Gerecht EU 3 maart 2011, T-122/07, ECLI:EU:T:2011:70
Tekst
Gevoegde zaken T‑122/07 tot en met T‑124/07
Siemens AG Österreich e.a.
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor projecten inzake gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Marktverdeling – Gevolgen binnen gemeenschappelijke markt – Begrip voortdurende inbreuk – Duur van inbreuk – Verjaring – Geldboeten – Evenredigheid – Plafond van 10 % van omzet – Hoofdelijke aansprakelijkheid voor betaling van geldboete – Verzachtende omstandigheden – Medewerking – Rechten van verdediging”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie – Omvang van bewijslast
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad)
2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria – Mededingingsbeperkend doel – Voldoende om inbreuk vast te stellen
(Art. 81, lid 1, EG)
3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Inbreuk – Eén enkele inbreuk – Beoordelingscriteria
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
4. Mededinging – Geldboeten – Beginsel van persoonlijk karakter van sancties – In overeenstemming te brengen met begrip onderneming
(Art. 81, lid 1, EG)
5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Omzet die in aanmerking is genomen
(Art. 81, lid 1, EG)
6. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuk gepleegd door dochteronderneming – Toerekening aan moedermaatschappij – Bewijslast van Commissie – Grenzen
(Art. 81, lid 1, EG)
7. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Toerekening van door dochteronderneming gepleegde inbreuk aan moedermaatschappij – Grenzen
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
8. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderneming – Begrip – Economische eenheid – Toerekening van inbreuken – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Hoofdelijke aansprakelijkheid van betrokken vennootschappen
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Inaanmerkingneming van wereldwijde omzet uit verkoop van goederen waarop inbreuk betrekking heeft – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsmarge van Commissie
(Art. 81, lid 1, EG)
11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag – Berekening – Omzet die in aanmerking moet worden genomen – Gecumuleerde omzet van alle vennootschappen die als onderneming handelde economische entiteit vormen
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3)
12. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuk gepleegd door dochteronderneming – Toerekening aan moedermaatschappij – Gevolgen – Behoud van individuele aansprakelijkheid van dochteronderneming
(Art. 81, lid 1, EG)
13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Verzachtende omstandigheden – Beoordelingsmarge van Commissie
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)
14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Verzachtende omstandigheden – Strekking
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Noodzaak van gedraging die vaststelling van inbreuk door Commissie heeft vergemakkelijkt
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)
16. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Draagwijdte van beginsel – Grenzen – Recht van onderneming om getuigen à charge te ondervragen – Daarvan uitgesloten
(Art. 81, lid 1, EG)
17. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Vaststelling van onrechtmatigheid – Noodzaak voor Gerecht om zich uit hoofde van zijn volledige rechtsmacht over wijziging van beschikking uit te spreken
(Art. 229 EG)
1. De partij of de autoriteit die een inbreuk op de mededingingsregels aanvoert, moet het bewijs daarvan leveren door de feiten die een inbreuk opleveren rechtens genoegzaam te bewijzen, en de onderneming die verweer voert tegen de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd, moet het bewijs leveren dat is voldaan aan de voorwaarden om dat verweer te laten gelden, in welk geval deze autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren.
Het feit dat de betrokken ondernemingen als verweer de verjaring hebben aangevoerd, die in beginsel door hen dient te worden bewezen, doet niet af aan het feit dat de Commissie in beginsel het bewijs dient te leveren van alle constitutieve bestanddelen van de inbreuk, daaronder begrepen de duur ervan, die haar uiteindelijke beslissing over de zwaarte van deze inbreuk kunnen beïnvloeden. Een dergelijk verweermiddel houdt immers noodzakelijkerwijs in dat de duur van de inbreuk en de datum waarop deze is beëindigd, zijn vastgesteld. Deze omstandigheden kunnen op zich geen rechtvaardiging vormen voor een overdracht van de bewijslast ter zake op deze ondernemingen. Enerzijds vormt de duur van de inbreuk – een begrip dat veronderstelt dat de einddatum ervan bekend is – een van de wezenlijke bestanddelen van de inbreuk, waarvoor de bewijslast op de Commissie rust, ongeacht of deze bestanddelen ook worden betwist in het kader van het verweermiddel dat de verjaring is ingetreden. Anderzijds is deze conclusie gerechtvaardigd door het feit dat de voorwaarde dat het vervolgingsrecht van de Commissie niet is verjaard op grond van de bepalingen van verordening nr. 1/2003 een objectief wettelijk criterium vormt dat voortvloeit uit het rechtszekerheidsbeginsel en bijgevolg een geldigheidsvoorwaarde vormt voor elke beschikking waarbij een sanctie wordt opgelegd. De Commissie moet dit criterium immers in acht nemen zelfs wanneer de onderneming geen verweermiddel dienaangaande heeft aangevoerd.
Deze verdeling van de bewijslast staat evenwel niet onveranderlijk vast, aangezien de door een partij aangevoerde feiten de andere partij kunnen verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij gebreke waarvan mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd. Wanneer de Commissie met name heeft bewezen dat er sprake is van een overeenkomst, staat het aan de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen, om het bewijs te leveren dat zij zich daarvan hebben gedistantieerd, en dit bewijs moet getuigen van een duidelijke en aan de andere deelnemende ondernemingen kenbaar gemaakte wil om zich aan deze overeenkomst te onttrekken.
(cf. punten 52‑55, 60)
2. Uit de tekst zelf van artikel 81, lid 1, EG volgt dat overeenkomsten tussen ondernemingen, ongeacht of zij al dan niet gevolgen hebben, verboden zijn, wanneer zij een mededingingsbeperkend doel hebben. Bijgevolg hoeven geen werkelijke mededingingsbeperkende gevolgen te worden bewezen wanneer het mededingingsbeperkende doel van de verweten gedragingen vaststaat.
(cf. punt 75)
3. De rechters van de Unie hebben verschillende criteria vastgesteld die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van één enkele inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), namelijk de vraag of de betrokken praktijken dezelfde doelstellingen nastreven, of het gaat om dezelfde producten en diensten, of dezelfde ondernemingen aan de inbreuk hebben deelgenomen en of de uitvoeringswijze dezelfde is. Andere relevante criteria zijn de vraag of dezelfde natuurlijke personen voor rekening van de ondernemingen optreden en de vraag of de betrokken praktijken hetzelfde gebied bestrijken.
(cf. punt 90)
4. Volgens het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties kan aan een natuurlijke of rechtspersoon slechts een sanctie worden opgelegd voor feiten die hem individueel ten laste worden gelegd. Dit beginsel geldt in elke administratieve procedure die tot sancties op grond van de communautaire mededingingsregels kan leiden. Dit beginsel moet evenwel in overeenstemming worden gebracht met het begrip onderneming in de zin van artikel 81 EG. Het begrip onderneming omvat economische eenheden die bestaan in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen die op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en ertoe kan bijdragen dat een in deze bepaling bedoelde inbreuk wordt gepleegd. Het communautaire mededingingsrecht erkent namelijk dat verschillende vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren, een economische eenheid en dus een onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, indien de dochterondernemingen van de groep niet zelfstandig hun marktgedrag bepalen.
Hieruit volgt dat de stelling dat het feit dat een aan een inbreuk deelnemende onderneming uit verschillende vennootschappen bestaat niet tot gevolg heeft dat deze vennootschappen als één enkele deelnemer aan de inbreuk moeten worden behandeld, dient te worden verworpen. Deze stelling berust immers op een verwarring tussen het begrip onderneming en het begrip vennootschap en vindt geen steun in de rechtspraak.
(cf. punten 122‑123)
5. In mededingingszaken leidt het feit dat de Commissie bij de berekening van het bedrag van de geldboete het begrip economische eenheid retroactief toepast, niet tot een verzwaring van de geldboete en maakt dit dus geen inbreuk op artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, volgens hetwelk geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. De marktdeelnemers dienen immers op de hoogte te zijn van de praktijk van de Commissie om bij de berekening van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de omzet van de onderneming, en dus, in voorkomend geval, met de gecumuleerde omzet van alle vennootschappen die deze onderneming vormen, aangezien deze praktijk in de loop der tijd ongewijzigd is gebleven. Voorts is de constante praktijk van de Commissie om bij de vastlegging van het uitgangsbedrag van de geldboete rekening te houden met de omzet van het laatste volledige jaar dat de inbreuk heeft geduurd, impliciet aanvaard door de rechtspraak.
In de eerste plaats is de afschrikkende werking van de geldboeten een van de factoren op basis waarvan de zwaarte van de inbreuken dient te worden vastgesteld. Of een geldboete afschrikkende werking heeft hangt in grote mate af van de vraag of de betrokken onderneming haar voldoende voelt. Om de afschrikkende werking van een geldboete ten opzichte van een onderneming die aan een inbreuk heeft deelgenomen te kunnen meten, moet dus rekening worden gehouden met de situatie zoals deze bestond aan het einde van de inbreuk en niet met die welke mogelijkerwijs daarvoor bestond. In de tweede plaats zou het ondoenbaar en vanuit het oogpunt van het beginsel van goed bestuur en de vereisten van administratiefprocedurele economie volkomen overdreven zijn om van de Commissie te verlangen dat zij rekening houdt met de evolutie van de omzet van de betrokken ondernemingen gedurende de gehele periode dat een kartel heeft gefunctioneerd. Een dergelijke aanpak zou impliceren dat voor elk jaar dat de deelname aan het kartel heeft geduurd een afzonderlijk uitgangsbedrag dient te worden berekend en dat daartoe voor elk jaar dat de inbreuk heeft geduurd het marktaandeel van elk van de deelnemers dient te worden bepaald.
(cf. punten 124‑127)
6. In mededingingszaken mag de Commissie redelijkerwijs aannemen dat een 100 %-dochteronderneming in wezen de instructies van haar moedermaatschappij volgt en dit vermoeden impliceert dat de Commissie niet hoeft na te gaan of de moedermaatschappij daadwerkelijk deze bevoegdheid heeft uitgeoefend. Voor de toerekening van het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aan de moedermaatschappij hoeft dus niet bewezen te zijn dat de moedermaatschappij op de hoogte was van de gedragingen van de dochteronderneming. Het staat integendeel aan de moedermaatschappij om dit vermoeden met afdoende bewijzen te weerleggen, wanneer zij meent dat haar dochteronderneming, ondanks het feit dat haar kapitaal voor 100 % in handen is van de moedermaatschappij, zelfstandig haar marktgedrag bepaalt.
(cf. punt 130)
7. Juridische entiteiten die zelfstandig aan een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) hebben deelgenomen en vervolgens door een andere vennootschap zijn overgenomen, blijven zelf aansprakelijk voor de onrechtmatige handelingen die zij vóór hun overname hebben verricht, wanneer zij niet eenvoudigweg door de overnemer zijn opgeslorpt, maar hun activiteiten als dochterondernemingen hebben voortgezet. In een dergelijk geval kan de overnemer enkel vanaf de overname aansprakelijk worden gesteld voor het gedrag van zijn dochteronderneming indien deze laatste de inbreuk voortzet en de aansprakelijkheid van de nieuwe moedermaatschappij kan worden aangetoond.
Dit beginsel moet ook mutatis mutandis worden toegepast indien de overgenomen vennootschap vóór haar overname niet zelfstandig, maar als dochteronderneming van een andere groep aan de inbreuk heeft deelgenomen.
(cf. punten 139, 141)
8. De hoofdelijke verplichting van vennootschappen tot betaling van geldboeten die verschuldigd zijn wegens een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) is een rechtsgevolg dat van rechtswege voortvloeit uit de materiële bepalingen van deze artikelen.
