HvJ EU 13 februari 2025, C-244/23, ECLI:EU:C:2025:87
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
13 februari 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Staatssteun – Luchtvaartsector – Maatregelen die de internationale luchthaven van Timișoara (Roemenië) ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Wizz Air en andere luchtvaartmaatschappijen die van die luchthaven gebruikmaken – Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 263 VWEU – Ontvankelijkheid – Voorwaarde dat de verzoeker rechtstreeks en individueel wordt geraakt – Motiveringsplicht – Onjuiste opvatting van de bewijselementen”
In de gevoegde zaken C‑244/23 P tot en met C‑246/23 P,
betreffende drie hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 17 april 2023,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Georgiopoulos en F. Tomat als gemachtigden,
rekwirante in zaak C‑244/23 P,
andere partijen in de procedure:
Carpatair SA, gevestigd te Timișoara (Roemenië), vertegenwoordigd door P. González Alarcón, J. Rivas Andrés, abogados, en J. Saké, advocaat,
verzoekster in eerste aanleg,
Wizz Air Hungary Légiközlekedési Zrt. (Wizz Air Hungary Zrt.), gevestigd te Budapest (Hongarije), vertegenwoordigd door I.‑G. Metaxas‑Maranghidis, dikigoros, S. Rating, abogado, en E. Vahida, avocat,
Societatea Națională „Aeroportul Internațional Timișoara – Traian Vuia” SA (AITTV), gevestigd te Ghiroda (Roemenië), vertegenwoordigd door V. Power, SC, en R. Hourihan, solicitor,
interveniëntes in eerste aanleg,
en
Wizz Air Hungary Légiközlekedési Zrt. (Wizz Air Hungary Zrt.), gevestigd te Budapest, vertegenwoordigd door I.‑G. Metaxas-Maranghidis, dikigoros, S. Rating, abogado, en E. Vahida, avocat,
rekwirante in zaak C‑245/23 P,
andere partijen in de procedure:
Carpatair SA, gevestigd te Timișoara, vertegenwoordigd door P. González Alarcón, J. Rivas Andrés, abogados, en J. Saké, advocaat,
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Georgiopoulos en F. Tomat als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Societatea Națională „Aeroportul Internațional Timișoara – Traian Vuia” SA (AITTV), gevestigd te Ghiroda, vertegenwoordigd door V. Power, SC, en R. Hourihan, solicitor,
interveniënte in eerste aanleg,
en
Societatea Națională „Aeroportul Internațional Timișoara – Traian Vuia” SA (AITTV), gevestigd te Ghiroda, vertegenwoordigd door V. Power, SC, en R. Hourihan, solicitor,
rekwirante in zaak C‑246/23 P,
andere partijen in de procedure:
Carpatair SA, gevestigd te Timișoara, vertegenwoordigd door P. González Alarcón, J. Rivas Andrés, abogados, en J. Saké, advocaat,
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Georgiopoulos en F. Tomat als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Wizz Air Hungary Légiközlekedési Zrt. (Wizz Air Hungary Zrt.), gevestigd te Budapest, vertegenwoordigd door I.‑G. Metaxas-Maranghidis, dikigoros, S. Rating, abogado, en E. Vahida, avocat,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Negende kamer, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met hun respectieve hogere voorzieningen vorderen de Europese Commissie (zaak C‑244/23 P), Wizz Air Hungary Légiközlekedési Zrt. (Wizz Air Hungary Zrt.) (hierna: „Wizz Air”) (zaak C‑245/23 P) en Societatea Națională „Aeroportul Internațional Timișoara – Traian Vuia” SA (AITTV) (zaak C‑246/23 P) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 februari 2023, Carpatair/Commissie (T‑522/20, EU:T:2023:51; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht artikel 2 van besluit (EU) 2021/1428 van de Commissie van 24 februari 2020 betreffende de steunmaatregel SA. 31662 – C/2011 (ex NN/2011) ten uitvoer gelegd door Roemenië ten gunste van de internationale luchthaven van Timișoara – Wizz Air (PB 2021, L 308, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”) nietig heeft verklaard voor zover daarin wordt vastgesteld dat de luchthavengelden die zijn opgenomen in de luchtvaartgids en de overeenkomsten die in 2008 tussen AITTV en Wizz Air zijn gesloten (hierna: „overeenkomsten van 2008”), met inbegrip van de wijzigingsovereenkomsten van 2010 (hierna: „wijzigingsovereenkomsten van 2010”), geen staatssteun vormen.
Voorgeschiedenis van het geding
2 De internationale luchthaven van Timișoara (Roemenië) wordt geëxploiteerd door AITTV, een vennootschap op aandelen die voor 80 % in handen is van de Roemeense Staat.
3 Carpatair SA is een regionale Roemeense luchtvaartmaatschappij. In 2000 heeft zij op die luchthaven haar hub opgezet om van daaruit hub-and-spokediensten te verlenen.
4 In de loop van 2008 heeft AITTV, in het kader van een strategie om lagekostenmaatschappijen aan te trekken en de algemene winstgevendheid van de luchthaven te verbeteren, met Wizz Air, een Hongaarse lagekostenmaatschappij, de overeenkomsten van 2008 gesloten, waarin de beginselen van hun samenwerking alsook de algemene voorwaarden voor het gebruik door Wizz Air van de luchthaveninfrastructuur en ‑diensten zijn vastgesteld. Twee van deze overeenkomsten zijn op 25 juni 2010 gewijzigd door een nieuwe regeling tussen Wizz Air en AITTV, die de periode tot en met 6 februari 2011 bestreek. Wizz Air is in oktober 2008 met vluchten vanaf die luchthaven gestart.
