HvJ EU 4 oktober 2024, C-778/21, ECLI:EU:C:2024:833

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

4 oktober 2024 ( *1 )

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 15 januari 2025]

„Hogere voorziening – Extern optreden – Internationale overeenkomsten – Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko – Besluit betreffende de sluiting van deze overeenkomst en het bijbehorende uitvoeringsprotocol – Beweerde schendingen van het internationale recht als gevolg van de toepasselijkheid van de genoemde overeenkomst op wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Bekwaamheid om in rechte op te treden – Procesbevoegdheid – Voorwaarde dat een verzoeker in bepaalde gevallen rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de litigieuze maatregel – Beginsel van de relatieve werking van verdragen – Beginsel van zelfbeschikking – Niet‑zelfbesturende gebieden – Artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties – Beoordelingsmarge van de Raad van de Europese Unie – Internationaal gewoonterecht – Algemene beginselen van het Unierecht – Instemming van het volk van een niet‑zelfbesturend gebied dat houder is van het zelfbeschikkingsrecht als derde partij bij een internationale overeenkomst”

In de gevoegde zaken C‑778/21 P en C‑798/21 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 14 december 2021,

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Bouquet, F. Castillo de la Torre en A. Stobiecka‑Kuik als gemachtigden, vervolgens door A. Bouquet, D. Calleja Crespo en A. Stobiecka‑Kuik als gemachtigden,

rekwirante in zaak C‑778/21 P,

andere partijen in de procedure:

Front populaire pour la libération de la Saguia‑el‑Hamra et du Rio de oro (Front Polisario), vertegenwoordigd door G. Devers, avocat,

verzoeker in eerste aanleg,

Raad van de Europese Unie,

verweerder in eerste aanleg,

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.‑L. Carré, A.‑L. Desjonquères en T. Stéhelin als gemachtigden, vervolgens door G. Bain, B. Herbaut, T. Stéhelin en B. Travard als gemachtigden,

Chambre des pêches maritimes de la Méditerranée,

Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Nord,

Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Centre,

Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Sud,

vertegenwoordigd door N. Angelet, G. Forwood en A. Hublet, avocats, en N. Forwood, BL,

interveniënten in eerste aanleg,

en

Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Naert en V. Piessevaux als gemachtigden, vervolgens door F. Naert, A. Nowak‑Salles en V. Piessevaux als gemachtigden,

rekwirant in zaak C‑798/21 P,

ondersteund door:

Koninkrijk België, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.‑C. Halleux, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden, vervolgens door C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,

Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,

Portugese Republiek, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa en A. Pimenta als gemachtigden,

Slowaakse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde, vervolgens door S. Ondrášiková als gemachtigde,

interveniënten in hogere voorziening,

andere partijen in de procedure:

Front populaire pour la libération de la Saguia‑el‑Hamra et du Rio de oro (Front Polisario), vertegenwoordigd door G. Devers, avocat,

verzoeker in eerste aanleg,

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.‑L. Carré, A.‑L. Desjonquères en T. Stéhelin als gemachtigden, vervolgens door G. Bain, B. Herbaut, T. Stéhelin en B. Travard als gemachtigden,

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Bouquet, F. Castillo de la Torre en A. Stobiecka‑Kuik als gemachtigden, vervolgens door A. Bouquet, D. Calleja Crespo en A. Stobiecka‑Kuik als gemachtigden,

Chambre des pêches maritimes de la Méditerranée,

Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Nord,

Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Centre,

Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Sud,

vertegenwoordigd door N. Angelet, G. Forwood en A. Hublet, avocats, en N. Forwood, BL,

interveniënten in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Regan, Z. Csehi en O. Spineanu‑Matei, kamerpresidenten, S. Rodin, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen (rapporteur), M. L. Arastey Sahún en M. Gavalec, rechters,

advocaat‑generaal: T. Ćapeta,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 en 24 oktober 2023,

gehoord de conclusie van de advocaat‑generaal ter terechtzitting van 21 maart 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun respectieve hogere voorzieningen verzoeken de Europese Commissie (zaak C‑778/21 P) en de Raad van de Europese Unie (zaak C‑798/21 P) om gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 september 2021, Front Polisario/Raad (T‑344/19 en T‑356/19, EU:T:2021:640; hierna: „bestreden arrest”), houdende nietigverklaring van besluit (EU) 2019/441 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij de overeenkomst (PB 2019, L 77, blz. 4; hierna: „litigieus besluit”).

2 In zaak C‑798/21 P verzoekt de Raad tevens, subsidiair, de gevolgen van het litigieuze besluit te handhaven voor een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het te wijzen arrest.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

Handvest van de Verenigde Naties

3 In artikel 1 van het op 26 juni 1945 te San Francisco ondertekende Handvest van de Verenigde Naties (hierna: „VN‑Handvest”) is bepaald: „De doelstellingen van de Verenigde Naties zijn: […] 2. Tussen de naties vriendschappelijke betrekkingen tot ontwikkeling te brengen, die zijn gegrond op eerbied voor het beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking voor volken, en andere passende maatregelen te nemen ter versterking van de vrede overal ter wereld; […]”

4 In hoofdstuk XI („Verklaring betreffende niet zelfbesturende gebieden”) van het VN‑Handvest is artikel 73 opgenomen dat luidt als volgt: „Leden van de Verenigde Naties die verantwoordelijkheid dragen of aanvaarden voor het bestuur van gebieden waarvan de bevolking nog geen volledig zelfbestuur heeft verworven, erkennen het beginsel dat de belangen van de inwoners van deze gebieden op de eerste plaats komen, en aanvaarden, als een heilige opdracht, de verplichting binnen het in dit Handvest vastgelegde stelsel van internationale vrede en veiligheid, het welzijn van de inwoners van deze gebieden naar beste krachten te bevorderen […]. […]”

Verdrag van Wenen

5 Ingevolge de laatste alinea van de preambule van het op 23 mei 1969 te Wenen gesloten Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331; hierna: „Verdrag van Wenen”), „bevestigen” de verdragsluitende partijen dat „de vraagstukken die niet door de bepalingen van dit Verdrag worden geregeld, zullen worden beheerst door de regels van het internationale gewoonterecht”.

6 Artikel 3 van dit verdrag („Internationale overeenkomsten die buiten de werkingssfeer van dit Verdrag vallen”) luidt: „Het feit dat dit verdrag noch op internationale overeenkomsten gesloten tussen staten en andere subjecten van volkenrecht of tussen deze andere subjecten van volkenrecht, noch op niet in geschrifte tot stand gebrachte internationale overeenkomsten van toepassing is, doet geen afbreuk aan: […] b) de toepassing op deze overeenkomsten van alle in dit verdrag vastgestelde regels waaraan zij onafhankelijk van dit verdrag krachtens het volkenrecht zouden zijn onderworpen; […]”

7 Artikel 29 van het Verdrag van Wenen („Territoriale gelding van verdragen”) bepaalt: „Tenzij een andere bedoeling uit het verdrag blijkt of op een andere wijze is komen vast te staan, bindt een verdrag elke partij ten opzichte van haar gehele grondgebied.”

8 Artikel 34 van dit verdrag („Algemene regel betreffende derde staten”) luidt: „Een verdrag schept geen verplichtingen of rechten voor een derde staat zonder diens instemming.”

9 Artikel 35 van dat verdrag („Verdragen die voorzien in verplichtingen voor derde staten”) bepaalt het volgende: „Voor een derde staat ontstaat ten gevolge van een bepaling van een verdrag een verplichting, indien de partijen bij het verdrag door middel van deze bepaling de verplichting beogen te scheppen en indien de derde staat deze verplichting uitdrukkelijk schriftelijk aanvaardt.”

10 Artikel 36 van dat verdrag („Verdragen die voorzien in rechten voor derde staten”) is verwoord als volgt: „1. Voor een derde staat ontstaat ten gevolge van een bepaling van een verdrag een recht, indien de partijen bij het verdrag door deze bepaling dit recht willen verlenen aan de derde staat of aan een groep staten waartoe hij behoort, of aan alle staten, en indien de derde staat daarmede instemt. De instemming wordt geacht te zijn gegeven zolang er geen aanwijzing van het tegendeel bestaat, tenzij het verdrag anders bepaalt. 2. Een staat die van een recht, overeenkomstig het eerste lid, gebruik maakt, is voor de uitoefening van dat recht gehouden, de voorwaarden, voorzien in het verdrag of overeenkomstig zijn bepalingen vastgesteld, te eerbiedigen.”

Resolutie III, gehecht aan de Slotakte van de Derde Zeerechtconferentie van de VN

11 Resolutie III van de Slotakte van de Derde Zeerechtconferentie van de VN van 30 april 1982 bepaalt dat „in het geval van een gebied waarvan de bevolking nog geen volledige onafhankelijkheid of een andere door de Verenigde Naties erkende vorm van zelfbestuur heeft verworven, of van een gebied onder koloniale overheersing, […] de toepassing van de bepalingen betreffende in het [op 10 december 1982 te Montego Bay ondertekende Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna: „Zeerechtverdrag”)] bedoelde rechten of belangen aan de bevolking van het betrokken gebied ten goede komen, teneinde het welzijn en de ontwikkeling van die bevolking te bevorderen”.

Associatieovereenkomst

12 De Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, die is ondertekend op 26 februari 1996 te Brussel (PB 2000, L 70, blz. 2; hierna: „associatieovereenkomst”) is in werking getreden op 1 maart 2000.

13 Artikel 1, lid 1, van de associatieovereenkomst luidt: „Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de [Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal] en haar lidstaten, enerzijds, en Marokko, anderzijds.”

14 In artikel 94 van deze overeenkomst wordt het volgende bepaald: „Deze overeenkomst is van toepassing op het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, overeenkomstig de bepalingen van genoemde Verdragen, enerzijds, en op het grondgebied van Marokko, anderzijds.”

Visserijovereenkomst van 2006

15 Op 22 mei 2006 heeft de Raad verordening (EG) nr. 764/2006 betreffende de sluiting van een Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (PB 2006, L 141, blz. 1) vastgesteld. Artikel 1 van die verordening luidt als volgt: „De Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.”

16 Zoals uit de preambule en de artikelen 1 en 3 ervan voortvloeit, heeft de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (PB 2006, L 141, blz. 4; hierna: „visserijovereenkomst van 2006”) tot doel de door de Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko aangeknoopte samenwerkingsbetrekkingen, met name in het kader van de associatieovereenkomst, te intensiveren door inzake visserij een partnerschap tot stand te brengen met het oog op de bevordering van een verantwoorde visserij in de Marokkaanse visserijzones en de doeltreffende uitvoering van het Marokkaans visserijbeleid.

17 In artikel 11 van de visserijovereenkomst van 2006 is bepaald dat zij, wat het Koninkrijk Marokko betreft, van toepassing is „op het grondgebied van Marokko en de wateren onder Marokkaanse jurisdictie”.

18 In artikel 2, onder a), van die overeenkomst wordt het begrip „Marokkaanse visserijzone” voor de toepassing van die overeenkomst, het daaraan gehechte protocol en de bijlage erbij gedefinieerd als „de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit”.

Voorgeschiedenis van het geding

19 Ten behoeve van de onderhavige procedure kan de voorgeschiedenis van het geding, zoals uiteengezet in de punten 1 tot en met 72 van het bestreden arrest, als volgt worden weergegeven.