Het uniforme marktgedrag van de onderneming rechtvaardigt in het kader van de toepassing van het mededingingsrecht dat de vennootschappen of, meer in het algemeen, de rechtssubjecten die daar persoonlijk aansprakelijk voor kunnen worden gehouden, hoofdelijk gehouden zijn. De hoofdelijke verplichting tot betaling van geldboeten die worden opgelegd wegens een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, draagt bij tot de daadwerkelijke inning van deze geldboeten en dus tot de in het algemeen door de mededingingsregels beoogde afschrikkende werking ervan, dit met inachtneming van het beginsel ne bis in idem, een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie, dat eveneens wordt erkend door artikel 4 van protocol nr. 7 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en dat verbiedt dat in het kader van eenzelfde inbreuk op het mededingingsrecht voor eenzelfde gedraging van een onderneming op de markt meer dan één sanctie wordt opgelegd aan de rechtssubjecten die hier persoonlijk aansprakelijk voor kunnen worden gehouden.
Het feit dat verschillende vennootschappen niet in dezelfde mate persoonlijk aansprakelijk zijn wegens de deelname van eenzelfde onderneming aan een inbreuk staat er niet aan in de weg dat hun hoofdelijk een geldboete wordt opgelegd, aangezien de hoofdelijke verplichting tot betaling van de geldboete slechts betrekking heeft op de periode van de inbreuk waarin zij een economische eenheid en dus één onderneming in de zin van het mededingingsrecht vormden. Uit het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties vloeit voort dat elke vennootschap uit de beschikking waarbij haar een geldboete wordt opgelegd die zij hoofdelijk met één of meerdere andere vennootschappen dient te betalen, moet kunnen afleiden welk aandeel zij in verhouding tot haar hoofdelijke medeschuldenaars moet dragen, wanneer de Commissie eenmaal is betaald. Daartoe moet de Commissie met name de periodes aangeven waarvoor de betrokken vennootschappen (mede)aansprakelijk zijn voor het onrechtmatige gedrag van de ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, en, in voorkomend geval, de mate waarin deze vennootschappen aansprakelijk zijn voor dit gedrag.
De beschikking waarbij de Commissie verschillende vennootschappen hoofdelijk een geldboete oplegt sorteert dus noodzakelijkerwijs alle gevolgen die rechtens voortvloeien uit de juridische regeling inzake de betaling van geldboeten die krachtens het mededingingsrecht verschuldigd zijn, en dit zowel in de betrekkingen tussen de schuldeiser en de hoofdelijke medeschuldenaars als in de betrekkingen tussen de hoofdelijke medeschuldenaars onderling.
Het is uitsluitend aan de Commissie om in het kader van de uitoefening van de haar bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 verleende bevoegdheid om geldboeten op te leggen, te bepalen welk deel elk van de vennootschappen dient te dragen van de bedragen waartoe zij hoofdelijk zijn veroordeeld voor zover zij deel uitmaakten van éénzelfde onderneming, en deze taak kan met name niet aan de nationale rechtbanken worden overgelaten.
Behoudens andersluidende aanwijzing in de beschikking waarbij de Commissie verschillende vennootschappen hoofdelijk een geldboete oplegt wegens het inbreukmakende gedrag van een onderneming, moet ervan worden uitgegaan dat zij hen in gelijke mate aansprakelijk stelt voor dit gedrag. Vennootschappen waaraan hoofdelijk een geldboete wordt opgelegd en die, behoudens andersluidende aanwijzing in de boetebeschikking, in gelijke mate aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, moeten in beginsel in gelijke mate bijdragen tot de betaling van de wegens deze inbreuk opgelegde geldboete. De beschikking waarbij verschillende vennootschappen hoofdelijk een geldboete wordt opgelegd biedt weliswaar niet de mogelijkheid om a priori te bepalen welke van deze vennootschappen daadwerkelijk zal worden verzocht om het bedrag van de geldboete aan de Commissie te betalen, maar zij laat er geen enkele twijfel over bestaan welk deel van het boetebedrag zij persoonlijk moeten dragen, zodat elk van hen in voorkomend geval het door haar betaalde bedrag dat dit deel overschrijdt op haar hoofdelijke medeschuldenaars kan verhalen.
(cf. punten 149, 151‑153, 156‑158)
9. In het geval van een wereldwijd kartel dat niet alleen betrekking heeft op de vaststelling van de prijzen maar ook op de verdeling van de markten, mag de Commissie zich baseren op de wereldwijde omzet uit de verkoop van het betrokken product om in de uitgangsbedragen de aard van de inbreuk, de werkelijke invloed daarvan op de markt en de omvang van de geografische markt tot uitdrukking te brengen, rekening houdend met het verschil in omvang van de kartelleden. Gelet op het feit dat het Verenigd Koninkrijk en Ierland samen een belangrijk deel van de gemeenschappelijke markt vormen, kan een aantasting van de mededinging op deze markten niet als gering worden beschouwd. Wanneer de in de bestreden beschikking aan de verzoekende partijen ten laste gelegde inbreuk juist onder meer inhoudt dat de betrokken ondernemingen op Europees niveau via een systeem van „landen van oorsprong” verschillende nationale markten onderling hebben verdeeld, kan het feit dat de verzoekende onderneming overeenkomstig een dergelijk ongeoorloofd akkoord haar activiteiten binnen de gemeenschappelijke markt tot haar thuismarkten heeft beperkt, geen verzachtende omstandigheid vormen. Wanneer ten slotte de leden van een ongeoorloofd kartel zelf bij de vaststelling van hun individuele quota binnen het kartel – die zowel op Europees niveau, buiten de „landen van oorsprong”, als wereldwijd golden – rekening hebben gehouden met hun wereldwijde omzet, mag de Commissie ook ter beoordeling van het specifieke gewicht van de verschillende betrokken ondernemingen rekening houden met hun wereldwijde omzet.
(cf. punten 170‑171)
10. Het gemeenschapsrecht vereist niet dat de geldboeten die worden opgelegd aan verschillende vennootschappen die tot eenzelfde onderneming behoren, evenredig zijn aan de duur van de aan elk van deze vennootschappen ten laste gelegde deelneming. Bijgevolg kan een vergelijking tussen de bedragen in euro die per maand dat de deelname aan de inbreuk heeft geduurd zijn opgelegd aan meerdere vennootschappen waaraan deelnames van verschillende duur ten laste worden gelegd, niet het bewijs van een ongelijke behandeling opleveren.
De praktijk van de Commissie om geldboeten vast te stellen op een wijze die niet strikt evenredig is aan de duur van de inbreuk overschrijdt dus kennelijk niet de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid waarover zij volgens de rechtspraak beschikt.
(cf. punten 181‑182)
11. Het feit dat verschillende vennootschappen hoofdelijk tot betaling van een geldboete gehouden zijn omdat zij een onderneming vormen in de zin van artikel 81 EG, betekent voor de toepassing van het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde maximum niet dat zij elk slechts gehouden zijn tot 10 % van hun tijdens het laatste boekjaar behaalde omzet. Het in deze bepaling bedoelde plafond van 10 % dient immers te worden berekend op basis van de gezamenlijke omzet van alle vennootschappen die deel uitmaken van de als onderneming in de zin van artikel 81 EG handelende economische eenheid, aangezien enkel de gezamenlijke omzet van de vennootschappen die van deze eenheid deel uitmaken een aanwijzing kan vormen van de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming.
Het begrip onderneming in de zin van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 verschilt niet van het begrip onderneming in de zin van artikel 81, lid 1, EG. Bijgevolg is het in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid van verschillende vennootschappen binnen een groep die samen een onderneming in de zin van deze bepalingen vormen, niet nodig om bij de vaststelling van het plafond uit te gaan van de vennootschap met de laagste omzet.
(cf. punten 186‑187)
12. Het feit dat het gedrag van de dochteronderneming aan de moedermaatschappij wordt toegerekend omdat laatstgenoemde het commerciële gedrag van eerstgenoemde heeft bepaald, heeft niet tot gevolg dat deze moedermaatschappij moet worden geacht de betrokken handelingen in plaats van haar dochter te hebben verricht. Met andere woorden, de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij voor het gedrag van haar dochteronderneming bevrijdt deze laatste geenszins van haar eigen aansprakelijkheid als rechtspersoon en zij blijft individueel aansprakelijk voor de mededingingsverstorende praktijken waaraan zij heeft deelgenomen.
(cf. punt 196)
13. De richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, voorzien in punt 3 in een verlaging van het basisbedrag van de geldboete wegens „bijzondere verzachtende omstandigheden”, zoals het feit dat de verzoekende ondernemingen een louter passieve rol vervulden of slechts meeloopsters waren en het feit dat de inbreuken reeds bij de eerste stappen van de Commissie zijn beëindigd. Deze tekst is geen dwingende opsomming van de verzachtende omstandigheden die de Commissie in aanmerking zou moeten nemen. Bijgevolg behoudt de Commissie een zekere marge om in het algemeen te beoordelen hoe groot een eventuele verlaging van het boetebedrag wegens verzachtende omstandigheden dient te zijn.
In die omstandigheden kan de Commissie geenszins worden verplicht om in het kader van haar beoordelingsmarge een verlaging van de geldboete toe te kennen wegens de beëindiging van een kennelijke inbreuk, ongeacht of deze inbreuk is beëindigd vóór of nadat zij stappen heeft ondernomen. Zelfs indien de Commissie in het verleden de vrijwillige beëindiging van een inbreuk als een verzachtende omstandigheid heeft beschouwd, mag zij krachtens haar richtsnoeren rekening houden met het feit dat kennelijk zeer zware inbreuken nog steeds betrekkelijk veel voorkomen, hoewel de onrechtmatigheid ervan reeds bij het begin van het communautaire mededingingsbeleid is vastgesteld, en mag zij zich dus op het standpunt stellen dat er redenen zijn om die genereuze praktijk op te geven en de beëindiging van een dergelijke inbreuk niet meer met een verlaging van de geldboete te belonen.
(cf. punten 207‑208, 211, 213)
14. Het feit dat een onderneming die, zoals de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, aan een door de mededingingsregels verboden kartel heeft deelgenomen – wat een zeer zware inbreuk is – is misleid door de andere leden van het kartel, die aldus nog extra voordelen uit het kartel hebben trachten te halen naast die welke dit kartel hun reeds opleverde, betekent niet dat het gedrag van deze onderneming daarom minder ernstig is. Dergelijke omstandigheden kunnen dus geen verzachtende omstandigheid vormen en tonen in het bijzonder niet aan dat deze onderneming een louter passieve rol vervulde of slechts meeloopster was in het kader van het kartel.
(cf. punt 218)
15. De verlaging van het bedrag van de geldboeten wegens medewerking van de ondernemingen die aan inbreuken op het communautaire mededingingsrecht deelnemen, is gebaseerd op de overweging dat een dergelijke medewerking de taak van de Commissie verlicht om het bestaan van een inbreuk vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken.
Zoals in punt 29 van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken is verklaard, wekt deze mededeling rechtmatige verwachtingen waarop ondernemingen mogen vertrouwen wanneer zij het bestaan van een mededingingsregeling aan de Commissie bekendmaken. Gelet op het gewettigde vertrouwen dat ondernemingen die met de Commissie willen samenwerken, aan deze mededeling kunnen ontlenen, is de Commissie verplicht zich aan deze mededeling te houden wanneer zij bij de vaststelling van het bedrag van de aan een onderneming op te leggen geldboete de door deze onderneming verleende medewerking beoordeelt. Binnen de door de mededeling inzake medewerking vastgestelde grenzen beschikt de Commissie evenwel over een marge bij de beoordeling van de vraag of de door een onderneming aangevoerde bewijzen al dan niet een toegevoegde waarde in de zin van punt 22 van deze mededeling hebben en of op grond van deze mededeling een verlaging aan een onderneming dient te worden toegekend. Het rechterlijk toezicht op deze beoordeling is beperkt.
(cf. punten 219‑221)
16. Het fundamentele beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist dat de ondernemingen en ondernemersverenigingen die betrokken zijn bij een mededingingsonderzoek van de Commissie, reeds tijdens de administratieve procedure in staat worden gesteld, hun standpunt over de juistheid en de relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, punten van bezwaar en omstandigheden naar behoren kenbaar te maken. Daarentegen vereist dit beginsel niet dat deze ondernemingen de gelegenheid wordt geboden om de door de Commissie gehoorde getuigen zelf te ondervragen in het kader van de administratieve procedure.
