Gerecht EU 25 februari 2026, T-167/24, ECLI:EU:T:2026:150

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

25 februari 2026 (*)

„ Niet-contractuele aansprakelijkheid – Samenwerking tussen de politieautoriteiten en andere rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten – Gestelde onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens – Niet-naleving van de vormvereisten – Artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering – Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid – Artikel 50 van verordening (EU) 2016/794 – Hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol en de lidstaten wegens onrechtmatige verwerking van gegevens – Geen immateriële schade door toedoen van Europol ”

In zaak T‑167/24,

DG, vertegenwoordigd door J. Reisinger, advocaat,

verzoeker,

tegen

Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), vertegenwoordigd door A. Nunzi als gemachtigde, bijgestaan door G. Ziegenhorn, M. Kottmann, T. Shulman en S. Steinbarth, advocaten,

en

Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), vertegenwoordigd door J. Carmona-Bermejo en M. García Bello als gemachtigden, bijgestaan door G. Ziegenhorn, M. Kottmann, T. Shulman en S. Steinbarth, advocaten,

verweerders,

ondersteund door

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

en door

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

interveniënten,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

tijdens de beraadslagingen samengesteld als volgt: J. Svenningsen (rapporteur), president, J. Martín y Pérez de Nanclares en M. Stancu, rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 9 september 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep krachtens artikel 268 VWEU vordert verzoeker, DG, in essentie, vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van handelingen die zijn verricht door het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en bepaalde lidstaten.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Tegen verzoeker lopen in België en Nederland strafrechtelijke procedures wegens beschuldigingen van internationale drugshandel.

3 Verzoeker geeft ook aan in een van deze twee lidstaten in hechtenis te zijn.

4 Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat in Nederland cocaïne in beslag is genomen, met name nadat gegevens zijn gebruikt die afkomstig zijn van mobiele telefoons die werken onder de Sky ECC-licentie, waarbij „ECC” staat voor „Elliptic Curve Cryptography” (Elliptische Curve Cryptografie).

5 Eind 2018 hebben het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden overeenkomstig richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1) Europese onderzoeksbevelen uitgevaardigd, waarbij de Franse Republiek werd verzocht een kopie („image”) te maken van de door de Sky ECC-dienst gebruikte servers die zich in Roubaix (Frankrijk) bevinden. Deze lidstaat heeft aan dat verzoek gevolg gegeven door versleutelde communicatie die deze servers binnenkomt en verlaat te onderscheppen, op te nemen en te transcriberen.

6 Op 13 december 2019 hebben de Belgische, de Nederlandse en de Franse autoriteiten bij een overeenkomst die zij hebben gesloten op grond van artikel 13 van de door de Raad overeenkomstig artikel 34 [VEU] vastgestelde Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB 2000, C 197, blz. 3) en het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (PB 2002, L 162, blz. 1) (hierna: „GOT-overeenkomst”), een gemeenschappelijk onderzoeksteam (hierna: „GOT”) opgericht.

7 In de GOT-overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

„2. Taken van het GOT

[...]

Doel van het GOT

De oprichting van het GOT beoogt de lopende onderzoeken in België, Frankrijk en Nederland naar de leverancier(s) en gebruikers van de Sky ECC-dienst te vergemakkelijken en technische knowhow en middelen te delen.

[...]

Het GOT stelt zich tot doel om gezamenlijk de techniek uit te werken, te ontwikkelen en toe te passen die nodig is om de communicatie te decoderen en de server te ontmantelen; gebruikers die zich in en tussen de drie landen verplaatsen te identificeren en te lokaliseren; één of meerdere gezamenlijke actiedagen op te zetten en te coördineren met het oog op de aanhouding en strafrechtelijke vervolging van de facilitators en gebruikers van Sky ECC.

[...]

7. Deelnemers aan het GOT

De partijen bij het GOT komen overeen Eurojust en Europol als deelnemers bij het GOT te betrekken.

[...]

9.1 Afspraken over de aanwending van digitale data uit de servertap

Onderlinge informatiedeling

De GOT-partijen komen overeen alle ruwe data uit de interceptie van elektronische communicatie zo snel als redelijk mogelijk met mekaar en met Europol te delen met het oog op analyse, en de analyseresultaten op hun beurt zo snel als redelijk mogelijk met mekaar te delen.

Naast bewijselementen tegen de criminele organisatie die SKY ECC ontwikkelt en commercialiseert, kunnen de ruwe of de geanalyseerde data tevens informatie bevatten die van belang kan zijn voor strafonderzoeken tegen andere daders of dadergroepen of strafbare feiten waarbij SKY ECC communicatiemiddelen werden aangewend.

Europol zal bij de analyse van de digitale data bijstand leveren en zal onder meer instaan voor het opdelen van de ruwe data en analyseresultaten in ,nationale pakketten’ op basis van de lokalisatie van de gebruikte communicatiemiddelen.

[...]”

8 Het GOT heeft geleid tot de uitwisseling tussen Europol en de drie betrokken lidstaten van de onderschepte en vervolgens te analyseren ruwe data, en van de resultaten van deze analyse.