Internationale context

20 De Westelijke Sahara is een gebied in het noordwesten van Afrika dat aan het einde van de negentiende eeuw een kolonie van het Koninkrijk Spanje, en daarna een Spaanse provincie werd. In 1963 heeft de VN dit gebied op de „voorlopige lijst van gebieden die vallen onder de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken [resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering van de VN]” geplaatst als niet‑zelfbesturend gebied waarover het Koninkrijk Spanje bestuur uitoefent in de zin van artikel 73 van het VN‑Handvest. Tot op heden staat het nog steeds op de lijst van niet‑zelfbesturende gebieden die door de secretaris‑generaal van de VN is opgesteld op basis van de uit hoofde van artikel 73, onder e), van dat Handvest verstrekte gegevens.

21 Op 20 december 1966 heeft de Algemene vergadering van de VN, tijdens haar 1500e sessie, resolutie 2229 (XXI) betreffende de kwestie Ifni en de Spaanse Sahara aangenomen, waarin zij nogmaals heeft gewezen op het „onvervreemdbare recht van de bevolking van […] de Spaanse Sahara op zelfbeschikking overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering”, en het Koninkrijk Spanje, als besturende mogendheid, heeft verzocht om „zo spoedig mogelijk […] de modaliteiten vast te stellen voor een onder auspiciën van de [VN] te houden referendum, teneinde de autochtone bevolking van het gebied in staat te stellen haar recht op zelfbeschikking vrijelijk uit te oefenen”.

22 Op 24 oktober 1970 heeft de Algemene Vergadering van de VN, tijdens haar 1883e sessie, resolutie 2625 (XXV) aangenomen, waarbij zij de aan die resolutie gehechte tekst van de „Verklaring over volkenrechtelijke beginselen betreffende vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties” heeft goedgekeurd. In die verklaring wordt met name „het beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking voor volken”„plechtig afgekondigd”.

23 Het Front populaire pour la libération de la Saguia el‑Hamra et du Rio de oro (Front Polisario) is een organisatie die op 10 mei 1973 is opgericht in de Westelijke Sahara. Het wordt in artikel 1 van zijn statuten omschreven als een „beweging voor nationale bevrijding” waarvan de leden „[strijden] voor de volledige onafhankelijkheid en het terugkrijgen door het Saharaanse volk van zijn soevereiniteit over het gehele grondgebied van de Arabische Democratische Republiek Sahara”.

24 Op 20 augustus 1974 heeft het Koninkrijk Spanje een brief aan de secretaris‑generaal van de VN gezonden, waarin het zijn besluit aankondigde om onder auspiciën van de VN een referendum te organiseren om het volk van de Westelijke Sahara in staat te stellen zijn recht op zelfbeschikking uit te oefenen.

25 Op 16 oktober 1975 heeft het Internationaal Gerechtshof (hierna: „IGH”), in zijn hoedanigheid van voornaamste rechterlijke instantie van de VN en naar aanleiding van een verzoek van de Algemene Vergadering van de VN in het kader van haar werkzaamheden met betrekking tot de dekolonisatie van de Westelijke Sahara, een advies over de Westelijke Sahara uitgebracht (ICJ Reports 1975, blz. 12; hierna: „advies over de Westelijke Sahara”). Het IGH heeft in punt 162 van dat advies het volgende vastgesteld: „Uit de aan het [IGH] overgelegde stukken en inlichtingen blijkt dat er ten tijde van de Spaanse kolonisatie juridische loyaliteitsbanden bestonden tussen de sultan van Marokko en een aantal van de op het grondgebied van de Westelijke Sahara levende stammen. Tevens blijkt hieruit het bestaan van rechten, waaronder bepaalde rechten inzake het grondgebruik, die juridische banden vormden tussen de Mauritaanse entiteit, in de door het [IGH] begrepen betekenis, en het grondgebied van de Westelijke Sahara. Daarentegen komt het [IGH] tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en inlichtingen niet blijkt dat tussen de Westelijke Sahara, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko en de Mauritaanse entiteit, anderzijds, een soevereiniteitsrelatie bestond. Het [IGH] heeft dus niet het bestaan geconstateerd van juridische banden die gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van resolutie 1514 (XV) [van de Algemene Vergadering van de VN] op de dekolonisatie van de Westelijke Sahara, in het bijzonder voor de toepassing van het beginsel van zelfbeschikking door de vrije en waarachtige uiting van de wil van de bevolking van het gebied.”

26 In punt 163 van het advies over de Westelijke Sahara heeft het IGH met name het volgende verklaard: „Wat vraag I betreft, [is het IGH van oordeel] dat de Westelijke Sahara (Rio de Oro en Sakiet El Hamra) geen niemandsland (terra nullius) was op het moment van de kolonisatie ervan door Spanje; […] wat vraag II betreft, […] dat het gebied met het Koninkrijk Marokko juridische banden had met de in punt 162 van het onderhavige advies vermelde kenmerken [en] dat het gebied met de Mauritaanse entiteit juridische banden had met de in punt 162 van het onderhavige advies vermelde kenmerken.”

27 In een toespraak op de dag waarop het advies over de Westelijke Sahara openbaar werd gemaakt, heeft de koning van Marokko verklaard dat „de hele wereld [had] erkend dat de [Westelijke] Sahara behoorde” tot het Koninkrijk Marokko en dat het aan dit Koninkrijk „[stond] om dit gebied vreedzaam weer in bezit te nemen”, waarbij hij een oproep deed om met dat doel een mars te houden.

28 Op 6 november 1975 heeft de VN‑Veiligheidsraad, tijdens zijn 1854e sessie, resolutie 380 (1975) betreffende de Westelijke Sahara aangenomen, waarbij „het doorgaan van [die aangekondigde] mars [werd betreurd]” en „het [Koninkrijk] Marokko [werd opgeroepen] om alle deelnemers aan [die] mars onmiddellijk uit het gebied van de Westelijke Sahara terug te trekken”.

29 Op 26 februari 1976 heeft het Koninkrijk Spanje de secretaris‑generaal van de VN ervan in kennis gesteld zijn aanwezigheid in de Westelijke Sahara met ingang van die dag te beëindigen en zich voortaan ontslagen te achten van elke volkenrechtelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het bestuur van dat gebied.

30 Ondertussen was er in die regio een gewapend conflict uitgebroken tussen het Koninkrijk Marokko, de Islamitische Republiek Mauritanië en het Front Polisario. Een deel van de bevolking van de Westelijke Sahara is gevlucht voor dat conflict en heeft zijn toevlucht gevonden in op Algerijns grondgebied gelegen kampen in de nabijheid van de grens met de Westelijke Sahara.

31 De dag nadat het Koninkrijk Spanje zijn aanwezigheid in de Westelijke Sahara had beëindigd, kondigde het Front Polisario de oprichting van de Arabische Democratische Republiek Sahara (RASD) aan. Noch de Europese Unie noch een van haar lidstaten erkent de RASD tot op heden.

32 Op 14 april 1976 heeft het Koninkrijk Marokko met de Islamitische Republiek Mauritanië een verdrag gesloten inzake de verdeling van het grondgebied van de Westelijke Sahara en het bij dit verdrag aan voornoemd Koninkrijk toegewezen grondgebied geannexeerd. Op 10 augustus 1979 heeft de Islamitische Republiek Mauritanië een vredesverdrag gesloten met het Front Polisario, volgens hetwelk zij afstand deed van alle territoriale aanspraken op de Westelijke Sahara. Daarop heeft het Koninkrijk Marokko de controle over het door de Mauritaanse strijdkrachten ontruimde gebied overgenomen.

33 Op 21 november 1979 heeft de Algemene Vergadering van de VN, tijdens haar 75e sessie, resolutie 34/37 over de kwestie van de Westelijke Sahara aangenomen, waarbij zij „opnieuw het onvervreemdbare recht [benadrukte] op zelfbeschikking en onafhankelijkheid van het volk van de Westelijke Sahara, in overeenstemming met het [VN-Handvest] […] en de doelstellingen van haar resolutie 1514 (XV)”, „ten zeerste de verslechtering van de situatie [betreurde] die het gevolg [was] van de aanhoudende bezetting van de Westelijke Sahara door Marokko”, „het Koninkrijk Marokko met aandrang [verzocht] om zelf ook bij te dragen aan het vredesproces en een einde te maken aan de bezetting van het grondgebied van de Westelijke Sahara” en „hiertoe in overweging [gaf] het [Front Polisario] als vertegenwoordiger van de Sahrawi, volledig te betrekken bij het zoeken naar een definitieve, rechtvaardige en duurzame oplossing van het vraagstuk van de Westelijke Sahara, in overeenstemming met de resoluties en verklaringen van de [VN]”. Na die resolutie volgde resolutie 35/19, aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN op 11 november 1980 tijdens haar 56e sessie, waarbij de Algemene Vergadering van de VN in punt 10 ervan „Marokko en het [Front Polisario] als vertegenwoordiger van de Sahrawi […] met aandrang [heeft verzocht] onmiddellijke onderhandelingen op te starten om tot een definitieve regeling te komen voor het vraagstuk van de Westelijke Sahara”.

34 Het conflict tussen het Koninkrijk Marokko en het Front Polisario bleef voortduren, totdat de twee partijen op 30 augustus 1988 in beginsel instemden met de voorstellen voor een regeling, die onder meer afkomstig waren van de secretaris‑generaal van de VN en met name voorzagen in een staakt‑het‑vuren en de organisatie van een referendum over zelfbeschikking onder toezicht van de VN. Bij gebrek aan een politieke oplossing werden de vijandelijkheden echter hervat in 2020.

35 Om onder meer toezicht te houden op het staakt‑het‑vuren en te helpen bij de organisatie van dat referendum, heeft de VN‑Veiligheidsraad in april 1991 de VN‑missie voor het referendum in de Westelijke Sahara („Minurso”) opgericht, waarvan het mandaat elk jaar wordt verlengd en tot op heden nog steeds bestaat. Resoluties van de VN‑Veiligheidsraad hebben geregeld herhaald dat de politieke oplossing moet voorzien in „zelfbeschikking voor het volk van de Westelijke Sahara in het kader van regelingen die stroken met de beginselen en doelstellingen van het [VN‑Handvest]” [zie recentelijk resolutie 2703 (2023) van de VN‑Veiligheidsraad van 30 oktober 2023, punt 4].

36 Op 6 december 1995 heeft de Algemene Vergadering van de VN, tijdens haar 82e sessie, resolutie 50/33 aangenomen, met als titel „Activiteiten van economische en andere buitenlandse belangen die in de weg staan aan de toepassing van de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken in gebieden onder koloniale heerschappij”, waarbij zij met name „het onvervreemdbare recht van volken van koloniale gebieden of niet‑zelfbesturende gebieden op zelfbeschikking, onafhankelijkheid en het genot van de natuurlijke rijkdommen op hun grondgebied [opnieuw bevestigde], alsook hun recht om, hun eigen belang indachtig, zo goed mogelijk over die rijkdommen te beschikken”, „het nut [onderstreepte] van buitenlandse economische investeringen die worden gedaan in samenwerking met de bevolking van de niet‑zelfbesturende gebieden en in overeenstemming met hun wensen om op een waardevolle manier bij te dragen aan de sociaaleconomische ontwikkeling van de gebieden”, „[opnieuw verklaarde] dat de integriteit en de welvaart van die gebieden in gevaar wordt gebracht door de schadelijke exploitatie en plundering van de mariene en andere natuurlijke rijkdommen van de koloniale of niet‑zelfbesturende gebieden, in strijd met de toepasselijke resoluties van de [VN], door buitenlandse economische belangen” en „alle regeringen en alle VN‑instanties [verzocht] erop toe te zien dat de permanente soevereiniteit van de bevolkingsgroepen van koloniale of niet‑zelfbesturende gebieden over hun natuurlijke rijkdommen ten volle wordt geëerbiedigd en gewaarborgd”.

