Gerecht EU 6 juli 2010, T-342/07, ECLI:EU:T:2010:280

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑342/07

Ryanair Holdings plc

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Concentraties – Luchtvervoer – Beschikking waarbij concentratie onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Beoordeling van gevolgen van concentratie voor mededinging – Toetredingsdrempels – Efficiëntieverbeteringen – Verbintenissen”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Ontstaan of versterking van machtspositie – Prospectieve analyse

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad, art. 2, lid 3, en 8, lid 3)

2. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Verbintenissen van betrokken ondernemingen die aangemelde concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen maken – Verplichting van Commissie om concentratie, zoals gewijzigd door verbintenissen, te onderzoeken

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad)

3. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Economische beoordelingen – Beoordelingsvrijheid – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad, art. 2)

4. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Concentratie tussen twee luchtvaartmaatschappijen

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad)

5. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Ontstaan of versterking van machtspositie – Aanwijzingen – Grote marktaandelen – Concentratie tussen twee luchtvaartmaatschappijen

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad)

6. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Afbakening van relevante markt – Concentratie tussen twee luchtvaartmaatschappijen

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad)

7. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Criteria – Globale beoordeling – Beoordeling op grond van aanwijzingen

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad)

8. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Inaanmerkingneming van bestaande en potentiële mededinging – Bestaan van toetredingsdrempels

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad)

9. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Inaanmerkingneming van bestaande en potentiële mededinging – Bestaan van toetredingsdrempels

(Mededeling 2004/C 31/03 van de Commissie, punt 74)

10. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Ontstaan of versterking van machtspositie – Inaanmerkingneming van efficiëntieverbeteringen – Criteria – Cumulatieve voorwaarden

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad, punt 29 van de considerans; mededeling 2004/C 31/03 van de Commissie, punt 78)

11. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Ontstaan of versterking van machtspositie – Inaanmerkingneming van efficiëntieverbeteringen – Criteria – Verifieerbaarheid

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad; mededeling 2004/C 31/03 van de Commissie, punt 86)

12. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Ontstaan of versterking van machtspositie – Inaanmerkingneming van efficiëntieverbeteringen – Criteria – Specifiek resultaat van concentratie

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad; mededeling 2004/C 31/03 van de Commissie, punt 85)

13. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Ontstaan of versterking van machtspositie – Inaanmerkingneming van efficiëntieverbeteringen – Criteria – Voordeel voor consumenten

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad; mededeling 2004/C 31/03 van de Commissie, punten 79, 80 en 84)

14. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Verbintenissen van betrokken ondernemingen die aangemelde concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen maken – Inaanmerkingneming van na uiterste datum ingediende verbintenissen – Voorwaarden

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad, art. 2, lid 2, 6, lid 2, 8, lid 2, en 18, lid 3; mededeling van de Commissie betreffende op grond van verordeningen nrs. 4064/89 en 447/98 aanvaardbare corrigerende maatregelen, punt 43)

15. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Verbintenissen van betrokken ondernemingen die aangemelde concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen maken – Criteria

(Verordening nr. 139/2004 van de Raad)

1. Om een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren moet de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 3, van verordening nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen bewijzen dat de totstandbrenging van de aangemelde concentratie de daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze zou belemmeren, met name door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie.

Een dergelijke beschikking, die op basis van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 139/2004 wordt vastgesteld, berust op het resultaat van een door de Commissie verrichte prospectieve analyse. Deze prospectieve analyse bestaat in het onderzoek van de veranderingen die de aangemelde concentratie kan teweegbrengen in de factoren die de mededingingssituatie op een bepaalde markt bepalen, om na te gaan of die veranderingen zullen leiden tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging. Bij een dergelijke analyse moet worden onderzocht welke oorzaken welke gevolgen kunnen hebben, om uit te maken welke de meest waarschijnlijke scenario’s zijn.

(cf. punten 26‑27)

2. Indien de partijen bij een concentratie tijdens de administratieve procedure geldig verbintenissen hebben voorgesteld teneinde een beschikking te verkrijgen waarbij de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, is de Commissie verplicht de concentratie, zoals gewijzigd door deze verbintenissen, te onderzoeken. Het staat dus aan de Commissie om aan te tonen dat deze verbintenissen de concentratie, zoals gewijzigd, niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar maken.

(cf. punt 28)

3. De materieelrechtelijke voorschriften van verordening nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, inzonderheid artikel 2 ervan, geven de Commissie een zekere discretionaire bevoegdheid, met name voor economische beoordelingen. De rechter van de Europese Unie dient derhalve bij zijn toezicht op de uitoefening van die – voor de opstelling van regels voor concentraties essentiële – bevoegdheid rekening te houden met de beoordelingsmarge die in de economische normen van de concentratieregeling besloten ligt.

Dat de rechter van de Europese Unie de beoordelingsmarge van de Commissie in economische kwesties erkent, neemt niet weg dat hij de interpretatie van economische gegevens door de Commissie mag toetsen. Met name dient de rechter van de Unie immers niet alleen de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen, en de betrouwbaarheid en samenhang ervan te controleren, hij moet ook controleren of die elementen het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormen, en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen.

(cf. punten 29‑30)

4. Bij de analyse van de concurrentieverhouding tussen twee bij een concentratie betrokken luchtvaartmaatschappijen, waarvan de ene diensten tegen lage kosten en minimumprestaties aanbiedt en de andere middelmatige prestaties aanbiedt, kan de Commissie ervan uitgaan dat deze twee luchtvaartmaatschappijen, zelfs indien hun bedrijfskosten en de door hen gehanteerde prijzen verschillen, van alle concurrenten die op de verschillende bij de concentratie betrokken vliegroutes aanwezig zijn, „naaste concurrenten” zijn, aangezien hun bedrijfskosten en hun prijzen elkaar niet veel ontlopen, en zich onderscheiden van de op die routes aanwezige netwerkluchtvaartmaatschappijen.

Het feit dat de twee luchtvaartmaatschappijen dezelfde thuisbasis hebben, stelt hen met name in staat van vergelijkbare voordelen te profiteren, en kan dus steun bieden aan het oordeel dat de twee luchtvaartmaatschappijen „naaste concurrenten” zijn.

De Commissie kan zich ook beroepen op het bestaan van vergelijkbare systemen inzake rendementmanagement, op de controle van het concurrentiegedrag van de concurrenten, op de reacties van een van de partijen bij de concentratie op de aanbiedingen van de ander of op het volgen van het concurrentiegedrag van de ene partij door de andere. De Commissie kan deze factoren namelijk in aanmerking nemen in het kader van de bundel van aanwijzingen die zij voor de beoordeling van de mededingingssituatie gebruikt.

(cf. punten 35, 79, 83, 85, 94, 124, 133)

5. Ofschoon de betekenis van de marktaandelen van markt tot markt kan verschillen, mag ervan worden uitgegaan, dat zeer aanzienlijke marktaandelen, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, op zichzelf reeds het bewijs van een machtspositie leveren. Dat kan het geval zijn bij een marktaandeel van 50 % of meer.

Wanneer de Commissie vaststelt dat de totstandbrenging van een concentratie tot zeer hoge marktaandelen op een groot aantal betrokken markten en tot een hoge concentratiegraad zou leiden, doet zij de bewijslast geen geweld aan met de overweging dat die marktaandelen op zich het bewijs van een machtpositie vormen. Dat bewijs kan worden afgewezen indien sprake is van omstandigheden die een machtspositie ondanks de hoge marktaandelen zouden kunnen uitsluiten.

Wanneer het gaat om een concentratie tussen twee luchtvaartmaatschappijen, kan de Commissie aan de hand van een analyse van de gevolgen van de concentratie voor elke betrokken vliegroute beslissen dat de concentratie een daadwerkelijke mededinging aanzienlijk zou belemmeren als het resultaat van het in het leven roepen van een machtspositie op verschillende routes. Daar deze machtsposities monopolistisch, quasi-monopolistisch of zeer belangrijk zijn, volstaan zij voor de conclusie dat de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden verklaard, behoudens de analyse van eventuele verbintenissen en efficiëntieverbeteringen.

(cf. punten 41, 53‑56, 336, 383‑385, 445)

6. De Commissie overschrijdt de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet, wanneer zij voor het onderzoek van een concentratie tussen twee luchtvaartmaatschappijen de markten voor passagiersluchtvervoer afbakent op basis van vliegverbindingen tussen twee steden of groepen van vliegverbindingen, voor zover deze volgens de specifieke kenmerken van de concentratie substitueerbaar zijn, en wanneer zij verschillende criteria gebruikt om de substitueerbaarheid van de verbindingen te kenmerken, onder meer afstand en reistijd tussen de luchthavens, het geschatte aandeel vrijetijdspassagiers op een verbinding, het begrip „luchthavensysteem” en de handelspraktijken van een van de partijen bij de concentratie die met behulp van de techniek van de bundel van aanwijzingen worden geanalyseerd.

Een dergelijke techniek kan natuurlijk zowel positieve als negatieve elementen omvatten. De conclusie waartoe de Commissie komt, kan dus niet in twijfel worden getrokken enkel omdat uit de enquête een factor naar voren komt die deze conclusie niet steunt, terwijl deze naar behoren wordt vermeld en in de beschikking in aanmerking wordt genomen, zonder te zijn verdraaid.

Wat inzonderheid de afstand en de reistijd tussen de luchthavens betreft, kan de Commissie niet worden verweten dat zij een „regel” gebruikt waarvan zij het niet-exacte karakter uitdrukkelijk erkent, volgens welke het bedieningsgebied van een luchthaven kan worden gedefinieerd als het gebied dat op een afstand van 100 km of binnen 1 uur rijden van de luchthaven ligt, waarbij zij aangeeft dat het uitsluitend om een eerste representatieve variabele gaat en dat het bedieningsgebied wegens de specifieke kenmerken van elke betrokken luchthaven anders kan zijn.

Ook een empirische prijscorrelatie-analyse is een factor die weliswaar op zich niet bewijst dat twee luchthavens tot dezelfde markt behoren, maar samen met andere factoren een relevante factor vormt die de Commissie voor de afbakening van de relevante markten in aanmerking kan nemen.

(cf. punten 99, 102‑103, 108, 110, 112‑113, 115‑117, 119)

7. In het kader van de controle op concentraties kan de Commissie een bundel van aanwijzingen voor de beoordeling van de mededingingssituatie gebruiken en staat het aan haar om het resultaat van die bundel van aanwijzingen globaal te evalueren. Daarbij is het mogelijk dat bepaalde elementen prioriteit krijgen en dat andere buiten beschouwing worden gelaten. Er is in dit verband geen reden om een rangorde tussen „technische bewijselementen” en „niet-technische bewijselementen” aan te brengen. Het argument dat laatstgenoemde elementen niet in aanmerking kunnen worden genomen indien zij niet door „technische bewijselementen” worden gestaafd, kan niet worden aanvaard.

Dit onderzoek en de daarbij behorende motivering zijn onderworpen aan een rechtmatigheidstoetsing die het Gerecht op de beschikkingen van de Commissie op het gebied van concentraties uitoefent.

(cf. punten 133, 136)

8. Wanneer de Commissie, nadat zij de mededinging tussen de partijen bij de concentratie en de gevolgen van de concentratie voor die mededinging heeft beoordeeld en tot de conclusie is gekomen dat de uit de concentratie voortgekomen entiteit de mededinging tussen de partijen ten nadele van de klanten uitschakelt, de kwestie van de toetreding van nieuwe concurrenten tot de relevante markten onderzoekt, neemt zij als uitgangspunt de hypothese van een nieuwkomer die probeert toe te treden tot een markt waarop de uit de concentratie voortgekomen entiteit reeds aanwezig is. Zij onderzoekt dus of de toetreding van nieuwe concurrenten kan worden beschouwd als een toereikende concurrentiedruk om de potentiële de mededinging verstorende gevolgen van de transactie te voorkomen of te neutraliseren.

Om de analyse van de Commissie te betwisten, moet dus een toetredingsperspectief worden aangeduid dat de concreet vastgestelde de mededinging verstorende gevolgen compenseert. Bijgevolg is alleen de „dreiging” van een toetreding van een concurrent niet voldoende. Het argument dat het uitblijven van toetreding te verklaren is door de huidige efficiëntie van een van de partijen bij de concentratie op de betrokken routes en de tevredenheid van de klanten, die een nieuwkomer geen enkel uitzicht op rentabiliteit bieden, kan ook niet slagen.

