Gerecht EU 28 april 2010, T-446/05, ECLI:EU:T:2010:165
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
28 april 2010 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt voor industrieel garen – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Begrip ‚één enkele inbreuk’ – Afbakening van markt – Geldboeten – Plafond van geldboete – Zwaarte en duur van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking – Evenredigheid – Gelijke behandeling – Rechten van verdediging – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten”
In zaak T‑446/05,
Amann & Söhne GmbH & Co. KG, gevestigd te Bönnigheim (Duitsland),
Cousin Filterie SAS, gevestigd te Wervicq-Sud (Frankrijk),
vertegenwoordigd door A. Röhling, M. Dietrich en C. Horstkotte, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en K. Mojzesowicz als gemachtigden, bijgestaan door G. Eickstädt, advocaat,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2005) 3452 van de Commissie van 14 september 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.337 – PO/Garen), zoals gewijzigd bij beschikking C(2005) 3765 van de Commissie van 13 oktober 2005, en, subsidiair, tot verlaging van de bij deze beschikking aan verzoeksters opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. Prek (rapporteur) en V. M. Ciucă, rechters,
griffier: T. Weiler, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 december 2008,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
A – Voorwerp van het geding
1 Bij beschikking C(2005) 3452 van 14 september 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.337 – PO/Garen; hierna: „bestreden beschikking”), zoals gewijzigd bij beschikking C(2005) 3765 van de Commissie van 13 oktober 2005, waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 26 januari 2008 (PB C 21, blz. 10), heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat verzoeksters, Amann & Sohne GmbH & Co. KG (hierna: „Amann”) en Cousin Filterie SAS (hierna: „Cousin”), in de periode van mei/juni januari 1998 tot 15 mei 2000 hebben deelgenomen aan een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor garen voor de automobielsector (hierna: „garen voor de automobielsector”) in de Europese Economische Ruimte (EER), en dat Amann tevens in de periode van januari 1990 tot september 2001 heeft deelgenomen aan een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor garen voor andere industriële afnemers dan die van de automobielsector (hierna: „industrieel garen”) in de Benelux, Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden (hierna: „Noordse landen”).
2 De Commissie heeft Amann en Cousin een hoofdelijk verschuldigde geldboete van 4,888 miljoen EUR opgelegd wegens hun deelneming aan de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector in de EER. Voorts heeft zij Amann een geldboete van 13,09 miljoen EUR opgelegd wegens haar deelneming aan de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.
B – Administratieve procedure
3 Op 7 en 8 november 2001 heeft de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verificaties verricht in de kantoren van verschillende garenproducenten, dit naar aanleiding van informatie die haar in augustus 2000 door The English Needle & Tackle Co. Ltd was verstrekt (bestreden beschikking, punt 78).
4 Op 26 november 2001 heeft Coats Viyella plc (hierna: „Coats”) krachtens de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking”) een clementieverzoek ingediend. Bij dit verzoek waren stukken gevoegd die het bewijs dienden te leveren van het bestaan van de volgende mededingingsregelingen: ten eerste, een mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector in de EER, ten tweede, een mededingingsregeling op de markt voor garen voor industriële afnemers in het Verenigd Koninkrijk en, ten derde, een mededingingsregeling op de markt voor garen voor industriële afnemers in de Benelux en de Noordse landen (bestreden beschikking, punt 82).
5 Op basis van de tijdens de inspecties gevonden documenten en de door Coats meegedeelde documenten heeft de Commissie overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 17 in maart en augustus 2003 de betrokken ondernemingen om inlichtingen verzocht (bestreden beschikking, punt 83).
6 Op 18 maart 2004 heeft de Commissie aan verschillende ondernemingen een mededeling van punten van bezwaar toegezonden wegens hun deelneming aan een of meerdere van de hierboven in punt 4 bedoelde mededingingsregelingen, waaronder die op de markt voor garen voor industriële afnemers in de Benelux en de Noordse landen.