(cf. punten 233‑234)
17. Wanneer het onderzoek van de middelen van een onderneming betreffende de onrechtmatigheid van een beschikking van de Commissie waarbij haar een geldboete wegens schending van de communautaire mededingingsregels wordt opgelegd, een dergelijke onrechtmatigheid aan het licht brengt, moet het Gerecht onderzoeken of het op basis van zijn volledige rechtsmacht de bestreden beschikking dient te herzien.
(cf. punt 238)
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
3 maart 2011 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor projecten inzake gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Marktverdeling – Gevolgen binnen gemeenschappelijke markt – Begrip voortdurende inbreuk – Duur van inbreuk – Verjaring – Geldboeten – Evenredigheid – Plafond van 10 % van omzet – Hoofdelijke aansprakelijkheid voor betaling van geldboete – Verzachtende omstandigheden – Medewerking – Rechten van verdediging”
In de gevoegde zaken T‑122/07 tot en met T‑124/07,
Siemens AG Österreich, gevestigd te Wenen (Oostenrijk),
VA Tech Transmission & Distribution GmbH & Co. KEG, gevestigd te Wenen,
verzoeksters in zaak T‑122/07,
Siemens Transmission & Distribution Ltd, gevestigd te Manchester (Verenigd Koninkrijk),
verzoekster in zaak T‑123/07,
Siemens Transmission & Distribution SA, gevestigd te Grenoble (Frankrijk),
Nuova Magrini Galileo SpA, gevestigd te Bergamo (Italië),
verzoeksters in zaak T‑124/07,
vertegenwoordigd door H. Wollmann en F. Urlesberger, advocaten,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Arbault en O. Weber, vervolgens door X. Lewis en A. Antoniadis, en ten slotte door A. Antoniadis en R. Sauer als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek, primair, tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 6762 def. van de Commissie van 24 januari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.899 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal), en, subsidiair, tot verlaging van de aan verzoeksters opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová (rapporteur), kamerpresident, K. Jürimäe en S. Soldevila Fragoso, rechters,
griffier: K. Andová, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 maart 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
I – Verzoeksters en de VA Tech-groep
1 Op 20 september 1998 heeft VA Technologie AG een dochteronderneming van Rolls-Royce overgenomen, namelijk Reyrolle Ltd, die daarop is omgedoopt tot VA Tech Reyrolle Ltd en vervolgens tot Siemens Transmission & Distribution Ltd, verzoekster in zaak T‑123/07 (hierna: „Reyrolle”). Op 13 maart 2001 heeft VA Technologie via een 100 %-dochteronderneming, namelijk VA Tech Transmission & Distribution GmbH & Co. KEG, tweede verzoekster in zaak T‑122/07 (hierna: „KEG”), Reyrolle ingebracht in de nieuw opgerichte vennootschap VA Tech Schneider High Voltage GmbH (hierna: „VAS”), waarvan zij via haar dochteronderneming 60 % van de aandelen bezat en de rest in handen was van Schneider Electric SA. De inbreng van deze laatste in VAS bestond uit Schneider Electric High Voltage SA, die later is omgedoopt tot VA Tech Transmission & Distribution SA en vervolgens tot Siemens Transmission & Distribution SA, eerste verzoekster in zaak T‑124/07 (hierna: „SEHV”), en Nuova Magrini Galileo SpA, tweede verzoekster in zaak T‑124/07 (hierna: „Magrini”), die voordien haar 100 %-dochterondernemingen waren. Sinds 1999 zijn de oude hoogspanningsactiviteiten van verschillende dochterondernemingen van Schneider Electric in SEHV ondergebracht.
2 In oktober 2004 heeft VA Technologie via KEG alle aandelen van Schneider Electric in het kapitaal van VAS verworven.
3 In 2005 heeft Siemens AG via een publiek overnamebod van een dochteronderneming, eerste verzoekster in zaak T‑122/07, Siemens AG Österreich (hierna: „Siemens Österreich”), de exclusieve controle verworven over de groep waarvan VA Technologie de moedermaatschappij was (hierna: „VA Tech-groep”). Na deze overname van de controle zijn VA Technologie en vervolgens VAS met Siemens Österreich gefuseerd.
II – GGS en precontentieuze procedure
4 Gasgeïsoleerd schakelmateriaal (hierna: „GGS”) wordt gebruikt om de energiestroom in elektriciteitsnetwerken te controleren. Het is zwaar elektrisch materieel dat als belangrijk onderdeel voor kant-en-klaar opgeleverde elektriciteitsonderstations wordt gebruikt. De onderstations zijn hulpcentrales die de elektrische stroom omzetten. Naast de transformator bevatten de onderstations controlesystemen, relais, batterijen, opladers en schakelmateriaal. De functie van het schakelmateriaal bestaat erin de transformator te beschermen tegen overbelasting en/of de stroomkring en een defecte transformator te isoleren.
5 Geïsoleerd schakelmateriaal kan gasgeïsoleerd, luchtgeïsoleerd of lucht‑ en gasgeïsoleerd zijn. In dit laatste geval worden beide technieken gecombineerd. GGS wordt in de gehele wereld verkocht als onderdeel van kant-en-klaar opgeleverde elektriciteitsonderstations of als losse onderdelen die in dergelijke onderstations dienen te worden geïntegreerd. Het maakt ongeveer 30 tot 60 % van de totale prijs van deze onderstations uit.
6 Op 3 maart 2004 heeft ABB Ltd de Commissie gewezen op het bestaan van mededingingsverstorende praktijken in de GGS-sector en een mondeling immuniteitsverzoek ingediend overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 19 februari 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking”).
7 De door ABB aangeklaagde praktijken bestonden in de wereldwijde coördinatie van de verkoop van GGS-projecten. Het ging om de verdeling van markten, de toewijzing van quota en het behoud van de respectieve marktaandelen, de toewijzing van GGS-projecten aan daartoe aangewezen producenten en de manipulatie van de aanbestedingsprocedure (geknoei met offertes) om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten aan deze producenten werden toegewezen, de vaststelling van prijzen via ingewikkelde akkoorden met betrekking tot de niet-toegewezen GGS-projecten, de opzegging van licentieovereenkomsten met ondernemingen die geen lid waren van het kartel, en de uitwisseling van gevoelige informatie over de markt.
8 ABB heeft haar mondelinge immuniteitsverzoek aangevuld met mondelinge opmerkingen en bewijsstukken. Op 25 april 2004 heeft de Commissie ABB een voorwaardelijke immuniteit verleend.
9 De Commissie is op basis van de verklaringen van ABB een onderzoek gestart en heeft op 11 en 12 mei 2004 inspecties verricht in de kantoren van Areva T&D SA, Siemens AG, de groep VA Tech, Hitachi Ltd en Japan AE Power Systems Corp (hierna: „JAEPS”).
10 Op 30 juli 2004 heeft de VA Tech-groep de Commissie een memorandum en documenten bezorgd en op 23 augustus 2004 heeft zij haar aanvullende uitleg verstrekt.
11 Op 20 april 2006 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, die aan 20 ondernemingen, waaronder verzoeksters, ter kennis is gebracht.
III – Bestreden beschikking
12 Op 24 januari 2007 heeft de Commissie beschikking C(2006) 6762 def. in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.899 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal) vastgesteld (hierna: „bestreden beschikking”). Deze is op 7 of 8 februari 2007 ter kennis gebracht van verzoeksters.
13 De bestreden beschikking was niet alleen gericht tot verzoeksters en Schneider Electric, maar ook tot ABB, Alstom, SA, Areva, SA, Areva T&D AG, Areva T&D Holding SA en Areva T&D SA (hierna samen: „ondernemingen van de Areva-groep”), Fuji Electric Holdings Co., Ltd en Fuji Electric Systems Co., Ltd (hierna samen: „Fuji”), Hitachi Ltd en Hitachi Europe Ltd (hierna samen: „Hitachi”), JAEPS, Mitsubishi Electric System Corp. (hierna: „Melco”), Siemens en Toshiba Corp.
14 In de punten 113 tot en met 123 van de bestreden beschikking heeft de Commissie opgemerkt dat de verschillende ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen de toewijzing van GGS-projecten wereldwijd, behalve op bepaalde markten, volgens overeengekomen regels hebben gecoördineerd teneinde met name quota te handhaven die in vergaande mate hun geschatte historische marktaandelen weerspiegelden. Zij heeft gepreciseerd dat de toewijzing van GGS-projecten geschiedde op basis van een gezamenlijk „Japans” quotum en een gezamenlijk „Europees” quotum, die vervolgens door de Japanse producenten respectievelijk de Europese producenten onder elkaar dienden te worden verdeeld. In een op 15 april 1988 te Wenen gesloten overeenkomst (hierna: „GQ-overeenkomst”) werden regels vastgesteld op basis waarvan de GGS-projecten ofwel aan de Japanse producenten, ofwel aan de Europese producenten moesten worden toegewezen en de waarde ervan op het overeenkomstige quotum diende te worden geïmputeerd. Voorts heeft de Commissie in de punten 124 tot en met 132 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat de verschillende ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, een niet-schriftelijk akkoord hebben gesloten (hierna: „gemeenschappelijk akkoord”) volgens hetwelk de GGS-projecten in Japan, enerzijds, en de landen van de Europese kartelleden, anderzijds, die samen werden aangeduid als de „landen van oorsprong” van de GGS-projecten, respectievelijk waren voorbehouden aan de Japanse en de Europese kartelleden. Over de GGS-projecten in de „landen van oorsprong” werd geen informatie tussen de twee groepen uitgewisseld en deze projecten werden niet op de respectieve quota geïmputeerd.
15 De GQ-overeenkomst bevatte ook regels betreffende de – met name door de secretarissen van de twee groepen verrichte – uitwisseling van informatie tussen de twee groepen van producenten die noodzakelijk was voor het functioneren van het kartel, de manipulatie van de betrokken aanbestedingen en de vaststelling van prijzen voor de GGS-projecten die niet konden worden toegewezen. Volgens de bewoordingen van bijlage 2 bij de GQ-overeenkomst was deze overeenkomst wereldwijd van toepassing, behalve in de Verenigde Staten, Canada, Japan en 17 West-Europese landen. Bovendien waren de GGS-projecten in de andere Europese landen dan de „landen van oorsprong” krachtens het gemeenschappelijk akkoord ook aan de Europese groep voorbehouden, aangezien de Japanse producenten zich ertoe hadden verbonden geen offertes voor GGS-projecten in Europa in te dienen.
16 Volgens de Commissie werd de verdeling van de GGS-projecten tussen de Europese producenten geregeld door een eveneens op 15 april 1988 te Wenen ondertekend akkoord met de naam „E-Group Operation Agreement for GQ-Agreement” (overeenkomst van groep E ter uitvoering van de GQ-overeenkomst) (hierna: „EQ-overeenkomst”). Zij merkt op dat de toewijzing van GGS-projecten in Europa volgens dezelfde regels en procedures verliep als de toewijzing van GGS-projecten in andere landen. Meer bepaald dienden de GGS-projecten in Europa eveneens ter kennis te worden gebracht, geïnventariseerd, toegewezen en onderling geregeld of was hiervoor een minimumprijs vastgesteld.
17 In punt 142 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de verschillende kartelleden met het oog op de organisatie en de goede werking van het kartel in de GQ-overeenkomst en de EQ-overeenkomst werden aangeduid met een code, namelijk een cijfercode voor de Europese leden en een lettercode voor de Japanse leden. De oorspronkelijke codes zijn vanaf juli 2002 door nummers vervangen.
18 In artikel 1, sub p en t, van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat Siemens Österreich en KEG van 20 september 1998 tot 13 december 2000 en van 1 april 2002 tot 11 mei 2004 aan de inbreuk hebben deelgenomen.
19 In artikel 1, sub m, q en r, van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat Reyrolle, SEHV en Magrini van 15 april 1988 tot 13 december 2000 en van 1 april 2002 tot 11 mei 2004 aan de inbreuk hebben deelgenomen.
20 In artikel 2, sub l, van de bestreden beschikking is Siemens Österreich en KEG een geldboete van 12 600 000 EUR opgelegd voor de in artikel 1 van deze beschikking bedoelde inbreuken, die zij hoofdelijk met Reyrolle dienen te betalen.
