Gerecht EU 14 mei 1998, T-311/94, ECLI:EU:T:1998:93
Tekst
Trefwoorden
1 Mededinging - Administratieve procedure - Mededeling van punten van bezwaar - Noodzakelijke inhoud
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 4)
2 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Middel betreffende ontbrekende of ontoereikende motivering - Middel betreffende verkeerde motivering - Onderscheid
(EG-Verdrag, art. 190)
3 Mededinging - Mededingingsregelingen - Bewijs - Door Commissie aangevoerde aanwijzingen - Beoordeling
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
4 Mededinging - Mededingingsregelingen - Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren - Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daaropvolgende mededingingsregeling
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
5 Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk opleveren - Ondernemingen aan wie inbreuk, bestaande in deelneming aan geheel kartel, ten laste kan worden gelegd - Criteria
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
6 Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Aan ondernemingen opgelegde verplichtingen - Evenredigheid - Criteria
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
7 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte en duur van inbreuken - Beoordelingsfactoren - Mogelijkheid om niveau van geldboeten te verhogen ter versterking van preventieve werking
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
8 Mededinging - Geldboeten - Beginsel van gelijke behandeling - Verlaging van bedrag van geldboeten - Verschillen naar gelang van houding van onderneming tijdens administratieve procedure - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
9 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Houding van onderneming tijdens administratieve procedure
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
Samenvatting
10 De mededeling van de punten van bezwaar, die tot doel heeft de op grond van de mededingingsregels vervolgde ondernemingen alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om zich te kunnen verdedigen voordat de Commissie een eindbeschikking geeft, moet gesteld zijn in bewoordingen die, hoe bondig ook, voor de belanghebbenden voldoende duidelijk zijn om te weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt.
11 De motivering van een bezwarende beschikking dient de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid ervan na te gaan en de betrokkene de gelegenheid te geven de gronden van de genomen maatregel te kennen, zodat hij zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beschikking al dan niet gegrond is.
Bijgevolg is een ontbrekende of ontoereikende motivering een middel betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften, dat als zodanig verschilt van het middel inzake verkeerde motivering van de beschikking, dat moet worden getoetst bij het onderzoek van de gegrondheid van deze beschikking.
12 De aanwijzingen die door de Commissie in een beschikking worden aangevoerd om te bewijzen dat een bepaalde onderneming inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft gemaakt, dienen niet afzonderlijk, doch gezamenlijk te worden beoordeeld.
13 Het feit dat een onderneming zich niet houdt aan de resultaten van vergaderingen die een kennelijk mededingingsverstorend doel hebben, kan haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan het kartel ontslaan, wanneer zij zich niet publiekelijk van de inhoud van de vergaderingen heeft gedistantieerd.
14 Om elk van de in een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel dat verschillende mededingingsverstorende gedragingen omvat, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld, wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.
15 De toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kan het verbod omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst. Voor zover de toepassing van deze bepaling moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand.
Een verbod dat de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet als individuele of individualiseerbare informatie kan worden aangemerkt, voldoet niet aan de voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 gestelde voorwaarden, wanneer uit de beschikking niet blijkt, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd, en aangezien het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, het nog niet in strijd met deze bepaling maakt, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld.
16 Bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten mag de Commissie rekening houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken op de communautaire mededingingsregels worden gemaakt en mag zij derhalve het niveau van de geldboeten verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.
Verder kan de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het bijzonder rekening houden met de lange duur en het evidente karakter van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie.
17 Het beginsel van gelijke behandeling wordt slechts geschonden, wanneer vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. De Commissie handelt niet in strijd met dit beginsel, wanneer zij het bedrag van de geldboeten al dan niet verlaagt naar gelang van de medewerking die de betrokken onderneming haar tijdens de administratieve procedure heeft verleend.
18 Bij de vaststelling van het bedrag van de voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete is een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken.
Een onderneming die uitdrukkelijk verklaart, dat zij de gestelde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, niet ontkent, kan als een onderneming worden beschouwd die heeft bijgedragen tot een verlichting van de taak van de Commissie, bestaande in het vaststellen en het bestraffen van inbreuken op de communautaire mededingingsregels.
Dit is niet het geval wanneer een onderneming in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar de voornaamste of alle daarin door de Commissie gestelde feiten ontkent, geen enkel antwoord geeft of enkel verklaart geen standpunt in te nemen met betrekking tot de door de Commissie gestelde feiten. Door een dergelijke houding tijdens de administratieve procedure draagt de onderneming namelijk niet bij tot een verlichting van de taak van de Commissie.
Partijen
In zaak T-311/94,
BPB de Eendracht NV, voorheen Kartonfabriek de Eendracht NV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Appingedam (Nederland), vertegenwoordigd door A. Vandencasteele, advocaat te Brussel, en G. B. Buchanan Jeffrey, Solicitor te Liverpool, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Lyal, lid van haar juridische dienst, en R. Caudwell, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, vervolgens door R. Lyal, bijgestaan door J. Flynn, Barrister van de Bar of England and Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton, PB L 243, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 juni-8 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
2 De beschikking heeft betrekking op het product karton. Drie typen karton, die worden aangeduid als karton van de kwaliteiten "GC", "GD" en "SBS", worden in de beschikking vermeld.
3 Karton van de kwaliteit GD (hierna: "GD-karton") is karton dat van binnen grijs is (gerecycleerd papier) en gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van andere dan levensmiddelen.
4 Karton van de kwaliteit GC (hierna: "GC-karton") is karton met een witte buitenlaag, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. GC-karton is van betere kwaliteit dan GD-karton. In de door de beschikking bestreken periode bestond tussen deze beide producten in het algemeen een prijsverschil van ongeveer 30 %. In geringere omvang wordt GC-karton van hoge kwaliteit ook gebruikt voor grafische doeleinden.
5 De afkorting SBS wordt gebruikt voor geheel wit karton (hierna: "SBS-karton"). De prijs van dit product is ongeveer 20 % hoger dan die van GC-karton. Het wordt gebruikt voor de verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten, doch voornamelijk voor grafische doeleinden.
6 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.
7 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.
8 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.
9 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.
10 Op basis van het in het kader van die verificaties en die verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.
11 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.
12 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:
"Artikel 1
Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,
- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;
- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;
- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;
- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,
aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:
- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;
- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;
- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;
- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;
- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;
- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.
(...)
Artikel 3
De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
viii) Kartonfabriek de Eendracht NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht NV'), een geldboete van 1 750 000 ECU;
(...)"
13 Volgens de beschikking vond de inbreuk plaats in het kader van een organisatie met de naam "Product Group Paperboard" (hierna: "PG Paperboard"), die bestond uit verscheidene groepen of comités.
14 In het kader van deze organisatie werd medio 1986 de zogeheten "Presidents Working Group" (hierna: "PWG") opgericht. Deze groep bestond uit leidinggevende personen van de (ongeveer acht) grootste kartonproducenten in de Gemeenschap.
15 De werkzaamheden van de PWG bestonden onder meer in bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en capaciteit. De PWG nam in het bijzonder algemene beslissingen over het tijdstip en het niveau van door de producenten door te voeren prijsverhogingen.
16 De PWG bracht verslag uit aan de "President Conference" (hierna: "PC"), die (met meer of minder grote regelmaat) werd bijgewoond door nagenoeg alle algemeen-directeuren van de betrokken ondernemingen. De PC kwam in de betrokken periode tweemaal per jaar bijeen.
17 Eind 1987 werd het "Joint Marketing Committee" (hierna: "JMC") opgericht. Dit had vooral tot taak om te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd, alsmede om per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken, met het doel een systeem van equivalente prijzen in Europa tot stand te brengen.
18 Het "Economic Committee" (hierna: "EC") ten slotte besprak onder meer de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC of, tot eind 1987, het Marketing Committee. De bijeenkomsten van het EC werden bijgewoond door marketing- en verkoopmanagers van het merendeel van de betrokken ondernemingen en vonden enige malen per jaar plaats.
19 Uit de beschikking blijkt voorts, dat naar het oordeel van de Commissie de activiteiten van de PG Paperboard werden ondersteund door een systeem voor gegevensuitwisseling dat werd beheerd door de trustmaatschappij Fides, gevestigd te Zürich (Zwitserland). Volgens de beschikking stuurden de meeste leden van de PG Paperboard Fides periodieke verslagen over orders, productie, verkoop en bezettingsgraad. Die verslagen werden in het Fides-systeem centraal samengevoegd en de geaggregeerde gegevens werden aan de deelnemers toegestuurd.
20 Verzoekster BPB de Eendracht NV, voorheen Kartonfabriek de Eendracht NV, is een producent van GD-karton. Volgens de Commissie heeft verzoekster gedurende de periode van medio 1986 tot april 1991 de vergaderingen van de PC, het JMC en het EC bijgewoond.
Procesverloop
21 Bij op 7 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld.
22 Zestien van de achttien andere ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de beschikking (zaken T-295/94, T-301/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94).
23 Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
24 Vier Finse ondernemingen, leden van de handelsvereniging Finnboard, die om die reden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de aan de vereniging opgelegde geldboete, hebben eveneens beroep tegen de beschikking ingesteld (gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94).
25 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.
26 Bij brief van 5 februari 1997 heeft het Gerecht partijen verzocht, aanwezig te zijn bij een informele bijeenkomst, vooral om hun opmerkingen in te dienen betreffende de eventuele voeging van de zaken T-295/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94 voor de mondelinge behandeling. Tijdens deze bijeenkomst, die plaatshad op 29 april 1997, hebben partijen met een dergelijke voeging ingestemd.
27 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie bij faxbericht van 20 mei 1997 verklaard, dat de documenten betreffende de Association of Cartonboard Manufacturers (hierna: "ACBM"), die niet in de loop van de administratieve procedure voor de Commissie aan verzoekster waren toegezonden, aan haar konden worden geopenbaard. Bij brief van 21 mei 1997 heeft de griffie van het Gerecht verzoekster medegedeeld, dat zij deze documenten kon inzien.
28 Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de vorengenoemde zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling en heeft hij een door verzoekster in zaak T-334/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling ingewilligd.
29 Bij beschikking van 20 juni 1997 heeft hij een door verzoekster in zaak T-337/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling van een in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegd document ingewilligd.
30 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.
31 De partijen in de in punt 26 vermelde zaken zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord tijdens de terechtzitting die heeft plaatsgevonden van 25 juni tot en met 8 juli 1997.
