HvJ EU 16 juni 2016, C-154/14, ECLI:EU:C:2016:445

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

16 juni 2016 ( *1 )

„Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Artikel 81 EG — Markt van calciumcarbidepoeder en ‑granulaat en van magnesiumgranulaat in een belangrijk deel van de Europese Economische Ruimte — Vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van informatie — Verordening (EG) nr. 773/2004 — Artikelen 12 en 14 — Recht om te worden gehoord — Hoorzitting met gesloten deuren”

In zaak C‑154/14 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 2 april 2014,

SKW Stahl-Metallurgie GmbH, gevestigd te Unterneukirchen (Duitsland),

SKW Stahl-Metallurgie Holding AG, gevestigd te Unterneukirchen,

vertegenwoordigd door A. Birnstiel en S. Janka, Rechtsanwälte,

rekwirantes,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Meessen en R. Sauer als gemachtigden, bijgestaan door A. Böhlke, Rechtsanwalt,

verweerster in eerste aanleg,

Gigaset AG, voorheen Arques Industries AG, gevestigd te München (Duitsland),

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Šváby (rapporteur), A. Rosas, E. Juhász en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 mei 2015,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 september 2015,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening verzoeken SKW Stahl-Metallurgie GmbH (hierna: „SKW”) en SKW Stahl-Metallurgie Holding AG (hierna: „SKW Holding”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 23 januari 2014, SKW Stahl-Metallurgie Holding en SKW Stahl-Metallurgie/Commissie (T‑384/09, niet gepubliceerd, EU:T:2014:27; hierna: „bestreden arrest”). Bij dat arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen waarmee rekwirantes primair verzochten om nietigverklaring van beschikking C(2009) 5791 definitief van de Commissie van 22 juli 2009 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/39.396 – Calciumcarbide en op magnesium gebaseerde reagentia voor de staal‑ en gasindustrie) (hierna: „litigieuze beschikking”), voor zover deze beschikking hen betrof, en subsidiair om intrekking of verlaging van de geldboete die hun bij die beschikking was opgelegd.

Toepasselijke bepalingen

Verordening (EG) nr. 1/2003

2 Artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1) luidt als volgt: „De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG]; of b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een verbindend karakter is verleend, niet nakomen. Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden is de geldboete niet groter dan 10 % van de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt.”

Verordening (EG) nr. 773/2004

3 Artikel 12, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2004, L 123, blz. 18), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 622/2008 van de Commissie van 30 juni 2008 (PB 2008, L 171, blz. 3) (hierna: „verordening nr. 773/2004”), luidt: „De Commissie stelt de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar richt, in de gelegenheid tijdens een hoorzitting hun standpunt toe te lichten, indien zij in hun schriftelijke opmerkingen daarom verzoeken.”

4 Artikel 14 van deze verordening bepaalt in de leden 6 tot en met 8: „6. De hoorzitting is niet openbaar. Eenieder kan afzonderlijk of in aanwezigheid van andere opgeroepenen worden gehoord, met inachtneming van het rechtmatige belang van de ondernemingen bij de bescherming van hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens. 7. De raadadviseur-auditeur kan de partijen aan wie een mededeling van punten van bezwaar is gericht, de klagers, de op de hoorzitting uitgenodigde andere personen, de diensten van de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten toestaan vragen te stellen tijdens de hoorzitting. 8. De verklaringen van eenieder die wordt gehoord, worden geregistreerd. Op verzoek wordt de registratie van de hoorzitting ter beschikking gesteld van de personen die aan de hoorzitting deelnamen. Er wordt rekening gehouden met het rechtmatige belang van de partijen bij de bescherming van hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens.”

Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

5 Artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht luidt, in de versie die van toepassing is op het door rekwirantes ingestelde beroep tot nietigverklaring, als volgt: „Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Indien een partij tijdens de behandeling een nieuw middel voordraagt, als in de voorgaande alinea bedoeld, kan de president na het verstrijken van de normale procestermijnen, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, aan de wederpartij een termijn voor antwoord stellen. De beslissing over de ontvankelijkheid van het middel wordt aangehouden tot het eindarrest.”

Voorgeschiedenis van het geding

6 De relevante voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 2 tot en met 4, 24 tot en met 33, 43 en 63 van het bestreden arrest en kan als volgt worden samengevat.

7 De procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de litigieuze beschikking is ingeleid naar aanleiding van een op 20 november 2006 door Akzo Nobel NV ingediend immuniteitsverzoek in de zin van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3).

