Gerecht EU 17 juli 2024, T-371/22, ECLI:EU:T:2024:494

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)

17 juli 2024 ( *1 )

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Missie EUCAP Sahel-Niger – Gedetacheerde nationale functionarissen – Mobbing – Afwijzing van een verzoek om schadevergoeding – Beroep tot nietigverklaring – Geen procesbelang – Niet-ontvankelijkheid – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Recht op waardigheid – Artikelen 1 en 31 van het Handvest van de grondrechten – Bemiddelingsprocedure – Geen bekendmaking van het rapport van de bemiddelaar – Geen uitvoering van de aanbevelingen van de bemiddelaar – Recht op behoorlijk bestuur – Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten – Zorgplicht – Immateriële schade – Materiële schade – Causaal verband”

In zaak T‑371/22,

Marco Montanari, wonende te Reggio Emilia (Italië), vertegenwoordigd door S. Rodrigues en A. Champetier, advocaten,

verzoeker,

tegen

EUCAP Sahel Niger, vertegenwoordigd door E. Raoult, advocaat,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer),

samengesteld als volgt: L. Truchot (rapporteur), president, H. Kanninen en T. Perišin, rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken, met name:

– de excepties van onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid die verweerster bij op 30 september 2022 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft opgeworpen,

– de opmerkingen van verzoeker over die excepties, ingediend ter griffie van het Gerecht op 4 november 2022,

– de beschikking van 16 december 2022 tot voeging van die excepties met de zaak ten gronde,

na de terechtzitting op 29 november 2023,

het navolgende

Arrest ( 1 )

1 Met zijn beroep vordert verzoeker, Marco Montanari, in de eerste plaats nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU van het besluit van de missie van de Europese Unie in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) in Niger (EUCAP Sahel Niger; hierna: „missie”) van 28 april 2022 waarbij zijn verzoek om schadevergoeding van 4 februari 2022 is afgewezen, en, in de tweede plaats, vergoeding krachtens artikel 268 VWEU van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van psychisch geweld (mobbing) en schending van het recht op behoorlijk bestuur en de zorgplicht.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoeker is per 14 april 2015 door de Italiaanse regering bij de missie gedetacheerd als politiek adviseur.

3 In september 2016 is de detachering van verzoeker bij de missie verlengd tot 14 april 2018.

4 Op 8 maart 2017 heeft verzoeker het plaatsvervangend hoofd van de missie verzocht om een tuchtrechtelijke procedure in te leiden tegen de pers- en publieksvoorlichter (hierna: „PPIO”) wegens het psychisch geweld dat hij verzoeker had aangedaan (hierna: „eerste klacht van 8 maart 2017”).

5 Diezelfde dag heeft verzoeker het plaatsvervangend hoofd van de missie verzocht om een tuchtrechtelijke procedure in te leiden tegen het hoofd van de missie en de PPIO alsmede tegen de eerste ondertekenaar van de aan de PPIO verleende toestemming om verlof op te nemen om op 25 en 26 februari 2017 over land naar Burkina Faso te reizen, op grond dat, in de eerste plaats, een dergelijke reis van de PPIO een oneerlijke gedraging jegens de leiding van de missie vormde, en, in de tweede plaats, die toestemming voor verlof moet worden beschouwd als een grove nalatigheid van het hoofd van de missie waardoor afbreuk wordt gedaan aan de zorgplicht. Subsidiair, indien het plaatsvervangend hoofd van de missie de eerste ondertekenaar was van die toestemming voor verlof, heeft verzoeker hem verzocht om zijn verzoek om inleiding van een tuchtrechtelijke procedure over te dragen aan het civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC) van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), en aangekondigd dat hij in dat geval ook tegen hem een tuchtrechtelijke procedure wenste in te leiden wegens grove nalatigheid (hierna: „tweede klacht van 8 maart 2017”).

6 Op 24 maart 2017 heeft het plaatsvervangend hoofd van de missie verzoeker medegedeeld dat de eerste klacht van 8 maart 2017 was geseponeerd.

7 Op 28 maart 2017 heeft verzoeker de directeur van het CPCC, in zijn hoedanigheid van civiele operationele commandant (COC) van de missie, geïnformeerd over de indiening van de eerste en de tweede klacht van 8 maart 2017 en hem verzocht om de behandeling van deze twee klachten op zich te nemen (hierna: „melding van 28 maart 2017”).

8 Op 15 mei 2017 heeft de plaatsvervanger van de COC het hoofd van de missie medegedeeld dat de tweede klacht van 8 maart 2017 zou worden behandeld als een beleidskwestie zonder een formele tuchtrechtelijke procedure in te leiden.

9 Op 17 juli 2017 heeft verzoeker de COC verzocht om een onderzoek tegen het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger in te stellen wegens psychisch geweld (hierna: „melding van 17 juli 2017”). Later die dag heeft het hoofd van de missie verzoeker een schriftelijke waarschuwing gestuurd omdat verzoeker hem respectloos had behandeld tijdens de bijeenkomst van 10 april 2017 (hierna: „eerste schriftelijke waarschuwing”).

10 Op 18 juli 2017 heeft verzoeker de eerste schriftelijke waarschuwing doorgestuurd naar de COC met het verzoek om daarmee rekening te houden bij het onderzoek van de melding van 17 juli 2017.

11 Op 20 juli 2017 is verzoeker medegedeeld dat er een functionaris van het CPCC (hierna: „bemiddelaar”) was aangewezen om in de loop van de daaropvolgende week de situatie ter plaatse te onderzoeken.

12 Op 25 en 26 juli 2017 heeft de bemiddelaar verschillende gesprekken gevoerd binnen de missie, waaronder een aantal met verzoeker.

13 Op 27 juli 2017 heeft de dienst Personeelszaken van de missie (hierna: „dienst PZ”) verzoeker verzocht om vóór 4 augustus 2017 het beoordelingsformulier in te vullen in verband met de verlenging van zijn detachering per 14 april 2018.

14 Diezelfde dag heeft het hoofd van de dienst PZ verzoeker naar aanleiding van een verzoek om dagen van onregelmatige afwezigheid te verantwoorden een bijgewerkt overzicht van zijn vakantiedagen gestuurd.

15 Op 28 juli 2017 heeft verzoeker de COC in aanvulling op het dossier van de melding van 17 juli 2017 op de hoogte gesteld van de in de punten 13 en 14 hierboven genoemde informatie-uitwisselingen met de dienst PZ.

16 Op 29 juli 2017 heeft de bemiddelaar zijn rapport uitgebracht (hierna: „rapport van 29 juli 2017”).

17 Op 23 augustus 2017 heeft verzoeker de dienst PZ medegedeeld dat hij zijn detachering bij de missie na 14 april 2018 niet wenste te verlengen.

18 Op 25 oktober 2017 heeft verzoeker in aanvulling op het dossier van de melding van 17 juli 2017 nieuwe gegevens ter kennis van de COC gebracht.

19 Op 22 november 2017 heeft de missie de Italiaanse autoriteiten laten weten dat verzoeker tussen 17 en 20 november 2017 onregelmatig afwezig was en dat zij voornemens was om vier dagen in te houden op de betaling van de dagvergoedingen van verzoeker.

20 Op 23 november 2017 heeft het hoofd van de missie het verzoek van verzoeker om regularisatie van een onregelmatige afwezigheid van drie dagen afgewezen en hem een tweede schriftelijke waarschuwing gestuurd (hierna: „tweede schriftelijke waarschuwing”). Diezelfde dag heeft verzoeker de COC gevraagd om een nieuw onderzoek in te stellen op grond dat de in punt 19 hierboven genoemde feiten moesten worden beschouwd als psychisch geweld door het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger (hierna: „melding van 23 november 2017”).

21 Op 28 november 2017 heeft verzoeker de COC laten weten dat er drie dagen waren ingehouden op zijn salaris en heeft hij hem eveneens verzocht om zijn standpunt met betrekking tot de meldingen van 17 juli en 23 november 2017 kenbaar te maken.

22 Op 4 december 2017 heeft verzoeker de inhoud van de meldingen van 17 juli en 23 november 2017 medegedeeld aan de plaatsvervangend algemeen secretaris van EDEO die verantwoordelijk is voor het CPCC.

23 Op 17 januari 2018 heeft verzoeker de algemeen secretaris van EDEO verzocht om hem zo spoedig mogelijk te informeren over de conclusies van de bemiddelaar en over het gevolg dat aan de meldingen van 17 juli en 23 november 2017 is gegeven.

24 Op 18 maart 2018 heeft verzoeker ontslag genomen als politiek adviseur bij de missie.

25 Op 10 april 2018 heeft de COC, in antwoord op de in punt 23 hierboven genoemde brief, verzoeker laten weten dat de vermeende tekortkomingen die hij had gemeld, vielen onder „beleidskwesties van de missie” en dat „de gegevens van het dossier geen rechtvaardiging vormden voor de inleiding van een tuchtrechtelijke procedure” (hierna: „besluit van 10 april 2018”).

26 Op 31 juli 2018 heeft verzoeker verzocht om toegang tot met name het rapport van 29 juli 2017.

27 Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft EDEO het in punt 26 hierboven genoemde verzoek om bekendmaking definitief afgewezen.

28 Bij arrest van 12 december 2019, Montanari/EDEO (T‑692/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:850), heeft het Gerecht het besluit van 24 oktober 2018 nietig verklaard.

29 Op 13 december 2019 alsmede op 13 maart en 9 juli 2020 heeft verzoeker aan EDEO gevraagd welk gevolg hij voornemens was te geven aan het in punt 28 hierboven genoemde arrest.

30 Bij brief van 24 juli 2020 heeft EDEO verzoeker het volledige rapport van 29 juli 2017 verstrekt, met uitzondering van de persoonsgegevens van de andere betrokkenen.

31 Op 26 mei 2021 heeft verzoeker EDEO verzocht om betaling van een bedrag van 971395,92 EUR als vergoeding voor de materiële, fysieke en immateriële schade die is veroorzaakt door psychisch geweld en schending van het recht op behoorlijk bestuur en de zorgplicht die volgens verzoeker zijn toe te rekenen aan de missie.

32 Op 24 september 2021 heeft EDEO het in punt 31 hierboven genoemde verzoek om schadevergoeding afgewezen, met name omdat verzoeker nooit bij EDEO in dienst is geweest en de missie een entiteit is die zowel in juridisch als in operationeel opzicht geheel losstaat van EDEO.

33 Op 22 december 2021 heeft verzoeker op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Unie (hierna: „Ambtenarenstatuut”) bij EDEO een klacht ingediend tegen het besluit tot afwijzing van het in punt 31 hierboven genoemde verzoek om schadevergoeding.

34 Bij twee afzonderlijke brieven van 4 februari 2022 heeft verzoeker de Raad van de Europese Unie en de missie verzocht om betaling van een bedrag van 972395,92 EUR als vergoeding voor de materiële, lichamelijke en immateriële schade die is veroorzaakt door psychisch geweld en schending van het recht op behoorlijk bestuur en de zorgplicht (hierna, wat het verzoek aan de missie betreft: „derde verzoek om schadevergoeding”).

35 Op 25 maart 2022 heeft de Raad het aan hem gerichte verzoek om schadevergoeding bedoeld in punt 34 hierboven afgewezen.

36 Op 28 april 2022 heeft de missie het derde verzoek om schadevergoeding afgewezen.

37 Op 30 mei 2022 heeft EDEO de in punt 33 hierboven genoemde klacht afgewezen.

Conclusies van partijen

38 Verzoeker verzoekt het Gerecht in wezen: – het besluit van 28 april 2022 tot afwijzing van het derde verzoek om schadevergoeding nietig te verklaren; – de missie te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van 982840 EUR; – de missie te verwijzen in de kosten.