9 Europol heeft in dat kader de gegevens in zijn IT‑systeem opgeslagen, kruiscontroles uitgevoerd, inlichtingenrapporten opgesteld, datavisualisaties gegenereerd en meertalige gegevensbestanden geïnterpreteerd.

10 Eurojust heeft op 25 april 2019, 7 september 2020 en 11 februari 2021 coördinatievergaderingen georganiseerd over de onderzoeken naar de activiteiten van de Sky ECC-dienst waaraan de Belgische, de Franse en de Nederlandse autoriteiten alsook Europol hebben deelgenomen. Tijdens deze vergaderingen heeft Eurojust steun en advies verstrekt over de mogelijkheden voor justitiële samenwerking en is de stand van de onderzoeken van elk van deze autoriteiten ter sprake gebracht.

Conclusies van partijen

11 Verzoeker verzoekt het Gerecht:

– Europol en Eurojust te veroordelen tot betaling aan verzoeker, ten eerste, van een bedrag van 15 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van „zijn (voorlopige) hechtenis”, de „publieke bekendheid/openbaarheid”, zijn „gemankeerde verdedigingspositie”, de „dubbele (geestelijke) belasting door een dubbele vervolging” en data die „in verkeerde handen zijn gekomen/konden komen” en, ten tweede, van een nader te bepalen bedrag ter vergoeding van de materiële schade die hij heeft geleden als gevolg van de „noodzaak om in twee landen een advocaat in te schakelen”;

– Eurojust en Europol te verwijzen in de kosten.

12 Eurojust en Europol verzoeken het Gerecht:

– het beroep niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond te verklaren;

– verzoeker te verwijzen in de kosten.

13 Het Koninkrijk der Nederlanden verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen en verzoeker te verwijzen in de kosten.

14 Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren en verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

15 Ter ondersteuning van zijn vorderingen, die zonder onderscheid tegen Europol en Eurojust zijn gericht, voert verzoeker dezelfde vier middelen aan.

16 Het eerste middel heeft, in essentie, betrekking op de onrechtmatigheid en onevenredigheid van de verkrijging en verwerking van persoonsgegevens uit de Sky ECC-dienst door de betrokken lidstaten en door „Europol en/of Eurojust” vanaf de eerste onderschepping ervan in 2019 tot de laatste uitwisseling van de resultaten met andere landen.

17 Het tweede middel ziet, in essentie, op schending door Europol en Eurojust van respectievelijk artikel 28 van verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende [Europol] en tot vervanging en intrekking van de besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB 2016, L 135, blz. 53) en artikel 71 van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39), de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook de artikelen 14 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 16 december 1966 en in werking getreden op 23 maart 1976, omdat de verzamelde, geanalyseerde en doorgegeven gegevens van de Sky ECC-dienst onvolledig waren, hetgeen afbreuk heeft gedaan aan de verweermogelijkheden van verzoeker bij de Belgische en de Nederlandse strafrechters.

18 Het derde middel is, in essentie, ontleend aan schending door Europol van de GOT-overeenkomst en schending door Eurojust van die overeenkomst en van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende Eurojust en tot vervanging en intrekking van besluit 2002/187/JBZ van de Raad (PB 2018, L 295, blz. 138), doordat zij niet hebben voldaan aan hun coördinatieverplichting teneinde te voorkomen dat verzoeker voor dezelfde feiten tweemaal wordt vervolgd, in België en in Nederland.

19 Het vierde middel betreft, in essentie, schending door Europol en Eurojust van respectievelijk artikel 32 van verordening 2016/794 en de artikelen 89 en 92 van verordening 2018/1725, aangezien zij verzoekers persoonsgegevens niet naar behoren hebben beschermd.

Opmerkingen vooraf

Omvang van de gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol en Eurojust en de bevoegdheid van het Gerecht om daarvan kennis te nemen

20 In herinnering moet worden gebracht dat de Unierechter enkel bevoegd is om kennis te nemen van een op de artikelen 268 en 340 VWEU gebaseerde schadevordering indien de aan de schadevordering ten grondslag liggende onrechtmatigheid is begaan door een instelling, orgaan of instantie van de Unie en niet kan worden geacht toerekenbaar te zijn aan een nationale autoriteit (zie in die zin arrest van 16 december 2020, Raad/K. Chrysostomides & Co. e.a., C‑597/18 P, C‑598/18 P, C‑603/18 P en C‑604/18 P, EU:C:2020:1028, punten 80, 106 en 107).

21 Bovendien wordt de Unie, wanneer zij aansprakelijk wordt gesteld uit hoofde van een handeling of een gedraging van een van haar instellingen, organen of instanties, voor het Gerecht vertegenwoordigd door de instelling, het orgaan of de instantie waaraan het feit dat tot de aansprakelijkheid aanleiding geeft wordt verweten (arrest van 13 november 1973, Werhahn Hansamühle e.a./Raad en Commissie, 63/72–69/72, EU:C:1973:121, punt 7).