Conclusies van partijen
32 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
- de beschikking nietig te verklaren;
- subsidiair, artikel 2 van de beschikking nietig te verklaren;
- meer subsidiair, te verklaren dat de periode van de gestelde inbreuk zich niet van medio 1986 tot april 1991 uitstrekt;
- nog meer subsidiair, te verklaren dat het geografisch gebied van de gestelde inbreuk onjuist is vastgesteld;
- uiterst subsidiair, het bedrag van de opgelegde geldboete te verlagen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
33 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
De vordering tot nietigverklaring van de beschikking
34 Verzoekster voert vier middelen tot nietigverklaring aan: (i) schending van het recht van verweer, aangezien de Commissie het gedrag van de individuele producenten niet in de mededeling van de punten van bezwaar en in de beschikking zou hebben gepreciseerd; (ii) schending van het recht van verweer, aangezien de Commissie niet alle documenten zou hebben toegezonden; (iii) schending van artikel 190 van het Verdrag, en (iv) schending van artikel 85 van het Verdrag, door een kennelijke onjuiste beoordeling van de feiten en een onjuiste toepassing van het recht.
35 Om te beginnen zullen het eerste en het derde middel, vervolgens het vierde middel en ten slotte het tweede middel worden behandeld.
A - Het middel: schending van het recht van verweer, aangezien de Commissie het gedrag van de individuele producenten niet in de mededeling van de punten van bezwaar en in de beschikking zou hebben gepreciseerd
Argumenten van partijen
36 Verzoekster betwist niet, dat de Commissie de deelneming van elk van de adressaten van de beschikking aan de inbreuk kan bewijzen door eerst het bestaan en de werking alsmede de meest opvallende kenmerken van het kartel als geheel aan te tonen en vervolgens te bepalen of er geloofwaardig en overtuigend bewijs bestaat voor de vaststelling van de band van iedere individuele producent met het gemeenschappelijke stelsel en voor welke periode elke producent aan het kartel deelnam (punten 116 en 117 van de considerans van de beschikking).
37 In de eerste plaats heeft de Commissie volgens verzoekster evenwel het ten laste gelegde stelsel niet correct geïdentificeerd, omdat het niet de precieze strekking en omvang daarvan heeft omschreven. Het is onjuist om aan te nemen dat elke producent die lid van de PG Paperboard was en aan de verschillende organen daarvan deelnam, bij het kartel betrokken was (punt 119, eerste alinea, van de considerans van de beschikking). Ook is het onjuist om ervan uit te gaan, dat de activiteiten van het EC deel uitmaakten van het onwettige stelsel (ibidem, tweede alinea, van de considerans). Bovendien wordt in de conclusie van de Commissie dat alle organen van de PG Paperboard in overwegende mate een onwettig oogmerk hadden, geen rekening gehouden met de rol van de PC of van het EC. Wat het JMC betreft, is verzoekster van mening, dat slechts vijf van de gedurende de betrokken periode gehouden 29 vergaderingen de vaststelling van prijzen betroffen.
38 In de tweede plaats verklaart verzoekster, dat de Commissie moet bewijzen dat elke adressaat nauwkeurig uit de beschikking kan opmaken, welke punten van bezwaar ten aanzien van hem in aanmerking zijn genomen (arrest Gerecht van 10 maart 19922, Solvay/Commissie, T-12/89, Jurispr. blz. II-907, punt 276). Aan dit vereiste is met betrekking tot verzoekster niet voldaan. Anders dan de Commissie in punt 118 van de considerans van de beschikking verklaart, bestaat er namelijk geen rechtstreeks bewijs van haar betrokkenheid bij de inbreuk.
39 Verzoekster verwerpt de verklaring van de Commissie, dat "niets erop duidt (...) dat afzonderlijke ondernemingen bepaalde aspecten van het kartel waarbij zij zich wilden aansluiten, konden kiezen en andere niet toepassen" (punt 116, tweede alinea, van de considerans). Om tot deze conclusie te komen had de Commissie moeten aantonen dat een onderneming zich niet bij één aspect van dit stelsel kon aansluiten zonder zich bij alle aspecten ervan aan te sluiten. De Commissie heeft evenwel zelf erkend, dat een aantal van de belangrijkste bestanddelen van het beweerde stelsel aan de grote producenten was voorbehouden (punten 36, 51 en 71 van de considerans).
40 Bovendien heeft de Commissie in strijd met het beginsel van het vermoeden van onschuld aangenomen dat ondernemingen schuldig waren (punt 116, laatste alinea, van de considerans) ten aanzien waarvan geen bewijsstukken bestonden.
41 Met betrekking tot verzoekster zijn de enige geldige punten van bezwaar die welke in de afzonderlijke gegevens in bijlage bij de mededeling van de punten van bezwaar zijn vermeld, namelijk die betreffende een deelneming aan de onderling afgestemde prijsverhogingen van april 1989, april 1990 en januari 1991 in het Verenigd Koninkrijk.
42 Verzoekster stelt dat haar in de mededeling van de punten van bezwaar geen deelneming aan de onderling afgestemde prijsverhoging van 1987 in het Verenigd Koninkrijk ten laste is gelegd. De Commissie kon dit niet ongedaan maken door, in een brief van 4 mei 1993, enkel te verwijzen naar een technische bijlage bij de documenten betreffende de prijsinitiatieven.
43 De Commissie brengt de door haar gevolgde aanpak in herinnering, zoals uiteengezet in de punten 116 en 117 van de considerans van de beschikking.
44 Haars inziens behoeft zij het voortgezette gedrag van ondernemingen niet in afzonderlijke inbreuken op te splitsen en wordt de deelneming van de individuele producenten bij een bepaalde gelegenheid of een bijzondere manifestatie van het kartel niet gelogenstraft door het enkele feit dat hun deelneming niet door rechtstreekse bewijzen wordt aangetoond (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T-1/89, Jurispr. blz. II-867, punt 126).
45 In antwoord op verzoeksters argumenten verklaart zij, dat de precieze strekking en omvang van het gemeenschappelijke stelsel in elk geval correct zijn omschreven (punt 119 van de considerans van de beschikking).
46 Ook zijn de tegen verzoekster aangevoerde punten van bezwaar in de mededeling van de punten van bezwaar en de beschikking toereikend geïdentificeerd.
47 Ten slotte wordt verzoeksters betrokkenheid bij het kartel bewezen door het feit dat zij lid van de PG Paperboard was en regelmatig gedurende de relevante periode de vergaderingen van de PC, het JMC en het EC heeft bijgewoond.
48 Met betrekking tot verzoeksters bewering dat van de tegen haar aangevoerde punten van bezwaar enkel die punten geldig zijn, welke in de afzonderlijke gegevens waren vermeld, dat wil zeggen haar deelneming aan de onderling afgestemde prijsverhogingen van 1989, 1990 en 1991 in het Verenigd Koninkrijk, betoogt de Commissie, dat verzoekster welbewust de mededeling van de punten van bezwaar en de afzonderlijke gegevens niet in onderlinge samenhang heeft gelezen, ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing in het omlijnde kader van de afzonderlijke gegevens, blz. 75 van de mededeling van de punten van bezwaar en de brief van de Commissie van 4 mei 1993. Verzoeksters beweringen betreffende de onderling afgestemde prijsverhoging van 1987 zijn dan ook ongefundeerd.
Beoordeling door het Gerecht
49 Verzoeksters betoog dat haar recht van verweer is geschonden, omdat de Commissie in de beschikking het gedrag van de individuele producenten niet zou hebben gepreciseerd, kan niet worden aanvaard.
50 Voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen, dat de tegen verzoekster in aanmerking genomen punten van bezwaar niet duidelijk genoeg in de beschikking zijn uiteengezet, moet dit betoog worden onderzocht in het kader van het middel betreffende schending van de motiveringsplicht. Voor zover daarmee door verzoekster wordt betwist dat de beschikking een bewijs van haar betrokkenheid bij het kartel bevat, betreft dit het onderzoek van de gegrondheid van de beschikking, zodat het in deze context niet relevant is.
51 Verzoeksters argument dat de enige rechtsgeldig tegen haar in aanmerking genomen punten van bezwaar die zijn welke in de afzonderlijke gegevens in bijlage bij de mededeling van de punten van bezwaar zijn uiteengezet, kan evenmin worden aanvaard.
52 In een inleidende opmerking bij deze tot verzoekster gerichte afzonderlijke gegevens wordt namelijk uitdrukkelijk verklaard, dat "de afzonderlijke gegevens moeten worden gelezen in samenhang met de algemene mededeling van de punten van bezwaar".
53 Verder wordt in de afzonderlijke gegevens verklaard:
"De onder de titel $Voornaamste bewijsmateriaal waaruit de betrokkenheid van [de onderneming] bij het kartel blijkt', vermelde zaken zijn niet bedoeld als een volledig overzicht van alle opzichten waarin uw onderneming inbreuk op artikel 85 pleegde. Nadere details van de vermeende inbreuk waaraan uw onderneming deelgenomen heeft, zijn uiteengezet in de algemene mededeling van de punten van bezwaar. De hier uitgewerkte zaken vormen het belangrijkste directe en/of indirecte bewijsmateriaal waaruit blijkt dat uw onderneming deel uitmaakte van het kartel."
54 Ten slotte zet de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar (blz. 75-78) uiteen, waarom zij alle ondernemingen tot wie dit document is gericht, een deelneming aan alle gestelde mededingingsverstorende handelingen verwijt. Deze verklaring is overigens vergelijkbaar met die in de punten 116 tot en met 119 van de considerans van de beschikking.
55 Zo wordt gepreciseerd (blz. 76), dat het in een geval als het onderhavige "nadat het bestaan en de werking van het kartel is aangetoond, voldoende [is] door middel van geloofwaardige en overtuigende bewijsmiddelen de band van iedere deelnemer met de gemeenschappelijke actie vast te stellen, evenals de duur van zijn aansluiting bij de operatie".
56 Zo gezien is het punt van bezwaar dat verzoekster aan het gestelde kartel als geheel had deelgenomen, in de mededeling van de punten van bezwaar in zo duidelijke bewoordingen gesteld dat verzoekster dit punt van bezwaar inderdaad kon vaststellen. Wat dit aangaat heeft de mededeling van de punten van bezwaar dus haar functie vervuld, te weten de ondernemingen alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om zich adequaat te kunnen verdedigen voor de Commissie een eindbeschikking geeft (zie in het bijzonder arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/95, C-104/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, punt 42).
57 Ten slotte dient verzoeksters bewering te worden afgewezen, dat haar recht van verweer is geschonden, omdat haar in de mededeling van de punten van bezwaar niet ten laste zou zijn gelegd dat zij aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijsverhoging van januari 1987 in het Verenigd Koninkrijk had deelgenomen. Zonder dat behoeft te worden onderzocht, of dit punt van bezwaar in de mededeling van de punten van bezwaar zelf voldoende duidelijk is uiteengezet, volstaat de vaststelling, dat de Commissie, na verzoeksters antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar te hebben ontvangen, bij haar brief van 4 mei 1993 heeft verklaard, dat verzoekster ten laste werd gelegd dat zij aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijsverhoging van januari 1987 in het Verenigd Koninkrijk had deelgenomen.