39 De missie verzoekt het Gerecht in wezen: – primair, het beroep te verwerpen wegens onbevoegdheid van het Gerecht; – subsidiair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; – meer subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

Exceptie van onbevoegdheid

40 De missie betoogt dat het Gerecht overeenkomstig artikel 7, lid 2, van besluit 2012/392/GBVB van de Raad van 16 juli 2012 betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Niger (EUCAP SAHEL Niger) (PB 2012, L 187, blz. 48) niet bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige beroep, omdat verzoeker binnen de missie de functie van politiek adviseur uitoefende in de hoedanigheid van deskundige gedetacheerd door het Italiaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

41 De missie is derhalve van mening dat elke klacht van verzoeker die samenhangt met de uitoefening van zijn functie moet worden gericht tegen de Italiaanse nationale autoriteiten. In dat verband noemt de missie een klacht van verzoeker die hij heeft ingediend bij een Italiaanse rechterlijke instantie. Ook verwijst zij naar de oplossing die het Gerecht heeft gekozen in de beschikking van 23 april 2015, Chatzianagnostou/Raad e.a. (T‑383/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:246), en die is bevestigd door het Hof.

42 Verzoeker betwist de door de missie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid door er met name op te wijzen dat de klacht die hij heeft ingediend bij de afdeling arbeidsrecht van de Tribunale di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) geen verband houdt met het derde verzoek om schadevergoeding en het onderhavige beroep.

43 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de missie bij besluit 2012/392 is ingesteld ter versterking van de vermogens van de Nigerese veiligheidstroepen met het oog op de bestrijding van terrorisme en georganiseerde criminaliteit.

44 In het bijzonder bepaalt artikel 7, lid 1, van besluit 2012/392 dat de missie voornamelijk bestaat uit personeel dat door de lidstaten, door de instellingen van de Unie of door EDEO wordt gedetacheerd, waarbij zij de kosten dragen voor ieder door hen gedetacheerd personeelslid, met inbegrip van kosten voor vervoer van en naar de plaats van detachering, salarissen, ziektekosten en andere vergoedingen dan dagvergoedingen.

45 Voorts bepaalt artikel 7, lid 2, van besluit 2012/392 inderdaad dat de respectievelijke lidstaat, instelling van de Unie of EDEO verantwoordelijk is voor de afhandeling van met de detachering verband houdende schadeclaims van of betreffende het gedetacheerde personeelslid en voor het instellen van een vordering tegen dat personeelslid.

46 Niettemin blijkt in de eerste plaats uit de rechtspraak inzake bepalingen die betrekking hebben op de activiteit van andere missies die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) vallen en die in vergelijkbare, zo niet dezelfde, bewoordingen zijn geformuleerd als besluit 2012/392, dat de rechter van de Unie bevoegd is om toezicht uit te oefenen op de rechtmatigheid van de besluiten op het gebied van personeelsbeheer betreffende door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden die worden genomen om te voldoen aan de behoeften van die missies op het terrein, aangezien de door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden en de personeelsleden die door de instellingen van de Unie zijn gedetacheerd wat betreft de uitoefening van hun functie op het terrein aan dezelfde regels zijn onderworpen (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, H/Raad e.a.,C‑455/14 P, EU:C:2016:569, punten 50 en 55).

47 Iedere andere uitlegging zou namelijk onder meer tot gevolg hebben dat, wanneer eenzelfde besluit op het gebied van personeelsbeheer betreffende het optreden op het terrein zowel door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden betreft als personeelsleden die door de instellingen van de Unie zijn gedetacheerd, de beslissing die ten aanzien van de eerste groep wordt gegeven onverzoenbaar zou kunnen zijn met de beslissing van de rechter van de Unie ten aanzien van die laatste groep (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, H/Raad e.a.,C‑455/14 P, EU:C:2016:569, punt 57).

48 Derhalve zijn het Gerecht en, in geval van een hogere voorziening, het Hof bevoegd om kennis te nemen van dergelijke besluiten. Die bevoegdheid vloeit voort uit respectievelijk – voor de toetsing van de rechtmatigheid van die handelingen – artikel 263 VWEU en – voor schadevorderingen – artikel 268 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 340, tweede alinea, VWEU, met inaanmerkingneming van artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) (arrest van 19 juli 2016, H/Raad e.a.,C‑455/14 P, EU:C:2016:569, punt 58).

49 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat verzoeker met de indiening van de in punt 38 hierboven genoemde conclusies bij het Gerecht de kwestie van de rechtmatigheid van besluiten op het gebied van personeelsbeheer betreffende het optreden op het terrein aan de orde stelt en niet een kwestie die verband houdt met de detachering in de zin van artikel 7, lid 2, van besluit 2012/392.

50 Uit het derde verzoek om schadevergoeding en de door verzoeker ingediende conclusies blijkt namelijk dat hij het hoofd van de missie verwijt tijdens zijn detachering bij de missie en zijn tewerkstelling op het terrein jegens hem besluiten te hebben genomen die kunnen worden opgevat als psychisch geweld, hetgeen in strijd is met de bepalingen van het Handvest die het recht op gezondheid en het recht op waardigheid van de werknemer waarborgen. Bovendien verwijt hij ook de COC van de missie, en niet de Italiaanse autoriteiten, het recht op behoorlijk bestuur en de zorgplicht te hebben geschonden bij de behandeling van de meldingen van psychisch geweld die hij tijdens de periode waarin hij was tewerkgesteld op het terrein had gedaan.

51 Voorts blijkt uit de rechtspraak dat het Gerecht zich bevoegd heeft verklaard om uitspraak te doen in vergelijkbare zaken die aanhangig zijn gemaakt door een nationale functionaris die was gedetacheerd bij een onder het GBVB vallende missie en door een internationaal personeelslid van de missie dat op contractbasis was aangeworven, zonder dat (in dit laatste geval) een in een van de arbeidsovereenkomsten opgenomen bevoegdheidsbeding ten gunste van de gerechten van een lidstaat daaraan in de weg stond (arresten van 12 april 2018, PY/EUCAP Sahel Niger,T‑763/16, EU:T:2018:181, en 18 november 2020, H/Raad, T‑271/10 RENV II, EU:T:2020:548).

52 In de derde plaats kunnen de door de missie aangevoerde argumenten geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen in het onderhavige geding.

53 Ten eerste kan de missie zich niet met succes beroepen op de oplossing die het Gerecht heeft gekozen in de beschikking van 23 april 2015, Chatzianagnostou/Raad e.a. (T‑383/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:246), aangezien die beschikking, waartegen geen hogere voorziening is ingesteld, dateert van vóór het arrest van 19 juli 2016, H/Raad e.a. (C‑455/14 P, EU:C:2016:569), en de in punt 51 hierboven genoemde rechtspraak. Derhalve kan de oplossing van het Gerecht in voornoemde beschikking niet worden beschouwd als een afspiegeling van de huidige stand van het recht.

54 Ten tweede blijkt uit de beslissing van de Tribunale di Roma van 19 oktober 2020 dat het door verzoeker bij deze rechterlijke instantie aanhangig gemaakte geding betrekking had op de berekening van het loon en de basisvergoedingen die door de Italiaanse regering aan hem werden uitgekeerd tijdens zijn detachering bij de missie. Dat geding, dat een ander voorwerp had dan het onderhavige beroep, had dus geen betrekking op de rechtmatigheid van beleidsbesluiten van de missie of op haar aansprakelijkheid bij de vaststelling van dergelijke besluiten, zodat het geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen op het onderhavige beroep.

55 De door de missie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid is derhalve ongegrond en moet worden afgewezen.

Excepties van niet-ontvankelijkheid

56 De missie werpt in wezen vijf excepties van niet-ontvankelijkheid op die erin bestaan dat, ten eerste, de verweten feiten haar niet kunnen worden toegerekend; ten tweede, het verzoekschrift te laat is ingediend; ten derde, er sprake is van een verjaringstermijn van vijf of vier jaar; ten vierde, het derde verzoek om schadevergoeding incompleet is, en, ten vijfde, er geen middel is aangevoerd ter ondersteuning van de conclusies tot nietigverklaring.

57 Aangezien het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang de kwestie van de ontvankelijkheid van de conclusies tot nietigverklaring ambtshalve aan de orde heeft gesteld, dient deze kwestie bovendien als eerste te worden onderzocht.

Ontvankelijkheid van de conclusies tot nietigverklaring

58 Uit vaste rechtspraak blijkt dat een door een natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring enkel ontvankelijk is indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld. Het procesbelang is dus de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte. Daarentegen heeft een verzoeker geen procesbelang wanneer hij met een gunstige uitkomst van een beroep in geen geval zou zijn geholpen (zie arrest van 6 juli 2023, Julien/Raad, C‑285/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:551, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Bovendien dient in herinnering te worden gebracht dat het aan de verzoekende partij staat om het bewijs te leveren van haar procesbelang. Een door een natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring van een handeling kan namelijk slechts ontvankelijk zijn wanneer de verzoekende partij haar belang bij de nietigverklaring van die handeling afdoende aantoont (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Binca Seafoods/Commissie,C‑268/16 P, EU:C:2017:1001, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Zonder een dergelijke rechtvaardiging vormt deze vraag betreffende de ontvankelijkheid van het beroep een middel van openbare orde dat ambtshalve door het Gerecht moet worden opgeworpen (zie arrest van 24 november 2021, LTTE/Raad, T‑160/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:817, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 Eveneens volgens vaste rechtspraak is het beroep tot schadevergoeding van artikel 340, tweede alinea, VWEU een zelfstandige beroepsweg die binnen het stelsel van de beroepswegen een bijzondere functie heeft en aan de aanwending waarvan voorwaarden zijn verbonden die verband houden met zijn specifieke doel (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Carvalho e.a./Parlement en Raad, C‑565/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:252, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 Het beroep tot schadevergoeding verschilt namelijk van het beroep tot nietigverklaring doordat het niet strekt tot herroeping of wijziging van een bezwarend besluit, maar tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een instelling, orgaan of instantie van de Unie (zie in die zin arrest van 24 oktober 1973, Merkur-Außenhandel/Commissie,43/72, EU:C:1973:108, punt 4, en 1 februari 2023, Klymenko/Raad, T‑470/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:26, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Conclusies die strekken tot hetzij nietigverklaring van de weigering van een instelling, orgaan of instantie van de Unie om het door een verzoeker krachtens de artikelen 268 en 340 VWEU ingeroepen recht op schadevergoeding te erkennen, hetzij vaststelling door het Gerecht dat de betrokken instelling, orgaan of instantie verplicht is het bestaan van een dergelijk recht te erkennen, beogen te doen vaststellen dat de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie schadeplichtig is en moeten niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de verzoekende partij in beginsel geen enkel belang heeft bij indiening van deze vorderingen naast de vorderingen tot schadevergoeding (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 juni 1972, Compagnie d’approvisionnement, de transport et de crédit en Grands Moulins de Paris/Commissie, 9/71 en 11/71, EU:C:1972:52, punten 9‑11; zie naar analogie ook arrest van 3 oktober 2019, DQ e.a./Parlement,T‑730/18, EU:T:2019:725, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 In casu staat vast dat verzoeker het Gerecht niet alleen verzoekt om vergoeding van de materiële en immateriële schade waarvoor hij de missie aansprakelijk stelt, maar ook om nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn derde verzoek om schadevergoeding, dat tot doel had om op minnelijke wijze vergoeding te verkrijgen van diezelfde schade.

65 In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang waarbij het Gerecht partijen heeft verzocht om een standpunt in te nemen over het belang dat verzoeker heeft bij nietigverklaring van het besluit van 28 april 2022 waarbij de missie zijn derde verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen, heeft verzoeker echter gesteld dat hij met zijn vordering tot nietigverklaring niet uit was op een ander voordeel dan hij zou verkrijgen indien zijn vordering tot schadevergoeding zou worden toegewezen.

