Gerecht EU 25 maart 2026, T-310/21, ECLI:EU:T:2026:219
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
25 maart 2026 ( *1 )
„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Verlaging van het bedrag van de geldboete door het Gerecht – Weigering van de Commissie om rente over het te veel betaalde te betalen – Verjaringstermijn – Aanvang – Stuiting – Ontvankelijkheid – Begrip ‚rente’ – Toepasselijk rentepercentage”
In zaak T‑310/21,
Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Quebec (Canada), vertegenwoordigd door T. Soames, en I.‑Z. Prodromou-Stamoudi, advocaten, en T. Johnston, barrister,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi, M. Domecq, T. Isacu de Groot en L. Wildpanner als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, L. Truchot, H. Kanninen (rapporteur), M. Sampol Pucurull en T. Perišin, rechters,
griffier: M. Zwozdziak-Carbonne, administrateur,
gezien de stukken, met name:
– de beschikking van 5 juli 2022 waarbij de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is gevoegd met de zaak ten gronde,
– de beslissing van 10 augustus 2023, genomen op grond van artikel 69, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht na partijen te hebben gehoord, om de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van de eindbeslissing in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488),
– de op 25 en 29 juli 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen van partijen over de gevolgen die in de onderhavige zaak moeten worden verbonden aan het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488),
na de terechtzitting op 5 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep vordert verzoekster, Air Canada, primair, op grond van artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU, vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden door de weigering van de Europese Commissie om haar in uitvoering van het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), de krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU verschuldigde rente te betalen en, subsidiair, op grond van artikel 263 VWEU, de nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 25 maart 2021 tot weigering van betaling van de wettelijke rente.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een luchtvervoersonderneming die actief is op de luchtvrachtmarkt.
3 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „besluit van 9 november 2010”) vastgesteld.
4 Het besluit van 9 november 2010 was gericht tot 21 adressaten, waaronder verzoekster. In de motivering van dit besluit was sprake van één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, en van het feit dat de adressaten van dit besluit hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten in de EER en Zwitserland hadden gecoördineerd.
5 In de artikelen 1 tot en met 4 van het besluit van 9 november 2010 worden de gedragingen die de enkele voortdurende inbreuk kenmerken toegerekend aan de adressaten van dit besluit.
6 Artikel 5 van het besluit van 9 november 2010 betreft de geldboeten. Dit artikel luidt, voor zover relevant voor het onderhavige geding, als volgt: „Voor de in de artikelen 1 tot en met 4 [van het besluit van 9 november 2010] bedoelde inbreuken worden de volgende geldboeten opgelegd: a) Air Canada: 21037500 [EUR]; […] De opgelegde geldboeten dienen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving van dit besluit in euro te worden betaald […]. Na afloop van deze termijn is automatisch rente verschuldigd tegen het rentepercentage dat de Europese Centrale Bank gebruikt bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste dag van de maand waarin het [besluit van 9 november 2010] is gegeven, vermeerderd met 3,5 procentpunten. Wanneer een in artikel 1 [van het besluit van 9 november 2010] genoemde onderneming beroep instelt, dekt die onderneming de geldboete vóór de vervaldag door hetzij aanvaardbare financiële zekerheid te stellen, hetzij de geldboete voorlopig te betalen overeenkomstig artikel 85 bis, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie.”
7 Op 6 januari 2011 heeft verzoekster tegen het besluit van 9 november 2010 beroep tot nietigverklaring ingesteld.
8 Op 10 februari 2011 heeft zij het totale bedrag van de haar bij artikel 5 van het besluit van 9 november 2010 opgelegde geldboete voorlopig betaald.
9 Bij het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), heeft het Gerecht het besluit van 9 november 2010 nietig verklaard voor zover het verzoekster betrof.
10 Op 5 februari 2016 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van haar besluit om haar een bedrag terug te betalen dat overeenkwam met de geldboete die zij voorlopig had betaald (21037500 EUR), vermeerderd met een gegarandeerd rendement (468540,80 EUR) (hierna: „besluit van 5 februari 2016”). Zij preciseerde daarbij dat dit bedrag van 21506040,80 EUR „op heden [zou worden] overgeschreven”.
11 Verzoekster heeft dit bedrag ontvangen op 8 februari 2016.
12 Op 4 februari 2021 heeft zij de Commissie een brief gestuurd waarin zij om betaling van de volgende bedragen verzocht: – het verschil tussen enerzijds het bedrag dat haar verschuldigd was bij wijze van „achterstallige” rente tegen een rentepercentage van 4,5 % [het door de Europese Centrale Bank (ECB) op herfinancieringstransacties toegepaste rentepercentage, verhoogd met 3,5 procentpunten] voor de periode tussen 10 februari 2011 en 8 februari 2016, en anderzijds het op 8 februari 2016 betaalde gegarandeerde rendement, te weten 468540,80 EUR; – de samengestelde rente berekend op basis van het nog verschuldigde bedrag aan vertragingsrente voor de periode tussen de datum waarop de Commissie tot terugbetaling is overgegaan, namelijk 8 februari 2016, en de datum van de daadwerkelijke betaling van het in het vorige streepje genoemde bedrag, tegen het rentepercentage van de ECB voor haar herfinancieringstransacties op 1 november 2010, namelijk 1 % vermeerderd met 3,5 procentpunten.
13 Op 25 maart 2021 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van haar besluit om haar in punt 12 hierboven beschreven verzoek niet in te willigen (hierna: „brief van 25 maart 2021”), op grond dat dit verzoek volgens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie was verjaard.
II. Conclusies van partijen
14 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen; – de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden door het niet betalen van de vertragingsrente en de samengestelde rente die krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU in uitvoering van het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), verschuldigd is, en derhalve tot betaling krachtens artikel 340, tweede alinea, VWEU, artikel 268 VWEU en artikel 266, tweede alinea, VWEU van de volgende bedragen: – een bedrag gelijk aan de verschuldigde vertragingsrente, te weten rente over het bedrag van 21037500 EUR tegen het rentepercentage dat de ECB op 1 november 2010 voor haar herfinancieringstransacties hanteerde, te weten 1 % vermeerderd met 3,5 procentpunten, voor de periode tussen 10 februari 2011 en 8 februari 2016, verminderd met de reeds betaalde gegarandeerde vergoeding van 468540,80 EUR, hetgeen resulteert in een bedrag van 4264896,70 EUR, of, bij ontstentenis daarvan, tegen het rentepercentage dat het Gerecht passend acht; – een bedrag gelijk aan de verschuldigde rente over het bedrag van 4264896,70 EUR, voor de periode tussen 9 februari 2016 en 4 februari 2021 – de datum van het verzoek tot betaling van rente – tegen het rentepercentage dat de ECB op 1 november 2010 voor haar herfinancieringstransacties hanteerde, te weten 1 % vermeerderd met 3,5 procentpunten, hetgeen resulteert in een bedrag van 958550,14 EUR of, bij ontstentenis daarvan, tegen het rentepercentage en voor de periode die het Gerecht passend acht; – een bedrag gelijk aan de verschuldigde samengestelde rente over het bedrag van de onbetaalde rente op het verschuldigde bedrag op de datum van de rentevordering (5223446,84 EUR) of elk ander bedrag dat het Gerecht passend acht voor de periode tussen 5 februari 2021 en de datum waarop de Commissie de verschuldigde rente terugbetaalt, tegen het rentepercentage dat de ECB op 1 november 2010 voor haar herfinancieringstransacties hanteerde, te weten 1 % vermeerderd met 3,5 procentpunten of, bij ontstentenis daarvan, tegen het rentepercentage en voor de periode die het Gerecht passend acht; – subsidiair, de brief van 25 maart 2021 nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
15 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; – subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
16 Aangezien verzoekster primair een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld, moet deze eerst worden onderzocht.
A. Vordering tot schadevergoeding
1. De door de Commissie opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid
17 In haar opmerkingen over de gevolgen die in de onderhavige zaak moeten worden verbonden aan het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), heeft de Commissie aangegeven dat zij de twee bij de exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid handhaaft, te weten, ten eerste, de verjaring van de vordering tot schadevergoeding volgens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en, ten tweede, de ongeschiktheid van de vordering tot schadevergoeding om op te komen tegen de wijze waarop het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), is uitgevoerd.