8 De Commissie heeft op 16 januari 2007 inspecties verricht, vanaf 11 juli 2007 verzoeken om inlichtingen gestuurd aan de ondernemingen die bij de procedure betrokken waren, en deze ondernemingen op 24 juni 2008 een mededeling van punten van bezwaar toegestuurd. Daarin heeft zij in het bijzonder SKW verweten van 22 april 2004 tot 16 januari 2007 te hebben deelgenomen aan een met 81 EG strijdig prijskartel op de markt van calciumcarbide en magnesium voor de staal‑ en gasindustrie in de Europese Economische Ruimte (EER), met uitzondering van Ierland, Spanje, Portugal en het Verenigd Koninkrijk. Aangezien Evonik Degussa GmbH (hierna: „Degussa”) en SKW Holding achtereenvolgens – direct of indirect – 100 % van het kapitaal van SKW in handen hebben gehad, heeft de Commissie in die mededeling van punten van bezwaar voorts ook aangegeven dat zij Degussa en SKW Holding aansprakelijk wilde stelde voor SKW’s gedrag, respectievelijk voor de periode van 22 april 2004 tot 30 augustus 2004 – de dag waarop SKW is overgedragen aan SKW Holding – en voor de periode van 30 augustus 2004 tot 16 januari 2007.

9 Rekwirantes hebben in hun schriftelijke opmerkingen van 6 oktober 2008, die zij in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar aan de Commissie hebben toegezonden, verzocht om op een hoorzitting toelichting te mogen verstrekken, met name bij hun betoog dat SKW Holding tijdens de inbreukperiode in werkelijkheid geen beslissende invloed op SKW uitoefende omdat Degussa beslissende invloed bleef uitoefenen op SKW, ook nadat SKW reeds aan SKW Holding was verkocht.

10 Bij e‑mail van 31 oktober 2008 hebben rekwirantes de raadadviseur-auditeur verzocht om achter gesloten deuren hun stelling te mogen toelichten dat Degussa invloed uitoefende op SKW. Tot staving van dit verzoek hebben zij betoogd dat SKW voor haar economisch voortbestaan afhing van Degussa, aangezien bijna alle calciumcarbide die zij verkocht haar werd geleverd door Degussa, alsook dat deze twee ondernemingen op dat moment onderhandelden over een nieuw leveringscontract. Zij hebben eraan toegevoegd dat, indien zij dit betoog in aanwezigheid van Degussa zouden uiteenzetten, de commerciële verhouding tussen Degussa en SKW ernstig in gevaar zou worden gebracht en dat Degussa als gevolg hiervan represailles zou kunnen nemen.

11 Op 5 november 2008 hebben rekwirantes de Commissie een nieuwe e‑mail gestuurd, waarin zij haar „een bruikbare oplossing” hebben gesuggereerd, namelijk dat aan Degussa toegang tot hun betoog achter gesloten deuren zou worden verleend na het einde van het jaar 2008 of nadat de twee betrokken ondernemingen een leveringscontract hadden afgesloten. Op 6 november 2008 hebben rekwirantes hun verzoek om een gedeelte van hun betoog op een hoorzitting met gesloten deuren te mogen toelichten nader gemotiveerd, hebben zij de inhoud van dat betoog gepreciseerd en hebben zij de door hen voorgestelde alternatieve oplossing herhaald.

12 Bij brief van 6 november 2008 heeft de raadadviseur-auditeur hun verzoek afgewezen. Om te beginnen heeft hij opgemerkt dat dit verzoek, strikt gezien, niet gebaseerd was op een rechtmatig belang bij de bescherming van zakengeheimen of andere vertrouwelijke gegevens. Hij heeft vervolgens aangegeven dat hij dit verzoek zou onderzoeken vanuit het oogpunt van rekwirantes’ recht om te worden gehoord. In dit verband heeft hij opgemerkt dat het aan de orde zijnde betoog van rekwirantes betrekking had op Degussa’s gedrag en dat de Commissie het slechts in aanmerking kon nemen als verzachtende omstandigheid nadat de bewijswaarde ervan was geverifieerd aan de hand van een vergelijking met een door Degussa af te leggen verklaring. Een hoorzitting met gesloten deuren zou Degussa bovendien het recht ontnemen om mondeling te antwoorden op rekwirantes’ verklaringen, die haar minstens indirect beschuldigen. Wat de door rekwirantes voorgestelde alternatieve oplossing betreft, heeft hij verklaard dat deze niet realiseerbaar was, aangezien zowel het ogenblik waarop de onderhandelingen tussen rekwirantes en Degussa zouden zijn afgelopen als het resultaat ervan onzeker waren.

13 Op 10 en 11 november 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

14 Bij brief van 28 januari 2009 hebben rekwirantes – na te hebben herinnerd aan hun verzoek dat bij de in punt 12 hierboven vermelde brief van de raadadviseur-auditeur was afgewezen – aangegeven dat de onderhandelingen tussen SKW en Degussa ondertussen tot de afsluiting van een nieuw leveringscontract hadden geleid, zodat er voor hen geen probleem meer was om het gedeelte van hun betoog inzake Degussa’s rol mondeling uiteen te zetten in aanwezigheid van deze laatste. Zij hebben vervolgens aan de raadadviseur-auditeur gevraagd om een nieuwe hoorzitting te organiseren, zodat zij de kans zouden krijgen om mondeling dat gedeelte van hun betoog, dat zij op de hoorzitting van 10 en 11 november 2008 niet hadden toegelicht, uiteen te zetten.