Ook het argument dat een van de partijen bij de concentratie niet voornemens is, na de concentratie hogere prijzen toe te passen dan die welke het gevolg zijn van de werking van de mededinging, kan de analyse van de Commissie betreffende de toetredingsdrempels niet op losse schroeven zetten. Het onderscheid tussen de controle van concentraties en de controle van misbruik van een machtspositie is immers daarin gelegen dat marktstructuren en niet het gedrag van ondernemingen worden gecontroleerd. Met de concentratiecontrole wordt beoogd, op basis van een prospectieve analyse van de marktstructuren de totstandbrenging van een concentratie te voorkomen die een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze zou belemmeren, met name als het resultaat van het in het leven te roepen of versterken van een machtspositie. Voor prijzen is dus het relevante criterium, of de markttoetreding van een nieuwkomer kan voorkomen dat de prijzen boven het vóór de concentratie heersende niveau stijgen. Het prijscriterium is niet het enige dat in aanmerking kan worden genomen, omdat de totstandbrenging van de concentratie ook de beschikbare capaciteit, het aanbod of de kwaliteit van de diensten dan wel de innovatie kan beïnvloeden.

(cf. punten 237‑239, 248‑250, 279)

9. In het kader van de verenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt hangt de beoordeling van de toetredingsdrempels af van de kenmerken van de markt en van de mogelijkheden van de potentiële nieuwkomers. Met betrekking tot de tijdigheid heeft de Commissie in punt 74 van de richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies een termijn genoemd die normaliter niet meer dan twee jaar mag bedragen. Die termijn hangt echter van de onderzochte situatie af. De Commissie verstrekt in die richtsnoeren in elk geval slechts een analytisch kader dat door haar kan worden toegepast, verder worden uitgewerkt en verfijnd bij de behandeling van specifieke zaken.

(cf. punten 293‑295)

10. In punt 29 van de considerans van verordening nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, wordt verklaard dat het bij het vaststellen van de invloed van een concentratie op de mededinging in de gemeenschappelijke markt dienstig rekening is te houden met alle waarschijnlijke efficiëntieverbeteringen die de betrokken ondernemingen aannemelijk maken. Het is mogelijk dat de efficiëntieverbeteringen die de concentratie teweegbrengt, opwegen tegen de gevolgen voor de mededinging, in het bijzonder tegen de mogelijke schade voor de consumenten, die er anders uit zouden kunnen voortvloeien en dat de concentratie bijgevolg de daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan niet op significante wijze zou belemmeren, met name door een machtspositie in het leven te roepen of te versterken. In punt 78 van de door de Commissie vastgestelde richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies heet het: „Wil de Commissie in haar beoordeling van de fusie rekening kunnen houden met beweerde efficiëntieverbeteringen en tot de conclusie kunnen komen dat er dankzij die efficiëntieverbeteringen geen reden is om de fusie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren, moeten de verbeteringen ten goede komen aan de verbruikers, specifiek uit de fusie voortvloeien en verifieerbaar zijn.” Deze voorwaarden zijn cumulatief.

Het bewijs dat de gestelde efficiëntieverbeteringen de negatieve gevolgen kunnen compenseren die de concentratie voor anders de concurrentie zou kunnen hebben, rust op de aanmeldende partijen.

(cf. punten 386‑387, 412)

11. Uit punt 86 van de door de Commissie vastgestelde richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies blijkt dat efficiëntieverbeteringen verifieerbaar moeten zijn, zodat de Commissie redelijk zeker kan zijn dat de efficiëntieverbeteringen zich ook daadwerkelijk zullen voordoen, en substantieel genoeg moeten zijn om de potentiële schade tegen te gaan die de fusie kan meebrengen voor de verbruikers. Hoe nauwkeuriger en overtuigender de efficiëntieverbeteringen worden beschreven, hoe beter de Commissie de beweerde verbeteringen kan beoordelen. De efficiëntieverbeteringen en het daaruit voor de verbruikers voortvloeiende voordeel dienen, voor zover mogelijk, te worden gekwantificeerd, en indien de noodzakelijke gegevens niet voorhanden zijn om een nauwkeurige kwantitatieve analyse te maken, moeten duidelijk aanwijsbare – niet slechts marginale – positieve gevolgen voor de verbruikers te voorzien zijn.

De voorwaarde van verifieerbaarheid van de efficiëntieverbeteringen verlangt dus niet dat de aanmeldende partij gegevens die door een derde onafhankelijk kunnen worden geverifieerd, of documenten uit de tijd vóór de concentratie overlegt, aan de hand waarvan de omvang van de efficiëntieverbeteringen als gevolg van de overname objectief en onafhankelijk kan worden beoordeeld.

Uit die richtsnoeren blijkt namelijk dat het merendeel van de informatie op grond waarvan de Commissie de efficiëntieverbeteringen kan beoordelen, uitsluitend in handen is van de partijen bij de concentratie, en dat het dan ook aan de aanmeldende partijen staat om tijdig alle noodzakelijke informatie te verstrekken. De niet-limitatieve opsomming van het bewijsmateriaal dat dienstig is voor de beoordeling van efficiëntieverbeteringen, omvat verder bewijsmateriaal van allerlei aard zonder dat de nadruk wordt gelegd op de noodzaak dat dit onafhankelijk kan worden geverifieerd, of dat het uit de tijd vóór de concentratie dateert.

Een bij een concentratie betrokken onderneming mag de Commissie dus haar eigen gegevens over de van de concentratie verwachte efficiëntieverbeteringen verstrekken, zonder dat zij zich moet verlaten op een beoordeling die door een derde onafhankelijk kan worden geverifieerd of vóór de aankondiging van de concentratie is uitgevoerd. In het bedrijfsleven is de tijdige overlegging van dergelijke documenten niet altijd mogelijk, en inzonderheid de door een onderneming gebruikte documenten om een openbaar overnamebod in te leiden kunnen, ongeacht of zij van deze onderneming of van haar adviseurs afkomstig zijn, naar de aard ervan een zekere relevantie voor de onderbouwing van de inhoud van de stellingen met betrekking tot de efficiëntieverbeteringen hebben.

(cf. punten 406‑408, 410)

12. Blijkens punt 85 van de door de Commissie vastgestelde richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies zijn efficiëntieverbeteringen relevant voor de beoordeling van een fusie uit mededingingsoogpunt wanneer zij een direct resultaat zijn van de aangemelde fusie en niet in dezelfde mate kunnen worden bereikt met praktijken die de mededinging minder verstoren. In dat geval is de Commissie van mening dat de efficiëntieverbeteringen door de concentratie zijn veroorzaakt en dus een specifiek resultaat van de concentratie zijn. Het staat aan de partijen bij de concentratie om tijdig alle relevante informatie te verstrekken die noodzakelijk is om aan te tonen dat er geen minder de mededinging verstorende, realistische en haalbare alternatieven dan de aangemelde concentratie zijn. De Commissie neemt alleen alternatieven in aanmerking die, gelet op de vaste commerciële gebruiken in de betrokken bedrijfstak, praktisch realiseerbaar zijn in de commerciële context waarin de partijen bij de concentratie zich bevinden.

(cf. punt 427)

13. Met betrekking tot het voordeel voor de consumenten volgt uit de door de Commissie vastgestelde richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies, dat de te hanteren toetssteen bij de beoordeling van beweerde efficiëntieverbeteringen is dat de verbruikers niet slechter af mogen zijn ten gevolge van de concentratie. Daarom moeten de efficiëntieverbeteringen substantieel en tijdig zijn en in beginsel de verbruikers ten goede komen op die relevante markten waar anders waarschijnlijk mededingingsproblemen zouden ontstaan. Concentraties kunnen verschillende soorten efficiëntieverbeteringen meebrengen, die kunnen leiden tot lagere prijzen of andere voordelen voor verbruikers. Zo kunnen kostenbesparingen in de productie of distributie de uit de concentratie voortgekomen entiteit bijvoorbeeld de mogelijkheid en de prikkel geven om na de concentratie lagere prijzen te berekenen. In het kader van de noodzaak vast te stellen of de efficiëntieverbeteringen de verbruikers een netto voordeel opleveren, zullen kostenbesparingen die resulteren in verlagingen van variabele of marginale kosten waarschijnlijk relevanter zijn voor de beoordeling van de efficiëntieverbeteringen dan verlagingen van vaste kosten; de kans dat het eerste soort kosten resulteert in lagere prijzen voor de verbruiker is immers groter. Kostenverlagingen die uitsluitend het gevolg zijn van de mededinging verstorende productiebeperkingen, kunnen niet worden beschouwd als efficiëntieverbeteringen die de verbruiker ten goede komen.

Verder is de prikkel voor de uit de concentratie voortgekomen entiteit om efficiëntieverbeteringen door te geven aan de verbruikers vaak gerelateerd aan het bestaan van concurrentiedruk die uitgaat van de op de markt overblijvende ondernemingen en van potentiële nieuwkomers op de markt. Hoe groter de mogelijke negatieve mededingingseffecten zijn, des te meer moet de Commissie zeker zijn dat de beweerde efficiëntieverbeteringen substantieel zijn, naar alle waarschijnlijkheid tot stand zullen worden gebracht, en in voldoende mate aan de verbruikers zullen worden doorgegeven. Dienaangaande wordt in de richtsnoeren verklaard dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een concentratie die leidt tot een marktpositie welke die van een monopolie benadert, of tot een soortgelijk niveau van marktmacht, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar kan worden verklaard op grond van het feit dat de efficiëntieverbeteringen mogelijke de mededinging beperkende gevolgen tegengaan.

(cf. punten 434‑436)

14. In het kader van de concentratiecontrole kunnen de betrokken ondernemingen verbintenissen aanbieden aan de Commissie teneinde een beslissing te verkrijgen waarin wordt vastgesteld dat hun concentratie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is. Afhankelijk van de staat van voortgang van de administratieve procedure moeten de voorgestelde verbintenissen de Commissie in staat stellen om ofwel tot het oordeel te komen dat de aangemelde concentratie in het stadium van het voorafgaande onderzoek geen twijfels meer doet rijzen over haar verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, ofwel tegemoet te komen aan de bezwaren die in het kader van het diepgaande onderzoek zijn geuit. Deze verbintenissen moeten dus in eerste instantie de inleiding van het diepgaand onderzoek voorkomen of daarna voorkomen dat een beschikking wordt vastgesteld waarbij de concentratie met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar wordt verklaard. Op grond van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen kan de Commissie immers aan een beschikking waarbij een concentratie in overeenstemming met de maatstaf van artikel 2, lid 2, van deze verordening met de gemeenschappelijke markt verenigbaar wordt verklaard, voorwaarden en verplichtingen verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de door hen ten opzichte van haar aangegane verbintenissen, bedoeld om de concentratie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te maken, nakomen.

Gelet op zowel de omvangrijke financiële belangen en de industriële of commerciële inzet die aan dit type van operatie eigen is, als de bevoegdheden waarover de Commissie op dit gebied beschikt, is het in het belang van de betrokken ondernemingen om de taak van de administratie te vergemakkelijken. Om diezelfde redenen is de Commissie ook verplicht de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten bij de vervulling van haar taak op het gebied van concentratiecontrole.

Met betrekking tot te laat voorgestelde verbintenissen volgt uit de mededeling van de Commissie betreffende op grond van verordening nr. 4064/89 en verordening nr. 447/98 aanvaardbare corrigerende maatregelen, waarvan de Commissie de oplossingen met betrekking tot verordening nr. 139/2004 en verordening nr. 802/2004 kan overnemen, dat de partijen bij een aangemelde concentratie mogen verwachten dat dergelijke verbintenissen in aanmerking worden genomen, op voorwaarde dat, in de eerste plaats, die verbintenissen, zonder dat nader onderzoek nodig is, duidelijk een oplossing voor de eerder vastgestelde mededingingsproblemen bieden, en in de tweede plaats, er voldoende tijd is voor overleg met de lidstaten over die verbintenissen.