18 Eerst moet het tweede middel van niet-ontvankelijkheid worden onderzocht.
a) Tweede middel van niet-ontvankelijkheid: ongeschiktheid van een schadevordering om op te komen tegen de wijze waarop het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11), is uitgevoerd
19 De Commissie betoogt in wezen dat verzoekster een ongeschikt rechtsmiddel heeft aangewend om op te komen tegen de wijze waarop het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), is uitgevoerd. Verzoekster had een beroep tot nietigverklaring moeten instellen tegen het besluit waarbij de Commissie het haar terug te betalen bedrag heeft vastgesteld, te weten de hoofdsom van de onterecht betaalde geldboete vermeerderd met het gerealiseerde rendement, in plaats van een schadeberoep in te stellen.
20 De Commissie voegt daaraan toe dat de schadevordering een omzeiling vormt van de termijn waarin artikel 263 VWEU voorziet om het terugbetalingsbesluit te betwisten. Dat besluit dateert immers van februari 2016, terwijl het onderhavige schadeberoep pas in juni 2021 is ingesteld.
21 Verzoekster betwist de argumenten van de Commissie.
22 Er zij aan herinnerd dat wanneer een verzoekende partij, zoals in casu, betaling vordert van rente die op grond van artikel 266, eerste alinea, VWEU verschuldigd is ingevolge een arrest tot nietigverklaring, de gestelde schade voortvloeit uit het feit dat de Commissie in strijd met de krachtens deze bepaling op haar rustende verplichtingen heeft nagelaten een maatregel te nemen die de uitvoering van het arrest tot nietigverklaring meebracht [beschikking van 4 mei 2005, Holcim (Frankrijk)/Commissie, T‑86/03, EU:T:2005:157, punt 51].
23 Uit artikel 266, eerste alinea, VWEU blijkt immers dat de instelling waarvan een handeling nietig is verklaard, de maatregelen moet nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarbij die handeling ex tunc nietig is verklaard. Dat omvat onder meer de terugbetaling van de op grond van die handeling onterecht geïnde bedragen en de betaling van rente (zie arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Artikel 266 VWEU voorziet niet in een bijzonder rechtsmiddel om de uitvoering van de arresten van de rechterlijke instanties van de Unie te waarborgen. Indien een justitiabele van mening is dat de handeling die werd vastgesteld ter vervanging van de nietig verklaarde handeling niet in overeenstemming is met de rechtsoverwegingen en het dictum van het arrest, kan hij een nieuw beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU instellen. Het beroep wegens nalaten van artikel 265 VWEU is integendeel het juiste rechtsmiddel om het onrechtmatig nalaten van een instelling om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een arrest, te doen vaststellen (zie in die zin arrest van 5 september 2014, Éditions Odile Jacob/Commissie, T‑471/11, EU:T:2014:739, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het in artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU bedoelde beroep tot schadevergoeding strekt dan weer tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een onrechtmatigheid begaan bij de uitvoering van een beslissing van een rechterlijke instantie van de Unie.
25 Voorts zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het beroep tot schadevergoeding bedoeld is als een zelfstandige rechtsweg, die binnen het stelsel der beroepsmogelijkheden een bijzondere functie heeft en aan het gebruik waarvan gelet op zijn bijzondere doel bepaalde voorwaarden verbonden zijn (zie in die zin beschikking van 21 juni 1993, Van Parijs e.a./Raad en Commissie, C‑257/93, EU:C:1993:249, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 23 maart 2004, Médiateur/Lamberts, C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punt 59, en beschikking van 3 februari 2025, Kerkosand/Commissie, T‑216/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:142, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Een partij kan weliswaar een aansprakelijkheidsvordering instellen zonder dat enige bepaling haar ertoe dwingt alsdan tevens nietigverklaring van de schadeveroorzakende onrechtmatige handeling te vorderen, maar kan op deze manier niet ontkomen aan de niet-ontvankelijkheid van een op dezelfde onrechtmatigheid gebaseerde vordering met dezelfde geldelijke strekking (zie arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Een beroep tot schadevergoeding moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer het in werkelijkheid strekt tot intrekking van een definitief geworden individueel besluit en, indien het zou worden toegewezen, tot gevolg zou hebben dat de rechtsgevolgen van dit besluit worden tenietgedaan. Dat is het geval wanneer de verzoekende partij door middel van een vordering tot schadevergoeding hetzelfde resultaat beoogt als zij zou hebben bereikt bij toewijzing van een beroep tot nietigverklaring dat zij niet tijdig heeft ingesteld (zie arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/ Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Zoals de Commissie betoogt, moet dus worden uitgemaakt of het feit dat verzoekster niet binnen de beroepstermijn van artikel 263 VWEU tegen het besluit van 5 februari 2016 is opgekomen via een beroep tot nietigverklaring, de facto zou worden omzeild, in strijd met de in de punten 24 tot en met 27 hierboven aangehaalde rechtspraak, indien haar vordering tot schadevergoeding ontvankelijk zou worden verklaard.
29 In dit verband blijkt uit de rechtspraak dat in beginsel het loutere stilzwijgen van een instelling niet met een impliciete weigering kan worden gelijkgesteld, behoudens wanneer een bepaling van het Unierecht uitdrukkelijk daarin voorziet. Zonder uit te sluiten dat dit beginsel in bepaalde specifieke omstandigheden niet kan worden toegepast zodat het stilzwijgen of het stilzitten van een instelling bij wijze van uitzondering als een impliciet weigeringsbesluit kan worden beschouwd, heeft het Hof daaruit afgeleid dat de handeling waarbij de Commissie aan een onderneming alleen de hoofdsom van de onterecht betaalde geldboete terugbetaalde, zonder uitdrukkelijk een standpunt in te nemen over de betaling van rente, geen impliciet besluit tot weigering van betaling van die rente opleverde waartegen beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld (zie in die zin arrest van 9 december 2004, Commissie/Greencore, C‑123/03 P, EU:C:2004:783, punt 45).
30 Ten eerste levert een stilzwijgen van de Commissie bij de uitvoering van een arrest krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU, volgens geen enkele bepaling van het Unierecht een impliciet weigeringsbesluit op. Ten tweede blijkt niet dat het stilzwijgen van de Commissie in omstandigheden als die van de onderhavige zaak kan worden gelijkgesteld met een impliciet weigeringsbesluit. De Commissie heeft immers in het besluit van 5 februari 2016 aan verzoekster louter het bedrag vermeld dat zij voornemens was te betalen. Zij heeft weliswaar gepreciseerd dat zij niet alleen de voorlopig betaalde geldboete zou terugbetalen, maar ook dat dit bedrag zou worden verhoogd met een gegarandeerd rendement. Uit het besluit van 5 februari 2016 en het e-mailverkeer van 23 december 2015 tot en met 17 februari 2016 tussen verzoekster en de Commissie over de terugbetaling blijkt dat de Commissie zich nooit uitdrukkelijk heeft uitgesproken over de betaling van rente zoals die welke verzoekster in de onderhavige zaak vordert. De Commissie heeft in de onderhavige procedure geen enkele specifieke omstandigheid aangevoerd die zou rechtvaardigen dat dat besluit bij wijze van uitzondering als een impliciet besluit tot weigering van betaling van rente moet worden beschouwd, en ook uit het dossier kan geen dergelijke omstandigheid worden afgeleid.
31 In die omstandigheden vormt de handeling waarin het verzoek tot betaling van rente uitdrukkelijk werd geweigerd – zoals in casu de brief van 25 maart 2021 – de handeling waartegen beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld [zie in die zin arrest van 9 december 2004, Commissie/Greencore, C‑123/03 P, EU:C:2004:783, punt 47, en beschikking van 4 mei 2005, Holcim (Frankrijk)/Commissie, T‑86/03, EU:T:2005:157, punt 43].
32 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat in het besluit van 5 februari 2016 geen uitspraak is gedaan over de betaling van rente, zodat dit besluit niet kon worden beschouwd als een weigering om rente te betalen waartegen kon worden opgekomen met een beroep tot nietigverklaring. De Commissie betoogt dus ten onrechte dat verzoeksters beroep tot schadevergoeding een omzeiling vormt van haar nalaten om tegen dat besluit beroep tot nietigverklaring in te stellen.
33 Derhalve moet het tweede middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
b) Eerste middel van niet-ontvankelijkheid: verjaring van de schadevordering
34 Volgens de Commissie is de schadevordering verjaard op grond van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
35 Volgens haar is de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gesteld dat die termijn uiterlijk op 8 februari 2016 is ingegaan (datum van terugbetaling), ten laatste verstreken op 8 februari 2021. Zelfs gesteld dat deze verjaringstermijn nog niet was verstreken op dat moment en dat de brief van 25 maart 2021 die termijn heeft gestuit, dan nog is die termijn volgens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie slechts verlengd tot 25 mei 2021. In laatstgenoemde bepaling wordt namelijk alleen verwezen naar de in artikel 263 VWEU genoemde termijn van twee maanden en niet óók naar de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht genoemde forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand. Bedoeld artikel 60 is immers uitsluitend van toepassing op procestermijnen, en artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voorziet in een verjaringstermijn, niet in een procestermijn. Ter onderbouwing van haar betoog verwijst de Commissie naar het arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie (C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punten 52, 54 en 56).