58 In deze brief wordt verklaard:
"In de tweede plaats is het, zelfs met betrekking tot de gestelde $prijsinitiatieven' zelf, niet juist om te stellen (punt 52 van uw antwoord), dat $de Commissie niet heeft aangevoerd dat [Kartonfabriek de Eendracht] betrokken was bij een onderling afgestemd prijsinitiatief in het Verenigd Koninkrijk in januari 1987' en zeker niet (punt 64), dat $de Commissie niet heeft gesteld dat de verhoging van januari 1987 het resultaat van een onderlinge afstemming tussen de producenten' was. Deze commentaren worden in punt 150 van uw antwoord herhaald.
De Commissie stelt wel degelijk, dat het prijsinitiatief van 1987 een heimelijke regeling was en dat uw cliënt daaraan heeft deelgenomen.
In dit verband behoef ik u slechts op bijlage A van de documenten betreffende de $prijsinitiatieven' en in het bijzonder op de derde alinea op bladzijde 3 en op bladzijde 4 in haar geheel te wijzen."
59 Aangezien verzoekster in de brief 4 mei 1993 expliciet de mogelijkheid is geboden gedurende de administratieve procedure en binnen een termijn van drie weken haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot in het bijzonder het punt van bezwaar betreffende haar deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijsverhoging van januari 1987 in het Verenigd Koninkrijk, heeft de Commissie haar niet belet, tijdig haar standpunt met betrekking tot dit punt van bezwaar kenbaar te maken (zie in dezelfde zin arresten Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punt 11, en 25 oktober 1983, AEG/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punt 27).
60 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.
B - Het middel: schending van artikel 190 van het Verdrag
Argumenten van partijen
61 Verzoekster stelt, dat zij in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft uiteengezet, waarom haars inziens geen van de stukken die de Commissie in aanmerking had kunnen nemen, de door deze laatste gestelde feiten staaft. In het bijzonder was de Commissie met zoveel woorden verzocht om haar punten van bezwaar te preciseren. Zij heeft evenwel niet op verzoeksters argumenten geantwoord.
62 De Commissie is van mening, dat zij haar punten van bezwaar in de mededeling van de punten van bezwaar heeft aangeduid. Krachtens artikel 190 van het Verdrag behoeft zij enkel de bewijzen en de juridische en economische argumenten aan te voeren die haar beschikking rechtvaardigen, hetgeen zij in casu heeft gedaan door de bewijzen aan te duiden en aan te voeren welke verzoeksters betrokkenheid bij de ene enkele inbreuk aantonen, door in de beschikking de gedetailleerde verklaringen van Stora en de bewijsstukken die de aard van de comité's van de PG Paperboard aantoonden, gedetailleerd weer te geven, en door eveneens de door verzoekster bijgewoonde vergaderingen en de door haar in overeenstemming met de besluiten van het kartel ten uitvoer gelegde prijsverhogingen te vermelden.
63 In elk geval gaat verzoekster voorbij aan het gedetailleerde onderzoek van haar hoofdargumenten en heeft zij, afgezien van haar bewering betreffende de prijsverhoging van 1987, geen enkel punt kunnen specificeren waarop de Commissie de ten aanzien van haar in aanmerking genomen punten van bezwaar niet zou hebben aangeduid.
Beoordeling door het Gerecht
64 Verzoeksters betoog moet aldus worden opgevat, dat de beschikking ontoereikend zou zijn gemotiveerd wat haar betrokkenheid bij de inbreuk betreft.
65 Volgens vaste rechtspraak (arresten Hof van 4 juli 1963, Duitsland/Commissie, 24/62, Jurispr. blz. 137, en 17 januari 1984, VBVB en VBBB/Commissie, 43/82 en 63/82, Jurispr. blz. 19, punt 22, alsmede arrest Gerecht van 24 januari 1992, La Cinq/Commissie, T-44/90, Jurispr. blz. II-1, punt 42) dient de motivering van een bezwarende beschikking de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid ervan na te gaan en de betrokkene de gelegenheid te geven de gronden van de genomen maatregel te kennen, zodat hij zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beschikking al dan niet gegrond is.
66 Bijgevolg is een ontbrekende of ontoereikende motivering een middel betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften, dat als zodanig verschilt van het middel inzake verkeerde motivering van de beschikking, dat integendeel moet worden getoetst bij het onderzoek van de gegrondheid van deze beschikking.
67 In casu wordt verzoekster in de beschikking rechtstreeks ter sprake gebracht in het kader van de beschrijving van de onderling afgestemde prijsverhogingen (punt 79 van de considerans, tabellen A, D, F en G in bijlage bij de beschikking). Verder wordt in de punten van de beschikking waarin de besprekingen binnen het JMC met een mededingingsverstorend doel worden beschreven (in het bijzonder de punten 44-46, 58, 71, 73, 84, 85 en 87 van de considerans), noodzakelijkerwijze gedoeld op verzoekster, die niet betwist dat zij twee vergaderingen van dit orgaan heeft bijgewoond. Ten slotte wordt in de beschikking duidelijk uiteengezet, op grond van welke redenering de Commissie van oordeel is, dat verzoekster betrokken was bij een algemeen kartel (punten 116-119 van de considerans).
68 In die omstandigheden heeft de motivering van de beschikking verzoekster voldoende aanwijzingen gegeven om de voornaamste gegevens feitelijk en rechtens te kennen, die ten grondslag liggen aan de redenering op basis waarvan de Commissie verzoekster aansprakelijk heeft gesteld voor een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
69 Bijgevolg dient het middel betreffende een ontoereikende motivering van de beschikking te worden afgewezen.
C - Het middel: schending van artikel 85 van het Verdrag, door een kennelijke onjuiste beoordeling van de feiten en een onjuiste toepassing van het recht
Argumenten van partijen
De organen van de PG Paperboard
- De taken van de PC en verzoeksters deelneming
70 Verzoekster verklaart, dat zij gedurende de periode van medio 1986 tot april 1991 twee van de negen door de Commissie vermelde vergaderingen van de PC heeft bijgewoond, namelijk die van 4 december 1987 en 17 november 1988. Anders dan in tabel 3 in bijlage bij de beschikking wordt gesteld, heeft zij nooit de vergadering van 20 mei 1987 bijgewoond.
71 Zij betwist dat de PC tot taak had, de prijzen die binnen de PWG zouden zijn afgesproken, aan de producenten door te geven. De verklaring dat de PC verslagen van de PWG ontving en dat haar leden over de toe te passen prijzen werden ingelicht, veronderstelt namelijk, dat een dergelijke mededeling werd gedaan wanneer een PC onmiddellijk volgde op een vergadering van de PWG tijdens welke tot een prijsverhoging was besloten. Niet alleen had verzoekster slechts sporadisch vergaderingen van de PC bijgewoond, doch uit de tijdstippen waarop zij deze heeft bijgewoond blijkt ook nog eens, dat zij niet op de hoogte was van de beweerde prijsinitiatieven.
72 Ook betoogt verzoekster, dat de beschrijving van de wijze van mededeling van de besluiten van de PWG aan de PC (punt 38 van de considerans van de beschikking) berust op de tegenstrijdige verklaringen van Stora en van de heer Roos, voormalig lid van de directie van Feldmühle van de Stora-groep (zie punt 127 infra).
73 Zij betwist dat de bij de handelsagent van Mayr-Melnhof in het Verenigd Koninkrijk aangetroffen interne notitie betreffende een vergadering van 10 november 1986 (punt 41 van de considerans van de beschikking, bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar) bewijzen voor een heimelijk beleid tot prijsvaststelling binnen de PC bevat. Niet is bewezen dat deze notitie afkomstig is van een vergadering van de PWG of de PC en niet van een andere, privé-vergadering. Evenmin staaft zij de conclusie van de Commissie, dat de leden van de PC van de toe te passen prijzen op de hoogte werden gesteld.
74 De bewering van de Commissie ten slotte dat de PC eveneens tot taak had toezicht op de tenuitvoerlegging van de prijsinitiatieven uit te oefenen, komt niet in de beschikking voor en is ongefundeerd. Wat dit betreft heeft Stora nooit verklaard, dat de PC een dergelijk doel had.
75 Meer in het algemeen betwist verzoekster, dat de PC betrokken was bij discussies over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak tot beperking van de mededinging (artikel 1 van de beschikking).
76 De Commissie geeft in haar dupliek toe, dat verzoekster de vergadering van PC van 20 mei 1987 niet heeft bijgewoond: de inlichting in tabel 3 in bijlage bij de beschikking is onjuist. Verzoekster heeft wel de vergaderingen van de PC van 26 juni 1986 en 17 november 1988 bijgewoond. Niet is bewezen dat verzoekster met haar bijwoning van dergelijke vergaderingen iets anders voorhad dan met het kartel werd beoogd (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Atochem/Commissie, T-3/89, Jurispr. blz. II-1777, punten 53 en 54), noch dat zij zich van het gemeenschappelijk initiatief heeft teruggetrokken.
77 Volgens de Commissie is het argument betreffende de tijdstippen waarop verzoekster de vergaderingen bijwoonde en volgens hetwelk de prijsinitiatieven niet tijdens vergaderingen van de PC konden zijn besproken, om twee redenen misleidend. In de eerste plaats heeft verzoekster niet het aantal en de data van alle door haar bijgewoonde vergaderingen bekend gemaakt. In de tweede plaats is de taak van de PC door Stora toereikend beschreven (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, blz. 4 en 5) en blijkt duidelijk dat de vergaderingen van de PC een voornamelijk onrechtmatig doel hadden. In elk geval vallen de tijdstippen van verzoeksters aanwezigheid tijdens vergaderingen van de PC samen met bekende prijsinitiatieven.
78 Ten slotte aanvaardt de Commissie niet verzoeksters bewering dat niets bewijst dat de notitie, vervat in bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar, op een vergadering van de PC (die van 10 november 1986) betrekking heeft. De Commissie beklemtoont, dat Weig pas in 1988 vergaderingen van de PWG begon bij te wonen, terwijl in de notitie een vertegenwoordiger van die fabrikant ter sprake wordt gebracht. In elk geval onderstreept de notitie de betrekkingen tussen de PWG en de PC als beschreven door Stora. Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat de notitie inderdaad een vergadering van de PC betreft.
- De taken van het JMC en verzoeksters deelneming
79 Verzoekster stelt om te beginnen dat zij slechts twee vergaderingen van het JMC - van 4 april 1989 en 20 november 1990 - heeft bijgewoond van de 29 die door de Commissie voor de periode van medio 1986 tot april 1991 worden vermeld.