15 Bij brief van 3 februari 2009 heeft de raadadviseur-auditeur dat nieuwe verzoek afgewezen op grond dat het recht om te worden gehoord voortvloeide uit de mededeling van punten van bezwaar en er slechts eenmaal gebruik van kon worden gemaakt. De raadadviseur-auditeur heeft rekwirantes niettemin toegestaan om hun betoog inzake Degussa’s rol schriftelijk aan te vullen binnen een door hem gestelde termijn.

16 Bij artikel 1, onder f), van de litigieuze beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat SKW Holding aan de inbreuk had deelgenomen van 30 augustus 2004 tot 16 januari 2007 en dat SKW aan deze inbreuk had deelgenomen van 22 april 2004 tot 16 januari 2007. Wat SKW betreft, blijkt uit overweging 226 van deze beschikking dat de Commissie van mening was dat werknemers van deze onderneming tijdens de laatstbedoelde periode rechtstreeks betrokken waren geweest bij de afspraken en/of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen van het litigieuze kartel. Wat SKW Holding betreft, blijkt uit overweging 245 van de litigieuze beschikking dat deze onderneming van 30 augustus 2004 tot 16 januari 2007 het volledige kapitaal van SKW bezat. Om de in de overwegingen 245 tot en met 250 van deze beschikking uiteengezette redenen was de Commissie van mening dat zij deel uitmaakte van dezelfde economische eenheid als SKW en dat zij dus aansprakelijk kon worden gesteld voor de door SKW begane inbreuk op de mededingingsregels.

17 Bij artikel 2, onder f), van de litigieuze beschikking heeft de Commissie aan rekwirantes en aan Arques Industries AG, thans Gigaset AG, een boete van 13,3 miljoen EUR opgelegd voor hun deelname aan de litigieuze inbreuk van 30 augustus 2004 tot 16 januari 2007, en hen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze boete. Bovendien heeft zij bij artikel 2, onder g), van die beschikking een boete van 1,04 miljoen EUR opgelegd aan Degussa, AlzChem Hart GmbH en SKW met betrekking tot de periode van 22 april 2004 tot 30 augustus 2004, en hen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze boete.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 oktober 2009, hebben SKW Holding en SKW verzocht om nietigverklaring van de litigieuze beschikking, voor zover deze hen betrof, en subsidiair om intrekking of verlaging van de hun bij deze beschikking opgelegde geldboeten.

19 Tot staving van hun beroep hebben rekwirantes zes middelen aangevoerd. Zij betoogden ten eerste dat de Commissie hun recht om te worden gehoord had geschonden, ten tweede dat deze instelling artikel 81 EG onjuist had toegepast, ten derde dat zij de motiveringsplicht niet was nagekomen, ten vierde dat zij het gelijkheidsbeginsel had geschonden, ten vijfde dat zij de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 en de beginselen van evenredigheid en legaliteit van straffen had geschonden, en ten zesde dat zij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 had geschonden.

20 Het Gerecht heeft het beroep in zijn geheel verworpen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

21 SKW en SKW Holding verzoeken het Hof: — primair het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen voor zover hun vorderingen daarbij zijn afgewezen, en het in eerste aanleg gevorderde in zijn geheel toe te wijzen; — subsidiair, het bestreden arrest gedeeltelijk te vernietigen; — meer subsidiair, de hun bij artikel 2, onder f) en g), van de litigieuze beschikking opgelegde geldboeten ex aequo et bono te verlagen; — nog meer subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en — verweerster te verwijzen in de kosten.

22 De Commissie verzoekt het Hof: — de hogere voorziening af te wijzen; — rekwirantes te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

23 Ter onderbouwing van hun hogere voorziening voeren rekwirantes vier middelen aan.

24 Het eerste middel betreft schending van het recht om te worden gehoord, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel „dat bewijs niet voortijdig mag worden beoordeeld”. Het tweede middel ziet op schending van de artikelen 101 VWEU en 296 VWEU. Het derde middel betreft het feit dat de Commissie heeft nagelaten om aan te geven voor welk gedeelte van de geldboete elk van de hoofdelijke schuldenaren aansprakelijk is. Het vierde middel betreft in wezen schending van artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

Tweede middel, betreffende schending van de artikelen 101 VWEU en 296 VWEU

Argumenten van partijen

25 Met het eerste onderdeel van hun tweede middel, dat in de eerste plaats moet worden onderzocht, verwijten rekwirantes het Gerecht dat het artikel 101 VWEU heeft geschonden, aangezien het is tekortgeschoten in zijn uit punt 74 van het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C‑97/08 P, EU:C:2009:536), voortvloeiende verplichting om bij zijn onderzoek of SKW Holding aansprakelijk moest worden gesteld voor de gedragingen van SKW rekening te houden met alle relevante aspecten betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen beide ondernemingen.