66 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij een belang heeft om, naast schadevergoeding, nietigverklaring te vorderen van het besluit van de missie waarbij zijn derde verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Derhalve moet de vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat onderzoek nodig is van de vierde en de vijfde exceptie van niet-ontvankelijkheid, die specifiek betrekking hebben op deze vordering.

Eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan het feit dat de aan de missie verweten feiten haar niet kunnen worden toegerekend

67 De missie betoogt dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de behandeling van de meldingen die verzoeker heeft gedaan na 28 maart 2017, aangezien die meldingen zijn gericht aan een andere autoriteit dan de missie, namelijk de COC. In dit verband beroept zij zich op artikel 9, onder c), en artikel 11 van de gedrags- en tuchtcode voor de civiele missies van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) (hierna: „gedragscode”).

68 Voorts merkt de missie op dat verzoeker haar niet kan verwijten dat hij een gerechtelijke procedure tegen EDEO moest instellen om toegang te krijgen tot het rapport van 29 juli 2017, aangezien de missie noch de auteur noch de ontvanger van dit rapport was en zij geen invloed had op de toegang ertoe.

69 Verzoeker betwist de gegrondheid van de beweringen van de missie.

70 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een instelling, orgaan of instantie van de Unie, moet worden gericht tegen deze instelling, dit orgaan of deze instantie (zie in die zin arrest van 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts,C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punt 67, en beschikking van 15 november 2017, Pilla/Commissie en EACEA, T‑784/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:806, punt 70).

71 Aldus valt de vraag welke instelling, welk orgaan of welke instantie tot taak heeft om de Unie te vertegenwoordigen in het kader van een beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid krachtens artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU, onder de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit beroep (zie in die zin beschikking van 2 februari 2015, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie, T‑577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:80, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 In de eerste plaats staat vast dat de tekortkomingen die volgens verzoeker psychisch geweld opleveren en die het voorwerp vormen van het eerste middel ter ondersteuning van zijn vordering tot schadevergoeding, volgens zijn stukken verband houden met bepaalde handelingen van het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger, alsmede door het hoofd van de dienst PZ handelend onder hun verantwoordelijkheid.

73 In het bijzonder voert verzoeker aan, ten eerste, dat hij door het hoofd van de missie is uitgesloten van de wekelijkse politieke bijeenkomsten tussen deze laatste en het hoofd van de delegatie van de Unie in Niger (hierna: „delegatie”); ten tweede, dat hij van het hoofd van de missie een eerste schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen op 17 juli 2017, minder dan een uur na de melding van diezelfde dag; ten derde, dat hij van de dienst PZ op 27 juli 2017, oftewel de dag na het vertrek van de bemiddelaar, het verzoek kreeg om het beoordelingsformulier in te vullen met het oog op de verlenging van zijn detachering per april 2018, en, ten vierde, dat hij op diezelfde dag van het hoofd van de dienst PZ een bijgewerkt overzicht van zijn vakantiedagen heeft ontvangen naar aanleiding van een verzoek van die afdeling om dagen van onregelmatige afwezigheid te verantwoorden.

74 Artikel 6, lid 1, van besluit 2012/392, in de destijds geldende versie, bepaalde dat het hoofd van de missie op het terrein de verantwoordelijkheid droeg voor de missie en dat hij het commando en de controle daarover voerde. Artikel 6, lid 1 bis, van datzelfde besluit bepaalde dat het hoofd van de missie, onder zijn algemene verantwoordelijkheid, beheerstaken betreffende personeelsaangelegenheden kon delegeren aan personeelsleden van de missie. Ten slotte bepaalde artikel 6, lid 2, van dit besluit dat het hoofd van de missie het commando en de controle uitoefende over het personeel, de teams en de eenheden van de bijdragende staten.

75 De in punt 73 hierboven opgesomde handelingen, die verzoeker de missie verwijt in het kader van het eerste middel dat is aangevoerd ter ondersteuning van de vordering tot schadevergoeding, hangen samen met de uitoefening door het hoofd van de missie van de bevoegdheden waarover hij beschikt op grond van besluit 2012/392 en dus met de uitvoering door de missie van haar mandaat, waarvoor zij overeenkomstig artikel 13, lid 4, van dat besluit verantwoordelijk is.

76 Bovendien heeft de missie niet aangetoond, en zelfs niet gesteld, dat de in het eerste middel omschreven handelingen een ernstige fout door het hoofd van de missie opleveren, waarvoor de verantwoordelijkheid op deze laatste rust overeenkomstig artikel 13, lid 4, van besluit 2012/392.

77 In deze omstandigheden moet de eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond worden verklaard wat betreft het eerste middel dat is aangevoerd ter ondersteuning van de vordering tot schadevergoeding.

78 In de tweede plaats, in het kader van het tweede middel dat is aangevoerd ter ondersteuning van de vordering tot schadevergoeding, betoogt verzoeker dat een aantal van de tekortkomingen die hij niet alleen het hoofd van de missie verwijt, maar ook de COC, moet worden beschouwd als schendingen van het recht op behoorlijk bestuur en de zorgplicht die zijn toe te rekenen aan de missie.

79 In het bijzonder voert verzoeker aan, ten eerste, dat het hoofd van de missie en de COC zijn klachten en meldingen niet binnen een redelijke termijn hebben behandeld; ten tweede, dat de bevindingen en aanbeveling zoals geformuleerd in het rapport van 29 juli 2017 niet zijn bekendgemaakt, en, ten derde, dat de COC geen gevolg heeft gegeven aan deze aanbeveling.

80 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat artikel 4, lid 1, van besluit 2012/392 bepaalde dat de missie, als crisisbeheersingsoperatie, een gemeenschappelijke commandostructuur had, en dat artikel 5, lid 1, van dat besluit de directeur van het CPCC van EDEO als COC van de missie aanwees. Zo bepaalde artikel 5, lid 2, van dat besluit dat de COC het commando en de controle op strategisch niveau op de missie uitoefende, en artikel 5, lid 3, dat hij, met betrekking tot het verloop van de operaties, moest zorgen voor een adequate en efficiënte uitvoering van de besluiten van de Raad en van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC), mede, waar nodig, door middel van instructies op strategisch niveau aan het hoofd van de missie en door middel van het verlenen van advies en technische bijstand aan hem.

81 Uit deze bepalingen volgt dat ze niet uitsluiten dat de COC besluiten op het gebied van personeelsbeheer vaststelt die nodig zijn voor de uitvoering van het mandaat van de missie op het terrein (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 december 2019, H/Raad, C‑413/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:1044, punten 69‑71).

82 Ten tweede volgt uit de bepalingen van de gedragscode, die is vastgesteld bij besluit van de Raad van 18 juli 2016, dat de COC bevoegd is om besluiten op het gebied van personeelsbeheer vast te stellen die nodig zijn voor de uitvoering van het mandaat van de missie op het terrein.

83 In dit verband blijkt uit artikel 6, lid 3, van de gedragscode, die op grond van artikel 1, lid 1, onder a), ervan gelijkelijk van toepassing is op alle leden van de civiele missies van de Unie vallend onder het GVDB, waaronder de door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden, dat elke melding betreffende een eventuele tekortkoming van het hoofd van de missie moet worden gericht aan de COC.

84 Voorts volgt ook uit artikel 9 van de gedragscode dat de COC die het commando en de controle van de missie uitoefent onder politiek toezicht en strategische aansturing van het PVC en onder algemeen gezag van de hoge vertegenwoordiger, de autoriteit is die verantwoordelijk is voor de afhandeling in geval van een eventuele tekortkoming van het hoofd van de missie. Overeenkomstig artikel 11 van die code, kan de COC in een dergelijk geval het dossier seponeren, de zaak behandelen als een beleidskwestie zonder inleiding van een formele tuchtrechtelijke procedure of een voorbereidend of tuchtrechtelijk onderzoek instellen.

85 Ten slotte stelt artikel 10 van de gedragscode de voorwaarden vast waaronder de COC zijn plaatsvervanger kan verzoeken om in een specifieke situatie de taken van het hoofd van de missie definitief over te nemen.

86 Aldus hangen de in punt 79 hierboven opgesomde tekortkomingen, die verzoeker de missie in het kader van het tweede middel verwijt, samen met de uitoefening door de COC van de bevoegdheden waarover hij beschikt op grond van besluit 2012/392 en de gedragscode, en dus met de uitvoering door de missie van haar mandaat, waarvoor zij overeenkomstig artikel 13, lid 4, van dat besluit verantwoordelijk is.

87 Bijgevolg is het terecht dat verzoeker zijn vordering tot schadevergoeding richt tegen de missie vanwege de in punt 79 hierboven omschreven tekortkomingen die hij de COC verwijt. Hieruit volgt dat de eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid eveneens ongegrond moet worden verklaard wat het tweede middel betreft en dus dat deze exceptie van niet-ontvankelijkheid in haar geheel moet worden verworpen.

Tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan de te late indiening van het verzoekschrift

88 De missie betoogt dat het besluit van 10 april 2018 een bezwarend administratief besluit is in de zin van artikel 263 VWEU. Aangezien verzoeker dit besluit niet heeft betwist binnen een termijn van twee maanden vanaf de bekendmaking ervan, of bij de bekendmaking op 23 juli 2020 van het rapport van 29 juli 2017, is verzoeker niet meer gerechtigd om de missie aansprakelijk te stellen voor de onrechtmatigheid van dit besluit.

89 De missie voert tevens aan dat verzoeker niet heeft aangegeven waarom hij geen beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de eerste en de tweede schriftelijke waarschuwing.

90 Verzoeker betwist het betoog van de missie.

91 In dit verband volgt uit de in punt 61 hierboven genoemde rechtspraak betreffende het autonome karakter van de vordering tot schadevergoeding dat de eventuele niet-ontvankelijkheid van het verzoek om nietigverklaring van een aan de schade ten grondslag liggend besluit niet automatisch de niet-ontvankelijkheid van het verzoek om vergoeding van die schade meebrengt (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Carvalho e.a./Parlement en Raad, C‑565/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:252, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Een partij kan weliswaar een aansprakelijkheidsvordering instellen zonder dat enige bepaling haar ertoe dwingt tevens nietigverklaring van de schadeveroorzakende onrechtmatige handeling te vorderen, maar zij kan op deze manier niet ontkomen aan de niet-ontvankelijkheid van een op die onrechtmatigheid gebaseerde vordering met dezelfde geldelijke strekking (zie arrest van 25 maart 2021, Carvalho e.a./Parlement en Raad, C‑565/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:252, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93 Een beroep tot schadevergoeding moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer het in werkelijkheid strekt tot intrekking of wijziging van een definitief geworden individueel besluit en, indien het zou worden toegewezen, tot gevolg zou hebben dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel of gedeeltelijk zouden worden tenietgedaan. Dat is het geval wanneer de verzoekende partij door middel van een vordering tot schadevergoeding hetzelfde resultaat beoogt als zij zou hebben bereikt bij toewijzing van een beroep tot nietigverklaring dat zij niet tijdig heeft ingesteld (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Carvalho e.a./Parlement en Raad, C‑565/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:252, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94 Evenzo moet een beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer dat weliswaar geformuleerd is als een vordering, maar niet strekt tot vergoeding van schade die veroorzaakt is door onrechtmatig handelen of verzuim, maar tot wijziging van de litigieuze handeling (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Carvalho e.a./Parlement en Raad, C‑565/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:252, punt 105).

95 In casu strekt de door verzoeker ingestelde aansprakelijkheidsvordering tot vergoeding van de schade die het gevolg is van de tekortkomingen van het hoofd van de missie en van de COC, die zijn opgesomd in respectievelijk de punten 73 en 79 hierboven, en waarvan sommige kunnen worden gekwalificeerd als bezwarende besluiten, omdat die tekortkomingen enerzijds moeten worden beschouwd als psychisch geweld dat verboden is door de bepalingen van het Handvest en anderzijds als schending van de zorgplicht en het recht op behoorlijk bestuur.