80 Verder betwist zij de conclusie van de Commissie betreffende de taken van het JMC. Met betrekking tot de tijdstippen van de door haar bijgewoonde vergaderingen betwist zij de beschrijving van de voornaamste taak van het JMC in punt 44 van de considerans van de beschikking. In het bijzonder ontkent zij, dat de vergadering van het JMC van 4 april 1989 ten doel kan hebben gehad te bepalen of een prijsverhoging ten uitvoer kon worden gelegd, dan wel het beweerde door de PWG overeengekomen prijsinitiatief van maart/april 1989 in detail uit te werken, omdat de producenten eind 1988 (punt 79 van de considerans van de beschikking) een prijsverhoging waren overeengekomen die in maart 1989 moest ingaan, en dit prijsinitiatief in januari 1989 door de producenten was aangekondigd. Eveneens betwist zij dat de vergadering van het JMC van november 1990 ten doel kan hebben gehad het beweerde prijsinitiatief van januari 1991 ten uitvoer te leggen en dit in detail uit te werken. Volgens de Commissie was dit prijsinitiatief namelijk in juni 1990 overeengekomen en in september/oktober 1990 aangekondigd, dat wil zeggen vóór de november-vergadering van het JMC. Bovendien blijkt uit de punten 87 en 88 van de considerans van de beschikking, dat de details van de prijsverhoging tijdens de vergadering van het JMC van 6 september 1990 zijn vastgesteld.
81 Meer in het algemeen betwist verzoekster, dat het JMC betrokken was bij discussies over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak tot beperking van de mededinging (artikel 1 van de beschikking).
82 Zij aanvaardt dat de Commissie heeft bewezen dat bijlage 117 bij de mededeling van de punten van bezwaar, handgeschreven notities van de verkoopmanager van Rena, en bijlage 109, een vertrouwelijk verslag van de marketing-manager van Mayr-Melnhof aan de heer Katzner (marketing-manager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep in Duitsland), documenten zijn die betrekking hebben op vergaderingen van het JMC. Deze vergaderingen waren evenwel gewijd aan de GC-kwaliteiten, die verzoekster niet produceert. Bovendien bevat bijlage 117 bij de mededeling van de punten van bezwaar allerhande informatie waarvan slechts een gedeelte tijdens een vergadering van het JMC is verkregen (zie begeleidende brief van Rena, bijlage 116 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
83 Het is niet bewezen dat de andere door de Commissie aangevoerde documenten op het JMC betrekking hebben. Zo is niet aangetoond, dat bijlage 111 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een van Rena ontvangen getypte prijslijst in het Zweeds "met daarop de datum en het bedrag van de toe te passen prijsverhogingen voor alle kwaliteiten in alle nationale valuta's" (punt 80 van de considerans van de beschikking), betrekking heeft op een vergadering van het JMC of zelfs op een vergadering van een van de organen van de PG Paperboard.
84 Verzoekster merkt op dat volgens de Commissie de notitie van 11 januari 1990 van de verkoopmanager van FS-Karton (bijlage 113 bij de mededeling van de punten van bezwaar), welke in punt 84 van de considerans van de beschikking wordt vermeld, betrekking had op een vergadering van het JMC betreffende de tenuitvoerlegging van het prijsinitiatief van maart/april 1990. Volgens de verklaringen van Mayr-Melnhof was het evenwel een notitie voor een vergadering die voor intern gebruik was opgesteld, en bestaat er volgens verzoekster geen enkel ander bewijs dienaangaande.
85 Bovendien was de bij Rena aangetroffen gedetailleerde reeks van handgeschreven notities betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1990 (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar), welke in punt 87 van de considerans van de beschikking wordt vermeld, volgens Rena slechts een "voorbereidend stuk voor een begrotingsvergadering". Voor zover dit stuk betrekking had op de GD-kwaliteiten heeft de opsteller ten onrechte geconcludeerd, dat alle producenten een prijsverhoging voor 8 oktober zouden aankondigen. Dienaangaande verklaart verzoekster, dat zij haar prijsverhoging pas op 31 oktober bekend heeft gemaakt, en betwist zij dat zij partij was bij de overeenkomst op basis waarvan de prijzen van de GD-kwaliteiten beweerdelijk dienden te worden verhoogd.
86 Ook verwerpt verzoekster de conclusie van de Commissie dat hoewel alle door de Commissie verkregen notities betreffende vergaderingen van het JMC op GC-kwaliteiten betrekking hebben, deze bij ontstentenis van andere aantekeningen als typisch voor de vergaderingen betreffende GD-kwaliteiten en voor de over het algemeen tijdens de JMC-vergaderingen behandelde onderwerpen kunnen worden beschouwd (punt 113 van de considerans van de beschikking). Volgens haar heeft Stora in haar verklaringen die door de Commissie in haar verweerschrift worden aangevoerd, geen enkel verschil gemaakt tussen de vergaderingen waarbij de producenten van GC-karton aanwezig waren, en de vergaderingen waarbij de producenten van GD-karton aanwezig waren.
87 Volgens verzoekster heeft de Commissie tijdens de relevante periode 29 vergaderingen van het JMC geteld, doch slechts vijf prijsinitiatieven. Dit betekent dat het JMC zijn beweerdelijk onrechtmatige taken slechts gedurende een klein aantal van deze vergaderingen heeft kunnen uitoefenen, namelijk die welke onmiddellijk volgden op de beweerde prijsinitiatieven van de PWG.
88 Ten slotte is er geen enkel bewijs voor de verklaring dat de PWG "op basis van de voorbereidende werkzaamheden in het JMC in beginsel de besluiten over het tijdstip en het bedrag van de verhoging nam" (punt 72 van de considerans van de beschikking).
89 De Commissie merkt op, dat verzoekster de vergaderingen van het JMC van 3/4 april 1989 en 19/20 november 1990 heeft bijgewoond. Zoals zij zelf erkent, heeft zij met andere producenten over specifieke punten betreffende niet door haar bijgewoonde vergaderingen gesproken. Bovendien weerlegt het bewijsmateriaal (bijlagen 109, 113, 117 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar) verzoeksters beweringen, voor zover dit aantoont dat het JMC ten eerste tot taak had, te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd en haar conclusies aan de PWG mede te delen, en ten tweede per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken met het doel een equivalent (dat wil zeggen uniform) systeem van prijzen in Europa tot stand te brengen (punt 44 van de considerans van de beschikking). Ten slotte blijkt uit de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, blz. 9), dat de rol van het JMC eveneens was om de moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van deze prijsverhogingen voor zowel de GC- als de GD-kwaliteiten te bespreken.
90 In het bijzonder wat de prijsverhoging van april 1989 betreft, verzoekster heeft de vergadering van de PC van 17 november 1988 bijgewoond, tijdens welke in beginsel tot de prijsverhoging was besloten. De door verzoekster in het Verenigd Koninkrijk toegepaste prijsverhoging van 25 UKL is aan haar afnemers aangekondigd op 16 februari en ten uitvoer gelegd op 10 mei 1989. Uit twee documenten blijkt dat verzoeksters gedrag een uitvloeisel van het kartel was, namelijk een bij Finnboard UK (Ltd) aangetroffen ongedateerde prijslijst, getiteld "Prijsverhoging tweede kwartaal 1989" met de prijsverhogingen voor de GD-kwaliteiten op elke nationale markt, waaronder het Verenigd Koninkrijk, en een document van Fiskeby van 14 februari 1989 (document D-G-1) waarin deze gegevens worden bevestigd. In dit verband herinnert de Commissie eraan, dat verzoekster een vergadering van het JMC op 3/4 april 1989 heeft bijgewoond en dat verzoeksters vertegenwoordiger in het Verenigd Koninkrijk op 4 april 1989 aan een vergadering van de Paper Agents Association (hierna: "PAA") heeft deelgenomen om de tenuitvoerlegging van de in het kader van het kartel gesloten overeenkomst te bespreken.
91 Met betrekking tot de prijsverhoging van januari 1991 blijkt uit stukken betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1990 (notities van Rena), dat zij voor alle kwaliteiten diende te worden aangekondigd, voor het Verenigd Koninkrijk 40 UKL bedroeg en op 31 januari 1991 zou ingaan. De Commissie weet niet of verzoekster deze vergadering heeft bijgewoond, doch zij merkt op dat zij vertegenwoordigd was tijdens de vergadering van de PAA van 18 september 1990 tijdens welke over deze verhoging is gesproken, zoals blijkt uit een bij Iggesund Board Sales aangetroffen notitie (bijlage 132 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Volgens de Commissie werd tijdens de vergadering van het JMC van 19 en 20 november 1990 gecontroleerd welke vooruitgang was geboekt met de tenuitvoerlegging van de verhoging welke met name door verzoekster op 31 oktober 1990 was aangekondigd. Verzoekster verhoogde haar prijzen met 40 UKL met ingang van 28 januari 1991.
92 Vervolgens verwerpt de Commissie verzoeksters bewering dat de vergaderingen van het JMC enkel op GC-karton betrekking hadden. De notitie van Rena betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1990 (bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar) betrof namelijk een prijsverhoging voor alle kwaliteiten, hetgeen door de verklaringen van Stora op dit punt wordt bevestigd (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, blz. 6 en 8).
93 Ten slotte worden in de notitie van Rena betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1989 (bijlage 117 bij de mededeling van de punten van bezwaar) details over de in elke nationale valuta aangekondigde prijsverhogingen vermeld en een beoordeling van de reacties van de afnemers en de geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging op alle nationale markten gegeven.
- De taken van het EC en verzoeksters deelneming
94 Verzoekster, die verklaart tijdens de door de beschikking bedoelde periode zeven vergaderingen te hebben bijgewoond, stelt, dat het EC vraagstukken van legitiem belang voor de bedrijfstak besprak.
95 Zij betwist dat de analyse en beoordeling van de marktsituatie in de verschillende landen het centrale thema van de besprekingen was (punt 50 van de considerans van de beschikking).
96 De bewering van de Commissie dat "de besprekingen over de marktomstandigheden niet ongericht waren: de discussies over de stand van zaken op elke nationale markt moeten gezien worden in het kader van de geplande prijsinitiatieven, met inbegrip van de noodzakelijk geachte tijdelijke stilleggingen van fabrieken ter ondersteuning van prijsverhogingen" (punt 50 van de considerans), is volgens verzoekster niet bewezen. De door de vertegenwoordigers van FS-Karton gemaakte notitie (bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar), die volgens de Commissie de "hoogtepunten" van de vergadering van het EC op 3 oktober 1989 betrof, laat in werkelijkheid namelijk zien, dat het EC per land een algemene marktstudie heeft verricht naar in het bijzonder de stand van de orderportefeuilles. De enige toespeling op een beweerdelijk onderling afgestemde prijsverhoging betrof de Franse markt en in de notitie wordt enkel gesproken van het beleid dat de onderneming waarvan deze afkomstig is, diende te volgen.