7 Alle ondernemingen die adressaat waren van de mededeling van punten van bezwaar hebben schriftelijke opmerkingen ingediend (bestreden beschikking, punt 90).
8 Op 19 en 20 juli 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden (bestreden beschikking, punt 92).
9 Op 24 september 2004 werd de partijen toegang verleend tot de niet-vertrouwelijke versie van de antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar en op de opmerkingen die de partijen tijdens de hoorzitting hadden gemaakt. Er werd hun tevens een termijn verleend om verdere opmerkingen te maken (bestreden beschikking, punt 93).
10 Op 14 september 2005 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld.
C – Bestreden beschikking
1. Betrokken markten
a) Productmarkten
11 De Commissie merkt in de bestreden beschikking op dat de garensector in twee segmenten kan worden verdeeld, namelijk die van industrieel garen voor het naaien of borduren van verschillende soorten kledingstukken of andere artikelen, zoals lederwaren, textielbekleding voor auto's en matrassen, en het segment van het huishoudgaren, dat door particulieren voor naai- en herstelwerk en voor hobbydoeleinden wordt gebruikt (bestreden beschikking, punt 9).
12 Wat het segment van het industriële garen betreft, dit kan blijkens de bestreden beschikking in drie categorieën worden onderverdeeld naargelang van het gebruik dat van het garen wordt gemaakt: naaigaren voor de confectiesector, dat wordt gebruikt voor verschillende soorten kleding, borduurgaren, dat op geautomatiseerde industriële borduurmachines wordt gebruikt ter verfraaiing van kledingstukken, sportschoeisel en huislinnen, en speciaal garen, dat in verschillende sectoren wordt gebruikt, zoals de schoenen-, de lederwaren- en de automobielsector (bestreden beschikking, punt 11).
13 Uit de bestreden beschikking blijkt voorts dat garen voor industriële afnemers eveneens in verschillende categorieën kan worden ingedeeld naargelang van het soort vezel en de structuur van het garen (bestreden beschikking, punt 12).
14 De Commissie stelt zich in de bestreden beschikking op het standpunt dat industrieel garen aan de aanbodzijde als één enkele productmarkt kan worden beschouwd, aangezien er geen strikte overeenstemming is tussen het uiteindelijke gebruik en het soort vezel en/of de structuur van het garen. De Commissie preciseert dat bepaalde klanten uit de confectiesector volgens Coats speciaal garen gebruiken en dat bepaalde klanten uit de borduursector naaigaren gebruiken. Zij voegt hieraan toe dat Coats heeft opgemerkt dat naaigaren, borduurgaren en de verschillende soorten speciaal garen via een gemeenschappelijk productieproces of via gemakkelijk onderling verwisselbare productieprocessen kunnen worden vervaardigd (bestreden beschikking, punt 13).
15 De Commissie maakt niettemin in de bestreden beschikking een onderscheid tussen garen voor de automobielsector en garen voor de rest van de industrie. Zij is immers van mening dat de productieprocessen voor deze twee soorten garen weliswaar vergelijkbaar of gemakkelijk onderling uitwisselbaar zijn, maar dat de vraagzijde in de automobielsector wordt gevormd door grote cliënten die specifiekere eisen stellen aan bepaalde van de door hen gebruikte producten – bijvoorbeeld aan garen voor veiligheidsgordels – en die belang hechten aan de uniformiteit van de producten in de verschillende landen waar zij dit garen nodig hebben voor hun productie (bestreden beschikking, punt 14).
