Gerecht EU 4 april 2019, T-108/17, ECLI:EU:T:2019:215
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
4 april 2019 ( *1 )
„REACH – Verordening (EG) nr. 1907/2006 – Bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) – Afwijzing van een verzoek tot interne herziening van een besluit tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen – Onjuiste rechtsopvatting – Kennelijke beoordelingsfout – Artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006”
In zaak T‑108/17,
ClientEarth, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. Jones, barrister,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara, R. Lindenthal en K. Mifsud-Bonnici als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), vertegenwoordigd door M. Heikkilä en W. Broere als gemachtigden,
interveniënt,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de brief van de Commissie van 7 december 2016, waarin deze instelling een verzoek tot interne herziening heeft afgewezen dat verzoekster op 2 augustus 2016 had ingediend tegen uitvoeringsbesluit C(2016) 3549 final van de Commissie van 16 juni 2016, waarin uit hoofde van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad een autorisatie voor vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) is verleend,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, A. Dittrich (rapporteur) en I. Ulloa Rubio, rechters,
griffier: F. Oller, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 september 2018,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Met de vaststelling van verordening (EU) nr. 143/2011 van de Commissie van 17 februari 2011 tot wijziging van bijlage XIV bij verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB 2011, L 44, blz. 2) heeft de Europese Commissie bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP), een organische verbinding die hoofdzakelijk wordt gebruikt om kunststoffen op basis van polyvinylchloride (pvc) te verzachten, in bijlage XIV bij die verordening opgenomen vanwege de toxische eigenschappen van deze stof voor de voortplanting in de zin van artikel 57, onder c), van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3).
2 Op 13 augustus 2013 hebben drie afvalrecyclingsondernemingen (hierna: „autorisatieaanvraagsters”) volgens artikel 62 van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 60, lid 2, van deze verordening, een gezamenlijke autorisatieaanvraag (hierna: „autorisatieaanvraag”) ingediend met het oog op het in de handel brengen van DEHP voor de volgende „vormen van gebruik”: – „formulering van DEHP-houdend gerecycled zacht polyvinylchloride (pvc) in verbindingen en droge mengsels; – industrieel gebruik van DEHP-houdend gerecycled zacht pvc bij de verwerking van polymeren door kalanderen, extruderen, persen en spuitgieten voor de vervaardiging van voorwerpen met pvc”.
3 In de bij de autorisatieaanvraag gevoegde analyse van de alternatieven hebben de autorisatieaanvraagsters het volgende aangegeven: „DEHP wordt al tientallen jaren als weekmaker gebruikt voor de vervaardiging van weekgemaakt of zacht pvc. […] DEHP wordt dus aan het pvc toegevoegd voordat de kunststof wordt omgezet in kunststoffen voorwerpen en voordat deze kunststoffen voorwerpen afvalstoffen worden, te weten een product met een potentiële waarde voor [de autorisatieaanvraagsters]. In strikte zin speelt DEHP derhalve geen enkele specifieke functionele rol voor de [de autorisatieaanvraagsters]; [DEHP] is enkel aanwezig als (grotendeels ongewenste) onzuiverheid in het afval dat wordt ingezameld, gesorteerd en verwerkt en vervolgens in de vorm van ‚recyclaat’ in de handel wordt gebracht. De beperkte aanwezigheid van DEHP (of andere weekmakers) in het gerecyclede product kan downstreamgebruikers (pvc-verwerkers) theoretisch echter bepaalde voordelen bieden: – hiermee kan de verwerking van de te recyclen grondstof in nieuwe voorwerpen van pvc worden vergemakkelijkt; en – pvc-verwerkers hoeven minder zuiver (of ‚nieuw geproduceerd’) DEHP (of andere weekmakers) aan hun verbindingen toe te voegen voor de vervaardiging van nieuwe voorwerpen met zacht pvc.”
4 In de autorisatieaanvraag hebben de autorisatieaanvraagsters tevens gesteld dat „DEHP voor [hen] geen enkele specifieke functionele rol vervult”. Deze stof is volgens hen enkel aanwezig als (grotendeels ongewenste) onzuiverheid in afval dat wordt ingezameld, gesorteerd en verwerkt en dat vervolgens in de vorm van recyclaat in de handel wordt gebracht. Uit deze autorisatieaanvraag blijkt eveneens dat de geringe hoeveelheid DEHP in het recyclaat ervoor zorgt dat het eenvoudiger tot nieuwe pvc-voorwerpen kan worden verwerkt doordat er vóór de vervaardiging van nieuwe voorwerpen van zacht pvc minder zuiver of nieuw geproduceerd DEHP of andere weekmakers aan de verbindingen hoeven te worden toegevoegd.
5 Op 10 oktober 2014 hebben het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) hun adviezen over de autorisatieaanvraag uitgebracht. Volgens het Comité risicobeoordeling hadden de autorisatieaanvraagsters niet aangetoond dat de risico’s voor de gezondheid van werknemers die het gevolg zijn van de twee aangevraagde „vormen van gebruik” afdoende werden beheerst in de zin van artikel 60, lid 2, van verordening nr. 1907/2006. Het Comité sociaaleconomische analyse is echter tot de slotsom gekomen dat, ondanks bepaalde tekortkomingen in de analyse die de autorisatieaanvraagsters hadden overgelegd ten bewijze van de sociaaleconomische voordelen van de „vormen van gebruik” waarvoor de autorisatieaanvraag was ingediend, en op grond van een „kwalitatieve analyse” waarin onder meer de relevante onzekerheden waren opgenomen, de autorisatie in casu kon worden verleend.
6 Op 22 oktober 2014 hebben het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse van ECHA een gemeenschappelijke en geconsolideerde versie van hun adviezen in één document vervat. Dit document, met de referentie „ECHA/CER/CASE avis no AFA-0‑0000004151‑87‑17/D”, is getiteld „Avis relatif à une demande d’autorisation en vue de l’utilisation du phtalate de bis (2-éthylhexyle) (DEHP): [f]ormulation de PVC souple recyclé contenant du DEHP dans des composés et des mélanges secs” [Advies inzake een autorisatieaanvraag voor een vorm van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP): formulering van DEHP-houdend gerecycled zacht pvc in verbindingen en droge mengsels]. Op 24 oktober 2014 heeft ECHA dit geconsolideerde gezamenlijke advies aan de Commissie toegezonden.
7 Op 12 december 2014 heeft ECHA de bestaande vermelding van DEHP in de in artikel 59, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 bedoelde „lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV te worden opgenomen” (hierna: „lijst van in aanmerking komende stoffen”) geactualiseerd en aangevuld en DEHP geïdentificeerd als een stof met hormoonontregelende eigenschappen ten aanzien waarvan wetenschappelijke aanwijzingen werden gevonden voor waarschijnlijk ernstige gevolgen voor het milieu die even zorgwekkend zijn als die van andere stoffen die in artikel 57, onder a) tot en met e), van verordening nr. 1907/2006 zijn opgesomd, in de zin van artikel 57, onder f), van die verordening.
8 De autorisatieaanvraag is ook binnen het in artikel 133 van verordening nr. 1907/2006 bedoelde comité besproken.
9 Op 16 juni 2016 heeft de Commissie uitvoeringsbesluit C(2016) 3549 final vastgesteld tot verlening van autorisatie voor vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig verordening nr. 1907/2006 (hierna: „autorisatiebesluit”). In artikel 1 van dit besluit heeft de Commissie een autorisatie verleend voor de volgende „vormen van gebruik”: – „formulering van DEHP-houdend gerecycled zacht polyvinylchloride (pvc) in verbindingen en droge mengsels; – industrieel gebruik van gerecycled zacht pvc met DEHP bij polymeerverwerking door kalanderen, extruderen, persen en spuitgieten voor de productie van voorwerpen met pvc, behalve: speelgoed en kinderverzorgingsartikelen; vlakgom; speelgoed voor volwassenen (seksspeeltjes en andere voorwerpen voor volwassenen waarbij intensief contact met de slijmvliezen plaatsvindt); huishoudartikelen kleiner dan 10 cm waarop kinderen kunnen zuigen of kauwen; artikelen van textiel en kleding bestemd om rechtstreeks in contact met de huid te worden gedragen; cosmetica en met levensmiddelen in contact komende materialen die onder sectorspecifieke wetgeving van de Unie vallen”.
10 Volgens artikel 1 van het autorisatiebesluit is de autorisatie in wezen verleend op grond van artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006, op voorwaarde dat de risicobeheersmaatregelen en de werkomstandigheden zoals omschreven in het chemischeveiligheidsrapport dat overeenkomstig artikel 62, lid 4, onder d), van die verordening is overgelegd, voor elke respectieve vorm van gebruik volledig worden toegepast, en op voorwaarde dat het DEHP-gehalte in het gerecyclede zachte pvc in verbindingen en droge mengsels niet meer dan 20 gewichtsprocent bedraagt.
11 In artikel 2 van het autorisatiebesluit heeft de Commissie de in artikel 60, lid 9, onder e), van verordening nr. 1907/2006 bedoelde herbeoordelingstermijn van de autorisatie vastgesteld op vier jaar na de in bijlage XIV bij verordening nr. 1907/2006 vastgelegde verbodsdatum, te weten 21 februari 2019. In artikel 3 van het autorisatiebesluit heeft de Commissie een toezichtregeling in de zin van artikel 60, lid 9, onder f), van verordening nr. 1907/2006 opgelegd.
12 In artikel 4 van het autorisatiebesluit heeft de Commissie gepreciseerd dat dit besluit gericht was tot de autorisatieaanvraagsters.
13 In overweging 8 van het autorisatiebesluit heeft de Commissie verklaard dat verordening nr. 1907/2006 „niet van toepassing [was] op afval zoals omschreven in richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad” en dat „de autorisatie voor het in de handel brengen en het gebruik van verbindingen en droge mengsels van DEHP-houdend gerecycled zacht pvc […] overeenkomstig artikel 64 van [verordening nr. 1907/2006] van toepassing [was] voor zover deze verbindingen en droge mengsels overeenkomstig artikel 6 van deze richtlijn niet langer afvalstoffen [waren]”.
14 Krachtens artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13), heeft verzoekster, ClientEarth, een organisatie zonder winstoogmerk die zich onder meer inzet voor milieubescherming, bij brief van 2 augustus 2016 (hierna: „verzoek tot interne herziening”) de Commissie om een interne herziening van het autorisatiebesluit verzocht.
15 Bij besluit C(2016) 8454 final van 7 december 2016 (hierna: „besluit inzake het verzoek tot interne herziening”) heeft de Commissie het verzoek tot interne herziening in wezen ongegrond verklaard en dus afgewezen.
Procedure en conclusies van partijen
16 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 februari 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
17 Het verweerschrift is op 4 mei 2017 neergelegd ter griffie van het Gerecht.
18 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 mei 2017, heeft ECHA verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Gerecht van 29 juni 2017 is het verzoek om toelating tot interventie toegewezen.
19 De repliek en de dupliek zijn respectievelijk op 22 juni en 21 augustus 2017 neergelegd ter griffie van het Gerecht.
20 Op 21 augustus 2017 heeft ECHA zijn memorie in interventie ter griffie van het Gerecht neergelegd.
21 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; – het besluit inzake het verzoek tot interne herziening nietig te verklaren; – het autorisatiebesluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten; – „alle andere dienstig geachte maatregelen te gelasten”.
22 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
23 ECHA verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Verzoek tot nietigverklaring van het autorisatiebesluit
24 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid uit hoofde van artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op te werpen, betoogt de Commissie, ondersteund door ECHA, dat het onderhavige beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is voor zover verzoekster met haar derde vordering om nietigverklaring van het autorisatiebesluit verzoekt.
25 Ten eerste is het autorisatiebesluit volgens de Commissie in wezen niet het voorwerp van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. Ten tweede heeft verzoekster geen procesbevoegdheid om op grond van artikel 263 VWEU tegen het autorisatiebesluit op te komen.