36 Verzoekster betwist de argumenten van de Commissie en meent dat de in artikel 263 VWEU genoemde termijn van twee maanden, waarnaar artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verwijst voor de instelling van een beroep tegen het antwoord op een eerder gedaan verzoek, moet worden verlengd met de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering bepaalde forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen. Haar beroep tot schadevergoeding werd volgens haar dus binnen de voorgeschreven termijnen ingesteld.
1) Aanvang van de verjaringstermijn van de vordering tot schadevergoeding
37 Artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht, luidt als volgt: „De vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit hetzij door een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden, bepaald in artikel 263 [VWEU]; artikel 265, tweede alinea, [VWEU] is van overeenkomstige toepassing.”
38 Volgens vaste rechtspraak gaat de verjaringstermijn in wanneer aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, met name wanneer de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd (zie arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In een situatie als de onderhavige, waarin het gaat om de vergoeding van een schade die overeenstemt met het bedrag van de rente over de hoofdsom van een onterecht betaalde geldboete, ligt het beweerde nalaten van de Commissie om de betrokkene rente te betalen op grond van artikel 266, eerste alinea, VWEU aan de basis van de gestelde schade. Het is dus dit nalaten dat het „feit” vormt in de zin van artikel 46, eerste alinea, eerste zin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat de verjaringstermijn van vijf jaar doet ingaan [zie in die zin beschikkingen van 27 oktober 2023, British Airways/Commissie, C‑138/23 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:821, punt 57, en 4 mei 2005, Holcim (Frankrijk)/Commissie, T‑86/03, EU:T:2005:157, punten 40 en 51].
40 In casu heeft het beweerde nalaten van de Commissie om de voor de uitvoering van het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), noodzakelijke maatregelen te nemen, zich geconcretiseerd op 8 februari 2016, toen de hoofdsom van de onterecht betaalde geldboete daadwerkelijk is terugbetaald, vermeerderd met het gegarandeerde rendement doch zonder de in punt 23 hierboven genoemde rente.
41 Derhalve moet worden aangenomen dat de verjaringstermijn is ingegaan op 8 februari 2016, waarover partijen het trouwens eens zijn.
2) Verstrijken van de verjaringstermijn van de vordering tot schadevergoeding
42 Volgens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt de verjaring inzake niet-contractuele aansprakelijkheid gestuit hetzij door een bij het Hof van Justitie van de Europese Unie ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie.
43 Wat het tweede geval betreft – het geval waarin de betrokkene bij de bevoegde instelling van de Unie een verzoek tot vergoeding van de gestelde schade indient – zijn er twee scenario’s mogelijk. In een eerste scenario dient de betrokkene een verzoekschrift in bij de Unierechter zonder te wachten totdat de bevoegde instelling zich uitspreekt over zijn verzoek en vóór het verstrijken van de in artikel 265, tweede alinea, VWEU bedoelde termijn. In een tweede scenario wijst de bevoegde instelling het voorafgaand verzoek af of antwoordt zij niet binnen de in artikel 265, tweede alinea, VWEU gestelde termijn, in welk geval de verjaringstermijn slechts wordt gestuit indien dat verzoek wordt gevolgd door een verzoekschrift dat wordt ingediend binnen de termijnen bepaald in artikel 263 of artikel 265 VWEU, naargelang van het geval (zie in die zin arrest van 14 juli 1967, Kampffmeyer e.a./Commissie, 5/66, 7/66, 13/66‑16/66 en 18/66‑24/66, niet gepubliceerd, EU:C:1967:31, blz. 337, en beschikking van 4 augustus 1999, Fratelli Murri/Commissie, T‑106/98, EU:T:1999:163, punt 29). In beide gevallen wordt de verjaringstermijn geacht te zijn gestuit op de datum waarop de betrokken instelling het voorafgaand verzoek ontvangt (zie in die zin arrest van 27 september 2007, Pelle en Konrad/Raad en Commissie, T‑8/95 en T‑9/95, EU:T:2007:298, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet dus op verschillende termijnen. Enerzijds wordt de verjaringstermijn op vijf jaar vastgesteld. Anderzijds wordt, in het geval van een voorafgaand verzoek aan een bevoegde instelling, verwezen naar de termijn van artikel 263 VWEU, waarbij wordt gepreciseerd dat in dat geval artikel 265, tweede alinea, VWEU van toepassing is.
45 Zoals in punt 41 hierboven is vermeld, is de verjaringstermijn ingegaan op 8 februari 2016. Verzoekster heeft haar voorafgaand verzoek ingediend op 4 februari 2021, dat wil zeggen vóór 8 februari 2021, de datum waarop de verjaringstermijn is verstreken. De Commissie heeft dit verzoek afgewezen op 25 maart 2021.
46 Verzoekster heeft het onderhavige beroep ingesteld op 2 juni 2021, dat wil zeggen twee maanden en acht dagen nadat de Commissie op 25 maart 2021 haar voorafgaand verzoek heeft afgewezen.
47 Partijen zijn het oneens over de vraag of de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering gestelde forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen moet worden toegepast op de termijn van twee maanden die in artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt genoemd onder verwijzing naar artikel 263 VWEU.
48 Artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de procestermijnen worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen. Deze termijn is ingevoerd om rekening te houden met de problemen die partijen ondervinden als gevolg van hun meer of minder grote afstand van de zetel van het Hof (zie in die zin arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 48).
49 Om te beginnen zij erop gewezen dat de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 46, lid 1, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen procestermijn is. Die verjaringstermijn is naar zijn aard verschillend van een dergelijke termijn (arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 49). Bijgevolg is de forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand niet van toepassing op die verjaringstermijn (arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 59).
50 De termijn van twee maanden die in artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt genoemd onder verwijzing naar artikel 263 VWEU, is een andere termijn dan een verjaringstermijn. Hij ziet op een procedurehandeling die de betrokkene moet verrichten opdat zijn beroep tot schadevergoeding na de stuiting van de verjaringstermijn ontvankelijk is.
51 Uit de rechtspraak blijkt dat de verwijzing in artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar de in artikel 263 VWEU genoemde termijn van twee maanden, tot gevolg heeft dat op het gebied van de stuiting van de verjaring de voorschriften betreffende de berekening van termijnen worden toegepast die in het kader van dit artikel gelden (zie in die zin arrest van 7 februari 2002, Schulte/Raad en Commissie, T‑261/94, EU:T:2002:27, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak), met inbegrip van de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering genoemde termijn wegens afstand (zie in die zin beschikking van 19 september 2001, Jestädt/Raad en Commissie, T‑332/99, EU:T:2001:218, punt 53).
52 Aangezien de in artikel 263 VWEU vastgestelde termijn een proceduretermijn is, volgt uit artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering dus dat bij elke toepassing van deze termijn een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen moet worden opgeteld. Aangezien artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie uitdrukkelijk verwijst naar de termijn in artikel 263 VWEU en aangezien artikel 46 geen bepaling bevat die in de weg staat aan de toepassing van artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering, kan het enkele feit dat niet naar artikel 60 wordt verwezen, in tegenstelling tot wat de Commissie betoogt, niet verhinderen dat in de onderhavige zaak artikel 60 wordt toegepast.
53 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de verjaringstermijn op 4 februari 2021 is gestuit door verzoeksters voorafgaand verzoek, vóór het verstrijken van de periode van vijf jaar. Vervolgens heeft zij haar beroep ingesteld binnen de twee maanden en tien dagen na het antwoord van de Commissie op haar verzoek op 25 maart 2021. De schadevordering die in het kader van het onderhavige beroep is ingesteld, is dus niet verjaard.
54 Derhalve moet het eerste middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
55 Bijgevolg moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid in haar geheel worden verworpen, en moet de vordering tot schadevordering ten gronde worden onderzocht.
2. Ten gronde
56 Verzoekster vordert in wezen ten eerste schadevergoeding voor de onvolledige uitvoering door de Commissie van het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), door het feit dat op 8 februari 2016 niet alle rente is betaald die verschuldigd was in het kader van de terugbetaling van de onterecht geïnde geldboete, en ten tweede betaling van vertragingsrente berekend over het bedrag van die schadevergoeding, voor de periode tussen de voormelde datum en de uitvoering van het onderhavige arrest.
