HvJ EU 23 maart 2004, C-234/02, ECLI:EU:C:2004:174
Tekst
Zaak C‑234/02 P
Europese ombudsman
tegen
Frank Lamberts
„Hogere voorziening – Niet-ontvankelijkheid – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Behandeling door Europese ombudsman van klacht inzake intern vergelijkend onderzoek voor aanstelling in vaste dienst”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot schadevergoeding – Voorwerp – Vordering tot vergoeding van schade veroorzaakt door gestelde slechte behandeling van klacht door Europese ombudsman – Ontvankelijkheid – Bevoegdheid van gemeenschapsrechter verenigbaar met controlebevoegdheid van Parlement – Geen bedreiging van onafhankelijkheid van ombudsman
(Art. 195 EG, 235 EG en 288, tweede alinea, EG; statuut van de Europese ombudsman, art. 3, leden 7 en 8, en 8)
2. Beroep tot schadevergoeding – Zelfstandig rechtsmiddel ten opzichte van beroep tot nietigverklaring en beroep wegens nalaten – Noodzaak om voor vaststelling van aansprakelijkheid rechtmatigheid van schade berokkenende gedraging van instelling of orgaan van Gemeenschap te beoordelen – Beroep strekkende tot vergoeding van schade veroorzaakt door gestelde slechte behandeling van klacht door Europese ombudsman – Beoordeling van rechtmatigheid van gedrag van ombudsman in uitoefening van zijn ambt
(Art. 235 EG en 288, tweede alinea, EG)
3. Hogere voorziening – Middelen – Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten – Ontbreken van aanwijzing van gestelde onjuiste rechtsopvatting – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, eerste alinea, sub c)
4. Europese ombudsman – Algemene verplichting, indieners van klacht te informeren over rechtsmiddelen en termijnen – Geen
(Statuut van de Europese ombudsman, art. 2, lid 5)
5. Europese ombudsman – Nastreven van oplossing die in overeenstemming is met particulier belang van betrokken burger – Verplichting tot samenwerking met betrokken instelling – Beoordelingsvrijheid van ombudsman – Beslissing waarin wordt geconcludeerd dat onmogelijk oplossing kan worden gevonden die klager genoegdoening zou verschaffen – Dienstfout – Geen
(Statuut van de Europese ombudsman, art. 3, lid 5)
1. Hoewel de Europese ombudsman over een ruime beoordelingsmarge beschikt wat de gegrondheid van de door hem ontvangen klachten van burgers en de daaraan te verbinden gevolgen betreft, en er in deze context op hem geen resultaatsverplichting rust, zodat het toezicht van de gemeenschapsrechter moet worden beperkt, kan niet worden uitgesloten dat een burger in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan aantonen dat de ombudsman zich in de uitoefening van zijn functie schuldig heeft gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht, die de betrokken burger schade kan berokkenen. Derhalve is een beroep tot schadevergoeding op grond van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor de gestelde slechte behandeling van een klacht door de ombudsman in beginsel ontvankelijk.
De bevoegdheid van het Parlement om toezicht uit te oefenen op de Europese ombudsman, sluit rechterlijke toetsing van diens activiteiten niet uit. De op de ombudsman rustende verplichting om verslag uit te brengen aan het Parlement kan immers niet worden beschouwd als toezicht van het Parlement op de goede uitoefening van de opdracht van de ombudsman bij de behandeling van klachten van burgers. Verder ziet de procedure van ambtsontheffing van de ombudsman op een beoordeling van al diens werkzaamheden en betreft het hier niet een toezicht door het Parlement op de wijze waarop de ombudsman bij de behandeling van een klacht van een burger zijn taak heeft verricht. De bevoegdheden van het Parlement ten aanzien van de ombudsman zijn hoe dan ook niet vergelijkbaar met een bevoegdheid tot rechterlijke toetsing. Rechterlijke toetsing van de activiteiten van de ombudsman vormt dan ook geen overlapping van het toezicht door het Parlement.
(cf. punten 43‑48, 52)
2. Het beroep tot schadevergoeding is een zelfstandige rechtsweg, die binnen het stelsel der beroepsmogelijkheden een bijzondere functie heeft en aan het gebruik waarvan in verband met zijn bijzondere doel bepaalde voorwaarden zijn verbonden. Terwijl de beroepen tot nietigverklaring en wegens nalaten ertoe strekken de onrechtmatigheid van een juridisch bindende handeling of het ontbreken van een dergelijke handeling te bestraffen, betreft het beroep tot schadevergoeding de vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een onrechtmatige handeling of handelwijze die aan een communautaire instelling of een communautair orgaan kan worden toegerekend.