16 In de onderhavige zaak zijn de productmarkten waarop de aan verzoeksters verweten inbreuken betrekking hebben die van garen voor de automobielsector en, voor zover het gaat om de aan Amann verweten inbreuk, die van industrieel garen.
b) Geografische markten
17 De Commissie merkt in de bestreden beschikking op dat de markt voor garen voor de automobielsector wegens de hierboven genoemde hogere specificatienormen, die uniformiteit in de EER vereisen, moet worden onderscheiden van de markt voor industrieel garen. Zo bestrijkt de markt voor garen voor de automobielsector de gehele EER. Slechts enkele leveranciers kunnen immers voor de gehele EER een standaardofferte voor deze producten uitbrengen. De redenen hiervoor zijn dat de kopers ter vergemakkelijking van hun productie in verschillende landen uniform garen nodig hebben, dat dit garen aan specifieke kwaliteitsnormen dient te beantwoorden (bijvoorbeeld het garen dat wordt gebruikt voor het vervaardigen van veiligheidsgordels) en dat het voor de beoordeling van de kwaliteit van de producten en van de aansprakelijkheid van wezenlijk belang is dat de producent van dit garen kan worden getraceerd (bestreden beschikking, punten 21 en 22).
18 Wat daarentegen het industriële garen betreft, stelt de Commissie vast dat de betrokken geografische markt volgens de door de partijen verstrekte informatie regionaal is. Zij voegt hieraan toe dat een regio naargelang van het geval meerdere landen van de EER kan bestrijken, bijvoorbeeld de landen van de Benelux of de Noordse landen, of één enkel land, bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk (bestreden beschikking, punt 17).
19 Uit de bestreden beschikking volgt dat de geografische markt waarop de aan Amann verweten inbreuk in verband met industrieel garen betrekking heeft, de landen van de Benelux en de Noordse landen bestrijkt, terwijl de markt waarop de aan verzoeksters verweten inbreuk in verband met garen voor de automobielsector is gepleegd, de EER bestrijkt.
2. Omvang en structuur van de betrokken markten
20 De Commissie preciseert in de bestreden beschikking dat de omzet van industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen in 2000 ongeveer 50 miljoen EUR en in 2004 ongeveer 40 miljoen EUR bedroeg, en dat de omzet van garen voor de automobielsector in 1999 ongeveer 20 miljoen EUR bedroeg (bestreden beschikking, punten 28 en 35).
21 Uit de beschikking blijkt tevens dat met name Amann, Barbour Threads Ltd (hierna: „Barbour”), vóór de overname ervan door Coats, Belgian Sewing Thread NV (hierna: „BST”) en Coats, Gütermann AG en Zwicky & Co. AG (hierna: „Zwicky”) eind jaren negentig de belangrijkste leveranciers van industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen waren en dat met name verzoeksters, Coats, Oxley Threads Ltd (hierna: „Oxley ”), Gütermann en Zwicky de belangrijkste leveranciers waren van garen voor de automobielsector.
3. Beschrijving van de inbreukmakende gedragingen
22 De Commissie merkt in de bestreden beschikking op dat verzoeksters de gedragingen die hun worden verweten in het kader van de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector in de EER hebben verricht van mei/juni 1998 tot 2000.
23 De leden van het kartel op de markt voor garen voor de automobielsector in de EER hadden volgens haar voornamelijk als doel de prijzen hoog te houden (bestreden beschikking, punt 214).
24 Te dien einde zijn vijf bijeenkomsten georganiseerd, waarop de deelnemers om te beginnen twee soorten richtprijzen voor de aan de Europese automobielsector verkochte basisproducten hebben vastgesteld, één voor de bestaande klanten en een andere voor nieuwe klanten. Voorts is op deze bijeenkomsten informatie uitgewisseld over de prijzen die voor de individuele klanten golden en over de minimale richtprijzen. Ten slotte hebben de deelnemers aan deze bijeenkomsten zich ertoe verbonden, onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen (bestreden beschikking, punt 215).
25 Wat de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen betreft, stelt de Commissie vast dat de betrokken gedragingen zijn verricht in de periode van 1990 tot 2001.
26 Volgens de Commissie zijn de betrokken ondernemingen in het kader van deze mededingingsregeling ten minste één keer per jaar bijeengekomen en werden deze bijeenkomsten in twee sessies opgedeeld: één sessie gewijd aan de markt van de Benelux-landen, en één sessie gewijd aan die van de Noordse landen. Deze bijeenkomsten hadden voornamelijk tot doel, de prijzen op elk van deze twee markten hoog te houden.
