HvJ EU 11 juni 2024, C-221/22, ECLI:EU:C:2024:488
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
11 juni 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededinging – Artikelen 266 en 340 VWEU – Arrest waarbij een door de Europese Commissie opgelegde geldboete wordt verlaagd – Terugbetaling door de Commissie van het onterecht geïnde bedrag – Verplichting tot betaling van rente – Kwalificatie – Forfaitaire vergoeding voor het gemis van het genot van het onverschuldigd betaalde bedrag van de geldboete – Toepasselijk rentepercentage”
In zaak C‑221/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 28 maart 2022,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Calleja Crespo, N. Khan, B. Martenczuk, P. Rossi en L. Wildpanner als gemachtigden,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Deutsche Telekom AG, gevestigd te Bonn (Duitsland), vertegenwoordigd door C. von Köckritz, P. Lohs en U. Soltész, Rechtsanwälte,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra en Z. Csehi (rapporteur), kamerpresidenten, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 juli 2023,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 november 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 januari 2022, Deutsche Telekom/Commissie (T‑610/19, EU:T:2022:15; hierna: „bestreden arrest”), waarbij de Commissie is veroordeeld tot vergoeding van de door Deutsche Telekom AG geleden schade ten bedrage van 1750522,83 EUR, het besluit van de Commissie van 28 juni 2019 houdende weigering om Deutsche Telekom vertragingsrente te betalen nietig is verklaard (hierna: „litigieus besluit”), en het beroep van Deutsche Telekom voor het overige is verworpen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Financieel Reglement van 2012
2 Artikel 78 („Vaststelling van schuldvorderingen”) van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement van 2012”) bepaalde in lid 4: „De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de vaststelling van schuldvorderingen, met inbegrip van procedure en bewijsstukken, en van achterstandsrente.”
Gedelegeerde verordening nr. 1268/2012
3 Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2012, L 362, blz. 1) werd door de Commissie met name op grond van artikel 78, lid 4, van het Financieel Reglement van 2012 vastgesteld.
4 In artikel 83 („Achterstandsrente”) van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 werd het volgende bepaald: „1. Onverminderd de specifieke bepalingen die voortvloeien uit de toepassing van sectorale regelingen, is elke schuldvordering die bij het verstrijken van de in artikel 80, lid 3, onder b), bedoelde termijn niet is voldaan, rentedragend overeenkomstig de leden 2 en 3. 2. De rentevoet voor schuldvorderingen die bij het verstrijken van de in artikel 80, lid 3, onder b), bedoelde termijn niet zijn voldaan, is het door de Europese Centrale Bank [(ECB)] op haar basisherfinancieringsoperaties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin de genoemde termijn valt en dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie [(hierna: „herfinancieringsrentepercentage van de ECB”)], vermeerderd met: a) acht procentpunten wanneer de schuldvordering voortvloeit uit een overheidsopdracht voor leveringen en diensten in de zin van titel V; b) drieënhalf procentpunten in alle andere gevallen. 3. De rente wordt berekend vanaf de kalenderdag die volgt op de in artikel 80, lid 3, onder b), bedoelde en in de debetnota vermelde termijn, tot en met de kalenderdag waarop de schuld volledig is vereffend. De invorderingsopdracht voor de achterstandsrente wordt gedateerd op de dag waarop de rente daadwerkelijk is geïnd. 4. Wanneer de debiteur in het geval van boeten een financiële zekerheid stelt die door de rekenplichtige wordt aanvaard in plaats van een betaling, is de rentevoet die vanaf de in artikel 80, lid 3, onder b), bedoelde termijn van toepassing is, het in lid 2 van het onderhavige artikel bedoelde percentage dat geldt op de eerste dag van de maand waarin het boetebesluit is goedgekeurd, vermeerderd met slechts anderhalf procentpunt.”
5 Artikel 90 („Inning van boeten of andere sancties”) van die verordening bepaalde als volgt: „1. Wanneer bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep is ingesteld tegen een besluit van de Commissie waarbij krachtens het VWEU of het Euratom-Verdrag een boete of een andere sanctie is opgelegd, stort de debiteur, zolang niet alle rechtsmiddelen zijn uitgeput, de betrokken bedragen voorlopig op de door de rekenplichtige aangewezen bankrekening of stelt hij een financiële zekerheid die voor de rekenplichtige aanvaardbaar is. De zekerheid staat los van de verplichting tot betaling van de boete of de dwangsom of van andere sancties en is op eerste verzoek opeisbaar. Zij dekt de vordering voor de hoofdsom en de in artikel 83, lid 4, bedoelde verschuldigde rente. 2. De Commissie waarborgt de veiligheid en de liquiditeit van de voorlopig geïnde bedragen, en streeft daarbij tegelijkertijd naar een positief rendement, door deze bedragen in financiële activa te beleggen. […] 4. Nadat alle juridische verweermiddelen zijn uitgeput en de boete of de sanctie nietig is verklaard of is verlaagd: a) worden de onterecht geïnde bedragen en de overeenkomstige rente terugbetaald aan de betrokken derde. Wanneer het totale rendement voor de betrokken periode negatief was, wordt de nominale waarde van de onterecht geïnde bedragen terugbetaald, of b) wanneer een financiële zekerheid is gesteld, wordt deze naar evenredigheid vrijgegeven.”
Voorgeschiedenis van het geding
6 Op 15 oktober 2014 heeft de Commissie besluit C(2014) 7465 final vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39523 – Slovak Telekom), zoals gerectificeerd bij haar achtereenvolgende besluiten C(2014) 10119 final van 16 december 2014 en C(2015) 2484 final van 17 april 2015.
7 Bij dat besluit heeft de Commissie een geldboete van 31070000 EUR opgelegd aan Deutsche Telekom omdat deze onderneming in strijd met artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst misbruik had gemaakt van haar machtspositie op de Slowaakse markt voor breedbandtelecommunicatiediensten.
8 Deutsche Telekom heeft beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld, maar heeft de geldboete op 16 januari 2015 voorlopig wel betaald. Bij arrest van 13 december 2018, Deutsche Telekom/Commissie (T‑827/14, EU:T:2018:930; hierna: „arrest Deutsche Telekom van 2018”), heeft het Gerecht het beroep van Deutsche Telekom gedeeltelijk toegewezen en de hoogte van de geldboete in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht verlaagd met 12039019 EUR. Op 19 februari 2019 heeft de Commissie dit bedrag aan Deutsche Telekom terugbetaald.