26 Meer in het bijzonder verwijten zij het Gerecht onvoldoende rekening te hebben gehouden met de wezenlijke economische omstandigheden van de zaak, namelijk het feit dat SKW Holding geen economisch belang had bij het kartel, de aard van de verhoudingen tussen rekwirantes en Degussa en het feit dat Degussa – ook nadat zij SKW aan SKW Holding had verkocht – bleef beschikken over economische belangen in SKW en over mogelijkheden om SKW’s gedrag te controleren, wat volgens hen een belangrijke aanwijzing vormt van het feit dat Degussa beslissende invloed op SKW kon uitoefenen.

27 Met het tweede onderdeel van hun tweede middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht artikel 296 VWEU heeft geschonden, doordat het met name in de punten 117 tot en met 119 en 140 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Commissie ten onrechte niet had geantwoord op de argumenten die rekwirantes hadden aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat SKW’s gedrag niet aan SKW Holding kon worden toegerekend, maar de litigieuze beschikking toch niet nietig heeft verklaard, op grond dat de betrokken overwegingen van de litigieuze beschikking ten overvloede waren geformuleerd.

28 Volgens rekwirantes kunnen deze overwegingen evenwel niet worden geacht ten overvloede te zijn geformuleerd, aangezien zij verband houden met een omstandigheid die van wezenlijk belang is voor de algemene beoordeling van de door een moedermaatschappij op haar dochteronderneming uitgeoefende invloed.

29 Uit de manier waarop dit betoog is behandeld, blijkt volgens rekwirantes bovendien dat het Gerecht onvoldoende belang heeft gehecht aan het essentiële recht van ondernemingen om van de Commissie te verlangen dat zij voldoende aandacht schenkt aan de bewijzen à decharge die zij met het oog op de weerlegging van het vermoeden van beslissende invloed aanvoeren. Het is immers essentieel dat al deze bewijzen à decharge in hun volle omvang door de Commissie worden beoordeeld, zoals het Hof in het arrest van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie (C‑90/09 P, EU:C:2011:21), in herinnering heeft geroepen.

30 In casu had het Gerecht volgens rekwirantes moeten vaststellen dat de Commissie, die enkel in summiere bewoordingen heeft vermeld dat SKW Holding beslissende invloed op SKW uitoefende tijdens de periode van 30 augustus 2004 tot 16 januari 2007, nagelaten had om alle relevante aspecten betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen SKW en haar vroegere moedermaatschappij (Degussa) in aanmerking te nemen en in hun volle omvang te beoordelen.

31 De Commissie betoogt dat het tweede middel niet-ontvankelijk is, aangezien rekwirantes daarmee de beoordeling door het Gerecht van de overgelegde bewijzen betwisten. De Commissie voegt daaraan toe dat het middel hoe dan ook ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

32 Met het eerste onderdeel van hun tweede middel verwijten rekwirantes het Gerecht in wezen dat het onvoldoende rekening heeft gehouden met bepaalde feitelijke gegevens bij de beoordeling of SKW Holding beslissende invloed uitoefende op SKW en in het bijzonder of Degussa een economisch belang had behouden bij het besturen van haar vroegere dochteronderneming SKW.

33 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het Gerecht als enige bevoegd om de feiten vast te stellen en te beoordelen, en in beginsel ook om de bewijzen te onderzoeken die het tot staving van die feiten in aanmerking neemt. Wanneer deze bewijzen volgens de regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde aan de overgelegde bewijzen moet worden gehecht. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behalve in het geval waarin die bewijzen onjuist zijn opgevat (arrest van 9 juli 2015, InnoLux/Commissie, C‑231/14 P, EU:C:2015:451, punt 59en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 In casu moet worden vastgesteld dat rekwirantes enkel opkomen tegen de feitelijke beoordeling van het Gerecht betreffende de vraag of SKW Holding beslissende invloed heeft uitgeoefend op SKW, maar deze rechterlijke instantie niet verwijten de feiten te hebben verdraaid.

35 Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

36 Met het tweede onderdeel van hun tweede middel verwijten rekwirantes het Gerecht dat het artikel 296 VWEU heeft geschonden, aangezien het de litigieuze beschikking niet nietig heeft verklaard, hoewel de Commissie daarin niet heeft uiteengezet waarom de door rekwirantes aangedragen elementen volgens haar niet volstonden om het vermoeden te weerleggen dat SKW Holding beslissende invloed uitoefende op SKW.

37 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de vraag of het Gerecht terecht heeft geconcludeerd dat de Commissie niet is tekortgeschoten in haar motiveringsplicht, een rechtsvraag is die in het kader van een hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie in die zin arresten van 6 november 2008, Nederland/Commissie, C‑405/07 P, EU:C:2008:613, punt 44; 3 september 2009, Moser Baer India/Raad, C‑535/06 P, EU:C:2009:498, punt 34, en 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 108).