26 Ter terechtzitting heeft verzoekster verduidelijkt dat zij niet rechtstreeks opkwam tegen het autorisatiebesluit, omdat zij van mening was dat zij niet over de vereiste procesbevoegdheid beschikte om op grond van artikel 263 VWEU een beroep tegen dit besluit in te stellen. Derhalve moet worden vastgesteld dat het autorisatiebesluit niet het voorwerp van het onderhavige beroep is voor zover het op artikel 263 VWEU is gebaseerd.
27 Niettemin stelt verzoekster ten eerste dat een eventuele nietigverklaring van het besluit inzake het verzoek tot interne herziening logischerwijs moet leiden tot nietigverklaring van het autorisatiebesluit.
28 In dit verband zij erop gewezen dat het in de Verdragen neergelegde systeem van rechterlijke toetsing het Gerecht niet de mogelijkheid biedt besluiten nietig te verklaren waartegen niet rechtstreeks een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU is ingesteld.
29 Ten tweede stelt verzoekster dat het Gerecht op grond van artikel 266, eerste alinea, VWEU in ieder geval bevoegd is om de Commissie, bij wijze van maatregel welke nodig is ter uitvoering van het arrest in de onderhavige procedure, tot „intrekking” van het autorisatiebesluit te verplichten. Om die reden heeft verzoekster ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij de derde vordering wenste te handhaven.
30 Voor zover verzoekster verwijst naar het feit dat het Gerecht de Commissie beweerdelijk op grond van artikel 266, eerste alinea, VWEU kan verzoeken om het autorisatiebesluit „in te trekken”, moet worden opgemerkt dat verzoekster die bepaling onjuist uitlegt. In de eerste plaats houdt een nietigverklaring van het autorisatiebesluit door het Gerecht, waarom verzoekster met haar derde vordering verzoekt, namelijk geen enkel verband met een eventuele intrekking van dit besluit door de Commissie. In de tweede plaats verleent deze bepaling het Gerecht geen bevoegdheid die verder reikt dan de uitdrukkelijk in de Verdragen neergelegde rechterlijke bevoegdheden. Anders dan verzoekster lijkt te suggereren, heeft artikel 266, eerste alinea, VWEU uitdrukkelijk betrekking op de verplichting voor de instelling, het orgaan of de instantie waarvan de handeling nietig is verklaard door de rechter van de Europese Unie om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring. Volgens de rechtspraak staat het niet aan de Unierechter om bevelen tot de instellingen van de Unie te richten of zich bij de door hem uitgeoefende rechterlijke toetsing in hun plaats te stellen (zie arrest van 30 mei 2013, Omnis Group/Commissie, T‑74/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:283, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu staat het dan ook niet aan het Gerecht om bevelen tot de Commissie te richten indien het besluit inzake het verzoek tot interne herziening nietig wordt verklaard, noch om het autorisatiebesluit in te trekken.
31 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de derde vordering kennelijk niet-ontvankelijk is en derhalve moet worden afgewezen.
Verzoek tot nietigverklaring van het besluit inzake het verzoek tot interne herziening
32 Voor zover het beroep strekt tot nietigverklaring van het besluit inzake het verzoek tot interne herziening, zoals blijkt uit de tweede vordering, voert verzoekster vier middelen aan.
33 Met haar eerste middel stelt verzoekster dat in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening blijk van onjuiste rechtsopvattingen is gegeven en kennelijke beoordelingsfouten zijn gemaakt met betrekking tot de vraag of de autorisatieaanvraag aan artikel 62 en aan artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 voldeed. Met haar tweede middel voert verzoekster aan dat in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening blijk van onjuiste rechtsopvattingen is gegeven en kennelijke beoordelingsfouten zijn gemaakt met betrekking tot de sociaaleconomische beoordeling op grond van artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006. Het derde middel betreft kennelijke beoordelingsfouten in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening met betrekking tot de analyse van de alternatieven zoals bedoeld in artikel 60, leden 4 en 5, van verordening nr. 1907/2006. Met haar vierde middel betoogt verzoekster dat in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening blijk van onjuiste rechtsopvattingen is gegeven en kennelijke beoordelingsfouten zijn gemaakt bij de toepassing van het voorzorgsbeginsel in het kader van de in verordening nr. 1907/2006 neergelegde autorisatieprocedure.
Eerste middel: onjuiste rechtsopvattingen en beoordelingsfouten met betrekking tot de vraag of de autorisatieaanvraag aan artikel 62 en artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 voldeed
34 Het eerste middel bestaat uit vier onderdelen die ertoe strekken aan te tonen dat in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening blijk van onjuiste rechtsopvattingen is gegeven en kennelijke beoordelingsfouten zijn gemaakt met betrekking tot de vraag of de autorisatieaanvraag aan artikel 62 en aan artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 voldeed; ten eerste met betrekking tot de uitlegging van het begrip „gebruik” in artikel 62, lid 4, onder c), van verordening nr. 1907/2006, ten tweede in verband met de beweerdelijke ontoereikendheid van het chemischeveiligheidsrapport, ten derde in verband met beweerdelijke tekortkomingen in de beoordeling van passende alternatieven en ten vierde bij de uitlegging van artikel 60, lid 7, en artikel 64, lid 3, van verordening nr. 1907/2006.
– Eerste onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen en beoordelingsfouten met betrekking tot de uitlegging van het begrip „gebruik” in artikel 56, lid 1, onder a), en in artikel 62, lid 4, onder c), van verordening nr. 1907/2006
35 In de eerste plaats betoogt verzoekster dat de autorisatieaanvraagsters de „vormen van gebruik van die stof” niet hebben gedefinieerd, zoals op grond van artikel 56, lid 1, onder a), van verordening nr. 1907/2006 vereist is. Ook de Commissie heeft het begrip „gebruik” zoals bedoeld in artikel 56, lid 1, onder a), van verordening nr. 1907/2006 en in artikel 62, lid 4, onder c), van die verordening volgens haar onjuist uitgelegd.
36 Ten eerste heeft dit begrip volgens verzoekster betrekking op gevallen waarin wordt verzocht om een autorisatie voor actief gebruik of invoering van een stof „in een industrieel proces”. De begrippen „actief gebruik” en „invoering van een stof in een industrieel proces” verwijzen naar opzettelijk gebruik. De tegengestelde variant van dit actieve gebruik is het geval waarin de stof zonder meer aanwezig is, als toevallig onderdeel van een reeds bestaand proces. Volgens verzoekster kan de voortdurende en toevallige aanwezigheid van een stof in een reeds bestaand proces niet als „gebruik” in eigenlijke zin worden aangemerkt.
37 De autorisatieaanvraag is in het onderhavige geval volgens haar ingediend voor „vormen van gebruik van DEHP-houdend gerecycled pvc”. Gelet op de aanwijzingen in de autorisatieaanvraag en in de analyse van de alternatieven van de autorisatieaanvraagsters kan worden vastgesteld dat de autorisatieaanvraagsters niet om autorisatie voor actief gebruik of invoering van DEHP in een door hen opgezet „industrieel proces” hebben verzocht. De autorisatieaanvraag heeft betrekking op de loutere onopzettelijke aanwezigheid van een stof in een reeds bestaand proces en niet op een vorm van „gebruik” in de zin van verordening nr. 1907/2006. De autorisatieaanvraagsters doelen in werkelijkheid slechts op een proces voor het inzamelen, verwerken en op de markt brengen van kunststofafval dat als bijkomend bestanddeel een bepaald DEHP-gehalte bevat. Met andere woorden, er is in casu sprake van vormen van gebruik van DEHP-houdend gerecycled pvc, dat wil zeggen van „verwerking van kunststofafval”, in tegenstelling tot verwerking van DEHP als zodanig.
38 De Commissie heeft blijk gegeven van een „kennelijk” onjuiste rechtsopvatting door in haar besluit inzake het verzoek tot interne herziening de door de autorisatieaanvraagsters voorgestane uitlegging van het begrip „gebruik” te volgen. Zo heeft de Commissie in werkelijkheid en ten onrechte een autorisatie verleend voor een „proces in zijn geheel”, namelijk „recycling van materialen die een zeer zorgwekkende stof bevatten”, terwijl op grond van verordening nr. 1907/2006 alleen een autorisatie kan worden verleend voor opzettelijk gebruik van een zeer zorgwekkende stof in de zin van artikel 57 van verordening nr. 1907/2006 in een industrieel proces.
39 In antwoord op een van de argumenten van de Commissie dat de autorisatie was verleend voor een stof zoals vervat „in een mengsel”, voert verzoekster aan dat de woordgroep „in een mengsel” in artikel 56, lid 1, onder a), van verordening nr. 1907/2006 veeleer moet worden uitgelegd als het gebruik van „de individuele stof in het mengsel” en niet als het gebruik van „het mengsel in zijn geheel”. Verzoekster is van mening dat het gebruik van het mengsel weliswaar relevant is om inzicht te krijgen in de toegevoegde waarde en de functie van de stof in het mengsel, maar dat de autorisatieaanvraag had moeten zijn toegespitst op het specifieke gebruik van de stof zelf in dit mengsel. Dat is in casu echter niet het geval geweest.
40 Bovendien is een van de redenen waarom het van belang is dat de aanvrager van een autorisatie uit hoofde van verordening nr. 1907/2006 het gebruik van de „zeer zorgwekkende stof in een mengsel” in plaats van het „gebruik van het mengsel” in aanmerking neemt, dat de juistheid van de analyse van de alternatieven en de sociaaleconomische beoordeling afhangt van de definitie van het gebruik. In het onderhavige geval hebben de autorisatieaanvraagsters in hun analyse van de alternatieven niet onderzocht welke stoffen of technologieën als vervanging voor het gebruik van DEHP in het mengsel konden dienen. Daarentegen is in de autorisatieaanvraag enkel ingegaan op andere manieren waarop een DEHP-vrij mengsel – te weten DEHP-vrij pvc – hetzij door scheiding of verwijdering, hetzij uit andere bronnen, kon worden verkregen.
41 Ten slotte betoogt de Commissie ten onrechte dat de in de punten 36 tot en met 38 hierboven vermelde argumenten van verzoekster niet in het verzoek tot interne herziening zijn aangevoerd. In het verzoek tot interne herziening heeft verzoekster uiteengezet dat de definitie van de term „gebruik” moet worden uitgelegd als een verwijzing naar een „technische functie” van de betrokken stof, in tegenstelling tot de stelling van de autorisatieaanvraagsters dat zij „de stof [DEHP] zelf niet gebruiken [en dat deze] louter als (grotendeels ongewenste) onzuiverheid aanwezig is”. Verzoekster preciseert dat zij in punt 49 van haar verzoek tot interne herziening heeft aangegeven dat het op grond van het autorisatiebesluit niet was toegestaan „DEHP, afzonderlijk of in een mengsel, te blijven gebruiken”, ook al heeft zij de term „actief” in dit verband niet gebruikt. Met andere woorden, zij heeft erop gewezen dat het op grond van het autorisatiebesluit niet was toegestaan om DEHP actief te gebruiken.
42 Ten tweede heeft de Commissie geprobeerd om DEHP-gebruik in overeenstemming met verordening nr. 1907/2006 vast te stellen door aan de autorisatieaanvraag de aanduiding van een functie van DEHP toe te kennen die moeilijk verenigbaar is met verordening nr. 1907/2006.
43 In het besluit inzake het verzoek tot interne herziening heeft de Commissie namelijk gesteld dat er onderscheid moest worden gemaakt tussen de „aanwezigheid van DEHP in afval […] en de functie van de stof in het teruggewonnen materiaal dat niet langer een afvalstof is”. Volgens de Commissie bestaat de relevante functie van DEHP in het teruggewonnen materiaal erin „de hoeveelheid weekmakers terug te dringen die moet worden toegevoegd voor de vervaardiging van voorwerpen van zacht pvc op basis van gerecycled zacht pvc-materiaal”.
44 Deze functie is als zodanig niet in de autorisatieaanvraag vermeld. De autorisatieaanvraagsters hebben juist uitdrukkelijk verklaard dat „DEHP voor [hen] geen enkele specifieke functionele rol vervult”. De door de Commissie geanalyseerde functie van DEHP vormt dus geen afspiegeling van de autorisatieaanvraag.