5 Op 30 september 2010 heeft Carpatair, een regionale Roemeense luchtvaartmaatschappij, bij de Commissie een klacht ingediend over vermeend onrechtmatige staatssteun ten gunste van Wizz Air.
6 Op 24 mei 2011 heeft de Commissie Roemenië in kennis gesteld van haar besluit om de in artikel 108, lid 2, VWEU vermelde formele onderzoeksprocedure in te leiden met betrekking tot onder andere de overeenkomstig de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 toegekende kortingen op luchthavengelden en de overeenkomsten van 2008.
7 Met ingang van 2014 heeft Carpatair haar activiteiten op de luchthaven van Timișoara gestaakt en een gerechtelijke reorganisatie ondergaan. Haar belangrijkste basis is nu de luchthaven van Arad (Roemenië) – die zich op 50 km (km) van de internationale luchthaven van Timișoara bevindt – van waaruit zij onder meer chartervluchten aanbiedt. Zij biedt geen lijnvluchten meer aan.
8 Op 24 februari 2020 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.
9 Met betrekking tot de luchthavengelden die in de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 zijn opgenomen, heeft de Commissie geoordeeld dat het basistarief en de kortingen op deze luchthavengelden niet selectief waren.
10 Met betrekking tot de overeenkomsten van 2008 en de wijzigingsovereenkomsten van 2010 (hierna samen: „overeenkomsten van 2008 en 2010”) heeft de Commissie, rekening houdend met de economische beoordelingen die na de sluiting van deze overeenkomsten zijn verricht, opgemerkt dat deze overeenkomsten moesten resulteren in een marginale winstgevendheid voor AITTV. Bijgevolg was zij van mening dat een voorzichtige marktdeelnemer handelend in een markteconomie dergelijke overeenkomsten zou hebben gesloten. Bovendien zouden deze overeenkomsten deel uitmaken van een algemene strategie en langetermijninspanning om de luchthaven van Timișoara algemeen winstgevend te maken. De Commissie heeft daarom vastgesteld dat deze overeenkomsten Wizz Air geen economisch voordeel hebben opgeleverd dat deze niet zou hebben verkregen onder normale marktomstandigheden.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
11 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 augustus 2020, heeft Carpatair beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.
12 In het bestreden arrest oordeelde het Gerecht ten eerste dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door niet te onderzoeken of de in punt 7.3 van de luchtvaartgids 2010 voorziene korting op luchthavengelden, afzonderlijk beschouwd, selectief was, en ten tweede dat de Commissie haar conclusie dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 Wizz Air geen economisch voordeel hadden opgeleverd dat deze onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen, niet rechtmatig gemotiveerd had. Aldus heeft het Gerecht, na het eerste middel en een gedeelte van het tweede middel te aanvaarden die Carpatair tot staving van dat beroep had aangevoerd, artikel 2 van het litigieuze besluit in zoverre nietig verklaard als aangegeven in punt 1 van het onderhavige arrest.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
Conclusies van partijen in zaak C‑244/23 P
13 Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover het tweede middel van Carpatair wordt aanvaard; – het tweede in zaak T‑522/20 aangevoerde middel af te wijzen, en – Carpatair te verwijzen in de kosten van beide instanties.
14 Carpatair verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en die in hogere voorziening.
Conclusies van partijen in zaak C‑245/23 P
15 Met haar hogere voorziening verzoekt Wizz Air het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het door Carpatair bij het Gerecht ingestelde beroep te verwerpen, en – Carpatair te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en die in hogere voorziening.
16 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, en – Carpatair te verwijzen in de kosten.
17 Carpatair verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – Wizz Air te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en die in hogere voorziening.
Conclusies van partijen in zaak C‑246/23 P
18 Met haar hogere voorziening verzoekt AITTV het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het door Carpatair in eerste aanleg ingestelde beroep af te wijzen of de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – Carpatair te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en die in hogere voorziening of, indien het zou beslissen de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
19 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, en – Carpatair te verwijzen in de kosten.
20 Carpatair verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – AITTV te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en die in hogere voorziening.
Middelen inzake het ontbreken van procesbevoegdheid van Carpatair
Argumenten van partijen
Eerste middel van Wizz Air in zaak C‑245/23 P
21 Met haar eerste middel betoogt Wizz Air, daarin ondersteund door de Commissie, dat het Gerecht, door te oordelen dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 een van de oorzaken waren van de aantasting van de concurrentiepositie van Carpatair, het bewijs onjuist heeft opgevat en een wezenlijk vormvoorschrift heeft geschonden.
22 In de eerste plaats heeft het Gerecht volgens haar geoordeeld dat Carpatair individueel en rechtstreeks werd geraakt door de overeenkomsten van 2008 en 2010 omdat Carpatair en Wizz Air ten tijde van de vaststelling van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, in 2011, concurreerden op vijf routes vanaf de internationale luchthaven van Timișoara en er zich tussen 2008 en 2010 op deze vijf routes een daling voordeed van het aantal passagiers, het rendement en de inkomsten van Carpatair.
23 Het Gerecht heeft echter geen rekening gehouden met het feit dat deze daling vergelijkbaar was met of zelfs aanzienlijk kleiner was dan die waarmee Carpatair te maken kreeg op de routes waarop zij niet met Wizz Air concurreerde.
24 Bovendien bevat het bestreden arrest volgens Wizz Air kennelijke fouten die van invloed zijn op de berekening van de winstderving van Carpatair.