37 Tot op heden heeft dit referendum niet plaatsgevonden en het Koninkrijk Marokko controleert het grootste deel van het grondgebied van de Westelijke Sahara, dat door een door het Marokkaanse leger gebouwde en bewaakte muur van zand wordt gescheiden van de rest van dat gebied, dat door het Front Polisario wordt gecontroleerd.

Associatieovereenkomst, liberaliseringsovereenkomst en de verschillende visserijovereenkomsten die zijn gesloten tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko en de rechtsgevolgen ervan

38 In het kader van de associatieovereenkomst hebben de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko op 13 december 2010 te Brussel de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de Protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2012, L 241, blz. 4; hierna: „liberaliseringsovereenkomst”) ondertekend. Deze overeenkomst is goedgekeurd namens de Unie bij besluit 2012/497/EU van de Raad van 8 maart 2012 (PB 2012, L 241, blz. 2).

39 In 1985 heeft de Europese Economische Gemeenschap zich ertoe verbonden om de verantwoordelijkheid voor bestaande, door het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek met het Koninkrijk Marokko gesloten visserijovereenkomsten na hun toetreding tot de (toenmalige) Europese Economische Gemeenschap op zich te nemen [zie besluit 87/442/EEG van de Raad van 13 augustus 1987 betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling over een voorlopige visserijregeling tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko voor de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1987 (PB 1987, L 232, blz. 18) en de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling over een voorlopige visserijregeling tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko voor de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1987 (PB 1987, L 232, blz. 19)].

40 In 1988, 1992 en 2006 heeft de Europese Economische Gemeenschap eigen visserijovereenkomsten met het Koninkrijk Marokko gesloten, te weten de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de zeevisserij (PB 1988, L 99, blz. 49) (hierna: „overeenkomst van 1988”), de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de zeevisserij (PB 1992, L 407, blz. 3) (hierna: „overeenkomst van 1992”), en de visserijovereenkomst van 2006.

41 Het toepassingsgebied van deze overeenkomsten omvatte het „grondgebied van Marokko en de wateren onder Marokkaanse jurisdictie”, zonder dat de grens van de bestreken maritieme gebieden specifiek werd aangegeven (zie in die zin artikel 1 van de overeenkomst van 1988; artikel 1 van de overeenkomst van 1992, en artikel 11 van de visserijovereenkomst van 2006).

42 Een belangrijk onderdeel van al die overeenkomsten was de betaling aan het Koninkrijk Marokko van financiële tegenprestaties, deels in ruil voor de afgifte door de autoriteiten van dat land van vergunningen voor vissersvaartuigen van de Unie (zie in die zin artikel 2, lid 2, en artikel 6 van de overeenkomst van 1988, artikel 2, lid 2, en artikel 7 van de overeenkomst van 1992 en de artikelen 6 en 7 van de visserijovereenkomst van 2006).

43 In afzonderlijke protocollen, die respectievelijk vier jaar geldig waren en een integrerend deel van die overeenkomsten uitmaakten, werden voorts de aan vissersvaartuigen van de Unie toegekende vangstmogelijkheden, de looptijd ervan en de voorwaarden voor het gebruik ervan vastgesteld [artikelen 5 en 7 van de overeenkomst van 1988 en Protocol nr. 1 tot vaststelling van de door Marokko verleende visserijrechten en de door de Gemeenschap toegekende tegenprestatie voor de periode van 1 maart 1988 tot en met 29 februari 1992 (PB 1988, L 99, blz. 61); artikelen 7 en 9 van de overeenkomst van 1992 en het Protocol tot vaststelling van de verleende visserijrechten en de door de Gemeenschap toegekende financiële tegenprestatie en financiële steun (PB 1992, L 407, blz. 15), en artikelen 5 tot en met 7 van de visserijovereenkomst van 2006 en het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake visserij (PB 2006, L 141, blz. 9)].

44 Volgens overweging 2 van het litigieuze besluit is het meest recente protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, te weten het tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko overeengekomen Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko (PB 2013, L 328, blz. 2; hierna: „Protocol van 2013”), dat behoort bij de visserijovereenkomst van 2006, verstreken op 14 juli 2018.

45 Het Front Polisario heeft, op 19 november 2012, bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit 2012/497 en in het kader hiervan aangevoerd dat de Raad op een aantal punten niet had voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van het volkenrecht door bij dit besluit de toepassing goed te keuren van de liberaliseringsovereenkomst op het grondgebied van de Westelijke Sahara. Bij arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953), heeft het Gerecht besluit 2012/497 nietig verklaard voor zover daarbij de toepassing van de liberaliseringsovereenkomst op de Westelijke Sahara werd goedgekeurd. De grond voor deze nietigverklaring was dat de Raad zijn verplichting om vóór de vaststelling van besluit 2012/497 alle gegevens van het geval te onderzoeken niet was nagekomen doordat hij niet was nagegaan of de exploitatie van de uit dat gebied afkomstige en naar de Europese Unie uitgevoerde producten niet plaatsvond ten nadele van de bevolking van het betrokken gebied en geen inbreuk maakte op de grondrechten van de betrokken personen.

46 Het Hof heeft, op een hogere voorziening van de Raad van 19 februari 2016, bij arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario (C‑104/16 P, EU:C:2016:973), het arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953), vernietigd en het door het Front Polisario bij het Gerecht ingestelde beroep niet‑ontvankelijk verklaard. Dienaangaande heeft het Hof het tweede middel gegrond verklaard, namelijk dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de analyse van de procesbevoegdheid van het Front Polisario en meer in het bijzonder dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de liberaliseringsovereenkomst van toepassing was op de Westelijke Sahara. Het Hof heeft met name geoordeeld dat overeenkomstig het beginsel van zelfbeschikking dat van toepassing is in de betrekkingen tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, en het daaruit voortvloeiende recht op zelfbeschikking van het volk van de Westelijke Sahara, dat een niet-zelfbesturend gebied is in de zin van artikel 73 van het VN‑Handvest, dit gebied een eigen en onderscheiden status heeft ten opzichte van die van elke staat, met inbegrip van het Koninkrijk Marokko. Het Hof heeft hieruit de slotsom getrokken dat de woorden „grondgebied van Marokko” in artikel 94 van de associatieovereenkomst niet aldus kunnen worden uitgelegd dat de Westelijke Sahara binnen de territoriale werkingssfeer van die overeenkomst valt.

47 Om tot die slotsom te komen, heeft het Hof zich in zijn arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario (C‑104/16 P, EU:C:2016:973), ook gebaseerd op het feit dat het volk van de Westelijke Sahara moest worden beschouwd als een „derde” in de zin van het beginsel van de relatieve werking van verdragen. De toestemming van die derde was namelijk vereist opdat de uitvoering van de associatieovereenkomst gevolgen zou hebben voor hem ingeval het grondgebied van de Westelijke Sahara binnen de werkingssfeer van die overeenkomst zou vallen, zonder dat behoeft te worden vastgesteld of een dergelijke uitvoering voor hem verplichtingen dan wel rechten zou meebrengen. Het Hof heeft verklaard dat uit het arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953), niet blijkt dat het volk van de Westelijke Sahara uiting heeft gegeven aan een dergelijke toestemming wat betreft de associatieovereenkomst.

48 In zijn arrest van 27 februari 2018, Westelijke Sahara Campaign UK (C‑266/16, EU:C:2018:118), heeft het Hof in de eerste plaats vastgesteld dat de visserijovereenkomst van 2006 past in een verdragencomplex dat in het kader van de associatieovereenkomst tot stand is gekomen. Het Hof heeft overwogen dat, gelet op het bestaan van dit verdragencomplex, het begrip „grondgebied van Marokko” in artikel 11 van de visserijovereenkomst van 2006 op dezelfde manier dient te worden begrepen als het begrip „grondgebied van [het Koninkrijk] Marokko” in artikel 94 van de associatieovereenkomst en hieruit de conclusie getrokken dat het grondgebied van de Westelijke Sahara niet onder het begrip „grondgebied van Marokko” in de zin van artikel 11 van de visserijovereenkomst van 2006 valt.

49 In de tweede plaats heeft het Hof er voor de uitlegging van de uitdrukking „wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit” op gewezen dat uit artikel 2, lid 1, en de artikelen 55 en 56, van het Zeerechtverdrag voortvloeit dat de wateren waarover de kuststaat soevereiniteit of jurisdictie mag uitoefenen, zich enkel uitstrekken tot de wateren die aan zijn grondgebied grenzen en die behoren tot zijn territoriale zee of tot zijn exclusieve economische zone (EEZ). Gelet op het feit dat het grondgebied van de Westelijke Sahara geen deel uitmaakt van het grondgebied van het Koninkrijk Marokko, is het Hof bijgevolg tot de slotsom gekomen dat de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara dan ook niet behoren tot de in artikel 2, onder a), van de visserijovereenkomst van 2006 bedoelde Marokkaanse visserijzone.

50 In de derde plaats heeft het Hof erop gewezen dat het in strijd zou zijn met het zelfbeschikkingsbeginsel en het beginsel van de relatieve werking van verdragen, indien de wateren die rechtstreeks aan de kust van het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzen, als „wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit […] bezit” in de zin van artikel 2, onder a), van de visserijovereenkomst van 2006 onder het toepassingsgebied van die overeenkomst werden gebracht.

51 Wat in de vierde plaats de in artikel 2, onder a), van de visserijovereenkomst van 2006 gebezigde uitdrukking „wateren waarover het Koninkrijk Marokko […] de jurisdictie bezit” betreft, heeft het Hof erop gewezen dat de Raad en de Commissie onder meer in overweging hadden genomen dat het Koninkrijk Marokko kon worden aangemerkt als een het grondgebied van de Westelijke Sahara „de facto besturende mogendheid” of bezettende mogendheid, en dat die kwalificatie relevant zou kunnen zijn voor de vaststelling van het toepassingsgebied van deze overeenkomst. Het Hof heeft evenwel opgemerkt dat – zonder dat hoefde te worden onderzocht of een eventuele gemeenschappelijke bedoeling van de partijen bij de visserijovereenkomst van 2006 om aan die uitdrukking een bijzondere betekenis toe te kennen teneinde rekening te houden met die omstandigheden, zou hebben gestrookt met de volkenrechtelijke regels die de Unie binden – een dergelijke gemeenschappelijke bedoeling in het onderhavige geval hoe dan ook niet kon worden vastgesteld aangezien het Koninkrijk Marokko categorisch had uitgesloten dat het een het grondgebied van de Westelijke Sahara bezettende mogendheid of besturende mogendheid was.

52 Wat in de vijfde plaats de territoriale werkingssfeer van het Protocol van 2013 betreft, heeft het Hof vastgesteld dat de uitdrukking „Marokkaanse visserijzone” wordt gebezigd in zowel de visserijovereenkomst van 2006 als het Protocol van 2013, waarvan zij de territoriale werkingssfeer bepaalt. Het heeft geoordeeld dat die uitdrukking moest worden opgevat als een verwijzing naar de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit en dat zij zich derhalve niet uitstrekt tot de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara.