38 Derhalve is het tweede onderdeel van dit middel ontvankelijk.

39 Vooraf zij eraan herinnerd dat de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft. De motivering van een beslissing houdt immers in dat de gronden waarop deze beslissing berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten deze de inhoudelijke rechtmatigheid van de beslissing aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist. De grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van een handeling treffen derhalve geen doel in het kader van een middel betreffende schending van artikel 296 VWEU (arrest van 18 juni 2015, Ipatau/Raad, C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 In dat verband zij er ook aan herinnerd dat de door artikel 296, tweede alinea, VWEU vereiste motivering van een Uniehandeling weliswaar de redenering van degene die de bewuste handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, maar dat het niet noodzakelijk is dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, erin worden gespecificeerd. Bij de beantwoording van de vraag of de motiveringsplicht is nagekomen, moet overigens niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen van de handeling, maar ook op de context waarin zij is vastgesteld en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 70en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 In casu moet worden aangenomen dat het Gerecht de in de punten 39 en 40 hierboven in herinnering gebrachte beginselen correct heeft toegepast, voor zover het in de punten 139 tot en met 144 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Commissie niet is tekortgeschoten in de op haar rustende motiveringsplicht.

42 Uit de litigieuze beschikking blijkt immers dat de Commissie SKW Holding in overweging 245 daarvan aansprakelijk heeft gesteld voor SKW’s gedrag op grond dat SKW Holding het volledige kapitaal van SKW in handen had, en dat zij in overweging 246 van die beschikking heeft opgemerkt dat het vermoeden dat SKW Holding als gevolg van dit kapitaalbezit daadwerkelijk beslissende invloed op SKW uitoefende, steun vond in verschillende andere factoren.

43 Vervolgens heeft de Commissie in de overwegingen 247 tot en met 250 van de litigieuze beschikking elk van de argumenten afgewezen die rekwirantes, ter weerlegging van het vermoeden dat SKW Holding daadwerkelijk beslissende invloed op SKW had uitgeoefend, hadden aangevoerd in de schriftelijke opmerkingen die zij in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar hadden ingediend. Zo heeft de Commissie, in antwoord op het argument dat SKW Holding geen kennis had van de inbreuk, in overweging 247 van die beschikking verwezen naar de in overweging 224 van die beschikking reeds beknopt uiteengezette motivering, volgens welke de verwijzing naar de beslissende invloed die SKW Holding werd verondersteld te hebben uitgeoefend op SKW, niet aldus mocht worden begrepen dat haar verweten werd haar invloed te hebben gebruikt om haar dochteronderneming tot deelname aan de inbreuk aan te zetten, of deze invloed althans niet te hebben gebruikt om een dergelijke inbreuk te verhinderen. Het argument dat SKW Holding geen economisch belang had bij het betrokken kartel omdat zij als commercieel vertegenwoordiger voor Degussa optrad, heeft de Commissie in overweging 248 van de litigieuze beschikking afgewezen op basis van de bewoordingen van het in de overwegingen 28 en 31 van die beschikking bedoelde leverings‑ en dienstencontract, volgens hetwelk geen van de partijen voor rekening van de ander had onderhandeld. Wat het argument betreft dat de rol van SKW Holding in SKW beperkt bleef tot die van een zuiver financiële belegger, heeft de Commissie in overweging 250 van die beschikking verklaard dat dit argument, gelet op de in diezelfde beschikking aangehaalde rechtspraak van het Hof, het vermoeden dat SKW Holding daadwerkelijk beslissende invloed uitoefende op SKW, niet kon weerleggen.

44 Het Gerecht heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 145 van het bestreden arrest te constateren dat de Commissie aan haar motiveringsplicht had voldaan.

45 Het door rekwirantes aangevoerde feit dat de Commissie bij de vaststelling van de litigieuze beschikking geen rekening heeft gehouden met hun opmerkingen inzake een e‑mail van een personeelslid van SKW, waarnaar de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar had verwezen tot staving van haar stelling dat het personeel van SKW Holding op de hoogte was van het betrokken kartel, kan niet afdoen aan die conclusie.

46 Zoals het Gerecht in de punten 118, 119 en 140 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, volstaat dit feit immers niet om aan te nemen dat deze instelling de op haar rustende motiveringsplicht niet is nagekomen. De Commissie heeft haar conclusie dat SKW Holding daadwerkelijk beslissende invloed uitoefende op SKW’s marktgedrag namelijk ten eerste gebaseerd op het feit dat SKW Holding het volledige kapitaal van SKW in handen had en ten tweede op verschillende andere in overweging 246 van de litigieuze beschikking vermelde omstandigheden, die correct bleken te zijn en die op zich volstonden ter rechtvaardiging van de conclusie dat SKW Holding beslissende invloed uitoefende op SKW.

47 Gelet op een en ander moet het tweede middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Derde en vierde middel, betreffende respectievelijk het feit dat de Commissie heeft nagelaten om aan te geven voor welk gedeelte van de bij de litigieuze beschikking opgelegde geldboete elk van de hoofdelijke schuldenaren aansprakelijk is, en schending van artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

48 Met hun derde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht het beginsel dat sancties duidelijk moeten zijn en het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties heeft geschonden, aangezien het heeft nagelaten de litigieuze beschikking nietig te verklaren, hoewel de Commissie niet heeft aangegeven welk gedeelte van de hoofdelijke geldboete elk van de betrokken ondernemingen in de verhouding met haar hoofdelijke medeschuldenaren moet dragen, hetgeen in strijd is met de beginselen die zijn geformuleerd in de punten 153 en 164 van het arrest van 3 maart 2011, Siemens en VA Tech Transmission & Distribution/Commissie (T‑122/07–T‑124/07, EU:T:2011:70).