57 Artikel 340 VWEU bepaalt in de tweede alinea dat de Unie inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade moet vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
58 Volgens vaste rechtspraak moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de schending van de op de auteur van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
a) Vordering tot schadevergoeding wegens onvolledige uitvoering van het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11)
1) Bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen
59 Verzoekster betoogt dat de Commissie artikel 266, eerste alinea, VWEU heeft geschonden door te weigeren haar rente te betalen bij wijze van forfaitaire vergoeding voor het feit dat zij niet heeft kunnen genieten van de som die zij uit hoofde van de opgelegde geldboete voorlopig had betaald (hierna: „forfaitaire rente”). Uit het arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39), blijkt dat een dergelijke weigering tot betaling een voldoende gekwalificeerde schending van dat artikel vormt. Het recht op volledige terugbetaling zou worden gehonoreerd door dergelijke rente te betalen tegen het herfinancieringspercentage van de ECB vermeerderd met 3,5 procentpunten, te weten in casu 4,5 %. Dit rentepercentage vloeit voort uit de toepassing van artikel 86 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1). Zij vordert dan ook dat de Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het verschil tussen de door haar ontvangen rente en de rente die zij bij wijze van forfaitaire rente had moeten ontvangen. Verzoekster betoogt in haar opmerkingen op het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), dat dit arrest haar standpunt bevestigt.
60 De Commissie stelt in haar verweerschrift en dupliek dat zij artikel 266 VWEU niet heeft geschonden, laat staan een voldoende gekwalificeerde schending van deze bepaling heeft begaan. Zij herinnert eraan dat zij overeenkomstig artikel 85 bis, lid 2, van verordening nr. 2342/2002 het bedrag van de voorlopig betaalde geldboete, vermeerderd met rente, aan verzoekster heeft terugbetaald, om elke ongerechtvaardigde verrijking ongedaan te maken.
61 In haar opmerkingen op het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), erkent de Commissie dat dit arrest de algemene vraag of verzoekster recht heeft op forfaitaire rente in het voordeel van deze laatste beantwoordt en dat het desbetreffende rentepercentage zou kunnen worden vastgesteld onder verwijzing naar onder meer artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2012, L 362, blz. 1), voor de periode tussen de voorlopige betaling van de geldboete en het terugbetalingsbesluit.
62 Zij voert echter aan dat hoewel in de arresten van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39), en 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81), een juiste juridische uitlegging wordt gegeven, het feit dat deze arresten in februari 2016 niet in acht zijn genomen, geen voldoende gekwalificeerde schending van een Unierechtelijke regel vormt. Op het moment van de vaststelling van het besluit van 5 februari 2016 waren de objectieve vereisten van het Unierecht niet duidelijk omschreven, wat aantoont dat er toepassings- of uitleggingsproblemen waren. Volgens haar heeft het arrest van 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81), een volledig nieuw recht op terugbetaling doen ontstaan. In het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), is deze vraag niet gerezen, aangezien het arrest van 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81), is gewezen voordat de Commissie Deutsche Telekom op 19 februari 2019 heeft vergoed.
63 In casu wordt de Commissie een voldoende gekwalificeerde schending verweten van artikel 266 VWEU, op grond dat zij het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), niet volledig zou hebben uitgevoerd.
64 Wat betreft de voorwaarde van de onrechtmatige gedraging die aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie wordt verweten, is er in punt 58 hierboven aan herinnerd dat er sprake moet zijn van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die tot doel heeft rechten aan particulieren toe te kennen.
65 Artikel 266, eerste alinea, VWEU is een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren. Deze bepaling bevat immers een absolute en onvoorwaardelijke verplichting voor de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, om in het belang van de verzoekende partij die in het gelijk is gesteld de maatregelen ter uitvoering van het arrest te nemen waarbij die handeling ex tunc nietig is verklaard, waar een recht van de verzoekende partij op volledige nakoming van die verplichting tegenover staat (zie in die zin arrest van 12 februari 2019, Printeos/Commissie, T‑201/17, EU:T:2019:81, punt 55). Dat omvat onder meer de terugbetaling van de op grond van die handeling onterecht geïnde bedragen en de betaling van rente (zie in die zin arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 57).
66 Uit vaste rechtspraak volgt dat de betaling van rente een maatregel ter uitvoering van het nietigverklaringsarrest in de zin van artikel 266, eerste alinea, VWEU vormt doordat zij een forfaitaire vergoeding voor het gemis van het genot van een schuldvordering beoogt te geven en er, na de uitspraak van dat nietigverklaringsarrest, voorts op is gericht de schuldenaar ertoe aan te zetten om het arrest zo snel mogelijk uit te voeren (zie arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Uit artikel 266, eerste alinea, VWEU volgt dus dat wanneer een rechterlijke instantie van de Unie overgaat tot nietigverklaring of verlaging ex tunc van een geldboete die bij een besluit van de Commissie wegens schending van de mededingingsregels is opgelegd, deze instelling het bedrag van de voorlopig betaalde geldboete geheel of gedeeltelijk moet terugbetalen, vermeerderd met rente over de periode vanaf de datum waarop de geldboete voorlopig is betaald tot de datum van terugbetaling (arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 53).
68 De Commissie was in casu dus niet alleen gehouden tot terugbetaling van de voorlopig betaalde geldboete, maar ook tot betaling van rente, wat zij niet betwist. Zij heeft namelijk wel degelijk rente betaald, te weten de overeenkomstige rente.
69 Aangezien de te betalen rente forfaitair is, is de Commissie evenwel op grond van artikel 266, eerste alinea, VWEU verplicht om aan de betrokkene het eventuele verschil tussen het bedrag van de overeenkomstige rente en de forfaitaire rente te betalen (zie in die zin arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Verzoekster betoogt echter dat de door haar ontvangen overeenkomstige rente lager is dan de forfaitaire rente die haar verschuldigd is.
71 De Commissie stelt niettemin geen gekwalificeerde onrechtmatigheid te hebben begaan door verzoekster enkel de overeenkomstige rente te hebben betaald.
72 Zij merkt namelijk op dat zij ten tijde van de betaling van de rente in deze zaak, in 2016, gewoon de destijds geldende rechtspraak heeft toegepast. De verplichting om forfaitaire rente te betalen is er volgens haar pas gekomen met het arrest van 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81), dat is uitgesproken op 12 februari 2019.
73 De Commissie betoogt dat de vraag of haar gedraging rechtmatig was, moet worden beoordeeld in het licht van de juridische en feitelijke elementen die ten tijde van de vaststelling ervan bestonden. Indien de rechtspraak aanzienlijk is gewijzigd ná de handeling die mogelijkerwijs schade heeft veroorzaakt, vormt die handeling dus geen voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht die aanleiding kan geven tot niet-contractuele aansprakelijkheid in de zin van de artikelen 268 en 340 VWEU. Haar gedraging kan niet worden beoordeeld in het licht van de latere ontwikkeling van het recht ingevolge de arresten van 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81); 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39), en 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488).
74 In dit verband moet er ten eerste op worden gewezen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, wanneer die schending een kennelijke en ernstige overschrijding door de betrokken instelling van de grenzen van haar beoordelingsvrijheid impliceert (zie arrest van 11 januari 2024, Dyson e.a./Commissie, C‑122/22 P, EU:C:2024:11, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 Ten tweede dient te worden opgemerkt dat wanneer een instelling van de Unie slechts een zeer beperkte of zelfs helemaal geen beoordelingsmarge heeft, de enkele inbreuk op het Unierecht kan volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending van dit recht op te leveren waardoor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan ontstaan (zie arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos, C‑301/19 P, EU:C:2021:39, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 Bovendien kan alleen de vaststelling van een onregelmatigheid die een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid in vergelijkbare omstandigheden niet zou hebben begaan, leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie (zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Er zij aan herinnerd dat de onrechtmatigheid van een handeling of een gedraging die tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden, moet worden beoordeeld in het licht van de juridische en feitelijke elementen die ten tijde van de vaststelling van die handeling of gedraging bestonden (arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 39).
78 Het begrip „voldoende gekwalificeerde schending” is immers een statisch begrip, dat vastligt op het tijdstip van de betrokken onrechtmatige handeling of gedraging (arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 55). De door de rechtspraak vereiste mate van ernst van een schending van een rechtsregel van de Unie door de betrokken instelling, is dan ook intrinsiek verbonden met de schending en kan derhalve niet worden beoordeeld op een ander tijdstip dan dat waarop deze schending is begaan (arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 45).