53 In de zesde plaats heeft het Hof vastgesteld dat de in de bepalingen van het Protocol van 2013 bedoelde geografische coördinaten van de basislijnen en van de visserijzone van het Koninkrijk Marokko pas waren meegedeeld op 16 juli 2014. Uit het feit dat het Protocol van 2013 in werking is getreden op 15 juli 2014 heeft het Hof afgeleid dat die geografische coördinaten geen deel uitmaken van de tekst van dat protocol zoals partijen die zijn overeengekomen. Volgens het Hof zouden die geografische coördinaten, zelfs indien zij waren meegedeeld vóór de inwerkingtreding van het Protocol van 2013, hoe dan ook op geen enkele wijze hebben kunnen afdoen aan de in punt 79 van het arrest 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK (C‑266/16, EU:C:2018:118), gegeven uitlegging van de uitdrukking „Marokkaanse visserijzone” en evenmin het toepassingsgebied van dat protocol hebben kunnen uitstrekken tot de wateren die aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzen.

54 Het Hof heeft dan ook verklaard dat aangezien noch de visserijovereenkomst van 2006 noch het Protocol van 2013 van toepassing was op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara, bij het onderzoek van die vraag niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de handelingen betreffende het sluiten van die overeenkomsten aantasten uit het oogpunt van artikel 3, lid 5, VEU.

Litigieuze overeenkomst en litigieus besluit

55 Na het arrest van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK (C‑266/16, EU:C:2018:118), heeft de Raad de Commissie bij besluit van 16 april 2018 gemachtigd om namens de Unie onderhandelingen met het Koninkrijk Marokko aan te knopen met het oog op het wijzigen van de visserijovereenkomst van 2006 om met name de wateren die aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzen, binnen het toepassingsgebied van die overeenkomst te brengen. Op 24 juli 2018 zijn aan het einde van die onderhandelingen een nieuwe Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko, een nieuw protocol ter uitvoering van die overeenkomst, met inbegrip van de bijlage bij en de aanhangsels van dat protocol, en de briefwisseling bij deze overeenkomst geparafeerd.

56 Op 14 januari 2019 zijn de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko (PB 2019, L 77, blz. 8; hierna: „visserijovereenkomst”), het bijbehorende uitvoeringsprotocol (PB 2019, L 77, blz. 18; hierna: „uitvoeringsprotocol”) en de briefwisseling bij die overeenkomst (PB 2019, L 77, blz. 53; hierna: „briefwisseling”) (hierna gezamenlijk: „litigieuze overeenkomst”) door de Unie en het Koninkrijk Marokko ondertekend te Brussel.

57 Overeenkomstig artikel 1, onder h), van de visserijovereenkomst dient „visserijzone” voor de toepassing van die overeenkomst te worden opgevat als „de wateren van het centraal‑oostelijke deel van de Atlantische Oceaan die zich bevinden tussen 35°47′18″ NB en 20°46′13″ NB, met inbegrip van de wateren die grenzen aan de Westelijke Sahara, waarbij alle beheersgebieden worden bestreken”. Ook wordt er gepreciseerd dat „deze definitie […] geen invloed [heeft] op eventuele onderhandelingen over de afbakening van de maritieme gebieden van de kuststaten die aan de visserijzone grenzen, en in het algemeen op de rechten van derde landen”.

58 Artikel 5, leden 1 en 2, van de visserijovereenkomst bepaalt het volgende: „1. De vaartuigen van de Unie mogen slechts in de onder deze overeenkomst vallende visserijzone vissen als zij in het bezit zijn van een vismachtiging die op grond van deze overeenkomst is afgegeven. Visserijactiviteiten in de visserijzone en buiten het kader van deze overeenkomst zijn verboden. 2. De autoriteiten van het Koninkrijk Marokko geven uitsluitend op grond van de onderhavige overeenkomst vismachtigingen aan vaartuigen van de Unie af. De afgifte van vismachtigingen aan vaartuigen van de Unie buiten het kader van deze overeenkomst, met name in de vorm van een rechtstreekse vismachtiging, is verboden.”

59 Artikel 6, lid 1, van de visserijovereenkomst luidt als volgt: „Tenzij anders bepaald in deze overeenkomst, leven vaartuigen van de Unie die in de visserijzone actief zijn, met het oog op de waarborging van een regelgevingskader voor duurzame visserij, de Marokkaanse wet‑ en regelgeving na die van toepassing is op visserijactiviteiten in die zone […].”

60 In artikel 12, leden 1 tot en met 4, van de visserijovereenkomst wordt het volgende bepaald: „1. De financiële tegenprestatie is in het protocol vastgesteld. 2. De in lid 1 bedoelde financiële tegenprestatie omvat: a) een door de Unie toegekende financiële compensatie voor de toegang van de vaartuigen van de Unie tot de visserijzone; b) de rechten die de reders van de vaartuigen van de Unie moeten betalen; c) de sectorale steun van de Unie voor de uitvoering van een duurzaam visserijbeleid en de governance van de oceanen in het kader van een jaarlijkse en meerjarige programmering. 3. De door de Unie toegekende financiële tegenprestatie wordt elk jaar betaald overeenkomstig het [uitvoeringsprotocol]. 4. De partijen onderzoeken de billijke geografische en sociale spreiding van de sociaal‑economische voordelen die deze overeenkomst biedt, met name wat betreft infrastructuur, sociale basisvoorzieningen, oprichting van bedrijven, beroepsopleiding, en projecten voor ontwikkeling en modernisering van de visserijsector, teneinde zich ervan te vergewissen dat die spreiding de betrokken bevolkingsgroepen evenredig met de visserijactiviteiten ten goede komt.”

61 Artikel 13, lid 1, van de visserijovereenkomst luidt: „Er wordt een gemengde commissie opgericht die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen. Deze commissie is verantwoordelijk voor de monitoring van de toepassing van deze overeenkomst en kan wijzigingen van het [uitvoeringsprotocol] vaststellen.”

62 Artikel 14 van de visserijovereenkomst luidt als volgt: „Deze overeenkomst is van toepassing op het grondgebied waar het [VEU] en het [VWEU] van toepassing is, enerzijds, en waar de in artikel 6, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde wet‑ en regelgeving van toepassing is, anderzijds.”

63 Artikel 16 van de visserijovereenkomst bepaalt: „Het [uitvoeringsprotocol] en de briefwisseling […] vormen een integrerend deel van deze overeenkomst […].”

64 In artikel 6, leden 1 en 2, van het uitvoeringsprotocol is het volgende bepaald: „1. Voor de in artikel 12, lid 2, onder a), van de visserijovereenkomst bedoelde financiële compensatie en de in artikel 12, lid 2, onder b), van de visserijovereenkomst bedoelde rechten geldt overeenkomstig artikel 12, lid 4, van de visserijovereenkomst een billijke geografische en sociale spreiding van de sociaaleconomische voordelen die ervoor zorgt dat de betrokken bevolkingsgroepen er voordeel uit halen. 2. Uiterlijk drie maanden na de datum van toepassing van dit protocol dienen de autoriteiten van het Koninkrijk Marokko de methode in die de in lid 1 bedoelde geografische en sociale spreiding waarborgt, alsook de verdeelsleutel voor de toegewezen bedragen, die in de gemengde commissie moet worden onderzocht.”

65 In de tweede alinea van de briefwisseling staat te lezen: „Na afloop van de onderhandelingen zijn de [Unie] en het Koninkrijk Marokko het volgende overeengekomen: 1. Wat de kwestie van de Westelijke Sahara betreft, bevestigen de partijen opnieuw hun steun aan het proces van de Verenigde Naties en staan zij achter de inspanningen van de secretaris‑generaal [van de VN] om tot een definitieve politieke oplossing te komen die in overeenstemming is met de beginselen en doelstellingen van het Handvest van de Verenigde Naties en gebaseerd is op de resoluties van de [VN-Veiligheidsraad]. 2. De visserijovereenkomst wordt gesloten onverminderd de respectieve standpunten: – voor de [Unie], over de status van het niet‑zelfbesturende grondgebied van de Westelijke Sahara, waarvan de aangrenzende wateren onder de in artikel 1, onder h), van de visserijovereenkomst omschreven visserijzone vallen, en over het zelfbeschikkingsrecht van het gebied, waarbij de verwijzing in de Visserijovereenkomst naar de Marokkaanse wet‑ en regelgeving niet vooruitloopt op haar standpunt; – voor het Koninkrijk Marokko is de Sahara‑regio een onlosmakelijk deel van zijn nationale grondgebied, waarop het, net als op de rest van het nationale grondgebied, zijn volledige soevereiniteit uitoefent. Het Koninkrijk Marokko is van oordeel dat elke oplossing voor dit regionale geschil op zijn autonomie‑initiatief moet zijn gebaseerd.”

66 Op 4 maart 2019 heeft de Raad het litigieuze besluit vastgesteld. Artikel 1, eerste alinea, van dat besluit bepaalt: „De [visserijovereenkomst], het […] uitvoeringsprotocol en de briefwisseling […] worden namens de Unie goedgekeurd”.