21 In artikel 2, sub l, van de bestreden beschikking is Reyrolle een geldboete van 22 050 000 EUR opgelegd voor de in artikel 1 van deze beschikking bedoelde inbreuken, waarvan zij 17 550 000 EUR hoofdelijk met SEHV en Magrini en 12 600 000 EUR hoofdelijk met Siemens Österreich en KEG dient te betalen.
22 In artikel 2, sub k en l, van de bestreden beschikking is SEHV en Magrini een geldboete van 22 050 000 EUR opgelegd voor de in artikel 1 van deze beschikking bedoelde inbreuken, waarvan zij 17 550 000 EUR hoofdelijk met Reyrolle en 4 500 000 EUR hoofdelijk met Schneider Electric dienen te betalen.
Procesverloop en conclusies van partijen
23 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 april 2007, hebben verzoeksters de onderhavige beroepen ingesteld.
24 Op 27 augustus 2007 heeft de Commissie haar verweerschriften ingediend.
25 Op 22 oktober 2007 hebben verzoeksters hun memories van repliek ingediend.
26 Op 14 december 2007 heeft de Commissie haar memories van dupliek ingediend.
27 Bij beschikking van 20 januari 2010 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 50 van zijn Reglement voor de procesvoering, na de partijen te hebben gehoord, de onderhavige zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
28 Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering zijn de partijen uitgenodigd om te antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht. Verzoeksters en de Commissie hebben deze vragen binnen de gestelde termijn beantwoord.
29 Ter terechtzitting van 16 maart 2010 hebben de partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
30 Ter terechtzitting van 16 maart 2010 hebben SEHV en Magrini op verzoek van het Gerecht een afschrift overgelegd van het vonnis van 18 december 2009 dat de rechtbank van koophandel te Grenoble (Frankrijk) heeft gewezen in een zaak waarin sommige verzoeksters betrokken waren. De partijen hebben hierover hun opmerkingen kunnen maken. Het Gerecht heeft de Commissie op haar verzoek een aanvullende termijn tot 26 maart 2010 verleend om haar schriftelijke opmerkingen in te dienen. Het Gerecht heeft deze opmerkingen, die tijdig zijn ingediend, slechts in aanmerking genomen voor zover zij betrekking hadden op het vonnis van de rechtbank van koophandel te Grenoble van 18 december 2009.
31 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– artikel 1 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover hierin is vastgesteld dat Reyrolle, SEHV en Magrini artikel 81EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: „EER-Overeenkomst”) hebben geschonden in de periode van 15 april 1988 tot 13 december 2000 en dat alle verzoeksters deze bepalingen hebben geschonden in de periode van 1 april 2002 tot 9 oktober 2002 en van 21 januari 2004 tot 11 mei 2004;
– artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover dit artikel betrekking heeft op hen;
– in voorkomend geval, de hun opgelegde geldboeten te verlagen tot een bedrag van maximum 1 980 000 EUR voor Siemens Österreich en KEG, 1 100 000 EUR voor Reyrolle en Magrini en 2 750 000 EUR voor SEHV;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
32 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– de beroepen te verwerpen;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
I – Verzoeken tot nietigverklaring
33 Ter ondersteuning van hun vordering tot nietigverklaring voeren verzoeksters twee middelen aan. Met het eerste middel stellen zij dat artikel 81, lid 1, EG, artikel 53, lid 1, EER-Overeenkomst en de artikelen 23, leden 2 en 3, en 25 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) zijn geschonden. Met het tweede middel stellen zij dat hun recht om te worden gehoord is geschonden.
A – Eerste middel: schending van artikel 81 EG, artikel 53, lid 1, EER-Overeenkomst en sommige bepalingen van verordening nr. 1/2003
34 In het kader van het eerste middel stellen verzoeksters dat de Commissie bij de vaststelling van de geldboete artikel 81 EG, artikel 53 EER-Overeenkomst en sommige bepalingen van verordening nr. 1/2003 in meerdere opzichten heeft geschonden. Dit middel omvat drie onderdelen: ten eerste is de gestelde inbreuk niet bewezen, ten tweede is de duur van de gestelde inbreuk onjuist beoordeeld, en ten derde is het bedrag van de opgelegde geldboete buitensporig. In de zaken T‑123/07 en T‑124/07 voeren Reyrolle, SEHV en Magrini tevens aan dat de gestelde inbreuk verjaard is voor de periode vóór 16 juli 1998.
1. Eerste onderdeel: de gestelde inbreuk is niet bewezen
a) Argumenten van partijen
35 Verzoeksters stellen dat de Commissie niet genoegzaam heeft bewezen dat in de periode vóór 13 december 2000 een inbreuk is gepleegd. Volgens hen blijkt ondubbelzinnig uit bijlage 2 bij de GQ-overeenkomst dat de Europese markten van de werkingssfeer van deze overeenkomst waren uitgesloten. De Commissie kon uit deze overeenkomst dus niet het bestaan van een mededingingsregeling in de zin van artikel 81 EG afleiden, dat wil zeggen van een overeenkomst die tot doel of tot gevolg had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
36 Voorts kan volgens hen worden getwijfeld aan de bewijswaarde van de lijst van GGS-projecten die in punt 164 van de bestreden beschikking wordt genoemd. De Commissie vermeldt niet met welk doel deze lijst is opgesteld en preciseert evenmin of de partijen overeenkomsten hebben gesloten met betrekking tot de genoemde GGS-projecten. Aangezien voorts slechts elf van de in totaal 1620 GGS-projecten in de lijst geografisch betrekking hebben op de gemeenschappelijke markt, wijst deze lijst er vooral op dat deze overeenkomsten geen merkbaar effect hebben gehad binnen de gemeenschappelijke markt.
37 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
b) Beoordeling door het Gerecht
38 Uit de bestreden beschikking, en met name uit de punten 124 tot en met 163, blijkt dat de Commissie ervan is uitgegaan dat de aan verzoekster ten laste gelegde mededingingsregeling waarvoor zij een sanctie heeft opgelegd, was gebaseerd op het „gemeenschappelijk akkoord” volgens hetwelk de GGS-projecten in de „landen van oorsprong” aan de Japanse en de Europese kartelleden waren voorbehouden, op de bescherming van de markten van de „landen van oorsprong” in Europa en op de verdeling van de markt in de „andere Europese landen dan de landen van oorsprong” tussen de Europese producenten door middel van de manipulatie van de aanbestedingen en de sluiting van prijsovereenkomsten. Volgens de Commissie is de mededingingsregeling met betrekking tot de gemeenschappelijke markt tot stand gekomen in het kader van de uitvoering van het „gemeenschappelijk akkoord”, waarvan de GQ-overeenkomst slechts een onderdeel vormde.
39 Als bewijs van het bestaan en de draagwijdte van het „gemeenschappelijk akkoord” heeft de Commissie in de bestreden beschikking een reeks elementen aangevoerd, waaronder met name de verklaringen van ABB, getuige M., Fuji en Hitachi, en bepaalde documenten zoals de GQ-overeenkomst en de EQ-overeenkomst en de bijlagen daarbij, een door ABB verstrekte lijst van GGS-projecten die binnen het kartel zijn besproken, een niet-gedateerd document met de naam „Samenvatting van de besprekingen met JJC”, dat tijdens de inspecties in de kantoren van de VA Tech-groep is gevonden, alsook de briefwisseling van 18 januari 1999 tussen W., J. en B., werknemers van de VA Tech-groep.
40 Ter betwisting van het bestaan van een schending van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst stellen verzoeksters enkel dat de GQ-overeenkomst niet tot doel of tot gevolg had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd, beperkt of vervalst, en betwisten zij de bewijswaarde van de in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde lijst van GGS-projecten in Europa. Daarentegen betwisten zij noch het bestaan van het „gemeenschappelijk akkoord”, noch de bewijswaarde van de andere hierboven in punt 39 genoemde elementen op basis waarvan de Commissie heeft vastgesteld dat de mededingingsregeling dergelijke gevolgen had. Aangezien de Commissie zich in casu evenwel op een groot aantal elementen heeft gebaseerd, kunnen verzoeksters het bestaan van een inbreuk op artikel 81 EG niet globaal betwisten zonder de voorafgaande vaststellingen van de Commissie specifiek in twijfel te trekken en met name omstandig uiteen te zetten waarom de door haar aangevoerde bewijzen niet-toelaatbaar, irrelevant of niet bewijskrachtig zijn.
41 Zelfs indien rekening wordt gehouden met het feit dat de GQ-overeenkomst blijkens de bewoordingen ervan in de meeste landen van Europa niet van toepassing was en indien de in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde lijst van GGS-projecten in Europa buiten beschouwing wordt gelaten, heeft de Commissie immers voldoende bewijzen aangevoerd om de draagwijdte van het „gemeenschappelijk akkoord” aan te tonen.
42 Ten eerste wettigt de vaststelling van de Commissie dat de Europese leden van het kartel GGS-projecten binnen de gemeenschappelijke markt en de EER hebben besproken en deze onderling hebben verdeeld op zich de conclusie dat de mededingingsregeling gevolgen heeft gehad op de mededinging in deze gebieden. Bovendien blijkt uit de bestreden beschikking dat de Commissie zich eveneens heeft gebaseerd op de verklaringen van ABB en M. en die van Fuji en Hitachi, alsook op bijlage 2 bij de EQ-overeenkomst, de in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde lijst van GGS-projecten in Europa, het document met de naam „Samenvatting van de besprekingen met JJC” en de briefwisseling van 18 januari 1999.
43 Ten tweede blijkt uit de punten 125 tot en met 131 van de bestreden beschikking dat de vaststelling van de Commissie dat de Europese en de Japanse producenten de betrokken markt globaal hebben verdeeld in die zin dat de GGS-projecten in Japan aan de Japanse producenten en de GGS-projecten in Europa in beginsel aan de Europese producenten waren voorbehouden, was gebaseerd op de verklaringen van ABB en M. en die van Fuji en Hitachi, alsook op bijlage 2 van de EQ-overeenkomst.
44 Ten derde blijkt uit de punten 133 tot en met 138 van de bestreden beschikking dat de vaststelling van de Commissie dat de markten van de „landen van oorsprong” in Europa werden beschermd, in die zin dat de GGS-projecten in de landen waarin de Europese producenten traditioneel aanwezig waren automatisch aan hen waren voorbehouden, zonder dat dit krachtens de mededingingsregeling op de quota werd geïmputeerd, was gebaseerd op de verklaringen van ABB en M., op het document met de naam „Samenvatting van de besprekingen met JJC” en op de briefwisseling van 18 januari 1999.
45 Dus ook al zou de kritiek van verzoeksters op de twee door hen betwiste bewijzen gegrond zijn, zou dit geen afbreuk doen aan de vaststelling van de Commissie dat de mededingingsregeling tot gevolg had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt en de EER werd verhinderd, beperkt of vervalst.
46 Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het eerste middel te worden verworpen.
2. Tweede onderdeel: beoordelingsfouten met betrekking tot de duur van de gestelde inbreuk
47 Verzoeksters stellen dat de duur van de inbreuk in de bestreden beschikking onjuist is beoordeeld, waardoor deze te lang is ingeschat. De beoordelingsfouten hebben ten eerste betrekking op de datum waarop verzoeksters hun deelname aan de inbreuk hebben onderbroken, ten tweede op de datum waarop de door de vennootschappen van de VA Tech-groep gevormde onderneming (hierna: „onderneming VA Tech”) opnieuw aan de inbreuk heeft deelgenomen en, ten derde, op de datum waarop de inbreuk is beëindigd.
a) Datum waarop verzoeksters hun deelname aan de inbreuk hebben onderbroken
Argumenten van partijen
48 Verzoeksters stellen subsidiair ten opzichte van het eerste onderdeel van het eerste middel, volgens hetwelk de gestelde schending van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst niet is bewezen, dat de Commissie ten onrechte heeft vastgesteld dat zij hun deelname aan de inbreuk hebben onderbroken vanaf 13 december 2000, de datum waarop te Ville‑d’Avray (Frankrijk) een avond werd georganiseerd om te vieren dat het kartel was ontbonden, zoals de andere kartelleden haar hadden laten geloven, terwijl zij had moeten vaststellen dat zij hun deelname hebben onderbroken vanaf 16 juli 1998, de datum waarop het laatste in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde GGS-project in Europa is besproken, of ten laatste vanaf 12 oktober 2000, de datum waarop te Zurich (Zwitserland) een bijeenkomst is gehouden waarop zij van de zogenaamde ontbinding van het kartel op de hoogte zijn gebracht.