45 Bovendien en bovenal kan het feit dat de hoeveelheid van een zeer zorgwekkende, nieuw geproduceerde stof die via een zeer zorgwekkende gerecyclede stof als weekmaker wordt gebruikt, wordt teruggedrongen, niet als een „functie” worden aangemerkt die krachtens verordening nr. 1907/2006 kan worden toegestaan.
46 Als deze redenering buiten de onderhavige zaak zou worden gevolgd, zou – aldus verzoekster – elke zeer zorgwekkende stof die in gerecycled materiaal aanwezig is, deze functie vervullen, namelijk het terugdringen van de hoeveelheid nieuw geproduceerde, zeer zorgwekkende stof in het materiaal. Deze redenering zou tot gevolg hebben dat elk gebruik van een zeer zorgwekkende stof die in teruggewonnen materiaal aanwezig is, louter op grond van het feit dat gerecycled materiaal is gebruikt, zou worden toegestaan. In die omstandigheden moeten alle autorisatieaanvragen voor het gebruik van gerecyclede materialen worden toegekend. Het autoriseren van „recycling van materialen die een zeer zorgwekkende stof bevatten” druist echter rechtstreeks in tegen de doelstellingen van verordening nr. 1907/2006. Met deze verordening wordt immers niet beoogd de recycling van materialen met zeer zorgwekkende stoffen te bevorderen, maar juist om deze geleidelijk te vervangen en zelfs te verwijderen, ongeacht waar zij zich bevinden en ongeacht de vraag of zij al lang of pas kort in bepaalde toepassingen worden gebruikt.
47 Als de terugdringing van de hoeveelheid nieuw geproduceerde weekmakers een functie „in overeenstemming met artikel 62 [van verordening nr. 1907/2006]” was, had de analyse van de alternatieven volgens verzoekster op deze functie moeten zijn toegespitst. Bijgevolg had moeten worden nagegaan of er alternatieven voor het gebruik van gerecycled DEHP bestonden waarmee de hoeveelheid nieuw geproduceerd DEHP voor de vervaardiging van voorwerpen met pvc kon worden teruggedrongen. Met andere woorden, als de definitie van de termen „gebruik” en „functie” van de Commissie juist was, hadden in de analyse van de alternatieven van de autorisatieaanvraagsters andere manieren moeten worden voorgesteld om de hoeveelheid weekmakers in nieuw geproduceerd pvc terug te dringen, wat in deze analyse niet is gebeurd.
48 Voorts maakt de Commissie nog een fout door te stellen dat verzoekster de argumenten in verband met een autorisatie voor een „proces in zijn geheel”, namelijk recycling van een mengsel van DEHP-houdend pvc-afval, in tegenstelling tot een autorisatie voor specifiek gebruik van DEHP in dit proces of dit mengsel, pas in het stadium van het verzoekschrift heeft aangevoerd. Anders dan de Commissie beweert, had verzoekster reeds in het stadium van haar verzoek tot interne herziening aangegeven zich in werkelijkheid te hebben „gericht op vervanging van [een] afvalstroom”. De Commissie heeft de alternatieven voor het gerecyclede afval „in zijn geheel” onderzocht, en verzoekster heeft kritiek geuit op het feit dat de Commissie geen analyse heeft verricht van de werkelijke alternatieve stoffen die de functie van DEHP konden vervullen.
49 In de tweede plaats kan de uitlegging van de Commissie van het begrip „gebruik” in het onderhavige geval negatief inwerken op de regelgeving inzake afvalstoffen.
50 Zonder criteria waarmee kan worden vastgesteld op welk moment een stof de „einde-afvalfase-status” heeft verkregen, kan de vrees bestaan dat ondernemingen, indien autorisatie uit hoofde van verordening nr. 1907/2006 voor een afvalstof is verleend, die autorisatie kunnen inroepen ter staving van de positieve beoordeling van de gevolgen voor het milieu of de menselijke gezondheid wanneer zij trachten aan te tonen dat afvalstoffen de „einde-afvalfase-status” moeten verkrijgen. Zo kunnen recyclingondernemingen een op grond van verordening nr. 1907/2006 verleende autorisatie voor een voormalige afvalstof gebruiken voor het verkrijgen van de „einde-afvalfase-status” in de zin van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB 2008, L 312, blz. 3; hierna: „kaderrichtlijn afvalstoffen”).
51 Anders dan de Commissie betoogt, zijn ten slotte de in de punten 49 en 50 hierboven vermelde argumenten van verzoekster in wezen reeds in het verzoek tot interne herziening aangevoerd. In de punten 117 en 118 van dit verzoek heeft verzoekster immers duidelijk aangegeven dat de verhouding tussen verordening nr. 1907/2006 en de kaderrichtlijn afvalstoffen niet mocht worden verstoord.
52 De Commissie betwist dit betoog.
53 Om te beginnen moet worden benadrukt dat het onderhavige beroep, anders dan verzoekster in bepaalde punten van het verzoekschrift lijkt te betogen, slechts betrekking kan hebben op de wettigheid van het besluit inzake het verzoek tot interne herziening, en niet op de vraag of de autorisatieaanvraag al dan niet tekortkomingen vertoont. De in het verzoekschrift aangevoerde middelen moeten derhalve strekken tot bewijs van eventuele onjuiste rechtsopvattingen of beoordelingsfouten van de Commissie in het verzoek tot interne herziening, en niet van eventuele fouten van de autorisatieaanvraagsters.
54 De argumenten waarmee wordt betoogd dat ten eerste de autorisatieaanvraagsters de „vormen van gebruik van die stof” in de zin van artikel 56, lid 1, onder a), van verordening nr. 1907/2006 zelf niet juist hebben gedefinieerd (zie punt 35 hierboven), ten tweede de autorisatieaanvraagsters volgens de aanwijzingen in de autorisatieaanvraag geen autorisatie hebben aangevraagd voor actief gebruik of invoering van DEHP „in een industrieel proces”, maar deze aanvraag veeleer betrekking had op de loutere onopzettelijke aanwezigheid van een stof in een mengsel (zie punt 37 hierboven), en ten derde de autorisatieaanvraagsters slechts doelden op een proces voor het inzamelen, verwerken en op de markt brengen van DEHP-houdend kunststofafval (zie punt 37 hierboven), hadden alleen gevolgen kunnen hebben voor het onderhavige beroep indien de Commissie de elementen in de autorisatieaanvraag had overgenomen en tot de hare gemaakt in haar besluit inzake het verzoek tot interne herziening. Dit geldt ook voor het argument dat in de autorisatieaanvraag niet is aangegeven welke functie van DEHP de Commissie in haar besluit inzake het verzoek tot interne herziening in aanmerking heeft genomen (zie punt 44 hierboven).
55 Voorts moet eveneens vooraf worden opgemerkt dat de middelen en argumenten die in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit tot afwijzing van een verzoek tot interne herziening bij het Gerecht worden opgeworpen, slechts ontvankelijk kunnen worden geacht voor zover die middelen en argumenten reeds in het verzoek tot interne herziening door verzoeker naar voren zijn gebracht, zodat de Commissie hierop heeft kunnen reageren (zie in die zin arrest van 15 december 2016, TestBioTech e.a./Commissie, T‑177/13, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:736, punt 68).
56 Deze conclusie ligt voor de hand, gelet op de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006. Uit deze bepaling blijkt namelijk dat in een verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling van een instelling van de Unie met betrekking tot het milieurecht uitdrukkelijk moet worden aangegeven op welke handeling het verzoek betrekking heeft en wat de redenen voor herziening zijn. Uit deze verplichting vloeit voort dat de indiener van het verzoek tot interne herziening er alleen aanspraak op kan maken dat de Commissie een standpunt inneemt over de redenen die hij in zijn verzoek heeft aangevoerd. Daarentegen kan hij er geen aanspraak op maken dat de Commissie een standpunt inneemt over vragen die niet in een dergelijk verzoek, althans op redelijkerwijs herkenbare wijze, zijn opgeworpen.
57 In dit verband moet ook worden benadrukt dat de indiener van een verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling met betrekking tot het milieurecht de redenen voor herziening op de voorgeschreven wijze moet preciseren door al het feiten- en bewijsmateriaal en elk juridisch argument aan te geven waardoor ernstige twijfels over de beoordeling door de instelling of het orgaan van de Unie in de bedoelde handeling worden opgeroepen. Een derde die een vergunning voor het in de handel brengen bestrijdt, moet substantieel bewijsmateriaal aandragen dat ernstige twijfels kan doen rijzen over de rechtmatigheid van de verlening van die vergunning (zie in die zin, naar analogie, arresten van 21 mei 2015, Schräder/CPVO, C‑546/12 P, EU:C:2015:332, punt 57, en 15 december 2016, Testbiotech e.a./Commissie, T‑177/13, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:736, punten 66 en 67).
58 De in punt 55 hierboven uiteengezette conclusie gaat ook op gelet op de bewoordingen van artikel 10, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 1367/2006. Volgens deze bepaling neemt de instelling waarbij een verzoek tot interne herziening is ingediend, het verzoek in overweging, tenzij het duidelijk ongegrond is. Krachtens deze bepaling staat het dus aan de Commissie om alle in een verzoek tot interne herziening aangevoerde elementen zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, tenzij zij kennelijk ongegrond zijn. Het staat niet aan de Commissie om andere redenen te onderzoeken dan die welke door de indiener van het verzoek tot interne herziening zijn aangevoerd. Voorts moet de indiener van een verzoek tot interne herziening de Commissie in staat stellen met voldoende nauwkeurigheid kennis te nemen van de bezwaren tegen de betwiste administratieve handeling, zodat zij hierop adequaat kan reageren (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Testbiotech e.a./Commissie, T‑177/13, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:736, punten 262‑264).
59 In casu betoogt de Commissie dat verzoeksters argument dat het begrip „gebruik” de invoering of „actieve” aanwending van een bepaalde stof in een industrieel proces impliceert, een nieuw argument is omdat het niet in het verzoek tot interne herziening voorkwam.
60 Volgens verzoekster blijkt uit punt 49 van het verzoek tot interne herziening ten eerste dat de betrokken autorisatie is gekoppeld aan het gebruik van „DEHP-houdend materiaal dat wordt ingevoerd als deel van een kunststofafvalstroom waarin DEHP geen technische functie vervult”. Ten tweede blijkt uit dit punt van het verzoek tot interne herziening volgens verzoekster ook dat „de aanvrager op grond van de [betrokken] autorisatie dus geen DEHP als zodanig, in een preparaat, mag gebruiken en [deze stof] evenmin in een voorwerp mag invoeren”.
61 Vastgesteld dient te worden dat wanneer verzoekster in het onderhavige beroep betoogt dat het begrip „gebruik” de invoering of „actieve” aanwending van een bepaalde stof in een „industrieel proces” impliceert, zij een grief formuleert die voor de Commissie noch helder en specifiek, noch redelijkerwijs duidelijk in het verzoek tot interne herziening was opgenomen. Enerzijds benadrukken dat DEHP „als deel van een afvalstroom” wordt gebruikt of verlangen dat deze stof „in een preparaat” wordt gebruikt of zelfs „in een voorwerp” wordt ingevoerd, zoals verzoekster in het onderhavige beroep doet, en anderzijds oordelen dat enkel actieve invoering of actief gebruik van een stof „in een industrieel proces” onder het begrip „gebruik” valt, zijn twee verschillende zaken.
62 Evenwel moet worden vastgesteld dat verzoeksters argument dat het begrip „gebruik” de invoering of „actieve” aanwending van een bepaalde stof in een „industrieel proces” impliceert, niet in het verzoek tot interne herziening aan de Commissie is voorgelegd en derhalve niet-ontvankelijk is.
63 Subsidiair moet wat dit argument ten gronde betreft, dat wil zeggen de vraag hoe het begrip „gebruik” in artikel 56, lid 1, onder a), en in artikel 62, lid 4, onder c), van verordening nr. 1907/2006 moet worden uitgelegd, worden opgemerkt dat dit begrip in artikel 3, punt 24, van die verordening is gedefinieerd. Volgens deze bepaling moet onder „gebruik” worden verstaan „elke vorm van verwerking, formulering, verbruik, opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten, overbrenging van de ene recipiënt naar de andere, vermenging, vervaardiging van een voorwerp of elke andere gebruikmaking”.
