Art. 192 VWEU, MILIEU
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
1. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s de activiteiten vast die de Unie moet ondernemen om de doelstellingen van artikel 191 te verwezenlijken.
2. In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 114, neemt de Raad na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure een besluit over: De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio’s, met eenparigheid van stemmen de gewone wetgevingsprocedure van toepassing verklaren op de in de eerste alinea genoemde gebieden.
a. bepalingen van in hoofdzaak fiscale aard;
b. maatregelen die van invloed zijn op:
– de ruimtelijke ordening;
– het kwantitatieve waterbeheer, of die rechtstreeks dan wel zijdelings betrekking hebben op de beschikbaarheid van de watervoorraden;
– de bodembestemming, met uitzondering van het afvalstoffenbeheer;
c. maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.
3. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s algemene actieprogramma’s vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd. De voor de uitvoering van die programma’s nodige maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig lid 1, respectievelijk lid 2.
4. Onverminderd bepaalde door de Unie vastgestelde maatregelen, dragen de lidstaten zorg voor de financiering en de uitvoering van het milieubeleid.
5. Onverminderd het beginsel dat de vervuiler betaalt, ingeval een op grond van lid 1 vastgestelde maatregel voor de overheid van een lidstaat onevenredig hoge kosten met zich brengt, omvat deze maatregel voorzieningen in de vorm van:
– ontheffingen van tijdelijke aard en/of
– financiële steun uit het overeenkomstig artikel 161 per 1 december 2009: 177 opgerichte Cohesiefonds.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:738
- Hof Den Haag 9 oktober 2018 (Urgenda), ECLI:NL:GHDHA:2018:2591
- Rb. Den Haag 24 juni 2015 (Urgenda), ECLI:NL:RBDHA:2015:7145
- Conclusie A-G Langemeijer en Wissink 13 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:887
- Rb. Oost-Brabant 14 april 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:2090
- Rb. Den Haag 16 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:115
- Hof Den Haag 24 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2173
- Conclusie A-G Snijders 25 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:182
- Conclusie A-G IJzerman 9 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:883
- ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2842
- Rb. Midden-Nederland 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6695
- Rb. Den Haag 17 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3440
- Rb. Den Haag 14 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5878