67 In de overwegingen 3 tot en met 5 en 7 tot en met 12 van het litigieuze besluit valt het volgende te lezen: „(3) In zijn arrest in zaak C‑266/16 heeft het Hof, als antwoord op een prejudiciële vraag over de geldigheid en de uitlegging van de [visserijovereenkomst van 2006] en het bijbehorende uitvoeringsprotocol, geoordeeld dat noch [die] overeenkomst noch het bijbehorende uitvoeringsprotocol van toepassing is op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara. (4) De Unie loopt niet vooruit op de afloop van het door de Verenigde Naties geleide politieke proces inzake de uiteindelijke status van de Westelijke Sahara en blijft zich uitspreken voor een oplossing voor het geschil in de Westelijke Sahara, dat momenteel door de Verenigde Naties op de lijst van niet‑zelfbesturende gebieden is geplaatst en vandaag de dag grotendeels door het Koninkrijk Marokko wordt bestuurd. Zij staat volledig achter de inspanningen van de secretaris‑generaal van de Verenigde Naties en zijn persoonlijke gezant om de partijen te helpen tot een rechtvaardige, duurzame en wederzijds aanvaardbare politieke oplossing te komen, die recht doet aan het zelfbeschikkingsrecht van de bevolking van de Westelijke Sahara in het kader van regelingen die in overeenstemming zijn met de doelen en beginselen in het Handvest van de Verenigde Naties, zoals geformuleerd in de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties […]. (5) Het is van belang dat de vloten van de Unie de visserijactiviteiten die zij sinds de inwerkingtreding van de [visserijovereenkomst van 2006] verrichten, kunnen voortzetten en dat het toepassingsgebied van de overeenkomst wordt vastgesteld teneinde daarin de aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzende wateren op te nemen. De voortzetting van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij is bovendien essentieel opdat dit gebied voordeel kan blijven halen uit de sectorale steun die in het kader van de [visserijovereenkomst van 2006] wordt geboden volgens het Unierecht en het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten, en ten bate van de betrokken bevolking. […] (7) De visserijovereenkomst heeft tot doel het voor de Unie en het Koninkrijk Marokko mogelijk te maken om nauwer samen te werken met het oog op de bevordering van een duurzaam visserijbeleid en een verantwoorde exploitatie van de visbestanden in de in de visserijovereenkomst afgebakende visserijzone, en het Koninkrijk Marokko ondersteuning te bieden bij zijn inspanningen om de visserijsector en een blauwe economie te ontwikkelen. De overeenkomst draagt op die manier bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen die de Unie in het kader van artikel 21 [VEU] nastreeft. (8) De Commissie heeft een beoordeling verricht van de mogelijke gevolgen van de visserijovereenkomst voor de duurzame ontwikkeling, met name wat betreft de voordelen voor de betrokken bevolking en de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen in de betrokken gebieden. (9) In lijn met deze beoordeling wordt ervan uitgegaan dat de visserijovereenkomst de betrokken bevolking zeer ten goede zal komen wegens de positieve sociaaleconomische effecten op die bevolking, met name op het gebied van werkgelegenheid en investeringen, en wegens de impact ervan op de ontwikkeling van de visserijsector en de visverwerkende sector. (10) Ook zou de visserijovereenkomst de beste garantie zijn dat de natuurlijke hulpbronnen in de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren op duurzame wijze worden geëxploiteerd, aangezien de visserijactiviteiten stroken met de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen en aanbevelingen ter zake en onderworpen zijn aan passende maatregelen op het gebied van monitoring en controle. (11) Gelet op de overwegingen in het arrest van [27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK (C‑266/16, EU:C:2018:118)], heeft de Commissie, in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden [(EDEO)], in de huidige context alle redelijke en haalbare maatregelen genomen om de betrokken bevolking op passende wijze bij de procedure te betrekken teneinde zich van hun instemming te vergewissen. Uitgebreide raadplegingen hebben plaatsgevonden in de Westelijke Sahara en in het Koninkrijk Marokko, en de sociaaleconomische en politieke actoren die aan de raadplegingen hebben deelgenomen, waren duidelijk voorstander van het sluiten van de visserijovereenkomst. Het [Front Polisario] en enkele andere partijen wensten echter niet deel te nemen aan de raadplegingsprocedure. (12) Diegenen die niet wensten deel te nemen aan de procedure, hebben de toepassing van de visserijovereenkomst en het bijbehorende uitvoeringsprotocol op de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren afgewezen, omdat zij in essentie vinden dat deze handelingen de positie van het Koninkrijk Marokko in de Westelijke Sahara zou bekrachtigen. Noch uit de bewoordingen van deze visserijovereenkomst noch uit die van het bijbehorende uitvoeringsprotocol kan echter in enig opzicht worden afgeleid dat daarmee de soevereiniteit of de soevereine rechten van het Koninkrijk Marokko over de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren worden erkend. Bovendien zal de Unie met nog grotere inspanningen het proces blijven steunen dat onder leiding van de Verenigde Naties is begonnen en wordt voortgezet om tot een vreedzame oplossing van het geschil te komen.”

68 Overeenkomstig artikel 17 van de visserijovereenkomst zijn die overeenkomst, het uitvoeringsprotocol en de briefwisseling in werking getreden op 18 juli 2019 (PB 2019, L 195, blz. 1).

69 Het uitvoeringsprotocol, dat de voorwaarden voor toegang tot de aan het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzende visserijzones regelt, is vier jaar na de datum van inwerkingtreding, te weten op 17 juli 2023, verstreken.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

70 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 10 en 12 juni 2019, heeft het Front Polisario twee beroepen ingesteld, strekkende tot, in zaak T‑344/19, nietigverklaring van het litigieuze besluit en, in zaak T‑356/19, voor het geval het Gerecht van oordeel was dat verordening (EU) 2019/440 van de Raad van 29 november 2018 betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden in het kader van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko en het bijbehorende uitvoeringsprotocol (PB 2019, L 77, blz. 1), een tussenmaatregel vormt waardoor het Front Polisario niet rechtstreeks door het litigieuze besluit kan worden geraakt, nietigverklaring van deze verordening.

71 Het Gerecht heeft, bij het bestreden arrest, met name het litigieuze besluit nietig verklaard en geoordeeld dat de gevolgen van dat besluit worden gehandhaafd gedurende een periode die niet langer mag zijn dan de in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde termijn of, indien binnen die termijn hogere voorziening is ingesteld, tot aan de uitspraak van het arrest van het Hof waarbij over die hogere voorziening wordt beslist.

72 In de eerste plaats heeft het Gerecht zich gebogen over de twee middelen van niet‑ontvankelijkheid die primair zijn aangevoerd tegen het beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, door de Raad, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Commissie en de Chambre des pêches maritimes de la Méditerranée, de Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Nord, de Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Centre en de Chambre des pêches maritimes de l’Atlantique Sud (hierna gezamenlijk: „CPMM”), ontleend aan, wat het eerste middel betreft, het gebrek van het Front Polisario aan de bekwaamheid om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden, en, wat het tweede middel betreft, het gebrek aan procesbevoegdheid van het Front Polisario om op te komen tegen het litigieuze besluit, en heeft deze respectievelijk in de punten 132 tot en met 159 en 171 tot en met 268 van het bestreden arrest afgewezen.

73 In de tweede plaats wees het Gerecht het door het Front Polisario tot staving van zijn vorderingen aangevoerde eerste middel tot nietigverklaring, ontleend aan de onbevoegdheid van de Raad om het litigieuze besluit vast te stellen, af en onderzocht het in de punten 276 tot en met 364 van het bestreden arrest het derde middel tot nietigverklaring, dat in wezen is ontleend aan niet‑nakoming door de Raad van zijn verplichting tot naleving van de vereisten die het Hof heeft afgeleid uit het zelfbeschikkingsbeginsel en het beginsel van de relatieve werking van verdragen, zoals gepreciseerd in de arresten van 21 december 2016, Raad/Front Polisario (C‑104/16 P, EU:C:2016:973), en 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK (C‑266/16, EU:C:2018:118). In punt 364 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat de Raad bij de vaststelling van het litigieuze besluit niet voldoende rekening heeft gehouden met alle relevante elementen in verband met de situatie in de Westelijke Sahara en ten onrechte van mening was dat hij over een beoordelingsmarge beschikte om te beslissen of moest worden voldaan aan het vereiste – overeenkomstig de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan het beginsel van de relatieve werking van verdragen in samenhang met het zelfbeschikkingsbeginsel – dat het volk van dat gebied, in zijn hoedanigheid van derde ten aanzien van de litigieuze overeenkomst, zijn instemming betuigt met de toepassing van die overeenkomst op het betrokken gebied.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

74 Bij beslissing van de president van het Hof van 15 februari 2022 werden de zaken C‑778/21 P en C‑798/21 P gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest.

75 Bij beslissingen van de president van het Hof van 27 mei 2022 zijn Hongarije, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad in zaak C‑798/21 P.

76 Bij beslissing van de president van het Hof van 16 juni 2022 is het Koninkrijk België eveneens toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad in zaak C‑798/21 P. Deze lidstaat heeft vervolgens echter niet deelgenomen aan de schriftelijke behandeling van de procedure.

77 Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie (zaak C‑778/21 P) het Hof: – de punten 1 en 2 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen; – het beroep in eerste aanleg van het Front Polisario te verwerpen of, indien het Hof oordeelt dat de zaak niet in staat van wijzen is, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht; – het Front Polisario te verwijzen in alle kosten van beide procedures, daaronder begrepen rekwirantes kosten.

78 Met zijn hogere voorziening verzoekt de Raad (zaak C‑798/21 P) het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij het litigieuze besluit nietig is verklaard; – definitief uitspraak te doen over de punten waartegen de onderhavige hogere voorziening is gericht en het beroep van het Front Polisario in zaak T‑344/19 te verwerpen; – het Front Polisario te verwijzen in de kosten die in het kader van de onderhavige hogere voorziening en in zaak T‑344/19 zijn gemaakt, en – subsidiair, de gevolgen van het litigieuze besluit te handhaven gedurende een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het te wijzen arrest.

79 Het Front Polisario verzoekt het Hof: – de hogere voorzieningen af te wijzen; – de Commissie te verwijzen in alle kosten die het Front Polisario in het kader van de onderhavige zaak heeft gemaakt, en – de Raad te verwijzen in alle kosten die het Front Polisario in het kader van de onderhavige zaak en bij het Gerecht in eerste aanleg heeft gemaakt.

80 De Franse Republiek verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij het litigieuze besluit nietig is verklaard; – definitief uitspraak te doen over de punten waartegen de onderhavige hogere voorziening is gericht en het beroep van het Front Polisario te verwerpen, dan wel, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, indien zij, volgens het Hof, niet in staat van wijzen is, en – subsidiair, wat betreft de middelen van de Raad en de Commissie, de gevolgen van het litigieuze besluit te handhaven gedurende een periode van achttien maanden te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het te wijzen arrest.

81 De CPMM verzoeken het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het beroep van het Front Polisario niet‑ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren, en – het Front Polisario te verwijzen in de kosten.

82 Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Hof de hogere voorziening van de Commissie in zaak C‑778/21 P en de hogere voorziening van de Raad in zaak C‑798/21 P toe te wijzen. Het Koninkrijk België, Hongarije, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek verzoeken het Hof de hogere voorziening van de Raad toe te wijzen.

Hogere voorzieningen

83 Tot staving van hun hogere voorzieningen voeren de Commissie, rekwirante in zaak C‑778/21 P, en de Raad, rekwirant in zaak C‑798/21 P, respectievelijk vijf en vier middelen aan. De eerste drie middelen in zaak C‑778/21 P en de eerste twee middelen in zaak C‑798/21 P zijn ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht wat betreft de ontvankelijkheid van het door het Polisario Front ingestelde beroep, terwijl het vierde en het vijfde middel in zaak C‑778/21 P en het derde en het vierde middel in zaak C‑798/21 P zijn ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht in het kader van het onderzoek van de gegrondheid van dat beroep.

Eerste middel in zaak C‑778/21 P en eerste middel in zaak C‑798/21 P: onbekwaamheid van het Front Polisario om in rechte op te treden

Argumenten van partijen

84 Met hun respectieve eerste middelen verwijten de Raad en de Commissie het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 142 tot en met 158 van het bestreden arrest te oordelen dat het Front Polisario bekwaam is om op te treden voor de Unierechter.

85 Deze twee instellingen, alsmede de Franse Republiek en de CPMM, betogen in wezen dat het Front Polisario geen rechtspersoonlijkheid heeft, noch volgens het internationale recht, noch volgens het Unierecht. Bovendien verzetten zij zich ertegen dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming kan worden ingeroepen om te erkennen dat het Front Polisario bij het Gerecht beroep kan instellen om op te komen voor het zelfbeschikkingsrecht van het volk van de Westelijke Sahara, aangezien anders elk beroep ontvankelijk wordt verklaard dat bij de rechter van de Unie, als „interne” rechter, is ingesteld, ook al heeft dat beroep betrekking op een internationaal geschil dat onder het internationale recht valt en door een subject van internationaal recht is ingesteld, en dat niet bij een internationale rechter aanhangig kan worden gemaakt. Volgens de Raad houdt het recht op effectieve rechterlijke bescherming geen universele, aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU voorbijgaande toegang tot de Unierechter in.