25 In de tweede plaats heeft het Gerecht volgens haar in punt 77 van het bestreden arrest geoordeeld dat uit de opmerkingen die Carpatair in de loop van de administratieve procedure had ingediend, bleek dat deze onderneming eveneens klaagde over het feit dat zij de vluchten niet had kunnen overnemen die vanaf de internationale luchthaven van Timișoara werden verzorgd door twee andere luchtvaartmaatschappijen die deze luchthaven in 2008 hadden verlaten, aangezien deze vluchten thans door Wizz Air werden verzorgd. Dit element is echter niet besproken voor het Gerecht. Bijlage A.8 bij het verzoekschrift tot nietigverklaring, getiteld „Opmerkingen van Carpatair van 7 juni 2011 aan de Commissie”, werd in dat verzoekschrift eenvoudigweg vermeld, en niet samengevat. A fortiori heeft hierover geen gedachtewisseling plaatsgevonden voor het Gerecht, wat in strijd is met een wezenlijk vormvoorschrift, namelijk het recht van Wizz Air om hierover te worden gehoord.
26 Carpatair betwist de ontvankelijkheid van het eerste middel van Wizz Air. Deze laatste verzoekt het Hof immers alleen maar om een nieuwe beoordeling van de feiten en de bewijzen. Bovendien blijkt de door Wizz Air gestelde onjuiste opvatting niet duidelijk uit de stukken van het dossier.
27 Subsidiair meent Carpatair dat dit middel ongegrond is.
28 In de eerste plaats betoogt Carpatair om te beginnen dat dit middel berust op een onjuiste lezing van punt 73 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht volgens haar enkel heeft uiteengezet dat Carpatair had aangetoond dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 een van de oorzaken waren van de aantasting van haar concurrentiepositie. Het feit dat zich ook een rendementsdaling voordeed bij andere door Carpatair geëxploiteerde routes dan die waarop zij met Wizz Air concurreerde, doet aan die vaststelling niets af.
29 Vervolgens negeert Wizz Air het feit dat de schadelijke gevolgen van de overeenkomsten van 2008 en 2010 zich niet beperkten tot de routes waarop zij met Carpatair concurreerde. In het bestreden arrest worden evenwel enkel de gevolgen vastgesteld voor de routes waarop Carpatair rechtstreeks concurreerde met Wizz Air, zoals artikel 263, vierde alinea, VWEU vereist.
30 Tot slot heeft het Gerecht in de punten 75 en 76 van het bestreden arrest inderdaad een kleine fout gemaakt bij de berekening van de rendementsdaling op de routes van Carpatair, maar het staat buiten kijf dat deze rendementen tussen 2008 en 2010 aanzienlijk waren gedaald.
31 In de tweede plaats heeft het Gerecht geen inbreuk gemaakt op het recht van Wizz Air om te worden gehoord over het argument dat Carpatair niet in staat was om de routes van twee andere luchtvaartmaatschappijen vanaf de internationale luchthaven van Timișoara over te nemen. Zoals het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, heeft Carpatair haar opmerkingen dienaangaande immers reeds in de loop van het oorspronkelijke onderzoek ingediend. Wizz Air was dus op de hoogte van het standpunt van Carpatair. Bovendien gaat Wizz Air eraan voorbij dat de vaststelling van het Gerecht in punt 78 van het bestreden arrest berust op de bewijzen die zijn opgenomen in de bijlagen A.7 en A.8 bij het verzoekschrift tot nietigverklaring.
32 In de derde en laatste plaats neemt Wizz Air niet alle elementen in aanmerking op basis waarvan het Gerecht in de punten 54 tot en met 86 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat Carpatair individueel werd geraakt.
Eerste middel van AITTV in zaak C‑246/23 P
33 Met haar eerste middel betoogt AITTV, ondersteund door de Commissie, onder meer dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat Carpatair rechtstreeks en individueel werd geraakt door het litigieuze besluit.
34 In de eerste plaats heeft het Gerecht zonder voldoende bewijs enkel verondersteld dat Carpatair en Wizz Air concurrenten waren, zonder rekening te houden met het door AITTV overgelegde bewijs waaruit bleek dat Carpatair en Wizz Air geen luchtvaartmaatschappijen van vergelijkbare soort en omvang waren en dat zij grotendeels op verschillende routes actief waren.
35 In de tweede plaats heeft het Gerecht ook zonder voldoende bewijs aangenomen dat Carpatair aanzienlijk werd geraakt door het litigieuze besluit, zonder rekening te houden met de aangevoerde argumenten.
36 Ten eerste heeft AITTV voor het Gerecht aangevoerd dat, los van de overeenkomsten van 2008 en 2010, de juridische en feitelijke situatie van Carpatair ten tijde van de sluiting van die overeenkomsten van dien aard was dat deze luchtvaartmaatschappij niet met succes kon blijven opereren vanaf de internationale luchthaven van Timișoara, aangezien haar bedrijfsmodel achterhaald was. Ondanks de bewijzen die hierover zijn overgelegd, heeft het Gerecht evenmin rekening gehouden met de wereldwijde financiële crisis die de luchtvaartmaatschappijen op het moment van de betrokken feiten trof en die een andere plausibele verklaring vormde voor de moeilijkheden van Carpatair.
37 Ten tweede heeft Carpatair geen enkel bewijs geleverd van enig effect van de overeenkomsten van 2008 en 2010 op haar situatie, die zij zelf, in punt 4 van haar verzoekschrift tot nietigverklaring, identiek achtte aan die van vele andere luchtvaartmaatschappijen die vanaf de internationale luchthaven van Timișoara opereerden. Bovendien blijkt uit punt 116 van dat verzoekschrift dat de gevolgen van die overeenkomsten niet noodzakelijkerwijs specifiek waren voor die luchtvaartmaatschappij. Het Gerecht heeft niettemin niet onderzocht of de mogelijke verliezen van die luchtvaartmaatschappij te wijten waren aan concurrentie van andere luchtvaartmaatschappijen dan Wizz Air of aan andere factoren.