(cf. punten 448‑451, 455)

15. In het kader van verordening nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen is de Commissie slechts bevoegd, verbintenissen te aanvaarden die geschikt zijn om de aangemelde concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te maken. Daarbij voldoen door de partijen bij de concentratie aangeboden verbintenissen slechts aan dat criterium, voor zover de Commissie met zekerheid kan concluderen dat de uitvoering ervan mogelijk is en dat de daaruit voortvloeiende oplossingen voldoende levensvatbaar en duurzaam zijn om zeker te zijn dat het in de betrekkelijk nabije toekomst niet komt tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie of van de belemmeringen voor een daadwerkelijke mededinging, die de verbintenissen beogen te voorkomen.

(cf. punten 452‑453)

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

6 juli 2010 (*)

„Mededinging – Concentraties – Luchtvervoer – Beschikking waarbij concentratie onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Beoordeling van gevolgen van concentratie voor mededinging – Toetredingsdrempels – Efficiëntieverbeteringen – Verbintenissen”

In zaak T‑342/07,

Ryanair Holdings plc, gevestigd te Dublin (Ierland), vertegenwoordigd door J. Swift, QC, V. Power, A. McCarthy en D. Hull, solicitors, en G. Berrisch, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door X. Lewis en S. Noë als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Aer Lingus Group plc, gevestigd te Dublin, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Burnside, solicitor, B. van de Walle de Ghelcke en T. Snels, advocaten, vervolgens door M. Burnside en B. van de Walle de Ghelcke,

en door

Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan en J. Buttimore als gemachtigden, bijgestaan door M. Cush, D. Barniville en N. Travers, advocaten,

interveniënten,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 3104 van de Commissie van 27 juni 2007 waarbij een concentratie als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-Overeenkomst wordt verklaard (Zaak COMP/M.4439 – Ryanair/Aer Lingus),

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, E. Cremona en S. Frimodt Nielsen (rapporteur), rechters,

griffier: C. Kantza, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 juli 2009,

het navolgende

Arrest

Feiten van het geding

A – Partijen

1 Ryanair Holdings plc (hierna: „verzoekster” of „Ryanair”) is een beursgenoteerde vennootschap die in 2006 een vloot van 120 vliegtuigen had (los van de 161 bestelde vliegtuigen die in de komende zes jaar worden geleverd). Deze vliegtuigen verzorgden destijds lijnvluchten naar meer dan 400 bestemmingen in 40 landen, waaronder 75 verbindingen tussen Ierland (hoofdzakelijk vanaf de luchthaven Dublin, maar ook die van Shannon, Cork, Kerry en Knock) en andere Europese landen.

2 Aer Lingus Group plc is een naamloze vennootschap naar Iers recht. Nadat zij in 2006 door de Ierse regering was geprivatiseerd, heeft de Staat 25,35 % van het kapitaal behouden en op 2 oktober 2006 zijn de aandelen van Aer Lingus Group aan de beurs genoteerd. Aer Lingus Group is de houdstermaatschappij van Aer Lingus Ltd (hierna tezamen: „Aer Lingus”), een in Ierland gebaseerde luchtvaartmaatschappij die lijnvluchten van of naar de luchthavens van Dublin, Cork en Shannon aanbiedt. Aer Lingus exploiteerde in 2006 een korteafstandsnetwerk op 70 routes tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk en de andere lidstaten met een vloot van 28 vliegtuigen (waarbij in 2007 nog eens 32 toestellen zouden komen). Met haar vloot van 7 langeafstandsvliegtuigen (die eind 2007 uit 9 langeafstandsvliegtuigen zou bestaan) kon zij op meerdere bestemmingen in de Verenigde Staten en Dubai vliegen.

B – Administratieve procedure

3 Op 5 oktober 2006 heeft Ryanair aangekondigd dat zij voornemens was, een openbaar overnamebod op het volledige aandelenkapitaal van Aer Lingus Group uit te brengen. Dit openbaar bod is op 23 oktober 2006 uitgebracht.

4 De concentratie is op 30 oktober 2006 bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemeld.

5 Bij beschikking van 20 december 2006 was de Commissie van mening dat ernstige twijfel bestond over de verenigbaarheid van de concentratie met de gemeenschappelijke markt, en heeft zij besloten de grondige onderzoeksprocedure in te leiden overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24, blz. 1; hierna: „concentratieverordening”).

6 Op 27 maart 2007 is overeenkomstig artikel 18 van de concentratieverordening een mededeling van punten van bezwaar aan Ryanair gezonden, waarop laatstgenoemde op 17 april 2007 heeft geantwoord.

7 Bij beschikking C(2007) 3104 van 27 juni 2007 heeft de Commissie de aangemelde concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard (Zaak COMP/M.4439 – Ryanair/Aer Lingus) (hierna: „bestreden beschikking”).

C – Inhoud van de bestreden beschikking

8 Nadat de Commissie eraan had herinnerd dat de aangemelde concentratie een communautaire dimensie had (punten 3 en 4 van de bestreden beschikking), heeft zij uiteengezet welke middelen zij bij het onderzoek heeft gebruikt (punt 5 van de bestreden beschikking). Zij heeft erop gewezen dat voor dit onderzoek vele verzoeken om inlichtingen op grond van artikel 11 van de concentratieverordening hadden moeten worden verzonden, onder meer aan andere lijndienstmaatschappijen, chartermaatschappijen, luchthavens en zakelijke klanten, en dat de slotcoördinatoren, de burgerluchtvaartautoriteiten en de vervoersautoriteiten hadden moeten worden gecontacteerd. De Commissie heeft een prijscorrelatieanalyse verricht om de relevante markten af te bakenen (afdeling 6.3 van en bijlage III bij de bestreden beschikking) en een onafhankelijk adviesbureau opgedragen een klantenonderzoek op de luchthaven Dublin uit te voeren (afdeling 7.3.5 van en bijlagen I en II bij de bestreden beschikking). Zij heeft ook de door Ryanair en Aer Lingus voorgelegde econometrische opmerkingen onderzocht en twee reeksen van regressieanalyses verricht om de waarschijnlijke gevolgen van de concentratie empirisch te testen (afdeling 7.4.3 van en bijlage IV bij de bestreden beschikking).

1. Relevante markten

9 Met betrekking tot de afbakening van de relevante markten (afdeling 6 van de bestreden beschikking) heeft de Commissie opgemerkt dat Ryanair en Aer Lingus allebei personenvervoer met lijnvluchten in Europa aanbieden. Overeenkomstig haar praktijk heeft de Commissie voornamelijk de substitueerbaarheid aan de vraagzijde onderzocht. Zij heeft de markten afgebakend op basis van de benadering „punt van vertrek – punt van bestemming”, „V&B-benadering”, volgens welke elke route tussen een punt van vertrek en een punt van bestemming als een afzonderlijke markt wordt aangemerkt. Om vast te stellen of een bepaald V&B-paar een relevante markt vormt, heeft de Commissie onderzocht welke verschillende transportmogelijkheden tussen deze twee punten aan de consumenten werden geboden. Zij heeft ook nagegaan of de vluchten vanaf Dublin (of Shannon en Cork, de twee andere Ierse luchthavens die door de partijen bij de concentratie worden gebruikt) naar twee (of meer) luchthavens die dezelfde stad bedienen, substitueerbaar waren (afdeling 6.3 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft de door Ryanair en Aer Lingus aangeboden diensten in aanmerking genomen voor haar vaststelling dat de voorgenomen concentratie zou leiden tot horizontale overlappingen bij 35 stedenparen die de relevante markten vormen (punt 333 van de bestreden beschikking), en dat zij een reden tot bezorgdheid kan zijn voor vele stedenparen die relevante markten vormen, waarop slechts één van de partijen bij de concentratie actief is (punt 334 van de bestreden beschikking).

2. Beoordeling van de gevolgen van de concentratie voor de mededinging

10 Voor de beoordeling van de gevolgen van de concentratie heeft de Commissie een beroep gedaan op het analysekader als omschreven in haar richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies op grond van de concentratieverordening (PB 2004, C 31, blz. 5; hierna: „richtsnoeren”).

11 In de eerste plaats heeft de Commissie de marktaandelen van Ryanair en Aer Lingus geanalyseerd op de 35 routes waarop hun diensten elkaar overlappen. Zij heeft geconstateerd dat de concentratie op 22 routes een monopolie zou doen ontstaan en op nog eens 13 routes tot zeer hoge marktaandelen zou leiden (afdeling 7.2 van de bestreden beschikking). De Commissie was ook van mening dat de twee maatschappijen „naaste concurrenten” op alle betrokken routes waren (afdeling 7.3 van de bestreden beschikking) en dat deze twee maatschappijen, anders dan Ryanair stelt, thans met elkaar concurreerden (afdeling 7.4 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft vervolgens de gevolgen van de concentratie onderzocht voor de markten waarop Ryanair en Aer Lingus bestaande of potentiële concurrenten zijn, en heeft vastgesteld dat de concentratie de bestaande concurrentie op de 35 overlappende routes en de potentiële concurrentie op 15 routes zonder overlapping zou uitschakelen (afdelingen 7.5 en 7.6 van de bestreden beschikking).

12 In de tweede plaats heeft de Commissie opgemerkt dat de „gefragmenteerde klantenkring” van Ryanair en Aer Lingus geen „gelijkwaardige koopkracht” had en geen of slechts beperkte mogelijkheden had om van aanbieder te wisselen (afdeling 7.7 van de bestreden beschikking).

13 In de derde plaats heeft de Commissie eerst onderzocht of de toetreding van nieuwe concurrenten tot de markt of de uitbreiding van bestaande concurrenten de mededingingsverstorende gevolgen van de transactie uit de weg kon ruimen, en vervolgens geconcludeerd dat dit niet het geval was (afdeling 7.8 van de bestreden beschikking).

14 In de vierde plaats heeft de Commissie de 35 overlappende routes individueel beoordeeld. Zij heeft geconstateerd dat de concentratie een daadwerkelijke mededinging op significante wijze zou belemmeren omdat op elke route een machtspositie in het leven wordt geroepen (afdeling 7.9 van de bestreden beschikking).

15 In de vijfde plaats heeft de Commissie onderzocht of de door Ryanair gestelde efficiëntieverbeteringen volstonden om de door de concentratie veroorzaakte negatieve gevolgen voor de mededinging te compenseren. Haar conclusie was dat dit niet het geval was, aangezien die efficiëntieverbeteringen niet verifieerbaar waren, niet specifiek uit de concentratie voortvloeiden en de consumenten niet ten goede konden komen (afdeling 7.10 van de bestreden beschikking).

3. Beoordeling van de verbintenissen

16 De Commissie heeft ook de verbintenissen onderzocht die Ryanair in het kader van de administratieve procedure heeft aangeboden. Haars inziens waren zij niet voldoende duidelijk om te kunnen worden uitgevoerd, en konden zij in elk geval de vastgestelde mededingingsproblemen niet uit de weg ruimen (afdeling 8 van de bestreden beschikking).

17 Tot slot was de Commissie van mening dat de totstandbrenging van de concentratie een daadwerkelijke mededinging op significante wijze zou belemmeren, met name als het resultaat van het in het leven roepen van een machtspositie op 35 routes van en naar Dublin, Shannon en Cork, en verder als het resultaat van het in het leven roepen of versterken van een machtspositie op 15 routes van en naar Dublin en Cork. Zij heeft de concentratie derhalve onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard (afdeling 9 en dispositief van de bestreden beschikking).

Procesverloop en conclusies van partijen

18 Bij op 10 september 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld.

19 Bij beschikking van 12 februari 2008 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht Ierland en Aer Lingus Group toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.

20 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

21 Partijen hebben ter terechtzitting van 6 juli 2009 pleidooi gehouden en op de vragen van het Gerecht geantwoord.

22 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking nietig te verklaren;

– de Commissie te verwijzen in de kosten;

– Ierland en Aer Lingus Group te verwijzen in de kosten van hun interventies.

23 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

24 Aer Lingus Group concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

25 Ierland concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

26 Om een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren moet de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de concentratieverordening bewijzen dat de totstandbrenging van de aangemelde concentratie de daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze zou belemmeren, met name als het resultaat van het in het leven roepen of versterken van een machtspositie.