86 Voorts is de Commissie van mening dat, ook al speelt het Front Polisario ongetwijfeld een rol bij de „politieke oplossing” van het vraagstuk van de definitieve status van het grondgebied van de Westelijke Sahara, zoals aangegeven in de punten 143 en 144 van het bestreden arrest, het belang van resolutie 34/37 van de Algemene Vergadering van de VN, die door het Gerecht is aangehaald en waarnaar in punt 33 van het onderhavige arrest wordt verwezen, moet worden gerelativeerd. In die resolutie wordt weliswaar een lans gebroken voor de deelname van het Front Polisario als „vertegenwoordiger” van het volk van de Westelijke Sahara aan de politieke oplossing van het conflict over dat gebied, maar deze resolutie is niet bindend en inmiddels is er door rechtstreekse algemene verkiezingen een bepaalde vorm van lokale vertegenwoordiging van de bevolking van de Westelijke Sahara ontstaan. Volgens de Commissie heeft de Unie het Front Polisario nooit erkend als iets anders dan een van de „partijen” in een vredesproces dat op het niveau van de VN wordt gevoerd, en het precieze aandeel van het volk van de Westelijke Sahara dat zich vertegenwoordigd acht door het Front Polisario blijft tamelijk ongewis.

87 Volgens de Raad heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het begrip „rechtspersoon” in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU ruim uit te leggen, waarbij geen rekening is gehouden met de grenzen van de rol en de representativiteit van het Front Polisario in het internationale recht, en door in punt 155 van het bestreden arrest en in punt 103 van het arrest van 29 september 2021, Front Polisario/Raad (T‑279/19, EU:T:2021:639), de argumenten van de Raad dienaangaande te verwerpen. Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de representativiteit van het Front Polisario in het kader van het proces van politieke oplossing van het geschil op het niveau van de VN rechtvaardigde dat aan hem de hoedanigheid van „rechtspersoon” werd verleend, zodat hij de geldigheid kon betwisten van een besluit betreffende de sluiting van een overeenkomst dat geen verband hield met de oplossing van dat geschil. De rol van het Front Polisario op het internationale toneel is beperkt tot zijn vermogen om als vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara deel te nemen aan de onder auspiciën van de VN gevoerde onderhandelingen over de definitieve status van de Westelijke Sahara overeenkomstig resolutie 34/37 van de Algemene Vergadering van de VN, waarnaar in punt 33 van het onderhavige arrest wordt verwezen. Het feit dat de instellingen van de Unie het bestaan erkennen van een geschil waarover in het kader van de VN wordt onderhandeld, betekent geenszins dat de Unie of haar instellingen het Front Polisario als hun gesprekspartner erkennen, aangezien de Unie geen partij is bij deze onderhandelingen.

88 Het Front Polisario weerspreekt dit betoog.

Beoordeling door het Hof

89 Zoals het Gerecht in wezen in de punten 135 en 136 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, kan krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, weliswaar iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea van dat artikel vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen, maar heeft het Hof reeds geoordeeld dat bepaalde entiteiten, onafhankelijk van de vraag of zij waren opgericht als rechtspersonen naar nationaal recht, bekwaam waren om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden.

90 Zoals het Gerecht in punt 137 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, was dat met name het geval wanneer, ten eerste, de betrokken entiteit voldoende representatief was voor de personen van wie zij de aan het Unierecht ontleende rechten stelde te verdedigen, en zij over de nodige autonomie en verantwoordelijkheid beschikte om in het kader van de door dat recht bepaalde rechtsbetrekkingen op te treden, en, ten tweede, die entiteit door de instellingen was erkend als gesprekspartner bij onderhandelingen over die rechten (zie in die zin arresten van 8 oktober 1974, Union syndicale – Service public européen e.a./Raad, 175/73, EU:C:1974:95, punten 9‑17, en 8 oktober 1974, Algemeen Vakverbond van het personeel der Europese instellingen/Commissie, 18/74, EU:C:1974:96, punten 5‑13).

91 Dat was eveneens het geval, zoals het Gerecht in punt 138 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, wanneer de instellingen van de Unie die entiteit hadden behandeld als een afzonderlijk subject met eigen rechten en plichten. De samenhang en de billijkheid gebieden immers te erkennen dat een dergelijke entiteit over de bevoegdheid beschikt om in rechte op te treden tegen de maatregelen die haar rechten beperken of tegen de nadelige besluiten die de instellingen jegens haar hebben vastgesteld (zie in die zin arresten van 28 oktober 1982, Groupement des Agences de voyages/Commissie, 135/81, EU:C:1982:371, punten 9‑11; 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punten 107‑112, en 15 juni 2017, Al‑Faqih e.a./Commissie, C‑19/16 P, EU:C:2017:466, punt 40).

92 Het Gerecht heeft bovendien, in punt 139 van het bestreden arrest, terecht eraan herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het in artikel 263, vierde alinea, VWEU gebezigde begrip „rechtspersoon” niet restrictief mag worden uitgelegd [zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Venezuela/Raad (Geraaktheid van een derde staat), C‑872/19 P, EU:C:2021:507, punt 44].

93 In casu moet, net als de advocaat‑generaal in punt 82 van haar conclusie in de gevoegde zaken Commissie/Front Polisario en Raad/Front Polisario (C‑779/21 P en C‑799/21 P, EU:C:2024:260) heeft gedaan, worden vastgesteld dat het Front Polisario een zelfverklaarde vrijheidsbeweging is die is ontstaan in het streven naar een specifiek soort toekomstig bestuursmodel voor het gebied van de Westelijke Sahara: de onafhankelijkheid van dat gebied, thans ten aanzien van het Koninkrijk Marokko, en de oprichting van een soevereine en zelfstandige Saharaanse staat. Deze beweging streeft daarmee naar de oprichting van een onafhankelijke staat voor de bevolking van het niet‑zelfbesturende gebied van de Westelijke Sahara, als onderdeel van de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking.

94 Aangezien deze beweging juist op basis van het zelfbeschikkingsrecht van het volk van de Westelijke Sahara een nationale rechtsorde voor dit gebied nastreeft, kan voor de erkenning van haar bekwaamheid om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden, niet worden geëist dat zij als rechtspersoon volgens een bepaalde nationale rechtsorde is opgericht.

95 Bovendien is het Front Polisario een van de legitieme gesprekspartners in het proces dat onder auspiciën van de VN‑Veiligheidsraad, waarnaar in punt 35 van het onderhavige arrest wordt verwezen, is gevoerd om de toekomst van de Westelijke Sahara te bepalen, en waarvan de besluiten bindend zijn voor alle lidstaten en instellingen van de Unie, ondanks het feit dat het Front Polisario nooit de status van „beweging voor nationale bevrijding” heeft gekregen van de VN of van de Unie en haar lidstaten.

96 Hieruit volgt dat het Front Polisario, dat ook deelneemt aan verschillende internationale fora, met name in Afrika, en bilaterale juridische betrekkingen onderhoudt op internationaal niveau, over voldoende juridische zelfstandigheid beschikt om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte te kunnen optreden.

97 De vraag of die entiteit de belangen van het volk van de Westelijke Sahara legitiem kan vertegenwoordigen, betreft haar bekwaamheid om een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit in te stellen, en niet de vraag of zij voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte kan optreden.

98 Ten slotte snijdt het argument, ontleend aan het ontbreken van erkenning van de rechtspersoonlijkheid van het Front Polisario in de rechtsorden van de lidstaten of aan het feit dat geen enkele rechterlijke instantie van een lidstaat zijn procesbevoegdheid heeft erkend, geen hout. Zoals het Gerecht in punt 136 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, vereist het in artikel 263, vierde alinea, VWEU opgenomen begrip „rechtspersoon” weliswaar in beginsel dat er sprake is van rechtspersoonlijkheid, hetgeen moet worden nagegaan op basis van het nationale recht volgens hetwelk de betrokken rechtspersoon is opgericht, maar heeft het niet noodzakelijk dezelfde inhoud als in de verschillende rechtsorden van de lidstaten. Dienaangaande zij ook opgemerkt dat het Hof heeft erkend dat een derde staat, als staat met internationale rechtspersoonlijkheid moet worden geacht een „rechtspersoon” in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU te zijn [zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Venezuela/Raad (Geraaktheid van een derde staat), C‑872/19 P, EU:C:2021:507, punt 53].

99 Gelet op de voorgaande overwegingen kon het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, tot de slotsom komen dat het Front Polisario bekwaam was om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

100 Bijgevolg moeten het eerste middel in zaak C‑778/21 P en het eerste middel in zaak C‑798/21 P ongegrond worden verklaard.

Tweede en derde middel in zaak C‑778/21 P en tweede middel in zaak C‑798/21 P: het Front Polisario wordt door het litigieuze besluit niet rechtstreeks en individueel geraakt

101 De Commissie, met het tweede en het derde middel in zaak C‑778/21 P en de Raad, met het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel in zaak C‑798/21 P, betogen dat het Gerecht in punt 259 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het Front Polisario rechtstreeks werd geraakt door het litigieuze besluit in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU en, in punt 268 van het bestreden arrest, dat het Front Polisario individueel werd geraakt door dit besluit in de zin van deze bepaling.

Tweede middel in zaak C‑778/21 P en eerste onderdeel van het tweede middel in zaak C‑798/21 P: het Front Polisario wordt niet rechtstreeks door het litigieuze besluit geraakt

– Argumenten van partijen

102 De Raad en de Commissie betogen dat het Gerecht in punt 259 van het bestreden arrest ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat het Front Polisario rechtstreeks door het litigieuze besluit werd geraakt.

103 De Commissie betoogt met name dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat bepaalde gevolgen van het litigieuze besluit en de litigieuze overeenkomst voldeden aan de voorwaarden voor de vaststelling dat het Front Polisario rechtstreeks werd geraakt door het litigieuze besluit, terwijl de litigieuze overeenkomst, waarvan de goedkeuring namens de Unie het voorwerp vormde van dit besluit, zich beperkt tot het verlenen van toegang tot de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren in ruil voor een financiële tegenprestatie die een vergoeding voor de toegang, door de reders betaalde rechten en sectorale steun omvat, waarbij de afzonderlijke status van dit gebied wordt erkend en de uitkomst van het op het niveau van de VN gevoerde proces betreffende dit niet‑zelfbesturend gebied volledig open wordt gelaten.

104 De Commissie is van mening dat de redenering die het Gerecht in de punten 197 tot en met 235 van het bestreden arrest heeft gevolgd om de argumenten van de instellingen af te wijzen, in feite niet beoogt vast te stellen dat het litigieuze besluit het Front Polisario rechtstreeks raakt, maar veeleer dat de litigieuze overeenkomst van toepassing is op het grondgebied van de Westelijke Sahara en de aangrenzende wateren en dus gevolgen kan hebben voor het volk van de Westelijke Sahara. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 201 tot en met 216 van het bestreden arrest, alsmede in de punten 255 tot en met 258 daarvan, aangezien voor de exploitatie van de hulpbronnen of het gebruik van de financiële tegenprestatie bepaalde maatregelen noodzakelijk zijn. Anders zou de Westelijke Sahara geen profijt hebben bij de exploitatie van die hulpbronnen of de financiële tegenprestatie. Het enkele feit dat de maatregelen ter uitvoering van de litigieuze overeenkomst erdoor worden beheerst, betekent niet dat de rechtspositie van het volk van de Westelijke Sahara rechtstreeks wordt gewijzigd. Ook punt 217 van het bestreden arrest geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de marktdeelnemers niet rechtstreeks door de litigieuze overeenkomst worden geraakt zonder dat de bevoegde organen een reeks maatregelen hebben vastgesteld.