9 Op 12 maart 2019 heeft Deutsche Telekom de Commissie verzocht om vertragingsrente over het onterecht geïnde bedrag te betalen voor de periode vanaf de betaling van de geldboete tot de datum van terugbetaling van dat bedrag (hierna: „betrokken periode”).
10 De Commissie heeft bij het litigieuze besluit geweigerd om dit verzoek in te willigen en heeft aangevoerd dat het nominale bedrag van de onterecht geïnde geldboete krachtens artikel 90, lid 4, onder a), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 niet met vertragingsrente moest worden vermeerderd omdat het totale rendement van de belegging van dat bedrag in financiële activa, die zij overeenkomstig lid 2 van dat artikel 90 had gedaan, negatief was.
11 De Commissie heeft in dat besluit ook het argument van Deutsche Telekom onderzocht waarin werd gesteld dat die onderneming op grond van het arrest van het Gerecht van 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81), recht had op vertragingsrente tegen het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten. In reactie op dat argument heeft de Commissie verklaard dat dit arrest geen rechtsgrondslag bood voor de betaling van de door Deutsche Telekom gevorderde vertragingsrente. Voorts heeft zij aangevoerd dat dit arrest geen afbreuk kon doen aan de toepassing van artikel 90, lid 4, onder a), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012. Ten slotte wees de Commissie erop dat zij tegen dat arrest hogere voorziening had ingesteld en dat het dus niet definitief was.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
12 Deutsche Telekom heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 september 2019, bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en tot veroordeling van de Commissie tot betaling van een vergoeding voor de winstderving die het gevolg is van het feit dat zij in de betrokken periode geen gebruik heeft kunnen maken van het onterecht geïnde bedrag van de geldboete, dan wel, subsidiair, tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden door de weigering van de Commissie om vertragingsrente over dat bedrag te betalen.
13 Het Gerecht heeft dit beroep gedeeltelijk toegewezen.
14 In de eerste plaats heeft het Gerecht de schadevordering van Deutsche Telekom afgewezen waarmee zij de Europese Unie niet-contractueel aansprakelijk wilde stellen voor de winst die zij had gederfd doordat zij in de betrokken periode geen gebruik heeft kunnen maken van het onterecht geïnde bedrag van de geldboete, dat volgens haar overeenkomt met het jaarlijkse rendement van haar geïnvesteerde vermogen of met haar gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet.
15 Volgens het Gerecht heeft Deutsche Telekom namelijk niet op overtuigende wijze bewezen dat de gestelde schade reëel en zeker is. Meer in het bijzonder heeft Deutsche Telekom niet aangetoond dat zij het onterecht geïnde bedrag van de geldboete noodzakelijkerwijs in haar activiteiten zou hebben geïnvesteerd, noch dat zij, door het feit dat zij niet over dat bedrag kon beschikken, heeft afgezien van specifieke en concrete projecten, noch dat zij niet over een alternatieve financieringsbron beschikte.
16 In de tweede plaats heeft het Gerecht de schadevordering onderzocht die Deutsche Telekom subsidiair heeft ingesteld wegens schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU, dat bepaalt dat de instellingen waarvan een handeling bij een arrest van een rechterlijke instantie van de Unie nietig wordt verklaard, alle maatregelen moeten nemen die nodig zijn ter uitvoering van dat arrest.
17 Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof in het arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39; hierna: „arrest Printeos”), heeft het Gerecht in punt 72 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat wanneer bedragen in strijd met het Unierecht zijn geïnd, uit dit recht een verplichting voortvloeit om deze bedragen met rente terug te betalen en dat dit met name het geval is wanneer er bedragen zijn geïnd krachtens een Uniehandeling die door een rechterlijke instantie van de Unie ongeldig of nietig is verklaard.
18 Het Gerecht heeft er in punt 75 van het bestreden arrest op gewezen dat de toekenning van vertragingsrente over het onverschuldigd betaalde bedrag een wezenlijk bestanddeel is van de verplichting tot herstel van de oorspronkelijke toestand, die op de Commissie rust na een nietigverklaringsarrest of een krachtens de bevoegdheid tot onbeperkte toetsing gewezen arrest.
19 Wat meer bepaald de aan de orde zijnde toekenning van dergelijke rente vanaf de datum van de voorlopige betaling van de betrokken geldboete betreft, was het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest van oordeel dat deze toekenning ertoe strekt de onderneming die de geldboete heeft betaald, forfaitair schadeloos te stellen omdat zij niet heeft kunnen beschikken over haar middelen in de periode vanaf de datum van de voorlopige betaling van die geldboete tot de datum van terugbetaling.
20 Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest geoordeeld dat de weigering van de Commissie om deze rente aan Deutsche Telekom te betalen een voldoende gekwalificeerde schending oplevert van artikel 266, eerste alinea, VWEU, die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan doen intreden. Daar er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de schade die bestaat in het verlies van vertragingsrente over het onterecht geïnde bedrag van de geldboete, heeft het Gerecht Deutsche Telekom een schadevergoeding toegekend van 1750522,83 EUR. Het heeft dit bedrag berekend door naar analogie het rentepercentage toe te passen waarin is voorzien bij artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, namelijk het herfinancieringsrentepercentage van de ECB dat gold in januari 2015, te weten 0,05 %, vermeerderd met 3,5 procentpunten.
21 Wat in de derde plaats de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit betreft, heeft het Gerecht deze vordering toegewezen om dezelfde redenen als deze op grond waarvan het bij de beoordeling van de tweede schadevordering heeft geoordeeld dat de Commissie artikel 266, eerste alinea, VWEU heeft geschonden door te weigeren om voor de betrokken periode vertragingsrente over het onterecht geïnde bedrag van de geldboete te betalen.
Conclusies van partijen voor het Hof
22 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij het beroep van Deutsche Telekom AG is toegewezen; – zelf uitspraak te doen over de openstaande punten in het geding; – subsidiair, de zaak, voor zover deze nog niet is beslecht, terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak, en – Deutsche Telekom te verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure en de procedure bij het Gerecht.