22 De aansprakelijkheid van de Unie op grond van de artikelen 268 en 340 VWEU kan aldus niet worden ingeroepen jegens een andere instelling, een ander orgaan of een andere instantie van de Unie dan de instelling, het orgaan of de instantie waaraan het feit wordt verweten dat tot de aansprakelijkheid aanleiding geeft, tenzij de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft voorzien in een afwijkende regeling van hoofdelijke aansprakelijkheid, hetzij tussen een van deze instellingen, organen of instanties van de Unie en een of meer lidstaten of zelfs een of meer derde landen, hetzij tussen verschillende instellingen, organen of instanties van de Unie (zie naar analogie arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punten 62 en 63).

23 In casu beroept verzoeker zich in essentie op het bestaan van hoofdelijke aansprakelijkheid tussen Europol en Eurojust onderling alsook met bepaalde lidstaten en zelfs met derde landen, op basis van het arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol (C‑755/21 P, EU:C:2024:202). Hij leidt hieruit af dat deze twee agentschappen hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor alle door hem aangevoerde grieven.

24 Vastgesteld moet echter worden dat verzoekers stelling berust op een kennelijk onjuiste lezing van het arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol (C‑755/21 P, EU:C:2024:202), en van de aansprakelijkheidsregelingen die van toepassing zijn op Europol en Eurojust.

25 Ten eerste heeft het Hof in het arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol (C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punten 62 en 63), erkend dat Europol hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld op grond van een gezamenlijke lezing van artikel 49, lid 3, en artikel 50 van verordening 2016/794, gelezen in het licht van overweging 57 ervan.

26 De in het arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol (C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punten 62 en 63), erkende hoofdelijke aansprakelijkheid geldt evenwel alleen tussen Europol en de lidstaten en is beperkt tot schade die voortvloeit uit onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens in het kader van een samenwerking op grond van verordening 2016/794 tussen dat agentschap en een of meer lidstaten.

27 Ten tweede volgt uit artikel 38, lid 6, van verordening 2016/794 en artikel 55, lid 2, van verordening 2018/1727 dat Europol en Eurojust hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een onrechtmatige doorgifte van persoonsgegevens door Europol aan Eurojust op verzoek van Eurojust of voor een ongerechtvaardigde doorgifte van operationele persoonsgegevens door Eurojust aan Europol op verzoek van laatstgenoemde.

28 Niettemin beroept verzoeker zich niet op artikel 38, lid 6, van verordening 2016/794 en artikel 55, lid 2, van verordening 2018/1727.

29 Verzoeker baseert zijn schadevordering daarentegen uitdrukkelijk op artikel 50 van verordening 2016/794, waarvan de strekking in punt 26 hierboven in herinnering is gebracht, en op artikel 46 van verordening 2018/1727, waarvan lid 1 bepaalt dat Eurojust overeenkomstig artikel 340 VWEU aansprakelijk is voor alle schade die aan een particulier is toegebracht als gevolg van ongeoorloofde of onjuiste gegevensverwerking door Eurojust en waarvan lid 3 bepaalt dat elke lidstaat overeenkomstig zijn nationaal recht aansprakelijk is voor alle schade die aan een particulier is berokkend als gevolg van ongeoorloofde of onjuiste verwerking door die lidstaat van aan Eurojust meegedeelde gegevens.

30 Voorts blijkt uit het verzoekschrift niet dat verzoeker zich beroept op onrechtmatige uitwisselingen van hem betreffende persoonsgegevens tussen Europol en Eurojust.

31 Hieruit volgt dat verzoeker in het kader van het onderhavige beroep alleen de aansprakelijkheid van Eurojust voor zijn eigen handelen en die van Europol voor zijn eigen handelen en voor de verwerking van verzoekers persoonsgegevens door de lidstaten in het kader van de samenwerking met betrekking tot de Sky ECC-dienst kan vorderen.

32 Het Gerecht is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige beroep voor zover het strekt tot de vaststelling van, enerzijds, de hoofdelijke aansprakelijkheid van Eurojust voor handelingen van lidstaten, Europol of derde landen en, anderzijds, de hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol voor andere handelingen van de lidstaten dan de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, voor handelingen van Eurojust of die van derde landen.

33 Eveneens moeten het tweede middel en de grief inzake immateriële schade als gevolg van een vermeende „gemankeerde verdedigingspositie” worden afgewezen omdat zij zijn aangevoerd voor een daartoe onbevoegde rechter. Zij zijn immers in wezen ontleend aan schending van het recht op een eerlijk proces door de Nederlandse en de Belgische strafrechters, vanwege de vermeende onmogelijkheid om kennis te nemen van en dus een toetsing te verrichten van de wettigheid, betrouwbaarheid, authenticiteit, integriteit of ontvankelijkheid van de door die rechters tegen verzoeker in aanmerking genomen bewijzen.

34 De kritiek waarop het tweede middel en de grief inzake immateriële schade als gevolg van een „gemankeerde verdedigingspositie” berust, houdt immers weliswaar verband met persoonsgegevens die door Europol en Eurojust zouden zijn verwerkt, maar hebben geen betrekking op de eventuele onrechtmatige verwerking daarvan maar op de procedurele regeling – en meer in het bijzonder op de bewijsregels – die op die gegevens wordt toegepast door de Nederlandse en de Belgische strafrechters.

