zoals in de punten 81 en 82 van het onderhavige arrest is aangegeven, blijkt uit artikel 19, lid 1, VEU juncto artikel 274 VWEU en uit het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking dat de lidstaten moeten voorzien in de nodige rechtsmiddelen en procedurevoorschriften om ervoor te zorgen dat ECHA de krachtens artikel 13, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 340/2008 verschuldigde bedragen daadwerkelijk kan invorderen.

95 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag in zaak C‑290/23 te worden geantwoord dat artikel 11, lid 3, tweede alinea, juncto artikel 13, lid 4, tweede en derde alinea, van verordening nr. 340/2008 aldus moet worden uitgelegd dat die bepalingen, wanneer ECHA vaststelt dat de volledige vergoeding en een vergoeding voor administratieve kosten verschuldigd zijn, aangezien de betrokkene die stelt aanspraak te kunnen maken op een lagere vergoeding niet binnen de gestelde termijnen kan aantonen dat hij recht heeft op een dergelijke verlaging, niet uitsluiten dat dit agentschap van de Unie bij de nationale rechterlijke instanties een vordering tot tenuitvoerlegging instelt teneinde de betrokken vergoeding voor administratieve kosten in te vorderen indien die vergoeding niet binnen de gestelde termijnen is betaald.

Derde vraag in zaak C‑256/23

96 De derde vraag in zaak C‑256/23, die betrekking heeft op de uitlegging van artikel 299, tweede alinea, VWEU, hoeft niet te worden onderzocht, aangezien deze vraag slechts wordt gesteld voor het geval het Hof de tweede vraag in die zaak over de toepasselijkheid van de eerste alinea van dat artikel 299 bevestigend zou beantwoorden. Uit de overwegingen in de punten 67 tot en met 84 van het onderhavige arrest volgt echter dat deze tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Kosten

97 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 94, lid 1, van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008, moet aldus worden uitgelegd dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) zich niet tot de Unierechter kan wenden met een vordering tot uitvoering van een geldelijke verplichting die aan een persoon is opgelegd bij een besluit van dit agentschap.

2) Artikel 299, eerste alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een besluit van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) dat voor een persoon een geldelijke verplichting inhoudt in verband met de registratie van een chemische stof bij dat agentschap, geen executoriale titel in de zin van die bepaling vormt.

3) Artikel 11, lid 3, tweede alinea, juncto artikel 13, lid 4, tweede en derde alinea, van verordening (EG) nr. 340/2008 van de Commissie van 16 april 2008 betreffende de aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen te betalen vergoedingen krachtens verordening nr. 1907/2006, moet aldus worden uitgelegd dat die bepalingen, wanneer het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) vaststelt dat de volledige vergoeding en een vergoeding voor administratieve kosten verschuldigd zijn, aangezien de betrokkene die stelt aanspraak te kunnen maken op een lagere vergoeding niet binnen de gestelde termijnen kan aantonen dat hij recht heeft op een dergelijke verlaging, niet uitsluiten dat dit agentschap van de Unie bij de nationale rechterlijke instanties een vordering tot tenuitvoerlegging instelt teneinde de betrokken vergoeding voor administratieve kosten in te vorderen indien die vergoeding niet binnen de gestelde termijnen is betaald.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in