27 Een dergelijke beschikking, die op basis van artikel 8, lid 3, van de concentratieverordening wordt vastgesteld, berust op het resultaat van een door de Commissie verrichte prospectieve analyse. Deze prospectieve analyse bestaat in het onderzoek van de veranderingen die de aangemelde concentratie kan teweegbrengen in de factoren die de mededingingssituatie op een bepaalde markt bepalen, om na te gaan of die veranderingen zullen leiden tot een aanzienlijke belemmering van de daadwerkelijke mededinging. Bij een dergelijke analyse moet worden onderzocht welke oorzaken welke gevolgen kunnen hebben, om uit te maken welke de meest waarschijnlijke scenario’s zijn [zie met betrekking tot verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (gerectificeerde versie PB 1990, L 257, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1) (hierna: „oude concentratieverordening”), arrest Hof van 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval, C‑12/03 P, Jurispr. blz. I‑987, punt 43].

28 Indien door de partijen bij de concentratie tijdens de administratieve procedure verbintenissen geldig zijn voorgesteld teneinde een beschikking te verkrijgen waarbij de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, is de Commissie verplicht de concentratie, zoals gewijzigd door deze verbintenissen, te onderzoeken. Het staat dus aan de Commissie om aan te tonen, dat deze verbintenissen de concentratie, zoals gewijzigd, niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar maken (zie in die zin met betrekking tot de oude concentratieverordening, arrest Gerecht van 21 september 2005, EDP/Commissie, T‑87/05, Jurispr. blz. II‑3745, punten 63‑65).

29 Verder heeft het Hof beslist dat de materieelrechtelijke voorschriften van de verordening, inzonderheid artikel 2 ervan, de Commissie een zekere discretionaire bevoegdheid geven, met name voor economische beoordelingen, zodat de rechter, bij zijn toezicht op de uitoefening van die – voor de opstelling van regels voor concentraties essentiële – bevoegdheid rekening dient te houden met de beoordelingsmarge die in de economische normen van de concentratieregeling besloten ligt (zie met betrekking tot de oude concentratieverordening, arrest Hof van 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie, „Kali & Salz”, C‑68/94 en C‑30/95, Jurispr. blz. I‑1375, punten 223 en 224, en arrest Commissie/Tetra Laval, punt 27 supra, punt 38).

30 Dat de rechter van de Europese Unie de beoordelingsmarge van de Commissie in economische kwesties erkent, neemt niet weg dat hij de interpretatie van de Commissie van economische gegevens mag toetsen. Met name dient de Unierechter immers niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen, en de betrouwbaarheid en samenhang ervan te controleren, maar hij moet ook controleren of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand, en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie met betrekking tot de oude concentratieverordening, arrest Commissie/Tetra Laval, punt 27 supra, punt 39, en arrest Hof van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, Jurispr. blz. I‑4951, punt 69).

31 Bovendien is het vaste rechtspraak, dat wanneer de instellingen over een beoordelingsvrijheid beschikken, de naleving van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen van des te groter fundamenteel belang is. Tot die waarborgen behoren met name de verplichting voor de Commissie om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, het recht van de belanghebbende om zijn standpunt kenbaar te maken, alsmede zijn recht op een beschikking die toereikend is gemotiveerd (arrest Hof van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, Jurispr. blz. I‑5469, punt 14, en arrest Gerecht van 7 mei 2009, NVV e.a./Commissie, T‑151/05, Jurispr. blz. II‑1219, punt 163).

32 De argumenten van partijen moeten aan deze beginselen met betrekking tot de rechtmatigheidscontrole op het gebied van concentraties worden getoetst.

33 Verzoekster baseert haar beroep op vijf middelen: 1) kennelijke fouten bij de beoordeling van de concurrentieverhouding tussen Ryanair en Aer Lingus; 2) kennelijke fouten bij de beoordeling van de toetredingsdrempels; 3) kennelijke beoordelingsfouten in het kader van de routevergelijkingsanalyse (hierna: „routevergelijkingsanalyse”); 4) kennelijke beoordelingsfouten in het kader van het onderzoek van de uit de concentratie voortvloeiende efficiëntieverbeteringen, en 5) kennelijke beoordelingsfouten bij de analyse van de door Ryanair voorgestelde verbintenissen (zie punten 11 en 13‑16 hierboven).

34 De afbakening van de relevante markten en de analyse van de klantenreacties worden door verzoekster als zodanig niet betwist (zie punten 9 en 12 hierboven).

A – Eerste middel: beoordeling van de concurrentieverhouding tussen Ryanair en Aer Lingus

35 De analyse van de Commissie in de bestreden beschikking, die voor de beoordeling van het onderhavige middel van belang is, omvat de volgende stappen: 1) de vaststelling dat de concentratie tot zeer hoge marktaandelen op een groot aantal routes zou leiden (afdeling 7.2 van de bestreden beschikking); 2) de vaststelling dat Ryanair en Aer Lingus op al die routes „naaste concurrenten” zijn (afdeling 7.3 van de bestreden beschikking); 3) het onderzoek van de thans tussen Ryanair en Aer Lingus bestaande concurrentie (afdeling 7.4 van de bestreden beschikking); en 4) de gevolgen van de concentratie voor de thans tussen Ryanair en Aer Lingus bestaande concurrentie en de negatieve gevolgen daarvan voor de klanten (afdelingen 7.5 en 7.6 van de bestreden beschikking). In het kader van deze analyse is de Commissie ingegaan op het argument van Ryanair betreffende het verschil tussen de door haar aangeboden diensten, namelijk lage kosten en minimumprestaties, en de door Aer Lingus aangeboden middelmatige prestaties (afdeling 7.3 van de bestreden beschikking).

36 Verzoekster laakt in wezen dit aspect van de bestreden beschikking en voert aan dat de Commissie het belang van de hoge marktaandelen van de partijen bij de concentratie heeft overschat en geen bewijs heeft aangevoerd waaruit genoegzaam blijkt dat Aer Lingus en Ryanair ondanks hun verschillen een zo grote concurrentiedruk op elkaar uitoefenden en de kans op toetreding tot de relevante markten zo gering was, dat de concentratie een daadwerkelijke mededinging op die markten op significante wijze zou belemmeren.

37 De Commissie, ondersteund door Ierland en Aer Lingus Group, stelt dat de marktaandelen „bruikbare eerste aanwijzingen” vormen, die worden bevestigd door andere gegevens, waaruit blijkt dat Aer Lingus de naaste concurrent van Ryanair is op de routes waarop hun diensten elkaar overlappen. De concentratie heeft dus tot gevolg dat de thans door Aer Lingus op Ryanair uitgeoefende druk wegvalt.

38 Het Gerecht moet achtereenvolgens ingaan op de argumenten van partijen met betrekking tot het aan de marktaandelen toegekende „buitensporige gewicht”, de niet-inaanmerkingneming van de tussen Ryanair en Aer Lingus bestaande „fundamentele verschillen”, het concurrentievoordeel van een basis op de luchthaven Dublin, de „niet-technische bewijselementen”, de econometrische analyse van de Commissie, de door Ryanair voorgelegde econometrische gegevens, de door de chartermaatschappijen uitgeoefende concurrentiedruk, de passagiersenquête, de enquête onder de zakelijke klanten, en ten slotte de schade voor de consumenten.

1. Aan de marktaandelen toegekend „buitensporig gewicht”

a) Argumenten van partijen

39 Verzoekster voert aan dat de Commissie zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd op de onjuiste premisse dat Aer Lingus en Ryanair identieke luchtvaartmaatschappijen zijn, zodat zij uit hun hoge marktaandelen „automatisch” kon afleiden dat de concentratie een aanzienlijke belemmering van de daadwerkelijke mededinging tot gevolg zou hebben. Ook al zijn de marktaandelen relevant voor de beoordeling van een concentratie vanuit mededingingsoogpunt, zij zijn echter slechts een „vertrekpunt”. Het is in strijd met de regels inzake de bewijslast, wanneer met die marktaandelen een sterk negatief vermoeden met betrekking tot de gevolgen van de concentratie voor de mededinging wordt geassocieerd. Verzoekster heeft dit vermoeden hoe dan ook weerlegd en rechtens genoegzaam aangetoond, dat tussen de twee maatschappijen „fundamentele verschillen” en lage toetredingsdrempels bestonden. De door Ryanair en Aer Lingus aangeboden diensten zijn „in hoge mate verschillend” en richten zich op verschillende categorieën van passagiers. Derhalve kan alleen aan de hand van de marktaandelen niet worden bepaald in hoeverre partijen concurrentiedruk op elkaar uitoefenen. Verder staat de aanwezigheid van slechts een luchtvaartmaatschappij op een bepaalde route wegens de gemakkelijke toetreding nog niet gelijk met een machtspositie.

40 De Commissie, ondersteund door Ierland en Aer Lingus Group, voert aan dat uit de bestreden beschikking blijkt dat de marktaandelen „bruikbare eerste aanwijzingen” zijn die worden bevestigd door andere gegevens, waaruit blijkt dat Aer Lingus de naaste concurrent van Ryanair is op de routes waarom het in casu gaat.

b) Beoordeling door het Gerecht

41 Het is vaste rechtspraak dat, ofschoon de betekenis van de marktaandelen van markt tot markt kan verschillen, ervan mag worden uitgegaan, dat zeer aanzienlijke marktaandelen, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, op zichzelf reeds het bewijs van een machtspositie leveren (zie inzake misbruik van machtspositie, arrest Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punt 41, en met betrekking tot de oude concentratieverordening, arresten Gerecht van 25 maart 1999, Gencor/Commissie, T‑102/96, Jurispr. blz. II‑753, punt 205, en 28 april 1999, Endemol/Commissie, T‑221/95, Jurispr. blz. II‑1299, punt 134). Dat kan het geval zijn bij een marktaandeel van 50 % of meer (zie voor misbruik van machtspositie, arrest Hof van 3 juli 1991, AKZO/Commissie C‑62/86, Jurispr. blz. I‑3359, punt 60, en met betrekking tot de oude concentratieverordening, arrest Gerecht van 14 december 2005, General Electric/Commissie, T‑210/01, Jurispr. blz. II‑5575, punt 115).

42 In casu zij opgemerkt dat de Commissie, anders dan verzoekster aanvoert, haar beoordeling van de gevolgen van de transactie voor de concurrentie niet heeft gebaseerd op de gedachte dat uit hoge marktaandelen „automatisch” mocht worden afgeleid dat de concentratie de daadwerkelijke mededinging op significante wijze zou belemmeren. Integendeel, de Commissie heeft in de bestreden beschikking uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zowel de marktaandelen als de daarmee gepaard gaande concentratiegraad „bruikbare, eerste aanwijzingen” verschaften over de structuur van de markt en over het belang van de twee partijen bij de concentratie voor de mededinging, alsmede over dat van hun concurrenten (zie punt 348 van de bestreden beschikking en voetnoot 364, waarin wordt verwezen naar punt 14 van de richtsnoeren). Bij onderzoek van de bestreden beschikking kan ook worden vastgesteld dat de Commissie erop heeft gelet, een grondige analyse van de mededingingsvoorwaarden te verrichten door andere factoren dan alleen de marktaandelen in aanmerking te nemen, namelijk onder meer de gevolgen van de transactie voor de concurrentieverhouding tussen Ryanair en Aer Lingus, de van de klanten en de concurrenten te verwachten reacties en de concrete situatie op elke bij de transactie betrokken route (zie punten 11‑14 hierboven).

43 Derhalve kan niet worden gesteld dat de bestreden beschikking berust op vaststellingen die alleen verband houden met de marktaandelen die de combinatie Ryanair-Aer Lingus in geval van totstandbrenging van de concentratie zou kunnen bezitten (hierna: „combinatie Ryanair-Aer Lingus” of „uit de concentratie voortgekomen entiteit”). De Commissie heeft statistische gegevens, die de situatie van de bij de transactie betrokken markten op een bepaald moment illustreren, en dynamische gegevens, die de waarschijnlijke evolutie van deze markten in geval van totstandbrenging van de concentratie aangeven, tegelijkertijd onderzocht.

44 Deze benadering strookt met de analytische methode die de Commissie bij de beoordeling van de mededingingsverstorende gevolgen van een concentratie moet volgen, en die bestaat in het onderzoek van de veranderingen die de aangemelde concentratie kan teweegbrengen in de factoren die de mededingingssituatie op een bepaalde markt bepalen, om na te gaan of die veranderingen zullen leiden tot een aanzienlijke belemmering van de daadwerkelijke mededinging (zie punt 27 hierboven).