Bevoegdheid van het Gerecht om kennis te nemen van feiten bestaande in het verzamelen, door de betrokken lidstaten, van gegevens die van de Sky ECC-dienst afkomstig zijn

35 In het kader van zijn eerste middel stelt verzoeker Europol aansprakelijk, met name wegens het verzamelen door de Franse en de Nederlandse autoriteiten van persoonsgegevens afkomstig van de Sky ECC-dienst, waaraan Europol en Eurojust zouden hebben deelgenomen.

36 Ten eerste blijkt echter geenszins uit de door verzoeker overgelegde bewijzen dat Europol of Eurojust heeft deelgenomen aan de technische operaties bestaande in het verzamelen van gegevens van de Sky ECC-dienst.

37 Verzoeker geeft daarentegen zelf aan dat de gegevens van de Sky ECC-dienst „vanuit Frankrijk [worden] gedeeld, met Nederland en België, via Europol”.

38 Ten tweede blijkt uit artikel 276 VWEU dat bij de uitoefening van zijn taken in verband met de bepalingen in de hoofdstukken 4 en 5 van titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, de Unierechter niet bevoegd is om de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties belast met rechtshandhaving in een lidstaat.

39 Aldus kan Europol, in weerwil van de regeling van hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 50, lid 1, van verordening 2016/794, niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die voortvloeit uit de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens van een natuurlijke persoon naar aanleiding van operaties van de politie of andere rechtshandhavingsinstanties van een lidstaat, ook al heeft die verwerking plaatsgevonden in het kader van een op die verordening gebaseerde samenwerking (zie naar analogie arrest van 10 september 2024, KS e.a./Raad e.a., C‑29/22 P en C‑44/22 P, EU:C:2024:725, punt 91).

40 Bijgevolg is het Gerecht onbevoegd om kennis te nemen van verzoekers beweringen dat hij schade heeft geleden als gevolg van de acties bestaande in onderschepping van zijn persoonsgegevens waartoe is overgegaan in het kader van de politieoperaties door de Franse of Nederlandse autoriteiten.

Beroep wat Eurojust betreft

41 Eurojust betwist de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep voor zover het is gericht tegen dit agentschap. Ter ondersteuning van zijn middel van niet-ontvankelijkheid voert Eurojust aan dat verzoeker niet heeft aangetoond dat aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van zijn beroep is voldaan. Verzoeker heeft met name niet aangegeven welke vermeende onrechtmatige gedragingen hij Eurojust verwijt.

42 Verzoeker betoogt in essentie dat Eurojust betrokken was bij de onderzoeksmaatregelen tegen de gebruikers van de Sky ECC-dienst, aangezien dat agentschap actief heeft meegewerkt aan de onderzoeken naar die dienst.

43 Krachtens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen bevatten. Deze gegevens dienen zo duidelijk en nauwkeurig te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke feitelijke en juridische elementen waarop het beroep berust, coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken (zie beschikking van 11 maart 2021, Techniplan/Commissie, T‑426/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:129, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Om aan deze vereisten te voldoen, moet een beroep tot vergoeding van door een agentschap van de Unie beweerdelijk veroorzaakte schade de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoekende partij aan het agentschap verwijt, de redenen waarom de verzoekende partij meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, alsmede de aard en de omvang van die schade (zie arrest van 20 juli 2017, ADR Center/Commissie, T‑644/14, EU:T:2017:533, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 In casu blijkt uit de punten 16 tot en met 19 hierboven dat het eerste, het tweede en het vierde middel van verzoeker en de daaropvolgende grieven inzake schade – te weten voortvloeiend uit „zijn (voorlopige) hechtenis, [uit] publieke bekendheid/openbaarheid, [uit] een gemankeerde verdedigingspositie [...] [en uit] data die in verkeerde handen zijn gekomen/konden komen” – zijn gebaseerd op de premisse dat Eurojust zijn persoonsgegevens heeft verwerkt.

46 Opgemerkt dient echter te worden dat de tekst van het verzoekschrift zelf geenszins blijk geeft van de essentiële feitelijke elementen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke verwerkingen van verzoekers persoonsgegevens Eurojust zou hebben verricht die aan de oorsprong liggen van de gestelde schade, zodat het beroep niet voldoet aan de in de punten 43 en 44 hierboven in herinnering gebrachte vereisten.

47 Om te beginnen heeft verzoeker zich in wezen beperkt tot de bewering in het verzoekschrift dat Eurojust, als deelnemer aan het GOT, nauw betrokken was bij het verzamelen en analyseren van de gegevens die van de Sky ECC-dienst afkomstig zijn, omdat het meerdere coördinatievergaderingen tussen de partijen bij het GOT heeft georganiseerd.