96 Een dergelijk beroep beoogt dus niet de intrekking, herroeping of wijziging van eventuele besluiten die door het hoofd van de missie en de COC zijn vastgesteld en die onherroepelijk zijn geworden, maar de vergoeding van schade die te wijten is aan de missie vanwege de vaststelling van die besluiten. In het bijzonder blijkt niet uit de door verzoeker ingediende stukken dat hij uit was op een vergoeding in natura, waarbij de missie een voorbereidend of tuchtrechtelijk onderzoek had moeten instellen tegen het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger, hetgeen zou neerkomen op een verzoek om nietigverklaring van het besluit van 10 april 2018. Hieruit volgt dat het onherroepelijke karakter van dit individuele besluit niet in de weg kan staan aan de ontvankelijkheid van het beroep.

97 Vanwege het in de punten 61 en 91 hierboven genoemde autonome karakter van het beroep tot schadevergoeding hoefde verzoeker tot slot ook niet te rechtvaardigen waarom hij geen beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de eerste en de tweede schriftelijke waarschuwing.

98 Bijgevolg moet deze tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond worden verklaard.

Derde exceptie van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan een verjaringstermijn van vier of vijf jaar

99 De missie voert aan dat verzoeker pas vijf jaar nadat de betrokken feiten zich hebben voorgedaan, een beroep tegen haar instelt, terwijl hij haar alleen in februari 2022 om schadevergoeding heeft verzocht. Zij betoogt tevens dat verzoeker zich niet vier jaar na dato nog op het rapport van 29 juli 2017 kan beroepen.

100 Verzoeker betwist het betoog van de missie met het argument dat het beroep in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

101 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat krachtens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof, dat volgens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, alsook krachtens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, waarbij deze uiteenzetting zo duidelijk en nauwkeuring moet zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder bijkomende informatie (zie beschikking van 7 september 2022, Rosca/Commissie, C‑802/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:677, punt 4 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

102 In het bijzonder moeten de belangrijkste gegevens, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk worden weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf (arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement,C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 78).

103 De Unierechter hoeft dus niet te antwoorden op de door een partij aangevoerde argumenten die onvoldoende duidelijk en nauwkeurig zijn omdat zij niet nader worden uitgewerkt of worden onderbouwd met een specifiek betoog (zie arrest van 18 november 2021, Griekenland/Commissie, C‑107/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:937, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104 Bovendien geldt het vereiste van nauwkeurigheid dat voortvloeit uit artikel 21 van het Statuut van het Hof en uit artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering, naar analogie ook voor de verwerende partij wanneer deze een exceptie of middel van niet-ontvankelijkheid opwerpt, aangezien het enige doel van dit vereiste is dat de wederpartij zijn verweer kan voorbereiden en de rechter zijn toezicht kan uitoefenen, en dit a fortiori wanneer de verwerende partij aanvoert dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens verjaring.

105 Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat de inachtneming van de verjaringstermijn – anders dan bij procestermijnen – niet van openbare orde is en niet ambtshalve door de Unierechter kan worden onderzocht, maar door de betrokken partijen moet worden opgeworpen teneinde de aansprakelijkheidsvordering te doen vervallen (zie in die zin arresten van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie,C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

106 In casu blijkt in de eerste plaats uit het dossier dat de missie weliswaar een termijn van vijf jaar heeft genoemd na afloop waarvan het onderhavige beroep is ingesteld, maar zij niet heeft vermeld wat de rechtsgrond van dit middel van niet-ontvankelijkheid is en zij zich evenmin heeft beroepen op artikel 46 van het Statuut van het Hof, op grond waarvan de vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot de vordering aanleiding heeft gegeven.

107 In de tweede plaats blijkt uit het dossier dat de missie ook een termijn van vier jaar heeft genoemd, los van de termijn van artikel 46 van het Statuut van het Hof, die eraan in de weg zou staan dat verzoeker zich kan beroepen op het rapport van 29 juli 2017, zonder aan te geven op welke specifieke bepalingen deze bewering is gebaseerd.

108 In de derde plaats heeft de missie, zelfs indien zij zich heeft willen beroepen op de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 46 van het Statuut van het Hof, niet vermeld welk feit volgens haar de grond vormt van de vordering die verzoeker heeft ingesteld in het kader van het onderhavige beroep of wat het aanvangstijdstip is van de verjaringstermijn, en heeft zij evenmin toegelicht op welke juridische en feitelijke gronden deze vordering volgens haar is verjaard.

109 In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de door de missie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid die ontleend is aan een vijfjarige of vierjarige verjaringstermijn niet nauwkeurig genoeg is om de gegrondheid ervan te kunnen beoordelen.

110 Bijgevolg moet deze derde exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen omdat zij onvoldoende nauwkeurig is, en derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gegrondheid van de vordering tot schadevergoeding

111 Ter ondersteuning van zijn vordering tot schadevergoeding voert verzoeker in wezen vier middelen aan, ontleend aan, ten eerste, schending van de artikelen 1 en 31 van het Handvest alsmede van artikel 12 bis, lid 3, van het Ambtenarenstatuut aangezien hij het slachtoffer is geweest van psychisch geweld door het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger; ten tweede, schending van de zorgplicht en het recht op behoorlijk bestuur; ten derde, het bestaan van reële en zekere schade, en, ten vierde, het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de in het eerste en het tweede middel aangevoerde schendingen en de in het derde middel gestelde schade.

112 Alvorens de argumenten van verzoeker te onderzoeken, dient te worden vastgesteld onder welke voorwaarden de missie aansprakelijk kan worden gesteld jegens een bij haar gedetacheerde nationale functionaris.

Voorwaarden voor aansprakelijkstelling van de missie

113 In herinnering dient te worden gebracht dat uit vaste rechtspraak volgt dat de Unie in een gegeven geval alleen niet-contractueel aansprakelijk kan zijn indien, onder meer, de persoon die vergoeding vordert van de schade die hij meent te hebben geleden door een gedraging of een handeling van de Unie, aantoont dat er sprake is van schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen (zie arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 145 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

114 Bovendien moet deze schending in beginsel voldoende gekwalificeerd zijn, een vereiste dat zelf weer afhangt van de beoordelingsbevoegdheid van de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die de schending zou hebben begaan en van de vraag of daarbij de grenzen van die beoordelingsbevoegdheid kennelijk en ernstig zijn overschreden, met name gelet op de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van die regel, de moeilijkheden die daaruit kunnen voortvloeien voor de uitlegging of de toepassing ervan, alsmede de complexiteit van de te regelen situatie (zie in die zin arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 146 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

115 Uit vaste rechtspraak volgt echter dat de enkele vaststelling van een onregelmatigheid die, al naargelang het geval, door het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) of door het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) is begaan, in het licht van de grotere verantwoordelijkheid van de Unie wanneer zij optreedt als werkgever, op zich voldoende is om ervan uit te gaan dat er is voldaan aan de eerste van de drie voorwaarden voor de aansprakelijkstelling van de Unie voor schade die haar ambtenaren en personeelsleden hebben geleden wegens een schending van het ambtenarenrecht van de Unie, waarbij dus niet hoeft te worden nagegaan of er sprake is van een „voldoende gekwalificeerde” schending van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren (zie in die zin arrest van 10 juni 2020, AL/Commissie, T‑83/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:254, punten 66 en 67).

116 Voor geschillen op het gebied van ambtenarenzaken krachtens artikel 270 VWEU alsook de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut, daaronder begrepen geschillen die betrekking hebben op de vergoeding van schade die aan een ambtenaar of functionaris is berokkend, gelden namelijk bijzondere regels ten opzichte van de regels die voortvloeien uit de algemene beginselen inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in verband met artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU. Zo is een ambtenaar of functionaris van de Unie, in tegenstelling tot iedere andere particulier, gebonden aan de instelling, het orgaan of de instantie waarbij hij werkzaam is, door middel van een juridische arbeidsverhouding die bestaat uit een evenwicht van specifieke wederkerige rechten en verplichtingen dat tot uiting komt in de zorgplicht van de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie jegens de betrokkene (zie in die zin arrest van 14 december 2022, SU/Eiopa,T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117 Zoals is uiteengezet in punt 46 hierboven zijn de nationale functionarissen die door de lidstaten bij de missie zijn gedetacheerd, hoewel het Ambtenarenstatuut op hen niet van toepassing is, wat betreft de uitoefening van hun functie op het terrein onderworpen aan dezelfde regels als de personeelsleden die door de instellingen van de Unie zijn gedetacheerd en die wel onder dat Ambtenarenstatuut vallen.

118 Dientengevolge is de enkele vaststelling van een onrechtmatigheid voldoende om aan te nemen dat er is voldaan aan de eerste van de drie voorwaarden om de Unie aansprakelijk te kunnen stellen voor de schade die een bij de missie gedetacheerd nationaal personeelslid heeft geleden in de uitoefening van zijn functie op het terrein (zie naar analogie arrest van 18 november 2020, H/Raad, T‑271/10 RENV II, EU:T:2020:548, punt 104).

119 In die omstandigheden staat het aan het Gerecht om achtereenvolgens te onderzoeken of er sprake is van de schendingen die verzoeker heeft aangevoerd ter ondersteuning van het eerste en het tweede middel van het verzoekschrift, zonder dat het nodig is na te gaan of ze voldoende gekwalificeerd zijn.

Eerste middel, ontleend aan schending van de artikelen 1 en 31 van het Handvest alsmede artikel 12 bis van het Ambtenarenstatuut

120 Verzoeker betoogt dat de vier in punt 73 hierboven opgesomde tekortkomingen, die zijn genoemd in het rapport van 29 juli 2017 en die ten behoeve van het onderhavige arrest moeten worden beschouwd als onderdelen ter ondersteuning van het eerste middel, zijn aan te merken als psychisch geweld waarvan hij stelt het slachtoffer te zijn geweest en dat verboden is op grond van de artikelen 1 en 31 van het Handvest alsmede artikel 12 bis, lid 3, van het Ambtenarenstatuut, dat naar analogie van toepassing is.

121 De missie betwist de beweringen van verzoeker.

122 Alvorens de vier in punt 120 hierboven genoemde onderdelen te onderzoeken en ze in hun context te beoordelen moet, ten eerste, worden nagegaan of verzoeker zich met succes kan beroepen op artikel 12 bis, lid 3, van het Ambtenarenstatuut; ten tweede, worden herinnerd aan de definitie van psychisch geweld en de bewijsstandaard daarvoor; ten derde, worden gewezen op de voorwaarden waaronder de als werkgever handelende autoriteit bijstand moet verlenen aan de ambtenaar of de functionaris die beweert slachtoffer te zijn van psychisch geweld, en, ten vierde, worden vastgesteld in welke mate het Gerecht toezicht moet uitoefenen in deze zaak.

– Toepasselijkheid van artikel 12 bis, lid 3, van het Ambtenarenstatuut op het geding

123 In herinnering dient te worden gebracht dat gedetacheerde nationale functionarissen of deskundigen die incidenteel bij een instelling, orgaan of instantie van de Unie tewerk zijn gesteld, niet onder het Ambtenarenstatuut vallen (zie in die zin arrest van 15 april 2010, Gualtieri/Commissie,C‑485/08 P, EU:C:2010:188, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

124 Bijgevolg zijn de bepalingen van het Ambtenarenstatuut betreffende psychisch geweld en de bijstand aan ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Unie niet rechtstreeks op verzoeker van toepassing.