97 Verzoekster betwist de bewering van de Commissie in punt 119 van de considerans van de beschikking, dat de deelnemers aan de vergaderingen van het EC zich bewust moeten zijn geweest van het ongeoorloofde oogmerk waarvoor de inlichtingen die zij welbewust aan het JMC verstrekten, zouden worden gebruikt. Enerzijds haalt de Commissie hier feiten en meningen door elkaar en anderzijds wordt deze bewering door geen enkel bewijsstuk gestaafd.
98 De Commissie verklaart om te beginnen dat het optreden van het EC moet worden bezien in de context van de inbreuk als geheel en van de taken van het JMC, tijdens de vergaderingen waarvan verzoekster vertegenwoordigd was en waaraan het EC verslag uitbracht. De binnen het EC besproken onderwerpen worden door Stora beschreven. Het feit dat het EC zich niet enkel bezighield met het uitwisselen van geaggregeerde statistieken, wordt aangetoond door een notitie van de vertegenwoordiger van FS-Karton betreffende de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 (zie punt 115 infra), waarin verslag wordt gedaan van besprekingen over de orderportefeuilles van de producenten van GC- en GD-karton, met inbegrip van de individuele niveaus.
99 Ten slotte verwerpt de Commissie verzoeksters bewering dat voor de informatie-uitwisseling binnen het EC een onschuldige verklaring bestaat. Deze bewering wordt niet enkel gelogenstraft door de besprekingen waarover aantekeningen zijn gemaakt in de notitie betreffende de vergadering van 3 oktober 1989, doch ook door de besprekingen tijdens de vergadering van het JMC van 16 oktober daaraanvolgend, uit welke besprekingen blijkt, dat de stand van de orderportefeuilles een beslissende factor voor de inwerkingtreding van een prijsverhoging was.
De prijsinitiatieven
100 In de eerste plaats stelt verzoekster, dat zij haar beslissing om haar prijzen al dan niet aan die van de dominante ondernemingen aan te passen, volledig zelfstandig heeft genomen.
101 Normaliter had zij haar prijzen in het Verenigd Koninkrijk elk half jaar, gewoonlijk in april en oktober, herzien.
102 Met betrekking tot de prijsverhoging van april 1989 verklaart verzoekster, dat zij in het Verenigd Koninkrijk op 16 februari 1989 een prijsverhoging van 25 UKL heeft aangekondigd, welke op 10 mei daaraanvolgend is ingegaan, om haar prijzen aan die van de dominante ondernemingen op de markt aan te passen, na de volgende factoren in de beschouwing te hebben betrokken:
- toestand van de Britse economie;
- de sterke vraag eind 1988;
- aanwijzingen dat de grondstofprijzen aantrokken;
- gegevens die op 1 februari 1989 waren bekendgemaakt door een vaktijdschrift "EUWID Pulp & Paper" (bijlage G bij haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar), volgens welke Duitse prijsverhogingen waren aangekondigd, waarbij de GD-kwaliteiten op 1 mei 1989 met 8 à 10 DM zouden stijgen;
- de aankondiging van een prijsverhoging door Mayr-Melnhof op 6 februari 1989 in het Verenigd Koninkrijk met ingang van april 1989 en twee dagen later de aankondiging door SCA Colthrop van een vergelijkbare prijsverhoging die ook in april zou ingaan.
103 Verzoekster merkt op dat volgens de door de Commissie aangevoerde documenten de voor het Verenigd Koninkrijk afgesproken prijsverhoging voor de GD-kwaliteiten volgens de afspraak op 1 mei zou ingaan. Verzoekster zelf heeft haar prijzen evenwel pas op 10 mei verhoogd.
104 Haar aanwezigheid tijdens de vergadering van het JMC van 4 april 1989 doet hieraan niets af, omdat deze niet kon zijn bedoeld om te bepalen of een prijsverhoging ten uitvoer kon worden gelegd (tot de prijsverhoging was reeds eind 1988 besloten), noch om het beweerde door de PWG overeengekomen prijsinitiatief in detail uit te werken. Evenmin kon de vergadering zijn belegd om de feitelijke tenuitvoerlegging van de prijsverhoging na haar inwerkingtreding te controleren, aangezien zij nog niet op de markt ten uitvoer was gelegd.
105 Ten slotte is het niet terecht dat de Commissie in haar verweerschrift verzoekster verwijt, dat haar agent tijdens de vergaderingen van de PAA aanwezig was, aangezien deze agent volstrekt zelfstandig is.
106 Wat de prijsverhoging van april 1990 betreft, in verschillende afleveringen van het vaktijdschrift EUWID Pulp & Paper was bekend gemaakt, dat de prijsverhoging op handen was. In het bijzonder had dit tijdschrift aangekondigd, dat voor maart een prijsverhoging van 8 % werd voorzien, doch dat deze in het Verenigd Koninkrijk wegens het zwakke pond hoger zou uitvallen (aflevering van 20 december 1989). In haar aflevering van 17 januari werd meegedeeld, dat Mayr-Melnhof een circulaire aan de afnemers had gestuurd om een prijsverhoging aan te kondigen. In de daaropvolgende aflevering werd bevestigd dat voor maart prijsverhogingen van 8 % werden voorzien. Vervolgens verkreeg verzoekster van de markt een bevestiging van de verhoging in het Verenigd Koninkrijk die door Mayr-Melnhof met ingang van maart was aangekondigd.
107 In verband met de daling van de wisselkoersen eind 1989 en de daling van de marktprijzen was verzoekster van mening dat zij haar prijzen aan die van de marktleiders diende aan te passen.
108 Met betrekking tot de prijsverhoging van januari 1991 stelt verzoekster, dat zij zich bewust ervan was dat haar bedrijfskosten voor 1991 sterk zouden stijgen, vooral ten gevolge van een prijsstijging van gas en een uitbreiding van haar personeelsbestand.
109 In dit verband verklaart zij, dat zij in vaktijdschriften, in het bijzonder in het blad EUWID Pulp & Paper, had gelezen dat door de producenten begin 1991 een prijsverhoging werd verwacht. Dat was reeds begin augustus gemeld en werd in de aflevering van 12 september 1990 bevestigd. Volgens de aflevering van EUWID Pulp & Paper van 25 september 1990 zou Mayr-Melnhof haar prijzen met ingang van 7 januari met 40 UKL/ton verhogen. De aflevering van 24 oktober 1990 bevestigde, dat Feldmühle eveneens vergelijkbare verhogingen had aangekondigd. Door verzoekster van haar afnemers en uit andere bronnen verkregen informatierapporten betreffende de markt bevestigden, dat SCA Colthrop op 29 oktober een prijsverhoging had aangekondigd. Onder deze omstandigheden had verzoekster op 31 oktober 1990 besloten haar prijzen op de markt van het Verenigd Koninkrijk met een vergelijkbaar bedrag te verhogen om haar prijzen aan die van haar concurrenten aan te passen.
110 In de tweede plaats verklaart verzoekster, dat de Commissie niet over rechtstreekse bewijzen van een heimelijke verstandhouding beschikt wat haar betreft.
111 Aangezien de Commissie niet heeft bewezen dat verzoekster regelmatig deelnam aan vergaderingen van de PG Paperboard of aan vergaderingen waar mededingingsverstorende praktijken werden besproken, kan zij geen beroep doen op de rechtspraak van het Gerecht, volgens welke wanneer dergelijke omstandigheden bewezen zijn, de onderneming dient aan te tonen, dat zij het tijdens deze vergaderingen afgesproken initiatief niet onderschreef.
112 De Commissie verklaart om te beginnen, dat zij verzoeksters poging om de inbreuk te fragmentariseren afwijst. Volgens haar is het misleidend van verzoekster om te stellen dat zij enkel van mededingingsverstorende praktijken in het Verenigd Koninkrijk wordt beschuldigd, terwijl het stelsel inhield dat overal in de Gemeenschap onderling afgestemde prijzen werden vastgesteld die op elk van de nationale markten ten uitvoer werden gelegd.
113 Zij betwist dat verzoekster haar prijzen volstrekt zelfstandig aan die van haar concurrenten heeft aangepast. Zij wijst op het feit dat verzoeksters agent vergaderingen heeft bijgewoond waar over de tenuitvoerlegging van het kartel op nationaal niveau werd gesproken, hetgeen verzoekster wist, omdat de agenten op instructies van hun opdrachtgevers handelden. De Commissie beklemtoont eveneens, dat verzoekster regelmatig de vergaderingen van de organen van de PG Paperboard bijwoonde gedurende welke over de prijsinitiatieven werd gesproken, dat zij erkent over niet door haar bijgewoonde vergaderingen telefonisch contact met andere producenten te hebben gehad, dat zij niet heeft aangetoond dat zij de tussen de deelnemers aan het kartel bereikte overeenstemming niet onderschreef, en dat zij zelfs na de verificaties door de Commissie de vergaderingen bleef bijwonen.
114 Volgens de Commissie moet een onderneming, wanneer is aangetoond dat zij regelmatig vergaderingen heeft bijgewoond waar bijvoorbeeld over prijsinitiatieven werd gesproken, aantonen dat zij het tijdens deze vergaderingen afgesproken initiatief niet heeft onderschreven, en moet zij daarvoor bewijzen dat haar concurrenten wisten dat zij zich van de tijdens de vergaderingen bereikte overeenstemming distantieerde (zie arresten Gerecht van 24 oktober 1991, Petrofina/Commissie, T-2/89, Jurispr. blz. II-1087, Atochem/Commissie, reeds aangehaald, en 10 maart 1992, Hüls/Commissie, T-9/89, Jurispr. blz. II-499, en ICI/Commissie, T-13/89, Jurispr. blz. II-1021).
Het "prijs vóór tonnage"-beleid
115 Verzoekster betwist, dat zij betrokken was bij een kartel tot "handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd" (artikel 1, achtste streepje), en dat zij "ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen" heeft genomen (artikel 1, negende streepje).
116 Het bewijs van de Commissie is onvoldoende om te concluderen dat de kleine kartonproducenten het beweerde "prijs vóór tonnage"-beleid hadden onderschreven. Bovendien is het een loutere onderstelling van de Commissie, wanneer zij verklaart dat in verband met het algemene kartel tussen de grote producenten de kleine producenten zich bewust waren van de noodzaak om hun eigen gedrag aan te passen.
117 Integendeel, verzoekster heeft gedurende het grootste gedeelte van de relevante periode haar capaciteit volledig benut. De bezettingsgraad van de machines toont aan, dat de machinestilstand tussen 1987 en 1990 is gedaald.
118 Met betrekking tot de notitie van de general manager van Rena betreffende een bijzondere vergadering van het Nordic Paperboard Institute (hierna: "NPI") (bijlage 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar), een document waarop de Commissie zich beroept, betoogt verzoekster, dat zij geen lid van het NPI is, dat de betrokken vergadering geen vergadering van de PG Paperboard was en dat deze notitie bijgevolg niet de conclusie van de Commissie staaft, dat alle kleine producenten het "prijs vóór tonnage"-beleid hadden onderschreven.