79 Het Hof heeft in het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punten 52‑57), evenwel onder verwijzing naar vaste rechtspraak (arrest van 12 februari 2015, Commissie/IPK International, C‑336/13 P, EU:C:2015:83, punt 30; zie ook arrest van 10 oktober 2001, Corus UK/Commissie, T‑171/99, EU:T:2001:249, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak), benadrukt dat de betaling van rente een maatregel ter uitvoering van het nietigverklaringsarrest in de zin van artikel 266, eerste alinea, VWEU vormt doordat zij een forfaitaire vergoeding voor het gemis van het genot van een schuldvordering beoogt te geven en erop gericht is de schuldenaar ertoe aan te zetten om het arrest zo snel mogelijk uit te voeren.
80 Volgens dezelfde rechtspraak is de toekenning van rente over het onverschuldigd betaalde bedrag immers een wezenlijk bestanddeel van de verplichting tot herstel van de oorspronkelijke toestand die op de Commissie rust na een nietigverklaringsarrest of een krachtens de bevoegdheid tot onbeperkte toetsing gewezen arrest. Die rente is bedoeld om de betrokkene volledig in de situatie te brengen waarin hij zich rechtmatig zou hebben bevonden indien de nietig verklaarde handeling niet was verricht, rekening houdend met het feit dat dit herstel pas plaatsvindt na een min of meer lange periode gedurende dewelke hij niet heeft kunnen beschikken over het door hem onverschuldigd betaalde bedrag (zie in die zin arrest van 10 oktober 2001, Corus UK/Commissie, T‑171/99, EU:T:2001:249, punt 54).
81 Nog volgens die rechtspraak moet de rente worden berekend op basis van een forfaitair percentage dat wordt berekend aan de hand van de wettelijke rente, zonder kapitalisatie, voor de periode tussen de datum waarop de opgelegde geldboete voorlopig werd betaald en de datum waarop de Commissie het onterecht betaalde bedrag terugbetaalt (zie in die zin arrest van 10 oktober 2001, Corus UK/Commissie, T‑171/99, EU:T:2001:249, punten 60 en 61).
82 Hieruit volgt dat de Commissie op het moment dat zij de geldboete aan verzoekster heeft terugbetaald, te weten in februari 2016, niet onkundig mocht zijn van de gevolgen die aan de toepassing van artikel 266, eerste alinea, VWEU moesten worden verbonden. Aangezien uit rechtspraak van vóór de uitvoering van het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), blijkt dat de betaling van rente bedoeld is om het gemis van het genot van het onterecht betaalde bedrag forfaitair te vergoeden, had de Commissie immers moeten weten dat wanneer zij bij de terugbetaling van het onterecht betaalde bedrag louter de overeenkomstige rente zou betalen, dit niet noodzakelijkerwijs een volledige uitvoering van dat arrest ging vormen.
83 De Commissie voert ook nog aan dat haar eventuele fout hoe dan ook als verschoonbaar moet worden beschouwd gelet op de moeilijkheid die er bestond bij de toepassing of uitlegging van haar verplichting die ingevolge artikel 266, eerste alinea, VWEU voortvloeide uit de uitvoering van een arrest waarbij een voorlopig betaalde geldboete nietig werd verklaard of werd gewijzigd. Dit argument komt er evenwel op neer dat om dezelfde redenen als die welke in de punten 60 tot en met 62 hierboven zijn uiteengezet, wordt ontkend dat de onrechtmatigheid voldoende gekwalificeerd is.
84 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie, door te weigeren forfaitaire rente te betalen voor het gemis van het genot van het door verzoekster onterecht betaalde geldboetebedrag om de enkele reden dat zij reeds de overeenkomstige rente had terugbetaald, zonder zich ervan te vergewissen dat dit bedrag op zijn minst overeenkwam met de verschuldigde forfaitaire rente, een voldoende gekwalificeerde schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU heeft begaan die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan doen ontstaan in de zin van artikel 268 VWEU, juncto artikel 340, tweede alinea, VWEU.
2) Schade
85 Volgens vaste rechtspraak moet de schade waarvoor in het kader van een vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie vergoeding wordt gevraagd, reëel en zeker zijn, hetgeen de verzoeker moet bewijzen (zie arrest van 9 november 2006, Agraz e.a./Commissie, C‑243/05 P, EU:C:2006:708, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze laatste dient concludente bewijzen over te leggen van zowel het bestaan als de omvang van de gestelde schade (zie arrest van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C‑362/95 P, EU:C:1997:401, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Aangezien de rente in kwestie forfaitair is, hoeft de verzoeker evenwel geen schade aan te tonen die verder gaat dan het loutere feit dat die rente niet volledig is betaald (zie in die zin arresten van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 62, en 10 oktober 2001, Corus UK/Commissie, T‑171/99, EU:T:2001:249, punt 56).
87 Aangezien de Commissie verzoekster naast het ten onrechte geïnde geldboetebedrag de overeenkomstige rente heeft betaald, moet voor de vraag of er schade is en wat daar in voorkomend geval de omvang van is, worden gekeken naar het verschil tussen de forfaitaire rente die de Commissie had moeten betalen en de voormelde overeenkomstige rente.
88 Verzoekster meent dat het rentepercentage moet worden bepaald op basis van het in artikel 86, lid 2, onder b), van verordening nr. 2342/2002 bedoelde rentepercentage, te weten het herfinancieringspercentage van de ECB vermeerderd met 3,5 procentpunten. Volgens haar bevestigt het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), haar standpunt over het toe te passen rentepercentage.
89 Verzoekster vordert 4264896,70 EUR schadevergoeding, welk bedrag overeenstemt met de forfaitaire rente over de onterecht betaalde hoofdsom (21037500 EUR) tegen een rentepercentage van 4,5 % voor de periode van 10 februari 2011 tot en met 8 februari 2016, verminderd met de 468540,80 EUR aan overeenkomstige rente die de Commissie reeds heeft betaald.
90 De Commissie wijst er in haar opmerkingen over het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), op dat het Hof daarin heeft geoordeeld dat het Gerecht geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door „naar analogie” een rentepercentage toe te passen dat overeenkwam met het herfinancieringspercentage van de ECB vermeerderd met 3,5 procentpunten.
91 Zij geeft aan dat er redenen zijn, die in het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), niet aan bod kwamen, waarom een lager dan het door verzoekster gevraagde percentage echter volstaat om het gemis van het genot van het voorlopig betaalde bedrag te compenseren. Zij voegt daaraan toe dat het door verzoekster gevraagde percentage in punt 84 van dat arrest weliswaar is aanvaard omdat het „niet onredelijk of disproportioneel is”, maar dat de bewoordingen die daarbij in dat arrest worden gehanteerd, suggereren dat dit niet het enige aanvaardbare rentepercentage is. Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd dat verordening nr. 2342/2002 in casu van toepassing is.
92 Zoals in punt 87 hierboven is uiteengezet, dient te worden nagegaan welk rentepercentage moet worden toegepast, om te kunnen bepalen of verzoekster schade heeft geleden en wat daar in voorkomend geval de omvang van is.
93 Vooraf moet worden opgemerkt dat het Hof in het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 90), zij het in het kader van een opmerking de lege ferenda, heeft herinnerd aan de doelstellingen van forfaitaire rente. Volgens het Hof kan het op die rente toepasselijke percentage niet worden beperkt tot het compenseren van de waardevermindering die heeft plaatsgevonden gedurende de periode waarover rente moet worden betaald, maar moet het ook strekken tot dekking van de forfaitaire vergoeding waarop de onderneming die de geldboete heeft betaald, recht heeft omdat zij gedurende een bepaalde periode niet het genot heeft gehad van de middelen die overeenkomen met het door de Commissie onterecht geïnde bedrag.
94 Uit de rechtspraak volgt dat de Commissie voor de vaststelling van de forfaitaire rente die moet worden betaald aan een onderneming die een door deze instelling opgelegde geldboete heeft betaald, na de nietigverklaring of verlaging van die geldboete het percentage moet hanteren dat daartoe is vastgesteld in de financiële regelgeving van de Unie die van kracht was tijdens de periode waarin het betrokken bedrag niet is kunnen worden gebruikt, en meer bepaald in de bepalingen van die regelgeving die handelen over het rentepercentage voor niet op de vervaldag voldane schuldvorderingen (zie in die zin arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 Het is juist dat het Hof in het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 83), heeft opgemerkt dat noch artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, noch enige andere bepaling van deze verordening vaststelde welk rentepercentage gold waar het gaat om een forfaitaire vergoeding als die welke daar aan de orde was. In die omstandigheden heeft het Hof in punt 84 van dat arrest geoordeeld dat het Gerecht niet ten onrechte het rentepercentage van artikel 83, lid 2, onder b), van die verordening, te weten het herfinancieringspercentage van de ECB vermeerderd met 3,5 procentpunten, had toegepast, ook al ziet deze bepaling op de hypothese van een betalingsachterstand, namelijk wanneer een schuldvordering niet is voldaan op de vervaldag. Het Hof was dienaangaande van oordeel dat het voormelde rentepercentage, gelet op het doel van de betrokken rente, niet onredelijk of disproportioneel was (arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 84).