27 De deelnemers hebben prijslijsten uitgewisseld, alsook informatie over kortingen, over de toepassing van verhogingen van de catalogusprijzen, over verlagingen van kortingen en over de verhoging van de speciale prijzen die golden voor bepaalde klanten. Tevens werden overeenkomsten gesloten over de toekomstige prijslijsten, over het maximale kortingspercentage, over de verlagingen van de kortingen en over de verhoging van de speciale prijzen die golden voor bepaalde klanten, en werd overeengekomen om onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen en de clientèle onder elkaar te verdelen (bestreden beschikking, punten 99‑125).
4. Dispositief van de bestreden beschikking
28 In artikel 1, lid 3, van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat zes ondernemingen, waaronder verzoeksters, artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst hebben geschonden door – in het geval van verzoeksters – in de periode van mei/juni 1998 tot mei 2000 deel te nemen aan een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor garen voor de automobielindustrie in de EER. Voorts heeft de Commissie in artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking vastgesteld dat acht ondernemingen, waaronder Amann, artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst hebben geschonden door – in het geval van Amann – in de periode van januari 1990 tot september 2001 deel te nemen aan een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.
29 Volgens artikel 2, eerste alinea, van de bestreden beschikking zijn de volgende geldboeten opgelegd:
a) voor de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector in de EER:
– aan verzoeksters, die hoofdelijk aansprakelijk zijn: 4,888 miljoen EUR;
– aan Coats: 0,65 miljoen EUR;
– aan Oxley: 1,271 miljoen EUR;
– aan Barbour en Hicking Pentecost plc, die hoofdelijk aansprakelijk zijn: 0,715 miljoen EUR;
b) voor de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen, met name:
– aan Coats: 15,05 miljoen EUR;
– aan Amann: 13,09 miljoen EUR;
– aan BST: 0,979 miljoen EUR;
– aan Gütermann: 4,021 miljoen EUR;
– aan Zwicky: 0,174 miljoen EUR.
Procesverloop en conclusies van partijen
30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 december 2005, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
31 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vijfde kamer en is de onderhavige zaak bijgevolg naar deze kamer verwezen.
32 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover zij op hen betrekking heeft;
– subsidiair, het bedrag van de geldboete op passende wijze te verlagen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
33 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
34 In de eerste plaats voeren verzoeksters een middel aan tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, namelijk schending van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1).
35 In de tweede plaats voeren verzoeksters een reeks middelen aan met het oog op de intrekking van de geldboete. Om te beginnen verwijten zij de Commissie dat het bedrag van de hun opgelegde geldboete het plafond van 10 % van hun omzet overschrijdt. Voorts voeren verzoeksters zeven middelen aan: schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het evenredigheidsbeginsel bij de oplegging van de geldboete, onjuiste berekening van het uitgangsbedrag van de geldboete die is opgelegd wegens de deelneming aan de mededingingsregeling betreffende industrieel garen, onjuiste berekening van de duur van de inbreuk op de markt voor industrieel garen, niet-inaanmerkingneming van bepaalde verzachtende omstandigheden met betrekking tot de inbreuk op de markt voor industrieel garen, onjuiste berekening van het uitgangs- en het basisbedrag van de geldboete die is opgelegd wegens de deelneming aan de inbreuk op de markt voor garen voor de automobielsector, niet-inaanmerkingneming van het feit dat de mededingingsregeling betreffende het garen voor de automobielsector niet is uitgevoerd, en schending van het recht om te worden gehoord en van de rechten van de verdediging.
A – Middel inzake schending van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003, aangevoerd door verzoeksters met het oog op de nietigverklaring van de bestreden beschikking
1. Argumenten van partijen
36 Verzoeksters stellen dat de gelaakte inbreuken één enkele inbreuk in de zin van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003 vormen, aangezien de markten voor garen voor de automobielsector en die voor industrieel garen geen afzonderlijke product- of geografische markten vormen, de betrokken mededingingsregelingen een gemeenschappelijk subjectief element bezitten en de criteria op grond waarvan de Commissie heeft vastgesteld dat er geen sprake is van één enkele inbreuk, ongeldig zijn.