Daar een van de voorwaarden voor het recht op vergoeding is, dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent, moet, wat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap betreft, voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van een instelling of orgaan van de Gemeenschap het gedrag worden beoordeeld dat de schade heeft veroorzaakt. Indien de gemeenschapsrechter de rechtmatigheid van een gedraging van een instelling of orgaan van de Gemeenschap niet zou mogen beoordelen, zou dat de procedure van artikel 235 EG haar nuttig effect ontnemen.
In het kader van een beroep op grond van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap strekkende tot vergoeding van schade die zou zijn berokkend door de wijze waarop de Europese ombudsman een klacht heeft behandeld, moet derhalve meer bepaald de rechtmatigheid van het gedrag van de ombudsman in de uitoefening van zijn ambt worden onderzocht.
(cf. punten 59‑62)
3. Wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele haar betekenis verliezen, indien een rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht. Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt echter dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid immers slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is.
(cf. punten 75‑77)
4. De bepalingen betreffende de uitoefening van het ambt van Europees ombudsman, meer bepaald artikel 2, lid 5, van besluit 94/262 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt, verplichten de ombudsman geenszins de klager te informeren over de andere beroepsmogelijkheden waarover hij beschikt, en over de termijnen om beroep in rechte in te stellen. Hij is a fortiori niet verplicht de klager te adviseren, van een bepaalde beroepsmogelijkheid gebruik te maken. Hoewel het kan bijdragen tot de goede vervulling van de bij het Verdrag aan de ombudsman opgedragen taak, dat deze in voorkomend geval de betrokken burger inlicht over de beroepen die hij zou moeten instellen om zijn belangen zo goed mogelijk te behartigen, kan artikel 2, lid 5, van besluit 94/262 niet aldus worden uitgelegd dat het de klager een recht verleent om naar het Gerecht te worden verwezen voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de instelling waarop de klacht betrekking heeft.
(cf. punten 80‑81)
5. Bij het zoeken naar een minnelijke schikking in een geschil tussen degene die bij hem een klacht heeft ingediend, en een instelling van de Gemeenschap, is de Europese ombudsman volgens artikel 3, lid 5, van besluit 94/262 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt alleen verplicht met de betrokken instelling samen te werken teneinde tot een oplossing te komen die een eind maakt aan de gevallen van wanbeheer en de klager genoegdoening kan verschaffen. Hij beschikt in dat verband over een zeer ruime beoordelingsvrijheid. Hij moet met name beoordelen of een oplossing kan worden gezocht die de klager genoegdoening verschaft, met dien verstande dat er situaties zijn waarin een dergelijke oplossing niet kan worden gevonden, zoals blijkt uit artikel 6, lid 3, van de bepalingen ter uitvoering van dit statuut, in welk geval de ombudsman de zaak afsluit bij een met redenen omkleed besluit. De ombudsman kan hoe dan ook niet worden verweten dat hij de hem toevertrouwde opdracht niet correct heeft vervuld op de enkele grond dat hij heeft geconcludeerd dat onmogelijk een oplossing kon worden gevonden die de klager genoegdoening zou verschaffen. Daaruit volgt dat de ombudsman, zonder een dienstfout te maken, in zijn besluit tot afsluiting van een bepaald onderzoek kan concluderen dat een minnelijke schikking die verzoeker genoegdoening verschaft, niet mogelijk is.
(cf. punt 82)
ARREST VAN HET HOF (voltallige zitting ) 23 maart 2004(1)
„Hogere voorziening – Niet-ontvankelijkheid – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Behandeling door Europees ombudsman van klacht inzake intern vergelijkend onderzoek voor aanstelling in vaste dienst”
rekwirant,
verzoeker in eerste aanleg die incidentele hogere voorziening heeft ingesteld,
HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting ),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 2003,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting),
Skouris Jann Timmermans
Gulmann Cunha Rodrigues Rosas
Puissochet Schintgen Macken
Colneric von Bahr
De griffier De president
R. Grass V. Skouris
1 – Procestaal: Frans.