96 Om het in de onderhavige zaak toepasselijke rentepercentage te bepalen, zij er om te beginnen aan herinnerd dat verzoekster de geldboete voorlopig heeft betaald op 10 februari 2011, dus op een tijdstip waarop verordening nr. 2342/2002 van kracht was. Na die betaling zijn verordening nr. 1605/2002 en verordening nr. 2342/2002 vervangen door verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1), respectievelijk gedelegeerde verordening nr. 1268/2012. Deze handelingen zijn in werking getreden op respectievelijk 27 oktober 2012 en 1 januari 2013. Het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), en de terugbetaling aan verzoekster op 8 februari 2016 van de hoofdsom van de geldboete en van de overeenkomstige rente dateren van na de inwerkingtreding van die nieuwe regelgeving.
97 In dit verband moet worden opgemerkt dat de redenering van het Gerecht in het arrest van 19 januari 2022, Deutsche Telekom/Commissie (T‑610/19, EU:T:2022:15), kan worden toegepast op de onderhavige zaak. Zowel artikel 83, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 als artikel 86, lid 2, van verordening nr. 2342/2002 regelen immers het rentepercentage voor op de vervaldag niet voldane schuldvorderingen. Punt a) van deze twee paragrafen ziet op het geval waarin de schuldvordering voortvloeit uit een overheidsopdracht, terwijl punt b) van die paragrafen ziet op alle andere gevallen en het rentepercentage vaststelt op het herfinancieringspercentage van de ECB vermeerderd met 3,5 procentpunten.
98 Bij gebreke van een bijzondere bepaling, in de financiële regelgeving, voor de vaststelling van het rentepercentage in het geval van een forfaitaire vergoeding voor het gemis van het genot van een door de Commissie onterecht geïnde geldboete, voor de periode tussen de datum van de voorlopige betaling ervan en die van de terugbetaling ervan door de instelling, kan het doel van de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde rente dus worden bereikt door een analoge toepassing van artikel 86, lid 2, onder b), van verordening nr. 2342/2002 en artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012.
99 De Commissie is evenwel van mening dat er redenen zijn waarom een lager dan het door verzoekster gevraagde rentepercentage volstaat om de voormelde genotsderving te compenseren. Volgens haar gaat het daarbij om het percentage dat wordt toegepast wanneer de debiteur een financiële zekerheid stelt in plaats van de geldboete te betalen, te weten het percentage bedoeld in artikel 86, lid 5, van verordening nr. 2342/2002, dat in wezen identiek is aan artikel 83, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012.
100 Opgemerkt zij echter dat het Hof dit argument heeft afgewezen in de punten 85 tot en met 87 van het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488).
101 De Commissie stelt evenwel dat de door het Hof aangevoerde redenen geen antwoord vormen op haar argument dat, wanneer een door een bankgarantie gedekte geldboete wordt bevestigd door het Gerecht – waaruit kan worden afgeleid dat de middelen krachtens het boetebesluit vanaf de vervaldatum van de betaling ter beschikking van de Commissie hadden moeten worden gesteld –, zij tijdens de duur van het geding niet over dat bedrag heeft kunnen beschikken. Volgens haar kan zij in dat geval slechts het in artikel 83, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 of artikel 86, lid 5, van verordening nr. 2342/2002 bedoelde lagere rentepercentage vorderen.
102 Er zij aan herinnerd dat artikel 86, lid 5, van verordening nr. 2342/2002 en artikel 83, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 zien op het geval waarin de debiteur bij een geldboete een financiële zekerheid stelt die door de rekenplichtige wordt aanvaard in plaats van een betaling. Geconstateerd zij dan ook dat de wetgever voor dit geval heeft voorzien in een specifiek rentepercentage (arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom, C‑221/22 P, EU:C:2024:488, punt 85).
103 Dienaangaande zij er ook aan herinnerd dat artikel 5 van het besluit van 9 november 2010 bepaalde dat wanneer een gesanctioneerde onderneming beroep instelt, zij de geldboete overeenkomstig artikel 85 bis, lid 1, van verordening nr. 2342/2002 van de Commissie vóór de vervaldag kan dekken door ofwel een financiële zekerheid te stellen ofwel de geldboete voorlopig te betalen. De financiële zekerheid bleef dus een alternatief voor de contante betaling.
104 Vastgesteld moet worden dat de Commissie zich in de hypothese van een bankgarantie niet bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die van verzoekster toen deze de geldboete voorlopig heeft betaald. Stellig kan de Commissie bij een bankgarantie niet over het bedrag van de opgelegde geldboete beschikken, maar de keuze voor een bankgarantie brengt geen enkele verarming voor haar mee, aangezien zij alleen het onmiddellijke voordeel van extra middelen misloopt. Bovendien brengt het instellen en het aanhouden van een bankgarantie extra kosten met zich mee die volledig worden gedragen door de partij die de geldboete moet betalen.
105 De voorlopige betaling van de geldboete daarentegen betekende voor verzoekster een verlies van middelen die zij in haar bezit had en die zij vrij kon gebruiken. Die betaling heeft tot een onmiddellijke verarming geleid ten belope van de opgelegde geldboete. Bovendien ontvangt de Commissie weliswaar onmiddellijk het bedrag van de opgelegde geldboete, maar zij kan daarover niet vrijelijk beschikken totdat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput, zoals blijkt uit artikel 85 bis, lid 2, van verordening nr. 2342/2002 en artikel 90, lid 3, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012. Ook is het feit dat de met de geldboete overeenstemmende middelen niet kunnen worden gebruikt, een gevolg van de uitoefening van verzoeksters recht om beroep in te stellen teneinde de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de geldboete te laten toetsen.
106 Hieruit volgt dat in geval van verwerping van het beroep tegen het besluit waarbij de geldboete is opgelegd, de in artikel 86, lid 5, van verordening nr. 2342/2002 en artikel 83, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 bedoelde rente die de onderneming aan de Commissie moet betalen, niet vergelijkbaar is met de forfaitaire rente die de Commissie moet betalen na een beslissing van de Unierechter waarbij de onrechtmatigheid van haar besluit wordt vastgesteld.
107 Daaruit volgt ook dat de Commissie zich niet in dezelfde situatie bevindt naargelang de schuldenaar van een geldboete, in afwachting van de rechterlijke beslissing, een financiële zekerheid stelt dan wel de geldboete voorlopig betaalt. Gelet op die verschillende situaties, naargelang de keuze van die schuldenaar, is de toepassing van het door de Commissie voorgestelde rentepercentage in dit geval niet gerechtvaardigd.
108 Bijgevolg moet het argument van de Commissie dat er een passende rentevoet is die lager is dan die welke in punt 101 hierboven is vermeld, worden afgewezen.
109 Bijgevolg moet het in casu toepasselijke rentepercentage worden bepaald door een analoge toepassing van het rentepercentage dat bedoeld wordt in artikel 86, lid 2, onder b), van verordening nr. 2342/2002 en artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, dat wil zeggen het rentepercentage dat de ECB in februari 2011 op haar basisherfinancieringstransacties heeft toegepast, te weten 1 % vermeerderd met 3,5 procentpunten, dus 4,5 %.
110 Uit het voorgaande volgt dat het bedrag van de forfaitaire rente 4733437,50 EUR bedraagt (toepassing van een rentevoet van 4,5 % over het bedrag van 21037500 EUR voor de periode van 10 februari 2011 tot en met 8 februari 2016). De door verzoekster geleden schade komt dus overeen met het verschil tussen dit bedrag en de overeenkomstige rente (468540,80 EUR), te weten 4264896,70 EUR.