49 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
50 Vooraf zij opgemerkt dat niet wordt betwist dat Reyrolle, SEHV en Magrini hun deelname aan het kartel daadwerkelijk hebben onderbroken. De partijen zijn het daarentegen niet eens over de exacte datum waarop deze onderbreking heeft plaatsgevonden. Verzoeksters betwisten dat zij na 16 juli 1998, of ten laatste na 12 oktober 2000, nog aan het kartel hebben deelgenomen. De Commissie stelt dat Reyrolle, SEHV en Magrini hun deelname pas vanaf de „afscheidsavond” van 13 december 2000 hebben onderbroken.
51 Deze onenigheid doet de vraag rijzen wie ter zake de bewijslast draagt. Volgens verzoeksters moet de Commissie de duur van de inbreuk bewijzen, terwijl de Commissie stelt dat, wanneer zij eenmaal het bestaan van een onrechtmatige mededingingsregeling heeft aangetoond, deze regeling moet worden geacht voort te duren tot het bewijs van de beëindiging ervan is geleverd. Volgens haar dient dit bewijs te worden geleverd door de onderneming die aan deze mededingingsregeling heeft deelgenomen.
52 Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak dat enerzijds de partij of de autoriteit die een inbreuk op de mededingingsregels aanvoert het bewijs daarvan moet leveren door de feiten die een inbreuk opleveren rechtens genoegzaam te bewijzen, en anderzijds de onderneming die verweer voert tegen de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd, het bewijs moet leveren dat is voldaan aan de voorwaarden om dat verweer te laten gelden, in welk geval deze autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren (arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 50; zie eveneens in die zin arresten Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58, en 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 78).
53 In casu doet het feit dat verzoeksters in de zaken T‑123/07 en T‑124/07 als verweer de verjaring hebben aangevoerd, die in beginsel door hen dient te worden bewezen, niet af aan het feit dat de Commissie in beginsel het bewijs dient te leveren van alle constitutieve bestanddelen van de inbreuk, daaronder begrepen de duur ervan (zie in die zin arresten Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T‑43/92, Jurispr. blz. II‑441, punt 79; 13 december 2001, Acerinox/Commissie, T‑48/98, Jurispr. blz. II‑3859, punt 55, en 29 november 2005, Union Pigments/Commissie, T‑62/02, Jurispr. blz. II‑5057, punt 36), die haar uiteindelijke beslissing over de zwaarte van deze inbreuk kunnen beïnvloeden.
54 Een dergelijk verweermiddel houdt immers noodzakelijkerwijs in dat de duur van de inbreuk en de datum waarop deze is beëindigd, zijn vastgesteld. Deze omstandigheden kunnen op zich geen rechtvaardiging vormen voor een overdracht van de bewijslast ter zake op verzoeksters. Enerzijds vormt de duur van de inbreuk – een begrip dat veronderstelt dat de einddatum ervan bekend is – een van de wezenlijke bestanddelen van de inbreuk, waarvoor de bewijslast op de Commissie rust, ongeacht of deze bestanddelen ook worden betwist in het kader van het verweermiddel dat de verjaring is ingetreden. Anderzijds is deze conclusie gerechtvaardigd door het feit dat de voorwaarde dat het vervolgingsrecht van de Commissie niet is verjaard op grond van de bepalingen van verordening nr. 1/2003 inzake verjaring een objectief wettelijk criterium vormt dat voortvloeit uit het rechtszekerheidsbeginsel (zie in die zin arrest Gerecht van 6 oktober 2005, Sumitomo Chemical en Sumika Fine Chemicals/Commissie, T‑22/02 en T‑23/02, Jurispr. blz. II‑4065, punten 80‑82) en bijgevolg een geldigheidsvoorwaarde vormt voor elke beschikking waarbij een sanctie wordt opgelegd. De Commissie moet dit criterium immers in acht nemen zelfs wanneer de onderneming geen verweermiddel dienaangaande heeft aangevoerd (arrest Peróxidos Orgánicos/Commissie, aangehaald in punt 52, punt 52).
55 Deze verdeling van de bewijslast staat evenwel niet onveranderlijk vast, aangezien de door een partij aangevoerde feiten de andere partij kunnen verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij gebreke waarvan mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd (arrest Peróxidos Orgánicos/Commissie, aangehaald in punt 52, punt 53; zie eveneens in die zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 52, punt 79). Wanneer de Commissie met name, zoals in het onderhavige geval, heeft bewezen dat er sprake is van een overeenkomst, staat het aan de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen, om het bewijs te leveren dat zij zich daarvan hebben gedistantieerd, en dit bewijs moet getuigen van een duidelijke en aan de andere deelnemende ondernemingen kenbaar gemaakte wil om zich aan deze overeenkomst te onttrekken (arrest Gerecht van 27 september 2006, GlaxoSmithKline Services/Commissie, T‑168/01, Jurispr. blz. II‑2969, punt 86; zie eveneens in die zin arrest Hof van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, Jurispr. blz. I‑23, punt 63, en arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 52, punten 81‑84 ).
56 Tegen de achtergrond van deze beginselen dient in casu te worden nagegaan of de Commissie kon vaststellen dat verzoeksters hun deelname aan het kartel vanaf 13 december 2000 hebben onderbroken.
57 Uit de punten 188 tot en met 190 en 297 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie zich dienaangaande op de verklaringen van ABB, Areva en Schneider Electric heeft gebaseerd. Zo heeft ABB verklaard dat zij in overleg met Alstom had besloten om verzoeksters van het kartel uit te sluiten omdat hun quotum vrij hoog was in verhouding tot hun productiecapaciteit. Daartoe is op 13 december 2000 een bijeenkomst georganiseerd te Ville‑d’Avray, waarbij het kartel zogezegd werd beëindigd, terwijl het werd voortgezet tussen ABB, Alstom, Fuji, Melco en Toshiba. Voorts vermeldt de Commissie dat Areva en Schneider Electric hebben bevestigd dat deze bijeenkomst eind november of begin december 2000 heeft plaatsgevonden, maar dat Areva heeft betwist dat deze bijeenkomst tot doel had, bepaalde leden van het kartel uit te sluiten.
58 Verzoeksters betwisten dat zij hun deelname aan het kartel vanaf 13 december 2000 hebben onderbroken, en voeren dienaangaande twee argumenten aan. Ten eerste moet de datum van de onderbreking volgens hen worden vastgesteld op 16 juli 1998, de dag waarop het laatste in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde GGS-project in Europa is besproken. Ten tweede stellen zij, zoals zij in de procedure voor de Commissie hebben gedaan, dat op 12 oktober 2000 tijdens een bijeenkomst te Zurich was besloten om het kartel te beëindigen en dat de bijeenkomst van 13 december 2000 slechts een „afscheidsfeest” was, zonder dat de mededingingsregeling tussen deze twee data is voortgezet.
59 Wat het eerste argument betreft, moet het in de bestreden beschikking aan verzoeksters ten laste gelegde „gemeenschappelijk akkoord”, zoals hierboven in de punten 41 tot en met 45 is uiteengezet, voldoende bewezen worden geacht, zelfs indien de in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde lijst van GGS-projecten in Europa buiten beschouwing wordt gelaten. De omstandigheid dat de laatste bespreking over een in deze lijst genoemd GGS-project op 16 juli 1998 is gehouden kan dus geen bewijs vormen van het feit dat het kartel op deze datum heeft opgehouden te bestaan of dat verzoeksters hun deelname daaraan hebben stopgezet. Dit argument moet dus worden verworpen.
60 Wat het tweede argument betreft, blijkt uit de hierboven in punt 55 aangehaalde rechtspraak dat wanneer de Commissie, zoals in casu, heeft bewezen dat er sprake is van een overeenkomst, het aan de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen staat om het bewijs te leveren dat zij zich daarvan hebben gedistantieerd, en dat dit bewijs moet getuigen van een duidelijke en aan de andere deelnemende ondernemingen kenbaar gemaakte wil om zich aan deze overeenkomst te onttrekken.
61 Weliswaar dient het argument van verzoeksters te worden aanvaard dat de situatie waarin een lid van een kartel hiervan wordt uitgesloten door het samenspannen van de andere kartelleden, die voorwenden dat dit kartel is beëindigd, met een dergelijke uitdrukkelijke distantiëring dient te worden gelijkgesteld, maar aangezien de Commissie het bewijs van het bestaan van het „gemeenschappelijke akkoord” heeft geleverd, dienen verzoeksters te bewijzen dat de andere leden hen hebben laten geloven dat het kartel was beëindigd. En ook al zou de beëindiging van het kartel niet tijdens de bijeenkomst van 13 december 2000 als een „verrassing” zijn aangekondigd, maar reeds een bepaalde tijd daarvóór, wordt de door verzoeksters genoemde datum, 12 oktober 2000, door geen enkel bewijs gestaafd. Bij gebreke van enig bewijs met betrekking tot de datum waarop verzoeksters van het kartel zijn uitgesloten, kon de Commissie dus de datum waarop verzoeksters hun deelname aan het kartel hebben onderbroken op 13 december 2000 vaststellen, en dat zonder te hoeven bewijzen dat op die specifieke datum ongeoorloofde overeenkomsten zijn gesloten.
62 Bijgevolg dient de grief betreffende de datum waarop verzoeksters hun deelname aan de inbreuk hebben onderbroken, te worden verworpen.
b) Datum waarop de onderneming VA Tech opnieuw aan de inbreuk is gaan deelnemen
Argumenten van partijen
63 Volgens verzoeksters heeft de Commissie ten onrechte vastgesteld dat de onderneming VA Tech reeds op 1 april 2002 via VAS haar deelname aan de inbreuk heeft hervat. Deze onderneming was weliswaar reeds in de zomer van 2002 op de hoogte van het feit dat de mededingingsregeling werd voortgezet, maar zij had haar deelname toen nog niet hervat. Dat gebeurde pas op 9 oktober 2002, de datum van de bijeenkomst te Parijs (Frankrijk), waaraan een aantal van haar vertegenwoordigers hebben deelgenomen. Verzoeksters stellen dat hun eigen verklaringen dienaangaande door andere elementen van het dossier worden bevestigd. De onderneming VA Tech was met name niet vertegenwoordigd op de bijeenkomst te Frankfurt (Duitsland) van 10 juli 2002 en heeft ook niet deelgenomen aan overeenkomsten of aan overleg betreffende GGS-projecten waarvoor de inschrijvingstermijn in de periode van april tot oktober 2002 is verstreken. Hoe dan ook heeft de Commissie het ogenblik waarop de deelname aan de inbreuk werd hervat niet consequent vastgesteld, aangezien zij in het geval van Hitachi is uitgegaan van de datum van de eerste deelname aan een multilaterale bijeenkomst.
64 De Commissie wijst de argumenten van verzoeksters van de hand.
Beoordeling door het Gerecht
65 Zoals blijkt uit de punten 199, 203, 204 en 441 van de bestreden beschikking, heeft de Commissie haar conclusie dat de onderneming VA Tech ten laatste op 1 april 2002 opnieuw aan de mededingingsregeling is gaan deelnemen in wezen gebaseerd op de aanwijzingen die ABB heeft verstrekt in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar. ABB heeft daarin uitgelegd dat getuige M. zich herinnerde dat de onderneming VA Tech, na haar vertrek in 2000, in de loop van de eerste drie maanden van 2002 opnieuw aan de mededingingsregeling was gaan deelnemen. Bij gebreke van een exacte datum heeft de Commissie de datum vastgesteld op 1 april 2002, wat het gunstigste uitkwam voor deze onderneming. Volgens de Commissie is deze verklaring van ABB zeer geloofwaardig, aangezien zij slechts dankzij deze verklaring te weten is gekomen dat de onderneming VA Tech haar deelname aan het kartel gedurende enige tijd heeft onderbroken. In de mededeling van de punten van bezwaar was de Commissie er immers van uitgegaan dat de onderneming VA Tech zonder onderbreking aan de mededingingsregeling had deelgenomen. Voorts is de Commissie van mening dat deze verklaring wordt bevestigd door handgeschreven notities van Z., een werknemer van de VA Tech-groep, die in de kantoren van deze groep zijn gevonden tijdens de verificaties die in april 2004 ter plaatse zijn verricht.