64 Anders dan verzoekster in wezen stelt (zie punt 36 hierboven), is het begrip „gebruik” in artikel 3, punt 24, van verordening nr. 1907/2006 niet beperkt tot de actieve invoering van een stof „in een industrieel proces”. Bovendien blijkt uit niets in deze bepaling dat een stof opzettelijk in een dergelijk proces moet worden ingevoerd om tot de slotsom te komen dat deze stof wordt „gebruikt”.
65 Daarentegen kan op grond van de bewoordingen van artikel 3, punt 24, van verordening nr. 1907/2006 worden vastgesteld dat er ook sprake is van „gebruik” van een stof in een geval waarin deze stof een bestanddeel van de samenstelling van verschillende stoffen vormt, waarbij die samenstelling op haar beurt een van de verrichtingen als bedoeld in artikel 3, punt 24, van verordening nr. 1907/2006 heeft ondergaan. Met andere woorden, wanneer een samenstelling van stoffen bijvoorbeeld wordt verwerkt, geformuleerd, verbruikt of opgeslagen, worden alle stoffen in deze samenstelling „gebruikt” in de zin van verordening nr. 1907/2006.
66 In eerste instantie pleit de term „elke andere gebruikmaking” in artikel 3, lid 24, van verordening nr. 1907/2006 voor deze uitlegging. Enerzijds houdt deze term in dat andere verrichtingen dan die welke uitdrukkelijk in deze bepaling zijn opgenomen, onder het begrip „gebruik” vallen. Anderzijds wordt hiermee ook aangegeven dat de wetgever een ruime uitlegging voorstaat volgens welke actief gebruik van een samenstelling van stoffen tegelijkertijd actief gebruik van de stoffen in die samenstelling inhoudt.
67 In tweede instantie pleiten de bewoordingen van artikel 56, lid 1, onder a), van verordening nr. 1907/2006 voor deze uitlegging. Volgens deze bepaling moet niet alleen autorisatie worden verleend voor het gebruik van een afzonderlijke stof als zodanig, maar ook voor het gebruik van een stof in een „mengsel”. Blijkens artikel 3, punt 2, van die verordening is een „mengsel” in de zin van de verordening „een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen”.
68 Ten slotte blijkt ook impliciet uit artikel 56, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, waarin is bepaald dat er geen autorisatieplicht geldt voor het „gebruik van stoffen wanneer zij aanwezig zijn in mengsels” onder bepaalde daarin vermelde concentratieniveaus, dat een autorisatie is vereist voor het gebruik van de in bijlage XIV bij deze verordening bedoelde stoffen die aanwezig zijn „in mengsels”, zoals de Commissie terecht heeft betoogd. Aan deze bepaling ligt opnieuw de stelling ten grondslag dat een stof die deel uitmaakt van een samenstelling wordt gebruikt telkens wanneer deze samenstelling wordt gebruikt.
69 Anders dan verzoekster stelt (zie punt 39 hierboven), moet niet alleen wanneer is aangetoond dat een stof een specifieke functie „in de context van het mengsel” heeft – in tegenstelling tot het gebruik van het „mengsel in zijn geheel” – worden geconstateerd dat een in een mengsel opgenomen stof wordt gebruikt.
70 In dit verband zij opgemerkt dat een mengsel kan bestaan uit stoffen die een specifieke functie binnen het mengsel vervullen en uit stoffen waarvan de functie pas blijkt op het moment dat het mengsel zelf wordt gebruikt. Voorts kunnen er ook mengsels bestaan waarin alle bestanddelen enkel een functie vervullen vanwege het feit dat het mengsel als zodanig wordt gebruikt. Op grond van de term „elke andere gebruikmaking” in artikel 3, punt 24, van verordening nr. 1907/2006 kan worden vastgesteld dat het gebruik van een mengsel in beide gevallen het gebruik van alle daarin opgenomen stoffen impliceert.
71 Ter rechtvaardiging van haar conclusie dat het autorisatiebesluit betrekking had op een vorm van „gebruik” van DEHP heeft de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening in casu ten eerste aangegeven dat de autorisatie was aangevraagd voor DEHP als stof die „aanwezig is als (grotendeels ongewenste) onzuiverheid in afval dat wordt ingezameld, gesorteerd en verwerkt en dat vervolgens in de vorm van recyclaat in de handel wordt gebracht”. Ten tweede heeft de Commissie – in lijn met deze benadering en overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 – aangegeven dat, aangezien afvalstoffen geen stof waren, de vereisten van verordening nr. 1907/2006 in casu alleen in het geval waarin DEHP-houdende afvalstoffen niet langer als afval werden aangemerkt van toepassing waren. In dit verband gaat het om een aanvullende verduidelijking waarmee het onderscheid wordt benadrukt tussen pvc-afval, enerzijds, en pvc-recyclaat, te weten pvc-afval dat niet langer afval is en derhalve in de handel kan worden gebracht, anderzijds. Uit het besluit inzake het verzoek tot interne herziening blijkt dat de autorisatie enkel voor dit laatste scenario geldt. Ten derde vloeit uit dit besluit uitdrukkelijk voort dat wanneer recyclaat DEHP bevat, dit DEHP een precieze „technische” functie vervult, namelijk „de hoeveelheid weekmakers terugdringen die moet worden toegevoegd voor de vervaardiging van voorwerpen van zacht pvc op basis van gerecycled zacht pvc-materiaal”. Ten vierde moet worden vastgesteld dat de Commissie in alle functiebeschrijvingen van DEHP is uitgegaan van de reeds in de autorisatieaanvraag vermelde premisse dat DEHP in de regel de functie van weekmaker vervult (zie punt 3 hierboven). Samengevat is de autorisatie volgens het besluit inzake het verzoek tot interne herziening verleend voor DEHP als weekmaker in pvc-recyclaat dat in de handel wordt gebracht nadat het pvc de einde-afvalfase heeft bereikt. Met andere woorden, de Commissie heeft bepaalde functies van DEHP vastgesteld die uiterlijk op het moment van gebruik van het pvc-recyclaat dat deze stof bevat worden geactiveerd.
72 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de Commissie geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening in wezen te oordelen dat de autorisatie voor „gebruik” van DEHP in de zin van artikel 3, punt 24, van artikel 56, lid 1, onder a), van artikel 60 en van artikel 62, lid 4, onder c), van verordening nr. 1907/2006 was verleend.
73 Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door verzoeksters overige argumenten.
74 In de eerste plaats kan niet worden ingestemd met verzoeksters argument dat de Commissie in feite autorisatie heeft verleend voor een „proces in zijn geheel”, namelijk voor „recycling van materialen die een zeer zorgwekkende stof bevatten” (zie de punten 38 en 48 hierboven).
75 Zoals de Commissie terecht aanvoert, komt dit argument niet in het verzoek tot interne herziening voor en is het derhalve niet-ontvankelijk.
76 In ieder geval heeft de Commissie ten gronde, zoals in punt 71 hierboven reeds is opgemerkt, in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening toegelicht dat de autorisatie was verleend voor gebruik van de in een mengsel opgenomen stof DEHP, te weten DEHP in gerecycled pvc, en niet voor „recycling van materialen die een zeer zorgwekkende stof bevatten” of een „proces in zijn geheel”. Overigens is het gebruik van een DEHP-houdend mengsel uitdrukkelijk in de autorisatieaanvraag beschreven. Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, betekent dit echter niet dat de autorisatie betrekking heeft op een mengsel, maar op een in een mengsel opgenomen stof.
77 Aangaande in de tweede plaats verzoeksters argument dat voor het eerst in het besluit inzake het verzoek tot herziening naar voren is gebracht dat de functie van DEHP om „de hoeveelheid weekmakers terug te dringen die moet worden toegevoegd voor de vervaardiging van voorwerpen van zacht pvc op basis van gerecycled zacht pvc-materiaal”, zoals die door de Commissie is vastgesteld, voorkwam in de autorisatieaanvraag, en voorts dat deze functie indruist tegen de doelstelling van verordening nr. 1907/2006 om zeer zorgwekkende stoffen geleidelijk te vervangen (zie de punten 44 en 46 hierboven), moet het volgende worden opgemerkt.
78 Ten eerste is deze functie niet door de Commissie aan DEHP toegekend in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening. In dit verband berust het eerste onderdeel van het eerste middel op een verkeerde lezing door verzoekster van de documenten die de autorisatieaanvraagsters bij de Commissie hadden ingediend. De autorisatieaanvraagsters hadden immers al in het stadium van de autorisatieaanvraag aangegeven dat de weekmakende functie van DEHP relevant was voor gerecycled zacht pvc doordat de aanwezigheid van deze stof dit materiaal zachter maakt, waardoor er minder weekmakers hoeven te worden toegevoegd bij de verwerking ervan tot een voorwerp van zacht pvc (zie de punten 3 en 4 hierboven). Bovendien blijkt uit punt 51 van het verzoek tot interne herziening dat verzoekster zeer goed wist dat de autorisatieaanvraagsters de functie van DEHP in de autorisatieaanvraag hadden uiteengezet.
79 Ten tweede druist de functie van DEHP die de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening noemt, niet in tegen de in overweging 70 en artikel 55 van verordening nr. 1907/2006 vermelde doelstelling om zeer zorgwekkende stoffen gestaag te vervangen. Dienaangaande moet worden beklemtoond dat het met deze bepalingen nagestreefde doel erin bestaat zeer zorgwekkende stoffen „gestaag” door geschikte stoffen te vervangen. De term „gestaag” is in dit verband van bijzonder belang. Wanneer gebruik wordt gemaakt van DEHP dat reeds in gerecycled pvc aanwezig is, hoeven geen nieuwe hoeveelheden DEHP te worden geproduceerd. Een maatregel die er in het bijzonder toe strekt om de productie van nieuw DEHP geleidelijk terug te dringen, kan dus niet indruisen tegen de doelstelling om zeer zorgwekkende stoffen „gestaag” te vervangen.
80 Voorts heeft verzoekster niet aangetoond welke „geschikte” stof of techniek in de zin van artikel 60, leden 4 en 5, van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met overweging 73 van deze verordening, DEHP zou kunnen vervangen in pvc dat wordt ingezet bij de in punt 9 hierboven bedoelde vormen van gebruik.
81 In de derde plaats kan geen overtuigingskracht toekomen aan verzoeksters argument dat de redenering van de Commissie met betrekking tot een functie als die welke door deze instelling in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening is onderzocht, tot gevolg heeft dat voor elk gebruik van een in een teruggewonnen materiaal aanwezige zeer zorgwekkende stof enkel vanwege het feit dat teruggewonnen materiaal is gebruikt, een autorisatie zou worden verleend en dat in die omstandigheden alle autorisatieaanvragen voor het gebruik van gerecyclede materialen noodzakelijkerwijs zouden moeten worden toegekend (zie punt 46 hierboven).
82 In dit verband moet worden opgemerkt dat deze uitlegging van het begrip „gebruik” in verordening nr. 1907/2006 niet tot gevolg heeft dat alle autorisatieaanvragen voor het gebruik van gerecyclede materialen noodzakelijkerwijs moeten worden toegekend, zoals de Commissie terecht heeft betoogd. Een autorisatie kan immers slechts worden verleend indien aan alle voorwaarden in artikel 60, lid 2 of lid 4, van verordening nr. 1907/2006 is voldaan.
83 In de vierde plaats zij het volgende opgemerkt met betrekking tot alle argumenten van verzoekster betreffende de verlening van de in casu relevante autorisatie voor vermeende „afvalverwerking” en betreffende een vermeende tegenstrijdigheid tussen deze autorisatie en de Uniewetgeving inzake afvalstoffen (zie de punten 37 en 50 hierboven).
84 Ten eerste moet verzoeksters argument dat de autorisatie in wezen voor „verwerking van kunststofafval” is verleend, wat in strijd is met de wetgeving (zie punt 37 hierboven), worden afgewezen.