49 Met hun vierde middel, dat gericht is tegen de punten 126 tot en met 130 van het bestreden arrest, komen rekwirantes op tegen het oordeel van het Gerecht dat het op dit punt voor het Gerecht ontwikkelde betoog nieuw was en derhalve niet-ontvankelijk in de zin van artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, in de versie die van kracht was vóór 1 juli 2015.

50 Wat het derde middel betreft, heeft het Hof – in het kader van de hogere voorziening tegen het arrest van 3 maart 2011, Siemens en VA Tech Transmission & Distribution/Commissie (T‑122/07–T‑124/07, EU:T:2011:70), waarop rekwirantes zich beroepen – reeds geoordeeld dat de sanctiebevoegdheid van de Commissie niet de bevoegdheid omvat om te bepalen welk deel van de geldboete de verschillende hoofdelijke medeschuldenaars in het kader van hun wederzijdse verhoudingen moeten betalen. Het staat namelijk aan de nationale rechter om dit op grond van het nationale recht en met inachtneming van het Unierecht te bepalen (zie in die zin arrest van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a., C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punten 58 en 67).

51 Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het heeft nagelaten de litigieuze beschikking nietig te verklaren op grond dat de Commissie niet heeft bepaald welk aandeel van de geldboete de verschillende hoofdelijke medeschuldenaars in het kader van hun wederzijdse verhoudingen moeten betalen.

52 Het derde middel van de hogere voorziening moet dus ongegrond worden verklaard.

53 Gelet op een en ander kan het vierde middel van de hogere voorziening, waarmee rekwirantes het Gerecht verwijten dat het op grond van artikel 48, lid 2, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering hun betoog dat in de litigieuze beschikking niet was bepaald welk deel elk van de medeschuldenaars diende te betalen, niet-ontvankelijk heeft verklaard, hoe dan ook geen aanleiding geven tot vernietiging van het bestreden arrest, zodat het niet ter zake dienend moet worden verklaard.

Eerste middel, betreffende schending van het recht om te worden gehoord, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel „dat bewijs niet voortijdig mag worden beoordeeld ”

Argumenten van partijen

54 Met hun eerste middel, dat gericht is tegen de punten 35 tot en met 63 van het bestreden arrest, stellen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de weigering van de raadadviseur-auditeur om tijdens de administratieve procedure een hoorzitting met gesloten deuren te organiseren, geen schending opleverde van hun recht om te worden gehoord.

55 Zij betogen dat deze weigering een schending inhield van hun procedurele recht om zowel in hun stukken als mondeling tijdens een hoorzitting hun standpunt over de feiten naar behoren en volledig kenbaar te kunnen maken, welk recht hun reeds in het stadium van de administratieve procedure toekomt. De Commissie moet een verzoek om een hoorzitting met gesloten deuren te organiseren namelijk in het bijzonder inwilligen in gevallen als het onderhavige, waarin de betrokken onderneming de vaststelling ter discussie stelt dat zij beslissende invloed op haar dochteronderneming heeft uitgeoefend én het bestaan van deze onderneming in gevaar zou worden gebracht door een hoorzitting waarop ook andere – eveneens vervolgde – ondernemingen aanwezig zijn.

56 Rekwirantes zijn van mening dat het Gerecht, net als de Commissie, weliswaar terecht een afweging heeft gemaakt tussen de aan de orde zijnde belangen, te weten enerzijds het belang van de ondernemingen dat hun vertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt en anderzijds het belang van de andere ondernemingen dat zij zich kunnen verdedigen tegen eventuele belastende elementen, maar dat het deze belangen in casu op een totaal onevenredige manier heeft beoordeeld, in het nadeel van rekwirantes.

57 Zij betogen dat de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden indien zij in staat waren gesteld om op een hoorzitting met gesloten deuren hun betoog inzake Degussa’s rol uiteen te zetten, en dat het Gerecht de litigieuze beschikking daarom nietig had moeten verklaren.

58 Door in punt 53 van het bestreden arrest vast te stellen dat dit betoog rekwirantes niet kon ontslaan van hun aansprakelijkheid, heeft het Gerecht volgens hen „het beginsel dat bewijs niet voortijdig mag worden beoordeeld” geschonden en zich gebaseerd op onjuist bewijs, waardoor het de bewijswaarde van het voormelde betoog onjuist heeft beoordeeld.