23 Deutsche Telekom verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – de Commissie te verwijzen in haar eigen kosten en in die van Deutsche Telekom in de procedure bij het Gerecht en die bij het Hof.
Hogere voorziening
24 De Commissie voert ter ondersteuning van haar hogere voorziening twee middelen aan. Het eerste middel is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door te oordelen dat artikel 266 VWEU een algemene en onvoorwaardelijke verplichting oplegt om met terugwerkende kracht „vertragingsrente met een bestraffend karakter” te betalen vanaf de datum van de voorlopige betaling van de boete. Het tweede middel is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door te oordelen dat de door de Commissie te betalen vertragingsrente, naar analogie met die in artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, overeenkomt met het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten.
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
25 Deutsche Telekom voert aan dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is en dat deze in feite gericht is tegen het onherroepelijk geworden arrest Printeos en niet tegen het bestreden arrest. Bovendien betoogt zij dat de verschillende onderdelen van het eerste middel alsook het tweede middel niet-ontvankelijk zijn omdat daarin enkel de voor het Gerecht aangevoerde argumenten worden herhaald of omdat het gaat om argumenten die voor de eerste maal in hogere voorziening worden aangevoerd. Wat meer in het bijzonder het eerste middel betreft, vloeit de niet-ontvankelijkheid van dat middel ook voort uit het feit dat de Commissie, in strijd met het vereiste van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, geen rechtsoverwegingen in het bestreden arrest heeft aangewezen waaruit zou blijken dat de verplichting tot betaling van rente een bestraffend karakter heeft.
26 De Commissie is van mening dat haar hogere voorziening zonder meer ontvankelijk is.
27 In dit verband volgt uit artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten deze vordering specifiek staven. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is aan dit vereiste niet voldaan wanneer een hogere voorziening slechts de middelen en argumenten herhaalt die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd en zelfs geen argumenten bevat waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het arrest van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten. Met een dergelijke hogere voorziening wordt namelijk in werkelijkheid slechts beoogd dat het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift opnieuw wordt onderzocht, waartoe het Hof niet bevoegd is (arrest van 15 juli 2021, DK/SEAE,C‑851/19 P, EU:C:2021:607, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Wanneer een verzoeker echter de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. De procedure in hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen indien de verzoeker zijn hogere voorziening niet op die manier kon baseren op middelen en argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd (arrest van 15 juli 2021, DK/SEAE,C‑851/19 P, EU:C:2021:607, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat een verzoeker een hogere voorziening mag instellen waarin hij middelen aanvoert die uit het bestreden arrest voortvloeien en ertoe strekken de gegrondheid daarvan in rechte te betwisten (arrest van 26 februari 2020, EDEO/Alba Aguilera e.a.,C‑427/18 P, EU:C:2020:109, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Ten slotte moet de Commissie, net zoals elke andere partij bij een hogere voorziening, de mogelijkheid behouden om rechtsbeginselen die het Gerecht heeft toegepast in het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, ter discussie te stellen, ook al zijn deze beginselen tot stand gekomen in arresten waartegen geen hogere voorziening (meer) kan worden ingesteld.
31 In casu strekt de hogere voorziening ertoe, zoals de Commissie in haar inleidende opmerkingen heeft aangegeven, het Hof te verzoeken om de rechtspraak die is ontwikkeld in het arrest Printeos – en die volgens de Commissie grotendeels ten grondslag ligt aan het bestreden arrest, maar voorbijgaat aan de eerdere rechtspraak – te heroverwegen. Het betoog van de Commissie geeft voldoende nauwkeurig de punten van het bestreden arrest weer waarop kritiek wordt geuit, alsmede de gronden waarop dit arrest volgens haar op meerdere punten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, en beperkt zich dus niet louter – zoals Deutsche Telekom stelt – tot een herhaling of reproductie van de argumenten die deze instelling voor het Gerecht heeft aangevoerd.
32 De door Deutsche Telekom aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dan ook worden verworpen.
Eerste middel
Argumenten van partijen
33 Met haar eerste middel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 266 VWEU de Commissie een algemene en onvoorwaardelijke verplichting oplegt om met terugwerkende kracht „vertragingsrente met een bestraffend karakter” te betalen vanaf de datum van de voorlopige betaling van de boete.
34 Het eerste middel bestaat uit zes onderdelen.
35 Met het eerste onderdeel van het eerste middel betwist de Commissie een voldoende gekwalificeerde schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU te hebben begaan door geen vertragingsrente te hebben betaald ten bedrage van het door Deutsche Telekom gevorderde bedrag.
36 Volgens de Commissie kan er alleen vertragingsrente – zoals die door Deutsche Telekom is gevorderd en door het Gerecht is toegekend – worden toegekend indien een debiteur te laat betaalt en er op zijn minst sprake is van onachtzaamheid. Het Gerecht heeft in zijn arrest van 8 juni 1995, Siemens/Commissie (T‑459/93, EU:T:1995:100, punt 101), vertragingsrente overigens omschreven als rente „wegens vertraging in de nakoming van de teruggaveplicht”, aldus de Commissie. In casu heeft zij het onterecht geïnde bedrag van de boete echter onmiddellijk na het arrest Deutsche Telekom van 2018 terugbetaald en is er derhalve nooit sprake geweest van „vertraging”. De vertragingsrente die de Commissie overeenkomstig het bestreden arrest en het arrest Printeos moet betalen, is dus een onterechte sanctie, aldus deze instelling.
37 Met het tweede onderdeel van dit middel betoogt de Commissie dat het bestreden arrest voorbijgaat aan de rechtspraak van vóór het arrest Printeos.
38 Volgens de Commissie is de rente die over de terugbetaling van onterecht geïnde bedragen moet worden betaald geen met terugwerkende kracht te betalen „vertragingsrente met een bestraffend karakter”, maar een compensatoire rente waarmee er wordt voorkomen dat de debiteur zich ongerechtvaardigd verrijkt, zoals met name blijkt uit het arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie (C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672). De Commissie merkt op dat het Hof in dat arrest de te betalen rente weliswaar als „vertragingsrente” heeft aangemerkt, maar heeft gespecificeerd dat deze onder gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 viel. In werkelijkheid gaat het dus, aldus de Commissie, om rente ter compensatie van de rente op de beleggingen die zij op basis van artikel 90 van die gedelegeerde verordening heeft gedaan. Uit dat arrest, waar in punt 73 van het bestreden arrest naar wordt verwezen, kan volgens de Commissie derhalve niet worden afgeleid dat zij de vertragingsrente moet betalen die door Deutsche Telekom is gevorderd en door het Gerecht in het bestreden arrest aan deze onderneming is toegewezen.