105 De Raad voegt hier in het bijzonder aan toe dat de in punt 196 van het bestreden arrest geformuleerde slotsom dat het bestaan van rechtstreekse gevolgen van het litigieuze besluit voor de rechtspositie van het Front Polisario, gelet op de aard van een besluit tot sluiting van een internationale overeenkomst en van de eigen rechtsgevolgen ervan, vanwege de inhoud van de litigieuze overeenkomst niet van meet af aan kan worden uitgesloten, berust op een motivering die blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

106 In de punten 184 en 192 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat een besluit betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst een bestanddeel van die overeenkomst vormt en rechtsgevolgen sorteert voor de andere partijen bij die overeenkomst, „aangezien het de aanvaarding door de Unie van de verbintenissen die zij jegens die partijen is aangegaan, formeel vastlegt”. Het litigieuze besluit heeft geen rechtsgevolgen buiten de interne rechtsorde van de Unie. Daarmee geeft de Unie uitdrukking aan haar instemming binnen de interne rechtsorde van de Unie, anders dan het Gerecht in punt 192 van het bestreden arrest heeft geoordeeld.

107 Het is de kennisgeving door de Unie, waarnaar zowel in artikel 17 van de visserijovereenkomst als in artikel 15 van het uitvoeringsprotocol en in artikel 2 van het litigieuze besluit uitdrukkelijk wordt verwezen, waartegen het Front Polisario voor het Gerecht had moeten opkomen, ervan uitgaande dat aan alle ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. De Raad betwist overigens dat in casu aan die voorwaarden is voldaan.

108 De Raad betwist ook de vaststelling van het Gerecht in punt 250 van het bestreden arrest dat aangezien de sluiting van de litigieuze overeenkomst het volk van de Westelijke Sahara raakt en zijn instemming vereist, het litigieuze besluit rechtstreekse gevolgen sorteert voor de rechtspositie van het Front Polisario als vertegenwoordiger van dat volk.

109 De Franse Republiek is van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van al meteen een reeks onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de rechtsgevolgen van een besluit van de Raad houdende sluiting van een internationale overeenkomst. Zij herinnert er, net als de Raad, aan dat de in punt 184 van het bestreden arrest geformuleerde oordeel dat een besluit betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst de instemming van de Unie belichaamt om door deze overeenkomst gebonden te zijn, weliswaar juist is in de rechtsorde van de Unie, maar dat op internationaal niveau alleen de kennisgeving van de voltooiing van de interne procedures aan de betrokken partij de instemming om door een overeenkomst gebonden te zijn tot uitdrukking brengt. Bovendien heeft het Gerecht blijk gegeven van een verdere reeks onjuiste rechtsopvattingen door te stellen dat de rechtspositie van het Front Polisario rechtstreeks was gewijzigd door de litigieuze overeenkomst zelf.

110 Evenzo steunen de CPMM, in de eerste plaats, de argumenten van de Raad wat betreft de beweerde onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht in de punten 185 tot en met 190 van het bestreden arrest, aangezien het besluit om een verdrag te sluiten niet de inwerkingtreding ervan impliceert. Bovendien strekt het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming niet tot uitbreiding van het vorderingsrecht van een niet‑Europese verzoeker ter verdediging van collectieve rechten naar internationaal recht. In de tweede plaats heeft het Gerecht, door te oordelen dat het Front Polisario „rechtstreeks” door het litigieuze besluit werd geraakt, het Front Polisario verward met het volk van de Westelijke Sahara.

111 Het Front Polisario weerspreekt dit betoog.

– Beoordeling door het Hof

112 Zoals in punt 89 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea van dat artikel vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen.

113 Zoals het Gerecht in punt 179 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, volgt uit vaste rechtspraak dat ter vervulling van de voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door het besluit waartegen beroep wordt ingesteld, aan twee cumulatieve criteria moet zijn voldaan. In de eerste plaats moet de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de particulier. In de tweede plaats mag aan de adressaten ervan die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid worden gelaten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (zie in die zin arresten van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

114 In de onderhavige zaak heeft het Front Polisario met zijn beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht beoogd het zelfbeschikkingsrecht van het volk van de Westelijke Sahara te beschermen, dat het Hof reeds heeft erkend in de punten 88, 91 en 105 van het arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario (C‑104/16 P, EU:C:2016:973). Aan de hand van de gevolgen van het litigieuze besluit en, bijgevolg, van de litigieuze overeenkomst voor de rechtspositie van dit volk, dat in de onderhavige zaken wordt vertegenwoordigd door het Front Polisario, moet worden onderzocht of het door dat besluit rechtstreeks wordt geraakt in de zin van de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak.

115 Hoewel het Front Polisario niet officieel is erkend als de exclusieve vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara, is het overeenkomstig de resoluties van de hoogste organen van de VN, waaronder de resoluties van de VN‑Veiligheidsraad, waarnaar in punt 35 van het onderhavige arrest wordt verwezen, namelijk een bevoorrechte gesprekspartner in het kader van het proces dat onder auspiciën van de VN wordt gevoerd om de toekomstige status van de Westelijke Sahara vast te stellen. Het Front Polisario neemt ook deel aan andere internationale fora om op te komen voor het zelfbeschikkingsrecht van dit volk.

116 Op grond van deze bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen dat het Front Polisario voor de rechterlijke instanties van de Unie de wettigheid kan betwisten van een handeling van de Unie die rechtstreekse gevolgen heeft voor de rechtspositie van het volk van de Westelijke Sahara in zijn hoedanigheid van houder van het zelfbeschikkingsrecht wanneer die handeling dat volk individueel raakt en, in het geval van een regelgevingshandeling, geen uitvoeringsmaatregelen omvat.

117 In die omstandigheden moet de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door het besluit waartegen hij beroep instelt, gelet op artikel 73 van het VN‑Handvest en het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, worden getoetst aan de rechtspositie van het volk van de Westelijke Sahara, dat in de onderhavige zaken wordt vertegenwoordigd door het Front Polisario.

118 In casu voldoen het litigieuze besluit en, bij uitbreiding, de litigieuze overeenkomst, gelet op de gevolgen ervan voor het zelfbeschikkingsrecht van het volk van de Westelijke Sahara, aan de in punt 113 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario, C‑104/16 P, EU:C:2016:973, punt 106).

119 Om te beginnen strekt dit besluit namelijk tot sluiting van een internationale overeenkomst waarvan de toepassing is voorzien in de wateren die grenzen aan een gebied ten aanzien waarvan het volk van de Westelijke Sahara zelfbeschikkingsrecht heeft. Het besluit heeft dus noodzakelijkerwijs gevolgen voor de rechten die dat volk met betrekking tot dat grondgebied heeft, met inbegrip van het recht om de natuurlijke rijkdommen ervan te exploiteren krachtens artikel 73 van het VN‑Handvest en het beginsel van het internationaal gewoonterecht van permanente soevereiniteit over de natuurlijke rijkdommen [zie in die zin IGH, zaak over de gewapende activiteiten op het grondgebied van Congo (Democratische Republiek Congo/Oeganda), arrest van 19 december 2005, ICJ Reports 2005, blz. 168, punt 244].

120 In het bijzonder erkent de Unie door middel van de litigieuze overeenkomst weliswaar niet de aanspraken van het Koninkrijk Marokko op soevereiniteit over het grondgebied van de Westelijke Sahara, maar wel de rechtsgevolgen in het Unierecht van de handelingen die de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko in dit niet‑zelfbesturende gebied hebben verricht met betrekking tot de „visserijzone”, in de zin van deze overeenkomst, die, zoals het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, overeenkomstig de definitie in artikel 1, onder h), ervan zowel de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit als de wateren die aan de Westelijke Sahara grenzen omvat. Bovendien raakt de invoering van een verdragsregeling waarbij een onvoorwaardelijk recht op een financiële tegenprestatie wordt ingesteld voor de toegang van vaartuigen van de Unie tot de visserijzone die de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren omvat, en die wordt geheven door een volkenrechtelijk subject dat niet de bevolking van het betrokken niet‑zelfbesturend gebied is en niet namens en ten voordele van haar optreedt, deze bevolking rechtstreeks aangezien dit haar soevereiniteit over de natuurlijke rijkdommen van dit gebied aantast.

121 Aangezien de Westelijke Sahara een niet‑zelfbesturend gebied is, valt de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen ervan immers onder artikel 73 van het VN‑Handvest en het beginsel van permanente soevereiniteit over de natuurlijke hulpbronnen. In dit verband bepaalt resolutie III van de Slotakte van de Derde Zeerechtconferentie van de VN, waarnaar in punt 11 van het onderhavige arrest wordt verwezen, dat „in het geval van een gebied waarvan de bevolking nog geen volledige onafhankelijkheid of een andere door de Verenigde Naties erkende vorm van zelfbestuur heeft verworven, of van een gebied onder koloniale overheersing, […] de toepassing van de bepalingen betreffende in het [Zeerechtverdrag] bedoelde rechten of belangen aan de bevolking van het betrokken gebied ten goede komen, teneinde het welzijn en de ontwikkeling van die bevolking te bevorderen”. In deze context moet de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van een niet‑zelfbesturend gebied, met inbegrip van de exploitatie van de visbestanden in de wateren die aan dat gebied grenzen, ten goede komen aan de bevolking van dat gebied.

122 Het door de CPMM aangevoerde feit dat de litigieuze overeenkomst niet bindend zou zijn voor de Westelijke Sahara, mocht dit land onafhankelijk worden, of dat deze overeenkomst hoe dan ook niet afdwingbaar is jegens de Westelijke Sahara of het Front Polisario, doet niets af aan de beoordeling dat het volk van de Westelijke Sahara rechtstreeks wordt geraakt door het litigieuze besluit en, bij uitbreiding, de litigieuze overeenkomst, aangezien de rechten van de bevolking van niet‑zelfbesturende gebieden bestaan uit hoofde van het VN‑Handvest, het Zeerechtverdrag en het internationale gewoonterecht, zelfs vóór de uitoefening van hun zelfbeschikkingsrecht.

123 Voorts is de Unie, na de inwerkingtreding van de litigieuze overeenkomst, verplicht de geldigheid te erkennen van de besluiten inzake vismachtigingen die door de Marokkaanse autoriteiten zijn verleend voor de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren. In dit verband bepaalt artikel 5 van de visserijovereenkomst dat de vaartuigen van de Unie slechts in de onder deze overeenkomst vallende visserijzone mogen vissen als zij in het bezit zijn van een vismachtiging die op grond van deze overeenkomst is afgegeven en dat de autoriteiten van het Koninkrijk Marokko uitsluitend op grond van deze overeenkomst vismachtigingen aan vaartuigen van de Unie afgeven.

124 Op grond van de litigieuze overeenkomst is de procedure voor het verkrijgen van een vismachtiging voor een vaartuig van de Unie vastgesteld in het uitvoeringsprotocol, waarvan de bijlage bepaalt dat de autoriteiten van de Unie aan het departement Zeevisserij van het ministerie van Landbouw, Zeevisserij, Plattelandsontwikkeling en Water‑ en Bosbeheer van het Koninkrijk Marokko de lijsten meedelen van de vaartuigen van de Unie die een aanvraag hebben ingediend voor het verrichten van visserijactiviteiten in de visserijzone die de aan de Westelijke Sahara grenzende wateren omvat.

125 Deze regeling is verbindend voor de Unie, zonder dat naast het litigieuze besluit een extra handeling moet worden vastgesteld die een beoordelingsbevoegdheid impliceert voor de autoriteiten die belast zijn met de uitvoering van deze overeenkomst die in zoverre louter automatisch geschiedt.

126 In deze context kan niet worden ingestemd met de argumenten van de Raad en de Franse Republiek die zijn gericht tegen de punten 184 en 192 van het bestreden arrest en volgens welke het door het Front Polisario bij het Gerecht ingestelde beroep niet gericht had moeten zijn tegen het besluit betreffende de sluiting van de litigieuze overeenkomst, maar tegen de kennisgeving door de Unie aan het Koninkrijk Marokko van de goedkeuring van deze overeenkomst.

127 Het besluit over de sluiting van een internationale overeenkomst vormt immers een definitieve handeling in de interne rechtsorde van de Unie en geeft uiting aan de wil van de Unie om door die overeenkomst gebonden te zijn [zie in die zin advies 2/00 (Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid) van 6 december 2001, EU:C:2001:664, punt 5]. Volgens vaste rechtspraak is dit besluit een voor beroep vatbare handeling, met dien verstande dat het Hof niet bevoegd is om een internationale overeenkomst nietig te verklaren (zie in die zin arrest van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK, C‑266/16, EU:C:2018:118, punten 45‑51). De kennisgeving van de goedkeuring van een dergelijke overeenkomst aan de andere overeenkomstsluitende partij vormt daarentegen een uitvoeringsmaatregel die in beginsel moet worden beschouwd als een niet voor beroep vatbare handeling.

128 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht in punt 259 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat het Front Polisario door het litigieuze besluit rechtstreeks werd geraakt.

129 Bijgevolg moeten het tweede middel in zaak C‑778/21 P en het eerste onderdeel van het tweede middel in zaak C‑798/21 P ongegrond worden verklaard.

Derde middel in zaak C‑778/21 P en tweede onderdeel van het tweede middel in zaak C‑798/21 P: het Front Polisario wordt niet individueel geraakt door het litigieuze besluit

– Argumenten van partijen

130 De Raad en de Commissie, alsmede de Franse Republiek en de CPMM zijn van mening dat het Gerecht in punt 268 van het bestreden arrest ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat het Front Polisario door het litigieuze besluit individueel werd geraakt.

131 De Commissie wijst er met name op dat het Gerecht zich in punt 265 van het bestreden arrest beperkt tot een verwijzing naar de overwegingen betreffende de voorwaarde dat het Front Polisario door het litigieuze besluit rechtstreeks werd geraakt, die, zoals zij in het tweede middel in zaak C‑779/21 P heeft aangevoerd, blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook de Raad betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen die tevens de slotsom dat het Front Polisario individueel werd geraakt door het litigieuze besluit onderuithalen.

132 Voorts komt zowel de Raad als de Commissie op tegen de verwerping door het Gerecht, in punt 266 van het bestreden arrest, van de relevantie van het arrest van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen (C‑142/00 P, EU:C:2003:217), waarin het Hof – volgens deze instellingen – heeft verklaard dat het algemene belang dat een land of gebied overzee (LGO) als bevoegde entiteit voor de economische en sociale vraagstukken op zijn grondgebied, kan hebben bij de verkrijging van een voor de economische welvaart van dit grondgebied gunstig resultaat, op zich niet volstaat om dit LGO als individueel geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU te beschouwen.

133 De Commissie wijst er in dit verband op dat het door het Gerecht gemaakte onderscheid tussen de in dat arrest aan de orde zijnde situatie en die in de onderhavige zaak kunstmatig en rechtens onjuist is, aangezien de in dat arrest bestreden handeling alleen betrekking had op de LGO’s, waarvan sommige niet‑zelfbesturende gebieden zijn of waren. Het kan niet worden aanvaard dat de regering van de Nederlandse Antillen niet gerechtigd is om een handeling van de Unie aan te vechten die haar grondgebied economisch raakt terwijl het Front Polisario dat wel zou zijn, omdat anders bewegingen die streven naar onafhankelijkheid van een grondgebied of die in conflict zijn met een staat meer rechten zouden hebben dan regionale regeringen.

134 De Raad is op zijn beurt van mening dat de motivering van het Gerecht niet beantwoordt aan het argument dat hij heeft ontleend aan het arrest van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen (C‑142/00 P, EU:C:2003:217), waarbij hij eraan herinnert in zijn memorie van dupliek bij het Gerecht te hebben aangevoerd dat uit dit arrest volgt dat, zelfs in de veronderstelling dat het Front Polisario een entiteit is die bevoegd is voor economische aangelegenheden betreffende de Westelijke Sahara, quod non, deze status niet volstaat om het aan te merken als individueel geraakt door de litigieuze overeenkomst.

135 Het Front Polisario weerspreekt dit betoog.

– Beoordeling door het Hof

136 Uit vaste rechtspraak volgt dat andere personen dan de adressaten van een beslissing slechts kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, indien deze beslissing, waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, hen raakt uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (arrest van 18 oktober 2018, Internacional de Productos Metálicos/Commissie, C‑145/17 P, EU:C:2018:839, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

137 Gelet op de overwegingen in de punten 114 tot en met 118 van het onderhavige arrest moet worden vastgesteld dat het volk van de Westelijke Sahara, in de onderhavige zaken vertegenwoordigd door het Front Polisario, door het litigieuze besluit individueel wordt geraakt, voor zover de uitdrukkelijke opneming van het grondgebied van de Westelijke Sahara in de werkingssfeer van de litigieuze overeenkomst, die krachtens het litigieuze besluit bindend is voor de Unie, de rechtspositie van dit volk wijzigt op grond van zijn status als houder van het zelfbeschikkingsrecht met betrekking tot dit gebied. Deze status karakteriseert het namelijk ten opzichte van elke andere persoon of entiteit, met inbegrip van elk ander volkenrechtelijk subject.

138 Het betoog van de Commissie en de Raad met betrekking tot het arrest van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen (C‑142/00 P, EU:C:2003:217), waarin het Hof heeft verklaard dat het algemene belang dat een LGO als bevoegde entiteit voor de economische en sociale vraagstukken op zijn grondgebied, kan hebben bij de verkrijging van een voor de economische welvaart van dit grondgebied gunstig resultaat, op zich niet volstaat om dit LGO in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het EG‑Verdrag (thans artikel 263, vierde alinea, VWEU) als individueel geraakt te beschouwen, moet terzijde worden geschoven. Het Gerecht heeft zijn oordeel dat het Front Polisario individueel wordt geraakt door het litigieuze besluit en, bij uitbreiding, door de litigieuze overeenkomst, namelijk niet gebaseerd op de economische gevolgen van die overeenkomst, maar veeleer op het feit dat die organisatie het volk van de Westelijke Sahara vertegenwoordigt als de houder van het zelfbeschikkingsrecht met betrekking tot dat gebied.

139 Bijgevolg moet het derde middel in zaak C‑778/21 P ongegrond worden verklaard. Evenzo moet het tweede onderdeel van het tweede middel in zaak C‑798/21 P ongegrond worden verklaard en moet dit middel bijgevolg in zijn geheel worden afgewezen.

Vierde middel in zaak C‑778/21 P en vierde middel in zaak C‑798/21 P: onjuiste rechtsopvattingen inzake de omvang van de rechterlijke toetsing en de instemming van het volk van de Westelijke Sahara met de litigieuze overeenkomst

Argumenten van partijen

140 Met hun respectieve vierde middel verwijten de Raad en de Commissie het Gerecht blijk te hebben gegeven van een reeks onjuiste rechtsopvattingen die verband houden met een verkeerde uitlegging en toepassing van het internationale recht, de omvang van de beoordelingsmarge van de Raad in de externe betrekkingen met name wat betreft het vereiste van instemming van het volk van de Westelijke Sahara in casu, schending van het gezag van de handelingen, verdraaiing van de argumenten van de Raad en schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 53, eerste alinea, ervan.

141 De Commissie betoogt dat het Gerecht in de punten 304 tot en met 365 van het bestreden arrest in strijd met het Unierecht absolute en extreme werking heeft verleend aan het beginsel van de relatieve werking van verdragen, gelezen in samenhang met het zelfbeschikkingsrecht, door het arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario (C‑104/16 P, EU:C:2016:973), onjuist op te vatten en voorbij te gaan aan de rechtspraak betreffende de beoordelingsmarge waarover de Raad beschikt op het gebied van de externe betrekkingen, in het bijzonder met betrekking tot het internationale gewoonterecht.

142 Volgens de Commissie draaien deze fouten rond vier hoofdgrieven, te weten, ten eerste, onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de omvang van de rechterlijke toetsing, de beoordelingsmarge van de instellingen en de noodzaak om het bestaan van een kennelijke fout aan te tonen om het litigieuze besluit ongeldig te verklaren wegens de gestelde onverenigbaarheid ervan met de regels van internationaal recht; ten tweede, onjuiste rechtsopvattingen als gevolg van het ontbreken, in de specifieke context van de zaak, van een vereiste van instemming van het volk van de Westelijke Sahara; ten derde, zelfs in de veronderstelling dat een dergelijke instemming van het volk van de Westelijke Sahara noodzakelijk is om de geldigheid van het litigieuze besluit te bevestigen, onjuiste rechtsopvattingen omdat het door het Gerecht gebruikte begrip „instemming” te strikt is, en, ten vierde, onjuiste rechtsopvattingen door de aanduiding van het Front Polisario als de entiteit die een dergelijke instemming dient te geven, gelet op zijn beperkte status en representativiteit. De Commissie stelt in het kader van deze vier grieven dat het Gerecht het internationaal gewoonterecht niet correct heeft vastgesteld, hoewel het daartoe in de context van de onderhavige zaak verplicht was.

143 De Commissie merkt op dat elk besluit om een overeenkomst met een derde land te sluiten een beoordeling impliceert, overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van het externe optreden als bedoeld in artikel 21 VEU, van de belangen van de Unie in de context van de betrekkingen met het betrokken derde land en een afweging van de uiteenlopende belangen in die betrekkingen. De Raad beschikt over een ruime beoordelingsmarge om de doelstelling van bevordering van de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten af te wegen tegen de andere doelstellingen die aan het optreden van de Unie op het internationale toneel ten grondslag liggen en de andere belangen van de Unie. De rechterlijke toetsing in dit verband moet noodzakelijkerwijs beperkt blijven tot de vraag of de instellingen van de Unie bij de vaststelling van de betrokken handeling kennelijke beoordelingsfouten hebben gemaakt met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van die beginselen.

144 Het Gerecht heeft evenwel de beoordelingsmarge van de Raad tot nul gereduceerd door absolute waarde toe te kennen aan de voorwaarde van uitdrukkelijke instemming van het Front Polisario, waarvan de grondslag in het internationaal publiekrecht niet vaststaat. Door niet naar artikel 21 VEU te verwijzen is het voorbijgegaan aan de breedte en de diversiteit van de doelstellingen die de Raad krachtens dit artikel in aanmerking moet nemen. Daarmee heeft het Gerecht de grenzen van zijn rechterlijke toetsing overschreden.

145 In dit verband heeft het Gerecht de gevolgen die moeten worden verbonden aan het arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario (C‑104/16 P, EU:C:2016:973), onjuist uitgelegd. Uit het in dat arrest bevestigde recht op zelfbeschikking van de Westelijke Sahara kan niet worden afgeleid dat de uitsluitend bij monde van het Front Polisario te geven uitdrukkelijke instemming van het volk van dat gebied is vereist opdat een internationale overeenkomst die door de Unie is gesloten met een staat die in dat gebied optreedt als bestuurlijke mogendheid en die daartoe bevoegd is, een dergelijk gebied kan bestrijken.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in