38 Stellig zijn het aantal passagiers, de opbrengsten en de inkomsten van Carpatair, zoals in punt 70 van het bestreden arrest is uiteengezet, op de vijf routes waarop zij met Wizz Air concurreerde, tussen 2008 en 2010 aanzienlijk gedaald. Uit het aan het Gerecht overgelegde bewijs blijkt echter dat de opbrengsten van Carpatair daalden op al haar routes vanaf de internationale luchthaven van Timișoara en niet alleen op de routes die samenvielen met de door Wizz Air geëxploiteerde routes. In het bestreden arrest wordt evenwel niet ingegaan op deze elementen die aantonen dat Carpatair niet rechtstreeks en individueel werd geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
39 In de derde plaats heeft het Gerecht in punt 78 van het bestreden arrest gewezen op de winstderving van Carpatair, hoewel Carpatair zich daar in haar schrifturen in eerste aanleg niet op heeft beroepen.
40 Carpatair betwist de ontvankelijkheid van het eerste middel van AITTV op grond dat het vaag en onnauwkeurig is, aangezien AITTV geen onderscheid maakt tussen de litigieuze maatregelen en de overeenkomstige juridische criteria en zij het door het Gerecht verrichte onderzoek van de procesbevoegdheid en dat van het procesbelang door elkaar haalt.
41 Subsidiair betoogt Carpatair dat het middel ongegrond is.
42 Het Gerecht heeft immers een nauwgezette omschrijving en toepassing gegeven van de relevante juridische criteria ter vaststelling van de procesbevoegdheid van Carpatair om nietigverklaring van het litigieuze besluit te vorderen voor zover het de overeenkomsten van 2008 en 2010 en de luchtvaartgids 2010 betreft. Uit de algemene opzet van het bestreden arrest, waarin in detail wordt ingegaan op de vraag of Carpatair individueel werd geraakt door de overeenkomsten van 2008 en 2010 en rechtstreeks werd geraakt door deze overeenkomsten en de luchtvaartgids 2010, blijkt duidelijk dat de procesbevoegdheid van Carpatair rechtens genoegzaam is aangetoond.
Vijfde middel van AITTV in zaak C‑246/23 P
43 Met haar vijfde middel betoogt AITTV, daarin ondersteund door de Commissie, in de eerste plaats dat het Gerecht onvoldoende rekening heeft gehouden met de door de Commissie, Wizz Air en AITTV overgelegde bewijzen waaruit blijkt dat er ten tijde van de sluiting van de overeenkomsten van 2008 en 2010 geen daadwerkelijke mededinging was tussen Wizz Air en Carpatair.
44 Volgens AITTV is het Gerecht weliswaar niet verplicht om elk aangevoerd argument te beoordelen, maar schendt het niettemin een wezenlijk vormvoorschrift wanneer het, zoals in casu, in de punten 63 en 69 van het bestreden arrest een groot aantal inhoudelijke argumenten en bewijzen vermeldt zonder deze te beoordelen, terwijl een andere beoordeling van deze elementen zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep van Carpatair.
45 De door AITTV, Wizz Air en de Commissie aangedragen bewijzen toonden met name aan dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 economisch rationeel waren en dat de luchtvaartmaatschappijen waren geselecteerd door middel van oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling, waardoor AITTV de meest aantrekkelijke aanbiedingen kon kiezen. Deze elementen konden aantonen dat die overeenkomsten bedoeld waren om marginaal winstgevend te zijn.
46 Bovendien bevat het bestreden arrest geen details over de betrokken markten en marktaandelen, de capaciteit van de luchtvaartmaatschappijen, de substitueerbaarheid van de routes, de kosten en de winstmarges en de andere parameters waarmee kon worden bepaald of Wizz Air en Carpatair concurrenten waren.
47 Het Gerecht heeft trouwens in punt 15 van het bestreden arrest erkend dat Carpatair haar activiteiten op de internationale luchthaven van Timișoara had gestaakt en dat zij geen lijnvluchten meer aanbood, maar heeft met deze essentiële feiten onvoldoende rekening gehouden.
48 In de tweede plaats heeft het Gerecht zijn motiveringsplicht geschonden door niet uiteen te zetten wat het causaal verband was tussen de financiële moeilijkheden van Carpatair en de vermeende concurrentie van Wizz Air, en door in punt 83 van het bestreden arrest enkel veronderstellingen te formuleren en voorbij te gaan aan andere mogelijke verklaringen uit het dossier.
49 Carpatair heeft in punt 46 van haar verzoekschrift in eerste aanleg gesteld dat zij op vijf routes rechtstreeks concurreerde met Wizz Air, maar heeft in punt 50 daarvan erkend dat zij haar activiteiten had gestaakt op vijftien routes vanaf de internationale luchthaven van Timișoara. Hieruit volgt dat de moeilijkheden die Carpatair ondervond te groot waren om te kunnen worden toegeschreven aan de concurrentie van Wizz Air, die slechts een derde van de routes betrof die Carpatair vanaf die luchthaven verzorgde.
50 Bovendien heeft Carpatair in haar verzoekschrift in eerste aanleg niet aangegeven dat zij op bepaalde routes concurreerde met andere luchtvaartmaatschappijen dan Wizz Air. Ook deze concurrentie heeft voor de situatie van Carpatair gevolgen kunnen hebben, maar is in het bestreden arrest echter niet onderzocht.