39 Op basis van deze rechtspraak erkent de Commissie dat zij op grond van artikel 266, eerste alinea, VWEU, wanneer de door haar opgelegde geldboeten door een rechterlijke instantie van de Unie nietig worden verklaard of worden verlaagd, verplicht is om het onterecht geïnde bedrag van de boeten en de overeenkomstige rente krachtens artikel 90 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 terug te betalen. Het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, dat in dergelijke gevallen in de rechtspraak is neergelegd, verbiedt haar namelijk om de rente op deze geldboeten te behouden. De Commissie is evenwel van mening dat artikel 90, lid 4, van die gedelegeerde verordening van toepassing is, volgens welke bepaling zij na een arrest waarbij de voorlopig geïnde geldboete nietig wordt verklaard of wordt verlaagd, aan de betrokken ondernemingen „de onterecht geïnde bedragen en de overeenkomstige rente” terug moet betalen. Wanneer het totale rendement van de investering die is gedaan met de met deze geldboete overeenkomende bedragen daarentegen negatief was, is zij slechts ertoe gehouden „de nominale waarde van de onterecht geïnde bedragen” terug te betalen, aldus de Commissie.
40 Betoogd wordt dat de toepassing van de in het bestreden arrest gehanteerde beginselen in de huidige economische context leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de betrokken ondernemingen doordat er een absoluut en onvoorwaardelijk recht op betaling van rente wordt toegekend tegen een rentepercentage dat overeenkomt met het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten.
41 Met het derde onderdeel van het eerste middel voert de Commissie aan dat artikel 90 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 de rente regelt die moet worden betaald wanneer het gaat om de uitvoering van arresten van de rechterlijke instanties van de Unie.
42 Zij twijfelt er met name aan of punt 97 van het bestreden arrest wel goed onderbouwd is. In dit punt heeft het Gerecht geoordeeld dat wanneer het bedrag van de overeenkomstige rente als bedoeld in artikel 90, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 lager is dan het bedrag van de vertragingsrente, de Commissie het verschil tussen die twee bedragen moet betalen. Deze uitlegging van het Gerecht heeft volgens haar tot gevolg dat die bepaling de facto nooit van toepassing is. De rente op een veilige belegging kan namelijk nooit hoger zijn dan de vertragingsrente, waarvan het rentepercentage overeenkomt met het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten, aldus de Commissie.
43 Met het vierde onderdeel van het eerste middel voert de Commissie aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340 VWEU.
44 Om te beginnen heeft het Gerecht – door de Commissie te verplichten om met terugwerkende kracht vertragingsrente te betalen vanaf de voorlopige betaling van de boete – het enkele feit dat er sprake is van een geldboete waarvan het bedrag later door een rechterlijke instantie van de Unie wordt verlaagd, ten onrechte gelijkgesteld met een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel. Voorts heeft Deutsche Telekom volgens de Commissie nagelaten om voor het Gerecht aan te tonen dat zij schade had geleden. In dit verband kan de weigering van de Commissie om rente te betalen tegen het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten, niet worden beschouwd als een door Deutsche Telekom geleden verlies. Ten slotte is het tegenstrijdig om de Commissie een gekwalificeerde schending van het recht te verwijten op grond van factoren die buiten haar macht liggen, zoals de duur van gerechtelijke procedures.
45 Met het vijfde onderdeel van het eerste middel voert de Commissie aan dat de ex-tuncwerking van arresten van de rechterlijke instanties van de Unie niet impliceert dat er vertragingsrente moet worden betaald vanaf de datum van de voorlopige betaling van de geldboete.
46 De Commissie betoogt in dit verband dat de nietigverklaring van een handeling door een rechterlijke instantie van de Unie weliswaar tot gevolg heeft dat die handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie verdwijnt, maar dat dit niet wegneemt dat de Commissie vóór het arrest Deutsche Telekom van 2018 geenszins verplicht was om de geldboete terug te betalen, temeer daar haar besluiten worden vermoed rechtsgeldig te zijn. De Commissie benadrukt dat de ex-tuncwerking van een arrest waarbij een geldboete nietig wordt verklaard of wordt verlaagd, niet tot gevolg kan hebben dat zij rente moet betalen vanaf de voorlopige betaling van die boete, terwijl zij op de datum van die betaling noch verplicht, noch in staat was om die boete terug te betalen.
47 De Commissie voegt hieraan toe dat – anders dan het Gerecht heeft geoordeeld – de hoofdvordering, dat wil zeggen het onterecht geïnde bedrag van de geldboete, op die datum allerminst „[vaststond] of in elk geval [niet kon] worden bepaald aan de hand van vaststaande objectieve gegevens” in de zin van het arrest Printeos (punt 55).
48 Met het zesde onderdeel van het eerste middel betoogt de Commissie dat de bij het bestreden arrest opgelegde betaling van vertragingsrente afbreuk doet aan de afschrikkende werking van geldboeten.
49 De Commissie is van mening dat er bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete rekening moet worden gehouden met deze afschrikkende werking. Zij merkt in dit verband op dat zij bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete de afschrikkende werking en het eventueel later te betalen bedrag aan vertragingsrente niet tegen elkaar kan afwegen, aangezien zij de uitkomst van mogelijke beroepen tegen besluiten waarbij zij een geldboete oplegt en de duur van de overeenkomstige gerechtelijke procedures niet vooraf kan bepalen. Bovendien komt door de onevenredigheid van die rente, die volgens de Commissie meer dan de helft van het boetebedrag kan bedragen, de afschrikkende werking in het gedrang.
50 Deutsche Telekom betwist het betoog van de Commissie in zijn geheel en is van mening dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
51 Uit artikel 266, eerste alinea, VWEU blijkt dat de instelling welker handeling nietig is verklaard, de maatregelen moet nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarbij die handeling ex tunc nietig is verklaard. Dat omvat onder meer de betaling van de op grond van die handeling onterecht geïnde bedragen en de betaling van rente (zie in die zin arresten van 12 februari 2015, Commissie/IPK International,C‑336/13 P, EU:C:2015:83, punt 29, en 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 55).