48 Gesteld al dat verzoeker Eurojust verwijt dat het coördinatievergaderingen tussen de partijen bij het GOT heeft georganiseerd, hetgeen niet duidelijk blijkt uit de aangevoerde middelen, kan uit dergelijke handelingen echter niet worden afgeleid dat Eurojust persoonsgegevens van verzoeker heeft verzameld, ontvangen, opgeslagen, doorgegeven of geanalyseerd en bij een van die gelegenheden een ongeoorloofde of onjuiste verwerking van zijn persoonsgegevens in de zin van artikel 46, lid 1, van verordening 2018/1727 heeft verricht.

49 Vervolgens heeft verzoeker in repliek alleen geantwoord op het betoog in het verweerschrift van Eurojust, dat uitdrukkelijk betwistte verzoekers persoonsgegevens te hebben verwerkt, en heeft hij daarbij aangegeven dat hij in het verzoekschrift een groot aantal documenten had overgelegd die zijn beweringen genoegzaam ondersteunden.

50 Verzoeker heeft weliswaar een aanzienlijk aantal documenten bij het verzoekschrift gevoegd, maar hij heeft niet aangegeven welke documenten aantonen dat Eurojust daadwerkelijk zijn persoonsgegevens heeft verwerkt.

51 Het staat niet aan het Gerecht om het betoog dat verzoeker in zijn verzoekschrift of repliek heeft ontwikkeld, aan te vullen door in een van de 34 bijlagen bij dat verzoekschrift en die repliek bewijzen te zoeken en zo nodig aan te duiden die zijn beweringen kunnen staven (zie in die zin arrest van 13 februari 2025, Commissie e.a./Carpatair, C‑244/23 P–C‑246/23 P, EU:C:2025:87, punt 77).

52 Evenmin heeft verzoeker in repliek of ter terechtzitting een nauwkeurigere identificatie verricht van de bij het verzoekschrift gevoegde documenten die zijn stelling konden staven, noch heeft hij aanvullende bewijzen daartoe overgelegd, die hij nochtans gerechtigd was over te leggen, op voorwaarde dat artikel 85, leden 2 en 3, van het Reglement voor de procesvoering werd nageleefd.

53 In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft verzoeker ook aangegeven dat hij de aan Eurojust verweten feiten niet nauwkeuriger kon identificeren.

54 Indien uit de dossiers van de strafrechtelijke procedures – waarvan verzoeker stelt het voorwerp te zijn en waarbij Eurojust volgens hem betrokken was – zou blijken dat dit agentschap zijn persoonsgegevens daadwerkelijk heeft verwerkt, zou het voldoende zijn geweest om de relevante stukken uit die dossiers over te leggen.

55 Ten slotte heeft verzoeker evenmin een standpunt ingenomen over het betoog van Eurojust dat de enige gegevensverwerkingen die het voor de onderzoeken naar de Sky ECC-dienst heeft verricht betrekking hadden op de gebruikers van deze dienst voor versleutelde communicatie, namelijk de gebruikers voor wie een rechtshulpverzoek nodig was teneinde de nationale autoriteiten van staten die geen deel uitmaakten van het GOT in staat te stellen om de door de Franse autoriteiten verzamelde gegevens van die dienst te ontvangen.

56 Dit betoog van Eurojust vindt bevestiging in de bewoordingen van artikel 9.1 van de door verzoeker overgelegde GOT-overeenkomst, op grond waarvan de Belgische en de Nederlandse autoriteiten – als partijen bij het GOT – rechtstreeks toegang konden krijgen tot de door de Franse autoriteiten verzamelde persoonsgegevens, waaronder in voorkomend geval die van verzoeker, zonder een rechtshulpverzoek te hoeven indienen bij Eurojust. Bovendien heeft verzoeker niet gesteld, laat staan aangetoond, dat de Belgische of de Nederlandse autoriteiten Eurojust met betrekking tot hem een rechtshulpverzoek hebben toegezonden teneinde toegang te krijgen tot zijn door de Franse autoriteiten verzamelde persoonsgegevens.

57 Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat het eerste en het vierde middel van verzoeker en de daaropvolgende grieven inzake schade – te weten voortvloeiend uit „zijn (voorlopige) hechtenis, [uit] publieke bekendheid/openbaarheid, [uit] een gemankeerde verdedigingspositie [...] [en uit] de data die in verkeerde handen zijn gekomen/konden komen” –, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover zij betrekking hebben op Eurojust.

58 Op grond van het derde middel, ontleend aan het feit dat Eurojust de verplichting tot coördinatie van de tegen verzoeker ingestelde strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen niet is nagekomen – wat ertoe heeft geleid dat hij voor dezelfde feiten tweemaal strafrechtelijk wordt vervolgd, te weten in België en Nederland –, kan niet worden vastgesteld welke gedraging verzoeker aan dit agentschap verwijt.

59 Vastgesteld moet namelijk worden dat de essentiële feitelijke elementen aan de hand waarvan de dubbele strafrechtelijke vervolging van verzoeker – in België en Nederland – kan worden geconstateerd, geenszins blijken uit de tekst van het verzoekschrift zelf, en evenmin uit de bijlagen A.16 en A.17 waarnaar dat verzoekschrift verwijst.