51 Volgens Carpatair is het vijfde middel van AITTV niet-ontvankelijk, omdat AITTV daarin enkel argumenten herhaalt die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd, zonder een onjuiste rechtsopvatting of een onjuiste opvatting van het bewijs aan te tonen.
52 Subsidiair betoogt Carpatair dat dit middel ongegrond is.
53 Zij merkt in dit verband op dat volgens vaste rechtspraak de wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie van de verzoeker op de relevante markten niet blijkt uit een grondige analyse van de verschillende concurrentieverhoudingen op die markten, maar in beginsel uit een prima-facievaststelling dat deze positie wezenlijk wordt aangetast door de toekenning van de betrokken maatregel.
54 De gedetailleerde analyse in het bestreden arrest toont aan dat het Gerecht alle overgelegde bewijzen afdoende heeft onderzocht en terecht heeft geoordeeld dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 de concurrentiepositie van Carpatair op de relevante markten wezenlijk konden aantasten.
Beoordeling door het Hof
Ontvankelijkheid
55 Wat in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het eerste middel van Wizz Air betreft, moet worden vastgesteld dat hoewel Carpatair betoogt dat de feitelijke vaststellingen van het Gerecht inhoudelijk niet onjuist zijn, zij niettemin heeft erkend dat het Gerecht een fout heeft gemaakt bij de berekening van de rendementsdaling van Carpatair, gelet op de bedragen die vermeld werden in een van de bijlagen bij haar verzoekschrift tot nietigverklaring. Bovendien verzoekt Wizz Air, waar zij stelt dat het Gerecht het recht om te worden gehoord heeft geschonden, het Hof niet alleen maar om een nieuwe beoordeling van de feiten, maar voert zij schending aan van een wezenlijk vormvoorschrift, een middel waarvan het Hof in hogere voorziening kennis kan nemen.
56 Wat in de tweede plaats de ontvankelijkheid van het eerste middel van AITTV betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat dit middel niet zodanig onnauwkeurig is geformuleerd dat het onmogelijk zou zijn om de argumenten waarop het steunt te begrijpen. Voorts kan de enkele omstandigheid dat deze vennootschap de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring onjuist uitlegt, niet tot gevolg hebben dat dit middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Gesteld al dat deze fout zou zijn aangetoond, zou dit immers tot gevolg hebben dat het middel ongegrond moet worden verklaard.
57 Wat in de derde en laatste plaats de ontvankelijkheid van het vijfde middel van AITTV betreft, moet worden vastgesteld dat AITTV met dit middel aanvoert dat het Gerecht in het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de overgelegde bewijzen en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen. Bijgevolg kan dit middel, dat uit het bestreden arrest voortvloeit, per definitie geen herhaling vormen van de argumenten die in eerste aanleg zijn aangevoerd.
58 Hieruit volgt dat het betoog van Carpatair over de niet-ontvankelijkheid van het eerste middel van Wizz Air en van het eerste en het vijfde middel van AITTV over de gehele lijn moet worden afgewezen.
Ten gronde
59 Betwist wordt niet dat het litigieuze besluit, ten eerste, een individuele handeling vormt voor zover daarin wordt vastgesteld dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 geen staatssteun vormen en, ten tweede, een regelgevingshandeling vormt die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt in de zin van artikel 263, vierde alinea, derde zinsnede, VWEU voor zover daarin wordt vastgesteld dat de bij de luchtvaartgids 2010 ingevoerde luchthavengeldenregeling geen staatssteun vormt. Bijgevolg heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat Carpatair, om haar procesbevoegdheid aan te tonen, moest aantonen dat zij rechtstreeks en individueel werd geraakt door het gedeelte van het litigieuze besluit dat betrekking had op de overeenkomsten van 2008 en 2010, en enkel moest aantonen rechtstreeks te worden geraakt door het gedeelte van dat besluit dat betrekking had op de luchtvaartgids 2010.
60 AITTV en Wizz Air, ondersteund door de Commissie, betwisten het oordeel van het Gerecht dat Carpatair rechtstreeks en individueel werd geraakt door het gedeelte van het litigieuze besluit dat zag op de overeenkomsten van 2008 en 2010 en rechtstreeks werd geraakt door het gedeelte van dat besluit dat zag op de luchtvaartgids 2010.
– Voorwaarde dat Carpatair individueel werd geraakt
61 Wanneer de verzoekende partij opkomt tegen de gegrondheid van een besluit op grond van artikel 108, lid 3, VWEU waarbij de steun wordt beoordeeld of tegen een aan het einde van de formele onderzoeksprocedure vastgesteld besluit, moet zij aantonen dat dit besluit haar betreft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert en daardoor individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat. Daarvan is met name sprake wanneer de marktpositie van de verzoeker merkbaar wordt aangetast door de steun waarop het betrokken besluit betrekking heeft (zie in die zin arresten van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie,C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 97, en 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a.,C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punt 54).
62 In de punten 61 tot en met 86 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat Carpatair individueel werd geraakt door het gedeelte van het litigieuze besluit dat zag op de overeenkomsten van 2008 en 2010. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht, na te hebben geweigerd doorslaggevend belang te hechten aan het feit dat Carpatair een actieve rol had gespeeld in het verloop van de administratieve procedure, benadrukt dat deze onderneming gegevens had verstrekt over de markten waarop zij met Wizz Air concurreerde en had aangetoond dat die overeenkomsten een van de oorzaken waren van de wezenlijke aantasting van haar concurrentiepositie op die markten en dat zij een bijzondere status had die haar karakteriseerde ten opzichte van de andere luchtvaartmaatschappijen op de internationale luchthaven van Timișoara.
63 Wat in de eerste plaats de beoordeling van het Gerecht in de punten 63 tot en met 70 en 73 tot en met 85 van het bestreden arrest betreft, namelijk dat Carpatair had aangetoond dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 haar concurrentiepositie op de betrokken markten wezenlijk konden aantasten, zij eraan herinnerd dat, wat het van de verzoeker verlangde bewijs betreft dat zijn marktpositie wezenlijk is aangetast, geen definitieve uitspraak hoeft te worden gedaan over de concurrentieverhouding tussen die verzoeker en de begunstigde ondernemingen, maar het volstaat dat die verzoeker afdoende aangeeft om welke redenen het besluit van de Commissie zijn rechtmatige belangen kan schaden en zijn positie op de betrokken markt wezenlijk kan beïnvloeden. De wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie van de verzoeker op de betrokken markt blijkt immers niet uit een grondige analyse van de verschillende concurrentieverhoudingen op die markt waardoor nauwkeurig kan worden vastgesteld in hoeverre zijn concurrentiepositie is aangetast, maar in beginsel uit een prima-facievaststelling dat deze positie wezenlijk wordt aangetast door de toekenning van de maatregel waarop het besluit van de Commissie betrekking heeft (zie in die zin arresten van 12 juli 1990,COFAZ/Commissie,C‑169/84, EU:C:1990:301, punt 28, en 20 januari 2022, Deutsche Lufthansa/Commissie,C‑594/19 P, EU:C:2022:40, punten 74 en 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 In casu verwijt AITTV het Gerecht ten eerste dat het in punt 69 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat Wizz Air en Carpatair op vijf vanaf de internationale luchthaven van Timișoara vertrekkende routes concurrenten waren, zonder rekening te houden met de aangevoerde tegenargumenten.
65 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat het middel ontleend aan het ontbreken van antwoord van het Gerecht op een in eerste aanleg aangevoerd argument in feite neerkomt op een beroep op schending van de motiveringsplicht voortvloeiende uit artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op grond van artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op het Gerecht, en uit artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (zie in die zin arresten van 20 mei 2010, Gogos/Commissie,C‑583/08 P, EU:C:2010:287, punt 29, en 14 september 2023, Land Rheinland-Pfalz/Deutsche Lufthansa,C‑466/21 P, EU:C:2023:666, punt 93).
66 Voorts blijkt uit de punten 64 tot en met 69 van het bestreden arrest dat het Gerecht heeft vastgesteld dat Wizz Air en Carpatair op vijf routes die vertrokken vanaf de internationale luchthaven van Timișoara concurreerden omdat het ging om routes naar dezelfde luchthavens of luchthavens op minder dan 100 km afstand van elkaar. Uit geen enkele passage van het bestreden arrest blijkt echter dat het Gerecht de argumenten heeft onderzocht waarmee AITTV het bestaan van die concurrentie betwistte, hoewel AITTV onder meer in punt 15 van haar memorie in interventie voor het Gerecht met name had aangevoerd dat Wizz Air en Carpatair verschillende bedrijfsmodellen en een vloot van vliegtuigen met verschillende technische kenmerken hadden.
67 Het is juist dat het Gerecht geen uiteenzetting hoeft te geven die volledig en een voor een alle argumenten van de partijen volgt. De motivering van het Gerecht kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (arresten van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 96, en 14 september 2023, Land Rheinland-Pfalz/Deutsche Lufthansa,C‑466/21 P, EU:C:2023:666, punt 94).
68 Het is ook juist dat, zoals in punt 63 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, het bewijs door de verzoeker van een wezenlijke aantasting van zijn positie op de betrokken markt niet impliceert dat definitief uitspraak moet worden gedaan over de concurrentieverhouding tussen hem en de vermeende begunstigde van de betrokken steun.
69 Niettemin waren de door AITTV verstrekte gegevens in casu bedoeld om de relevantie te betwisten van de gegevens die Carpatair had verstrekt om aan te tonen dat deze luchtvaartmaatschappij op het eerste gezicht concurreerde met Wizz Air, en had het Gerecht dus, om te voldoen aan zijn motiveringsplicht, moeten uiteenzetten waarom het van oordeel was dat die gegevens niet konden afdoen aan zijn beoordeling dat Carpatair en Wizz Air concurrenten waren.
70 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht, door te oordelen dat Carpatair op vijf routes vanaf de internationale luchthaven van Timișoara concurreerde met Wizz Air, zonder uit te leggen waarom het de argumenten van AITTV ter betwisting van deze concurrentie niet heeft aanvaard, niet heeft gehandeld volgens zijn verplichting om zijn arresten zodanig te motiveren dat de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het Gerecht zich baseert en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen.
71 Ten tweede menen Wizz Air en AITTV dat het Gerecht in de punten 73 tot en met 85 van het bestreden arrest niet heeft aangetoond dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 de oorzaak konden zijn van de wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie van Carpatair.
72 Het Gerecht geeft in het bestreden arrest twee gronden weer ter onderbouwing van zijn oordeel in punt 79 van het bestreden arrest dat Carpatair had aangetoond dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 een van de oorzaken waren van de wezenlijke aantasting van haar marktpositie en van de schade aan haar concurrentiepositie.
73 Ten eerste heeft het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest opgemerkt dat Carpatair zich tijdens de administratieve procedure had beklaagd over de winstderving als gevolg van de onmogelijkheid voor deze luchtvaartmaatschappij om twee routes tussen de internationale luchthaven van Timișoara en Noord-Italië over te nemen.
74 Zoals uit de in punt 61 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt, staat het evenwel aan de verzoeker om voor het Gerecht bewijzen aan te dragen waaruit zijn procesbevoegdheid blijkt. Zoals Wizz Air en AITTV – ondersteund door de Commissie – opmerken, heeft Carpatair die winstderving echter niet aangevoerd in haar verzoekschrift in eerste aanleg.
75 Hoewel Carpatair in bijlage A.8 bij dat verzoekschrift de opmerkingen had gevoegd die zij tijdens de administratieve procedure had ingediend en waarin zij gewag maakte van die inkomstenderving, zij erop gewezen dat in dat verzoekschrift enkel in voetnoot 31 en dan nog op algemene wijze naar die bijlage werd verwezen. In geen enkele passage van haar verzoekschrift over de ontvankelijkheid van haar beroep tot nietigverklaring werd vermeld dat die winstderving werd veroorzaakt door oneerlijke concurrentie van Wizz Air.
76 De „summiere uiteenzetting van de […] middelen”, die in elk verzoekschrift moet zijn opgenomen op grond van artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op het Gerecht – en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, impliceert dat het verzoekschrift duidelijk dient te doen uitkomen wat het aan het beroep ten grondslag liggende middel inhoudt. Voor de ontvankelijkheid van een beroep bij het Gerecht is het dan ook met name noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf naar voren komen. Het verzoekschrift mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken – ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd – kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog niet goedmaken, aangezien deze elementen volgens bovengenoemde bepalingen moeten worden vermeld in het verzoekschrift (zie in die zin arresten van 3 maart 2022, WV/SEAE,C‑162/20 P, EU:C:2022:153, punten 67 en 68, en 27 februari 2024, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann,C‑382/21 P, EU:C:2024:172, punt 96).
77 In die omstandigheden stond het dus niet aan het Gerecht om het betoog van Carpatair in haar verzoekschrift aan te vullen door in de bijlagen bij haar verzoekschrift bewijzen te zoeken en aan te duiden die de ontvankelijkheid van het beroep van deze onderneming konden staven.
78 Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in punt 77 van het bestreden arrest te baseren op winstderving die veroorzaakt was door de onmogelijkheid voor Carpatair om twee routes vanaf de internationale luchthaven van Timișoara naar Noord-Italië over te nemen.
79 Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 74 tot en met 76 van het bestreden arrest opgemerkt dat uit bijlage A.7 bij het verzoekschrift bleek dat het nettorendement van Carpatair tussen 2008 en 2010 op de vijf routes vanaf de internationale luchthaven Timișoara – waarvan het heeft geoordeeld dat zij daarop concurreerde met Wizz Air – was gedaald met 52 % wat vier routes naar Italië betrof en met 57 % wat de route naar Düsseldorf (Duitsland) betrof.
80 In dit verband moet worden opgemerkt dat deze vaststelling, zoals Wizz Air heeft aangevoerd, steunt op een onjuiste opvatting van bijlage A.7 bij het verzoekschrift tot nietigverklaring van Carpatair. Deze percentages weerspiegelen immers niet de rendementsdaling op deze routes, maar geven aan wat de verhouding is van het rendement op die routes voor 2010 ten opzichte van het rendement op diezelfde routes voor 2008, wat Carpatair trouwens erkent in haar memorie van antwoord.
81 Bovendien blijkt volgens Wizz Air en AITTV – zonder door Carpatair te worden tegengesproken – uit die bijlage A.7 dat in diezelfde periode het rendement van bepaalde door Carpatair vanaf de internationale luchthaven van Timișoara verzorgde routes – waarvoor het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat Carpatair niet had aangetoond met Wizz Air te concurreren – evenveel is gedaald als, of zelfs nog meer is gedaald dan, het rendement van de routes waarop Carpatair volgens het Gerecht rechtstreeks concurreerde met Wizz Air.
82 Door geen rekening te houden met deze elementen, die nochtans duidelijk bleken uit bijlage A.7 bij het verzoekschrift in eerste aanleg van Carpatair, en door de redenen voor deze omissie niet toe te lichten, heeft het Gerecht die bewijselementen onjuist opgevat en niet voldaan aan zijn motiveringsplicht.
83 Daar komt nog bij dat het Gerecht zich, gelet op die algemene rendementsdaling op de door Carpatair vanaf de internationale luchthaven van Timișoara verzorgde routes, niet mocht beperken tot de vaststelling in punt 80 van het bestreden arrest dat de gegevens die deze luchtvaartmaatschappij had overgelegd om aan te tonen dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 haar concurrentiepositie op de betrokken markten wezenlijk konden aantasten, niet ter discussie werden gesteld door de argumenten die moesten staven dat die daling kon zijn veroorzaakt door andere factoren, zoals het vermeend ouderwets bedrijfsmodel van die luchtvaartmaatschappij, de concurrentie die zij van andere luchtvaartmaatschappijen dan Wizz Air ondervond of de wereldwijde financiële crisis, zonder deze argumenten in aanmerking te nemen en in elk geval zonder uit te leggen waarom deze argumenten moesten worden afgewezen.
84 Zoals het Gerecht in punt 82 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, kon weliswaar niet worden verlangd dat Carpatair aantoonde dat haar aanzienlijke financiële moeilijkheden uitsluitend te wijten waren aan de overeenkomsten van 2008 en 2010. Niettemin moest het Gerecht wel kunnen oordelen dat het op zijn minst plausibel was dat deze overeenkomsten de oorzaak van die moeilijkheden waren.
85 Uit een en ander volgt dat het Gerecht zijn oordeel dat de overeenkomsten van 2008 en 2010 de concurrentiepositie van Carpatair op de betrokken markten wezenlijk konden aantasten, niet heeft gerechtvaardigd.
86 Wat in de tweede plaats het oordeel van het Gerecht in de punten 71 en 72 van het bestreden arrest betreft dat Carpatair had aangetoond een bijzondere status te hebben die haar karakteriseerde ten opzichte van de andere luchtvaartmaatschappijen die aanwezig waren op de internationale luchthaven van Timișoara, zij er om te beginnen aan herinnerd dat vraagstukken over de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring vraagstukken van openbare orde vormen die de rechterlijke instanties van de Unie op elk moment, ook ambtshalve, kunnen onderzoeken (arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 De verklaring in punt 72 van het bestreden arrest dat Carpatair een bijzondere status had omdat zij de enige luchtvaartmaatschappij was die op vijf routes vanaf de internationale luchthaven van Timișoara rechtstreeks concurreerde met Wizz Air, is echter, zoals in punt 70 van het onderhavige arrest is opgemerkt, ontoereikend gemotiveerd.
88 De vermeende concurrentieverhoudingen tussen Wizz Air en Carpatair konden dus niet de vaststelling staven dat Carpatair een bijzondere status had die haar karakteriseerde ten opzichte van ieder ander en haar derhalve individualiseerde op soortgelijke wijze als de adressaat van het litigieuze besluit, te weten Roemenië.
89 In die omstandigheden kon de verklaring in punt 71 van het bestreden arrest dat de internationale luchthaven van Timișoara was gericht op de activiteiten van Carpatair en dat deze onderneming 90 % van haar omzet haalde uit haar activiteiten vanaf deze luchthaven, niet volstaan om aan te tonen dat Carpatair – waarvan niet rechtens genoegzaam werd aangetoond dat zij concurreerde met Wizz Air – individueel werd geraakt door het gedeelte van het litigieuze besluit waarin wordt vastgesteld dat de tussen die luchthaven en Wizz Air gesloten overeenkomsten van 2008 en 2010 geen staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU vormen.
90 Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat het Gerecht zijn conclusie dat Carpatair heeft aangetoond individueel te zijn geraakt door het gedeelte van het litigieuze besluit dat over de overeenkomsten van 2008 en 2010 gaat, niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd.
– Voorwaarde dat Carpatair rechtstreeks geraakt is
91 Zoals het Gerecht in de punten 87 en 89 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, moest Carpatair, om aan te tonen dat het litigieuze besluit haar rechtstreeks raakte, met name aantonen dat dit besluit rechtstreeks gevolgen had voor haar rechtspositie, door afdoende uiteen te zetten waarom het besluit haar in een nadelige concurrentiepositie kon brengen.
92 In dit verband heeft het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest opgemerkt dat uit het dossier bleek dat Wizz Air de vermeende begunstigde van de overeenkomsten van 2008 en 2010 en de luchtvaartgids 2010 was, dat Wizz Air en Carpatair soortgelijke activiteiten uitoefenden en dat zij actief waren op dezelfde dienstenmarkt en geografische markt. Het is dan ook tot de slotsom gekomen dat Carpatair afdoende had aangetoond dat het litigieuze besluit haar in een nadelige concurrentiepositie kon brengen.
93 AITTV verwijt het Gerecht echter in wezen dat het in dat punt 90 heeft vastgesteld dat Wizz Air en Carpatair concurrenten waren, zonder rekening te houden met de tegenargumenten die in dit verband zijn aangevoerd.
94 Zoals in punt 70 van het onderhavige arrest reeds is uiteengezet, is deze vaststelling van het Gerecht inderdaad ontoereikend gemotiveerd.
95 Het bestreden arrest is dus eveneens ontoereikend gemotiveerd voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat Carpatair rechtstreeks werd geraakt door het litigieuze besluit waar het betrekking heeft op de overeenkomsten van 2008 en 2010 en op de luchtvaartgids 2010.
96 Uit een en ander volgt dat het Gerecht niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd dat Carpatair bevoegd was om beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit in te stellen. Bijgevolg moeten het eerste middel van Wizz Air en het eerste en het vijfde middel van AITTV worden aanvaard voor zover daarmee die procesbevoegdheid van Carpatair wordt betwist.
97 Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere middelen van de hogere voorzieningen van AITTV en Wizz Air of over de hogere voorziening van de Commissie, met name voor zover deze beogen de redenering van het Gerecht ten gronde in twijfel te trekken, moet het bestreden arrest worden vernietigd.
Beroep bij het Gerecht
98 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
99 Dit is in de onderhavige zaak niet het geval.
100 Gelet op de onjuiste opvattingen van het bewijsmateriaal en de motiveringsgebreken in het bestreden arrest, impliceert het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg en, in voorkomend geval, van de gegrondheid van dit beroep immers feitelijke beoordelingen waarvoor het Hof aanvullende maatregelen tot organisatie van de procesgang of tot instructie van het dossier zou moeten treffen.
101 Derhalve moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht.
Kosten
102 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten van de onderhavige hogere voorzieningen te worden aangehouden.
Het Hof (Negende kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 februari 2023, Carpatair/Commissie (T‑522/20, EU:T:2023:51), wordt vernietigd.
2) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 21 september 2023, C-478/21, ECLI:EU:C:2023:685
- HvJ EU 14 september 2023, C-466/21, ECLI:EU:C:2023:666
- HvJ EU 31 januari 2023, C-284/21, ECLI:EU:C:2023:58
- HvJ EU 3 maart 2022, C-162/20, ECLI:EU:C:2022:153
- HvJ EU 20 januari 2022, C-594/19, ECLI:EU:C:2022:40
- HvJ EU 17 september 2015, C-33/14, ECLI:EU:C:2015:609
- HvJ EU 20 mei 2010, C-583/08, ECLI:EU:C:2010:287
- HvJ EU 9 september 2008, C-120/06, ECLI:EU:C:2008:476