52 Uit vaste rechtspraak volgt ook dat de betaling van rente een maatregel ter uitvoering van het nietigverklaringsarrest in de zin van artikel 266, eerste alinea, VWEU vormt doordat zij een forfaitaire vergoeding voor het gemis van het genot van een schuldvordering beoogt te geven en er, na de uitspraak van dat nietigverklaringsarrest, voorts op is gericht de schuldenaar ertoe aan te zetten om het arrest zo snel mogelijk uit te voeren (zie in die zin arresten van 12 februari 2015, Commissie/IPK International,C‑336/13 P, EU:C:2015:83, punt 30, en 10 oktober 2001, Corus UK/Commissie,T‑171/99, EU:T:2001:249, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Uit artikel 266, eerste alinea, VWEU volgt dus dat wanneer een rechterlijke instantie van de Unie overgaat tot nietigverklaring of verlaging ex tunc van een geldboete die bij een besluit van de Commissie wegens schending van de mededingingsregels is opgelegd, deze instelling het bedrag van de voorlopig betaalde geldboete geheel of gedeeltelijk moet terugbetalen, vermeerderd met rente over de periode vanaf de datum waarop de geldboete voorlopig is betaald tot de datum van terugbetaling.
54 De verplichting om onterecht geïnde geldbedragen terug te betalen met rente, geldt overigens niet alleen voor de instellingen, organen en instanties van de Unie, maar ook voor de autoriteiten van de lidstaten.
55 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat iedere justitiabele aan wie een nationale autoriteit in strijd met het Unierecht de betaling van belastingen, rechten of andere heffingen heeft opgelegd, krachtens dat recht niet alleen de terugbetaling van het onterecht geïnde bedrag kan vorderen van die autoriteit, maar ook de betaling van rente ter compensatie van de niet-beschikbaarheid van dat bedrag [zie in die zin arresten van 9 november 1983, San Giorgio,199/82, EU:C:1983:318, punt 12; 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a.,C‑397/98 en C‑410/98, EU:C:2001:134, punt 84; 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a.,C‑591/10, EU:C:2012:478, punten 24‑26; 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging),C‑100/20, EU:C:2021:716, punten 26 en 27, en 28 april 2022, Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a., C‑415/20, C‑419/20 en C‑427/20, EU:C:2022:306, punten 51 en 52].
56 Bijgevolg moeten in strijd met het Unierecht geïnde bedragen, of dit nu door een nationale autoriteit of een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie is gebeurd, worden terugbetaald en moet de terugbetaling worden vermeerderd met rente voor de gehele periode vanaf de betaling van die bedragen tot de datum van terugbetaling. Dit vormt de uitdrukking van een algemeen beginsel van teruggave van hetgeen onverschuldigd is betaald (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions e.a., C‑415/20, C‑419/20 en C‑427/20, EU:C:2022:306, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Het Gerecht heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan de hand van een met name op het arrest Printeos gebaseerde redenering in punt 111 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie artikel 266, eerste alinea, VWEU heeft geschonden door te weigeren om aan Deutsche Telekom voor de betrokken periode rente te betalen over het onterecht geïnde bedrag van de geldboete. Het Gerecht heeft, net als in het arrest Printeos, slechts de beginselen herhaald die voortvloeien uit de vaste rechtspraak – die niet voor wijziging vatbaar is – en die in de punten 51 tot en met 56 van dit arrest in herinnering zijn gebracht.
58 In dit verband moet worden benadrukt dat, anders dan de Commissie stelt, de schadevergoeding aan Deutsche Telekom tot betaling waarvan zij door het Gerecht in het bestreden arrest is veroordeeld, geen „vertragingsrente met een bestraffend karakter” is. Vóór de datum van uitspraak van het arrest Deutsche Telekom van 2018 was de Commissie namelijk geenszins verplicht om het bedrag van de geldboete noch geheel, noch gedeeltelijk aan Deutsche Telekom terug te betalen, gelet op ten eerste de afdwingbaarheid van besluiten van de Commissie waarbij aan andere personen dan lidstaten een geldelijke verplichting wordt opgelegd, ten tweede het feit dat een voor een rechterlijke instantie van de Unie ingesteld beroep krachtens artikel 278 VWEU geen schorsende werking heeft, en ten slotte het feit dat besluiten van de Commissie worden vermoed rechtsgeldig te zijn zolang zij niet zijn nietig verklaard of ingetrokken (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie,C‑413/08 P, EU:C:2010:346, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg rustte er op de Commissie pas vanaf die datum een verplichting tot terugbetaling en kon er pas vanaf dan sprake zijn van vertraging bij de nakoming van die verplichting als het onterecht geïnde bedrag van de boete niet onmiddellijk werd terugbetaald. In het onderhavige geval zijn partijen het er evenwel over eens dat de Commissie na de uitspraak van het arrest Deutsche Telekom van 2018 het onterecht geïnde bedrag van de geldboete aan Deutsche Telekom heeft terugbetaald.
59 Het is juist dat het Gerecht, net als in de rechtspraak waarop het zich heeft gebaseerd, de door de Commissie in casu verschuldigde rente in het bestreden arrest meermaals heeft gekwalificeerd als „vertragingsrente” of „achterstandsrente”, welke begrippen verwijzen naar de omstandigheid dat een schuldenaar te laat betaalt en daarvoor moet worden bestraft.
60 Een dergelijke kwalificatie, hoe betwistbaar ook gelet op het doel van de betrokken rente, kan in het licht van de in de punten 51 tot en met 56 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginselen echter geen afbreuk doen aan de geldigheid van de redenering op basis waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie verplicht was om naast de terugbetaling van het onterecht geïnde bedrag ook rente te betalen teneinde de betrokken onderneming forfaitair te vergoeden voor het gemis van het genot van dat bedrag.