85 In de punten 117 en 118 van het verzoek tot interne herziening heeft verzoekster inderdaad op tamelijk vage wijze een vermeende tegenstrijdigheid tussen het autorisatiebesluit en de wetgeving inzake afvalstoffen aangevoerd, zodat niet kan worden gesteld dat dit argument voor het eerst in het kader van dit beroep is opgeworpen en dus niet-ontvankelijk is.
86 Dit argument is echter ongegrond. Uit artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 blijkt namelijk dat afvalstoffen als omschreven in de kaderrichtlijn afvalstoffen geen stof, mengsel of voorwerp in de zin van deze verordening zijn, zoals de Commissie in punt 1.1 van het besluit inzake het verzoek tot interne herziening in wezen heeft beklemtoond. Zoals uit hetzelfde punt van dat besluit in wezen blijkt, is de in casu relevante autorisatie voorts niet van toepassing op dit mengsel wanneer een DEHP-houdend pvc-mengsel wordt gebruikt terwijl dit mengsel zich niet in de einde-afvalfase bevindt. Derhalve is er geen sprake van enige tegenstrijdigheid tussen het autorisatiebesluit en de wetgeving inzake afvalstoffen.
87 Ten tweede moet, voor zover verzoekster naar de „einde-afvalfase-status” (zie punt 50 hierboven) verwijst, echter worden vastgesteld dat deze grief noch specifiek noch redelijkerwijs duidelijk in het verzoek tot interne herziening is opgeworpen. Dit argument is dus pas in het stadium van het verzoekschrift aangevoerd. Gelet op de overwegingen in de punten 55 tot en met 58 hierboven moet het derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
88 Ten gronde is verzoeksters bezorgdheid over het vermeende feit dat zonder criteria die aan het recht of een praktijk op Unieniveau zijn ontleend op grond waarvan de „einde-afvalfase-status” kan worden vastgesteld, een „voor een afvalstof” verleende autorisatie belet dat DEHP-houdend gerecycled zacht pvc niet langer „een afvalstof is”, hoe dan ook ongegrond, zoals de Commissie terecht heeft betoogd.
89 In dit verband dient, afgezien van het feit dat dit een speculatief argument is doordat het is gebaseerd op scenario’s waarvan niet zeker is dat zij zich in de lidstaten reeds hebben voorgedaan of nog kunnen voordoen, te worden opgemerkt dat het aan de lidstaten staat om te beslissen of afvalstoffen niet langer afvalstoffen zijn, zoals blijkt uit artikel 6, lid 4, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit moet per geval worden beslist, in het licht van de rechtspraak van de Unie op dit gebied. Zelfs als een lidstaat er voor een dergelijke beslissing in het kader van de toepassing van het begrip „einde-afvalfase-status” voor had gekozen zich te baseren op een op grond van verordening nr. 1907/2006 verleende autorisatie zoals hier aan de orde, had dat geen reden voor afwijzing van het autorisatiebesluit kunnen vormen. Een beslissing over de „einde-afvalfase-status” valt immers niet onder verordening nr. 1907/2006 en evenmin onder het autorisatiebesluit.
90 In de vijfde plaats kan geen overtuigingskracht toekomen aan verzoeksters argument dat, indien de terugdringing van de hoeveelheid nieuw geproduceerde weekmakers een functie „in overeenstemming met artikel 62 van verordening nr. 1907/2006” was, de door de Commissie verrichte analyse van de alternatieven op deze functie had moeten zijn toegespitst (zie punt 47 hierboven).
91 De vraag hoe het begrip „gebruik” moet worden uitgelegd, kan inderdaad van invloed zijn op de draagwijdte van de analyse van de verschillende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 60, leden 2 en 4, van verordening nr. 1907/2006. Hoe het ook zij, er kan, zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen, ook sprake zijn van „gebruik” wanneer het, zoals in casu, gaat om een in een mengsel aanwezige stof en de kenmerken van die stof een bepaalde functie in dit mengsel vervullen, in dit geval die van weekmaker, evenals een functie die pas blijkt op het moment waarop het mengsel wordt gebruikt, zoals in casu de functie van geleidelijke terugdringing van de hoeveelheid nieuw geproduceerd DEHP. In een dergelijke context is het niet onjuist om andere mengsels die de stof helemaal niet bevatten, of andere processen waarbij de door de stof vervulde functie op andere manieren kan worden vervuld, als mogelijke alternatieven te beschouwen. In het bijzonder en in ieder geval hoefde de Commissie niet na te gaan in welke precieze mate de aanwezigheid van de zeer zorgwekkende stof in de handel kon worden teruggedrongen met het gebruik waarvoor de autorisatie is verleend.
92 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond worden verklaard.
– Tweede onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen en beoordelingsfouten met betrekking tot tekortkomingen in het chemischeveiligheidsrapport
93 Volgens verzoekster heeft de Commissie in haar besluit inzake het verzoek tot interne herziening bij de beoordelingen van het chemischeveiligheidsrapport blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten gemaakt.
94 In de eerste plaats voldoet de autorisatieaanvraag niet aan de voorschriften van artikel 62, lid 4, onder d), van verordening nr. 1907/2006. Niet-naleving van deze bepaling vormt een fout waardoor niet alleen de toepassing van artikel 60, lid 7, van deze verordening in het kader van het autorisatiebesluit wordt aangetast, maar ook de beoordelingen van de Commissie met betrekking tot de toepassing van deze bepaling die zijn opgenomen in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening.
95 In het chemischeveiligheidsrapport dat bij de autorisatieaanvraag is gevoegd, zijn de gevaren voor de gezondheid van een hele categorie betrokkenen, namelijk aan DEHP blootgestelde werknemers, immers niet adequaat onderzocht. De in de autorisatieaanvraag verstrekte gegevens met betrekking tot de blootstelling van werknemers omvatten slechts een minimale biomonitoring en luchtmetingen. Deze gegevens zijn echter ontoereikend om de gevaren voor de gezondheid van werknemers juist te beoordelen. Het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse hebben in dit verband beide op de ontoereikendheid van het chemischeveiligheidsrapport gewezen. Volgens het Comité risicobeoordeling hadden de in dit rapport verstrekte gegevens een „beperkte informatieve waarde” en was de daarin opgenomen beoordeling van de blootstelling van werknemers niet representatief voor de autorisatieaanvraag. In haar autorisatiebesluit heeft de Commissie ook aangegeven dat het Comité sociaaleconomische analyse „de door het Comité risicobeoordeling vastgestelde tekortkomingen van de beoordeling van de blootstelling op de werkplek had erkend, alsmede het ontbreken van een beoordeling van de gevolgen voor de gezondheid in de sociaaleconomische analyse”.
96 In antwoord op de grieven die verzoekster in haar verzoek tot interne herziening had aangevoerd, namelijk dat de autorisatieaanvraag geen chemischeveiligheidsrapport bevatte waarin de risico’s voor de volksgezondheid of het milieu adequaat waren onderzocht en dat het autorisatiebesluit bijgevolg onjuist was, heeft de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening enkel aangegeven dat het Comité risicobeoordeling tekortkomingen in de beoordeling van de risico’s van DEHP had vastgesteld, zonder evenwel na een grondige heroverweging van tegenstrijdige bewijzen zelf een gemotiveerd standpunt over de conformiteit van het chemischeveiligheidsrapport in te nemen.
97 De Commissie heeft zelfs niet opgemerkt dat een incoherentie schuilging in het advies van het Comité risicobeoordeling, dat had verklaard dat de autorisatieaanvraag aan de vereisten van verordening nr. 1907/2006 voldeed, maar tegelijkertijd duidelijk had erkend dat de overgelegde gegevens tekortschoten.
98 De Commissie heeft in het geheel niets ondernomen tegen de klaarblijkelijke ontoereikendheid van het chemischeveiligheidsrapport, en in punt 1.2 van het besluit inzake het verzoek tot interne herziening vastgesteld dat per slot van rekening „ofschoon het [Comité risicobeoordeling] in zijn advies daadwerkelijk [had] gesteld dat de beoordeling van de blootstelling bepaalde tekortkomingen vertoonde, […] de aanvraag volgens het comité de vereiste gegevens [bevatte] […] en de Commissie […] van mening [was] dat de aanvraag in overeenstemming [was] met artikel 62 [van verordening nr. 1907/2006]”.
99 Volgens verzoekster is deze redenering echter kennelijk onjuist. Volgens verzoekster is het besluit inzake het verzoek tot interne herziening gebaseerd op het advies van het Comité risicobeoordeling alsof het een overtuigend bewijselement betrof. Het loutere feit dat het Comité risicobeoordeling in zijn advies heeft verklaard dat de autorisatieaanvraag aan de voorschriften voldeed, is echter niet bindend voor de Commissie. De redenering van deze instelling, die erin bestaat enkel de conclusie van het Comité risicobeoordeling over de conformiteit, en zelfs de rechtmatigheid, van de autorisatieaanvraag als overtuigend bewijs aan te voeren, volstaat vanzelfsprekend niet. Door dezelfde redenering aan te halen in haar besluit inzake het verzoek tot interne herziening laat de Commissie bovendien zien zich te hebben gebaseerd op het feit dat de autorisatieaanvraag in het autorisatiebesluit in overeenstemming met verordening nr. 1907/2006 is bevonden. Met andere woorden, de Commissie heeft het autorisatiebesluit aangevoerd als bewijs dat de aanvraag daadwerkelijk aan de voorschriften voldeed. In het besluit inzake het verzoek tot interne herziening wordt het element zelf, in casu de conformiteit van het besluitvormingsproces in het autorisatiestadium, dat de Commissie in het stadium van interne herziening moest verifiëren, dus als vaststaand aangenomen.
100 In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met „kennelijk” onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van artikel 61 van verordening nr. 1907/2006, betreffende de herbeoordeling van de autorisatie, gelezen in samenhang met artikel 60, lid 7, van die verordening. In haar besluit inzake het verzoek tot interne herziening heeft de Commissie aangegeven de conclusie van het Comité risicobeoordeling over de tekortkomingen van de autorisatieaanvraag in aanmerking te hebben genomen door een zeer korte termijn voor herbeoordeling van de autorisatie – uiterlijk 21 februari 2019 – vast te stellen en de houders van de autorisatie een toezichtregeling op te leggen. Deze motivering suggereert dat tekortkomingen in een autorisatieaanvraag, ook wanneer zij zo ernstig zijn als die welke door het Comité risicobeoordeling zijn vastgesteld, door de vaststelling van een „zeer korte termijn voor herbeoordeling” kunnen worden rechtgezet. Volgens verzoekster verleent artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 de Commissie geen „herstelbevoegdheid” die tot gevolg heeft dat zij, hetzij door een korte herbeoordelingstermijn vast te stellen, hetzij op een andere wijze, aanvragen kan toewijzen die niet aan beperkende voorwaarden voldoen. Het doel van een herbeoordeling is niet een onderneming de mogelijkheid te bieden om de tekortkomingen in een vorige autorisatieaanvraag te verhelpen, maar een onderneming de mogelijkheid te bieden haar aanvankelijke autorisatieaanvraag, en in het bijzonder de informatie over beschikbare alternatieven, in het licht van gewijzigde omstandigheden „bij te werken”.
101 Ten slotte betoogt verzoekster in het verlengde van deze redenering dat de Commissie, met haar mededeling dat het autorisatiebesluit op 21 februari 2019 zou verstrijken, de juridische gevolgen van de toekenning van een korte herbeoordelingstermijn onjuist heeft uitgelegd. In artikel 61 van verordening nr. 1907/2006 is namelijk bepaald dat autorisaties „als geldig [worden] beschouwd totdat de Commissie in het kader van een herbeoordeling besluit om een autorisatie te wijzigen of in te trekken”. Met haar standpunt dat de tekortkomingen van de autorisatieaanvraag naar behoren in aanmerking waren genomen doordat een zeer korte herbeoordelingstermijn is toegekend, heeft de Commissie blijk gegeven van een „kennelijk” onjuiste rechtsopvatting die haar conclusie elke plausibiliteit ontneemt.