66 Wat de notities van Z. betreft, wordt in punt 204 van de bestreden beschikking verwezen naar drie bladzijden waarin volgens de Commissie punten aan bod komen zoals de belangstelling die de VA Tech-groep had voor een GGS-project te Ravenna (Italië), de mogelijkheden om het prijsniveau vast te stellen, gesprekken met de Japanse producenten, een voor de maand juli geplande bijeenkomst waarop de GGS-projecten dienden te worden besproken en de stand van de besprekingen aan het einde van augustus 2002. Deze bladzijden vormen de bladzijden 2014, 2018 en 2024 van de processtukken van de Commissie.
67 De meeste notities van Z. bevatten geen verwijzing naar de datum waarop zij zijn opgesteld of naar het tijdstip van de daarin genoemde feiten. Bovendien kunnen geen conclusies worden getrokken uit de volgorde waarin de bladzijden in de processtukken van de Commissie zijn opgenomen, aangezien de volgorde van bepaalde bladzijden duidelijk is gewijzigd ten opzichte van de chronologische volgorde waarin zij zijn opgesteld. Met name is de volgorde van de bladzijden die zijn weergegeven op de bladzijden 2014 en 2015 van de processtukken van de Commissie omgedraaid, zoals blijkt uit bladzijde 2014, die zich rechts van bladzijde 2015 bevindt, en uit bladzijde 2016, die een verslag bevat van een bijeenkomst van de raad van bestuur van 27 juni 2002 en dus gedateerde gegevens zou kunnen bevatten, en die niet direct kan volgen op bladzijde 2014, aangezien het gaat om twee rechterbladzijden.
68 De enige betrouwbare informatie over de datum waarop de notities van Z. zijn opgesteld, is dus die welke kan worden afgeleid uit de weinige verwijzingen naar data die zich op een en dezelfde bladzijde bevinden waarop informatie staat waarop de Commissie zich baseert.
69 Ten eerste kan noch op basis van de in de bestreden beschikking geciteerde uittreksels uit de notities van Z., noch op basis van de uittreksels die de Commissie in haar antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht vermeldt, worden vastgesteld dat 1 april 2002 de datum is waarop de onderneming VA Tech opnieuw aan de mededingingsregeling is gaan deelnemen. Verzoeksters betwisten immers weliswaar niet dat deze notities in 2000 zijn opgesteld, maar zij verwijzen niet uitdrukkelijk naar 1 april en deze datum kan evenmin uit de inhoud van deze notities worden afgeleid.
70 Ten tweede bevatten de processtukken van de Commissie met name de vermeldingen „package bespreken met Jap. Zij hebben een reeks [i]nitiatieven genomen” en „in de praktijk 1 datum reserveren 1 juli om 1 package Gte Export met Jap. te bespreken”. Op basis van deze vermeldingen kan worden geconcludeerd dat de notities waarin deze staan vóór 1 juli 2002 en dus ten laatste in juni 2002 zijn opgesteld. Bij gebreke van een exacte datum moet dus overeenkomstig het beginsel „in dubio pro reo” 1 juli 2002 worden beschouwd als de datum waarop VA Tech haar deelname aan de mededingingsregeling heeft hervat.
71 Wat ten derde het voorwerp van het overleg tussen de producenten betreft, zij eraan herinnerd dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat de GGS-projecten tijdens de tweede fase van de inbreuk niet langer een voor een, maar per „pakket” werden besproken. Dit wordt niet betwist door verzoeksters. Voorts hebben verzoeksters niet betwist dat de mededingingsregeling tijdens deze tweede fase betrekking had op GGS-projecten binnen de EER. Het onderdeel van het eerste middel waarin verzoeksters betwisten dat de mededingingsregeling gevolgen heeft gehad binnen de gemeenschappelijke markt, heeft immers slechts betrekking op de eerste fase van hun deelname. Het feit dat in de hierboven in punt 70 genoemde notities geen sprake is van een GGS-project binnen de EER kan dus niet wegnemen dat verzoeksters vanaf hun terugkeer in het kartel in 2002 aan besprekingen over GGS-projecten binnen de EER hebben deelgenomen.
72 Bijgevolg moet de grief volgens welke de Commissie ten onrechte heeft vastgesteld dat verzoeksters reeds op 1 april 2002 hun deelname aan de mededingingsregeling hebben hervat, worden aanvaard.
c) Datum waarop de inbreuk is beëindigd
Argumenten van partijen
73 Verzoeksters stellen dat de Commissie ten onrechte heeft vastgesteld dat de inbreuk pas op 11 mei 2004 definitief is beëindigd, en niet uiterlijk op 21 januari 2004, de datum van de laatste bijeenkomst waarop GGS-projecten zijn besproken, zonder dat daarover een akkoord kon worden bereikt. Daarna begon het coördinatiesysteem in duigen te vallen en kwam op de bijeenkomsten enkel nog de vraag aan bod of de mededingingsregeling diende te worden voortgezet, naast enkele andere vragen die geen verband hielden met de mededingingsregels.
74 De Commissie betwist de stelling dat de mededingingsregeling uiterlijk op 21 januari 2004 en niet op 11 mei 2004 is beëindigd. De mededingingsregeling is na 21 januari 2004 voortgezet, aangezien ABB haar deelname pas in februari 2004 heeft stopgezet. Alleszins hadden de overeenkomsten gevolgen tot de bijeenkomst die volgde op het vertrek van ABB.
Beoordeling door het Gerecht
75 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak uit de tekst zelf van artikel 81, lid 1, EG volgt dat overeenkomsten tussen ondernemingen, ongeacht of zij al dan niet gevolgen hebben, verboden zijn, wanneer zij een mededingingsverstorend doel hebben (arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 123, en arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering/Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 181). Bijgevolg hoeven geen werkelijke mededingingsbeperkende gevolgen te worden bewezen wanneer het mededingingsbeperkende doel van de verweten gedragingen vaststaat (zie arrest Gerecht van 6 juli12000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 In casu heeft de Commissie zich primair gebaseerd op het mededingingsverstorende doel van de in artikel 1 van de bestreden beschikking genoemde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Zij heeft om te beginnen in de punten 303 en 304 van de bestreden beschikking vastgesteld dat alle beschreven overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot doel hadden de mededinging te beperken in de zin van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst en dat het in dergelijke omstandigheden voor de toepassing van deze bepalingen overbodig was om de concrete gevolgen van een overeenkomst in aanmerking te nemen, en daar vervolgens in punt 308 aan toegevoegd dat de uitvoering van een dergelijke overeenkomst naar haar aard de mededinging aanzienlijk verstoort. Wat de vaststelling van de geldboeten betreft, heeft de Commissie voorts in punt 477 van de bestreden beschikking uitdrukkelijk verklaard dat zij zich bij de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk niet op een specifieke weerslag heeft gebaseerd.
77 In de tweede plaats hebben de resterende leden van het kartel, zoals de Commissie in punt 215 van de bestreden beschikking op basis van de verklaringen van de VA Tech-groep heeft opgemerkt, zonder door Siemens te zijn tegengesproken, tijdens hun contacten en bijeenkomsten na het vertrek van ABB met name informatie uitgewisseld over de lopende aanbestedingsprocedures en gesproken over de positie van de ondernemingen die niet aan het kartel deelnamen, over de vraag of de contacten gehandhaafd of onderbroken moesten worden, alsook over veiligheidskwesties. Deze gespreksonderwerpen tonen aan dat de resterende kartelleden de intentie hadden de mededingingsregeling in de toekomst voort te zetten, of althans nog niet hadden besloten deze te beëindigen, ook al slaagden zij er dan niet in om een akkoord te bereiken over concrete projecten.
78 Aan deze interpretatie van de feiten wordt geen afbreuk gedaan door de door verzoeksters aangevoerde verklaringen van Hitachi over het einde van het kartel. Volgens verzoeksters heeft Hitachi met betrekking tot de bijeenkomst van 21 januari 2004 verklaard dat „[d]e partijen [...] alle voorstellen [hadden] afgewezen” en dat „de vergadering [...] vervolgens [werd] opgeheven”. Hitachi heeft hier in een andere verklaring uit afgeleid dat „[h]et nieuwe systeem [...] in duigen begon te vallen in januari 2004, toen de laatste werkvergadering plaatsvond waaraan ABB heeft deelgenomen”.
79 In de eerste plaats betekent het feit dat tijdens de bijeenkomst van 21 januari 2004 geen akkoord over de besproken GGS-projecten kon worden bereikt, nog niet dat het kartel op dat ogenblik heeft opgehouden te bestaan – ook al vormde deze mislukking volgens de latere beoordeling van Hitachi mogelijkerwijs het begin van het einde van het kartel. Uit de – door verzoeksters niet betwiste –onderwerpen die tijdens de latere bijeenkomsten ter sprake kwamen blijkt immers de wil om de mededingingsregeling zonder ABB voort te zetten. In de tweede plaats bevestigt de beoordeling van Hitachi dat het kartel in januari 2004 uiteen is beginnen te vallen enkel, voor zover dat al nodig zou zijn, dat het kartel in januari 2004 juist nog niet uiteen was gevallen.
80 In die omstandigheden hoefde de Commissie niet te bewijzen dat tijdens de bijeenkomsten die na die van 21 januari 2004 hebben plaatsgevonden nieuwe akkoorden over concrete GGS-projecten zijn gesloten, om te kunnen vaststellen dat de mededingingsregeling na die datum was voortgezet.
81 Verzoeksters hebben dus niet aangetoond dat de Commissie een beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat het kartel op 11 mei 2004 is beëindigd. Bijgevolg moet de grief die op deze beoordelingsfout is gebaseerd, worden verworpen.
82 Uit het bovenstaande volgt dat artikel 1 van de bestreden beschikking nietig moet worden verklaard, voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat verzoeksters in de periode van 1 april tot 30 juni 2002 een inbreuk hebben gepleegd. Voor het overige dient het onderdeel van het eerste middel volgens hetwelk de duur van de inbreuk onjuist is beoordeeld, te worden verworpen.
3. Verjaring van de inbreuk voor de periode vóór 16 juli 1998
a) Argumenten van partijen
83 Reyrolle, SEHV en Magrini zijn van mening dat voor de periode vóór 16 juli 1998 de verjaring is ingetreden, zodat daarvoor geen sanctie meer kan worden opgelegd. Volgens hen moet de verjaringstermijn van vijf jaar worden berekend vanaf 16 juli 1998 en hebben zij slechts gedurende één jaar en drie maanden aan het nieuwe systeem deelgenomen, zodat de op grond van de duur van de inbreuk toegepaste verhoging van het uitgangsbedrag tot 10 % dient te worden beperkt.
84 Reyrolle, SEHV en Magrini voegen hieraan toe dat de door de Commissie verdedigde stelling dat er sprake is van een voortdurende inbreuk voor hen niet opgaat, aangezien de door de rechtspraak gestelde voorwaarden, namelijk de objectieve voorwaarde dat de inbreuken niet zijn onderbroken, en de subjectieve voorwaarde dat de gedragingen van de betrokken ondernemingen op één algemene intentie gestoeld zijn, niet zijn vervuld.
85 De Commissie wijst deze argumenten van de hand.
b) Beoordeling door het Gerecht
86 Artikel 25, lid 1, sub b, van verordening nr. 1/2003 voorziet voor inbreuken zoals die welke aan verzoeksters ten laste worden gelegd, in een verjaringstermijn van vijf jaar. Volgens artikel 25, lid 3, eerste volzin, van deze verordening wordt de verjaring gestuit door elke handeling van de Commissie ter instructie of vervolging van de inbreuk.