61 De door de Commissie aangevoerde omstandigheid dat de rente tot betaling waarvan zij door het Gerecht in het bestreden arrest is veroordeeld, betrekking heeft op de periode vanaf de datum van de voorlopige betaling van de geldboete tot de datum waarop het onterecht geïnde bedrag wordt terugbetaald als gevolg van het arrest waarbij deze geldboete is verlaagd – en dus grotendeels betrekking heeft op een aan dat arrest voorafgaande periode –, is het gevolg van de ex-tuncwerking van een dergelijk arrest en van de uit artikel 266, eerste alinea, VWEU voortvloeiende verplichting om gevolg te geven aan dat arrest door de betrokken onderneming in de situatie te plaatsen waarin zij zich zou hebben bevonden indien zij niet gedurende deze gehele periode het genot van het bedrag dat onterecht is geïnd, had verloren. Dienaangaande staat het, gelet op het recht om op te komen tegen ieder besluit van de Commissie waarbij een geldboete wordt opgelegd, vast dat, wanneer de betrokken onderneming de boete voorlopig heeft betaald, deze instelling in voorkomend geval de in de punten 51 tot en met 53 van het onderhavige arrest genoemde maatregelen moet nemen ter uitvoering van een arrest waarbij een dergelijk besluit geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard.
62 Ook het betoog van de Commissie dat er in casu geen sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel en evenmin van voldoende bewijs dat Deutsche Telekom schade heeft geleden, kan niet slagen. Wanneer de Commissie krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU verplicht is om een bepaald bedrag terug te betalen en daarnaast ook rente te betalen, beschikt zij immers over geen enkele beoordelingsmarge met betrekking tot de vraag of die rente moet worden betaald, zodat de enkele inbreuk op het Unierecht, bestaande in de weigering om de rente te betalen, voldoende is om aan te tonen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van dat recht, die tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden (zie in die zin arrest Printeos, punten 103 en 104). Derhalve moest de Commissie overeenkomstig die bepaling in casu, als gevolg van het arrest Deutsche Telekom van 2018, niet alleen het onterecht geïnde bedrag van de geldboete terugbetalen, maar ook rente betalen, zoals het Gerecht in punt 112 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld. Aangezien deze rente „forfaitair” is, zoals blijkt uit de in punt 52 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, kan de Commissie zich bovendien niet aan deze verplichting onttrekken door te stellen dat Deutsche Telekom de schade niet genoegzaam heeft aangetoond.
63 In die omstandigheden moeten het eerste, het tweede, het vierde en het vijfde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
64 Verder heeft het Gerecht ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de argumenten van de Commissie inzake artikel 90 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 af te wijzen. Zoals het Gerecht in punt 98 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, moet de Commissie – wanneer de in artikel 90, lid 4, van die gedelegeerde verordening bedoelde „overeenkomstige” rente lager is dan de rente die verschuldigd is krachtens de forfaitaire vergoedingsplicht of wanneer er geen overeenkomstige rente is omdat het rendement op het belegde kapitaal negatief was – overeenkomstig artikel 266, eerste alinea, VWEU aan de betrokkene toch het verschil betalen tussen het bedrag van de eventuele „overeenkomstige rente” in de zin van artikel 90, lid 4, van de gedelegeerde verordening en het bedrag van de rente die verschuldigd is over de periode vanaf de datum waarop het betrokken bedrag werd betaald tot de datum van terugbetaling (zie in die zin arrest Printeos, punten 75 en 76).
65 Zoals de Commissie zelf heeft opgemerkt en zoals ook de advocaat-generaal in punt 77 van zijn conclusie heeft benadrukt, wordt met de voor deze instelling uit artikel 90, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 voortvloeiende verplichting om aan de betrokken onderneming de „overeenkomstige rente” te betalen vooral beoogd te voorkomen dat de Unie zich ongerechtvaardigd verrijkt. Deze mogelijke verplichting doet echter geen afbreuk aan de verplichting die krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU in elk geval op deze instelling rust om die onderneming forfaitair te vergoeden voor het gemis van genot ten gevolge van de overdracht aan de Commissie van het bedrag van het onverschuldigd betaalde bedrag van de geldboete, ook niet wanneer de belegging van het bedrag van de door die onderneming voorlopig betaalde geldboete een rendement heeft opgeleverd dat lager is dan het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten.
66 Voorts is het juist dat de Commissie overeenkomstig artikel 90, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 de veiligheid en de liquiditeit van de voorlopig geïnde bedragen waarborgt en daarbij tegelijkertijd naar een positief rendement streeft door deze bedragen in financiële activa te beleggen. Uit deze bepaling blijkt echter ook dat de onderneming die de haar opgelegde geldboete voorlopig heeft betaald, geen invloed uitoefent op de voorwaarden waaronder het bedrag van die geldboete wordt geïnvesteerd. De Commissie is er niet in geslaagd uit te leggen waarom in dergelijke omstandigheden de aan dergelijke investeringen verbonden risico’s zouden moeten worden gedragen door de onderneming die de geldboete die op grond van een geheel of gedeeltelijk onrechtmatige handeling is opgelegd, voorlopig heeft betaald.
67 In die omstandigheden moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
68 Met betrekking tot het betoog van de Commissie dat het opleggen van de verplichting tot betaling van rente vanaf de datum van de voorlopige inning van de geldboete afbreuk doet aan de afschrikkende werking van boeten, sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van het Gerecht in de punten 93 en 94 van het bestreden arrest, volgens welke de afschrikkende werking van geldboeten in overeenstemming moet worden gebracht met het vereiste van een effectieve rechterlijke bescherming. Dit vereiste houdt met name in dat, wanneer een door de betrokken onderneming voorlopig betaalde geldboete bij een arrest van een rechterlijke instantie van de Unie nietig wordt verklaard of wordt verlaagd, die onderneming – gelet op zowel artikel 266, eerste alinea, VWEU als de ex-tuncwerking van een dergelijk arrest – voor het gemis van het genot van het bedrag dat overeenkomt met het door de Commissie onterecht geïnde bedrag een forfaitaire vergoeding ontvangt over de periode tussen de datum van de voorlopige betaling en de datum van terugbetaling van dat bedrag door die instelling. Hoe dan ook kan de afschrikkende werking van geldboeten niet worden ingeroepen waar het gaat om geldboeten die door een rechterlijke instantie van de Unie nietig zijn verklaard of zijn verlaagd, aangezien de Commissie zich niet kan beroepen op een onrechtmatig verklaarde handeling om afschrikking te bewerkstelligen.