37 Wat in de eerste plaats het bestaan van één enkele productmarkt betreft, betwisten verzoeksters dat zij uitdrukkelijk hebben bevestigd dat garen voor het maken van kleding en garen voor de automobielsector tot twee verschillende markten behoren. Door in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen de markt voor garen voor de automobielsector als een mondiale markt te kwalificeren, heeft Amann immers geenszins impliciet erkend dat deze markt autonoom is. Bovendien heeft Amann ramingen voor zes verschillende garensectoren verstrekt, maar was zij niet in staat om dit te doen voor garen voor de automobielsector.
38 Volgens verzoeksters kan op basis van de verklaringen van de andere ondernemingen, zoals Coats en Gütermann, evenmin worden geconcludeerd dat de markt voor garen voor de automobielsector losstaat van die voor industrieel garen.
39 Het standpunt van verzoeksters dat sprake is van één enkele markt wordt volgens hen bevestigd door de wijze waarop elk van de ondernemingen de producten heeft voorgesteld. Dit geldt met name voor de door Gütermann, Amann en Coats gemaakte indeling. Daaruit blijkt dat éénzelfde garen in verschillende branches kan worden gebruikt.
40 Het feit dat belangrijke klanten uit de automobielsector specifiekere eisen stellen, rechtvaardigt evenmin dat een onderscheid wordt gemaakt tussen industrieel garen en garen voor de automobielsector. Het garen wordt immers in de regel vervaardigd volgens de eisen van de automobielsector en in die kwaliteit geleverd aan de belangrijke klanten uit andere industriële sectoren. De productie van twee soorten garen van verschillende kwaliteit is overigens vanuit economisch oogpunt niet verdedigbaar. Zo zijn de technische kenmerken van garen voor de automobielsector grotendeels identiek aan die van industrieel garen. Beide soorten garen zijn dus onderling verwisselbaar en de wijze waarop zij worden verhandeld hangt bovendien niet af van de klanten, maar van de producten.
41 In de tweede plaats verwijten verzoeksters de Commissie dat zij niet heeft onderzocht of de verschillende gelaakte gedragingen een gemeenschappelijk subjectief element vertoonden dat deze gedragingen onderling verbond en of zij aldus één enkele inbreuk vormden. De Commissie heeft zelf vastgesteld dat al de inbreuken ertoe strekten de normale evolutie van de prijzen op de betrokken markt te vervalsen.
42 Het feit dat het gaat om prijsovereenkomsten en dat de voor de betrokken gebieden vastgestelde besluiten praktisch identiek zijn, verleent steun aan de stelling dat er in casu sprake is van één enkele inbreuk. Verzoeksters voegen hieraan toe dat het subjectieve element in de meeste lidstaten het doorslaggevende criterium is om het bestaan van één enkele inbreuk te kunnen vaststellen.
43 Zij stellen tevens dat, aangezien het merendeel van de betrokken ondernemingen middelgrote ondernemingen zijn, de bestuurders en de vennoten ervan noodzakelijkerwijs van de verschillende inbreuken op de hoogte moesten zijn. Zij preciseren dat het subjectieve element wat hen betreft bovendien voortvloeit uit het feit dat de interne bevoegdheden niet zijn opgesplitst naargelang het gaat om handel in industrieel garen dan wel in handel in garen voor de automobielsector.
44 Voorts merken zij in wezen op dat de Commissie niet logisch tewerk is gegaan. Zij is ervan uitgegaan dat de opeenvolgende inbreuken die in het kader van elke mededingingsregeling zijn gepleegd, in beginsel één enkele inbreuk vormen, maar heeft deze redenering niet doorgetrokken naar de verschillende mededingingsregelingen onderling. Dienaangaande bevat de bestreden beschikking volgens hen in de punten 266 tot en met 270 meerdere tegenstrijdigheden die aantonen dat de stelling van de Commissie dat er sprake is van verschillende inbreuken niet verdedigbaar is.
45 In de derde plaats betwisten verzoeksters de criteria op basis waarvan de Commissie heeft nagegaan of er al dan niet sprake is van één enkele inbreuk.
46 In de eerste plaats betogen zij dat deze criteria ongeldig zijn. Dienaangaande stellen zij dat de Commissie zelf geen duidelijk standpunt inneemt over de vraag welke criteria dienen te worden gebruikt om uit te maken of sprake is van één enkele inbreuk, aangezien zij haar conclusie dat sprake is van twee verschillende inbreuken rechtvaardigt op grond van het feit dat er verschillende deelnemers zijn, dat op verschillende wijzen tewerk is gegaan en dat een algemene coördinatie ontbrak, en zich voorts baseert op verschillen tussen de betrokken markten, maar vervolgens verklaart dat de overeenkomsten betreffende de Benelux en de Noordse landen samen moeten worden onderzocht, aangezien zij onderling verbonden zijn door het feit dat zij op dezelfde wijze zijn georganiseerd en op dezelfde wijze functioneren en dat de partijen bij deze overeenkomsten dezelfde zijn. Verzoeksters stellen aldus vast dat het criterium van de algemene coördinatie geen enkele rol meer speelt voor de erkenning van het bestaan van één enkele inbreuk in de Benelux en de Noordse landen.
47 Voorts zijn zij van mening dat het criterium van de afbakening van de productmarkt in het geval van verwante producten irrelevant is. Het gebruik van dit criterium – behalve dan in gevallen waarin de producten duidelijk niet tot dezelfde markt behoren – zou er immers toe leiden dat aan de Commissie een bijna oncontroleerbare beoordelingsmarge wordt verleend bij de bestraffing van inbreuken op het mededingingsrecht. Het criterium volgens welke de deelnemers niet dezelfde zijn, is volgens hen eveneens irrelevant. De vraag door wie de deelnemende ondernemingen zich laten vertegenwoordigen is immers niet van belang, aangezien de deelneming toerekenbaar is aan de betrokken onderneming.
48 In de tweede plaats betogen Amann en Cousin dat de Commissie op basis van deze criteria hoe dan ook had moeten concluderen dat er sprake was van één enkele inbreuk.
49 Om te beginnen stellen zij dat de Commissie het bestaan van verschillende inbreuken niet geldig kan aantonen op basis van het feit dat er geen sprake is van coördinatie tussen de verschillende mededingingsregelingen, aangezien de Commissie zelf onder verwijzing naar de verklaringen van Coats opmerkt dat geen coördinatie tussen de betrokken gebieden hoefde te worden doorgevoerd, gelet op het feit dat de productmarkten veeleer per land waren afgebakend. Zo ook is de poging van de Commissie om een onderscheid te maken tussen de coördinatie van de geografische markten en die van de verschillende productmarkten irrelevant, gelet op het feit dat, indien er verschillende geografische markten zijn, een coördinatie tussen verschillende productmarkten geen zin heeft. Om die reden moet er volgens verzoeksters bij de beoordeling van de betrokken gedragingen van worden uitgegaan dat de bijeenkomsten met betrekking tot de verschillende gebieden deel uitmaakten van een algemeen plan dat door hun beider bestuur was goedgekeurd en dat wordt bevestigd door documenten waarin sprake is van frequente contacten tussen vertegenwoordigers van Coats en Amann over „hogere strategische” kwesties in Europa. Deze documenten tonen aan dat er een gemeenschappelijk subjectief element is. Verzoeksters verwijten de Commissie dienaangaande dat zij niet heeft onderzocht of Coats ook met andere concurrenten dergelijke contacten heeft gehad.