102 De Commissie betwist dit betoog.
103 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de argumenten die verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel aanvoert, betrekking hebben op onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten die volgens haar afbreuk doen aan de toepassing van artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 om redenen die verband houden met een lezing van dit artikel in samenhang met twee verschillende bepalingen. Meer bepaald strekt de eerste grief van dit onderdeel ertoe een onjuiste toepassing aan te tonen van artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 gelezen in samenhang met artikel 62, lid 4, onder d), van die verordening, terwijl de tweede grief van dit onderdeel betrekking heeft op een uitlegging van artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 gelezen in samenhang met artikel 61 van deze verordening.
104 Met betrekking tot de eerste grief in punt 103 hierboven moet worden opgemerkt dat artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 tot doel heeft de Commissie in staat te stellen na te gaan of een autorisatieaanvraag in formeel opzicht aan de voorschriften van artikel 62 van die verordening voldoet. Meer bepaald moet de Commissie nagaan of de in artikel 62, lid 4, onder a) tot en met f), van verordening nr. 1907/2006 genoemde elementen daadwerkelijk in de autorisatieaanvraag zijn opgenomen. Documenten die autorisatieaanvragers indienen om te voldoen aan de voorschriften van artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 moeten verifieerbaar zijn. Met name het chemischeveiligheidsrapport moet volgens de voorschriften van bijlage I bij die verordening worden opgesteld. Uit hoofde van artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 heeft de Commissie een formele en procedurele verplichting, maar geen verplichting om de gegrondheid van de elementen bedoeld in artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 te onderzoeken.
105 Zo wordt in artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 aangegeven welke gegevens de aanvrager van een autorisatie bij de indiening van de aanvraag moet overleggen. Overeenkomstig die bepaling worden autorisatieaanvragen, die overigens bij ECHA worden ingediend, zoals blijkt uit artikel 62, lid 1, van die verordening, met name vergezeld van een chemischeveiligheidsrapport en een analyse van de alternatieven. Artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 is ook formeel en procedureel van aard.
106 Daarentegen heeft noch artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, noch artikel 62 van die verordening betrekking op de materiële voorwaarden voor de verlening van een autorisatie of de op de Commissie rustende verplichtingen bij de beoordeling van de feiten en de bewijzen op basis waarvan een autorisatie kan worden verleend. In het bijzonder staat het op grond van deze bepalingen niet aan de Commissie te onderzoeken of in het chemischeveiligheidsrapport over een stof de juiste conclusies met betrekking tot de eigenschappen van een chemische stof worden getrokken en of het Comité risicobeoordeling fouten heeft gemaakt bij het onderzoek van dit rapport met het oog op het opstellen van zijn advies als bedoeld in artikel 60, lid 4, en artikel 64, lid 4, onder a), van verordening nr. 1907/2006.
107 Deze verplichtingen rusten in werkelijkheid op grond van artikel 60, leden 2, 4 en 5 op de Commissie.
108 Ter terechtzitting zijn partijen gehoord over de beoordelingen van het Gerecht die in de punten 104 tot en met 107 hierboven aan bod komen. In antwoord op de vragen van het Gerecht heeft verzoekster verklaard dat de „structuur van verordening [nr. 1907/2006]” haars inziens inderdaad een stap bevat waarbij de Commissie onderzoekt of de voorschriften van de verordening in de autorisatieaanvraag worden nageleefd, alsmede een stap waarbij de voorwaarden voor het verlenen van een autorisatie ten gronde worden onderzocht. De eerste stap kan echter niet enkel bestaan in een loutere afvinkoefening, omdat er reële vereisten zijn neergelegd die betrekking hebben op de inhoud van de overgelegde documenten, zoals die welke uit bijlage I bij verordening nr. 1907/2006 voortvloeien. Daarin wordt bijvoorbeeld aangegeven wat in een chemischeveiligheidsrapport moet worden opgenomen.
109 Dit argument moet echter ongegrond worden verklaard. In bijlage I bij verordening nr. 1907/2006 wordt namelijk beschreven welke elementen moeten zijn opgenomen in bepaalde documenten die door een autorisatieaanvrager worden overgelegd, zoals een chemischeveiligheidsrapport. In de bijlage is weliswaar vastgelegd dat autorisatieaanvragers in hun aanvraag en de bijbehorende documenten naar bepaalde specifieke elementen moeten verwijzen, maar volgens de bewoordingen ervan hoeft de Commissie, bij het onderzoek dat die instelling moet verrichten op grond van artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 62 van die verordening, deze elementen niet ten gronde te onderzoeken.
110 Ten slotte heeft verzoekster ter terechtzitting in wezen benadrukt dat de autorisatieaanvraag haars inziens hoe dan ook tekortkomingen vertoonde die niet alleen afbreuk deden aan de op de Commissie rustende beoordelingsverplichtingen overeenkomstig artikel 60, leden 2 tot en met 5, van verordening nr. 1907/2006, maar ook aan de voorschriften voor het conformiteitsonderzoek van de aanvraag krachtens artikel 62 van deze verordening. Verzoekster lijkt aldus te erkennen dat in artikel 62, lid 4, van die verordening de formele voorwaarden voor het verlenen van een autorisatie zijn neergelegd.
111 Evenwel moet ook dit argument ongegrond worden verklaard. Verzoekster lijkt er namelijk van uit te gaan dat vooraf de vraag moet worden beoordeeld of een autorisatieaanvraag waarin alle elementen zijn opgenomen als vermeld in artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 en in bijlage I bij die verordening, dermate ernstige inhoudelijke tekortkomingen vertoont dat kan worden geconcludeerd dat die aanvraag reeds in formeel opzicht niet aan de voorschriften van verordening nr. 1907/2006 voldoet. In verordening nr. 1907/2006 is evenwel geen verplichting tot een dergelijke voorafgaande beoordeling vastgelegd. Indien verzoekster niet van die premisse uitgaat, maar veeleer van de hypothese dat het gaat om het onderzoek als bedoeld in artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006, moet worden vastgesteld dat zij niet aangeeft op grond van welk objectief criterium nauwkeurig, of althans op relevante en overtuigende wijze, kan worden bepaald welke tekortkomingen een autorisatieaanvraag ten minste moet vertonen om tot schending van de formele voorwaarden van die bepaling te kunnen leiden.
112 In casu staat vast dat de autorisatieaanvraag vergezeld ging van alle elementen als bedoeld in artikel 62 van verordening nr. 1907/2006 en dat er was voldaan aan de formele voorwaarde in artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 betreffende de indiening van een chemischeveiligheidsrapport. Tevens was in het onderhavige geval voldaan aan de voorwaarde dat de in artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 bedoelde documenten verifieerbaar zijn. Noch de ECHA-comités, noch de Commissie hebben namelijk betoogd dat de door de autorisatieaanvraagsters overgelegde documenten niet verifieerbaar waren. Verzoekster heeft evenmin specifiek en ter onderbouwing van de bewijzen betoogd dat de bij de autorisatieaanvraag gevoegde documenten niet konden worden geverifieerd. Bovendien staat tussen partijen vast dat de autorisatieaanvraagsters met betrekking tot het chemischeveiligheidsrapport aan de voorschriften van bijlage I bij verordening nr. 1907/2006 hadden voldaan. Geen van de betrokken partijen heeft betoogd dat dit rapport niet aan de voorschriften van bijlage I bij verordening nr. 1907/2006 voldeed. Verzoekster heeft in haar verzoek tot interne herziening evenmin bewijzen aangedragen op grond waarvan op dit punt een andere conclusie kan worden getrokken.
113 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat verzoeksters argumenten dat het advies van het Comité risicobeoordeling naar zij stelt tekortkomingen vertoont en dat deze tekortkomingen gevolgen hebben voor de verlening van de in casu relevante autorisatie, en dat de Commissie deze tekortkomingen niet heeft verholpen maar enkel het advies van dit comité en het autorisatiebesluit als overtuigend bewijs heeft ingeroepen, niet van invloed zijn op de beantwoording van de vraag of de Commissie al dan niet de verplichting is nagekomen die op grond van artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 62 van deze verordening, op haar rust. Deze argumenten hebben immers betrekking op de beoordeling van complexe feiten die als grondslag voor het advies van het Comité risicobeoordeling hebben gediend, en op de bevoegdheid van de Commissie om deze complexe feiten te beoordelen en derhalve de materiële rechtmatigheid van het autorisatiebesluit te toetsen.
114 Aangezien verzoekster de formele rechtmatigheid van het autorisatiebesluit betwist met argumenten die betrekking hebben op de materiële voorwaarden voor de vaststelling ervan, moet als eerste voorlopige conclusie worden vastgesteld dat deze argumenten niet ter zake dienend zijn.
115 Met betrekking tot de tweede grief die wordt opgeworpen in het tweede onderdeel van het eerste middel (zie punt 103 hierboven), moet worden opgemerkt dat artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 niet naar artikel 61 van die verordening verwijst en daarmee geen verband houdt.
116 Derhalve moet als tweede voorlopige conclusie worden vastgesteld dat verzoeksters argument dat zij ontleent aan de combinatie van beide bepalingen ten bewijze van schending van artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, evenmin ter zake dienend is.
117 Daarenboven lijkt het argument in verband met de vaststelling van een „korte herbeoordelingstermijn” en met het doel van een „herbeoordeling” krachtens artikel 61 van verordening nr. 1907/2006 (zie punt 100 hierboven) veeleer te kunnen worden aangevoerd om aan te tonen dat er sprake is van ontoereikende materiële rechtmatigheid van het autorisatiebesluit. Dit geldt ook voor verzoeksters argument dat de Commissie niet over een „herstelbevoegdheid” beschikt om de inhoud van de autorisatieaanvraag recht te zetten door een korte herbeoordelingstermijn vast te stellen. Zoals in de punten 104 en 106 hierboven reeds is uiteengezet, heeft artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006 echter geen betrekking op de materiële rechtmatigheid van een autorisatiebesluit.
118 Als derde voorlopige conclusie moet dus worden vastgesteld dat het argument ontleend aan de vaststelling van een „korte herbeoordelingstermijn”, die in strijd is met het doel van een „herbeoordeling” krachtens artikel 61 van verordening nr. 1907/2006, niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of de Commissie de formele voorschriften van artikel 60, lid 7, van deze verordening al dan niet heeft geschonden. Dit argument is derhalve evenmin ter zake dienend.
119 De drie voorlopige conclusies in de punten 114, 116 en 118 hierboven kunnen in beginsel volstaan om het tweede onderdeel van het eerste middel af te wijzen.
120 Evenwel rijst de vraag of de in de punten 94 tot en met 101, 113 en 117 hierboven genoemde argumenten van verzoekster kunnen dienen ter onderbouwing van grieven inzake schending van andere bepalingen dan artikel 60, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, namelijk artikel 60, lid 4, van die verordening, enerzijds, en artikel 60, leden 8 en 9, gelezen in samenhang met artikel 61, lid 1, eerste zin, van die verordening, anderzijds.
121 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een autorisatie op grond van verordening nr. 1907/2006 kan worden verleend volgens een zogenoemde procedure van adequate controle, als bedoeld in artikel 60, lid 2, van verordening nr. 1907/2006, of, als alternatief, volgens een zogenoemde sociaaleconomische procedure, als bedoeld in artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006. De procedure van „adequate controle” onderscheidt zich van de „sociaaleconomische” procedure in die zin dat laatstgenoemde procedure slechts toepasselijk is wanneer er niet is aangetoond dat het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu van het gebruik van een stof als gevolg van de in bijlage XIV bij verordening nr. 1907/2006 vermelde intrinsieke eigenschappen overeenkomstig artikel 60, lid 2, van deze verordening afdoende wordt beheerst.