69 In die omstandigheden kan ook het zesde onderdeel van het eerste middel niet slagen.
70 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel van de Commissie ongegrond worden verklaard.
Tweede middel
Argumenten van partijen
71 Met haar tweede middel voert de Commissie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 114 tot en met 138 van het bestreden arrest te oordelen dat het rentepercentage dat van toepassing is op de door de Commissie te betalen rente, naar analogie met artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten, is.
72 De Commissie herinnert eraan dat het Hof in het arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie (C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 56), heeft geoordeeld dat voor de vaststelling van de rente die moet worden betaald na de nietigverklaring van een geldboete, het in gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 vastgestelde rentepercentage moest worden gehanteerd, maar dat het niet de specifieke bepaling van die gedelegeerde verordening heeft vermeld waarnaar moest worden verwezen.
73 In het arrest Printeos, dat in punt 121 van het bestreden arrest wordt vermeld, is het arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie (C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672), volgens de Commissie echter aldus uitgelegd dat er in dat arrest werd verwezen naar artikel 83 van die gedelegeerde verordening. Het Gerecht heeft haars inziens daaruit in de punten 133 en 134 van het bestreden arrest afgeleid dat artikel 83, lid 2, onder b), van de gedelegeerde verordening, dat bepaalt dat rente moet worden betaald tegen het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten, naar analogie moest worden toegepast.
74 Volgens de Commissie is die analoge toepassing niet gerechtvaardigd, aangezien artikel 83 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 de achterstandsrente regelt die schuldenaren van de Commissie in geval van te late betaling verschuldigd zijn en daartoe in een specifieke procedure voorziet.
75 Daarnaast kan uit het arrest Printeos naar de mening van de Commissie niet worden afgeleid dat het Hof, dat uitspraak deed over de berekening van samengestelde rente, het in artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 genoemde rentepercentage naar analogie heeft willen toepassen voor de berekening van vertragingsrente. Overigens heeft noch het Gerecht in zijn arrest van 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81), noch het Hof in het arrest Printeos, in de hogere voorziening in die zaak, vertragingsrente toegekend tegen het in die bepaling genoemde percentage.
76 Mocht het Hof evenwel van oordeel zijn dat een in artikel 83 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 vastgestelde rentepercentage moet worden gehanteerd, dan is de Commissie – tenzij er een ander passend rentepercentage wordt vastgesteld – van mening dat naar analogie met artikel 83, lid 4, van die gedelegeerde verordening moet worden uitgegaan van het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 1,5 procentpunt, dat door de Commissie wordt gehanteerd ingeval degene tot wie een besluit tot oplegging van een geldboete is gericht, een bankgarantie stelt in plaats van de geldboete voorlopig te betalen. Die situatie is voldoende vergelijkbaar met die welke in de onderhavige zaak aan de orde is, aangezien de rente in beide gevallen compensatie is voor de onmogelijkheid om voor de Commissie, in het eerste geval, en voor de betrokken onderneming, in het tweede geval, tijdens de gerechtelijke procedure vrijelijk over het bedrag van de geldboete te beschikken, aldus de Commissie.
77 Deutsche Telekom betwist het betoog van de Commissie en is van mening dat ook het tweede middel faalt.
Beoordeling door het Hof
78 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de Commissie voor de vaststelling van de rente die moet worden betaald aan een onderneming die een door deze instelling opgelegde geldboete heeft betaald, na de nietigverklaring of verlaging van die geldboete het percentage moet hanteren dat daartoe is vastgesteld in gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 (zie in die zin arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 56). Het Hof heeft bovendien verduidelijkt dat het niet gaat om een verwijzing naar artikel 90 van die gedelegeerde verordening, waarin geen specifiek rentepercentage wordt vermeld, maar om een verwijzing naar artikel 83 van die gedelegeerde verordening, waarin het rentepercentage wordt vastgesteld voor schuldvorderingen die op de uiterste datum niet zijn terugbetaald (zie in die zin arrest Printeos, punt 81).
79 Artikel 83 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, die de uitvoeringsvoorschriften bevatte voor het toen van kracht zijnde Financieel Reglement 2012, voorzag in verschillende rentepercentages, die alle overeenkwamen met het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met verschillende procentpunten. Overeenkomstig artikel 83, lid 2, onder a) en b), van die gedelegeerde verordening bedroeg de vermeerdering respectievelijk 8 procentpunten wanneer de schuldvordering voortvloeide uit een overheidsopdracht voor leveringen en diensten, en 3,5 procentpunten in alle andere gevallen. Verder was er, wanneer de debiteur een financiële zekerheid stelde die door de rekenplichtige werd aanvaard in plaats van de betaling van een geldboete, in artikel 83, lid 4, van de gedelegeerde verordening sprake van een vermeerdering met 1,5 procentpunt.
80 In casu is het Gerecht niet uitgegaan van een van de twee rentepercentages voor de specifieke gevallen als bedoeld in respectievelijk artikel 83, lid 2, onder a), en lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, maar is het teruggevallen op artikel 83, lid 2, onder b), van die gedelegeerde verordening en heeft het het daarin neergelegde percentage voor „alle andere gevallen” gehanteerd.
81 In punt 136 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ter berekening van het vaste bedrag dat Deutsche Telekom vergoed moet krijgen voor het gemis van het genot van haar middelen, op basis van de in de punten 125 tot en met 135 van dat arrest verrichte analyse dus naar analogie gebruikgemaakt van het rentepercentage van artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, namelijk het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten.
82 Derhalve heeft het Gerecht in punt 137 van dat arrest aan Deutsche Telekom voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de voldoende gekwalificeerde schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU, een vergoeding toegekend waarvan het bedrag van 1750522,83 EUR overeenkomt met de rente die tegen 3,55 % is misgelopen over het in de betrokken periode onterecht geïnde bedrag van de geldboete.
83 Zoals de Commissie heeft aangevoerd, klopt het dat artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 niet het rentepercentage vaststelt dat geldt waar het gaat om een forfaitaire vergoeding als die welke in de onderhavige zaak aan de orde is. Deze bepaling heeft namelijk betrekking op het – in casu niet aan de orde zijnde – geval van te late betaling, te weten het geval waarin een schuldvordering niet bij het verstrijken van de gestelde termijn is voldaan. Het is juist vanwege het feit dat dat rentepercentage noch in artikel 83, noch in enige andere bepaling van die gedelegeerde verordening is vastgesteld, dat het Gerecht bij de uitoefening van zijn beoordelingsmarge artikel 83, lid 2, onder b), van de gedelegeerde verordening „naar analogie” heeft gehanteerd.