45 Verder moet erop worden gewezen dat de Commissie in haar beoordeling niet kon voorbijgaan aan het belang dat moest worden gehecht aan deze eerste aanwijzingen die aantoonden dat de totstandbrenging van de aangemelde concentratie Ryanair in staat zou hebben gesteld, extreem hoge marktaandelen te verwerven.

46 Er moet namelijk op worden gewezen dat de Commissie in de bestreden beschikking 35 routes heeft vastgesteld, waarop de activiteiten van de partijen bij de concentratie elkaar overlappen. De transactie zou op 22 daarvan een monopolie in het leven roepen en op de 13 overige routes tot een zeer hoog gezamenlijk marktaandeel van meer dan 60 % leiden (zie punten 341 en 342 van de bestreden beschikking, in het bijzonder tabel 2 en de corresponderende voetnoten). Bovendien was op de routes waarop thans alleen Ryanair of Aer Lingus aanwezig is, de andere partij bij de concentratie de meest waarschijnlijke potentiële concurrent. Derhalve moet worden vastgesteld dat uit deze vaststellingen blijkt dat de totstandbrenging van de concentratie tot zeer hoge marktaandelen op een groot aantal routes zou leiden (afdeling 7.2 van de bestreden beschikking).

47 De Commissie heeft er in de bestreden beschikking ook op gewezen dat zelfs op de enkele routes waarop geen monopolie heerst en een aantal andere concurrenten actief is, zoals de route Dublin-Londen waarop het gezamenlijke marktaandeel van Ryanair en Aer Lingus tussen 70 en 80 % ligt en waarop British Midland Airways (bmi), British Airways en CityJet hun diensten aanbieden, de Herfindahl-Hirschmann-index, die door de mededingingsautoriteiten gewoonlijk wordt gebruikt om de concentratiegraad van een markt te meten door het respectieve gewicht van elke aldaar aanwezige onderneming in aanmerking te nemen, zeer hoog was (tussen 6 000 en 6 500), evenals de wijziging in die concentratiegraad vóór en na de transactie (de delta lag tussen 3 000 en 3 500). De door deze transactie ontstane concentratiegraad op de 35 routes waarop de activiteiten van de partijen bij de concentratie elkaar overlappen, zou dus erg hoog zijn (punt 342 van de bestreden beschikking).

48 Op zestien routes zouden Ryanair en Aer Lingus dus een gezamenlijk marktaandeel van 100 % bezitten. Het betreft de routes Dublin-Berlijn, Dublin-Bilbao (Vitoria), Dublin-Birmingham, Dublin-Bologna, Dublin-Brussel, Dublin- Edinburgh, Dublin-Hamburg (Lübeck), Dublin-Marseille, Dublin-Newcastle, Dublin-Poznan, Dublin-Rome, Dublin-Sevilla, Dublin-Toulouse (Carcassonne), Dublin-Venetië, Shannon-Londen en Cork-Londen.

49 Op zes andere routes, namelijk de routes Dublin-Alicante, Dublin-Faro, Dublin-Lyon, Dublin-Milaan, Dublin-Salzburg, Dublin-Tenerife, zou het gezamenlijke marktaandeel van de combinatie Ryanair en Aer Lingus in de buurt van 100 % liggen waarbij dit niveau niet wordt bereikt omdat de chartermaatschappijen tickets voor losse vluchten verkopen.

50 Op de belangrijkste route, dus de route Dublin-Londen, die alleen al 30 % van de per vliegtuig tussen Ierland en de andere lidstaten van de Unie vervoerde passagiers voor haar rekening neemt, zou het marktaandeel van de uit de concentratie voortgekomen entiteit tussen 70 en 80 % liggen.

51 Op de andere routes zou het gezamenlijke marktaandeel zeer aanzienlijk zijn. Op de route Dublin-Manchester bijvoorbeeld zou dit marktaandeel tussen 90 en 100 % liggen, waarbij de enige bestaande concurrent Luxair is, die een toestel van en naar Luxemburg met een tussenlanding in Manchester laat vliegen.

52 Iedereen die naar een van de voormelde bestemmingen wil reizen, heeft een keuze waarvan de omvang zich zowel vóór als na de totstandbrenging van de concentratie op het eerste gezicht gemakkelijk laat meten. Zeer vaak zou dit keuzeaspect met de overname van Aer Lingus door Ryanair gewoonweg verdwijnen, omdat het marktaandeel van Ryanair en Aer Lingus tezamen 100 % of bijna 100 % zou bereiken.

53 Gelet op deze vaststellingen, die als zodanig niet door verzoekster worden betwist, kon de Commissie op goede gronden ervan uitgaan dat het verkrijgen van zeer hoge marktaandelen als gevolg van de totstandbrenging van de concentratie en de daarmee verbonden concentratiegraad relevante aanwijzingen waren voor de marktmacht die door de combinatie Ryanair en Aer Lingus was verworven.

54 Deze vaststellingen moesten door de Commissie naar behoren in aanmerking worden genomen en vormen even vele factoren op grond waarvan ervan mag worden uitgegaan dat deze zeer aanzienlijke marktaandelen, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, op zichzelf reeds het bewijs van een machtspositie leverden (zie punt 41 hierboven).

55 In die context kan de Commissie niet worden verweten dat zij de bewijslast geweld heeft aangedaan omdat zij, zoals blijkt uit het opschrift van afdeling 7.2.2 van de bestreden beschikking, ervan uitging dat „de zeer hoge marktaandelen op alle overlappende routes op zich het bewijs van een machtpositie [vormen]”.

56 Anders dan verzoekster te verstaan geeft, is de consequentie van dit bewijs voor de beoordeling van de concurrentie op generlei wijze als automatisch beschouwd. Uit de bestreden beschikking blijkt immers dat dit bewijs kon worden afgewezen indien die „bruikbare, eerste aanwijzingen” over de structuur van de markt en over het belang van de twee partijen bij de concentratie voor de mededinging, alsmede over dat van hun concurrenten door de overige gegevens van het onderhavige geval werden weerlegd. De Commissie heeft haar aanpak op dit punt in de bestreden beschikking duidelijk verklaard met de opmerking dat zij „zorgvuldig [had] geanalyseerd of sprake [was] van omstandigheden die een machtspositie in de onderhavige zaak ondanks de hoge marktaandelen zouden kunnen uitsluiten” (punt 351 van de bestreden beschikking). Deze analyse is verricht in de afdelingen 7.3 tot en met 7.8 van de bestreden beschikking met betrekking tot het onderzoek van de relevante factoren in het algemeen en in afdeling 7.9 met betrekking tot de routevergelijkingsanalyse.

57 Vanuit dat oogpunt moeten de argumenten worden onderzocht die verzoekster heeft aangevoerd om het belang dat wordt toegekend aan de marktaandelen die de combinatie Ryanair en Aer Lingus zou hebben bezeten, te betwisten.

58 Wat in de eerste plaats de routes betreft waarop Aer Lingus en Ryanair beide thans aanwezig zijn, voert verzoekster aan dat de door hen aangeboden diensten „in hoge mate verschillend” zijn en dus in werkelijkheid verschillende categorieën van passagiers betreffen. In dit verband zij opgemerkt dat het bij de differentiatie van de diensten gaat om de vraag in hoeverre de substitueerbaarheid ervan voor de betrokken klanten meer of minder belangrijk is. In de bestreden beschikking heeft de Commissie verzoeksters stelling op dit punt afgewezen (afdeling 7.3 van de bestreden beschikking). Zelfs indien deze stelling gegrond is, zouden volgens de Commissie de eventuele verschillen tussen de door Ryanair en Aer Lingus aangeboden diensten niet het risico wegnemen dat een concentratie tussen deze twee luchtvaartmaatschappijen de daadwerkelijke mededinging op de betrokken markten op significante wijze belemmert. Verzoeksters argument met betrekking tot de differentiatie van de diensten wordt hierna onderzocht (zie punten 61 e.v. hierna).

59 Wat in de tweede plaats routes betreft waarop thans slechts een van deze luchtvaartmaatschappijen aanwezig is, stelt verzoekster dat die aanwezigheid alleen niet leidt tot een machtspositie omdat de toetreding tot de markt gemakkelijk is. Dit argument betreft de kwestie van markttoetredingen en zal worden behandeld in het kader van het onderzoek van het tweede middel dat aan deze problematiek is gewijd.

60 Alleen wanneer het Gerecht deze argumenten aanvaardt, kan dus worden geconcludeerd dat verzoekster terecht het belang betwist dat moet worden toegekend aan de marktaandelen die de uit de concentratie voortgekomen entiteit zou hebben bezeten. In dit stadium van de analyse kan de Commissie echter niet worden verweten dat zij in de bestreden beschikking het belang van de marktaandelen en de concentratiegraad met betrekking tot de verschillende relevante markten in aanmerking heeft genomen.

2. Niet-inaanmerkingneming van de „fundamentele verschillen” tussen Ryanair en Aer Lingus

61 Verzoekster betoogt in wezen dat, omdat haar diensten verschillen van die van Aer Lingus, de twee luchtvaartmaatschappijen niet in die mate met elkaar concurreren dat de concentratie de mededinging op significante wijze zou belemmeren. In de bestreden beschikking had de Commissie niet tot een andere conclusie kunnen komen, omdat zij niet heeft aangetoond dat Ryanair en Aer Lingus naaste concurrenten waren.

62 Het Gerecht moet achtereenvolgens ingaan op de argumenten van partijen betreffende het gebruik van het begrip „naaste concurrenten” en de „automatische” conclusie dat sprake is van een aanzienlijke concurrentiedruk, de argumenten betreffende de „fundamentele verschillen” bij de bedrijfskosten, de gehanteerde prijzen en het niveau van de prestaties, alsmede de argumenten betreffende het verschil tussen de bestemmingsluchthavens.

a) Gebruik van het begrip „naaste concurrenten” en de „automatische” conclusie dat sprake is van een aanzienlijke concurrentiedruk

Argumenten van partijen

63 Verzoekster stelt dat de Commissie een „fundamentele fout” heeft gemaakt omdat zij ervan is uitgegaan dat, indien kan worden aangetoond dat Aer Lingus en zij „naaste concurrenten” zijn, daaruit „automatisch” zou voortvloeien dat zij naaste concurrenten zijn die een aanzienlijke concurrentiedruk op elkaar uitoefenen zonder dat behoeft te worden onderzocht hoe nauw deze concurrentieverhouding is. Het dienstenaanbod van Aer Lingus is namelijk geen substituut voor dat van Ryanair, maar ligt dichter bij de full-service van de traditionele luchtvaartmaatschappijen. „Fundamentele verschillen” tussen de twee maatschappijen stellen Aer Lingus in staat, beduidend hogere prijzen in rekening te brengen dan Ryanair. Derhalve moet worden geanalyseerd, hoe nauw de concurrentieverhouding tussen Ryanair en Aer Lingus is, teneinde de gevolgen daarvan voor de daadwerkelijke mededinging te bepalen. Indien, aldus verzoekster, haar diensten en die van Aer Lingus wezenlijk verschillend zijn, kunnen zij niet worden beschouwd als „passende substituten”, zelfs wanneer zij de enige twee luchtvaartmaatschappijen zijn die op een bepaalde route vliegen. Met andere woorden, de betrokken passagiers kunnen er de voorkeur aan geven om niet te reizen in plaats van voor de andere luchtvaartmaatschappij te kiezen.

64 De Commissie, ondersteund door Ierland en Aer Lingus Group, voert aan dat zij in de bestreden beschikking de concurrentieverhouding tussen de twee luchtvaartmaatschappijen grondig heeft geanalyseerd, voordat zij rechtens genoegzaam tot de conclusie is gekomen dat Ryanair en Aer Lingus naaste concurrenten waren die concurrentiedruk op elkaar uitoefenen, en dat die druk bij totstandbrenging van de transactie zou wegvallen.

Beoordeling door het Gerecht

65 Verzoekster is van mening dat, zelfs indien Aer Lingus en zij op alle betrokken routes als „naaste concurrenten” kunnen worden beschouwd, de Commissie deze vaststelling wegens de tussen hen bestaande „fundamentele verschillen” desalniettemin niet kan gebruiken om daaruit „automatisch” af te leiden dat zij een aanzienlijke concurrentiedruk op elkaar uitoefenen die door de concentratie zou verdwijnen zonder dat behoeft te worden onderzocht hoe nauw deze concurrentieverhouding is.