125 De door de instellingen van de Unie bij de missie gedetacheerde personeelsleden, wier positie wordt geregeld door het Ambtenarenstatuut, en de door de lidstaten gedetacheerde personeelsleden moeten echter op grond van besluit 2012/392 aan dezelfde regels worden onderworpen wat betreft de uitoefening van hun functie op het terrein. Op grond van het beginsel van gelijke behandeling moeten de bepalingen van het Ambtenarenstatuut betreffende psychisch geweld en bijstand aan ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten alsmede de rechtspraak over deze bepalingen door het Gerecht naar analogie worden toegepast op de situatie van verzoeker (zie naar analogie arrest van 18 november 2020, H/Raad, T‑271/10 RENV II, EU:T:2020:548, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijke behandeling is immers een algemeen beginsel van het Unierecht, dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 14 juli 2022, Commissie/VW e.a.,C‑116/21 P–C‑118/21 P, C‑138/21 P en C‑139/21 P, EU:C:2022:557, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

127 Het vereiste dat de situaties vergelijkbaar moeten zijn om vast te stellen dat er sprake is van een schending van het beginsel van gelijke behandeling, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle aspecten van deze situaties en met name in het licht van het voorwerp en het doel van de handeling waarbij het betrokken onderscheid wordt ingevoerd, met dien verstande dat daartoe rekening moet worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waaronder deze handeling valt. Voor zover de situaties niet vergelijkbaar zijn, is een verschillende behandeling van de betrokken situaties niet in strijd met het in artikel 20 van het Handvest verankerde beginsel van gelijkheid voor de wet (zie arrest van 14 juli 2022, Commissie/VW e.a.,C‑116/21 P–C‑118/21 P, C‑138/21 P en C‑139/21 P, EU:C:2022:557, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

128 Hoewel het juist is dat de door de lidstaten bij de missie gedetacheerde personeelsleden – in tegenstelling tot de door de instellingen gedetacheerde personeelsleden – niet onder het Ambtenarenstatuut vallen, kan dit verschil in situatie dus geen objectieve rechtvaardiging vormen voor het feit dat de personeelsleden van die eerste groep, wanneer zij hun functie uitoefenen op het terrein en dus in een vergelijkbare situatie verkeren als de personeelsleden van die laatste groep, niet dezelfde bescherming tegen psychisch geweld genieten.

129 Bijgevolg kan verzoeker zich niet alleen met succes beroepen op de artikelen 1 en 31 van het Handvest, maar ook op artikel 12 bis van het Ambtenarenstatuut.

– Definitie van psychisch geweld en bewijsstandaard

130 In de eerste plaats dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 1 en artikel 31, lid 1, van het Handvest respectievelijk bepalen dat de menselijke waardigheid onschendbaar is en moet worden geëerbiedigd en beschermd en dat iedere werknemer recht heeft op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden.

131 Bovendien bepaalt artikel 12 bis van het Ambtenarenstatuut dat ambtenaren zich moeten onthouden van iedere vorm van psychisch geweld of seksuele intimidatie.

132 In het bijzonder wordt, ten eerste, het begrip „psychisch geweld” in de zin van artikel 12 bis, lid 3, van het Ambtenarenstatuut gedefinieerd als „onbehoorlijk gedrag” dat zich „gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch” voordoet in de vorm van gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften, hetgeen impliceert dat psychisch geweld moet worden begrepen als een proces dat noodzakelijkerwijs een zekere duur heeft en het bestaan veronderstelt van een herhaalde of voortdurende handelwijze die „opzettelijk” is en niet „onbewust”. Ten tweede moeten die gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften, om onder het begrip „psychisch geweld” te vallen, tot gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een persoon wordt aangetast (zie arrest van 2 juni 2022, EM/Parlement, C‑299/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:429, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

133 Er hoeft echter niet te worden aangetoond dat die gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften waren bedoeld om de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een persoon aan te tasten. Met andere woorden, er kan sprake zijn van psychisch geweld zonder dat wordt aangetoond dat de geweldpleger met zijn handelwijze het slachtoffer in diskrediet heeft willen brengen of zijn werkomstandigheden opzettelijk heeft willen verslechteren. Het volstaat derhalve dat die handelwijze, wanneer zij willens en wetens is verricht, objectief dergelijke gevolgen had (zie arrest van 20 oktober 2021, ZU/Commissie, T‑671/18 en T‑140/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:715, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

134 In de tweede plaats moet de betrokken gedraging volgens artikel 12 bis, lid 3, van het Ambtenarenstatuut onbehoorlijk zijn en hangt de kwalificatie „geweld” dus af van de voorwaarde dat dit geweld objectief voldoende reëel is, in die zin dat een onpartijdig en redelijk toeschouwer, die met een normale gevoeligheid is begiftigd en in dezelfde omstandigheden is geplaatst, de betrokken gedraging of handeling als buitensporig en laakbaar zou aanmerken (zie arrest van 20 oktober 2021, ZU/Commissie, T‑671/18 en T‑140/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:715, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

135 In de derde plaats kan psychisch geweld, op basis van de definitie ervan, het gevolg zijn van het geheel van verschillende gedragingen, die op zichzelf genomen niet noodzakelijkerwijs psychisch geweld zouden vormen, maar die, in het algemeen en in de context van de feiten beschouwd, ook wegens hun cumulatie in de tijd, als zodanig kunnen worden opgevat. Bij de beoordeling of de door een verzoekende partij aangevoerde gedragingen psychisch geweld vormen, moeten deze gedragingen derhalve zowel afzonderlijk als tezamen worden beschouwd, als onderdelen van een algemene werkomgeving die door de gedragingen van een personeelslid jegens een ander personeelslid is gecreëerd (zie arrest van 20 oktober 2021, ZU/Commissie, T‑671/18 en T‑140/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:715, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

136 In de vierde plaats is elk besluit dat is vastgesteld tijdens de periode waarin iemand stelt slachtoffer te zijn geweest van psychisch geweld en waarvan de rechtmatigheid niet is betwist, als zodanig een feitelijk element dat een van de mogelijke aanwijzingen voor psychisch geweld vormt waarmee rekening moet worden gehouden, zonder dat de rechtmatigheid ervan hoeft te worden onderzocht of dat het verstrijken van de daarvoor geldende beroepstermijnen in de weg staat aan de vaststelling door de rechter dat er sprake is van psychisch geweld. Aldus staat het aan de rechter om te beoordelen of een besluit als feitelijk element een aanwijzing kan vormen voor psychisch geweld, rekening houdend met de gehele relevante feitelijke context (zie in die zin arrest van 30 juni 2021, FD/Gemeenschappelijke Onderneming Fusion for Energy, T‑641/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:388, punt 44).

– Bijstandsplicht van de instelling, het orgaan of de instantie die als werkgever optreedt indien psychisch geweld is aangevoerd

137 In herinnering dient te worden gebracht dat artikel 24 van het Ambtenarenstatuut volgens vaste rechtspraak is opgesteld om de ambtenaren van de Unie te beschermen tegen psychisch geweld, of welke vernederende behandeling dan ook, dat afkomstig is van met name hun hiërarchische meerderen of hun collega’s (zie arrest van 9 december 2020, GV/Commissie, T‑705/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:590, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

138 Wanneer bij het TABG of bij het TAOBG krachtens artikel 90, lid 1, van het Ambtenarenstatuut een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van dat Ambtenarenstatuut wordt ingediend, moet dat gezag dus uit hoofde van zijn bijstandsplicht en indien het een incident betreft dat in een ordelijke, rustige ambtelijke sfeer geen pas geeft, met de nodige inzet en met de door de omstandigheden van het concrete geval vereiste spoed en zorg optreden om de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, de passende consequenties aan te verbinden. Hiertoe volstaat het dat de ambtenaar die of het personeelslid dat om de bescherming van het TABG of het TAOBG vraagt, een begin van bewijs levert dat de gedragingen waarvan hij het slachtoffer stelt te zijn, zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. In een dergelijk geval dient de betrokken instelling, orgaan of instantie passende maatregelen te nemen, en met name een administratief onderzoek in te stellen teneinde in samenwerking met de klager de feiten vast te stellen die aan zijn klacht ten grondslag liggen en, in het licht van de resultaten van het onderzoek, de nodige maatregelen te nemen, waaronder de inleiding van een tuchtprocedure tegen de beschuldigde wanneer de administratie aan het einde van het administratieve onderzoek tot de slotsom komt dat er sprake is van psychisch geweld (arresten van 3 oktober 2019, DQ e.a./Parlement,T‑730/18, EU:T:2019:725, punt 80, en 14 juli 2021, AI/ECDC,T‑65/19, EU:T:2021:454, punt 64).

139 In het bijzonder wanneer psychisch geweld is aangevoerd, brengt de bijstandsplicht voor de administratie met name de verplichting mee om het verzoek om bijstand waarin dergelijk psychisch geweld wordt aangevoerd, serieus, snel en vertrouwelijk te onderzoeken en de verzoeker op de hoogte te stellen van het gevolg dat zij aan zijn klacht wil geven (arrest van 3 oktober 2019, DQ e.a./Parlement,T‑730/18, EU:T:2019:725, punt 81).

140 Wanneer het een middel inzake de schending van artikel 12 bis van het Ambtenarenstatuut betreft, moet het Gerecht tot slot onderzoeken of de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie de feiten onjuist heeft beoordeeld in het licht van de in die bepaling bedoelde definitie van psychisch geweld en niet of die instelling, dit orgaan of die instantie die feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld (zie arrest van 9 december 2020, GV/Commissie, T‑705/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:590, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

141 In het bijzonder moet de gegrondheid van het besluit waarbij het verzoek om bijstand wordt afgewezen zonder dat een administratief onderzoek is ingesteld, door de rechter worden beoordeeld in het licht van de gegevens die ter kennis zijn gebracht van de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie, met name door de indiener van het verzoek om bijstand (zie in die zin arrest van 9 december 2020, GV/Commissie, T‑705/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:590, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

– Toetsingsmaatstaf van het Gerecht in de onderhavige zaak

142 Met het oog op de toetsingsmaatstaf die in casu moet worden gehanteerd, is het aan het Gerecht om te beoordelen of het rapport van 29 juli 2017, dat tot doel had om de feiten vast te stellen die aan de meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 ten grondslag liggen, kan worden gelijkgesteld met de uitkomst van een administratief onderzoek in de zin van de in de punten 138 en 141 hierboven genoemde rechtspraak.

143 Indien dit niet het geval is, is het namelijk aan het Gerecht om overeenkomstig de in de punten 130 tot en met 141 hierboven genoemde bepalingen en beginselen bij het onderzoek van de overeenkomstige onderdelen te beoordelen of de vier tekortkomingen die verzoeker het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger verwijt, geen geval van psychisch geweld vormen maar wel aanwijzingen daarvoor, die de instelling van een administratief onderzoek zouden hebben gerechtvaardigd.

144 In dit verband blijkt uit het besluit van 10 april 2018 dat het rapport van 29 juli 2017 overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder b), van de gedragscode is opgesteld door een functionaris van het CPCC van EDEO. Op grond daarvan heeft de COC de bevoegdheid om in geval van een melding waarbij het hoofd van de missie wordt beschuldigd, de zaak te behandelen als een beleidskwestie zonder inleiding van een formele tuchtrechtelijke procedure en, in voorkomend geval, met toepassing van een bemiddelingsprocedure.

145 Aldus blijkt dat het rapport van 29 juli 2017 is opgesteld om verslag uit te brengen over een poging tot bemiddeling en niet om, in het kader van het voorbereidend of tuchtrechtelijk onderzoek van artikel 11, lid 1, onder c) en d), van de gedragscode, aan te tonen dat de beweringen van psychisch geweld in de meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 gegrond zijn.

146 Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat de bemiddelaar zich in zijn rapport van 29 juli 2017 niet uitdrukkelijk heeft uitgesproken over de vraag of de feiten die verzoeker het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger verwijt, psychisch geweld opleveren of aanwijzingen daarvoor vormen.

147 Wel kan uit de conclusie van het rapport van 29 juli 2017 worden afgeleid dat de bemiddelaar impliciet van mening was dat bepaalde door verzoeker aan de missie verweten feiten, met name de feiten die het voorwerp zijn van de vier onderdelen die zijn aangevoerd ter ondersteuning van het eerste middel, aanwijzingen vormden voor psychisch geweld.