59 De Commissie stelt dat dit middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover rekwirantes daarmee opkomen tegen de feitelijke vaststellingen van het Gerecht en zijn beoordeling van het bewijs, of in ieder geval ongegrond, daar rekwirantes tijdens de administratieve procedure voldoende gelegenheid hebben gehad om hun standpunt over Degussa’s rol in het kartel duidelijk te maken. In dit verband betoogt de Commissie ook dat zij iedere onderneming die zou kunnen worden beschuldigd op een hoorzitting moet toestaan om daaraan deel te nemen, zodat zij in staat is om kennis te nemen van de elementen op basis waarvan de Commissie aanvullende grieven tegen haar in aanmerking kan nemen en de mogelijkheid heeft zich te verweren.

Beoordeling door het Hof

60 Met het eerste middel van hun hogere voorziening verwijten rekwirantes het Gerecht dat het in punt 63 van het bestreden arrest tot de slotsom is gekomen dat de Commissie en de raadadviseur-auditeur bij de afwijzing van het verzoek tot organisatie van een hoorzitting met gesloten deuren afdoende rekening hebben gehouden met de noodzaak rekwirantes’ recht om te worden gehoord te eerbiedigen, rekening houdend met de elementen die deze laatsten op een dergelijke hoorzitting wilden uiteenzetten met betrekking tot de situatie van SKW ten opzichte van Degussa.

61 Om te beginnen betwisten rekwirantes, zoals blijkt uit punt 56 van het onderhavige arrest, niet de – tevens door het Gerecht in punt 39 van het bestreden arrest geformuleerde – vaststelling dat de raadadviseur-auditeur, wanneer hij moet uitmaken of het wenselijk is een hoorzitting met gesloten deuren te organiseren, de bescherming van de rechten van verdediging van de onderneming die wordt vervolgd wegens een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie moet verzoenen met het legitieme belang dat derden, personen of ondernemingen die informatie of stukken in verband met de vermeende inbreuk hebben verstrekt, hebben bij de bescherming van hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke informatie.

62 Zij bekritiseren in het kader van het onderhavige middel dus enkel de concrete wijze waarop het Gerecht de in casu aan de orde zijnde belangen heeft afgewogen.

63 Dienaangaande luidt punt 62 van het bestreden arrest als volgt: „Tot slot moet worden opgemerkt dat [rekwirantes] lijken voorbij te gaan aan het feit dat met betrekking tot hun betoog inzake de rol die Degussa in het kartel speelde na de overdracht van het volledige kapitaal van SKW en met betrekking tot hun verzoek om dat betoog verborgen te houden voor Degussa, een verzoening nodig was tussen de vereisten die uit [rekwirantes’] rechten van verdediging voortvloeien en die welke uit Degussa’s rechten van verdediging voortvloeien, alsook een afweging van de belangen van deze ondernemingen. Uit de in de punten 24 tot en met 32 [van het bestreden arrest] uiteengezette feiten blijkt dat de raadadviseur-auditeur die afweging slechts heeft verricht na [rekwirantes’] verklaringen over de inhoud van dit betoog en het vermeende belang ervan voor hun verdediging te hebben gehoord. Bovendien blijkt uit de hierboven uiteengezette overwegingen dat de raadadviseur-auditeur terecht heeft geconcludeerd dat het niet gerechtvaardigd was om voorrang te gegeven aan de bescherming van [rekwirantes’] rechten van verdediging en derhalve te aanvaarden dat Degussa’s rechten van verdediging eventueel werden geschonden. [...]”

64 Uit dit punt 62 van het bestreden arrest vloeit voort dat het Gerecht bij de afweging van de aan de orde zijnde belangen in wezen heeft aangenomen dat rekwirantes’ rechten van verdediging geen voorrang mochten krijgen op Degussa’s rechten van verdediging. In dit verband heeft het in de punten 58 en 59 van dat arrest vastgesteld dat Degussa’s rechten van verdediging enkel werden geëerbiedigd indien deze laatste in staat werd gesteld om op de hoorzitting meteen kennis te nemen van de beschuldigingen die rekwirantes tegen haar zouden kunnen inbrengen, en om er mondeling op te antwoorden.

65 Uit punt 55 van het bestreden arrest en uit de punten 9 en 10 van het onderhavige arrest volgt dat het betoog dat rekwirantes achter gesloten deuren wilden uiteenzetten, betrekking had op de rol die Degussa had gespeeld nadat zij SKW had verkocht aan SKW Holding. Degussa werd door de Commissie echter noch ten tijde van de hoorzitting, noch daarna vervolgd met betrekking tot die periode.

66 Bijgevolg moet worden geconstateerd dat de raadadviseur-auditeur bij zijn afwijzing van rekwirantes’ verzoek om een hoorzitting met gesloten deuren te organiseren, rekening heeft gehouden met Degussa’s rechten van verdediging, hoewel deze zich zelf daarop niet kon beroepen, aangezien zij niet bij de procedure met betrekking tot de desbetreffende periode betrokken was.