84 Daaruit volgt echter niet dat het Gerecht door het hanteren van het in die bepaling vastgestelde percentage – dat gelet op het doel van de betrokken rente overigens niet onredelijk of disproportioneel is – blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitoefening van de bevoegdheden die het heeft op het gebied van procedures tot vaststelling van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.
85 In dit verband moet erop worden gewezen dat de Commissie – wanneer het bedrag van de door haar aan Deutsche Telekom opgelegde en door deze onderneming voorlopig betaalde geldboete door het Gerecht is verlaagd – niet in een gunstiger situatie mag worden geplaatst dan die waarin Deutsche Telekom zich zou hebben bevonden indien haar beroep was verworpen nadat zij er, in plaats van die voorlopige betaling te verrichten, voor had gekozen om een bankgarantie te stellen in afwachting van de uitkomst van de gerechtelijke procedure die middels de instelling van haar beroep was ingeleid. In dat geval had Deutsche Telekom overeenkomstig artikel 83, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 een rente van 1,55 % moeten betalen, vermeerderd met de kosten voor het stellen van de bankgarantie.
86 Om deze redenen kan het subsidiaire betoog van de Commissie dat de hoogte van de aan Deutsche Telekom verschuldigde rente moet worden begrensd op 1,55 %, niet slagen.
87 Daarbij komt – zoals het Gerecht in de punten 127 en 131 van het bestreden arrest terecht heeft aangegeven – dat de situatie van een onderneming die beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Commissie om haar een geldboete op te leggen, maar deze geldboete voorlopig wel heeft betaald, verschilt van die van een onderneming die een bankgarantie stelt in afwachting van de uitputting van de rechtsmiddelen. Wanneer een onderneming een bankgarantie heeft gesteld en bijgevolg uitstel van betaling heeft verkregen, heeft zij, anders dan de onderneming die de geldboete voorlopig heeft betaald, het bedrag van de opgelegde geldboete immers niet overgemaakt aan de Commissie, zodat deze instelling niet kan worden verplicht om haar een onterecht geïnd bedrag terug te betalen. Het enige eventuele financiële nadeel voor de betrokken onderneming is een uitvloeisel van haar eigen beslissing om een bankgarantie te stellen.
88 Ten slotte heeft het Hof in het arrest Printeos, zoals de Commissie terecht heeft aangegeven, over het terug te betalen bedrag van de geldboete geen rente toegekend tegen het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 3,5 procentpunten. Dit is echter het gevolg van het feit dat verzoekster in eerste aanleg in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, met betrekking tot dat bedrag slechts verzocht om toepassing van het herfinancieringsrentepercentage van de ECB, vermeerderd met 2 procentpunten.
89 Er moet ook worden benadrukt dat, indien de Commissie van mening zou zijn dat de huidige wettelijke bepalingen onvoldoende rekening houden met een situatie als die welke ten grondslag ligt aan de onderhavige zaak, het aan haar of, in voorkomend geval, aan de Uniewetgever zou staan om in het belang van de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid van het optreden van de Commissie de nodige aanpassingen door te voeren.
90 Wel moet, gelet op het feit dat de verplichting van de Commissie om rente te betalen over de terugbetaling van een geldboete die door een rechterlijke instantie van de Unie geheel of gedeeltelijk nietig is verklaard, voortvloeit uit artikel 266, eerste alinea, VWEU, elke nieuwe methode of procedure voor de berekening van die rente in overeenstemming zijn met de door de rente nagestreefde doelstellingen. Het op die rente toepasselijke percentage kan derhalve niet worden beperkt tot het compenseren van de waardevermindering die heeft plaatsgevonden gedurende de periode waarover rente moet worden betaald, maar moet ook strekken tot dekking van de forfaitaire vergoeding waarop de onderneming die de geldboete heeft betaald, recht heeft omdat zij gedurende een bepaalde periode niet het genot heeft gehad van de middelen die overeenkomen met het door de Commissie onterecht geïnde bedrag.
91 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de berekening van de aan Deutsche Telekom te betalen forfaitaire vergoeding door, gelet op het doel van de betrokken rente en de plicht die het Gerecht heeft om ervoor te zorgen dat de door deze onderneming geleden schade wordt vergoed, het rentepercentage van artikel 83, lid 2, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 naar analogie te hanteren. Bijgevolg moet ook het tweede middel worden afgewezen.
92 Aangezien geen van de door de Commissie ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middelen slaagt, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
93 Op grond van artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
94 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
95 Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van Deutsche Telekom worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Commissie wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 28 april 2022, C-415/20, ECLI:EU:C:2022:306
- Gerecht EU 19 januari 2022, T-610/19, ECLI:EU:T:2022:15
- HvJ EU 9 september 2021, C-100/20, ECLI:EU:C:2021:716
- HvJ EU 15 juli 2021, C-851/19, ECLI:EU:C:2021:607
- HvJ EU 20 januari 2021, C-301/19, ECLI:EU:C:2021:39
- HvJ EU 26 februari 2020, C-427/18, ECLI:EU:C:2020:109
- HvJ EU 5 september 2019, C-447/17, ECLI:EU:C:2019:672
- Gerecht EU 12 februari 2019, T-201/17, ECLI:EU:T:2019:81
- Gerecht EU 13 december 2018, T-827/14, ECLI:EU:T:2018:930
- HvJ EU 12 februari 2015, C-336/13, ECLI:EU:C:2015:83
- HvJ EU 19 juli 2012, C-591/10, ECLI:EU:C:2012:478
- HvJ EU 17 juni 2010, C-413/08, ECLI:EU:C:2010:346
- Gerecht EU 10 oktober 2001, T-171/99, ECLI:EU:T:2001:249
- HvJ EU 8 maart 2001, C-397/98, ECLI:EU:C:2001:134
- Gerecht EU 8 juni 1995, T-459/93, ECLI:EU:T:1995:100
- HvJ EU 9 november 1983, 199/82, ECLI:EU:C:1983:318