119 Zij betwist eveneens, dat zij bij het beweerde kartel betreffende de handhaving van de marktaandelen betrokken was, en merkt op dat haar marktaandeel gedurende de door de beschikking bedoelde periode is gedaald.
120 Ten slotte betwist zij de bewering van de Commissie (zie punt 53 van de considerans van de beschikking), dat uit documenten die de Commissie bij FS-Karton heeft aangetroffen, blijkt, "dat eind 1987 in het kader van de twee $Presidents'-werkgroepen overeenstemming was bereikt over de met elkaar verband houdende problemen van hoeveelheidsbeheersing en prijsdiscipline". Dienaangaande merkt zij op, dat in de notitie waarop de Commissie zich baseert (bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar), niet wordt gesproken van "two Presidents groups" ("de President Conference" en de PWG), doch van de "Presidents grouping". De Commissie doelt dus zeer waarschijnlijk op de PWG en niet op de "President Conference" en uit niets blijkt dat op meer dan "een groep" wordt gedoeld. Verzoekster was evenwel niet lid van de PWG.
121 Volgens de Commissie wordt haar redenering door verzoekster verkeerd weergegeven. Verzoekster wordt ten laste gelegd, dat zij aan een gemeenschappelijk plan heeft deelgenomen, waarvan de beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap om de tenuitvoerlegging van de onderling afgestemde prijsverhogingen ten uitvoer te leggen en de uitwisseling van informatie over in het bijzonder machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden twee manifestaties waren. Verzoekster heeft deelgenomen aan de vergaderingen van het JMC gedurende welke de kleine producenten in het kader van het "prijs vóór tonnage"-beleid dat zij allen onderschreven, zich bewust waren van de afspraak tussen de belangrijkste producenten om het aanbod op een constant niveau te houden en van de noodzaak om hun eigen gedrag daaraan aan te passen.
122 Het feit dat verzoekster geen lid van het NPI was, doet niet af aan de bewijskracht van de notitie van Rena betreffende de bijzondere vergadering van het NPI (zie punt 118 supra). Deze notitie levert niet alleen aanvullend bewijs van het stelsel tot productiebeheersing doch staaft ook de verklaring van Stora, dat de niet bij de PWG aangesloten producenten op de hoogte waren van de afspraak tussen de belangrijkste producenten om het aanbod op een constant niveau te handhaven. Een dergelijke uitlegging houdt niet in dat verzoekster door deze notitie rechtstreeks werd geïmpliceerd.
De wijze van informatie-verspreiding
123 Verzoekster acht Stora's verklaring niet geloofwaardig.
124 In de eerste plaats was het, aangezien Stora had toegegeven dat haar dochterondernemingen Feldmühle, Kopparfors en CBC een aantal gedragslijnen en praktijken hadden gevolgd, die waarschijnlijk inbreuken op de mededingingsregels vormden (punt 34 van de considerans van de beschikking), in haar belang om zoveel mogelijk kartonproducenten, in het bijzonder de kleine producenten, in het beweerde kartel te impliceren om haar rol te minimaliseren.
125 In de tweede plaats zijn Stora's verklaringen tegenstrijdig op het punt van de wijze waarop de besluiten van de PWG aan de PC ter kennis werden gebracht.
126 In haar tweede verklaring stelt Stora, dat de rol van de PWG onder meer bestond in "het voor de $President Conference' beoordelen en verklaren van de precieze situatie van vraag en aanbod op de markt, alsmede van de maatregelen die genomen moesten worden om orde op de markt tot stand te brengen" (punt 38 van de considerans van de beschikking), terwijl zij in een latere verklaring (brief van 17 september 1991, bijlage 38 bij de mededeling van de punten van bezwaar) details verstrekte over de wijze waarop de resultaten van de vergaderingen van de PWG op individuele basis door individuele contacten tussen een aantal ondernemingen ter kennis werden gebracht. Met betrekking tot het laatste punt is verzoekster van mening dat Stora spreekt van de kanalen waarlangs de informatie werd verspreid in Duitsland, Frankrijk en Scandinavië, doch niet een dergelijk systeem in Nederland ter sprake brengt, noch een systeem waarbij verzoekster betrokken was.
127 De beide verklaringen zijn ook in tegenspraak met de verklaring van de heer Roos, voormalig lid van de directie van Feldmühle. Deze laatste verklaring is namelijk niet erg duidelijk, omdat daarin wordt verklaard dat de besprekingen binnen de PWG ter kennis van de PC en het JMC werden gebracht, in het bijzonder door personen die aan de werkzaamheden van deze beide groepen deelnamen.
128 Volgens de Commissie is verzoeksters argument betreffende het gestelde eigenbelang van de verklaringen van Stora misleidend, aangezien andere producenten verzoekster eveneens als een van de deelnemers van het JMC hebben aangewezen.
129 Zij is het er niet mee eens, dat de verklaringen betreffende de communicatiekanalen tussen de PWG en het JMC tegenstrijdig zijn. De heer Roos spreekt zich niet tegen, wanneer hij verklaart dat er geen formele communicatiekanalen waren en dat de informatie informeel tussen individuele personen circuleerde, onder wie ook personen die de vergaderingen van de beide groepen bijwoonden. De Commissie herinnert eraan, dat de heer Roos voorzitter van het JMC was.
130 Bovendien kwam de PWG vóór elke geplande vergadering van de PC bijeen. Aangezien dezelfde persoon de beide vergaderingen voorzat, heeft hij ongetwijfeld de resultaten van de PWG ter kennis gebracht van de producenten die deze vergadering niet hebben bijgewoond. Wanneer er niet onmiddellijk na de vergadering van de PWG een vergadering van de PC was, hebben de deelnemers de kleine producenten van hun nationale groepering van de besluiten op de hoogte gesteld. Ook deze communicatiekanalen waren niet geformaliseerd.
De duur van de deelneming
131 Volgens verzoekster kan de Commissie niet bewijzen dat zij buiten de perioden waarin zij aan de prijsinitiatieven deelnam, dat wil zeggen de initiatieven van april 1989, april 1990 en januari 1991, bij het kartel betrokken was. Zij ontkent elke betrokkenheid bij de prijsverhoging van 1987. Bovendien is er geen enkel bewijs dat zij aan deze prijsverhoging heeft deelgenomen. Bijgevolg moet worden aanvaard, dat haar deelneming aan de beweerde inbreuk pas in 1989 is begonnen.
132 De Commissie verwerpt verzoeksters benadering. De prijsverhoging van januari 1987 was namelijk eind 1986 gepland. Verzoekster nam vanaf het begin tot het eind van de duur van de inbreuk deel aan de vergaderingen van de organen van de PG Paperboard en heeft een vergadering van de PC van 29 mei 1986 bijgewoond.
Beoordeling door het Gerecht
133 Het Gerecht zal in de eerste plaats onderzoeken, of de Commissie de deelneming van verzoekster aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft bewezen voor de periode van medio 1986 tot april 1989, het tijdstip vanaf wanneer verzoekster erkent, dat zij vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond. In de tweede plaats zal het Gerecht onderzoeken, of de Commissie verzoeksters deelneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft bewezen voor de resterende periode, dat wil zeggen van april 1989 tot april 1991.
1. De periode van medio 1986 tot april 1989
134 Ten bewijze dat verzoekster gedurende de betrokken periode aan een inbreuk op de communautaire mededingingsregels heeft deelgenomen, baseert de Commissie zich op het feit dat deze onderneming meerdere vergaderingen van de PC (tabel 3 in bijlage bij de beschikking) en het EC (tabel 6 in bijlage bij de beschikking) heeft bijgewoond, alsmede op haar feitelijke prijsgedrag.
135 Elk van deze bewijzen dient in de bovengenoemde volgorde te worden onderzocht.
a) Bijwoning van een aantal vergaderingen van de PC door verzoekster
136 De Commissie erkent dat de vermelding in tabel 3 in bijlage bij de beschikking dat verzoekster de vergadering van de PC van 20 mei 1987 heeft bijgewoond, een vergissing is.
137 Verder heeft de Commissie in antwoord of een schriftelijke vraag van het Gerecht verklaard, dat de verwijzing in haar memories naar een beweerde deelneming van verzoekster aan een vergadering van de PC van 26 juni 1986 moet worden gelezen als een verwijzing naar haar deelneming aan een vergadering van de PC van 29 mei 1986.
138 Bijgevolg heeft verzoekster gedurende de onderzochte periode drie specifieke vergaderingen van de PC bijgewoond, namelijk die van 29 mei 1986, 4 december 1987 en 17 november 1988. De Commissie voert geen enkel bewijs omtrent het doel van deze drie vergaderingen aan. Wanneer zij zich op deze bijwoning beroept als bewijs van de deelneming van de onderneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, baseert zij zich noodzakelijkerwijze op de algemene beschrijving in de beschikking van het doel van de vergaderingen van dit orgaan, alsmede op de bewijzen die in de beschikking zijn aangevoerd om deze beschrijving te staven.
139 Dienaangaande wordt in de beschikking verklaard: "Zoals door Stora werd uiteengezet, was een van de taken van de PWG, de $President Conference' in te lichten over de maatregelen die nodig waren om orde op de markt te scheppen (...) Op deze wijze werden de algemeen-directeuren die de $President Conferences' bijwoonden, ingelicht over de door de PWG genomen besluiten en over de aanwijzingen die aan hun verkoopdivisies moesten worden gegeven ter uitvoering van de overeengekomen prijsinitiatieven" (punt 41, eerste alinea, van de considerans). De Commissie merkt eveneens op: "De PWG kwam altijd vóór de geplande $President Conference' bijeen, en daar beide vergaderingen werden voorgezeten door dezelfde persoon, werden de resultaten van de besprekingen in de PWG zonder twijfel door hem medegedeeld aan anderen van de zogeheten $Presidents', die niet tot de kerngroep behoorden" (punt 38, tweede alinea, van de considerans).
140 Stora deelt mee, dat degenen die de vergaderingen van de PC bijwoonden, werden ingelicht over de door de PWG genomen besluiten (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 8). De juistheid van deze verklaring wordt evenwel betwist door een aantal ondernemingen die de vergaderingen van de PC hebben bijgewoond, waaronder verzoekster. Bijgevolg kunnen de verklaringen van Stora betreffende de rol van de PC niet zonder dat zij door andere bewijzen worden gestaafd, worden geacht het doel van de vergaderingen van dit orgaan genoegzaam te bewijzen.