3) Oorzakelijk verband
111 Verzoekster betoogt dat de door haar geleden schade rechtstreeks voortvloeit uit de niet-nakoming door de Commissie van de krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU op deze laatste rustende verplichtingen. Ten eerste had zij het recht om te kiezen tussen het stellen van een bankgarantie – waarvan de Commissie niet heeft aangetoond dat die minder duur zou zijn geweest – en het voorlopig betalen van de geldboete. Ten tweede heeft zij het recht om een vordering tot betaling van forfaitaire rente in te stellen op om het even welk tijdstip, mits dit vóór de verjaring van de vordering tot schadevergoeding geschiedt.
112 De Commissie voert aan dat het bedrag van de forfaitaire rente moet worden geweigerd of verminderd omdat verzoekster heeft nagelaten haar verliezen te beperken, in strijd met het fundamentele beginsel ter zake. Verzoekster heeft niet aangetoond dat het bedrag van de forfaitaire rente die zij vordert kleiner is dan het verlies dat zij zou hebben geleden indien zij een bankgarantie had gesteld in plaats van een voorlopige betaling te verrichten. Voor zover zij voor de betaling van de geldboete de keuze had tussen deze twee oplossingen, had zij op het moment van de voorlopige betaling van de boete moeten kiezen voor de oplossing waarbij haar schade, in geval van nietigverklaring van de boete, tot een minimum zou worden beperkt.
113 In herinnering dient te worden gebracht dat de in artikel 340, tweede alinea, VWEU gestelde voorwaarde van een oorzakelijk verband betrekking heeft op het bestaan van een voldoende direct oorzakelijk verband tussen het gedrag van de instellingen van de Unie en de schade, welk verband door de verzoekende partij dient te worden bewezen, zodat het verweten gedrag de doorslaggevende oorzaak van de schade moet zijn (zie arrest van 13 december 2018, Europese Unie/Kendrion, C‑150/17 P, EU:C:2018:1014, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Anders gezegd, zelfs al zouden de instellingen hebben bijgedragen tot de schade die men vergoed wil zien, dan nog kan deze bijdrage te ver verwijderd zijn omdat andere personen aansprakelijk zijn, in voorkomend geval de verzoekende partij (zie arrest van 10 januari 2017, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie, T‑577/14, EU:T:2017:1, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Dienaangaande is ook reeds geoordeeld dat bij het onderzoek van het oorzakelijk verband tussen de aan de Unie-instelling verweten gedraging en de door de benadeelde gestelde schade moet worden nagegaan of de benadeelde zich als een oplettende justitiabele redelijke inspanningen heeft getroost om de door hem gestelde schade te voorkomen of de omvang ervan te beperken; zo niet moet hij zelf de schade dragen. Het oorzakelijk verband kan immers worden verbroken door nalatig gedrag van de benadeelde wanneer dit gedrag de doorslaggevende oorzaak van de schade blijkt te zijn (zie beschikking van 4 juni 2012, Azienda Agricola Bracesco/Commissie, T‑440/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:269, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 Zoals uit de punten 65 tot en met 84 hierboven blijkt, was de Commissie na het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (T‑9/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:994), verplicht om verzoekster het bedrag van de voorlopig betaalde geldboete terug te betalen, vermeerderd met forfaitaire rente.
117 In casu heeft de Commissie alleen het bedrag van de overeenkomstige rente betaald en is zij aldus tekortgeschoten in de op haar krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU rustende verplichting om forfaitaire rente te betalen. Deze niet-nakoming vertoont bijgevolg een voldoende direct oorzakelijk verband met de door verzoekster geleden schade (zie punten 92‑110 hierboven).
118 De Commissie kan verzoekster in dit verband niet verwijten er vrijelijk voor te hebben gekozen de geldboete voorlopig te hebben betaald in plaats van een bankgarantie te stellen. Verzoeksters keuze om haar geldboete voorlopig te betalen strookt immers met het besluit van 9 november 2010, en met name met artikel 5, lid 4, ervan, en kan het oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onrechtmatigheid en de geleden schade niet verbreken.
119 Derhalve is er een voldoende direct oorzakelijk verband tussen de voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht en de door verzoekster geleden schade.
b) Vertragingsrente
120 Ten eerste vordert verzoekster in het kader van haar beroep tot schadevergoeding vertragingsrente zonder kapitalisatie over het bedrag van 4264896,70 EUR – dat overeenkomt met de gevorderde forfaitaire rente voor de periode van 9 februari 2016 tot en met 4 februari 2021 – tegen hetzelfde rentepercentage als het percentage dat in punt 88 hierboven in herinnering is gebracht, wat neerkomt op een bedrag van 958550,14 EUR.
121 Ten tweede vordert zij samengestelde rente, tegen het in punt 88 hierboven in herinnering gebrachte rentepercentage, over het op 4 februari 2021 verschuldigde bedrag – te weten 5223446,84 EUR (4264896,70 EUR + 958550,14 EUR) – tot aan de volledige betaling door de Commissie.
122 Wat de in punt 120 hierboven bedoelde rente betreft, voert de Commissie aan dat verzoekster buitensporig lang heeft gewacht met de indiening van haar voorafgaand verzoek krachtens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zodat haar hoofdvordering van 4264896,70 EUR, die overeenstemt met de gevorderde rente voor de periode tussen de voorlopige betaling van de boete en het terugbetalingsbesluit, met 958550 EUR is verhoogd, wat neerkomt op een stijging van meer dan 20 %. Deze verhoging is niet te wijten aan enige fout van de Commissie die op grond van artikel 340 VWEU in aanmerking zou kunnen worden genomen, maar volledig te wijten aan verzoeksters stilzitten. Volgens de Commissie heeft verzoekster, gelet op de late indiening van haar voorafgaand verzoek krachtens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, niet de nodige zorgvuldigheid betracht om de omvang van haar schade te beperken. De in dit artikel genoemde verjaringstermijn kan immers geen rechtvaardiging zijn voor haar onrechtmatig stilzitten in de periode na de terugbetaling van de geldboete door de Commissie. Deze laatste stelt in haar opmerkingen op het arrest van 11 juni 2024, Commissie/Deutsche Telekom (C‑221/22 P, EU:C:2024:488), dat deze kwestie niet aan de orde was in dat arrest.
123 Er zij aan herinnerd dat wat betreft een vordering op grond van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie krachtens artikel 340, tweede alinea, VWEU, uit de rechtspraak blijkt dat bij gebreke van bijzondere omstandigheden de verplichting om vertragingsrente te betalen ingaat op de datum van het arrest dat vaststelt dat er een verplichting tot schadevergoeding bestaat (zie arresten van 10 januari 2017, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie, T‑577/14, EU:T:2017:1, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 januari 2022, Deutsche Telekom/Commissie, T‑610/19, EU:T:2022:15, punt 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
124 Zoals ook uit het arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39, punten 122‑124 en 129), blijkt, kan dus in bijzondere omstandigheden vertragingsrente worden toegekend over een periode die aan de uitspraak van het arrest voorafgaat.
125 In casu moet ten eerste worden opgemerkt dat de verplichting van de Commissie om de terugbetaling van de door verzoekster voorlopig betaalde geldboete te vermeerderen met forfaitaire rente, rechtstreeks voortvloeit uit artikel 266 VWEU en dat het gemis van het genot van het met die rente overeenkomende bedrag begonnen is op het moment van die terugbetaling (zie in die zin arresten van 20 januari 2021, Commissie/Printeos, C‑301/19 P, EU:C:2021:39, punten 122‑124 en 129, en 8 maart 2023, Campine en Campine Recycling/Commissie, T‑94/20, niet gepubliceerd, EU:T:2023:110, punten 105-108).
126 Ten tweede heeft verzoekster de Commissie in haar brief van 4 februari 2021 duidelijk herinnerd aan haar uit artikel 266 VWEU en de rechtspraak voortvloeiende verplichtingen en verzocht om kapitalisatie van de rente tot aan de volledige betaling door de Commissie (zie punt 12 hierboven).
127 Voor zover de in de punten 125 en 126 hierboven beschreven bijzondere omstandigheden aanwezig waren op de datum van verzoeksters voorafgaand verzoek – bij wege van haar brief van 4 februari 2021 aan de Commissie – moet dan ook vertragingsrente worden toegekend over het bedrag van 4264896,70 EUR vanaf 5 februari 2021 tot aan de volledige betaling door de Commissie. Er is daarentegen geen enkele bijzondere omstandigheid die zou rechtvaardigen dat vertragingsrente wordt toegekend voor de periode tussen de datum van terugbetaling van de geldboete – 8 februari 2016 – en de datum van het voorafgaand verzoek – 4 februari 2021 – aangezien de vertraging bij het indienen van dat voorafgaand verzoek uitsluitend te wijten is aan het gedrag van verzoekster.