66 Alvorens in te gaan op de argumenten betreffende de door verzoekster gestelde verschillen en de invloed daarvan op de tussen Aer Lingus en haar bestaande concurrentieverhouding (zie punten 70 e.v. hierna), zij meteen erop gewezen dat de Commissie in de bestreden beschikking een andere dan de door verzoekster beschreven analyse heeft verricht.

67 Deze analyse is verdeeld in twee etappes. Om te beginnen wordt uitvoerig ingegaan op de vaststellingen van de Commissie met betrekking tot de concurrentieverhouding tussen Ryanair en Aer Lingus (afdelingen 7.3 en 7.4 van de bestreden beschikking). In het kader daarvan heeft de Commissie de in het onderhavige beroep herhaalde argumenten van Ryanair met betrekking tot het verschil in diensten grondig onderzocht. Vervolgens wordt de beoordeling van de gevolgen van de transactie in de bestreden beschikking, anders dan verzoekster stelt, niet „automatisch” verricht enkel op basis van de vaststelling dat Ryanair en Aer Lingus „naaste concurrenten” zijn. De Commissie heeft namelijk in de bestreden beschikking zorgvuldig de redenen uiteengezet waarom de concentratie de daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt op de 35 routes, waarop de diensten elkaar overlappen, en op de 15 door Aer Lingus geëxploiteerde routes, waarop de diensten elkaar niet overlappen, op significante wijze zou belemmeren (afdelingen 7.5, 7.6 en 7.9 van de bestreden beschikking).

68 Evenals bij het aan de gezamenlijke marktaandelen toe te kennen belang (zie punt 58 hierboven), zal derhalve aan de hand van het antwoord op verzoeksters argumenten betreffende de invloed van het gestelde verschil in diensten op de concurrentieverhouding tussen Aer Lingus en haar (zie punten 70 e.v. hierna) kunnen worden bepaald of de conclusies die de Commissie in haar beoordeling van de gevolgen van de concentratie voor de mededinging heeft getrokken, al dan niet gegrond zijn.

69 Daar het door Ryanair gestelde verschil in diensten in de bestreden beschikking wordt onderzocht, kan dus hoe dan ook niet worden aangevoerd dat de Commissie in de onderhavige zaak uit de vaststelling dat Ryanair en Aer Lingus op alle betrokken routes „naaste concurrenten” zijn, „automatisch” heeft afgeleid dat zij een aanzienlijke concurrentiedruk op elkaar uitoefenden die door de concentratie zou wegvallen, zonder dat behoeft te worden onderzocht hoe nauw deze concurrentieverhouding is.

b) „Fundamentele verschillen” met betrekking tot de bedrijfskosten, de gehanteerde prijzen en het niveau van de diensten

Argumenten van partijen

70 Verzoekster stelt ten eerste dat het verschil tussen haar bedrijfskosten en die van Aer Lingus aantoont dat tussen deze maatschappijen geen aanzienlijke concurrentiedruk bestaat. Door haar lagere kosten kan Ryanair beduidend lagere prijzen hanteren dan Aer Lingus en derhalve een ander marktsegment bedienen. De Commissie heeft verzuimd de weerslag van dit verschil op de mededinging te analyseren. Na de opmerking dat de bedrijfskosten van Aer Lingus overeenkwamen met die van andere goedkope luchtvaartmaatschappijen zoals easyJet of Virgin Express, had de Commissie in afdeling 7.3.3 van de bestreden beschikking overigens daaruit niet mogen afleiden dat Aer Lingus „ook ten aanzien van de kosten per eenheid tot de naaste concurrenten van Ryanair” behoorde. Het gebruik van dit begrip „naaste concurrenten” berust op een analysefout. Voorts heeft de Commissie de langeafstandsvluchten van Aer Lingus in de berekening van haar gemiddelde bedrijfskosten betrokken. Daar de bedrijfskosten per stoelkilometer (hierna: „SKM”) bij langeafstandsvluchten aanmerkelijk lager zijn dan bij korteafstandsvluchten, zou het meerekenen ervan bij de vergelijking met de goedkope luchtvaartmaatschappijen die enkel op korteafstandsroutes actief zijn, leiden tot een aanzienlijke onderwaardering van de gemiddelde kosten van Aer Lingus per SKM. Indien, zoals de Commissie stelt, de gemiddelde kosten van Aer Lingus vergelijkbaar zijn met die van goedkope luchtvaartmaatschappijen en slechts ongeveer 50 % hoger dan die van Ryanair, zou Aer Lingus bovendien aanzienlijk meer winst kunnen behalen dan Ryanair, omdat haar gemiddelde prijs meer dan 100 % hoger dan die van Ryanair is. In werkelijkheid is Ryanair veel winstgevender dan Aer Lingus.

71 Ten tweede wijst verzoekster met klem op het verschil tussen haar prijzen en die van Aer Lingus. Dit verschil, dat het gevolg is van de uiteenlopende bedrijfskosten, toont een „hoge mate van differentiatie” aan. De Commissie was in punt 371 van de bestreden beschikking ten onrechte ervan uitgegaan dat een prijsverschil van 30 EUR niet aanzienlijk is, aangezien de gemiddelde prijs van een ticket van Ryanair 41 EUR bedraagt. De lagere prijzen van Ryanair, die minder dan de helft van die van Aer Lingus bedragen, maken het haar mogelijk klanten aan te trekken die zonder die redelijke prijzen niet het vliegtuig zouden nemen. De Commissie had hieruit moeten afleiden dat Aer Lingus geen concurrentiedruk op Ryanair uitoefende. Daar de Commissie in punt 413 van de bestreden beschikking heeft erkend dat de prijzen van Ryanair in doorsnee lager waren dan die van Aer Lingus, had zij moeten concluderen dat de twee maatschappijen zich op twee volstrekt verschillende marktsegmenten richtten. Voorts opereren Ryanair en Aer Lingus volgens zeer verschillende businessmodellen. Aer Lingus is weliswaar afgestapt van het businessmodel van de traditionele nationale full-serviceluchtvaartmaatschappij om bepaalde kenmerken van de goedkope luchtvaartmaatschappijen aan te nemen, maar zij blijft hoofdluchthavens gebruiken en bepaalde diensten aanbieden waardoor zij haar klanten beduidend hogere prijzen in rekening kan brengen dan Ryanair. De klanten van Aer Lingus zijn dus bereid om voor een ruimer dienstenaanbod een toeslag te betalen boven de tarieven van haar concurrenten die lage prijzen hanteren.

72 Ten derde voert verzoekster aan dat uit punt 367 van de bestreden beschikking blijkt dat zij een „no-frills”-luchtvaartmaatschappij is en Aer Lingus een „mid-frills”-luchtvaartmaatschappij”, en dat de Commissie probeert de invloed van dit verschil op de tussen hen bestaande concentratiegraad te minimaliseren. De Commissie heeft niet geanalyseerd in hoeverre dit verschil van belang is, en geen bewijs overgelegd waaruit blijkt waarom dit aanzienlijke verschil irrelevant is voor de vaststelling of sprake is van een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging. Een dergelijk verschil tussen het dienstenaanbod wordt bevestigd door vóór het openbaar overnamebod afgegeven verklaringen van Aer Lingus en van de Ierse regering, voordat de regering en de maatschappij een „ommezwaai” hebben gemaakt en beweerden dat Aer Lingus een „goedkope” luchtvaartmaatschappij was.

73 De Commissie, ondersteund door Ierland en Aer Lingus Group, betwist verzoeksters argumenten onder verwijzing naar de bestreden beschikking.

Beoordeling door het Gerecht

74 De Commissie heeft in de bestreden beschikking weliswaar het bestaan van verschillen tussen Ryanair en Aer Lingus erkend, maar daaraan niet dezelfde conclusies verbonden als verzoekster. Die verschillen hebben de Commissie immers niet belet zich op het standpunt te stellen dat van alle concurrenten die op de verschillende, bij de concentratie betrokken routes aanwezig zijn, Aer Lingus de belangrijkste en naaste concurrent van Ryanair was.

75 Met betrekking tot het verschil in bedrijfskosten van Aer Lingus en Ryanair herhaalt laatstgenoemde haar analyse dat dit verschil in kosten haar in staat stelt, een ander marktsegment te bedienen. Volgens verzoekster had de Commissie de invloed van dit verschil op de concurrentieverhouding tussen Aer Lingus en Ryanair moeten analyseren.

76 Blijkens de bestreden beschikking heeft de Commissie evenwel erkend dat de bedrijfskosten van Ryanair lager waren dan die van Aer Lingus, en heeft zij er tevens op gewezen dat de kosten van Aer Lingus in vergelijking met die van de andere luchtvaartmaatschappijen over het algemeen zeer laag waren en eerder voor haar indeling in de groep van goedkope luchtvaartmaatschappijen pleitten dan in die van de netwerkluchtvaartmaatschappijen (zie afdeling 7.3.3 van de bestreden beschikking, inzonderheid punt 374).

77 De Commissie heeft in de bestreden beschikking dan ook aangegeven waarom zij, gezien de beschikbare gegevens, van mening was dat de bedrijfskosten per SKM van Ryanair onder 4 eurocent lagen en die van Aer Lingus bijna 5,9 eurocent bedroegen. De Commissie heeft vastgesteld dat het bezwaar van Ryanair dat in die cijfers ook de langeafstandsvluchten van Aer Lingus waren begrepen, waarvan de kosten per SKM over het algemeen lager zijn, gerechtvaardigd was. Zij heeft echter gepreciseerd dat 87 % van de passagiers van Aer Lingus korte afstanden vlogen, en dat het door Ryanair aangevoerde cijfer van bijna 8 eurocent per SKM niet werd gestaafd (zie afdeling 7.3.3 van de bestreden beschikking, inzonderheid punten 375 en 377).

78 Uit grafiek nr. 1 in punt 375 van de bestreden beschikking blijkt hoe dan ook dat de bedrijfskosten per SKM van een netwerkluchtvaartmaatschappij (zoals British Airways, Air France of Lufthansa) rond 12 eurocent liggen, terwijl die van Virgin Express of easyJet ongeveer 7 respectievelijk iets meer dan 6 eurocent bedragen. De door de Commissie en door Ryanair gedefinieerde marge tussen 5,9 en 8 eurocent per SKM plaatst Aer Lingus dus in dezelfde groep als Virgin Express of easyJet, waarvan de bedrijfskosten „lager” (punt 375 van de bestreden beschikking) of „beduidend lager” zijn (punt 376 van de bestreden beschikking) dan die van de grote netwerkluchtvaartmaatschappijen (verschil van ten minste 4 eurocent per SKM), ook al zijn zij „hoger” of „beduidend hoger” dan die van Ryanair (verschil van rond 2 tot 4 eurocent per SKM).

79 Weliswaar bestaat er een verschil in bedrijfskosten tussen Ryanair en Aer Lingus, zoals de Commissie in de bestreden beschikking heeft erkend, maar dat betekent nog niet dat de Commissie, zoals verzoekster stelt, zich niet op het standpunt kon stellen dat Aer Lingus en Ryanair „naaste concurrenten” zijn, aangezien de bedrijfskosten van Aer Lingus daadwerkelijk lager zijn dan die van de netwerkluchtvaartmaatschappijen en noch Virgin Express noch easyJet met Ryanair concurreren op de routes waarop hun diensten vanuit Ierland elkaar overlappen (punt 376 van de bestreden beschikking).

80 Deze opmerking wordt in de bestreden beschikking ook onderbouwd door de vaststelling dat de ontwikkeling van de kosten per eenheid van Aer Lingus in de loop der tijd haar „geleidelijke verschuiving” van een traditioneel naar een low-cost-businessmodel onderstreept (zie punt 378 van de bestreden beschikking, inzonderheid grafiek nr. 2 over de bedrijfskosten van Aer Lingus in de loop der jaren 2001‑2005).

81 Hoewel, zoals verzoekster opmerkt, lage bedrijfskosten invloed hebben op de rentabiliteit van de onderneming (zie punt 70 hierboven), wettigt dat overigens nog niet de conclusie dat de door haar aangeboden diensten niet concurreren met die van Aer Lingus. Laatstgenoemde biedt namelijk diensten van hogere kwaliteit aan en probeert zich tevens aan de kostenstructuur van Ryanair aan te passen, waardoor zij nog verder van de kostenstructuur van de netwerkluchtvaartmaatschappijen afwijkt.