148 In deze conclusie stelt de bemiddelaar namelijk als verzoeningsmaatregel voor om verzoeker na de zomervakantie tijdelijk aan te stellen in Brussel (België), waarbij hij uitdrukkelijk verwijst naar de nationale regelgeving met betrekking tot psychisch geweld en de regels die van toepassing zijn op de instellingen van de Unie waarin de mogelijkheid is opgenomen van een informele fase voor aanvang van de formele procedure. Voorts geeft hij aan dat de omstandigheden in casu gunstig waren voor een dergelijke informele fase.

149 De in het rapport van 29 juli 2017 opgenomen persoonlijke beoordeling van de bemiddelaar is evenwel niet door de missie overgenomen.

150 In het bijzonder dient te worden opgemerkt dat de COC verzoeker bij besluit van 10 april 2018, dat is vastgesteld na de beëindiging van diens detachering bij de missie, heeft laten weten dat de meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder b), van de gedragscode zijn behandeld als een beleidskwestie, zonder een voorbereidend of tuchtrechtelijk onderzoek in te stellen of een formele tuchtrechtelijke procedure in te leiden jegens het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger.

151 Derhalve dient te worden vastgesteld dat hieruit blijkt dat de missie van mening was dat de in de meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 opgenomen beweringen van psychisch geweld ongegrond waren of in elk geval dat ze onvoldoende onderbouwd waren om te worden beschouwd als aanwijzingen die de instelling van een voorbereidend of tuchtrechtelijk onderzoek rechtvaardigden.

152 Aangezien de missie er bij besluit van 10 april 2018 van heeft afgezien om een administratief onderzoek in te stellen teneinde na te gaan of de beweringen van verzoeker gegrond waren en om een standpunt in te nemen over de mogelijkheid dat de tekortkomingen die verzoeker het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger verweet, psychisch geweld opleverden, staat een dergelijk besluit derhalve, wat de gevolgen ervan betreft, gelijk aan de afwijzing van een verzoek om bijstand zonder de instelling van een administratief onderzoek. Overeenkomstig de in punt 141 hierboven genoemde rechtspraak moet het Gerecht daarvan de gegrondheid beoordelen in het licht van de gegevens die door verzoeker ter kennis van de missie zijn gebracht.

– Eerste onderdeel, betreffende de uitsluiting van verzoeker van de wekelijkse politieke bijeenkomsten van het hoofd van de missie en het hoofd van de delegatie

153 Ter ondersteuning van dit onderdeel betoogt verzoeker in wezen dat zijn uitsluiting van de wekelijkse politieke bijeenkomsten van het hoofd van de missie en het hoofd van de delegatie (hierna: „bijeenkomsten van de generale staf”) een aanwijzing voor psychisch geweld vormde die de instelling van een administratief onderzoek rechtvaardigde.

154 In dit verband blijkt uit een e-mail van 26 mei 2017 dat het hoofd van de missie verzoeker heeft verzocht om vanaf die datum niet meer deel te nemen aan de bijeenkomsten van de generale staf.

155 Uit het rapport van 29 juli 2017 volgt dat verzoeker van mening was dat zijn uitsluiting van de bijeenkomsten van de generale staf tot gevolg had dat hem een belangrijke bron van informatie voor de uitoefening van zijn functie als politiek adviseur werd ontnomen, dat hij werd belemmerd in zijn taak om te zorgen voor de coördinatie met de delegatie ten behoeve van het opstellen van verslagen over politieke kwesties en dat zijn reputatie werd geschaad.

156 Uit dit rapport blijkt echter ook dat, ten eerste, het in punt 154 hierboven genoemde besluit van het hoofd van de missie van 26 mei 2017 voortkwam uit diens ongenoegen over verzoeker, omdat verzoeker die wekelijke vergaderingen niet had opgevolgd, en, ten tweede, die bijeenkomsten politiek gevoelig lagen en het hoofd van de missie redenen had om aan te nemen dat uit die bijeenkomsten afkomstige informatie aan de Italiaanse autoriteiten was doorgegeven.

157 Het is inderdaad zo dat de bemiddelaar in zijn rapport van 29 juli 2017 heeft vastgesteld dat door de uitsluiting van verzoeker van de bijeenkomsten van de generale staf en het besluit om hem alleen uit te nodigen voor de wekelijkse managementvergaderingen sprake was van een onwerkbare situatie, gelet op zijn functie van politiek adviseur en zijn coördinerende rol op dit gebied, en dat het beter was geweest als verzoeker regelmatig betrokken was gebleven bij de bijeenkomsten van de generale staf.

158 Wat echter de eerste reden voor de uitsluiting van verzoeker van de bijeenkomsten van de generale staf betreft, blijkt ook uit een door het hoofd van de missie aan verzoeker gerichte e-mail van 6 april 2017 dat verzoeker tijdens die wekelijkse bijeenkomsten geen enkele bijdrage leverde.

159 In dit verband dient in de eerste plaats in herinnering te worden gebracht dat artikel 6, leden 2 en 3, van besluit 2012/392 bepaalt dat het hoofd van de missie het commando en de controle uitoefent over het personeel, de teams en de eenheden van de bijdragende staten, instructies geeft aan alle personeelsleden van de missie, met het oog op de effectieve uitvoering ervan op het terrein, en zorgt voor de coördinatie en de dagelijkse leiding van de missie.

160 Bovendien volgt uit de rechtspraak dat de administratie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij de inrichting van de dienst (zie in die zin arrest van 29 oktober 1981, Arning/Commissie,125/80, EU:C:1981:248, punt 19).

161 Verzoeker voert echter geen gegevens aan ter weerlegging van de beweringen van het hoofd van de missie dat hij geen enkele bijdrage leverde aan de bijeenkomsten van de generale staf, zodat zijn besluit om verzoeker uit te sluiten van elke deelname aan die bijeenkomsten, rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het hoofd van de missie beschikte en gelet op het in artikel 6 van besluit 2012/392 neergelegde vereiste van effectiviteit, in het licht van het belang van de dienst niet buitensporig of laakbaar is.

162 In de tweede plaats blijkt ook uit artikel 6, lid 7, van besluit 2012/392 dat het hoofd van de missie, onder volledige eerbiediging van de commandostructuur, ter plaatse politieke aansturing krijgt van het hoofd van de delegatie.

163 Aangezien de bijeenkomsten van de generale staf met name gericht waren op de politieke aansturing ter plaatse door het hoofd van de delegatie, was de aanwezigheid van verzoeker bij die bijeenkomsten bijgevolg niet noodzakelijk.

164 In de derde plaats is niet aangetoond, en zelfs niet aangevoerd, dat de bijeenkomsten van de generale staf de enige mogelijkheid waren voor de missie en de delegatie om te communiceren over politieke kwesties, zodat het niet vaststaat dat de uitsluiting van verzoeker van deze bijeenkomsten een beletsel vormde voor de uitoefening van zijn functie, voor zover die betrekking had op de coördinatie met zijn tegenhanger(s) van de delegatie over politieke kwesties.

165 Dientengevolge, en zonder dat onderzoek nodig is van de in punt 156 hierboven genoemde tweede reden van het besluit van 26 mei 2017 betreffende de niet-eerbiediging van de vertrouwelijkheid van die bijeenkomsten en de bekendmaking van bepaalde informatie door verzoeker aan de Italiaanse autoriteiten, kan dit besluit tot uitsluiting van de bijeenkomsten van de generale staf op zichzelf niet worden beschouwd als een aanwijzing voor psychisch geweld jegens verzoeker, zodat het eerste onderdeel ongegrond moet worden verklaard.

– Tweede onderdeel, betreffende de ontvangst van de eerste schriftelijke waarschuwing door verzoeker op 17 juli 2017, minder dan een uur na de melding van diezelfde dag

166 In het kader van dit onderdeel betoogt verzoeker in wezen dat het feit dat hij binnen een uur nadat hij de melding van 17 juli 2017 had gedaan in kennis was gesteld van de eerste schriftelijke waarschuwing, een aanwijzing vormt voor psychisch geweld jegens hem.

167 Allereerst dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 7, lid 1, van de gedragscode bepaalt dat een lid van de missie dat een eventuele tekortkoming heeft gemeld niet mag worden gestraft vanwege of als gevolg van die melding, mits hij op redelijke wijze en te goeder trouw heeft gehandeld.

168 In casu blijkt uit de aanwijzingen van partijen dat het hoofd van de missie op 17 juli 2017 verzoeker een schriftelijke waarschuwing heeft gestuurd, omdat verzoeker hem respectloos had behandeld tijdens de bijeenkomst van 10 april 2017 waarbij de missie een vooraanstaand politicus van een lidstaat had verwelkomd. Het hoofd van de missie verweet verzoeker dat uit zijn lichaamstaal zeer duidelijk bleek dat hij niet genegen was om aantekeningen te maken tijdens die bijeenkomst terwijl hij geacht werd dit te doen en dat hij door middel van gezichtsuitdrukkingen en ongepaste gebaren het hoofd van de missie bespotte telkens wanneer deze het woord nam.

169 In het bijzonder is deze eerste waarschuwing aan verzoeker gericht op 17 juli 2017, binnen een uur nadat hij de COC een melding had gestuurd waarin hij het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger beschuldigde van psychisch geweld.

170 In de eerste plaats volgt uit artikel 11 van de gedragscode dat het besluit van de autoriteit die verantwoordelijk is voor de afhandeling, die erin kan bestaan dat die autoriteit de zaak op basis van een rapport waarin melding wordt gemaakt van een eventuele tekortkoming als een beleidskwestie behandelt, binnen een termijn van tien werkdagen moet worden vastgesteld.

171 Aangezien de eerste schriftelijke waarschuwing niet heeft geleid tot een formele tuchtrechtelijke procedure en uit de benaming ervan blijkt dat deze „beleidsmatig” van aard is, moet in casu, bij ontstentenis van een andere door de missie aangevoerde rechtsgrond, worden vastgesteld dat deze waarschuwing in overeenstemming met artikel 11, onder b), van de gedragscode is vastgesteld.

172 In de tweede plaats blijkt uit het rapport van 29 juli 2017 weliswaar dat het hoofd van de missie de late toezending van de eerste schriftelijke waarschuwing bij de bemiddelaar heeft gerechtvaardigd door de aanwijzingen van het CPCC van EDEO, dat hem ertoe had aangezet om die verzending uit te stellen, maar de missie heeft voor deze correspondentie geen enkel bewijs geleverd waarmee deze rechtvaardiging kan worden gestaafd. Bovendien heeft zij niet aangetoond, en zelfs niet aangevoerd, dat het CPCC of de COC goedkeuring had gegeven aan het initiatief van het hoofd van de missie om verzoeker op 17 juli 2017 in kennis te stellen van de eerste schriftelijke waarschuwing.

173 Zelfs indien de termijn van tien werkdagen in artikel 11, onder b), van de gedragscode geen strikte termijn is, neemt dat bijgevolg niet weg dat de missie niet heeft gerechtvaardigd waarom de eerste schriftelijke waarschuwing op 17 juli 2017 is verzonden, meer dan drie maanden na de gebeurtenis die aan deze waarschuwing ten grondslag lag, en minder dan een uur na de melding van verzoeker die tegen het hoofd van de missie was gericht.

174 In de derde plaats is het juist dat de melding van 17 juli 2017 door verzoeker is gedaan via een e-mail die alleen was gericht aan de COC en diens plaatsvervanger en dat de missie betoogt dat het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger niet van deze melding op de hoogte waren op het moment waarop die werd gedaan.