60 Hoewel bijlage A.17 bij het verzoekschrift inderdaad een van het Belgische openbaar ministerie afkomstig document bevat waarin melding wordt gemaakt van tegen verzoeker ingestelde strafrechtelijke vervolging wegens internationale drugshandel, kan bijlage A.16, die een door de Nederlandse politie opgesteld document met het opschrift „proces-verbaal van verdenking” bevat, niet worden uitgelegd als bewijs dat verzoeker in Nederland strafrechtelijk wordt vervolgd.

61 In ieder geval kan op basis van de bijlagen A.16 en A.17 bij het verzoekschrift niet worden vastgesteld dat in België en Nederland dezelfde feiten aan de orde zijn, aangezien zij melding maken van op verscheidene locaties uitgevoerde inbeslagnemingen, die betrekking hebben op verschillende hoeveelheden en uit verschillende landen afkomstige verdovende middelen.

62 Verzoeker heeft geen elementen aangevoerd die de vastgestelde verschillen tussen de in de bijlagen A.16 en A.17 bij het verzoekschrift vermelde feiten kunnen ontkrachten. Integendeel, toen hij hierover ter terechtzitting uitdrukkelijk werd bevraagd, heeft hij in essentie enkel aangegeven dat er tegen hem meerdere onderzoeken naar „soortgelijke” feiten werden gevoerd, waardoor hij het risico op cumulatie van straffen liep.

63 In ieder geval heeft het in de GOT-overeenkomst geregelde overleg betrekking op het gebruik van de door de betrokken staten verzamelde gegevens en niet op de strafrechtelijke vervolgingen die op grond van die gegevens kunnen worden ingesteld door de lidstaten die partij zijn bij die overeenkomst of zelfs door landen die geen partij daarbij zijn.

64 Bovendien bepaalt artikel 4, lid 1, onder b), van verordening 2018/1727 dat Eurojust „de bevoegde autoriteiten van de lidstaten [bijstaat] met het oog op een optimale coördinatie van de onderzoeken en vervolgingen”.

65 Hieruit volgt, zoals Eurojust terecht stelt, dat het in het kader van deze operationele taak van coördinatie van de onderzoeken en vervolgingen enkel een inspanningsverplichting heeft en dat het besluit om over te gaan tot de vervolging van een persoon uitsluitend aan de betrokken nationale autoriteiten toekomt, hetgeen wordt bevestigd door artikel 85 VWEU, dat de rechtsgrondslag van verordening 2018/1727 vormt.

66 Aldus kan Eurojust niet aansprakelijk worden gesteld voor procedurele keuzes die tot de uitsluitende bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de betrokken staten behoren.

67 Gelet op het voorgaande moeten het derde middel en de daaropvolgende grieven inzake schade – te weten de immateriële schade als gevolg van de „dubbele (geestelijke) belasting door een dubbele vervolging” en de materiële schade als gevolg van de „noodzaak om in twee landen een advocaat in te schakelen” – niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond worden verklaard voor zover zij betrekking hebben op Eurojust.

68 Bijgevolg moet het beroep, wat Eurojust betreft, worden verworpen.

Beroep wat Europol betreft

69 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Gerecht in de punten 33 en 34 hierboven reeds heeft vastgesteld dat het onbevoegd is om kennis te nemen van de door verzoeker aangevoerde immateriële schade als gevolg van een vermeende „gemankeerde verdedigingspositie” bij de Nederlandse en de Belgische rechters.

Ontvankelijkheid

70 Europol betwist de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep voor zover het is gericht tegen dit agentschap. Ter ondersteuning van zijn middel van niet-ontvankelijkheid voert Europol aan dat verzoeker niet heeft aangetoond dat aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van zijn beroep is voldaan. Verzoeker heeft met name geen overtuigend bewijs overgelegd wat de omvang of het bestaan van de gestelde schade betreft.

71 In dit verband is in punt 44 hierboven reeds in herinnering gebracht dat een beroep tot vergoeding van door een agentschap van de Unie beweerdelijk veroorzaakte schade de gegevens moet bevatten die het mogelijk maken om te bepalen welke gedraging de verzoekende partij aan het agentschap verwijt, de redenen waarom de verzoekende partij meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, alsmede de aard en de omvang van die schade (zie arrest van 20 juli 2017, ADR Center/Commissie, T‑644/14, EU:T:2017:533, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Wanneer de verzoekende partij vergoeding vordert van door een lidstaat beweerdelijk veroorzaakte schade naar aanleiding van een verwerking van persoonsgegevens die heeft plaatsgevonden in het kader van een samenwerking tussen Europol en die lidstaat op grond van verordening 2016/794 en waarvoor dat agentschap krachtens artikel 50 van die verordening hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, hoeft het verzoekschrift weliswaar niet de elementen te bevatten aan de hand waarvan kan worden bepaald aan wie – Europol of de betrokken lidstaat – die schade kan worden toegerekend (zie in die zin arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punten 76 en 81), maar moet het niettemin de in punt 71 hierboven bedoelde gegevens bevatten.