82 Met betrekking tot het verschil tussen de door haar en door Aer Lingus gehanteerde prijzen stelt verzoekster, dat dit verschil van dien aard is dat de Commissie daaruit had moeten afleiden dat Aer Lingus geen concurrentiedruk op haar uitoefende. Een gemiddeld prijsverschil van 30 EUR is volgens verzoekster aanzienlijk, aangezien de gemiddelde prijs van een Ryanair-ticket 41 EUR bedraagt. Voorts kan verzoekster door haar lagere prijzen, die minder dan de helft van die van Aer Lingus bedragen, klanten aantrekken, die zonder die prijzen niet het vliegtuig zouden nemen.

83 Net zoals de Commissie het bestaan van een verschil in bedrijfskosten heeft erkend, heeft zij in de bestreden beschikking erkend dat er een verschil bestond tussen de door Aer Lingus en de door Ryanair gehanteerde gemiddelde prijzen. Dit punt is tussen partijen niet in geding.

84 Echter zij opgemerkt dat de Commissie in de bestreden beschikking enerzijds erop heeft gewezen dat de door Aer Lingus gehanteerde tarieven weliswaar over het algemeen hoger waren dan die van Ryanair, maar dat dit niet altijd het geval was, en anderzijds dat de prijsvergelijking lastiger was omdat het moeilijk was te bepalen welke belastingen en kosten in de berekening van de door Ryanair aangegeven gemiddelde prijs van 41 EUR voor korteafstandsvluchten in 2006 in aanmerking waren genomen, wanneer de gemiddelde prijs van Aer Lingus 91 EUR bedroeg, respectievelijk tussen 65 en 75 EUR lag, exclusief kosten en belastingen (zie afdeling 7.3.2 van de bestreden beschikking, inzonderheid punt 371 en voetnoten 385 en 386).

85 Gelet op het voorgaande, moet worden opgemerkt dat de onenigheid over het verschil tussen de door Ryanair en Aer Lingus gehanteerde gemiddelde prijzen betrekking heeft op de gevolgen van dit prijsverschil. Terwijl verzoekster stelt dat dit prijsverschil de conclusie wettigt dat door Aer Lingus geen concurrentiedruk op haar wordt uitgeoefend, is de Commissie de mening toegedaan dat uit de analyse van de gehanteerde prijzen blijkt dat Aer Lingus dichter bij Ryanair staat dan de andere concurrenten die aanwezig zijn op de routes waarop hun diensten elkaar overlappen (zie punten 368‑370 van de bestreden beschikking met betrekking tot de beoordeling van het businessmodel, die in punt 371 van de bestreden beschikking op de vergelijking van de gemiddelde prijzen wordt toegepast: „Dezelfde overweging geldt voor het feit dat de gemiddelde prijzen van Aer Lingus hoger zijn dan die van Ryanair”).

86 De kwestie van de door Aer Lingus uitgeoefende concurrentiedruk wordt behandeld in afdeling 7.4 van de bestreden beschikking, waarin het gaat over de bestaande concurrentie tussen de partijen bij de concentratie, en in de afdelingen 7.5, 7.6 en 7.9 daarvan, waarin de Commissie de gevolgen van de concentratie voor de mededinging heeft onderzocht. Die kwestie komt dus niet aan de orde in afdeling 7.3 van de bestreden beschikking, waarin de Commissie heeft uiteengezet waarom haars inziens Ryanair en Aer Lingus „naaste concurrenten” op alle betrokken routes waren.

87 De vaststellingen in punt 371 van de bestreden beschikking kunnen derhalve steun bieden aan de conclusie van de Commissie in afdeling 7.3 van deze beschikking, volgens welke uit de daarin uiteengezette gegevens blijkt dat de door Ryanair meegedeelde prijzen van de netwerkluchtvaartmaatschappijen die een complete boordservice aanbieden, veel hoger zijn dan die van Aer Lingus (namelijk 216 EUR voor Air France, 225 EUR voor Lufthansa en 268 EUR voor British Airways). De tarieven van Ryanair en Aer Lingus liggen inderdaad „ver onder het prijsniveau van hun concurrenten op de respectieve routes” (punt 371 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft ook verklaard dat het verschil tussen de door Ryanair en Aer Lingus gehanteerde prijzen het noodzakelijk maakte rekening te houden met enkele kwalitatieve voordelen die samenhangen met het aanbod van Aer Lingus, zoals het feit dat zij op hoofdluchthavens vliegt, businesslounges aanbiedt of meer servicegericht is (punten 371 en 372 van de bestreden beschikking). De in de bestreden beschikking verrichte analyse van de prijzen van Ryanair en Aer Lingus kan dus steun bieden aan de conclusie van de Commissie dat Ryanair en Aer Lingus „naaste concurrenten” op alle betrokken routes zijn.

88 Volgens verzoekster strookt die analyse echter niet met de vaststelling in de tweede volzin van punt 413 van de bestreden beschikking, die luidt als volgt:

„De hierboven uiteengezette feiten [betreffende het beeld dat de klanten van Aer Lingus en Ryanair hebben (afdeling 7.3.5 van de bestreden beschikking)] laten duidelijk zien dat Ryanair en Aer Lingus naaste concurrenten zijn. De Commissie erkent niettemin dat Ryanair in doorsnee lagere prijzen heeft dan Aer Lingus, en dat het, althans hypothetisch, mogelijk is dat Aer Lingus en Ryanair twee volstrekt verschillende klantensegmenten bedienen.”

89 Die verwijzing naar een eventuele segmentatie van het aanbod op basis van de gehanteerde tarieven leidt echter niet tot de conclusie dat Ryanair en Aer Lingus geen naaste concurrenten zijn. Het begrip concurrent moet aan de hand van de omstandigheden van de zaak worden beoordeeld. Door de Commissie zijn talrijke factoren ter ondersteuning van deze als conclusie van afdeling 7.3 van de bestreden beschikking aangegeven vaststelling aangevoerd. Vastgesteld moet worden dat er bijvoorbeeld op de 22 routes waarop alleen Ryanair en Aer Lingus aanwezig zijn, thans geen andere maatschappijen zijn die lijnvluchten kunnen aanbieden. Op die markten, waarvan de afbakening door verzoekster als zodanig niet wordt betwist (zie echter voor het argument betreffende bestemmingsluchthavens, punten 95 e.v. hierna), is Aer Lingus dus nog steeds de naaste concurrent van Ryanair. Het vraagstuk van de markttoetreding zal worden behandeld in het kader van het onderzoek van het tweede middel, dat daaraan is gewijd.

90 Wat het verschil in het niveau van de diensten betreft, wordt met verzoeksters betoog slechts een verschil herhaald dat de Commissie bekend is en in de bestreden beschikking is vermeld. Hoewel de Commissie bijvoorbeeld in punt 367 van de bestreden beschikking de vluchten van Ryanair als „no-frills”-vluchten heeft beschouwd en de diensten van Aer Lingus als „mid-frills”, heeft zij onmiddellijk daarna verklaard dat met het oog op de bestreden beschikking „beide luchtvaartmaatschappijen als ‚low-frills’-maatschappijen [konden] worden beschouwd, omdat sinds de laatste aanpassingen van het dienstenmodel van Aer Lingus de in het basistarief van Aer Lingus begrepen diensten in grote lijnen met de in het basistarief van Ryanair begrepen diensten overeenkomen en duidelijk afsteken tegen de traditionele ‚full-service’-luchtvaartmaatschappijen zoals British Airways of Lufthansa” (punt 367 van de bestreden beschikking).

91 In haar schrifturen erkent verzoekster overigens dat „Aer Lingus inderdaad is afgestapt van het businessmodel van de traditionele nationale full-service-luchtvaartmaatschappij om bepaalde kenmerken van de goedkope luchtvaartmaatschappijen aan te nemen” (zie punt 71 hierboven). Dit is ter terechtzitting bevestigd.

92 De ontwikkeling van de kosten per eenheid van Aer Lingus in de loop der tijd onderstreept in elk geval haar „geleidelijke verschuiving” van een traditioneel naar een low-cost-businessmodel (zie punt 80 hierboven), en de door Aer Lingus aangeboden diensten liggen op zijn minst tussen die van Ryanair en die welke door de full-servicenetwerkluchtvaartmaatschappijen worden aangeboden.

93 Zelfs wanneer Aer Lingus niet de zeer lage bedrijfskosten van Ryanair heeft, niet dezelfde prijzen als Ryanair hanteert of net zo weinig diensten aanbiedt, neemt dat derhalve niet weg dat deze onderneming zich naar hetzelfde businessmodel richt als haar concurrent.

94 Verzoekster toont derhalve niet rechtens genoegzaam aan dat de Commissie in punt 431 van de bestreden beschikking ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat Aer Lingus en Ryanair „naaste concurrenten” op de betrokken routes vanuit Ierland waren. Deze conclusie kan dus in het kader van het onderzoek van de gevolgen van de concentratie voor de mededinging in aanmerking worden genomen en de door verzoekster op dit punt aangevoerde kritiek moet worden afgewezen (zie punten 58 en 63 hierboven).

c) Verschil tussen de bestemmingsluchthavens

Argumenten van partijen

95 Verzoekster voert ten eerste aan dat zij heel andere luchthavens gebruikt dan Aer Lingus. Aer Lingus gebruikt hoofdluchthavens die dichter bij het stadscentrum liggen en betere diensten bieden dan secundaire luchthavens. Laatstgenoemde luchthavens, die door Ryanair worden gebruikt, stellen haar in staat haar kosten laag te houden, en weerhouden haar ervan met Aer Lingus te wedijveren om passagiers die enkel hoofdluchthavens willen gebruiken. Met de overname van Aer Lingus zou Ryanair op de hoofdluchthavens kunnen concurreren. Volgens verzoekster heeft de Commissie geen duidelijk en overtuigend bewijs geleverd waaruit blijkt dat de vluchten van Aer Lingus naar hoofdluchthavens en de vluchten van Ryanair naar secundaire luchthavens een aanzienlijke concurrentiedruk op elkaar uitoefenden. De in de bestreden beschikking aangevoerde gegevens schragen niet de conclusie dat die vluchten zulke naaste substituten zijn dat zij aan dezelfde markt moeten worden toegerekend. Voorts heeft de Commissie de beschikbare informatie „op hoogst selectieve en incoherente wijze” gebruikt. Daar zij geen uniforme reeks van criteria heeft kunnen vinden, heeft zij meerdere verschillende criteria gebruikt om aan te tonen dat de hoofdluchthavens en de secundaire luchthavens tot dezelfde markt behoorden. De Commissie heeft de standpunten van de luchthavens van Birmingham en van Wenen en van de UK Civil Aviation Authority (burgerluchtvaartautoriteit van het Verenigd Koninkrijk) naast zich neergelegd of verdraaid voor de conclusie dat de hoofdluchthavens en de secundaire luchthavens substitueerbaar zijn. Zij heeft zich dus niet op betrouwbare gegevens of op een solide methode gebaseerd. Hoewel de Commissie de antwoorden van de concurrenten heeft aangevoerd als argument dat die luchthavens substitueerbaar waren, tonen die antwoorden integendeel aan dat een duidelijk en overtuigend bewijs op dat punt ontbrak (zie antwoord van British Airways en de situatie van de Londense luchthavens). Uit de opmaak van de aan de concurrenten gezonden lijst blijkt niet duidelijk of van de respondenten werd verwacht dat zij de luchthavens aanduidden die voor elk type passagiers geschikt waren of de luchthavens die substitueerbaar waren. In bepaalde gevallen hebben de luchtvaartmaatschappijen voor elk stedenpaar slechts een van de luchthavens aangekruist en daarmee de verwarring geaccentueerd.