87 In casu kan de verjaringsexceptie die Reyrolle, SEHV en Magrini met betrekking tot de eerste fase van de hun ten laste legde inbreuk opwerpen, slechts worden aanvaard indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet deze eerste fase uiterlijk op 10 mei 1999 beëindigd zijn, dat wil zeggen vijf jaar vóór de dag die voorafgaat aan de inspecties die de Commissie op 11 en 12 mei 2004 ter plaatse heeft verricht. Ten tweede mogen de twee fasen van de hun ten laste gelegde inbreuk geen deel uitmaken van één enkele voortdurende inbreuk in de zin van artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1/2003, aangezien de verjaringstermijn in dat geval pas ingaat op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
88 Zoals hierboven in de punten 57 tot en met 62 is uiteengezet, heeft de Commissie in de bestreden beschikking terecht vastgesteld dat de eerste fase van de aan Reyrolle, SEHV en Magrini ten laste gelegde inbreuk pas op 13 december 2000, dus na 10 mei 1999, is beëindigd. De verjaringsexceptie dient dan ook te worden verworpen.
89 Hoe dan ook is de tweede hierboven in punt 87 gestelde voorwaarde evenmin als de eerste voorwaarde vervuld. De Commissie heeft immers terecht vastgesteld dat de mededingingsregeling waaraan Reyrolle, SEHV en Magrini in 2002 hebben deelgenomen, in wezen dezelfde was als die waaraan zij tot in 2000 hebben deelgenomen.
90 De rechters van de Unie hebben verschillende criteria vastgesteld die relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van één enkele inbreuk, namelijk de vraag of de betrokken praktijken dezelfde doelstellingen nastreven (zie in die zin arrest Hof van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, Jurispr. blz. I‑8831, punten 170 en 171, en arresten Gerecht van 20 maart 2002, Dansk Rørindustri/Commissie, T‑21/99, Jurispr. blz. II‑1681, punt 67, en 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, Jurispr. blz. II‑3435, punt 312), of het gaat om dezelfde producten en diensten (zie in die zin arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 118, 119 en 124, en arrest Jungbunzlauer/Commissie, reeds aangehaald, punt 312), of dezelfde ondernemingen aan de inbreuk hebben deelgenomen (arrest Jungbunzlauer/Commissie, reeds aangehaald, punt 312) en of de uitvoeringswijze dezelfde is (arrest Dansk Rørindustri/Commissie, reeds aangehaald, punt 68). Andere relevante criteria zijn de vraag of dezelfde natuurlijke personen voor rekening van de ondernemingen optreden en de vraag of de betrokken praktijken hetzelfde gebied bestrijken.
91 In casu kan op basis van alle in het vorige punt genoemde criteria worden geconcludeerd dat de mededingingsregeling waaraan Reyrolle, SEHV en Magrini in 2002 hebben deelgenomen, in wezen dezelfde was als die waaraan zij tot in 2000 hebben deelgenomen.
92 In de eerste plaats werd immers gedurende de twee betrokken periodes hetzelfde doel nagestreefd, namelijk de marktaandelen van de kartelleden te stabiliseren, de wereldmarkt tussen de Japanse en de Europese producenten te verdelen – met name door de Europese markten aan de Europese producenten voor te behouden – en prijserosie te voorkomen.
93 In de tweede plaats is de wijze waarop de mededingingsregeling functioneerde over het algemeen ongewijzigd gebleven, ook al is zij in de loop der jaren geleidelijk aan geëvolueerd, met name naarmate het aantal kartelleden afnam ten gevolge van de concentratie die zich binnen de sector voltrok en de technische evolutie van de communicatiemiddelen. Zoals de Commissie in punt 280 van de bestreden beschikking heeft uiteengezet, zijn deze wijzigingen evenwel niet op een specifiek tijdstip tussen 2000 en 2002 doorgevoerd, maar geleidelijk aan. Voorts hebben deze wijzigingen niet wezenlijk ingegrepen in de wijze waarop het kartel functioneerde: de GGS-projecten werden tussen de kartelleden verdeeld op basis van door hen vastgestelde quota en door het manipuleren van aanbestedingen, en voor de niet-toegewezen GGS-projecten werden minimumprijzen vastgesteld.
94 Aan deze gedetailleerde vaststellingen van de Commissie betreffende de werking van het kartel, die verzoeksters niet in detail betwisten, wordt niet afgedaan door de algemene en niet omstandig toegelichte stelling dat „de coördinatie vanaf 2002 volgens een volledig nieuw systeem verliep”, wat met name zou blijken uit de verklaringen van werknemers van ABB. In de passages die verzoeksters in de zaken T‑123/07 en T‑124/07 hebben aangehaald en die uit hun context zijn gelicht, heeft de betrokken werknemer, Wi., immers in wezen verklaard dat zijn chef ten tijde van de feiten de ware omvang van de „samenwerking” met andere producenten van AIG voor hem verborgen had gehouden en dat de mededingingsregeling zoals die vanaf 2002 bestond, in dezelfde lijn lag als het kartel in de vorige fase.
95 In de derde plaats had de mededingingsregeling in de twee betrokken periodes betrekking op dezelfde markt, namelijk de markt voor projecten inzake GGS dat als losse onderdelen of in het kader van een kant-en-klaar opgeleverde elektriciteitsonderstation wordt geleverd.
96 In de vierde plaats zijn de ondernemingen die bij de mededingingsregeling betrokken waren en de verschillende vennootschappen die deel uitmaakten van deze ondernemingen, in wezen tijdens de gehele duur van de mededingingsregeling van 1988 tot 2004 dezelfde gebleven, gelet op de concentratie die zich in deze periode in de GGS-sector heeft voltrokken, afgezien van de tijdelijke afwezigheid van Siemens, VA Tech en Hitachi.
97 In de vijfde plaats werden de verschillende ondernemingen in 2000 en 2002 grotendeels door dezelfde personen vertegenwoordigd binnen het kartel, afgezien van een zeker normaal personeelsverloop binnen elke onderneming. De continuïteit op het gebied van de vertegenwoordiging wordt bevestigd door de verschillende lijsten van bijeenkomsten die in de stukken zijn opgenomen, met name door de lijst in bijlage I bij de bestreden beschikking, alsook door de in bijlage II bij de bestreden beschikking opgenomen lijst van medewerkers van de ondernemingen die actief waren in het kartel.
98 In de zesde plaats was het geografische toepassingsgebied van de mededingingsregeling in 2000 hetzelfde als in de periode van 2002 tot 2004. Dit gebied was sinds 1988 een beetje uitgebreid doordat de markten van de landen van Centraal‑ en Oost-Europa inmiddels toegankelijk waren geworden voor de kartelleden.
99 Bovendien toont het door de Commissie gestelde en door verzoeksters in de zaken T‑123/07 en T‑124/07 niet-betwiste feit dat de overige leden de mededingingsregeling zonder de tijdelijk afwezige ondernemingen hebben voortgezet en dat de inbreuk, die één enkele inbreuk vormde, dus objectief gezien zonder onderbreking werd voortgezet, eveneens aan dat het om één en dezelfde mededingingsregeling ging.
100 Wat ten slotte het subjectieve element betreft, volstaat het dat Reyrolle, SEHV en Magrini zich op het ogenblik waarop de onderneming VA Tech opnieuw aan de mededingingsregeling deelnam, bewust waren van het feit dat zij aan dezelfde mededingingsregeling deelnam als voordien. Dienaangaande zij opgemerkt dat een aantal van de werknemers die de onderneming VA Tech vanaf 2002 in het kartel vertegenwoordigden, reeds leidinggevende functies hadden binnen de vennootschappen die deel uitmaakten van deze groep voordat deze vennootschappen in 2000 hun deelname aan het kartel onderbraken. Zo hadden Z., V., C., B. en W., die worden genoemd in de lijst van deelnemers aan de verschillende bijeenkomsten die vanaf oktober 2002 hebben plaatsgevonden (zie bijlage I bij de bestreden beschikking), reeds vóór 2000 voor Reyrolle, SEHV, Magrini en Schneider Electric gewerkt (zie bijlage II bij de bestreden beschikking). Reyrolle, SEHV en Magrini konden dus niet onkundig zijn van het feit dat de factoren die bepalen dat sprake is van één enkele mededingingsregeling dezelfde waren gebleven. Anders dan verzoeksters in de zaken T‑123/07 en T‑124/07 stellen, wordt het subjectieve element dus niet uitgesloten door het feit dat zij in 2000 werden misleid door de andere kartelleden, die hen lieten geloven dat het kartel was ontbonden. Bepalend dienaangaande is immers niet de vraag hoe goed zij op de hoogte waren in 2000, maar wel hoe goed zij op de hoogte waren op het ogenblik waarop zij opnieuw aan de mededingingsregeling zijn gaan deelnemen.
101 De door Reyrolle, SEHV en Magrini opgeworpen verjaringsexceptie moet dus hoe dan ook worden verworpen op grond van het feit dat de twee fasen van de inbreuk die hun ten laste worden gelegd deel uitmaakten van één enkele voortdurende inbreuk.
102 Hieruit volgt dat het onderdeel van het eerste middel volgens hetwelk het eerste deel van de inbreuk die aan Reyrolle, SEHV en Magrini ten laste wordt gelegd, is verjaard, dient te worden verworpen.
4. Buitensporigheid van het bedrag van de opgelegde geldboeten
103 Ter ondersteuning van dit onderdeel voeren verzoeksters verschillende grieven aan: ten eerste is de bovengrens van 10 % van de omzet van Reyrolle, SEHV en Magrini overschreden, ten tweede is de individuele situatie van deze ondernemingen niet in aanmerking genomen, ten derde is het bedrag van de aan Siemens Österreich en KEG opgelegde geldboete buitensporig ten opzichte van die welke aan Reyrolle is opgelegd, ten vierde valt niet te begrijpen hoe de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen de verschillende verzoeksters is vastgesteld, ten vijfde heeft de Commissie ten onrechte Reyrolle naast haar moedermaatschappij aansprakelijk gesteld, ten zesde is het beginsel ne bis in idem geschonden in het geval van Siemens Österreich en KEG, en ten zevende is de geldboete van deze laatste ondernemingen niet verlaagd.
104 Met de eerste vier grieven wordt in wezen gesteld dat de Commissie het begrip onderneming in de zin van het communautaire mededingingsrecht onjuist heeft toegepast. In het kader van hun betoog ter ondersteuning van deze grieven verwijten verzoeksters de Commissie immers dat zij met het oog op de berekening van hun geldboeten een uitgangsbedrag op hen heeft toegepast dat op de totale omzet van de VA Tech-groep in 2005 en niet op hun afzonderlijke omzetcijfers is gebaseerd, en dat de bedragen die de verschillende ondernemingen van deze groep hoofdelijk dienen te betalen, op onbegrijpelijke wijze zijn vastgesteld. Bijgevolg moeten deze vier grieven samen worden behandeld voordat de andere grieven worden onderzocht.
a) De eerste vier grieven, volgens welke de Commissie in wezen het begrip onderneming in de zin van het communautaire mededingingsrecht onjuist heeft toegepast
Argumenten van partijen
105 Reyrolle, SEHV en Magrini verwijten de Commissie dat zij bij de berekening van hun geldboeten een uitgangsbedrag op hen heeft toegepast dat op de totale omzet van de VA Tech-groep ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking en niet op hun afzonderlijke omzetcijfers is gebaseerd.
106 Volgens Reyrolle, SEHV en Magrini spreekt de Commissie zich hiermee duidelijk tegen, aangezien zij in de bestreden beschikking meermaals te kennen heeft gegeven dat zij de dochterondernemingen van de VA Tech-groep „individueel aansprakelijk” wilde stellen voor de inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst. Voorts stellen Reyrolle, SEHV en Magrini dat de door de Commissie toegepaste berekeningsmethode ertoe leidt dat Reyrolle persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld voor het gedrag van SEHV en Magrini en omgekeerd, hoewel zij gedurende het grootste deel van de tijd dat de inbreuk geduurd heeft, namelijk in de periode van 15 april 1988 tot 13 december 2000, niet onderling verbonden waren. Een dergelijke „retroactieve gezamenlijke aansprakelijkheid” is in strijd met het beginsel dat de sanctie evenredig moet zijn aan de schuld, aangezien het economische gewicht van deze ondernemingen in het kartel hierdoor sterk overdreven wordt.