73 Wat in casu de materiële schade betreft die voortvloeit uit de noodzaak om advocaten in te schakelen in twee verschillende landen waar verzoeker strafrechtelijk wordt vervolgd voor dezelfde feiten, moet worden vastgesteld dat deze – nochtans materiële – schade geenszins is begroot, zelfs niet voorlopig, en voorts dat op basis van deze grief niet kan worden bepaald welke gedraging verzoeker aan Europol verwijt, zoals reeds in de punten 59 tot en met 62 hierboven is vastgesteld.

74 Bijgevolg moet deze grief niet-ontvankelijk worden verklaard.

75 Wat de immateriële schade betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat de grief inzake schade als gevolg van de vermeende „dubbele (geestelijke) belasting door een dubbele vervolging” niet-ontvankelijk is, aangezien op basis van deze grief niet kan worden bepaald welke gedraging verzoeker aan Europol verwijt (zie de punten 59‑62 en 73 hierboven).

76 Ten tweede is ook de grief inzake schade die voortvloeit uit de beweerde „voorlopige hechtenis” van verzoeker, die voor het eerst en uitsluitend in het petitum van het verzoekschrift wordt vermeld, niet-ontvankelijk. Verzoeker legt immers geen bewijs over waaruit blijkt dat hij in hechtenis is geplaatst.

77 Bovendien, zelfs al zou – zoals ter terechtzitting is aangevoerd – verzoeker anderhalve week vóór de terechtzitting naar de Unie zijn teruggekeerd nadat hij in het buitenland in hechtenis was genomen in afwachting van zijn uitlevering, verstrekt hij geen enkel gegeven waaruit blijkt waar en sinds wanneer hij in hechtenis was of is, noch of tot deze hechtenis daadwerkelijk opdracht werd gegeven in het kader van de „Sky ECC-zaak”.

78 Ten derde is ook de grief inzake schade als gevolg van de vermeende publiciteit die zijn zaak zou hebben gekregen, niet-ontvankelijk. Deze grief wordt immers alleen vermeld in het petitum van het verzoekschrift en verzoeker heeft geen enkel bewijs overgelegd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of zijn zaak al dan niet enige publiciteit – laat staan ongepaste publiciteit – heeft gekregen.

79 Daarentegen is, voor het overige, het verzoekschrift weliswaar niet gestructureerd rond de drie cumulatieve voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, maar bevat het wel de elementen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke gedraging wordt verweten aan Europol en de lidstaten die met Europol hebben samengewerkt, wat de aard van de gestelde schade is alsmede om welke redenen verzoeker meent dat er sprake is van een causaal verband tussen die gedraging en die schade.

80 De – weliswaar summiere – informatie over het bestaan van immateriële schade als gevolg van de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens van verzoeker die „in verkeerde handen zijn gekomen/konden komen”, kan worden geacht voldoende te zijn om te beantwoorden aan de in de punten 43 en 44 hierboven in herinnering gebrachte vereisten.

81 De door Europol aangevoerde omstandigheid dat verzoeker geen overtuigend bewijs heeft geleverd van de omvang of het bestaan van de door hem aangevoerde immateriële schade, valt onder de beoordeling van de gegrondheid van het beroep en niet onder die van de ontvankelijkheid ervan (zie in die zin arrest van 2 juli 2003, Hameico Stuttgart e.a./Raad en Commissie, T‑99/98, EU:T:2003:181, punt 30).

82 Het door Europol aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid dat betrekking heeft op de grief inzake immateriële schade als gevolg van gegevens die „in verkeerde handen zijn gekomen/konden komen”, moet derhalve worden afgewezen.

Gegrondheid

83 In het kader van zijn grief inzake immateriële schade als gevolg van het feit dat zijn gegevens „in verkeerde handen zijn gekomen/konden komen”, verwijt verzoeker de Belgische, de Franse en de Nederlandse autoriteiten en Europol in wezen dat zij zijn persoonsgegevens onrechtmatig hebben verwerkt, waardoor hij immateriële schade heeft geleden die hij begroot op 15 000 EUR.

84 Europol betwist dit betoog.

85 Overeenkomstig de voorwaarden die voortvloeien uit artikel 340 VWEU, waarnaar artikel 50, lid 1, van verordening 2016/794 verwijst, moet, wanneer de persoon die schade heeft geleden een beroep tegen Europol instelt, voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie zijn voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van de aan dat agentschap verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van schade en het bestaan van een causaal verband tussen die gedraging en de gestelde schade (zie in die zin arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

86 In casu heeft verzoeker als bijlage bij het verzoekschrift een proces-verbaal van de Nederlandse politie van 8 oktober 2021 overgelegd, dat is opgesteld in het kader van een tegen hem ingesteld vooronderzoek en waarin staat vermeld dat de jegens hem gerezen verdenkingen met name waren gebaseerd op gesprekken die hij via de Sky ECC-dienst had gevoerd.

87 Verzoeker specifieert echter noch het voorwerp en de aard van de gesprekken die hij via de Sky ECC-dienst heeft gevoerd, noch de schade als gevolg van de gestelde onrechtmatige verwerking ervan.