141 Weliswaar bevat het dossier een document, namelijk een verklaring van 22 maart 1993 van een voormalig lid van de directie van Feldmühle (Roos), die op het eerste gezicht de verklaringen van Stora bevestigt. Roos deelt in het bijzonder mee: "De inhoud van de besprekingen binnen de PWG werd aan de niet binnen deze groep vertegenwoordigde ondernemingen doorgegeven tijdens de onmiddellijk daarop volgende President Conference, of, indien niet onmiddellijk een President Conference plaatsvond, tijdens het JMC." Zelfs indien dit document in de beschikking niet uitdrukkelijk wordt aangevoerd tot staving van de beweringen van de Commissie betreffende het doel van de vergaderingen van de PC, kan het evenwel in elk geval niet als een aanvullend bewijs naast de verklaringen van Stora worden beschouwd. Deze verklaringen geven namelijk een synthese van de antwoorden die door elk van de drie ondernemingen in handen van Stora gedurende de periode van de inbreuk zijn verstrekt, en Feldmühle, het voormalige lid van de directie van deze laatste onderneming, moet wel een van de bronnen van de verklaringen van Stora zelf zijn.
142 In de beschikking stelt de Commissie, dat bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een notitie betreffende een vergadering te Wenen op 12 en 13 december 1986, die werd aangetroffen bij de handelsagent van Mayr-Melnhof in het Verenigd Koninkrijk, "het door Stora toegegeven feit dat tijdens de $President Conference' wel dergelijk besprekingen zijn gevoerd over heimelijke prijsafspraken", bevestigt (punten 41, derde alinea, en 75, tweede alinea, van de considerans van de beschikking). Dit document bevat de navolgende inlichtingen:
"Prijszetting in het VK
Op de laatste vergadering van Fides verklaarde de vertegenwoordiger van Weig, dat volgens Weig 9 % te hoog was voor het Verenigd Koninkrijk en dat zij akkoord ging met 7 %! Grote teleurstelling, omdat dit neerkomt op een $onderhandelingsniveau' voor alle anderen. De prijspolitiek in het Verenigd Koninkrijk zal worden overgelaten aan RHU met steun van [Mayr-Melnhof], zelfs indien dit een tijdelijk lager tonnage betekent, terwijl wij proberen (en zullen laten blijken dat wij proberen) de doelstelling van 9 % te halen. [Mayr-Melnhof/FS] handhaven een groeibeleid in het Verenigd Koninkrijk doch de winstdaling is groot en wij moeten alles doen om de prijzen weer onder controle te krijgen. [Mayr-Melnhof] is het ermee eens dat het feit dat bekend is dat zij hun tonnage in Duitsland met 6 000 ton hebben verhoogd, niets oplost!"
143 De Fides-vergadering waarop aan het begin van de aangehaalde passage wordt gedoeld, is volgens Mayr-Melnhof (antwoord op een verzoek om inlichtingen, bijlage 62 bij de mededeling van de punten van bezwaar) waarschijnlijk de vergadering van de PC op 10 november 1986. Uit tabel 3 in bijlage bij de beschikking blijkt evenwel, dat verzoekster deze vergadering niet heeft bijgewoond.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0311.1
144 Vastgesteld moet worden, dat het onderzochte document aantoont, dat Weig heeft gereageerd door informatie te verstrekken omtrent haar toekomstig prijsbeleid in het Verenigd Koninkrijk ten opzichte van een aanvankelijk niveau van prijsverhoging.
145 Het kan evenwel niet als bewijs worden beschouwd, dat Weig heeft gereageerd ten opzichte van een bepaald niveau van prijsverhoging dat op een datum vóór 10 november 1986 was overeengekomen tussen de ondernemingen die lid waren van de PG Paperboard.
146 De Commissie voert namelijk geen enkel ander bewijs dienaangaande aan. Bovendien kan de verwijzing van Weig naar een prijsverhoging van "9 %" worden verklaard door de prijsverhoging in het Verenigd Koninkrijk die door Thames Board Ltd was aangekondigd op 5 november 1986 (bijlage A-12-1). Deze aankondiging is kort nadien bekendgemaakt, zoals blijkt uit een persknipsel (bijlage A-12-3). Ten slotte heeft de Commissie geen enkel ander document overgelegd dat een rechtstreeks bewijs kan opleveren dat tijdens vergaderingen van de PC over prijsverhogingen is gesproken. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten, dat de uitspraken van Weig, zoals weergegeven in bijlage 61 bij de mededeling van de punten van bezwaar, zijn gedaan in de marge van de vergaderingen van de PC van 10 november 1986, zoals Weig ter terechtzitting herhaaldelijk heeft gesteld.
147 In de beschikking stelt de Commissie eveneens, dat "uit documenten die de Commissie bij FS-karton (onderdeel van de M-M-groep) heeft aangetroffen, blijkt dat eind 1987 in het kader van de twee $Presidents'-werkgroepen overeenstemming was bereikt over de met elkaar verband houdende problemen van hoeveelheidsbeheersing en prijsdiscipline" (punt 53, eerste alinea, van de considerans). Zij beroept zich daarvoor op bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 betreffende de marktsituatie, welke door de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep in Duitsland (Katzner), is toegestuurd aan de algemeen directeur van Mayr-Melnhof in Oostenrijk (Gröller).
148 De opsteller van dit document wijst bij wijze van inleiding op de nauwere samenwerking op Europees niveau in de "Präsidentenkreis", welke uitdrukking door Mayr-Melnhof aldus is geïnterpreteerd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder te verwijzen naar een specifieke gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a).
149 Ofschoon in onderhavige procedure niet wordt betwist dat bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar een bewijs oplevert dat de verklaringen van Stora omtrent het bestaan van een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen tussen de tot de "Präsidentenkreis" toegelaten ondernemingen en omtrent een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand tussen deze zelfde ondernemingen bevestigt, heeft de Commissie geen enkel ander bewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de PC vooral ten doel had, heimelijk afspraken te maken over de marktaandelen en de beheersing van de productiehoeveelheden. Bijgevolg kan de term "Präsidentenkreis" in bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, ondanks het commentaar van Mayr-Melnhof, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin wordt gedoeld op andere organen dan de PWG.
150 Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie niet bewezen dat de vergaderingen van de PC buiten de rechtmatige activiteiten een mededingingsverstorende rol hebben gespeeld. Daaruit volgt, dat zij uit de aangevoerde bewijzen niet kon afleiden, dat de ondernemingen die de vergaderingen van dit orgaan hebben bijgewoond, hebben deelgenomen aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
151 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat verzoeksters deelneming aan een inbreuk op de mededingingsregels gedurende de periode van medio 1986 tot april 1989 niet kon worden aangetoond op basis van het feit dat zij de vergaderingen van de PC heeft bijgewoond.
b) Bijwoning van drie vergaderingen van het EC door verzoekster
152 Vaststaat dat verzoekster gedurende de periode van medio 1986 tot april 1989 drie vergaderingen van het EC heeft bijgewoond, namelijk die van 15 oktober 1986, 4 februari 1987 en 3 februari 1989. Aangezien de Commissie geen enkel bewijs heeft aangevoerd dat specifiek op deze vergaderingen betrekking heeft, moet meer in het algemeen worden onderzocht, of de vergaderingen van het EC een mededingingsverstorend doel hadden.
153 Volgens de beschikking was "het $centrale thema' van de besprekingen van het $Economic Committee' de analyse en beoordeling van de marktsituatie in de verschillende landen" (punt 50, eerste alinea, van de considerans). Het EC "besprak (onder meer) de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles, en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC (of zijn voorganger, het $Marketing Committee', vóór eind 1987)" (punt 49, eerste alinea, van de considerans).
154 Volgens de Commissie waren "de besprekingen over de marktomstandigheden (...) niet ongericht: de discussies over de stand van zaken op elke nationale markt moeten gezien worden in het kader van de geplande prijsinitiatieven, met inbegrip van de noodzakelijk geachte tijdelijke stilleggingen van fabrieken ter ondersteuning van prijsverhogingen" (punt 50, eerste alinea, van de considerans). Verder is de Commissie van mening: "Het $Economic Committee' is misschien minder duidelijk bij de prijsbepaling als zodanig betrokken geweest, doch alle deelnemers moeten zich bewust zijn geweest van het ongeoorloofde oogmerk waarvoor de inlichtingen die zij welbewust aan het JMC verstrekten, zouden worden gebruikt" (punt 119, tweede alinea, van de considerans).
155 Tot staving van haar beweringen dat de besprekingen in het EC een mededingingsverstorend doel hadden, beroept de Commissie zich op één enkel document, namelijk een vertrouwelijke notitie die is opgesteld door een vertegenwoordiger van FS-Karton (van de Mayr-Melnhof-groep) betreffende de "hoogtepunten" ("highlights") van de vergadering van het EC van 3 oktober 1989 (bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
156 In de beschikking vat de Commissie de inhoud van dit document samen als volgt:
"de vergadering hield zich behalve met een gedetailleerd overzicht van vraag, productie en orderportefeuille op elke nationale markt bezig met:
- een waargenomen sterke weerstand van de afnemers tegen de laatste prijsverhoging voor GC-karton, ingaand op 1 oktober;
- de respectieve situatie van de orderportefeuille van de producenten van GC- en GD-karton, met inbegrip van individuele posities;
- plaatsgevonden hebbende en geplande machinestilstand ($downtime');
- de bijzondere problemen met betrekking tot de uitvoering van de prijsverhoging in het Verenigd Koninkrijk en de gevolgen daarvan voor het noodzakelijke prijsverschil tussen GC- en GD-kwaliteiten;
[en]
- de vergelijking, ten opzichte van de begrote hoeveelheid, van binnenkomende orders voor elke nationale groepering" (punt 50, tweede alinea, van de considerans).
157 Erkend moet worden, dat deze beschrijving van de inhoud van dit stuk op de voornaamste punten correct is. De Commissie voert evenwel geen enkel bewijs aan tot staving van haar verklaring, dat bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar "als indicatie voor de ware aard van de beraadslagingen van dat lichaam kan worden beschouwd" (punt 113, laatste alinea, van de considerans van de beschikking).
158 Bovendien zijn de verklaringen van Stora, voor zover zij op het EC betrekking hebben, van beperkt belang. Zij verklaart namelijk: "Begin 1987 combineerde het $Economic Committee' de taken van het JMC en het $Statistical Committee'. Deze vergaderingen werden bijgewoond door de marketing/verkoopmanagers. Onder meer werd gesproken over de ontwikkeling van de prijzen op de nationale markten, toeslagen voor geringe hoeveelheden, het tellen van de vellen, factuurcondities en grondstoffen. Ook werden statistische verslagen besproken" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 12). Zoals vermeld, heeft deze verklaring slechts betrekking op de periode vóór 1987. Bovendien verklaart Stora weliswaar, dat tijdens vergaderingen van het EC over de ontwikkeling van de prijzen op de nationale markten is gesproken, doch de inhoud van deze besprekingen wordt niet gespecificeerd. Bijgevolg kan niet worden geconcludeerd, dat deze besprekingen een mededingingsverstorend doel hadden.