67 Het feit dat de Commissie, indien zij het verzoek om een hoorzitting met gesloten deuren had ingewilligd, Degussa vervolgens eventueel op grond van bepaalde aan haar meegedeelde gegevens aansprakelijk had kunnen stellen voor de betrokken inbreuk met betrekking tot een langere dan de aanvankelijk in aanmerking genomen periode, is irrelevant, aangezien de Commissie in een dergelijk geval hoe dan ook – zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie heeft opgemerkt – aan Degussa een aanvullende mededeling van punten van bezwaar had moeten richten waardoor deze onderneming in staat zou zijn gesteld om haar opmerkingen over deze gegevens te maken.

68 Derhalve heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en inbreuk gemaakt op rekwirantes’ recht om te worden gehoord door aan te nemen dat de raadadviseur-auditeur mocht weigeren om een hoorzitting met gesloten deuren te organiseren op grond dat een dergelijke hoorzitting Degussa’s rechten van verdediging zou hebben geschonden.

69 Niettemin is het vaste rechtspraak van het Hof dat een schending van de rechten van de verdediging slechts tot nietigverklaring van de bestreden handeling leidt, wanneer de procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben (zie in die zin arrest van 3 juli 2014, Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics, C‑129/13 en C‑130/13, EU:C:2014:2041, punt 79en aldaar aangehaalde rechtspraak), wat door de betrokken onderneming moet worden aangetoond (zie in die zin arrest van 29 juni 2006, SGL Carbon/Commissie, C‑308/04 P, EU:C:2006:433, punt 98).

70 In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 53 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat rekwirantes’ beweringen inzake de invloed die Degussa uitoefende op SKW’s gedrag, gesteld al dat zij juist waren, niet relevant waren ter beantwoording van de vraag of rekwirantes aansprakelijk waren voor de litigieuze inbreuk.

71 Rekwirantes betwisten deze vaststelling met het betoog dat, indien werd bewezen dat Degussa ook na de verkoop van SKW aan SKW Holding controle op SKW was blijven uitoefenen, dit wel degelijk de stelling zou ontkrachten dat SKW Holding beslissende invloed op SKW uitoefende, met name gelet op het feit dat SKW Holding slechts een financiële belegger van buiten de sector was, die een gespecialiseerd chemisch bedrijf had gekocht.

72 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Zoals in wezen uit de punten 43, 119 en 120 van het bestreden arrest blijkt, heeft het Gerecht in het kader van zijn beoordeling van de feiten vastgesteld dat SKW Holding hoe dan ook aansprakelijk kon worden gesteld voor de litigieuze inbreuk op grond van diverse omstandigheden, die volgens het Gerecht op zich volstonden om de conclusie te staven dat SKW Holding beslissende invloed uitoefende op SKW. Gelet op die vaststelling heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door met name in de punten 48, 49 en 52 van het bestreden arrest – waarnaar in punt 53 van dat arrest wordt verwezen – te concluderen dat SKW Holding ter betwisting van die aansprakelijkheidstoerekening moest aantonen dat zij zelf niet een dergelijke invloed uitoefende, zodat de vraag of een andere entiteit – zoals Degussa – beslissende invloed uitoefende irrelevant was.

73 Voorts kan rekwirantes’ betoog dat het Gerecht „het beginsel dat bewijs niet voortijdig mag worden beoordeeld” heeft geschonden, evenmin worden aanvaard. Het Gerecht heeft, door te constateren dat rekwirantes’ verklaringen inzake Degussa’s invloed op SKW’s gedrag – gesteld al dat deze juist waren – irrelevant waren ter beantwoording van de vraag of rekwirantes aansprakelijk waren voor de litigieuze inbreuk, de bewijzen immers niet voortijdig beoordeeld, maar enkel hun betoog inzake Degussa’s invloed op SKW’s gedrag afgewezen, waarbij zij ten gunste van rekwirantes heeft verondersteld dat het bewijs van deze invloed was geleverd.

74 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 214 tot en met 228 van het bestreden arrest – waarnaar in punt 56 van dat arrest wordt verwezen – geweigerd om het middel van rekwirantes toe te wijzen dat de Commissie ten onrechte had geweigerd om ten aanzien van hen verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen, die zij – zoals uit punt 53 van dat arrest blijkt – achter gesloten deuren wilden toelichten.

75 Rekwirantes hebben dus niet aangetoond dat de tegen hen gevoerde procedure zonder de begane onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben.

76 Daarenboven blijkt uit de punten 31, 33 en 62 van het bestreden arrest, waarvan de inhoud in punt 15 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat rekwirantes na de sluiting van een nieuw leveringscontract tussen SKW en Degussa, dat wil zeggen toen het voor hen geen probleem meer vormde om hun betoog inzake Degussa’s rol uiteen te zetten, de gelegenheid hebben gekregen om hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie in te dienen.

77 Hieruit volgt dat het eerste middel van de hogere voorziening dient te worden afgewezen.

78 Gelet op een en ander moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

79 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

80 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

81 Aangezien SKW en SKW Holding in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) SKW Stahl-Metallurgie GmbH en SKW Stahl-Metallurgie Holding AG worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in