122 Vervolgens moet worden opgemerkt dat, gelet op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zoals neergelegd in artikel 47, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wanneer een verzoeker feiten en argumenten heeft aangevoerd om schending van een rechtsbepaling aan te tonen die irrelevant blijkt, maar met deze feiten en argumenten schending van een andere bepaling kan worden gestaafd, niets het Gerecht belet de desbetreffende feiten en argumenten binnen de relevante juridische context te plaatsen. Met andere woorden, het Gerecht wordt niet belet om te oordelen dat deze feiten en argumenten op de relevante bepaling betrekking hebben. Het is namelijk niet vereist dat een partij uitdrukkelijk de bepalingen aanvoert op grond waarvan zij bevoegd is de gerechtelijke procedure in te stellen, of meer in het algemeen, waarop zij de door haar aangevoerde grieven baseert [zie arrest van 13 juni 2012, XXXLutz Marken/BHIM – Meyer Manufacturing (CIRCON), T‑542/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:294, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
123 In het kader van een beroep tegen een besluit zoals een besluit inzake een verzoek tot interne herziening op grond van artikel 10 van verordening nr. 1367/2006, kan de uitlegging die ertoe strekt bepaalde feiten en argumenten van de verzoeker in de relevante juridische context te plaatsen evenwel slechts worden gevolgd voor zover er geen inbreuk wordt gemaakt op de beperkingen die op grond van dit artikel 10 voor het Gerecht gelden, zoals die in de punten 55 tot en met 58 hierboven zijn beschreven.
124 Ten slotte kan niet van een dergelijke uitlegging worden uitgegaan zonder dat de verzoeker, althans impliciet, met deze handelwijze instemt.
125 In casu zijn de partijen in het geding ter terechtzitting door het Gerecht gehoord over het feit dat verzoeksters argumenten die in de punten 94 tot en met 101, 113 en 117 hierboven zijn uiteengezet, niet ter zake dienend zijn. Het Gerecht heeft verzoekster in het bijzonder gevraagd bij welk ander middel van het verzoekschrift haar argumenten konden worden ondergebracht.
126 Op deze vraag heeft verzoekster geantwoord dat zij met het tweede en het derde middel had betoogd dat er kennelijke beoordelingsfouten waren gemaakt, hetgeen neerkomt op schending van het materiële recht, namelijk artikel 60, leden 4 en 5, van verordening nr. 1907/2006 in het bijzonder. Bovendien heeft verzoekster in wezen aangegeven dat, indien de met het tweede onderdeel van het eerste middel aangevoerde argumenten niet in het kader van dit onderdeel zouden slagen, deze argumenten in het kader van het tweede en het derde middel in aanmerking moesten worden genomen.
127 In deze omstandigheden kan verzoeksters argument dat, in wezen, de Commissie ten eerste in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening heeft nagelaten na een grondige herziening van tegenstrijdig bewijsmateriaal zelf een gemotiveerd standpunt in te nemen over de conformiteit van het chemischeveiligheidsrapport, waarvan de gegevens met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan DEHP door het Comité risicobeoordeling ontoereikend waren geacht (zie de punten 94‑97 hierboven), en ten tweede als overtuigend bewijs in dit besluit enkel heeft aangegeven dat dit comité „tekortkomingen” in de beoordeling van de risico’s van DEHP had vastgesteld (zie de punten 98 en 99 hierboven), worden opgevat als een grief inzake schending van artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006.
128 Ook kan het argument inzake de vaststelling van een „korte herbeoordelingstermijn” (zie de punten 100 en 101 hierboven) worden opgevat als een grief ontleend aan schending van artikel 60, leden 8 en 9, van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 61, lid 1, eerste zin, van die verordening.
129 In de eerste plaats moeten de in de punten 94 tot en met 99 hierboven genoemde argumenten van verzoekster, ook na heruitlegging als argumenten met betrekking tot artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006, echter worden afgewezen.
130 Wanneer een in een chemischeveiligheidsrapport opgenomen beoordeling van het risico van het gebruik van een stof voor de volksgezondheid of het milieu onzekerheden bevat of tekortkomingen vertoont, kan worden vastgesteld dat er niet is aangetoond dat dit risico afdoende wordt beheerst. Wanneer dat het geval is, kan de autorisatie niet volgens de „procedure van adequate controle” als bedoeld in artikel 60, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 worden verleend.
131 Deze omstandigheid kan echter worden aangegrepen om de vraag te stellen of de autorisatie op basis van de feiten en bewijzen waarover de Commissie beschikt, op grond van artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 volgens de „sociaaleconomische procedure” kan worden verleend.
132 Door in wezen aan te voeren dat de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening heeft nagelaten zelf een gemotiveerd standpunt over de conformiteit van het chemischeveiligheidsrapport met de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 in te nemen (zie de punten 94‑97 hierboven), brengt verzoekster in casu een element in het geding dat gevolgen had kunnen hebben voor de toepassing van artikel 60, lid 2, en niet voor de toepassing van artikel 60, lid 4, van deze verordening.
133 Dit geldt ook voor het argument dat de Commissie in haar besluiten als overtuigend bewijs enkel heeft aangegeven dat het Comité risicobeoordeling tekortkomingen in de beoordeling van de risico’s van DEHP had vastgesteld (zie de punten 98 en 99 hierboven).
134 Voor zover zij zich in wezen op de premisse baseren dat het bestaan van onzekerheden omtrent de beheersing van de risico’s van het gebruik van DEHP een belemmering als zodanig vormde voor de toepassing van artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006, zijn de argumenten in de punten 94 tot en met 99 niet ter zake dienend.
135 Bovendien moet worden opgemerkt dat het chemischeveiligheidsrapport, zoals de Commissie heeft betoogd zonder door verzoekster op dit punt gefundeerd te zijn weersproken, informatie bevat over in twee lidstaten uitgevoerde biomonitoring en over verrichte luchtmetingen, die overeenkomen met onderzoeken naar de blootstelling van werknemers in de pvc-sector die nieuw geproduceerd pvc en DEHP gebruiken in plaats van gerecycled pvc. Deze studies omvatten gegevens over werknemers uit twee lidstaten, met informatie betreffende biomonitoring, alsook gegevens uit Duitsland, Frankrijk, Nederland en Finland betreffende de controle van de luchtvervuiling. De ondernemingen waarop de gegevens betrekking hebben, leggen zich toe op de formulering en verwerking van pvc. Ofschoon de verstrekte informatie niet specifiek betrekking heeft op het gebruik van DEHP-houdend gerecycled pvc, gaat het hierin om activiteiten waarbij nieuw geproduceerd pvc wordt gebruikt waaraan nieuw geproduceerd DEHP is toegevoegd, en om de verdere verwerking van die stof. Bovendien hebben de autorisatieaanvraagsters een model opgesteld voor de blootstelling van werknemers met betrekking tot de overdracht van gerecycled zacht pvc uit kleine of grote tassen, hetgeen een activiteit vormt die specifiek is voor het gebruik van gerecycled pvc en die niet aan de orde komt in de metingen uit onderzoeken naar nieuw geproduceerd pvc.
136 Zoals de Commissie terecht heeft betoogd, betekent het feit dat het Comité risicobeoordeling had vastgesteld dat de beoordeling van de blootstelling van werknemers onzekerheden bevatte en dat de verstrekte gegevens niet representatief waren voor alle vormen van gebruik waarop de autorisatieaanvraag betrekking had, niet dat er geen enkele informatie over de blootstelling van werknemers was overgelegd, en evenmin dat er geen enkele conclusie uit kon worden getrokken.
137 Verzoekster heeft deze vaststelling van de Commissie niet op onderbouwde wijze betwist. Zij betwist het chemischeveiligheidsrapport weliswaar in het algemeen, maar toont verder niet aan dat uit dit rapport geen enkele nuttige conclusie kon worden getrokken.
138 Gelet op het feit dat verzoekster haar betwistingen niet onderbouwt, kan het argument waarmee zij de Commissie verwijt dat zij na grondig onderzoek van de verschillende bewijzen heeft nagelaten een gemotiveerd standpunt over het chemischeveiligheidsrapport in te nemen, niet volstaan om schending van artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 aan te tonen. Het argument kan dus niet slagen. Dit geldt ook voor de overige argumenten in de punten 97 tot en met 99 hierboven.
139 In de tweede plaats kan het argument inzake de vaststelling van een „korte herbeoordelingstermijn”, waarmee de Commissie de tekortkomingen van het chemischeveiligheidsrapport volgens verzoekster tracht te verhelpen (zie de punten 100 en 101 hierboven), dienen ter onderbouwing van schending van artikel 60, leden 8 en 9, van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 61, lid 1, eerste zin, van die verordening. Teneinde na te gaan of dit argument gegrond is, dient het volgende voor ogen te worden gehouden.
140 Volgens artikel 60, lid 8, eerste zin, van verordening nr. 1907/2006 zijn autorisaties gebonden aan een „herbeoordeling binnen een bepaalde termijn, zonder dat hiermee vooruitgelopen wordt op besluiten over toekomstige herbeoordelingstermijnen”. Volgens artikel 60, lid 9, onder e), van verordening nr. 1907/2006 moet deze „herbeoordelingstermijn” in de autorisatie worden vermeld. Ten slotte is in artikel 61, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1907/2006 bepaald dat overeenkomstig artikel 60 verleende autorisaties als geldig worden beschouwd „totdat de Commissie in het kader van een herbeoordeling besluit om een autorisatie te wijzigen of in te trekken, mits de houder van de autorisatie binnen 18 maanden voor het verstrijken van de herbeoordelingstermijn een herbeoordelingsverslag indient”.
141 In dit verband moet meteen worden benadrukt dat de termen „herbeoordeling” („réexamen”) en „herziening” („révision”) die in de Franse versie van de drie in punt 140 hierboven vermelde bepalingen worden gebruikt, synoniemen zijn, zoals blijkt uit bijvoorbeeld de Engelse en de Duitse versie van verordening nr. 1907/2006 en uit de context van deze bepalingen.
142 Vervolgens moet worden beklemtoond dat de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 60, lid 8 en lid 9, onder d) en e), van verordening nr. 1907/2006, in beginsel, ongeacht de inhoud ervan, niet ertoe kunnen strekken eventuele tekortkomingen van een door de autorisatieaanvrager ingediende autorisatieaanvraag of analyse van de alternatieven, of eventuele tekortkomingen van het onderzoek van de voorwaarden als bedoeld in artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 door de Commissie, te verhelpen.
143 Met andere woorden, de mogelijkheid om bepaalde voorwaarden aan een autorisatie te verbinden, zoals bedoeld in artikel 60, lid 8 en lid 9, onder d), van verordening nr. 1907/2006, kan niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie de vraag of aan de voorwaarden van artikel 60 van verordening nr. 1907/2006 is voldaan, open mag laten en als reactie hierop voorwaarden aan de autorisatie mag verbinden ter ondervanging van eventuele tekortkomingen of leemten in de beoordeling die zij op grond van dat artikel moet verrichten.
144 In het kader van het onderzoek van de in artikel 60 van verordening nr. 1907/2006 neergelegde voorwaarden moet de Commissie nagaan of op grond van alle relevante feiten en de bijbehorende technische en economische beoordelingen kan worden vastgesteld dat de in deze bepaling bedoelde voorwaarden daadwerkelijk zijn vervuld. Indien dit niet het geval is, is de Commissie niet gerechtigd een autorisatie te verlenen, ook niet voorwaardelijk.
145 In het onderhavige geval kan, anders dan verzoekster in wezen stelt, niet worden vastgesteld dat de in het autorisatiebesluit vastgestelde herbeoordelingstermijn als instrument heeft gediend om op grond van een aan de Commissie verleende „herstelbevoegdheid” tekortkomingen in het door de autorisatieaanvraagsters ingediende chemischeveiligheidsrapport te ondervangen.
146 Op het moment waarop de Commissie een, in casu korte, herbeoordelingstermijn heeft vastgesteld, hoefden de door het Comité risicobeoordeling geconstateerde tekortkomingen immers niet te worden verholpen.
147 Het enige gevolg van de onzekerheden omtrent het chemischeveiligheidsrapport was dat niet artikel 60, lid 2, van verordening nr. 1907/2006, maar artikel 60, lid 4, van die verordening de rechtsgrondslag van het autorisatiebesluit vormde. De tekortkomingen in het chemischeveiligheidsrapport hoefden in het licht van artikel 60, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 dus niet te worden verholpen.