88 Bovendien blijkt uit een voetnoot bij punt 46 van de repliek dat verzoeker beschikt over een „proces-verbaal” dat de hem betreffende persoonsgegevens vermeldt die tussen 24 juni 2019 en 15 december 2020 zijn uitgewisseld en die zijn onderschept en daarna zijn verwerkt door zowel Europol als de betrokken lidstaten, maar dat hij dit proces-verbaal in de onderhavige procedure niet wilde overleggen om redenen die later zouden worden gespecificeerd – waaronder de bescherming van zijn privacy –, redenen die hij daarna evenwel niet heeft uiteengezet.

89 Aangezien verzoeker Europol verwijt dat het onrechtmatig zijn persoonsgegevens heeft verwerkt, kan in dit verband niet op goede gronden worden gesteld dat deze gegevens vertrouwelijk zijn ten opzichte van dat agentschap. Bijgevolg wijst niets erop dat verzoekers recht op bescherming van het privéleven hem heeft belet die gegevens over te leggen in het verzoekschrift, aangezien die gegevens evenmin vertrouwelijk waren ten opzichte van het Gerecht.

90 Bovendien moet er ten eerste aan worden herinnerd dat het verzoekschrift volgens artikel 76, onder f), van het Reglement voor de procesvoering zo nodig het bewijs en de bewijsaanbiedingen bevat. Ten tweede bepaalt artikel 85, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering dat het bewijs en de bewijsaanbiedingen worden overgelegd in het kader van de eerste memoriewisseling, en de hoofdpartijen in de repliek en in de dupliek nog bewijs kunnen overleggen of kunnen aanbieden om hun stellingen nader te bewijzen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd.

91 Uit artikel 85, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat het niet aan het Gerecht staat om te verzoeken om de overlegging van stukken of om ambtshalve het dossier te onderzoeken teneinde nalatigheden van partijen ter zake van de bewijslevering aan te vullen (zie in die zin arrest van 2 juli 2003, Hameico Stuttgart e.a./Raad en Commissie, T‑99/98, EU:T:2003:181, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast inzake het bestaan en de omvang van de immateriële schade waarvan hij de vergoeding door Europol vordert.

93 Het is juist dat zelfs bij gebreke van bewijzen die het bestaan en de omvang van immateriële schade kunnen aantonen, aan de voorwaarde betreffende het bestaan van dergelijke schade kan zijn voldaan indien de verzoekende partij aantoont dat uit de verweten gedraging noodzakelijkerwijs immateriële schade voortvloeide (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑130/22 P, EU:C:2024:1018, punt 111). De verzoekende partij dient echter op zijn minst aan te tonen dat het aan de betrokken instelling verweten gedrag haar die schade heeft kunnen berokkenen (arrest van 16 juli 2009, SELEX Sistemi Integrati/Commissie, C‑481/07 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:461, punt 38).

94 In casu is dit niet aangetoond.

95 Verzoeker heeft namelijk niet de persoonsgegevens overgelegd die volgens hem onrechtmatig zijn verwerkt door Europol en de Franse, de Nederlandse en de Belgische autoriteiten.

96 Bovendien beroept verzoeker zich op het feit dat de gesprekken die hij via de Sky ECC-dienst heeft gevoerd met name foto’s en informatie over zijn familie bevatten. Die beweringen zijn echter niet geloofwaardig. In zijn verweerschrift heeft Europol aangegeven – zonder door verzoeker op deze punten te zijn weersproken – dat de camera’s, microfoons en GPS van de telefoons die de Sky ECC-dienst gebruikten, werden gedeactiveerd of dat deze telefoons alleen communiceerden met andere telefoons die ook deze dienst gebruikten, en niet met traditionele telefoons. Voorts heeft verzoeker niet aangevoerd dat leden van zijn familie beschikten over telefoons die de Sky ECC-dienst gebruikten waardoor hij met die familieleden gegevens heeft kunnen uitwisselen die op hen betrekking hebben.

97 Europol kan niet niet-contractueel aansprakelijk worden gesteld bij gebreke van bewijs dat het Gerecht in staat stelt om de persoonsgegevens te identificeren die onrechtmatig zouden zijn verwerkt en te beoordelen of en in hoeverre de gestelde immateriële schade noodzakelijkerwijs uit die verwerking voortvloeide.

98 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde inzake het bestaan van schade als gevolg van de vermeende gegevens die „in verkeerde handen zijn gekomen of konden komen” en dat het beroep, voor zover het tegen Europol is gericht, moet worden verworpen.

99 Derhalve dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.

Kosten

100 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vorderingen van Europol en Eurojust te worden verwezen in de kosten. Verder zullen het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk der Nederlanden overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten te dragen.

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) DG draagt zijn eigen kosten en die van het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust).

3) Het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk der Nederlanden dragen hun eigen kosten.

Svenningsen Martín y Pérez de Nanclares Stancu

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 februari 2026.

ondertekeningen

* Procestaal: Nederlands.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken