HvJ EU 12 december 2024, C-130/22, ECLI:EU:C:2024:1018
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 december 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Ambtenarenrecht – Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie – Tijdelijke functionarissen – Opzegging van overeenkomst voor onbepaalde tijd – Opzegtermijn – Handhaving van de verplichting van loyaliteit en vertrouwelijkheid – Tuchtprocedure – Instelling van een administratief onderzoek – Afsluiting zonder verder gevolg – Onrechtmatige gedragingen die toe te schrijven zijn aan het tot aanstelling bevoegd gezag – Immateriële schade – Bewijs – Voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie”
In zaak C‑130/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 24 februari 2022,
DD, vertegenwoordigd door N. Lorenz, Rechtsanwältin,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. O’Flaherty, vervolgens door S. Rautio als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, Rechtsanwalt,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en Z. Csehi (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt DD om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 21 december 2021, DD/FRA (T‑703/19, EU:T:2021:923; hierna: „bestreden arrest”) houdende verwerping van zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU, dat in wezen strekte tot vergoeding van de immateriële schade die rekwirant stelt te hebben geleden als gevolg van de inleiding en het voeren van een administratieve procedure binnen het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) en die door rekwirant ex aequo et bono werd begroot op 50000 EUR.
Toepasselijke bepalingen
Statuut
2 Artikel 11, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt: „Een ambtenaar houdt bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden en bij het bepalen van zijn gedrag uitsluitend de belangen van de [Europese] Unie voor ogen. Hij vraagt noch aanvaardt aanwijzingen van enige regering of van enig gezag, organisatie of persoon buiten zijn instelling. Hij vervult de hem toevertrouwde taken op objectieve en onpartijdige wijze en met inachtneming van zijn loyaliteitsplicht tegenover de Unie.”
3 Artikel 12 bis, lid 1, van het Statuut luidt als volgt: „De ambtenaar onthoudt zich van iedere vorm van psychisch geweld of seksuele intimidatie.”
4 Artikel 17 van het Statuut bepaalt: „1. Het is de ambtenaar verboden om zonder machtiging informatie bekend te maken waarvan hij in zijn ambt kennis heeft genomen, tenzij die informatie reeds openbaar of voor het publiek toegankelijk is gemaakt. 2. Ook na beëindiging van de dienst blijft deze verplichting op de ambtenaar rusten.”
5 Artikel 25, tweede alinea, van het Statuut bepaalt: „Elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed.”
6 Artikel 86 van het Statuut bepaalt: „1. De ambtenaar of gewezen ambtenaar die, opzettelijk of uit nalatigheid, de hem door dit statuut opgelegde verplichtingen niet nakomt, stelt zich aan een tuchtmaatregel bloot. 2. Wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag [(hierna: ‚TABG’)] of [het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)] kennis [krijgt] van gegevens die het bestaan van een verzuim in de zin van lid 1 doen vermoeden, kunnen zij een administratief onderzoek instellen teneinde na te gaan of er inderdaad sprake is van een dergelijk verzuim. 3. De tuchtmaatregelen en -procedures en de maatregelen en de procedures betreffende het administratief onderzoek staan in bijlage IX.”
7 Artikel 1 van bijlage IX bij het Statuut bepaalt: „1. Wanneer bij een onderzoek van OLAF de mogelijke persoonlijke betrokkenheid van een ambtenaar of een voormalig ambtenaar van een instelling aan het licht wordt gebracht, wordt deze ambtenaar hiervan spoedig op de hoogte gesteld zolang het onderzoek daardoor niet wordt gehinderd. In ieder geval mogen conclusies die specifiek een met name genoemd ambtenaar van de instelling betreffen, na afronding van het onderzoek pas worden vastgesteld nadat de betrokkene zijn oordeel over de feiten heeft kunnen geven. In de conclusies wordt naar dat oordeel verwezen. […] 3. Als na een OLAF-onderzoek blijkt dat een ambtenaar van de instelling jegens wie bepaalde aantijgingen zijn geuit, niets ten laste kan worden gelegd, wordt het onderzoek zonder verder gevolg afgesloten bij besluit van de directeur van OLAF, die de ambtenaar en de instelling waartoe hij behoort daarvan schriftelijk op de hoogte stelt. De ambtenaar kan vragen dat dit besluit in zijn persoonsdossier wordt opgenomen.”
8 Artikel 2, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut bepaalt: „Het bepaalde in artikel 1 van deze bijlage is mutatis mutandis van toepassing op andere door het [TABG] ingestelde administratieve onderzoeken.”
9 Artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut schrijft voor: „Op grond van het onderzoeksrapport kan het [TABG], nadat het de betrokken ambtenaar inzage in al het bewijsmateriaal uit het dossier heeft gegeven en hem heeft gehoord: a) besluiten dat tegen de betrokken ambtenaar geen duidelijke beschuldigingen kunnen worden ingebracht. De betrokken ambtenaar krijgt daarvan schriftelijk bericht, of b) besluiten dat, zelfs indien verplichtingen niet zijn of lijken te zijn nagekomen, geen tuchtmaatregel wordt getroffen en, in voorkomend geval, de betrokken ambtenaar een terechtwijzing geven; of c) in geval van niet-nakoming van de verplichtingen, als bedoeld in artikel 86 van het Statuut: i) besluiten de in afdeling 4 bedoelde tuchtprocedure in te leiden, of ii) besluiten een tuchtprocedure bij de tuchtraad in te leiden.”
10 Artikel 29 van bijlage IX bij het Statuut bepaalt: „Als de betrokkene niets ten laste kan worden gelegd overeenkomstig artikel 1, lid 3, en artikel 22, lid 2, van deze bijlage heeft deze het recht te vragen dat ter vergoeding van de geleden schade passende bekendheid wordt gegeven aan het besluit van het [TABG].”
RAP
11 Artikel 47 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) luidt als volgt: „Afgezien van overlijden eindigt de dienst van tijdelijke functionarissen: […] c) bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd: […] i) na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn; deze moet ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedragen, met een minimum van drie maanden en een maximum van tien maanden. […] […]”
Verordening nr. 45/2001
12 Artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8, blz. 1) bepaalde: „De persoonsgegevens: a) moeten eerlijk en rechtmatig worden verwerkt; […]”
Voorgeschiedenis van het geding
13 De voorgeschiedenis van het geding wordt in de punten 1 tot en met 26 van het bestreden arrest als volgt uiteengezet: „1 Op 1 augustus 2000 werd [rekwirant], DD, door het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (EUMC), thans het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), aangeworven als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder a), [RAP]. Hij kreeg aanvankelijk een overeenkomst voor bepaalde tijd en met ingang van 16 december 2006 een overeenkomst voor onbepaalde tijd. 2 Bij brief van 13 juni 2013 heeft de directeur van het FRA [rekwirant] in kennis gesteld van zijn besluit om zijn overeenkomst voor onbepaalde tijd op te zeggen en hem gevraagd om zich niet naar zijn werkplek te begeven gedurende de opzeggingstermijn, ‚die [op diezelfde dag] [begon] en [eindigde] op 12 april 2014’. 3 De in artikel 47, onder c), i), RAP opgenomen opzeggingstermijn van tien maanden is verstreken op 13 april 2014. Tijdens de opzeggingstermijn is [rekwirant] ontheven van zijn verplichting om zijn diensten te verrichten en zich naar de kantoren van het FRA te begeven. 4 Bij e‑mails van 5 maart en 9 oktober 2014 (hierna samen: ‚litigieuze e‑mails’) heeft [rekwirant] vanaf zijn privé-mailadres aan A, een voormalig ambtenaar van het FRA, een aantal interne vertrouwelijke gegevens van het FRA toegezonden. Het ging onder meer om een lijst van door het FRA uitgevoerde betalingen aan B, de vroegere juridische adviseur van die instantie. 5 Op 20 maart 2015 heeft de directeur van het FRA op grond van artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut […] een administratief onderzoek ingesteld, dat in wezen betrekking had op de omstandigheden waarin de interne documenten van het FRA buiten die instantie zijn terechtgekomen (hierna: ‚administratief onderzoek’). 6 Het [administratief] onderzoek is gevoerd op basis van drie besluiten (hierna samen: ‚besluiten betreffende de instelling van het administratief onderzoek’), te weten, ten eerste, besluit DIR/003/2015 van 20 maart 2015 tot instelling van een administratief onderzoek (hierna: ‚besluit tot instelling van een administratief onderzoek’), ten tweede, besluit DIR/004/2016 van 3 maart 2016 betreffende de uitbreiding van de omvang van het administratief onderzoek (hierna: ‚besluit tot uitbreiding van het administratief onderzoek’) en, ten derde, besluit DIR/005/2016 van 18 maart 2016 tot aanstelling van een onderzoekscomité. 7 Bij arrest van 8 oktober 2015, DD/FRA (F‑106/13 en F‑25/14, EU:F:2015:118), heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken het in punt 2 hierboven vermelde opzeggingsbesluit nietig verklaard. Het heeft daarentegen de vordering van [rekwirant] tot vergoeding van zijn immateriële schade afgewezen. 8 [Rekwirant] heeft tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken een hogere voorziening ingesteld, die bij arrest van 19 juli 2017, DD/FRA (T‑742/15 P, […], EU:T:2017:528), is afgewezen. 9 Op 29 februari 2016 heeft het FRA [rekwirant] in het kader van de uitvoering van het arrest van 8 oktober 2015, DD/FRA (F‑106/13 en F‑25/14, EU:F:2015:118), herplaatst in zijn functie. 10 Op 30 maart 2016 heeft het FRA [rekwirant] een nota gezonden waarin het hem in kennis heeft gesteld van de instelling van het administratief onderzoek en van een op 5 april 2016 geplande hoorzitting. 11 Bij e‑mailwisseling van dezelfde dag heeft [rekwirant] het FRA verzocht om hem de tegen hem in aanmerking genomen bewijzen over te leggen. In antwoord op zijn verzoek hebben de onderzoekers hem diezelfde dag bepaalde documenten overgelegd, waaronder een kopie van zijn e‑mail van 9 oktober 2014. 12 Bij e‑mail van 4 april 2016 heeft het FRA, in aanvulling op de verzending van de in punt 11 hierboven bedoelde e‑mail, aan [rekwirant] aanvullende bewijzen toegezonden, waaronder een kopie van zijn e‑mail van 5 maart 2014. 13 Op 5 april 2016 hebben de onderzoekers van het FRA [rekwirant] en zeven andere getuigen gehoord. 14 Op 10 oktober 2016 is [rekwirant] ervan in kennis gesteld dat het onderzoeksrapport [(hierna: ‚onderzoeksrapport’)] was voltooid. 15 Op 12 oktober 2016 heeft [rekwirant] het FRA verzocht om toezending van de conclusies van het onderzoeksrapport, de conclusies van het onderzoek en alle andere documenten die rechtstreeks verband hielden met de tegen hem geuite beschuldigingen. 16 Bij e‑mail van 20 oktober 2016 heeft het FRA, in antwoord op de in punt 15 hierboven bedoelde e‑mail, [rekwirant] de conclusies van het onderzoeksrapport toegezonden. 17 Op 17 november 2016 is [rekwirant] uitgenodigd voor een hoorzitting in de zin van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut die gepland werd op 6 december 2016. Bij die gelegenheid heeft [rekwirant] ook een kopie ontvangen van het onderzoeksrapport met inbegrip van de bijlagen. 18 Op 5 december 2016 heeft het FRA [rekwirant] meegedeeld dat de in punt 17 hierboven bedoelde hoorzitting was uitgesteld tot een latere datum. 19 Op 12 januari 2017 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens die hoorzitting heeft [rekwirant] een schriftelijke verklaring overgelegd waarin hij stelde dat de e‑mail van 9 oktober 2014 binnen het FRA was gelekt, en heeft hij verzocht om de opening van een intern onderzoek daaromtrent. 20 Op 13 januari 2017 heeft [rekwirant] het proces-verbaal van de in punt 19 hierboven bedoelde hoorzitting ontvangen. 21 Op 20 januari 2017 heeft [rekwirant] zijn definitieve opmerkingen over het onderzoeksrapport aan de directeur van het FRA doen toekomen. 22 Op 28 april 2017 heeft de directeur van het FRA besloten om het administratief onderzoek zonder verder gevolg af te sluiten. Dit besluit is op 4 mei 2017 ter kennis gebracht van [rekwirant]. 23 Op 27 augustus 2018 heeft [rekwirant] een verzoek ingediend […] in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, waarbij hij, ten eerste, heeft verzocht om toegang tot bepaalde documenten, te weten de besluiten tot instelling van het administratief onderzoek en de nota van het hoofd personeelszaken van het FRA van 20 maart 2015 aan de directeur […], ten tweede, om de opening van een onderzoek naar schending van de vertrouwelijkheid van het administratief onderzoek en, ten derde, om vergoeding van de immateriële schade die hij stelde te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig gedrag van het FRA tijdens het administratief onderzoek. 24 Op 21 december 2018 heeft de directeur van het FRA het verzoek van 27 augustus 2018 gedeeltelijk ingewilligd door [rekwirant] toegang te verlenen tot bepaalde – in punt 23 hierboven vermelde – door hem gevraagde documenten (hierna: ‚besluit van 21 december 2018’). Tot de aan [rekwirant] overgelegde documenten behoorden de besluiten tot instelling van het administratief onderzoek. Aan het verzoek is voor het overige geen gevolg gegeven. 25 Op 5 maart 2019 heeft [rekwirant] krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van 21 december 2018 […]. 26 Bij besluit van 24 juni 2019 heeft de directeur van het FRA [rekwirant] de nota van 20 maart 2015 toegezonden en de in punt 25 hierboven bedoelde klacht voor het overige afgewezen (hierna: ‚besluit van 24 juni 2019’).”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
14 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 oktober 2019, heeft rekwirant het in punt 1 van het onderhavige arrest bedoelde beroep ingesteld.
15 Met zijn eerste vordering verzocht rekwirant het Gerecht om het FRA te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatigheden die die instantie zowel bij de instelling van het administratief onderzoek als tijdens dat onderzoek had begaan. Ter ondersteuning van die vordering voerde hij met betrekking tot de onrechtmatige gedragingen van het FRA (hierna samen: „onrechtmatige gedragingen”) negen onrechtmatigheidsgronden aan: – ten eerste: de onderzoekers beschikten niet over een toereikend mandaat om een onderzoek in te stellen naar een schending door rekwirant van de artikelen 11 en 17 van het Statuut of naar de e‑mail van 5 maart 2014, zodat het administratief onderzoek geen rechtsgrondslag had en een schending vormde van artikel 86, lid 2, van het Statuut en artikel 2 van besluit 2013/01 van de raad van bestuur van het FRA van 22 mei 2013 betreffende het voeren van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures (hierna: „eerste onrechtmatigheidsgrond”); – ten tweede: het besluit tot instelling van het administratief onderzoek was niet gebaseerd op het bestaan van een redelijk vermoeden (hierna: „tweede onrechtmatigheidsgrond”); – ten derde: het FRA had hem niet tijdig op de hoogte gebracht van de instelling van het administratief onderzoek en hem niet in kennis gesteld van de desbetreffende besluiten (hierna: „derde onrechtmatigheidsgrond”); – ten vierde: de duur van de administratieve procedure was buitensporig en onredelijk lang (hierna: „vierde onrechtmatigheidsgrond”); – ten vijfde: het besluit tot afsluiting van het onderzoek was niet gemotiveerd (hierna: „vijfde onrechtmatigheidsgrond”); – ten zesde: het onderzoeksrapport was gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en bevatte een kennelijke beoordelingsfout; – ten zevende: het FRA had de vertrouwelijkheid van het administratief onderzoek geschonden; – ten achtste: artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 5, lid 1, onder a), van verordening nr. 45/2001 waren geschonden (hierna: „achtste onrechtmatigheidsgrond”), en – ten negende: de zorgplicht was niet nagekomen en er was sprake van een gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid en misbruik van bevoegdheid.
16 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de derde en de vierde onrechtmatigheidsgrond gegrond waren. Het heeft evenwel geoordeeld dat in casu niet was voldaan aan de voorwaarden voor aansprakelijkstelling van een instelling of instantie van de Unie. Het Gerecht heeft immers geoordeeld dat rekwirant noch het bestaan van immateriële schade die hij als gevolg van de onrechtmatige gedragingen heeft geleden, noch het oorzakelijk verband tussen die gedragingen en die gestelde schade, had aangetoond.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
17 Rekwirant verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – hem bijgevolg een vergoeding toe te kennen voor de immateriële schade die hij heeft geleden en die door hem ex aequo et bono op 50000 EUR wordt begroot, en zo nodig het besluit van 21 december 2018 en het besluit van 24 juni 2019 nietig te verklaren, en – het FRA te verwijzen in alle kosten.
18 Het FRA verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirant te verwijzen in alle kosten.
Hogere voorziening
19 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant acht middelen aan die betrekking hebben op fouten die beweerdelijk door het Gerecht zijn begaan in elk van de acht onderdelen van het bestreden arrest, namelijk in de uiteenzetting van de feiten, het onderzoek van de eerste, de tweede en de vijfde tot en met de negende onrechtmatigheidsgrond, en het onderdeel met betrekking tot het onderzoek van het bestaan van actuele schade en een oorzakelijk verband.
Eerste middel, tweede onderdeel van het derde middel en vijfde middel
Argumenten van partijen
20 Met zijn eerste middel, het tweede onderdeel van zijn derde middel en zijn vijfde middel, die samen moeten worden onderzocht, verwijt rekwirant het Gerecht het bewijs onjuist te hebben opgevat en blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de opzeggingstermijn van tien maanden in casu moest worden beschouwd als een normale arbeidsperiode die rekwirant niet kon ontslaan van de verplichtingen van loyaliteit en vertrouwelijkheid die artikel 11 respectievelijk artikel 17 van het Statuut hem oplegden.
21 Rekwirant voert in het bijzonder aan dat het Gerecht de bewijzen onjuist heeft opgevat door in de punten 3 en 78 van het bestreden arrest de feiten onjuist te kwalificeren en te oordelen dat rekwirant tijdens de opzeggingstermijn niet slechts „ontheven was van zijn verplichting om diensten te verrichten”, maar dat hem niet alleen werd gevraagd om zijn professionele taken niet te vervullen, maar ook om zich niet naar de kantoren van het FRA te begeven. Anders dan het Gerecht in de punten 77 en 78 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, kan de opzeggingstermijn derhalve niet als een normale arbeidsperiode worden beschouwd. Het Gerecht heeft bijgevolg blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat die opzeggingsperiode rekwirant niet kon ontslaan van de verplichtingen van loyaliteit en vertrouwelijkheid die artikel 11 respectievelijk artikel 17 van het Statuut hem oplegden. Rekwirant voegt daar in zijn repliek aan toe dat die onjuiste opvatting van de bewijzen de grondslag vormt voor de vaststellingen van het Gerecht in de punten 58, 63, 86, 155, 174, 229, 243 en 245 van het bestreden arrest.
22 Rekwirant is eveneens van mening dat het Gerecht in de punten 77 tot en met 80 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat die verplichtingen van loyaliteit en vertrouwelijkheid van toepassing waren tijdens de opzeggingstermijn. Ten eerste kan een opzeggingstermijn gedurende welke rekwirant – anders dan ieder ander personeelslid – geen toegang had tot de kantoren van het FRA, niet worden aangemerkt als een „normale arbeidsperiode”. Ten tweede heeft het Gerecht artikel 17 van het Statuut ruim uitgelegd, namelijk in die zin dat de betrokkene gedurende die periode een personeelslid is zolang er een contractuele relatie bestaat. Bovendien blijkt volgens rekwirant uit de Duitse en de Franse taalversie van die bepaling dat voor de toepassing van artikel 17 van het Statuut het enkele bestaan van die relatie gedurende de opzeggingstermijn niet volstaat. Evenzo volgt uit alle taalversies van artikel 11 van het Statuut dat het voor de toepassing van dat artikel vereist is dat de functionaris actief is.
23 Ten slotte betoogt rekwirant in wezen dat het Gerecht in punt 154 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwirant op 5 maart 2014, toen een van de twee litigieuze e‑mails werd verzonden, nog steeds een aan het Statuut onderworpen functionaris was.
24 Volgens het FRA beoogt rekwirant door te stellen dat de opzeggingstermijn van tien maanden in casu geen „normale periode van arbeid in loondienst” was, de beoordeling van de feiten door het Gerecht ter discussie te stellen, hetgeen in hogere voorziening niet-ontvankelijk is. Hoe dan ook is rekwirant gedurende die opzeggingstermijn al zijn financiële rechten blijven genieten en bleef hij gebonden aan zijn verplichtingen als personeelslid, met uitzondering van de verplichting om zijn arbeidsprestaties te verrichten tijdens de opzeggingstermijn.
25 Voorts voert het FRA aan dat rekwirant door te stellen dat de in de artikelen 11 en 17 van het Statuut neergelegde verplichtingen tijdens de opzeggingstermijn niet van toepassing waren, enkel de argumenten herhaalt die hij in zijn verzoekschrift en in zijn repliek in eerste aanleg heeft aangevoerd en die door het Gerecht zijn afgewezen. Hoe dan ook volgt uit de rechtspraak dat de statutaire verplichtingen tijdens een periode van verlof om redenen van persoonlijke aard blijven gelden, zodat hetzelfde volgens het FRA moet gelden voor de opzeggingstermijn.
Beoordeling door het Hof
26 Wat ten eerste het argument van rekwirant betreft dat het Gerecht in de punten 3 en 78 van het bestreden arrest blijk zou hebben gegeven van een onjuiste opvatting, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen voortvloeit uit de aan het Gerecht overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Daaruit volgt dat de beoordeling van de feiten, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 25 april 2024, NS/Parlement, C‑218/23 P, EU:C:2024:358, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Van een dergelijke onjuiste opvatting is sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijzen, de beoordeling van de bestaande bewijsstukken kennelijk onjuist blijkt of kennelijk in strijd met de bewoordingen ervan blijkt te zijn. Een dergelijke onjuiste opvatting moet echter duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. Wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, moet hij bovendien nauwkeurig aangeven welke bewijzen het Gerecht onjuist heeft opgevat, en welke beoordelingsfouten het Gerecht naar zijn mening tot deze onjuiste opvatting hebben gebracht (arresten van 27 april 2023, Fondazione Cassa di Risparmio di Pesaro e.a./Commissie, C‑549/21 P, EU:C:2023:340, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 januari 2024, Foz/Raad, C‑524/22 P, EU:C:2024:23, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In casu moet worden benadrukt dat het Gerecht in de punten 3 en 78 van het bestreden arrest verwijst naar de e‑mail van 13 juni 2013 waarbij het FRA rekwirant in kennis heeft gesteld van zijn besluit om zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen. Zoals het Gerecht in punt 2 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, en zoals rekwirant zelf erkent, blijkt uit die e‑mail uitdrukkelijk dat de directeur van het FRA hem heeft gevraagd om zich gedurende de opzeggingstermijn niet naar zijn werkplek te begeven.
29 Rekwirant voert geen enkel argument aan waaruit blijkt dat de lezing van die e‑mail door het Gerecht materieel onjuist was. Rekwirant legt immers niet met de vereiste duidelijkheid en nauwkeurigheid uit waarom het Gerecht de inhoud van die e‑mail onjuist heeft opgevat door in de punten 3 en 78 van het bestreden arrest vast te stellen dat rekwirant tijdens de opzeggingstermijn ontheven was van zijn verplichting om zijn diensten te verrichten en zich naar de kantoren van het FRA te begeven. Dit argument moet dus ongegrond worden verklaard.
30 Wat ten tweede het argument betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ten onrechte te oordelen dat de opzeggingstermijn moest worden aangemerkt als „normale arbeidsperiode”, heeft het Gerecht in de punten 77 tot en met 80 en 154 van het bestreden arrest in wezen vastgesteld dat rekwirant – ook al was hij vrijgesteld van de verplichting om de uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeiende prestaties te verrichten en zich naar de kantoren van het FRA te begeven – gedurende de door hem in acht te nemen opzeggingstermijn van tien maanden niettemin onderworpen bleef aan de uit het Statuut voortvloeiende rechten en verplichtingen, met name aan de verplichtingen van loyaliteit en vertrouwelijkheid.
31 Dienaangaande volgt uit artikel 47, onder c), i), RAP dat, afgezien van overlijden, de dienst van de tijdelijk functionaris bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd eindigt na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn, waarbij die opzeggingstermijn ten minste één maand per volbracht dienstjaar moet bedragen, met een minimum van drie maanden en een maximum van tien maanden.
32 Hieruit volgt dat de tijdelijke functionaris zijn hoedanigheid van functionaris van de Unie niet verliest tijdens de opzeggingstermijn en dus onderworpen blijft aan alle op ambtenaren rustende verplichtingen, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald (zie naar analogie arrest van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C‑274/99 P, EU:C:2001:127, punt 69).
33 Het Gerecht heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de overwegingen 77, 79 en 154 van het bestreden arrest te oordelen dat rekwirant tijdens de opzeggingstermijn die voorafging aan het einde van zijn arbeidsovereenkomst met het FRA zijn hoedanigheid behield van functionaris van de Unie die onderworpen is aan alle rechten en verplichtingen van het Statuut.
34 Wat meer in het bijzonder het argument betreft dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de uit de artikelen 11 en 17 van het Statuut voortvloeiende loyaliteits‑ en vertrouwelijkheidsverplichtingen tijdens de opzeggingstermijn van toepassing blijven, moet worden benadrukt dat, anders dan rekwirant stelt, uit de opzet, de context of het doel van die artikelen niet kan worden afgeleid dat, bij gebreke van specifieke bepalingen, het voor de toepassing ervan noodzakelijk is dat de betrokken functionaris of ambtenaar van de Unie „actief” is en verplicht is zijn beroepswerkzaamheden te verrichten, met als gevolg dat die artikelen niet langer van toepassing zouden zijn vanaf het moment waarop die opzeggingstermijn begint te lopen.
35 Wat ten eerste artikel 11 van het Statuut betreft, geldt de daarin neergelegde loyaliteitsverplichting ten minste tijdens de periode waarin de betrokkenen de status van ambtenaar of functionaris hebben, aangezien die verplichting vooral tot doel heeft om de vertrouwensrelatie te vrijwaren die tussen hen en de betrokken instelling van de Unie dient te bestaan (zie in die zin arrest van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C‑274/99 P, EU:C:2001:127, punt 44).
36 Wat ten tweede de vertrouwelijkheidsplicht betreft die overeenkomstig artikel 17, eerste alinea, van het Statuut iedere ambtenaar of ander personeelslid van de Unie verplicht zich te onthouden van openbaarmaking zonder toestemming van informatie waarvan hij in zijn ambt heeft kennisgenomen tenzij die informatie reeds openbaar of voor het publiek toegankelijk is gemaakt, volstaat het op te merken dat uit het tweede lid van die bepaling blijkt dat die verplichting ook na beëindiging van de dienst op de ambtenaar of functionaris blijft rusten.
37 Dit beginsel is dus a fortiori van toepassing tijdens de opzeggingstermijn die eventueel voorafgaat aan de beëindiging van de dienst van een ambtenaar of functionaris van de Unie.
38 Aan deze overwegingen kan niet worden afgedaan door de door rekwirant aangevoerde argumenten dat de directeur van het FRA hem in casu heeft gelast zijn beroepswerkzaamheden tijdens zijn opzeggingstermijn niet te verrichten en hem de toegang tot de kantoren van die instantie heeft ontzegd, hetgeen volgens hem tot gevolg heeft gehad dat zijn werkgever hem gedurende die periode niet als een personeelslid heeft behandeld.
39 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat artikel 47, onder c), i), RAP niet uitdrukkelijk bepaalt dat de arbeidsvoorwaarden van de functionaris wiens overeenkomst wordt opgezegd, tijdens de opzeggingstermijn kunnen worden aangepast, waardoor die periode als een normale arbeidsperiode kan worden beschouwd. Dit neemt echter niet weg dat de instellingen, organen en instanties van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken bij de organisatie van hun diensten en bij het inzetten van hun personeelsleden, mits die inzet in het belang van de dienst is en de gelijkwaardigheid van de ambten wordt geëerbiedigd, ook voor personeelsleden die zich in een opzeggingstermijn bevinden.
40 Het besluit om de tijdelijk functionaris wiens arbeidsovereenkomst is opgezegd vrij te stellen van zijn verplichting om de uit die overeenkomst voortvloeiende prestaties te verrichten, en hem te verbieden zich tijdens de opzeggingstermijn te begeven naar de kantoren van de instelling of de instantie van de Unie waaraan hij is verbonden, kan dus in beginsel een in het belang van de dienst genomen maatregel vormen en sluit – anders dan rekwirant in wezen stelt – niet noodzakelijkerwijs uit dat die opzeggingstermijn als „normale arbeidsperiode” wordt aangemerkt.
41 In die omstandigheden heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 80 van het bestreden arrest te oordelen dat het feit dat rekwirant tijdens de opzeggingstermijn was ontheven van de verplichting om zijn beroepswerkzaamheden te verrichten en zich niet naar de kantoren van het FRA kon begeven, hem in casu niet kon vrijstellen van de verplichtingen van loyaliteit en vertrouwelijkheid die artikel 11 respectievelijk 17 van het Statuut hem oplegden, zodat het betoog van rekwirant dienaangaande ongegrond moet worden verklaard.
42 Derhalve moeten het eerste middel, het tweede onderdeel van het derde middel en het vijfde middel ongegrond worden verklaard.
Tweede middel en eerste en derde onderdeel van het derde middel
Argumenten van partijen
43 Met zijn tweede middel en het eerste en het derde onderdeel van zijn derde middel, die samen moeten worden onderzocht, verwijt rekwirant het Gerecht dat het in de punten 49 tot en met 84 van het bestreden arrest bij zijn beoordeling van de eerste en de tweede onrechtmatigheidsgrond, betreffende de instelling van het administratief onderzoek en de uitbreiding van de omvang daarvan, blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen, kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt en de bewijzen onjuist heeft opgevat, en dat het dienaangaande geen toereikende motivering heeft verstrekt.
44 Ten eerste heeft het Gerecht volgens rekwirant de bewijzen onjuist opgevat en blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door vast te stellen dat het besluit tot instelling van het administratief onderzoek de twee litigieuze e‑mails omvatte, dat wil zeggen ook de e‑mail van 5 maart 2014. Dat besluit zou echter alleen betrekking hebben gehad op de e‑mail van 9 oktober 2014. Rekwirant betoogt dat het Gerecht niet is ingegaan op zijn betoog dat het hierboven aangehaalde besluit betrekking had op de lek van één enkel document, namelijk het bij de e‑mail van 9 oktober 2014 gevoegde document, en niet op de inhoud van de e‑mail van 5 maart 2014. In dit verband voert hij aan dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de bewoordingen van dat besluit en met de context ervan. Evenzo heeft het Gerecht volgens hem in de punten 52 tot en met 61 van het bestreden arrest blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij zijn uitlegging van de draagwijdte van het besluit tot uitbreiding van het administratief onderzoek door voorbij te gaan aan zowel de uitdrukkelijke bewoordingen als de context ervan, met name de vereisten die voortvloeien uit verordening nr. 45/2001, en de bewoordingen van het dispositief van het besluit tot aanstelling van een onderzoekscomité.
45 Ten tweede stelt rekwirant dat het Gerecht bij zijn analyse onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen de instelling van het administratief onderzoek en de uitbreiding van de omvang ervan. Rekwirant erkent weliswaar dat de tweede onrechtmatigheidsgrond nauw samenhangt met de eerste – zoals blijkt uit punt 66 van het bestreden arrest – maar is van mening dat het besluit tot instelling van het administratief onderzoek betrekking had op de lek van één enkel document, terwijl de in het kader van de tweede onrechtmatigheidsgrond opgeworpen rechtsvraag erin bestond na te gaan of de bewijzen waarover het FRA ten tijde van de instelling van het administratief onderzoek beschikte, voldeden aan de voorwaarden om te worden beschouwd als een voor de instelling van een administratief onderzoek noodzakelijk begin van bewijs. Het Gerecht heeft dus naar de mening van rekwirant onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de litigieuze e‑mails en heeft niet aangegeven dat de e‑mail van 9 oktober 2014 – de enige waarop de instelling van het administratief onderzoek aanvankelijk betrekking had – als een dergelijk begin van bewijs kon worden beschouwd.
46 Ten derde heeft het Gerecht volgens rekwirant het bewijs onjuist opgevat, een ontoereikende motivering verstrekt en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat – anders dan uit de bijzonder ruime formulering van het in maart 2016 vastgestelde besluit tot uitbreiding van het administratief onderzoek blijkt – het argument van rekwirant dat het FRA tegen hem een „willekeurige zoekoperatie” of „fishing expedition” had ingesteld, louter een bewering was die door geen enkel concreet element werd gestaafd.
47 Het FRA is van mening dat het tweede middel en het eerste en het derde onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk zijn omdat rekwirant zich ertoe beperkt de feitelijke vaststellingen van het Gerecht te betwisten. Die instantie voegt daaraan toe dat het betoog van rekwirant hoe dan ook kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
48 Ten eerste zij er, voor zover rekwirant aanvoert dat het Gerecht de bewijzen onjuist heeft opgevat door de besluiten in verband met de instelling van het administratief onderzoek onjuist te lezen, aan herinnerd dat een onjuiste opvatting van de bewijzen weliswaar kan bestaan in een interpretatie van een document die in strijd is met de inhoud ervan, maar dat het voor de vaststelling van een onjuiste opvatting van de bewijzen niet volstaat dat wordt aangetoond dat het betreffende document anders kon worden geïnterpreteerd dan het Gerecht heeft gedaan. Daartoe moet wel worden aangetoond dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van dit document kennelijk heeft overschreden, met name door een lezing van dat document die in strijd is met de bewoordingen ervan (arrest van 23 maart 2023, PV/Commissie, C‑640/20 P, EU:C:2023:232, punt 134).
49 In casu moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van het in punt 50 van het bestreden arrest weergegeven dispositief van het besluit tot instelling van het administratief onderzoek – welk punt in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet wordt betwist – blijkt dat met dat onderzoek is getracht de feiten en omstandigheden vast te stellen in het kader waarvan rekwirant in het bezit was gekomen van interne documenten van het FRA, terwijl hij sinds 14 juni 2013 geen toegang meer had tot dergelijke documenten. Voorts heeft het FRA bij het besluit tot uitbreiding van het administratief onderzoek volgens de in het – evenmin betwiste – punt 53 van het bestreden arrest weergegeven bewoordingen van dat besluit, de omvang van dat onderzoek ratio temporis en ratio personae uitgebreid tot de externe actoren en de voormalige functionarissen van het FRA teneinde de betrokken personen vast te stellen en de bronnen van het lek te identificeren.
50 De vaststelling van het Gerecht in de punten 51, 55 en 58 van het bestreden arrest dat de besluiten tot instelling van het administratief onderzoek voldoende ruim waren geformuleerd om te kunnen worden geacht alle elementen te omvatten die verband houden met het litigieuze lek, zodat dit onderzoek noodzakelijkerwijs betrekking kon hebben op elk ander document dat zonder toestemming openbaar kon zijn gemaakt en dat verband hield met de litigieuze e‑mails – namelijk zowel de e‑mail van 9 oktober 2014 als die van 5 maart 2014 – lijkt dus niet kennelijk onjuist te zijn in het licht van de bewoordingen en de context van die documenten.
51 Het betoog inzake een onjuiste opvatting van de besluiten tot instelling van het administratief onderzoek moet dus ongegrond worden verklaard.
52 Wat ten tweede de argumenten betreft dat het Gerecht in de punten 64 tot en met 85 van het bestreden arrest onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen de instelling van het administratief onderzoek en de uitbreiding van de omvang ervan aangezien de e‑mail van 5 maart 2014 geen begin van bewijs kon vormen op basis waarvan het administratief onderzoek kon worden ingesteld, zij eraan herinnerd dat uit de in punt 26 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt dat het Hof in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd is om de feiten vast te stellen noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen.
53 Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en regels van procesrecht inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers enkel aan het Gerecht te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen, mits deze niet onjuist zijn opgevat (arrest van 11 januari 2024, Foz/Raad, C‑524/22 P, EU:C:2024:23, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Met zijn in punt 45 van het onderhavige arrest samengevatte betoog beoogt rekwirant in werkelijkheid een nieuw onderzoek door het Hof van de in eerste aanleg overgelegde en in het bestreden arrest geanalyseerde bewijzen, zonder dat hij zich beroept op een onjuiste opvatting daarvan door het Gerecht, hetgeen om de in het vorige punt genoemde redenen de grenzen van de bevoegdheid van het Hof overschrijdt.
55 Dit betoog moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
56 Ten derde en ten laatste verwijt rekwirant het Gerecht in punt 85 van het bestreden arrest ten onrechte te hebben geoordeeld dat het argument dat het FRA in maart 2016 een „willekeurige zoekoperatie” of een „fishing expedition” had gelanceerd, louter een bewering was die door geen enkel concreet element werd gestaafd.
57 In dit verband moet worden vastgesteld dat met de argumenten ter ondersteuning van deze grief niet kan worden aangetoond dat de vaststellingen die het Gerecht in dat punt van het bestreden arrest heeft gedaan, berusten op een onjuiste opvatting van de in eerste aanleg aangevoerde bewijzen, zodat met dit betoog in werkelijkheid de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht ter discussie wordt gesteld.
58 Derhalve moet dit betoog overeenkomstig de in punt 26 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
59 Bijgevolg zijn het tweede middel en het eerste en het derde onderdeel van het derde middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond.
Vierde middel
Argumenten van partijen
60 Met zijn vierde middel voert rekwirant aan dat het Gerecht in de punten 145 tot en met 149 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, een ontoereikende motivering heeft gegeven en het beroep in eerste aanleg onvoldoende heeft onderzocht.
61 Rekwirant is om te beginnen van mening dat het Gerecht in punt 146 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 25, tweede alinea, van het Statuut ziet op de motiveringsplicht, met name wat betreft besluiten die bezwarend zijn voor een ambtenaar van de Unie. Vervolgens voert hij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat hij zich niet op goede gronden kon beroepen op schending van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut op grond dat het besluit tot afsluiting van het administratief onderzoek niet was gemotiveerd. Voorts heeft het Gerecht niet gemotiveerd waarom rekwirant zich niet kon beroepen op artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
62 Ten slotte heeft het Gerecht volgens rekwirant de vijfde onrechtmatigheidsgrond slechts gedeeltelijk onderzocht en in punt 149 van het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd waarom er geen reden was om de andere door rekwirant in dat verband aangehaalde argumenten te onderzoeken, meer bepaald wat betreft een gestelde schending van het beginsel van rechtszekerheid.
63 Volgens rekwirant heeft het FRA het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door het administratief onderzoek af te sluiten zonder een specifieke optie te kiezen. De in artikel 29 van bijlage IX bij het Statuut geregelde uitoefening van het recht op vergoeding van de schade van een ambtenaar of functionaris van de Unie aan wie niets ten laste is gelegd, is slechts mogelijk indien het TABG kiest voor de oplossing bedoeld in artikel 3, onder a), van bijlage IX bij het Statuut. Door niet te kiezen voor een van de in dat artikel bedoelde oplossingen, heeft het FRA in casu die bepaling en artikel 29 van bijlage IX bij het Statuut omzeild, en die bepalingen in wezen elke betekenis en elk effect ontnomen. Aldus heeft het FRA het beginsel van rechtszekerheid geschonden aangezien rekwirant een legitiem belang had om aanspraak te maken op de hem bij artikel 29 van bijlage IX bij het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan, toegekende rechten.
64 Het FRA voert aan dat het vierde middel niet-ontvankelijk is en hoe dan ook kennelijk ongegrond.
65 Ten eerste wijst het FRA erop dat volgens artikel 41, lid 2, punt a), van het Handvest, het punt c) van deze bepaling enkel van toepassing is op besluiten die bezwarend zijn voor de adressaat. Volgens het FRA heeft het Gerecht in de punten 145 en 147 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat een besluit tot afsluiting van een tuchtprocedure zonder verder gevolg geen voor de betrokken persoon bezwarende handeling vormt en dat het dienaangaande een toereikende motivering heeft verstrekt.
66 Ten tweede levert het besluit tot afsluiting van het administratief onderzoek zonder verder gevolg volgens het FRA, anders dan rekwirant betoogt, geen schending op van het beginsel van rechtszekerheid.
67 Ten derde voert die instantie aan dat zelfs indien het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat het besluit tot afsluiting van het onderzoek zonder verder gevolg gemotiveerd moest zijn, dit rekwirant geen enkel voordeel zou opleveren. Bijgevolg heeft rekwirant geen legitiem belang om een besluit ter discussie te stellen waarbij een op hem betrekking hebbend administratief onderzoek zonder verder gevolg wordt afgesloten.
Beoordeling door het Hof
68 Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 25, tweede alinea, tweede volzin, van het Statuut ieder voor de betrokken ambtenaar „nadelig” besluit dat overeenkomstig het Statuut wordt genomen met redenen moet zijn omkleed. Deze verplichting om een nadelige handeling te motiveren heeft tot doel, ten eerste, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de rechtmatigheid ervan kan worden betwist, en, ten tweede, de rechter in staat te stellen zijn toezicht dienaangaande uit te oefenen [beschikking van 23 juli 2019, UC/Parlement, C‑196/19 P, EU:C:2019:653, punt 5 (standpuntbepaling van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe, punt 6 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
69 Met betrekking tot het argument van rekwirant dat er sprake was van schending van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut omdat het besluit om het administratief onderzoek zonder verder gevolg af te sluiten niet was gemotiveerd, is het Gerecht in de punten 147 en 148 van het bestreden arrest in casu tot de slotsom gekomen – zonder zich uit te spreken over de andere argumenten die rekwirant dienaangaande had aangevoerd – dat hij zich niet op goede gronden kon beroepen op die schending op grond dat een dergelijk besluit geen „nadelig besluit” in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut vormde.
70 Derhalve moet eerst worden onderzocht of dat besluit tot afsluiting van het administratief onderzoek een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormt.
71 Volgens die bepaling kan iedere persoon op wie het Statuut van toepassing is bij het TABG een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht. In artikel 91, lid 1, van het Statuut wordt gepreciseerd dat het Hof van Justitie bevoegd is om uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en een van die personen dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor die persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2. Deze bepalingen zijn volgens artikel 117 RAP van overeenkomstige toepassing op beroepen van andere personeelsleden (zie in die zin arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 94).
72 Volgens de rechtspraak van het Hof zijn alleen handelingen of maatregelen die bindende rechtsgevolgen sorteren welke de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, bezwarende handelingen in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut (arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Om vast te stellen of een handeling dergelijke rechtsgevolgen sorteert, moet worden gekeken naar de essentie van deze handeling en moeten de gevolgen ervan worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de context waarin deze is vastgesteld en met de bevoegdheden van de instelling die de handeling heeft vastgesteld (arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Het begrip „bezwarend besluit” in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut moet ruim worden uitgelegd en moet worden begrepen als elke handeling die een bepaalde juridische situatie rechtstreeks nadelig kan beïnvloeden (zie naar analogie arrest van 21 december 2023, Scuola europea di Varese, C‑431/22, EU:C:2023:1021, punt 64).
75 Artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut, dat het optreden van het TABG beoogt te regelen na afloop van de fase van het in de onderhavige zaak zonder gevolg afgesloten administratief onderzoek, geeft een limitatieve opsomming van de drie opties waarover dit gezag op basis van het rapport van het administratief onderzoek beschikt. Uit de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van dit artikel blijkt immers dat het TABG, na de betrokken ambtenaar van de Unie inzage te hebben gegeven in al het bewijsmateriaal uit het dossier en hem te hebben gehoord, ten eerste kan besluiten dat tegen die ambtenaar geen duidelijke beschuldigingen kunnen worden ingebracht, in welk geval hij daarvan schriftelijk bericht moet krijgen. Ten tweede kan het TABG, zelfs indien de betrokken verplichtingen niet zijn of lijken te zijn nagekomen, besluiten dat er geen tuchtmaatregel wordt getroffen en de betrokken ambtenaar eventueel enkel een terechtwijzing geven. Ten derde kan het TABG in geval van opzettelijke of uit onachtzaamheid begane niet-nakoming van de verplichtingen die krachtens het Statuut op de ambtenaar of gewezen ambtenaar rusten, besluiten een tuchtprocedure in te leiden, en eventueel de zaak aan de tuchtraad voor te leggen (arrest van heden, C‑587/21 P, DD/FRA, punt 36).
76 Voor zover een besluit om het onderzoek zonder verder gevolg af te sluiten kan worden aangemerkt als een besluit van het TABG dat tegen de betrokkene geen duidelijke beschuldiging kan worden ingebracht in de zin van artikel 3, onder a), van bijlage IX bij het Statuut, moet worden opgemerkt dat een dergelijk besluit een wijziging van de rechtspositie van de betrokkene inhoudt doordat hem bepaalde rechten worden toegekend.
77 Zoals blijkt uit artikel 29 van bijlage IX bij het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 1, van die bijlage, kan de betrokkene, indien tegen hem geen duidelijke beschuldiging kan worden ingebracht, eventueel recht hebben op vergoeding van de geleden schade in de vorm van het geven van passende bekendheid aan het besluit van het TABG.
78 Voorts bepaalt artikel 1, lid 3, van bijlage IX bij het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van die bijlage, dat indien tegen een ambtenaar tegen wie bepaalde aantijgingen zijn geuit geen duidelijke beschuldiging kan worden ingebracht, het hem betreffende onderzoek zonder verder gevolg wordt afgesloten bij een schriftelijk aan de ambtenaar ter kennis gebracht besluit van het TABG. De ambtenaar kan vragen dat dit besluit in zijn persoonsdossier wordt opgenomen.
79 Een besluit om het administratief onderzoek naar een ambtenaar of een functionaris van de Unie zonder verder gevolg af te sluiten, moet dus worden beschouwd als een handeling die diens juridische positie rechtstreeks nadelig kan beïnvloeden, en dus als een „bezwarende handeling” in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Dat is a fortiori het geval wanneer aan de hand van de bewoordingen van dat besluit en de context ervan zoals in casu niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat tegen die ambtenaar of functionaris geen duidelijke beschuldigingen kunnen worden ingebracht in de zin van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut. Indien rekwirant immers niet precies de redenen kent waarom de hem betreffende administratieve procedure wordt afgesloten, blijft hij verstoken van de effectieve rechterlijke bescherming die hem in staat stelt om de hem door het Statuut toegekende rechten te doen gelden.
80 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 147 en 148 van het bestreden arrest te oordelen dat het besluit van het FRA om de administratieve procedure tegen rekwirant zonder verder gevolg af te sluiten, geen voor hem bezwarend besluit vormde en hij zich niet op goede gronden kon beroepen op schending van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut wegens het gebrek aan motivering van dat besluit.
81 Bijgevolg moet het vierde middel worden toegewezen en het bestreden arrest worden vernietigd voor zover het Gerecht de vijfde door rekwirant aangevoerde onrechtmatigheidsgrond heeft verworpen.
Zesde middel
Argumenten van partijen
82 Met zijn zesde middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het in de punten 169 tot en met 173 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen en zijn argumenten tot staving van de achtste onrechtmatigheidsgrond onvolledig heeft onderzocht. Bovendien heeft het Gerecht volgens hem in dit verband niet voldaan aan zijn motiveringsplicht.
83 Met het eerste onderdeel van zijn zesde middel betoogt rekwirant dat de fouten die het Gerecht bij zijn beoordeling van de eerste en de tweede onrechtmatigheidsgrond heeft gemaakt, gevolgen hebben voor zijn beoordeling van de achtste onrechtmatigheidsgrond, zodat het betoog van rekwirant gedeeltelijk overlapt met het betoog dat hij ter ondersteuning van zijn eerste twee middelen heeft aangevoerd. In deze context betoogt hij in wezen dat het Gerecht zijn beslissing dat artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 45/2001 in casu niet was geschonden, niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd. Volgens rekwirant diende het Gerecht immers ook te onderzoeken of het administratief onderzoek voldeed aan de vereisten op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens.
84 Met het tweede onderdeel van zijn zesde middel betoogt rekwirant dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat rekwirant zich niet geldig kon baseren op een schending van verordening nr. 45/2001 aangezien het administratief onderzoek was ingesteld op grond van voldoende aanwijzingen. Volgens rekwirant zijn de instelling en de uitvoering van het administratief onderzoek en alle latere uit het administratief onderzoek voortvloeiende handelingen in strijd met verordening nr. 45/2001. Het FRA was namelijk in het bezit van de in de litigieuze e‑mails vervatte persoonsgegevens betreffende rekwirant – die als bijlagen waren gevoegd bij een verzoek om toegang tot documenten van een derde persoon – en heeft besloten die gegevens later te verwerken op een wijze die onverenigbaar is met het doel van dat verzoek. Hij verwijt het Gerecht dienaangaande geen uitspraak te hebben gedaan over die argumenten die hij had aangevoerd in zijn opmerkingen van 15 februari 2021 over de antwoorden van het FRA op de door het Gerecht gestelde vragen.
85 Het FRA voert aan dat het zesde middel kennelijk niet-ontvankelijk is. Het middel is hoe dan ook ongegrond. Die instantie wijst er in wezen op dat rekwirant zich ertoe beperkt de door hem in eerste aanleg aangevoerde stellingen te herhalen.
Beoordeling door het Hof
86 Overeenkomstig de in punt 26 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moeten om te beginnen de in het eerste onderdeel van het zesde middel ontwikkelde argumenten niet-ontvankelijk worden verklaard. Rekwirant voert in het kader van dat onderdeel immers in wezen aan dat er geen rechtsgrondslag was om de e‑mail van 9 oktober 2014 in het administratief onderzoek op te nemen, en dat er dus geen „begin van bewijs” was met het oog op de instelling van dat onderzoek. Daarmee vecht hij echter de beoordeling van de feiten door het Gerecht aan zonder enige onjuiste opvatting van die feiten aan te voeren.
87 Wat in dat verband het motiveringsgebrek in het bestreden arrest betreft, moet in herinnering worden gebracht dat de motiveringsplicht volgens vaste rechtspraak van het Hof niet inhoudt dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen in het geding volgt, en dat de motivering van het Gerecht bijgevolg impliciet kan zijn op voorwaarde dat de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en dat het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (arrest van 9 november 2023, XC/Commissie, C‑527/21 P, EU:C:2023:850, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 In punt 170 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de argumenten van rekwirant met betrekking tot de gestelde schending door het FRA van artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 5, lid 1, onder a), van verordening nr. 45/2001 bij de instelling van het administratief onderzoek, nauw verband hielden met de argumenten die hij tot staving van het bestaan van de tweede onrechtmatigheidsgrond had aangevoerd. In casu heeft het Gerecht vervolgens in de punten 171 tot en met 173 van dat arrest geoordeeld dat uit de analyse in het kader van die tweede onrechtmatigheidsgrond voortvloeide dat het administratief onderzoek tegen rekwirant was ingesteld op basis van voldoende aanwijzingen dat er sprake was van niet-nakoming van de statutaire verplichtingen overeenkomstig artikel 86, lid 2, van het Statuut. In die omstandigheden heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat de argumenten waarmee rekwirant het FRA verweet de bepalingen van verordening nr. 45/2001 te hebben geschonden, moesten worden afgewezen op grond dat zij op een onjuiste premisse berustten.
89 Die motivering is voldoende opdat rekwirant kan begrijpen waarom zijn betoog is afgewezen en opdat het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Het betoog van rekwirant inzake de ontoereikende motivering moet dus ongegrond worden verklaard.
90 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het zesde middel worden afgewezen.
91 Wat het tweede onderdeel van het zesde middel betreft kan in de eerste plaats worden volstaan met de opmerking dat voor zover de argumenten ter ondersteuning van dat onderdeel aldus moeten worden opgevat dat volgens rekwirant het Gerecht de argumenten niet heeft onderzocht waarmee hij zijn betoog ter ondersteuning van zijn achtste onrechtmatigheidsgrond – schending van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 45/2001 – in zijn opmerkingen van 15 februari 2021 had uitgebreid, uit punt 88 van het onderhavige arrest blijkt dat het Gerecht, door in de punten 172 en 173 van het bestreden arrest te oordelen dat het FRA het administratief onderzoek op regelmatige wijze had ingesteld, impliciet maar noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld dat de persoonsgegevens van rekwirant in de litigieuze e‑mails rechtmatig waren verwerkt overeenkomstig dat artikel van verordening nr. 45/2001. Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het de motiveringsplicht op dit punt heeft geschonden.
92 Wat in de tweede plaats de gestelde onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht met betrekking tot de schending van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 45/2001 betreft, doordat het is voorbijgegaan aan het feit dat de litigieuze e‑mails met persoonsgegevens van rekwirant per vergissing door het FRA waren ontvangen en dus niet rechtmatig waren verkregen, volstaat het eraan te herinneren dat in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering prevaleert, zodat partijen zich in beginsel kunnen beroepen op allerlei bewijsmiddelen om een bepaald feit te bewijzen (arrest van 10 september 2020, Hamas/Raad, C‑386/19 P, EU:C:2020:691, punt 73).
93 In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 45/2001 bepaalt dat persoonsgegevens eerlijk en rechtmatig moeten worden verwerkt. Anders dan rekwirant stelt, kan uit deze bepaling echter niet worden afgeleid dat zij de uitdrukking vormt van een meer algemene regel die het FRA in casu belette om in het kader van het administratief onderzoek gebruik te maken van de door een derde aan die instantie verstrekte informatie op de enkele grond dat die informatie voor andere doeleinden was verkregen en dat de doorzending ervan aan die instantie per vergissing was gebeurd.
94 In die omstandigheden is het tweede onderdeel van het zesde middel ongegrond.
95 Derhalve moet het zesde middel in zijn geheel worden afgewezen.
Zevende middel
Argumenten van partijen
96 Met zijn zevende middel betoogt rekwirant in wezen dat het Gerecht bij zijn analyse in de punten 223 tot en met 229 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door de stellingen van rekwirant over gesteld psychisch geweld af te wijzen als vaag geformuleerd. Hij voert in wezen aan dat de derde en de vierde onrechtmatigheidsgrond die het Gerecht in de punten 98, 111 en 139 van het bestreden arrest met betrekking tot het FRA bewezen heeft geacht, verband houden met het administratief onderzoek en voldoen aan de uit de rechtspraak voortvloeiende criteria om ongepast gedrag aan te merken als geweld. Anders dan uit punt 227 van het bestreden arrest blijkt, kan dat gedrag dus niet worden geacht deel uit te maken van het normale verloop van een administratief onderzoek.
97 Het FRA bestrijdt het betoog van rekwirant. Die instantie betoogt in wezen dat het zevende middel kennelijk niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is, aangezien rekwirant enkel de beoordeling door het Gerecht van de in eerste aanleg aangevoerde bewijzen betwist.
Beoordeling door het Hof
98 Met het zevende middel, dat is gericht tegen de punten 223 tot en met 229 van het bestreden arrest, betoogt rekwirant in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, ondanks het feit dat het in de punten 98, 111 en 139 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de derde en de vierde onrechtmatigheidsgrond daadwerkelijk aan het FRA konden worden verweten, te oordelen dat dit niet volstond om aan te tonen dat er sprake was van psychisch geweld waarvan rekwirant in het kader van het administratief onderzoek het slachtoffer is geweest.
99 In dat verband dient te worden opgemerkt dat dat oordeel van het Gerecht gebaseerd is op zijn soevereine beoordeling van de feiten en het bewijs betreffende de ernst van de derde en de vierde onrechtmatigheidsgrond, die jegens het FRA werden geacht bewezen te zijn. Aldus heeft het Gerecht in de punten 227 tot en met 229 van het bestreden arrest geoordeeld dat die onrechtmatigheidsgronden, zelfs in hun geheel beschouwd en bij gebreke van andere door rekwirant aangevoerde elementen, niet konden worden aangemerkt als psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut.
100 Voor het Hof heeft rekwirant geen specifieke juridische argumenten aangevoerd die kunnen aantonen in welk opzicht het Gerecht de feiten juridisch onjuist heeft gekwalificeerd door met name in punt 228 van het bestreden arrest voorbij te gaan aan de in de punten 223 tot en met 225 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak betreffende het begrip psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut.
101 Rekwirant tracht dus onder de noemer van een onjuiste rechtsopvatting in werkelijkheid van het Hof te verkrijgen dat de feiten die hij ter ondersteuning van zijn beroep in eerste aanleg aanvoerde opnieuw worden onderzocht, zonder dat een onjuiste opvatting van die feiten door het Gerecht wordt aangevoerd, hetgeen overeenkomstig de in punt 26 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.
102 Gelet op deze overwegingen moet het zevende middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Achtste middel
Argumenten van partijen
103 Met zijn achtste middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het in de punten 237 en 240 tot en met 242 van het bestreden arrest de rechtspraak inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie onjuist heeft uitgelegd, in het bijzonder wat het bewijs betreft dat moet worden geleverd om het bestaan van immateriële schade aan te tonen. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Gerecht voert hij aan dat het doen van een bewijsaanbod niet noodzakelijkerwijs wordt beschouwd als een voorwaarde voor de erkenning van immateriële schade, en dat het volstaat dat de verzoekende partij aantoont dat de aan de betrokken instelling of de betrokken instantie van de Unie verweten gedraging hem dergelijke schade kon berokkenen. Voorts betoogt rekwirant dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het bestaan van schade en een oorzakelijk verband in geval van immateriële schade niet nauwkeurig hoeft te worden aangetoond aangezien die schade ook uit de aard van de fout en de omstandigheden kan worden afgeleid.
104 Bovendien betoogt rekwirant dat het bestreden arrest geen enkele motivering bevat met betrekking tot de redenen waarom de niet-verstrekking door het FRA van alle gevraagde documenten en de weigering van het FRA om zijn onrechtmatige gedragingen tijdens de precontentieuze procedure te erkennen, voor hem geen stress, angst en gevoel van onrechtvaardigheid konden veroorzaken.
105 Ten slotte voert rekwirant een schending aan van artikel 47 van het Handvest betreffende het recht op effectieve rechterlijke bescherming op grond dat het Gerecht hem geen vergoeding heeft toegekend voor de door hem geleden immateriële schade, ondanks de erkenning van de onrechtmatigheden die het FRA tijdens het administratief onderzoek had begaan. Volgens rekwirant ontneemt de redenering van het Gerecht hem een doeltreffende voorziening in rechte waarmee de met dit soort onrechtmatigheden verband houdende schade kan worden vergoed.
106 Het FRA is van mening dat de argumenten waarmee rekwirant opkomt tegen punt 242 van het bestreden arrest kennelijk ongegrond zijn voor zover rekwirant zich aldus beperkt tot het herhalen van de in punt 134 van zijn verzoekschrift in eerste aanleg uiteengezette argumenten, en voorts kennelijk niet-ontvankelijk zijn voor zover hij stelt niet-financiële schade te hebben geleden.
107 Aangaande het argument van rekwirant inzake de schending van artikel 47 van het Handvest, stelt die instantie dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte ziet op de toegang tot de rechter, maar geen enkele waarborg voor succes biedt. Voorts betoogt het FRA dat het Unierecht rekwirant niet ontslaat van zijn bewijsplicht en niet toestaat dat een vordering tot vergoeding van vermeende niet-financiële schade wordt toegewezen wanneer die louter is gebaseerd op speculatie.
Beoordeling door het Hof
108 Volgens de rechtspraak van het Hof kan elke instelling of elke instantie van de Unie aansprakelijk worden gesteld voor haar gedrag, mits is voldaan aan de voorwaarden inzake onrechtmatigheid van die gedraging, het bestaan van werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (arresten van 4 juni 2020, Schokker/EASA, C‑310/19 P, EU:C:2020:435, punt 54, en 2 juni 2022, EM/Parlement, C‑299/21 P, EU:T:2022:429, punt 122).
109 Wat betreft de voorwaarden inzake het bestaan van schade en het oorzakelijk verband, kan de Unie alleen maar niet-contractueel aansprakelijk worden gesteld indien de verzoekende partij daadwerkelijk reële en zekere schade heeft geleden en de schade een voldoende rechtstreeks gevolg is van de gestelde onrechtmatigheid van de betrokken gedraging. Het staat aan de verzoekende partij om aan de Unierechter de bewijzen over te leggen om het bestaan en de omvang van de door haar gestelde schade en een voldoende rechtstreeks oorzakelijk verband tussen die onrechtmatigheid en de gestelde schade aan te tonen (zie in die zin arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 135 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110 In dat verband volgt ook uit de rechtspraak van het Hof dat het doen van een bewijsaanbod niet noodzakelijk wordt beschouwd als een voorwaarde voor de erkenning van immateriële schade. De verzoekende partij dient echter op zijn minst aan te tonen dat het aan de betrokken instelling verweten gedrag haar die schade heeft kunnen berokkenen (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, SELEX Sistemi Integrati/Commissie, C‑481/07 P, EU:C:2009:461, punt 38).
111 Hieruit volgt dat zelfs bij gebreke van bewijzen die het bestaan en de omvang van immateriële schade kunnen aantonen, aan de voorwaarde betreffende het bestaan van dergelijke schade kan zijn voldaan indien de verzoekende partij aantoont dat uit de verweten gedraging noodzakelijkerwijs immateriële schade voortvloeide.
112 Wat het bestaan betreft van immateriële schade die is gebaseerd op de vierde onrechtmatigheidsgrond inzake de buitensporig lange duur van de administratieve procedure, moet in casu worden vastgesteld dat het Gerecht in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten heeft geoordeeld dat het bestaan van die schade niet kan worden vermoed, aangezien rekwirant, voordat hij van het onderzoek in kennis was gesteld niet kon worden blootgesteld aan een risico van stress of angst, en dat de procedure nadat hij van het onderzoek in kennis was gesteld binnen een redelijke termijn is verlopen. Het Gerecht heeft in de punten 234 tot en met 236 van het bestreden arrest dan ook op goede gronden kunnen oordelen dat rekwirant, overeenkomstig de in punt 110 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, bewijzen moest aandragen waaruit bleek dat er sprake was van stress en angst die verder gingen dan wat in het kader van een administratieve procedure aanvaardbaar zou zijn geweest, hetgeen hij niet had gedaan.
113 Wat de twee andere onrechtmatige gedragingen betreft die het Gerecht in de punten 89 tot en met 111 van het bestreden arrest bij het onderzoek van de derde onrechtmatigheidsgrond gegrond heeft geacht, te weten, ten eerste, de schending van de verplichting om rekwirant tijdig op de hoogte te stellen van het bestaan van een hem betreffend administratief onderzoek en, ten tweede, de niet-verstrekking van de documenten die rechtstreeks verband houden met de tegen hem geuite beschuldigingen, heeft het Gerecht in de punten 237 en 238 van dat arrest daarentegen geoordeeld dat het enkele feit dat rekwirant zich beroept op onrechtmatige gedragingen tijdens het administratief onderzoek die aan het FRA kunnen worden toegerekend en waardoor zijn waardigheid en integriteit worden aangetast, en op het bijzonder schadelijke karakter van die gedragingen die hem in psychologisch opzicht ernstig hebben gekwetst, niet volstond om aan te tonen dat de immateriële schade die hij als gevolg daarvan stelde te hebben geleden daadwerkelijk en zeker was, aangezien hij geen enkel bewijselement tot staving van zijn stellingen aanvoerde.
114 Door aldus te oordelen heeft het Gerecht echter – anders dan voorgeschreven in de in punt 110 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak – niet vastgesteld dat de schending van de verplichting om rekwirant tijdig op de hoogte te stellen van het bestaan van een administratief onderzoek en de niet-verstrekking van de documenten die rechtstreeks verband houden met de tegen hem geuite beschuldigingen, niet als zodanig de gestelde schade, namelijk de stress, de angst en het gevoel van onrechtvaardigheid konden veroorzaken.
115 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht in de punten 237 en 238 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwirant niet had aangetoond dat de immateriële schade die hij stelde te hebben geleden door de schending van verplichting om hem tijdig op de hoogte te stellen van het bestaan van een administratief onderzoek en door de niet-verstrekking van de documenten die rechtstreeks verband houden met de tegen hem geuite beschuldigingen, daadwerkelijk en zeker was om de enkele reden dat hij geen bewijselementen had aangedragen ter ondersteuning van zijn schadevordering.
116 Bijgevolg moet het achtste middel in hogere voorziening worden aanvaard en het bestreden arrest worden vernietigd voor zover het Gerecht de schadevordering die strekte tot de vergoeding van de schade die rekwirant stelde te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen in het kader van de derde onrechtmatigheidsgrond heeft verworpen.
Terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht
117 Krachtens artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van de hogere voorziening. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.
118 In casu blijkt uit de punten 230 en 231 van het bestreden arrest dat het Gerecht de middelen in eerste aanleg betreffende de derde en de vierde onrechtmatigheidsgrond heeft aanvaard maar in de punten 232 tot en met 243 van dat arrest alleen uitspraak heeft gedaan over de gestelde schade die viel onder die onrechtmatigheidsgronden, namelijk de onredelijk lange duur van de administratieve procedure, de schending van de verplichting om tijdig kennis te geven van het bestaan van een administratief onderzoek, en voorts de niet-verstrekking van de documenten die rechtstreeks verband houden met de tegen rekwirant geuite beschuldigingen.
119 Zoals in punt 80 van het onderhavige arrest is vastgesteld, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 147 en 148 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat het besluit van het FRA om de administratieve procedure tegen rekwirant zonder verder gevolg af te sluiten geen voor hem bezwarende handeling was, zodat zijn argumenten inzake de vijfde onrechtmatigheidsgrond inzake een ontoereikende motivering van dat besluit niet ten gronde hoefden te worden onderzocht, en evenmin hoefde te worden nagegaan of in casu was voldaan aan de andere cumulatieve voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.
120 In die omstandigheden is het Hof van oordeel dat het onderhavige geding betreffende de vordering tot vergoeding van de immateriële schade die rekwirant stelt te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging die hij heeft aangevoerd ter ondersteuning van de vijfde onrechtmatigheidsgrond in zijn beroep in eerste aanleg, niet in staat van wijzen is en dat de zaak moet worden terugverwezen naar het Gerecht zodat het die onrechtmatigheidsgrond ten gronde kan onderzoeken.
121 Evenzo staat het aan het Gerecht om te onderzoeken of de onrechtmatige gedragingen die het in het kader van de derde onrechtmatigheidsgrond in het beroep in eerste aanleg bewezen heeft geacht, de door rekwirant gestelde immateriële schade konden veroorzaken.
Kosten
122 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten van de onderhavige hogere voorziening te worden aangehouden.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 21 december 2021, DD/FRA (T‑703/19, EU:T:2021:923), wordt vernietigd voor zover daarbij ten eerste de vijfde door DD aangevoerde onrechtmatigheidsgrond is verworpen, en ten tweede de schadevordering met betrekking tot de derde onrechtmatigheidsgrond ongegrond is verklaard voor zover die vordering strekte tot de vergoeding van de door rekwirant geleden schade wegens de schending door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van zijn verplichting om rekwirant tijdig op de hoogte te brengen van het bestaan van een administratief onderzoek tegen hem en de niet-verstrekking van de documenten die rechtstreeks verband houden met de tegen hem geuite beschuldigingen.
2) De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.
3) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie zodat het kan oordelen over het beroep in eerste aanleg voor zover het betrekking heeft op, ten eerste, de vijfde onrechtmatigheidsgrond die DD ter ondersteuning van zijn beroep heeft aangevoerd, en, ten tweede, het daadwerkelijke karakter van de door DD in het kader van de derde onrechtmatigheidsgrond aangevoerde immateriële schade wegens de schending door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van zijn verplichting om hem tijdig op de hoogte te brengen van het bestaan van een administratief onderzoek tegen hem en de niet-verstrekking van de documenten die rechtstreeks verband houden met de tegen hem geuite beschuldigingen.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 5 maart 2024, C-755/21, ECLI:EU:C:2024:202
- HvJ EU 11 januari 2024, C-524/22, ECLI:EU:C:2024:23
- HvJ EU 21 december 2023, C-431/22, ECLI:EU:C:2023:1021
- HvJ EU 23 maart 2023, C-640/20, ECLI:EU:C:2023:232
- HvJ EU 15 december 2022, C-366/21, ECLI:EU:C:2022:984
- Gerecht EU 6 juli 2022, T-280/18, ECLI:EU:T:2022:429
- HvJ EU 16 juli 2009, C-481/07, ECLI:EU:C:2009:461