148 Voorts zij eraan herinnerd dat het Comité sociaaleconomische analyse in zijn kwalitatieve analyse, waarin de door het Comité risicobeoordeling vastgestelde onzekerheden in aanmerking waren genomen, had aangegeven dat de autorisatie zijns inziens in casu kon worden verleend, hetgeen erop wijst dat de onzekerheden omtrent het chemischeveiligheidsrapport uiteindelijk waren weggenomen.
149 Verzoekster kan de tekortkomingen van het chemischeveiligheidsrapport echter niet als een op zichzelf staand argument aanvoeren, zonder de beoordeling van het Comité sociaaleconomische analyse op onderbouwde wijze te betwisten.
150 Met de argumenten die verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel heeft aangevoerd, heeft zij niet aangetoond dat de tekortkomingen van het chemischeveiligheidsrapport van invloed zijn geweest op de toepassing van de voorwaarden van artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1907/2006, zodat er niet van moet worden uitgegaan dat de Commissie heeft getracht deze te verhelpen door een herbeoordelingstermijn vast te stellen. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van schending van artikel 60, lid 8, en lid 9, onder e), van verordening nr. 1907/2006.
151 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel ongegrond worden verklaard.
– Derde onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot tekortkomingen in de beoordeling van de passende alternatieven
152 Volgens verzoekster heeft de Commissie bij de uitlegging van het begrip „alternatieven” als bedoeld in artikel 62, lid 4, onder e), van verordening nr. 1907/2006 blijk gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting, en heeft zij bijgevolg een „kennelijke beoordelingsfout gemaakt bij de beantwoording van de vraag of de autorisatieaanvraag aan artikel 60, lid 7, van die verordening voldeed”. Door deze fouten verliezen de conclusies van de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening elke plausibiliteit.
153 Gelet op de bewoordingen van overweging 74 van verordening nr. 1907/2006 en gezien de rol van de beoordeling van alternatieven, alsook de gebruikelijke betekenis van de term „alternatief”, moet ervan worden uitgegaan dat een autorisatieaanvraag een analyse moet bevatten van de stoffen of technologieën die „in het proces […] of het gebruik” kunnen worden gebruikt in plaats van de zeer zorgwekkende stof waarvoor de autorisatie wordt aangevraagd. Volgens verzoekster is de analyse van de „alternatieven” er in werkelijkheid voor bedoeld dat kan worden onderzocht of de zeer zorgwekkende stof „in het voorgenomen proces” door een andere stof of technologie kan worden vervangen. Bovendien moeten de alternatieven worden beoordeeld in het licht van de functie waarvoor de autorisatie wordt aangevraagd. Een alternatief moet in het bijzonder worden bezien in het licht van de functie van de stof „in het proces” en ook in vergelijking met een stof of een technologie die minder gevaarlijk is.
154 In het onderhavige geval was de in de autorisatieaanvraag opgenomen analyse van de alternatieven ontoereikend. Aangezien de functie van DEHP in de aanvraag niet is gepreciseerd, is daarin niet aangegeven door welke alternatieven de functie van deze stof kan worden vervangen.
155 De Commissie heeft in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening inderdaad aangegeven dat de functie van DEHP erin bestond „de hoeveelheid weekmakers terug te dringen die moet worden toegevoegd voor de vervaardiging van voorwerpen van pvc”. Bovendien heeft de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening verklaard dat de autorisatieaanvraag in werkelijkheid een beoordeling van de alternatieven „vanuit het oogpunt van de [autorisatieaanvraagsters]” bevatte, in het bijzonder het alternatief om nieuw geproduceerd pvc te gebruiken.
156 De overweging dat het gebruik van nieuw geproduceerd pvc als „alternatief” kan worden gekwalificeerd, terwijl bij de vervaardiging van nieuw pvc eveneens een zeer zorgwekkende stof wordt gebruikt, vormt een „kennelijk” onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip „alternatief”.
157 Hoe dan ook wijst verzoekster erop dat, indien de functie van DEHP erin bestond „de hoeveelheid weekmakers terug te dringen die moet worden toegevoegd voor de vervaardiging van voorwerpen van pvc”, zoals de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening heeft opgemerkt, en indien een dergelijke functie daadwerkelijk verenigbaar was met verordening nr. 1907/2006, deze instelling de beschikbaarheid had moeten onderzoeken van alternatieven waarmee de gebruikte hoeveelheid DEHP bij de vervaardiging van voorwerpen van pvc kon worden teruggedrongen. In dit onderzoek had een veel groter aantal alternatieven voor DEHP in het productieproces voor voorwerpen van pvc, bijvoorbeeld het gebruik van weekmakers die geen zeer zorgwekkende stoffen zijn, in aanmerking moeten worden genomen.
158 In casu kwam de bij de autorisatieaanvraag gevoegde analyse van de alternatieven niet eens overeen met de „functie” van DEHP die de Commissie in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening had aangeduid. In plaats van de vermelding van een alternatief dat erin bestaat „de hoeveelheid weekmakers terug te dringen die moet worden toegevoegd voor de vervaardiging van voorwerpen van pvc”, bevatte de autorisatieaanvraag informatie over drie andere processen waarmee pvc kan worden gerecycled, namelijk een alternatief waarbij postconsumptieafval met hoeveelheden DEHP die een bepaalde concentratie (0,3 gewichtsprocent) overschrijden, wordt gescheiden en uit het recyclingproces wordt verwijderd, een alternatief waarbij DEHP uit pvc-afval wordt verwijderd en een alternatief waarbij een ander soort industrieel pvc-afval wordt gebruikt.
159 De Commissie betwist dit betoog.
160 Allereerst zij eraan herinnerd dat artikel 60, lid 7, en artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006, zoals in de punten 104 tot en met 106 hierboven reeds is uiteengezet, betrekking hebben op de vraag of de bedoelde documenten ter ondersteuning van de autorisatieaanvraag zijn ingediend. Deze bepalingen betreffen formele aspecten van de autorisatieprocedure.
161 In casu staat vast dat in de autorisatieaanvraag alternatieven zijn voorgelegd. Aangezien de documenten die een autorisatieaanvrager moet indienen om aan artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 te voldoen, verifieerbaar moeten zijn, zij benadrukt dat verzoekster niet specifiek en gestaafd met bewijzen heeft aangetoond dat de door de autorisatieaanvraagsters verstrekte documenten niet aan dit criterium voldeden (zie punt 111 hierboven).
162 Bij nader toezien hebben verzoeksters argumenten waarmee zij betoogt dat de alternatieven tekortkomingen vertoonden, betrekking op de gegrondheid van het besluit inzake het verzoek tot interne herziening. Deze argumenten zijn dan ook niet ter zake dienend, aangezien zij zijn aangevoerd om onjuiste rechtsopvattingen of beoordelingsfouten met betrekking tot de toepassing van artikel 60, lid 7, en van artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 aan te tonen.
163 Om dezelfde redenen als die welke in de punten 122 tot en met 124 hierboven zijn uiteengezet, kunnen deze argumenten worden uitgelegd als argumenten ter ondersteuning van het middel inzake schending van artikel 60, leden 4 en 5, van verordening nr. 1907/2006 door een onjuiste beoordeling door de Commissie van de alternatieven.
164 Met het in het verzoekschrift aangevoerde derde middel beroept verzoekster zich immers precies op schending van artikel 60, leden 4 en 5, van verordening nr. 1907/2006 met argumenten inzake een beweerdelijk onjuiste beoordeling van de alternatieven. Zowel het onderhavige onderdeel van het eerste middel als het derde middel heeft in wezen betrekking op een beweerdelijk onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitlegging van het begrip „alternatieven”. Bovendien overlappen de argumenten die verzoekster met het onderhavige onderdeel van het eerste middel van het verzoekschrift heeft aangevoerd en haar argumenten in het kader van de eerste grief van het derde middel elkaar gedeeltelijk.
165 In dit verband moet worden benadrukt dat verzoekster met de eerste grief van het derde middel gelet op de volgende twee elementen schending aanvoert van artikel 60, leden 4 en 5, van verordening nr. 1907/2006 met betrekking tot de analyse van de alternatieven. Ten eerste heeft de Commissie zich in het besluit inzake het verzoek tot interne herziening, net zoals de autorisatieaanvraagsters in hun autorisatieaanvraag, op een onjuist „referentiekader” gericht, namelijk „vervanging van een afvalstroom, in tegenstelling tot vervanging van de [zeer zorgwekkende stof] in het proces (de vervaardiging van voorwerpen van pvc)”. Ten tweede heeft de Commissie herhaald dat de functie van DEHP erin bestond de hoeveelheid weekmakers terug te dringen die moet worden toegevoegd voor de vervaardiging van voorwerpen van pvc (zie punt 226 hieronder). De vraag in verband met het onjuiste „referentiekader” en de vraag of de analyse van de alternatieven gericht moet zijn op een zeer zorgwekkende stof „in een proces”, zoals verzoekster met het onderhavige onderdeel van het eerste middel stelt, overlappen elkaar echter. Ook de grief inzake onjuistheden die afbreuk doen aan de beoordeling van de alternatieven als gevolg van een verkeerde uitlegging van de functie van DEHP (zie punt 223 hieronder), enerzijds, en verzoeksters verwijten in haar argumenten die aan bod zijn gekomen in de punten 155 tot en met 158 hierboven, anderzijds, overlappen elkaar.
166 Bovendien is er voldaan aan de voorwaarden waaronder het Gerecht argumenten kan uitleggen ter verzekering van een nuttige werking ervan (zie de punten 122‑124 hierboven). In het bijzonder moet worden benadrukt dat verzoeksters verduidelijkingen ter terechtzitting over het nut van haar argumenten in het licht van artikel 60, leden 4 en 5, van verordening nr. 1907/2006 – in tegenstelling tot het nut ervan in het licht van artikel 60, lid 7, en van artikel 62, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 – ook argumenten ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel van het eerste middel betroffen. Ten slotte is ook de Commissie hierover gehoord.
167 In deze omstandigheden moeten de in de punten 152 tot en met 158 hierboven genoemde argumenten worden bezien als een aanvulling op de argumenten die in het kader van het derde middel zijn aangevoerd.
– Vierde onderdeel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 60, lid 7, en van artikel 64, lid 3, van verordening nr. 1907/2006
168 Ter ondersteuning van het vierde onderdeel van het eerste middel wijst verzoekster erop dat het Comité risicobeoordeling van ECHA de autorisatieaanvraagsters om aanvullende informatie had gevraagd op een moment waarop de autorisatieaanvraag volgens dat comité reeds aan de voorschriften van artikel 62 van verordening nr. 1907/2006 voldeed. Door aldus te handelen heeft dit comité blijk gegeven van een „kennelijk” onjuiste rechtsopvatting en zo de in artikel 64, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 bedoelde procedure geschonden. Aangezien de Commissie deze benadering in haar besluit inzake het verzoek tot interne herziening heeft bekrachtigd, heeft zij in dit besluit eveneens blijk gegeven van een „kennelijk” onjuiste rechtsopvatting. Ten slotte heeft ook de Commissie zelf niet alleen artikel 64, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, maar ook artikel 60, lid 7, van die verordening geschonden.
169 Volgens verzoekster kan op grond van artikel 64, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, wanneer is verklaard dat een aanvraag aan de voorschriften van artikel 62 van verordening nr. 1907/2006 voldoet, enkel het Comité sociaaleconomische analyse verzoeken om aanvullende informatie, en dan alleen over de alternatieven. Uit deze bepaling vloeit echter voort dat het Comité risicobeoordeling niet om aanvullende informatie mag verzoeken over een aanvraag waarvan reeds is komen vast te staan dat ze aan de voorschriften van artikel 62 van verordening nr. 1907/2006 voldoet.
170 De Commissie betwist dit betoog.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 4 mei 2016, C-477/14, ECLI:EU:C:2016:324
- Gerecht EU 25 september 2015, T-360/13, ECLI:EU:T:2015:695
- HvJ EU 21 mei 2015, C-546/12, ECLI:EU:C:2015:332
- Gerecht EU 13 juni 2012, T-542/10, ECLI:EU:T:2012:294
- Gerecht EU 9 september 2011, T-257/07, ECLI:EU:T:2011:444
- HvJ EU 22 december 2010, C-77/09, ECLI:EU:C:2010:803