96 Verzoekster voert ten tweede aan dat de Commissie op onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van de bedieningsgebieden van de luchthavens om te bepalen of vluchten naar verschillende luchthavens onder dezelfde markt vielen. Volgens een niet door de feiten gestaafde „vuistregel” (rule of thumb) heeft de Commissie het bedieningsgebied van een luchthaven gedefinieerd als het gebied dat op een afstand van 100 km of binnen 1 uur rijden van het vliegveld ligt (punt 83 van de bestreden beschikking). Die regel is „te vaag om bruikbaar te zijn”. Deze laat de werkelijke verdeling van de passagiers binnen het gebied buiten beschouwing en is onrealistisch in de context van de routes tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk omdat een vlucht in dat geval niet langer dan een uur duurt. De Commissie heeft dus ten onrechte aangenomen dat de passagiers „de dichtstbijzijnde luchthaven zouden passeren, een uur zouden rijden en dan een vlucht van misschien 50 minuten of zo zouden nemen”. Bovendien houdt de in punt 78 van de bestreden beschikking uiteengezette berekening van de tijd die nodig is om het vliegveld met het openbaar vervoer of met de auto te bereiken, geen rekening met de verschillende vertragingen of met de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer. Ten slotte heeft de Commissie in de punten 114 tot en met 116 van de bestreden beschikking geen rekening gehouden met de werkelijke cijfers betreffende de aan de orde zijnde specifieke luchthavens, met name wat de door de UK Civil Aviation Authority verstrekte gegevens betreft.

97 Ten derde bekritiseert verzoekster een aantal van de beoordelingen of vaststellingen in de bestreden beschikking. Om te beginnen verwijt zij de Commissie in punt 92 van de bestreden beschikking haar handelspraktijken in aanmerking te hebben genomen, waarbij zij de vluchten van Ryanair als substituten voor vluchten naar hoofdluchthavens heeft voorgesteld. De namen waaronder een onderneming haar producten in de handel brengt, vormen namelijk geen voldoende zekere en solide basis voor de afbakening van de markten. Bijvoorbeeld, de luchthavens van Wenen en Bratislava kunnen niet tot dezelfde markt behoren enkel omdat Ryanair haar tickets naar Bratislava onder de naam „Bratislava (Wenen)” op de markt brengt. Vervolgens stelt verzoekster dat de Commissie in punt 99 van de bestreden beschikking niet het begrip „luchthavensysteem” had moeten gebruiken, bedoeld in verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (PB L 240, blz. 8), om steun te bieden aan de vaststelling dat bepaalde luchthavens substitueerbaar zijn. Dit begrip is niet geschikt voor de afbakening van de markten, en dient overigens door de herziening van verordening nr. 2408/92 en van de daarmee verbonden verordeningen te verdwijnen. Verzoekster voert ook aan dat de prijsanalyse van de Commissie „fouten” vertoont en geen betrouwbare redenen geeft voor de conclusie dat de vluchten van Ryanair naar secundaire luchthavens en die van Aer Lingus naar hoofdluchthavens „in hoge mate substitueerbaar” zijn. De analyse biedt geen aanknopingspunt voor de vaststelling of een parallelle ontwikkeling van de prijzen het gevolg is van substitueerbaarheid of van algemene invloeden. Ten slotte is de passagiersenquête „uiterst gebrekkig” wat de opzet van de vragen en de gebruikte methoden van steekproeftrekking betreft. Deze enquête was niet opgezet om de mate van substitueerbaarheid van de luchthavens te meten, aangezien de passagiers nooit is gevraagd of zij overwogen naar verschillende luchthavens te vliegen. In tal van gevallen leiden de door de Commissie op dit punt aangevoerde gegevens tot de tegenovergestelde conclusie.

98 De Commissie, ondersteund door Ierland en de Aer Lingus Group, betwist verzoeksters argumenten onder verwijzing naar de bestreden beschikking.

Beoordeling door het Gerecht

99 Verzoekster herhaalt in haar schrifturen de argumenten die zij eerder tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd om de afbakening van de markt op basis van de stad van vertrek en de stad van bestemming te bekritiseren. Deze argumenten zijn door de Commissie in de bestreden beschikking onderzocht en van de hand gewezen en de enkele herhaling daarvan voor het Gerecht kan om de hierna uiteengezette redenen niet volstaan om deze analyse in twijfel te trekken.

100 Met betrekking tot de grief dat de Commissie geen duidelijk en overtuigend bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat de vluchten van Aer Lingus naar hoofdluchthavens en de vluchten van Ryanair naar secundaire luchthavens een aanzienlijke concurrentiedruk op elkaar uitoefenden, moet worden opgemerkt dat met deze grief eigenlijk kritiek wordt geleverd op de wijze waarop de Commissie de afbakening van de markt in de bestreden beschikking heeft gebruikt om de gevolgen van de concentratie voor de mededinging binnen de betrokken markten te beoordelen. Verzoekster erkent dit impliciet wanneer zij betoogt dat de in de bestreden beschikking aangevoerde gegevens „niet de conclusie schragen dat die vluchten zulke naaste substituten zijn dat zij aan dezelfde markt moeten worden toegerekend” (zie punt 95 hierboven).

101 In dit verband zij om te beginnen opgemerkt dat de strekking van deze grief in een juist daglicht moet worden geplaatst wegens het feit dat Ryanair en Aer Lingus op 16 van de 35 betrokken routes naar dezelfde luchthavens vliegen (punt 71 van de bestreden beschikking). Deze grief heeft dus slechts betrekking op 19 van deze 35 routes (namelijk 54,2 %) en heeft dus geen invloed op de 16 andere bij de totstandbrenging van de concentratie betrokken routes.

102 Met betrekking tot deze 19 routes beoogt verzoekster met haar grief enkel dat wordt vastgesteld dat er een verschil bestaat met betrekking tot de bestemmingsluchthaven, maar probeert zij niet concreet de redenering te weerleggen die in de bestreden beschikking is uiteengezet met betrekking tot de invloed van dit verschil op zowel de afbakening van de markt als de beoordeling van de gevolgen van de concentratie voor de mededinging. Echter moet worden benadrukt dat de Commissie in de bestreden beschikking erop heeft gewezen dat de markten voor passagiersluchtvervoer konden worden afgebakend op basis van individuele routes of een groep van routes, voor zover deze routes substitueerbaar waren volgens de specifieke kenmerken van de zaak (punt 55 van de bestreden beschikking en in voetnoot 53 aangehaalde rechtspraak, waaronder met name arrest Gerecht van 4 juli 2006, easyJet/Commissie, T‑177/04, Jurispr. blz. II‑1931, punten 54‑61).

103 In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie eerst een analytisch kader voor de afbakening van de relevante markt met betrekking tot de verschillende betrokken routes heeft opgesteld, ongeacht of het gaat om luchthavenparen of stedenparen (afdeling 6.3.3 van de bestreden beschikking). De verschillende criteria die zijn gebruikt om de substitueerbaarheid van lijnvluchten vanaf verschillende luchthavens te kenmerken, zijn in punt 99 van de bestreden beschikking uiteengezet. Het betreft afstand en reistijd volgens het referentiecriterium van 100 km of 1 uur rijtijd, het standpunt van de concurrenten, het standpunt van de betrokken luchthavens en dat van de burgerluchtvaartautoriteiten van de lidstaten, de geschatte hoeveelheid vakantiegangers op een route, het begrip „luchthavensysteem” in de zin van bijlage II bij verordening nr. 2408/92, de handelspraktijken, het al dan niet bestaan van vervoersmogelijkheden tussen de luchthavens en bepaalde steden, alsmede het resultaat van de prijscorrelatieanalyse die de Commissie voor 17 stedenparen vanaf Dublin heeft gemaakt.

104 Vervolgens heeft de Commissie uitvoerig onderzocht wat de relevante markt op elk van de betrokken routes is (afdeling 6.3.4 van de bestreden beschikking). Voor elk geval waarin de Commissie substitueerbaarheid heeft geconstateerd, heeft zij verschillende criteria overeenkomstig de beschikbare informatie toegepast. De keuze van de passagiers voor de ene of de andere luchtvaartmaatschappij is het resultaat van een combinatie van deze factoren.

105 De Commissie is echter meermaals tot de conclusie gekomen dat vluchten naar verschillende luchthavens in de buurt van een stad niet tot dezelfde markt behoorden. In de punten 178 tot en met 183 van de bestreden beschikking was de Commissie in wezen van mening dat in het bijzonder de luchthavens Rennes en Nantes Atlantique om de volgende redenen niet substitueerbaar waren: zij voldoen net niet aan het criterium van 100 km of 1 uur rijtijd, Ryanair verwijst bij de verkoop van haar tickets met bestemming Nantes niet naar Rennes en omgekeerd, er is geen aanzienlijk verschil tussen de twee luchthavens dat passagiers uit Rennes zou motiveren om voor een vlucht naar Nantes te reizen en omgekeerd, en de beschikbare gegevens hadden niet volstaan om de Commissie in staat te stellen een betekenisvolle prijscorrelatieanalyse te verrichten. Alleen het feit dat Aer Lingus de luchthavens Rennes en Nantes Atlantique als substituten beschouwt, volstond volgens de Commissie niet voor de conclusie dat zij substitueerbaar zijn. In de punten 197 tot en met 203 van de bestreden beschikking heeft de Commissie ook een onderscheid gemaakt tussen de luchthavens Amsterdam Schiphol en Eindhoven om dezelfde redenen als die welke voor de luchthavens Nantes Atlantique en Rennes zijn aangegeven, en omdat zij in een eerdere beschikking ervan was uitgegaan dat een geringe mate van substitueerbaarheid bestond (beschikking van de Commissie van 22 september 1997, Zaak COMP/M.967 – KLM/Air UK, punt 24).

106 Verder moet worden opgemerkt dat het standpunt van de luchthavens in de bestreden beschikking op verschillende plaatsen wordt uiteengezet (zie bijvoorbeeld punten 132, 145 en 151 van de bestreden beschikking), evenals het standpunt van de UK Civil Aviation Authority (zie bijvoorbeeld punten 128 en 138 van de bestreden beschikking). Wat de verwijzing naar het door de UK Civil Aviation Authority gemaakte onderscheid tussen tijdgevoelige en niet-tijdgevoelige passagiers betreft, heeft de Commissie in de bestreden beschikking verschillende redenen gegeven waarom dit onderscheid in de onderhavige zaak irrelevant kon worden geacht (punten 85 en 316‑319 van de bestreden beschikking).

107 De Commissie heeft met name overtuigend vastgesteld dat dit voorheen duidelijke onderscheid tussen de twee categorieën van passagiers gaandeweg was vervaagd. Die tendens was door de Commissie reeds in het kader van eerdere zaken vermeld (Zaken COMP/M.3280 – Air France/KLM en COMP/M.3770 – Lufthansa/Swiss, genoemd in voetnoot 329 van de bestreden beschikking), en is bevestigd in de door verzoekster in de onderhavige zaak niet-betwiste antwoorden op de op 6 november 2006 aan de concurrenten gezonden vragenlijsten (naar deze antwoorden wordt verwezen in voetnoot 328 van de bestreden beschikking). Uit de antwoorden van de zakelijke klanten tijdens de enquête van de Commissie blijkt ook dat het criterium van het beste tarief tamelijk belangrijk is. In de door deze klanten aangegeven volgorde van belangrijkheid komt dit criterium vóór het criterium van de bestemmingsluchthaven en na dat van de snelste tijd, dat gezien het grote aantal vluchten dat door de low-frillsluchtvaartmaatschappijen vaak wordt aangeboden, aan belang heeft ingeboet (punt 316 van de bestreden beschikking).

108 Met betrekking tot de standpunten van de luchthavens Birmingham (punt 138 van de bestreden beschikking) en Wenen (punt 223 van de bestreden beschikking) verklaart verzoekster verder niet in hoeverre die standpunten verdraaid zouden zijn. Verzoekster heeft ter terechtzitting overigens uitdrukkelijk ervan afgezien, dit argument nader toe te lichten. Deze standpunten, volgens welke geen sprake is van substitueerbaarheid, zijn in de bestreden beschikking letterlijk overgenomen, en de Commissie beschikte bovendien over andere informatie die steun kon bieden aan de conclusie, waartoe zij in de bestreden beschikking was gekomen. De door de Commissie gebruikte methode van de bundel van aanwijzingen om een concentratie te beoordelen, kan natuurlijk factoren omvatten die zowel vóór als tegen die conclusie pleiten. De conclusie waartoe de Commissie aan het eind van haar analyse van de verschillende in aanmerking genomen aanwijzingen is gekomen, kan echter niet in twijfel worden getrokken enkel omdat uit de enquête een factor naar voren komt die deze conclusie niet steunt. Die factor wordt naar behoren vermeld en is door de Commissie in aanmerking genomen, zonder te zijn verdraaid, anders dan verzoekster zonder enige andere vorm van bewijs stelt.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in