128 Wat het toepasselijke rentepercentage betreft, moet toepassing worden gemaakt van artikel 99, lid 2, onder b), van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1), die in casu van toepassing was op het moment van het voorafgaand verzoek in de zin van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Op grond van die bepaling moet de aan verzoekster toegekende vertragingsrente worden berekend op basis van het rentepercentage dat de ECB op 4 februari 2021 op haar basisherfinancieringstransacties toepaste, te weten 0 % vermeerderd met 3,5 procentpunten, oftewel in de onderhavige zaak 3,5 %.
129 Bijgevolg moet aan verzoekster vertragingsrente worden toegekend over het bedrag van 4264896,70 EUR, tegen een rentepercentage van 3,5 % vanaf 5 februari 2021 tot aan de volledige betaling door de Commissie.
c) Conclusie met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding
130 Gelet op de voorgaande overwegingen moet de Commissie worden veroordeeld tot betaling aan verzoekster van een vergoeding voor de schade die zij heeft geleden door de voldoende gekwalificeerde schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU die erin bestaat dat verzoekster over het bedrag van de door haar ten onrechte betaalde geldboete geen forfaitaire rente van 4,5 % heeft ontvangen voor de periode tussen de voorlopige betaling van de geldboete op 10 februari 2011 en de terugbetaling van de ten onrechte betaalde geldboete op 8 februari 2016, onder aftrek van het bedrag van de rente die de Commissie reeds heeft betaald bij de terugbetaling van de geldboete. Die vergoeding bedraagt 4264896,70 EUR. Aan verzoekster moet ook vertragingsrente over dit bedrag van 4264896,70 EUR worden toegekend, tegen een rentepercentage van 3,5 % vanaf 5 februari 2021 tot aan de volledige betaling door de Commissie.
131 De vordering tot schadevergoeding wordt voor het overige afgewezen, zodat ook de subsidiair ingestelde vordering tot nietigverklaring moet worden onderzocht.
B. Vordering tot nietigverklaring
132 Verzoekster vordert subsidiair nietigverklaring van de brief van 25 maart 2021 waarbij de Commissie haar verzoek tot betaling van de forfaitaire en de vertragingsrente heeft afgewezen. Haar enige middel betreft het feit dat de Commissie ten onrechte zou hebben geoordeeld dat het verzoek tot betaling van rente verjaard was.
133 De Commissie betoogt dat verzoeksters vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is op grond dat zij geen procesbelang heeft en, subsidiair, dat de brief van 25 maart 2021 een bevestigend karakter heeft.
134 Zij stelt dat verzoekster geen enkel belang heeft bij het verzoek tot nietigverklaring van de brief van 25 maart 2021. Volgens haar slaagt verzoekster er niet in uit te leggen waarom het beroep tot nietigverklaring haar een voordeel zou verschaffen. De Commissie voert aan dat het verzoek tot nietigverklaring niet ter zake dienend is, ook al voert verzoekster terecht aan dat de verjaringstermijn is ingegaan op de datum waarop zij onrechtmatig zou hebben nagelaten forfaitaire rente te betalen. Bovendien kan een nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU van de brief van 25 maart 2021 volgens de Commissie geen enkele verplichting voor haar creëren om verzoekster de gevorderde rente te betalen.
135 Verzoekster betoogt dat zij nog steeds belang heeft bij een nietigverklaring van de brief van 25 maart 2021. Een vastgestelde onrechtmatigheid jegens haar zou als grondslag kunnen dienen voor een eventueel beroep tot vergoeding van de door die brief veroorzaakte schade. Zij heeft er volgens haar ook belang bij die brief te betwisten om te voorkomen dat de beweerde onrechtmatigheid zich in de toekomst opnieuw voordoet. Bovendien heeft een nietigverklaring van die brief tot gevolg dat de Commissie verplicht is om haar antwoord over de uitvoering van het nietigverklaringsarrest op grond van artikel 266 VWEU te herzien en dus om het Unierecht correct toe te passen door aan verzoekster de verschuldigde rente te betalen.
136 Volgens vaste rechtspraak is een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk indien de verzoekende partij belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Dit belang moet reëel en actueel zijn en worden beoordeeld op de dag waarop het beroep is ingesteld. Ook moet dit belang blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (zie arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137 Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben of, anders geformuleerd, dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie beschikking van 25 november 2014, Global Steel Wire/Commissie, T‑429/10 en T‑578/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1008, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
138 Conclusies die strekken tot nietigverklaring van de weigering van een instelling, orgaan of instantie van de Unie om het door een verzoeker krachtens de artikelen 268 en 340 VWEU ingeroepen recht op schadevergoeding te erkennen, moeten niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de verzoekende partij in beginsel geen enkel belang heeft bij indiening van deze vorderingen naast de vorderingen tot schadevergoeding (zie in die zin arresten van 13 juni 1972, Compagnie d’approvisionnement, de transport et de crédit et Grands Moulins de Paris/Commissie, 9/71 en 11/71, EU:C:1972:52, punten 9‑11, en 17 juli 2024, Montanari/EUCAP Sahel Niger, T‑371/22, EU:T:2024:494, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Opgemerkt zij dat de Commissie zich in de brief van 25 maart 2021 uitspreekt over de aanvang van de in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde verjaringstermijn van de schadevordering, namelijk de datum waarop verzoekster de geldboete voorlopig had betaald. De Commissie was van mening dat deze vordering was verjaard en wees het verzoek van verzoekster dus op die grond af.
140 Daarbij moet worden vastgesteld dat verzoekster met haar vordering tot nietigverklaring in feite hetzelfde financiële resultaat nastreeft als met haar vordering tot schadevergoeding. Derhalve heeft zij geen belang bij een nietigverklaring van de brief van 25 maart 2021 bovenop de toewijzing van haar schadevordering, zoals ook uit het subsidiaire karakter van de onderhavige vordering tot nietigverklaring blijkt.
141 Bijgevolg moet de vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het subsidiair aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid.
IV. Kosten
142 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering draagt elke partij haar eigen kosten indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
143 Aangezien in casu elke partij ten dele in het ongelijk is gesteld, moeten zij elk worden verwezen in hun eigen kosten.
HET GERECHT (Negende kamer, zitting hebbend met vijf rechters) rechtdoende, verklaart:
1) De Europese Commissie wordt veroordeeld tot vergoeding van de door Air Canada geleden schade ten bedrage van 4264896,70 EUR.
2) De in punt 1 genoemde schadevergoeding wordt vermeerderd met vertragingsrente voor de periode van 5 februari 2021 tot de volledige betaling ervan tegen een rentepercentage van 3,5 %.
3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4) Air Canada en de Commissie zullen elk hun eigen kosten dragen.
Papasavvas Truchot Kanninen Sampol Pucurull Perišin Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 maart 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 17 juli 2024, T-371/22, ECLI:EU:T:2024:494
- HvJ EU 11 juni 2024, C-221/22, ECLI:EU:C:2024:488
- HvJ EU 11 januari 2024, C-122/22, ECLI:EU:C:2024:11
- Gerecht EU 19 januari 2022, T-610/19, ECLI:EU:T:2022:15
- HvJ EU 20 januari 2021, C-301/19, ECLI:EU:C:2021:39
- HvJ EU 10 september 2019, C-123/18, ECLI:EU:C:2019:694
- HvJ EU 5 september 2019, C-447/17, ECLI:EU:C:2019:672
- Gerecht EU 12 februari 2019, T-201/17, ECLI:EU:T:2019:81
- HvJ EU 13 december 2018, C-150/17, ECLI:EU:C:2018:1014
- Gerecht EU 10 januari 2017, T-577/14, ECLI:EU:T:2017:1
- HvJ EU 12 februari 2015, C-336/13, ECLI:EU:C:2015:83
- Gerecht EU 5 september 2014, T-471/11, ECLI:EU:T:2014:739
- HvJ EU 8 november 2012, C-469/11, ECLI:EU:C:2012:705
- Gerecht EU 27 september 2007, T-8/95, ECLI:EU:T:2007:298
- HvJ EU 7 juni 2007, C-362/05, ECLI:EU:C:2007:322
- HvJ EU 9 november 2006, C-243/05, ECLI:EU:C:2006:708
- HvJ EU 9 december 2004, C-123/03, ECLI:EU:C:2004:783
- HvJ EU 23 maart 2004, C-234/02, ECLI:EU:C:2004:174
- Gerecht EU 7 februari 2002, T-261/94, ECLI:EU:T:2002:27
- Gerecht EU 10 oktober 2001, T-171/99, ECLI:EU:T:2001:249