175 Net zomin als het Gerecht de missie kan opdragen de juistheid van haar beweringen aan te tonen, omdat een dergelijke bewijslast erop zou neerkomen dat zij een negatief bewijs moet leveren, kan het van verzoeker verlangen om, in voorkomend geval, aan te tonen op welke datum de COC het hoofd van de missie precies in kennis heeft gesteld van het bestaan en eventueel de inhoud van de melding van 17 juli 2017, aangezien er geen redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker over die informatie beschikt.

176 Aangezien er dus geen bewijs is van de exacte datum waarop de COC het hoofd van de missie heeft geïnformeerd over het bestaan van de melding van verzoeker van 17 juli 2017 en van de precieze inhoud van die mededeling, dient allereerst te worden vastgesteld dat de missie zich niet heeft beroepen op bepalingen die in de weg staan aan de overdracht van die informatie aan het hoofd van de missie of aan zijn plaatsvervanger.

177 Bovendien heeft de missie het Gerecht ook niet laten weten op welke datum de COC of het CPCC het hoofd van de missie precies heeft geïnformeerd over de komst van de bemiddelaar, terwijl redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het hoofd van de missie bij de overdracht van die informatie kennis heeft gekregen van het bestaan en, in voorkomend geval, van de inhoud van de melding van 17 juli 2017.

178 Uit het voorgaande volgt dat de kennisgeving van de eerste waarschuwing binnen een uur na de melding van 17 juli 2017 als buitensporig of laakbaar kan worden beschouwd, aangezien de missie geen rechtvaardiging heeft geven voor de late kennisgeving van die waarschuwing, noch met het oog op de termijn van artikel 11 van de gedragscode, noch met het oog op de tijd die verstreken is sinds de feiten die aan deze waarschuwing ten grondslag liggen, zich hebben voorgedaan, en aangezien er geen aanwijzingen zijn met betrekking tot de exacte datum waarop het hoofd van de missie kennis heeft gekregen van die melding.

179 Deze waarschuwing kan namelijk worden opgevat als een bestraffing voor de melding door verzoeker, in strijd met de vereisten van artikel 7 van de gedragscode, en vormt derhalve, op zichzelf beschouwd, een aanwijzing voor psychisch geweld.

180 Dientengevolge moet het tweede onderdeel van het onderhavige middel worden aanvaard.

– Derde onderdeel, betreffende het op 27 juli 2017 door verzoeker ontvangen verzoek om een beoordelingsformulier in te vullen met het oog op de verlenging van zijn detachering

181 In het kader van dit onderdeel betoogt verzoeker in wezen dat het tijdstip dat de dienst PZ had gekozen om de procedure voor de beoordeling van zijn prestaties in gang te zetten, te weten 27 juli 2017, oftewel de dag na het vertrek van de bemiddelaar, een aanwijzing vormt voor psychisch geweld jegens hem.

182 In het bijzonder blijkt uit het rapport van 29 juli 2017 dat verzoeker van mening was dat de regels inzake het personeelsbeheer van de missie niet voorzien in een procedure voor prestatiebeoordeling en dat het in gang zetten van die procedure jegens hem enkel tot doel had om hem uit de dienst te verwijderen.

183 In dit verband blijkt uit het dossier dat het hoofd van de missie op 6 april 2017 heeft besloten om een procedure te starten om een prestatie-evaluatierapport (PER) op te stellen met betrekking tot verzoeker en dat verzoeker zich daartegen heeft verzet, in wezen omdat deze procedure niet formeel was geregeld in het herziene operationele plan van de missie (hierna: „OPLAN”) van 13 juli 2022.

184 Vervolgens heeft een functionaris van de dienst PZ op 27 juli 2017 het in te vullen concept-PER aan verzoeker toegezonden, met als nieuwe inleverdatum 4 augustus 2017. Verzoeker heeft echter opnieuw geweigerd om zijn PER in te vullen omdat deze nieuwe procedure, gelet op de einddatum van zijn detachering, te weten 14 april 2018, te vroeg was ingesteld. Het hoofd van de dienst PZ heeft verzoeker toen laten weten dat deze procedure betrekking had op alle personeelsleden van de missie van wie de detachering uiterlijk op 30 april 2018 afliep en dat zijn functie vacant zou worden verklaard als hij daar niet aan mee zou werken.

185 Ten slotte heeft het hoofd van de dienst PZ op 23 augustus 2017 verzoeker nogmaals verzocht om zijn PER volledig ingevuld in te leveren. Verzoeker heeft dit verzoek opnieuw afgewezen omdat hij zijn detachering na april 2018 niet wenste te verlengen.

186 Allereerst moet erop worden gewezen dat artikel 7 van bijlage IX van het OPLAN, betreffende het personeel, de verlenging van de detachering van een gedetacheerde functionaris afhankelijk stelt van de goedkeuring van het hoofd van de missie, op basis van een verzoek daartoe van de betrokken functionaris dat drie maanden vóór het einde van de lopende detacheringsperiode moet zijn ingediend alsmede op basis van een positief PER opgesteld door de directe leidinggevende.

187 Bovendien bepaalt artikel 10 van bijlage IX van het OPLAN dat voor alle leden van de missie regelmatig een PER moet worden opgesteld, inzonderheid vóór hun definitieve vertrek bij de missie.

188 Tot slot heeft de missie zich beroepen op het document „Richtsnoeren voor de prestatiebeoordeling binnen de EVDB-missies”, waaruit blijkt dat de procedure voor het opstellen van een PER stelselmatig plaatsvond vóór het vertrek van de betrokken functionaris bij de missie, sterk was aanbevolen aan het einde van elke detacheringsperiode of overeenkomst, was aanbevolen aan het einde van een periode van zes maanden in geval van een eerste indiensttreding van de functionaris voor een periode van een jaar, en mogelijk was op elk moment wanneer dat noodzakelijk werd geacht, bij wijziging van leidinggevende of veranderingen in prestaties, in overleg met de dienst PZ.

189 In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat de mogelijkheid om een personeelslid van de missie te beoordelen in geval van wijziging van leidinggevende of veranderingen in de prestaties van de betrokken functionaris niet uitdrukkelijk geregeld is in bijlage IX van het OPLAN, maar deze norm niet in de weg lijkt te staan aan een dergelijke praktijk, aangezien artikel 10 van die bijlage geen uitputtende omschrijving geeft van de situaties waarin de leden van de missie moeten worden beoordeeld.

190 Bovendien heeft verzoeker geen andere norm aangevoerd die zich verzet tegen de beoordeling van zijn prestaties door het hoofd van de missie.

191 Integendeel, uit artikel 6 van besluit 2012/392 en de in punt 160 hierboven aangehaalde rechtspraak kan worden afgeleid dat het hoofd van de missie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te beslissen of een PER moet worden opgesteld over een van zijn ondergeschikten indien hij van mening is dat diens prestaties op het terrein aanleiding geven voor een dergelijke procedure.

192 Derhalve kan het besluit van het hoofd van de missie van 6 april 2017 om de prestaties van verzoeker te beoordelen in beginsel niet worden geacht buitensporig of laakbaar te zijn vanuit het oogpunt van het belang van de dienst, te meer daar uit de terechtzitting blijkt dat de prestaties van verzoeker na juni 2016 niet meer waren beoordeeld.

193 In de tweede plaats blijkt echter uit het nieuwe verzoek van de dienst PZ van 27 juli 2017 waarbij verzoeker was gevraagd om zijn PER in te vullen, dat dit verzoek geen betrekking had op het in de punten 183 en 192 hierboven genoemde besluit van het hoofd van de missie van 6 april 2017, maar op de noodzaak om de verzoeken om verlenging van de detachering in kaart te brengen en te anticiperen op eventuele vacante posten voor alle functionarissen die tot 30 april 2018 bij de missie waren gedetacheerd, met het oog op de werving voor de functies van de functionarissen waarvan de detachering op laatstgenoemde datum zou aflopen.

194 Hoewel niet wordt betwist dat dit besluit niet alleen betrekking had op verzoeker, neemt dat niet weg dat de missie niet heeft gerechtvaardigd waarom de dienst PZ deze administratieve procedure op 27 juli 2017 heeft gestart, terwijl uit artikel 7 van bijlage IX van het OPLAN betreffende het personeel volgt dat de procedure voor de beoordeling van functionarissen die hun detachering bij de missie wilden verlengen, moest plaatsvinden op het moment waarop zij een verzoek daartoe indienden, uiterlijk drie maanden vóór het einde van de detachering, oftewel 14 januari 2018 in het geval van verzoeker.

195 In de derde plaats dient te worden vastgesteld dat het in de punten 184 en 193 hierboven genoemde verzoek van de dienst PZ tot verzoeker is gericht op de dag na het vertrek van de bemiddelaar.

196 Redelijkerwijs kan echter worden aangenomen dat de meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 en het besluit van de COC van 20 juli 2017 om per 25 juli 2017 een bemiddelaar naar de locatie te sturen, de missie ertoe verplichtten om, in afwachting van de conclusies van de bemiddelaar, jegens verzoeker de omzichtigheid in acht te nemen die met name op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur vereist is.

197 Behalve dat deze plicht om omzichtig te handelen voortvloeit uit het in artikel 41 van het Handvest neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur (zie in die zin arrest van 16 juni 2022, SGL Carbon e.a./Commissie,C‑65/21 P en C‑73/21 P–C‑75/21 P, EU:C:2022:470, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en, in het bijzonder, uit de zorgvuldigheidsplicht, volgt deze verplichting in casu ook uit artikel 7 van de gedragscode, op grond waarvan het de missie is verboden om een lid van de missie dat een eventuele tekortkoming heeft gemeld, vanwege of als gevolg van die melding te bestraffen.

198 Zo blijkt uit het rapport van 29 juli 2017 dat de bemiddelaar van mening was dat het feit dat de dienst PZ op 27 juli 2017, ofwel direct na zijn inspectie ter plaatse, de procedure voor de beoordeling van verzoeker in gang had gezet, ongelukkig was en eerder had plaatsgevonden dan gebruikelijk.

199 In dat verband kan worden gesteld dat het besluit om de procedure voor de beoordeling van verzoeker in gang te zetten op de dag na het vertrek van de bemiddelaar, zonder zijn conclusies af te wachten, en meer dan negen maanden voor het einde van de detachering van verzoeker, in de specifieke omstandigheden waaronder het is vastgesteld, buitensporig of laakbaar is.

200 Een dergelijk initiatief kan namelijk worden opgevat als een poging om verzoekers detachering bij de missie te beëindigen zonder de voorstellen van de bemiddelaar af te wachten, zodat dit besluit op zichzelf beschouwd een aanwijzing voor psychisch geweld vormt.

201 Dientengevolge moet het derde onderdeel worden aanvaard.

– Vierde onderdeel, betreffende de ontvangst door verzoeker van een bijgewerkt overzicht van zijn vakantiedagen naar aanleiding van een verzoek van de dienst PZ om te rechtvaardigen waarom hij op bepaalde dagen onregelmatig afwezig was geweest

202 In het kader van dit onderdeel klaagt verzoeker over de reactie van het hoofd van de dienst PZ op zijn te late terugkeer van een verlofperiode in juni 2017.

203 In dit verband blijkt uit een aan de COC gerichte e-mail van 28 juli 2017 dat verzoeker de melding van 17 juli 2017 heeft aangevuld met een uitwisseling van e-mails tussen hem en het hoofd van de dienst PZ met betrekking tot zijn terugkeer na een vakantie in juni 2017 op een later tijdstip dan oorspronkelijk gepland.