159 Met betrekking tot de periode die begin 1988 aanvangt, verklaart Stora: "Het JMC is eind 1987 opgericht, hield haar eerste vergadering begin 1988 en nam van toen af een gedeelte van de taken van het $Economic Committee' over. De andere taken van het Economic Committee zijn overgenomen door het $Statistical Committee'" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 13).
160 De verklaringen van Stora bevatten dus geen enkel bewijs dat de bewering van de Commissie betreffende het gestelde mededingingsverstorende doel van de besprekingen van dit orgaan voor de periode na begin 1987 staaft.
161 Ten slotte voert de Commissie evenmin bewijzen aan, op grond waarvan kan worden gesteld dat degenen die de vergaderingen van het EC bijwoonden, op de hoogte werden gebracht van de precieze aard van de vergaderingen van het JMC, het orgaan waaraan het EC verslag uitbracht. Derhalve kan niet worden uitgesloten, dat degenen die wel de vergaderingen van het EC, doch niet tegelijkertijd de vergaderingen van het JMC bijwoonden, niet op de hoogte waren van het precieze gebruik dat het JMC van de door het EC voorbereide verslagen maakte.
162 Bijgevolg toont bijlage 70 bij de mededeling van de punten van bezwaar niet de ware aard van de besprekingen tijdens de vergaderingen van het EC aan.
163 Overigens lijkt de Commissie zelf ervan uit te gaan, dat de bijwoning van de vergaderingen van het EC geen genoegzaam bewijs van enigerlei inbreuk oplevert, omdat de onderneming Enso Española, die in 1987 vergaderingen van het EC had bijgewoond (tabel 6 in bijlage bij de beschikking), niet wordt geacht, vóór maart 1988 inbreuk op de mededingingsregels te hebben gemaakt (artikel 1 van de beschikking).
164 Gelet op het voorgaande, bewijst het feit dat verzoekster gedurende de betrokken periode drie vergaderingen van het EC heeft bijgewoond, niet dat zij aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft deelgenomen.
c) Verzoeksters feitelijke prijsgedrag
165 Met betrekking tot de onderzochte periode blijkt uit tabel A in bijlage bij de beschikking, dat verzoekster volgens de Commissie op 14 november 1987 een verhoging van haar prijzen in het Verenigd Koninkrijk met 8 % heeft aangekondigd en deze op 12 januari 1988 ten uitvoer heeft gelegd.
166 Daarentegen beschikt te Commissie volgens de tabellen B en C in bijlage bij de beschikking over geen enkele informatie betreffende eventuele verhogingen van de prijzen van verzoeksters karton naar aanleiding van de initiatieven tot prijsverhoging van maart/april 1988 en oktober 1988.
167 Onder deze omstandigheden is het Gerecht van mening, dat het door de Commissie vastgestelde feitelijke prijsgedrag van verzoekster, namelijk één enkel initiatief tot prijsverhoging in het Verenigd Koninkrijk die lijkt te corresponderen met die welke door de andere producenten ten uitvoer is gelegd, de bewering van de Commissie dat verzoekster gedurende de betrokken periode aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, heeft deelgenomen, rechtens niet genoegzaam staaft.
d) Conclusie betreffende de betrokken periode
168 Gelet op alle voorgaande overwegingen, toont het door de Commissie aangevoerde bewijsmateriaal, zelfs als geheel beschouwd, niet aan, dat verzoekster gedurende de periode van medio 1986 tot april 1989 aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft deelgenomen.
2. De periode van april 1989 tot april 1991
169 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, in het geval van verzoekster vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991, aan een overeenstemming die dateert van medio 1986 en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap onder meer "voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen", en "gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en tenuitvoerlegden", "een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd" en "in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen".
170 Bijgevolg heeft volgens de beschikking elk van de in artikel 1 genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, door haar deelname aan één enkele inbreuk, bestaande in heimelijke verstandhoudingen betreffende drie verschillende onderwerpen, die evenwel een gemeenschappelijk doel nastreefden. Deze heimelijke verstandhoudingen moeten als de bestanddelen van het algemene kartel worden beschouwd.
171 Derhalve zal afzonderlijk moeten worden onderzocht, of verzoekster gedurende de periode van april 1989 tot april 1991 aan elk van de betrokken heimelijke verstandhoudingen heeft deelgenomen.
a) Verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen
- Bijwoning van twee vergaderingen van het JMC door verzoekster
172 Vaststaat dat verzoekster twee vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond, namelijk die van 4 april 1989 en 20 november 1990.
173 Volgens de Commissie was de belangrijkste taak van het JMC vanaf het begin:
"- te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd en zijn conclusies aan de PWG mede te delen;
- het per land en voor de grote afnemers in detail uitwerken van de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven met het doel een equivalent (dit wil zeggen uniform) systeem van prijzen in Europa tot stand te brengen (...)" (punt 44, laatste alinea, van de considerans van de beschikking).
174 Meer in het bijzonder stelt de Commissie in punt 45, eerste en tweede alinea, van de considerans van de beschikking:
"Dit comité besprak per markt hoe de door de PWG overeengekomen prijsverhogingen door iedere producent ten uitvoer moesten worden gelegd. De praktische aspecten van de tenuitvoerlegging van de voorgestelde prijsverhogingen kwamen aan de orde tijdens $ronde tafel'-besprekingen, waarin elke deelnemer de kans kreeg over de voorgestelde verhoging opmerkingen te maken.
Van moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van de door de PWG overeengekomen prijsverhogingen of van een incidentele weigering om samen te werken, werd verslag uitgebracht aan de PWG, die dan (zoals Stora zei) $voor de noodzakelijk geachte mate van samenwerking trachtte te zorgen'. Het JMC bracht afzonderlijke verslagen uit voor GC- en GD-kwaliteiten. Als de PWG op basis van de van het JMC ontvangen verslagen een prijsbeslissing wijzigde, moesten de voor de tenuitvoerlegging daarvan noodzakelijke stappen op de volgende vergadering van het JMC worden besproken."
175 Vastgesteld moet worden dat de Commissie zich tot staving van deze gegevens betreffende het doel van de vergaderingen van het JMC terecht beroept op de verklaringen van Stora (bijlagen 35 en 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar).
176 Bovendien heeft zij, ofschoon zij niet over officiële notulen van een vergadering van het JMC beschikt, bij Mayr-Melnhof en Rena een aantal interne notities aangetroffen, welke respectievelijk waren gedateerd op 6 september 1989, 16 oktober 1989 en 6 september 1990 (bijlagen 117, 109 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar). Het Gerecht is van oordeel dat in deze notities, waarvan de inhoud wordt beschreven in de punten 80, 82 en 87 van de considerans van de beschikking, inderdaad verslag wordt uitgebracht over besprekingen die gedurende vergaderingen van het JMC zijn gevoerd.
177 Verzoekster betwist niet dat de bijlagen 117 en 109 betrekking hebben op de vergaderingen van het JMC van respectievelijk 6 september 1989 en 16 oktober 1989. Bovendien dient verzoeksters argument dat niet is bewezen dat bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een bij Rena aangetroffen notitie, gedateerd 6 september 1990, betrekking heeft op een vergadering van het JMC, te worden afgewezen. Immers de notities in deze bijlage zijn gemaakt op bladzijden papier met de opdruk "Schweizerischer Bankverein" en dit stuk draagt de datum 6 september 1990, dat wil zeggen de datum waarop in Zürich een vergadering van het JMC is gehouden. Daarin worden duidelijk besprekingen met een mededingingsverstorend doel tussen de vermelde producenten weergegeven. Bijgevolg staat vast, dat deze bijlage de vergadering van het JMC betreft die op die datum is gehouden.
178 De bijlagen 117, 109 en 118 leveren dan ook bewijzen op, die de door Stora gegeven beschrijving van de taken van het JMC duidelijk bevestigen.
179 Dienaangaande zij bij wijze van voorbeeld verwezen naar bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, waarin onder meer wordt meegedeeld:
"Prijsverhoging wordt volgende week in september aangekondigd
Frankrijk 40 FF Nederland 14 Duitsland 12 DM Italië 80 LIT België 2,50 BFR Zwitserland 9 FS Verenigd Koninkrijk 40 UKL Ierland 45 IRL
Alle kwaliteiten moeten gelijk verhoogd worden: GD, UD, GT, GC enz.
Slechts 1 prijsverhoging per jaar. Voor leveringen vanaf 7 januari. Uiterlijk 31 januari. 14 september brief met prijsverhoging (Mayr-Melnhof). 19 september Feldmühle stuurt zijn brief. Cascades vóór eind september. Allen moeten hun brieven vóór 8 oktober verstuurd hebben."
180 Zoals de Commissie in de punten 88 tot en met 90 van de considerans van de beschikking verklaart, heeft zij bovendien de hand kunnen leggen op interne documenten waaruit kan worden opgemaakt, dat de ondernemingen, en in het bijzonder die welke met name worden genoemd in bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, de overeengekomen prijsverhogingen inderdaad hebben aangekondigd en ten uitvoer gelegd.
181 Met betrekking tot bijlage 117 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een van Rena ontvangen document, stelt de Commissie dat het een serie aantekeningen bevat die tijdens de vergadering van het JMC van 6 september 1989 zijn gemaakt, en dat zij een bewijs voor de heimelijke verstandhouding betreffende het initiatief tot prijsverhoging van oktober 1989 opleveren. Zij verklaart in het bijzonder, dat deze notitie "gedetailleerde gegevens over de in elke valuta aangekondigde prijsverhogingen vermeldt en een beoordeling van de reactie van de afnemers en de reeds geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging op alle nationale markten geeft" (punt 80, vijfde alinea, van de considerans van de beschikking). Verzoekster, die de betrokken vergadering niet heeft bijgewoond (tabel 4 in bijlage bij de beschikking), betwist niet dat bijlage 117 op deze vergadering betrekking heeft. Zij is evenwel van mening, dat slechts een gedeelte van de informatie in de bijlage tijdens de vergadering van het JMC was verkregen, zoals Rena aan de Commissie te kennen gaf toen zij de Commissie (brief van Rena, bijlage 116 bij de mededeling van de punten van bezwaar) de later als bijlagen 117 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar aangeduide documenten toestuurde.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- HvJ EU 12 november 2014, C-580/12, ECLI:EU:C:2014:2363
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- Gerecht EU 20 mei 2015, T-456/10, ECLI:EU:T:2015:296
- Gerecht EU 19 januari 2016, T-409/12, ECLI:EU:T:2016:17
- Gerecht EU 19 januari 2016, T-404/12, ECLI:EU:T:2016:18
- Gerecht EU 6 november 2024, T-386/21, ECLI:EU:T:2024:776