107 Verder stellen Reyrolle, SEHV en Magrini dat de Commissie in de bestreden beschikking het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond van 10 % niet in acht heeft genomen. In 2005 bedroeg de mondiale omzet van Reyrolle ongeveer 118 953 000 EUR, die van SEHV 222 034 242 EUR en die van Magrini 103 047 112 EUR, zodat de hun opgelegde geldboeten van 22 050 000 EUR buitensporig zijn.
108 Verder zijn Reyrolle, SEHV en Magrini van mening dat de door de Commissie voorgestelde berekeningswijze in strijd is met artikel 7, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), volgens hetwelk geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Volgens hen leidt het feit dat de Commissie bij de berekening van de geldboete het begrip economische eenheid retroactief toepast, tot een verzwaring van de sanctie.
109 Reyrolle voegt hieraan toe dat de Commissie rekening had moeten houden met haar beperkte macht om de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt aanzienlijke schade toe te brengen, hetzij door het basisbedrag van haar geldboete te verlagen, hetzij door verzachtende omstandigheden toe te passen. Haar activiteiten binnen de EER waren om technische redenen tijdens de gehele duur van de GQ-overeenkomst beperkt tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Haar mondiale omzet weerspiegelt dus niet correct haar macht om andere ondernemingen binnen de EER aanzienlijke schade toe te brengen, aangezien deze omzet een opgeblazen beeld geeft van haar concurrentiële gewicht op de gemeenschappelijke markt.
110 Siemens Österreich en KEG stellen dat het bedrag van de hun opgelegde geldboete niet evenredig is aan de aan Reyrolle opgelegde geldboete omdat de Commissie ervoor heeft geopteerd hun een geldboete op te leggen alsof zij in de periode van 1998 tot en met 2000 met SEHV en Magrini verbonden waren, waardoor hun economische gewicht in het kartel sterk overdreven werd.
111 Siemens Österreich en KEG voegen hieraan toe dat de geldboeten die aan moedermaatschappijen worden opgelegd wegens een door hun dochterondernemingen gepleegde inbreuk en die gebaseerd zijn op de beslissende invloed die zij op het commerciële gedrag van hun dochters uitoefenen, in beginsel niet zwaarder mogen zijn dan die welke aan deze dochters worden opgelegd. In casu is evenwel het bedrag van de hun opgelegde geldboete, afgemeten aan de duur van de hun toegerekende inbreuken, tweemaal hoger dan die van Reyrolle. Hun geldboete bedraagt namelijk 242 307 EUR per maand dat de inbreuk heeft geduurd, terwijl die van Reyrolle 124 576 EUR bedraagt per maand dat inbreuk heeft geduurd.
112 Volgens Siemens Österreich en KEG is de door de Commissie gekozen aanpak in strijd met het beginsel dat de sanctie moet overeenstemmen met de individuele bijdrage van de vennootschap aan de ten laste gelegde feiten en met het „schuldbeginsel” en maakt deze aanpak dus inbreuk op artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en artikel 7, lid 1, EVRM. Deze aanpak druist ook in tegen de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”). Bovendien is de Commissie er in haar verweerschrift ten onrechte en zonder enig bewijs van uitgegaan dat VA Technologie ten tijde van de overname van Reyrolle en de oprichting van VAS wist of had moeten weten dat Reyrolle aan de mededingingsregeling deelnam, hoewel VA Technologie „pas na de overname van Reyrolle tot de GGS-sector is doorgedrongen” en de voorafgaande audit die bij die gelegenheid is verricht (due diligence), geen kartelafspraken aan het licht heeft gebracht.
113 Siemens Österreich en KEG zijn van mening dat de Commissie eerst het bedrag van de geldboete had moeten berekenen die aan elke dochteronderneming van de VA Tech-groep diende te worden opgelegd, alvorens het bedrag van de hoofdelijk door de moedermaatschappijen te betalen geldboete te berekenen naar verhouding van de duur dat deze groep zeggenschap over elk van deze dochterondernemingen heeft uitgeoefend. Op basis van deze methode hadden de door de Commissie opgelegde geldboeten voor Reyrolle 720 000 EUR, voor SEHV 900 000 EUR en voor Magrini 360 000 EUR, dus in totaal 1 980 000 EUR moeten bedragen.
114 SEHV en Magrini stellen eveneens dat de geldboete van in totaal 22 050 000 EUR die hun in de bestreden beschikking is opgelegd, niet correct is verdeeld tussen de groep waarvan Schneider Electric de moedermaatschappij is (hierna: „Schneider-groep”), die opdraait voor 4 500 000 EUR, en de VA Tech-groep, die opdraait voor 17 550 000 EUR. Zij stellen dat de berekening die de Commissie kennelijk heeft verricht, er uiteindelijk toe leidt dat Schneider Electric slechts een zeer beperkte verantwoordelijkheid – van 40 % – draagt voor de periode waarin zij de exclusieve zeggenschap over hen had. De VA Tech-groep en Reyrolle worden daarentegen sterk benadeeld.
115 SEHV en Magrini voegen hieraan toe dat de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor Schneider Electric heeft vastgesteld op basis van de deelname in VAS. VA Technologie heeft evenwel verschillende activiteiten in VAS ondergebracht die geen verband houden met het kartel. Het in artikel 2, sub l‑i, van de bestreden beschikking vastgestelde bedrag dat SEHV, Magrini en Reyrolle hoofdelijk dienen te betalen is dan ook duidelijk buitensporig.
116 De Commissie stelt dat het bedrag van de geldboete in de bestreden beschikking is vastgesteld op een wijze die voldoet aan de in de rechtspraak vastgestelde criteria en, voor zover nodig, rekening houdt met de individuele situatie van Reyrolle, SEHV en Magrini.
117 Voorts is de Commissie van mening dat artikel 7 EVRM in casu niet rechtstreeks toepasselijk is. De bestreden beschikking is volgens haar ook niet in strijd met het verbod van terugwerkende kracht, noch met het beginsel „nulla poena sine lege”.
118 De Commissie wijst eveneens het argument van Reyrolle van de hand dat het uitgangsbedrag voor de berekening van haar geldboete buitensporig is doordat zij van de mondiale omzet van deze onderneming is uitgegaan. Wanneer een kartel bijna de gehele wereldmarkt bestrijkt, is zij gerechtigd om de mondiale omzet als aanwijzing van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking te nemen. Voorts merkt zij op dat geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht voorschrijft dat de sanctie evenredig is aan de duur van de inbreuk.
119 Voorts merkt de Commissie op dat Siemens Österreich en KEG niet stellen dat indien twee afzonderlijke geldboeten aan de VA Tech-groep zouden worden opgelegd voor het gedrag van Reyrolle, enerzijds, en SEHV en Magrini, anderzijds, de som ervan lager zou zijn dan de éne in de bestreden beschikking vastgestelde geldboete. Een beschikking kan evenwel slechts nietig worden verklaard indien de vermeende rekenfout daadwerkelijk bezwarend is voor de verzoeker.
120 Wat de vaststelling van de hoofdelijk te betalen bedragen betreft, stelt de Commissie dat deze grief niet-ontvankelijk is omdat SEHV en Magrini zich niet op de belangen van de gehele onderneming kunnen beroepen, aangezien zij niet rechtstreeks door deze vaststelling worden getroffen. Voorts is de Commissie van mening dat zij de berekening van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete voldoende heeft gemotiveerd. Volgens haar zou een verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid waarbij Schneider Electric een groter deel hiervan zou dragen, ook minder gunstig zijn voor de VA Tech-groep dan de door de Commissie verrichte verdeling, aangezien de totale aansprakelijkheid van deze groep hierdoor duidelijk zou toenemen.
121 Ten slotte heeft de Commissie in haar antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht en ter terechtzitting in wezen gesteld dat zij de hoofdelijk te betalen bedragen vrij kan vaststellen, aangezien de hoofdelijke aansprakelijkheid voordelig is voor de betrokken ondernemingen. Het feit dat Reyrolle, enerzijds, en SEHV en Magrini, anderzijds, als dochterondernemingen van de VA Tech-groep hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor een bedrag dat niet in verhouding staat tot de periode van hun gezamenlijke deelname aan het kartel, het feit dat geen sprake is van een bedrag dat Reyrolle alleen dient te dragen, ook al heeft zij vóór haar overname door VA Technologie gedurende tien jaar alleen aan het kartel deelgenomen, en zelfs het feit dat Siemens Österreich en KEG niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor een deel van de aan SEHV en Magrini opgelegde geldboete, levert dus geen onregelmatigheid op. Voorts mogen de aanwijzingen in punt 468 van de bestreden beschikking over de periodes van hoofdelijke aansprakelijkheid volgens de Commissie niet worden opgevat als een definitieve beslissing over de hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van een hoofdelijke schuld. Door in punt 468 vast te stellen dat Reyrolle persoonlijk aansprakelijk is voor de periode van 15 april 1988 tot 20 september 1998, heeft zij immers niet uitgesloten dat zij hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld om andere redenen dan het bestaan van een economische eenheid, aangezien voor deze periode enkel de hoofdelijke aansprakelijkheid met haar moedermaatschappijen is uitgesloten. Uiteindelijk kunnen de hoofdelijke schuldenaren het totale bedrag van de geldboete volledig vrij onder elkaar verdelen, wat een voordeel voor hen is.
Beoordeling door het Gerecht
– Beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties
122 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties aan een natuurlijke of rechtspersoon slechts een sanctie kan worden opgelegd voor feiten die hem individueel ten laste worden gelegd (arrest Gerecht van 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, T‑45/98 en T‑47/98, Jurispr. blz. II‑3757, punt 63). Dit beginsel geldt in elke administratieve procedure die tot sancties op grond van de communautaire mededingingsregels kan leiden (arrest Gerecht van 4 juli 2006, Hoek Loos/Commissie, T‑304/02, Jurispr. blz. II‑1887, punt 118). Dit beginsel moet evenwel in overeenstemming worden gebracht met het begrip onderneming in de zin van artikel 81 EG, zoals dit is uitgelegd door de rechtspraak. In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip onderneming in de zin van artikel 81 EG economische eenheden omvat die bestaan in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen die op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en ertoe kan bijdragen dat een in deze bepaling bedoelde inbreuk wordt gepleegd (zie arrest Gerecht van 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het communautaire mededingingsrecht erkent namelijk dat verschillende vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren, een economische eenheid en dus een onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, indien de dochterondernemingen van de groep niet zelfstandig hun marktgedrag bepalen (zie in die zin arrest Gerecht van 30 september 2003, Michelin/Commissie, T‑203/01, Jurispr. blz. II‑4071, punt 290).
123 Hieruit volgt dat de stelling van Siemens Österreich en KEG dat het feit dat een aan een inbreuk deelnemende onderneming uit verschillende vennootschappen bestaat niet tot gevolg heeft dat deze vennootschappen als één enkele deelnemer aan de inbreuk moeten worden behandeld, dient te worden verworpen. Deze stelling berust immers op een verwarring tussen het begrip onderneming en het begrip vennootschap en vindt geen steun in de door verzoeksters aangehaalde rechtspraak.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14, ECLI:EU:C:2016:446
- Gerecht EU 28 juni 2016, T-208/13, ECLI:EU:T:2016:368
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-337/17, ECLI:EU:T:2022:179
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, ECLI:EU:T:2015:514
- HvJ EU 16 juni 2016, C-154/14, ECLI:EU:C:2016:445
- Rb. Rotterdam 18 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6240
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-189/10, ECLI:EU:T:2015:504
- Gerecht EU 28 juni 2016, T-216/13, ECLI:EU:T:2016:369
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-485/11, ECLI:EU:T:2015:517