204 In het bijzonder volgt uit die e-mails dat verzoeker een brief heeft ontvangen waarin hem is gevraagd om uit te leggen waarom hij op maandag 3 juli 2017 van vakantie was teruggekeerd in plaats van de oorspronkelijk vastgestelde datum van donderdag 29 juni 2017. In een e-mail van 24 juli 2017 heeft verzoeker zich beroepen op „persoonlijke redenen” en aangegeven dat hij aan collega’s had gevraagd om de missie op de hoogte te stellen, aangezien hij niet in de gelegenheid was om dit zelf te doen. Vervolgens heeft het hoofd van de dienst PZ bij e-mail van 27 juli 2017 verzoeker een „bijgewerkt overzicht van vakantiedagen” toegestuurd met vermelding van de dagen 29 en 30 juni 2017, waarvan onder meer het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger een kopie hebben ontvangen. Verzoeker heeft toen aangegeven dat hij dit document niet had opgevraagd en dat hij wilde weten waarom zijn contactpersoon andere ontvangers een kopie had gestuurd, aangezien het ging om een document dat volgens hem strikt vertrouwelijk was.

205 In de eerste plaats blijkt dat het van de dienst PZ afkomstige verzoek om zijn afwezigheid te rechtvaardigen is gedateerd op 24 juli 2017 en dat verzoeker daar op diezelfde dag van in kennis is gesteld, zodat dit verzoek op de dag vóór de komst van de bemiddelaar tot hem is gericht.

206 Uit het dossier blijkt echter niet dat verzoeker de bemiddelaar tijdens de gesprekken die zij op 25 en 26 juli 2019 hebben gevoerd, van dat verzoek om zijn afwezigheid te rechtvaardigen op de hoogte heeft gesteld, terwijl het hem vrijstond om dat te doen.

207 Derhalve dient te worden vastgesteld dat verzoeker niet van mening was dat het verzoek van 24 juli 2017 om zijn afwezigheid te rechtvaardigheid, een aanwijzing vormde voor psychisch geweld jegens hem, maar dat hij de toezending van het bijgewerkte overzicht van vakantiedagen op 27 juli 2017 wel als zodanig beschouwde.

208 In de tweede plaats moet ook worden opgemerkt dat verzoeker in mei 2017 te laat van vakantie was teruggekeerd en dat hij deze handelwijze in augustus 2017 heeft herhaald, zonder de interne regels met betrekking tot verlofaanvragen in acht te nemen.

209 In de derde plaats dient, onverminderd de in punt 197 hierboven genoemde plicht om zorgvuldig en met name omzichtig te handelen, te worden vastgesteld dat, in afwachting van de conclusies van de bemiddelaar, noch de artikelen 1 en 31 van het Handvest, noch artikel 12 bis van het Ambtenarenstatuut, noch de bepalingen van bijlage IX van het OPLAN en van de gedragscode de missie in casu verplichtten om verzoeker te onttrekken aan de procedures op het gebied van personeelsbeheer van de missie op de enkele grond dat hij meldingen had gedaan waarin hij het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger beschuldigde van psychisch geweld.

210 Aldus konden de meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 er niet aan in de weg staan dat de dienst PZ, onder toezicht van het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger, verzoeker naar aanleiding van de dagen waarop hij onregelmatig afwezig was geweest, te weten 29 en 30 juni 2017, op 27 juli 2017 een formulier toestuurde met daarbij een bijgewerkt overzicht van zijn vakantiedagen, aangezien een dergelijk document in beginsel noodzakelijk is om precies te weten op hoeveel vakantiedagen de betrokken functionaris voor de rest van het lopende jaar recht heeft.

211 Bijgevolg kan het feit dat de dienst PZ verzoeker op 27 juli 2017 een bijgewerkt overzicht van zijn vakantiedagen heeft toegestuurd op zichzelf niet worden beschouwd als een buitensporige of laakbare gedraging die een aanwijzing voor psychisch geweld jegens verzoeker opleverde, zodat het vierde onderdeel ongegrond moet worden verklaard.

– Algemene en contextuele beoordeling van de gedragingen die door verzoeker aan het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger worden verweten

212 Volgens de in punt 135 hierboven aangehaalde rechtspraak is het aan het Gerecht om de gedragingen die door verzoeker aan het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger worden verweten, als geheel en in context te beoordelen.

213 In dit verband blijkt uit de e-mail die het hoofd van de missie op 6 april 2017 aan verzoeker heeft gestuurd dat hij de Italiaanse autoriteiten en de COC had laten weten dat hij verzoeker wegens een gebrek aan vertrouwen als gevolg van vermeende schendingen van het beroepsgeheim door hem naar Italië wilde terugsturen.

214 Het is juist dat artikel 8 van bijlage IX van het OPLAN toestaat dat het hoofd van de missie de detachering van een functionaris vóór de geplande einddatum beëindigt, met name om disciplinaire redenen, overeenkomstig de gedragscode, of vanwege het feit dat de betrokken functionaris de basisvoorschriften van de missie niet in acht heeft genomen.

215 Uit het dossier blijkt echter niet dat de missie de Italiaanse autoriteiten heeft verzocht om de detachering van verzoeker vóór de einddatum te beëindigen en evenmin dat zij de procedure van artikel 8 van bijlage IX van het OPLAN heeft ingesteld.

216 In antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag heeft de missie namelijk aangegeven dat de procedure voor een vervroegde beëindiging van de detachering overeenkomstig artikel 8 van bijlage IX van het OPLAN een zekere administratieve rompslomp meebracht en vereiste dat een commissie werd ingesteld om onderzoek te doen naar de situatie van de betrokken functionaris en naar de redenen waarom het hoofd van de missie de voortijdige beëindiging van zijn detachering overwoog.

217 De algemene werkomgeving waarin de door verzoeker aangevoerde feiten zich voordeden, werd derhalve gekenmerkt door het voornemen van het hoofd van de missie, zoals dat blijkt uit de in punt 213 hierboven bedoelde e-mail van 6 april 2017, om verzoeker weg te sturen, zonder evenwel de procedure van artikel 8 van bijlage IX van het OPLAN toe te passen.

218 Enerzijds werd verzoeker door het bestaan van een dergelijke context mogelijk bevestigd in zijn beoordeling van de feiten die het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger worden verweten in het kader van het tweede en het derde onderdeel, waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat ze een aanwijzing vormen voor psychisch geweld. Anderzijds konden de feiten die door verzoeker aan het hoofd van de missie en zijn plaatsvervanger worden verweten in het kader van het eerste en het vierde onderdeel, waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat ze op zichzelf beschouwd geen aanwijzing vormen voor psychisch geweld, in het licht van die context toch als zodanig worden beschouwd, met name wanneer alle feiten zich binnen een korte periode hebben voorgedaan.

219 Dientengevolge kan verzoeker op goede gronden stellen dat de missie, door geen administratief onderzoek in te stellen naar aanleiding van zijn beweringen dat er sprake was van psychisch geweld, artikel 1 en artikel 31, lid 1, van het Handvest alsmede artikel 12 bis van het Ambtenarenstatuut heeft geschonden en dient het eerste middel in zijn geheel te worden aanvaard.

Tweede middel, ontleend aan schending van het recht op behoorlijk bestuur en de zorgplicht

220 In het kader van dit middel betoogt verzoeker dat de drie vermeende tekortkomingen die zijn opgesomd in punt 79 hierboven en die ten behoeve van dit arrest moeten worden beschouwd als drie onderdelen ter ondersteuning van dit middel, een geval van schending van het recht op behoorlijk bestuur en de zorgplicht vormen.

221 De missie betwist de gegrondheid van de beweringen van verzoeker.

222 Alvorens in te gaan op deze drie onderdelen dient het Gerecht na te gaan of verzoeker zich met succes kan beroepen op schending van de zorgplicht, en zo ja, of die verplichting inhoudelijk gezien verschilt van het recht op behoorlijk bestuur.

– Toepasselijkheid van de zorgplicht op het geding

223 In herinnering dient te worden gebracht dat de zorgplicht van de administratie ten opzichte van haar personeel volgens vaste rechtspraak een uitvloeisel is van het door het Ambtenarenstatuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen de ambtenaren en hun administratie. In samenhang met het beginsel van behoorlijk bestuur houdt dit evenwicht met name in dat de administratie bij haar beslissing over de situatie van een ambtenaar alle elementen in aanmerking moet nemen die haar besluit kunnen beïnvloeden en daarbij niet alleen rekening behoort te houden met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokken ambtenaar [zie beschikking van 31 maart 2022, Barata/Parlement, C‑305/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:253, punten 7 en 8 (standpuntbepaling van de advocaat-generaal, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].

224 Zoals blijkt uit de punten 125 tot en met 129 hierboven vereist het beginsel van gelijke behandeling echter dat in het geval van nationale functionarissen die zijn gedetacheerd bij een orgaan of een instantie zoals de missie, bepaalde bepalingen van het Ambtenarenstatuut en van de rechtspraak betreffende de publieke dienst van de Unie naar analogie worden toegepast, wanneer die functionarissen zich in een vergelijkbare situatie bevinden als functionarissen die zijn onderworpen aan het Ambtenarenstatuut en dat het verschil in situatie tussen beide groepen geen objectieve rechtvaardiging kan vormen voor het feit dat die eerste groep, wanneer zij hun functie uitoefenen op het terrein, niet dezelfde bescherming geniet qua niveau en regels als die tweede groep.

225 Hetzelfde geldt met name voor de zorgplicht van de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie als werkgever jegens zijn of haar ambtenaren en personeelsleden (zie in die zin arrest van 18 november 2020, H/Raad, T‑271/10 RENV II, EU:T:2020:548, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

226 Bijgevolg kan verzoeker zich met succes beroepen op de zorgplicht.

– Reikwijdte van de zorgplicht en van het recht op behoorlijk bestuur

227 In herinnering dient te worden gebracht dat verzoeker zich er in wezen over beklaagt, in het kader van het eerste onderdeel, dat de missie zijn klachten van 8 maart 2017 en zijn meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 niet binnen een redelijke termijn heeft behandeld; in het kader van het tweede onderdeel, dat hij niet op de hoogte was van de vaststellingen en de aanbeveling zoals die zijn opgenomen in het rapport 29 juli 2017, en, in het kader van het derde onderdeel, dat de missie geen gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van de bemiddelaar.

228 In dit verband bepaalt artikel 41, lid 1, van het Handvest dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. Bovendien behelst het recht op behoorlijk bestuur volgens artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

229 De zorgplicht zoals die in de rechtspraak is gedefinieerd, kent echter niet de verplichting voor de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die als werkgever optreedt om binnen een redelijke termijn, of na hem te hebben gehoord, over de situatie of het verzoek van een van zijn functionarissen te beslissen en evenmin, in het bijzonder, de verplichting om gevolg te geven aan de aanbevelingen van een bemiddelaar die is aangewezen na een klacht wegens psychisch geweld.

230 Bovendien volgt uit de rechtspraak niet dat er sprake is van een direct of expliciet verband tussen enerzijds de zorgplicht en anderzijds de verplichting om een verzoek, en met name een klacht wegens psychisch geweld, binnen een redelijke termijn te behandelen, het recht om te worden gehoord en de eventuele verplichting om gevolg te geven aan de aanbevelingen van een bemiddelaar die is aangewezen na een klacht wegens psychisch geweld.

231 Het is inderdaad zo dat uit de rechtspraak volgt dat de zorgplicht gepaard gaat met een grotere verantwoordelijkheid voor de instellingen, organen of instanties van de Unie wanneer zij als werkgever handelen (zie in die zin arrest van 14 december 2022, SU/Eiopa,T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

232 In casu heeft verzoeker echter niet aangegeven welke verplichtingen in de onderhavige zaak op de missie rusten op grond van de zorgplicht en in hoeverre die verschillen van de verplichtingen die voortvloeien uit het recht op behoorlijk bestuur.

233 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat dit middel, voor zover het berust op een eventuele schending van de zorgplicht, onvoldoende is toegelicht om de gegrondheid ervan te kunnen beoordelen, zodat het moet worden afgewezen op grond van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering omdat het onvoldoende nauwkeurig en niet-ontvankelijk is.

– Eerste onderdeel, betreffende het feit dat de klachten van 8 maart 2017 en de meldingen van 28 maart en 17 juli 2017 niet binnen een redelijke termijn zijn behandeld

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in