50 Voorts is er geen doorslaggevend verschil op het gebied van de partijen bij de overeenkomsten en de wijze waarop deze zijn georganiseerd. Dienaangaande merken verzoeksters op dat volgens de rechtspraak het bestaan van één enkele inbreuk in juridische zin niet kan worden uitgesloten op grond van het loutere feit dat elke onderneming op haar eigen wijze aan de inbreuk deelneemt. Een onderneming kan aldus aan één enkele mededingingsregeling hebben deelgenomen zonder aan alle bestanddelen ervan te hebben deelgenomen.
51 Op grond van deze overwegingen merken verzoeksters op dat slechts drie ondernemingen aan één enkele overeenkomst hebben deelgenomen, en dat alle andere ondernemingen bij ten minste twee overeenkomsten betrokken waren, zodat er een onderlinge vervlechting tussen de deelnemers was die pleit voor het bestaan van één enkele inbreuk. Bovendien biedt de vergelijking tussen de bijeenkomsten betreffende de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen en die betreffende de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector geen steun aan de stelling dat er verschillende inbreuken bestaan. De bijeenkomsten hebben in beide gevallen op onregelmatige tijdstippen plaatsgevonden.
52 De Commissie wijst deze argumenten van de hand.
2. Beoordeling door het Gerecht
a) Onderscheid tussen de productmarkten en de geografische markten
53 Uit de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie ervan is uitgegaan dat de markt voor garen voor de automobielsector wegens zijn specifieke karakter dient te worden onderscheiden van die voor industrieel garen, zowel vanuit het oogpunt van de producten als vanuit geografisch oogpunt (zie punten 12‑16 en 18‑20 hierboven).
54 Vooraf moet worden opgemerkt dat de bepaling van de relevante markt, voor zover zij voor de Commissie een ingewikkelde economische beoordeling inhoudt, slechts aan een beperkte toetsing door de gemeenschapsrechter onderworpen kan zijn (zie in die zin arresten Gerecht van 30 maart 2000, Kish Glass/Commissie, T‑65/96, Jurispr. blz. II‑1885, punt 64, en 6 juni 2002, Airtours/Commissie, T‑342/99, Jurispr. blz. II‑2585, punt 26). De gemeenschapsrechter mag er evenwel niet van afzien de interpretatie van economische gegevens door de Commissie te toetsen. Hij dient na te gaan of de bewijzen waarop de Commissie haar beoordeling heeft gebaseerd, juist, betrouwbaar en coherent zijn en alle relevante feiten omvatten die bij de beoordeling van een complexe toestand in aanmerking dienen te worden genomen, en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie arrest van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, Jurispr. blz. II‑3601, punt 482).
55 Voorts zij eraan herinnerd dat de in aanmerking te nemen markt alle producten omvat die door hun eigenschappen bijzonder geschikt zijn om in een constante behoefte te voorzien en die slechts in geringe mate door andere producten kunnen worden vervangen (arrest Hof van 9 november 1983, Nederlandsche Banden-Industrie-Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 37). Het Hof heeft meer bepaald geoordeeld dat het begrip productmarkt inhoudt dat er daadwerkelijke mededinging kan bestaan tussen de producten die hiervan deel uitmaken, hetgeen veronderstelt dat alle producten die deel uitmaken van eenzelfde markt, elkaar in voldoende mate kunnen substitueren (arrest Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punt 28).
56 De substitueerbaarheid wordt beoordeeld op basis van een reeks aanwijzingen, namelijk de specifieke kenmerken van de producten, de mededingingsvoorwaarden en de structuur van vraag en aanbod op de markt (arrest Nederlandsche Banden-Industrie-Michelin/Commissie, aangehaald in punt 55, punt 37).
57 De substitueerbaarheid aan de vraagzijde is weliswaar vanuit economisch standpunt het meest directe en doeltreffende evaluatiecriterium voor de aanbieders van een bepaald product (arrest Gerecht van 4 juli 2006, easyJet/Commissie, T‑177/04, Jurispr. blz. II‑1931, punt 99), maar bij de bepaling van de relevante markt kan ook rekening worden gehouden met de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde, wanneer de gevolgen van deze substitueerbaarheid in termen van directheid en doelmatigheid vergelijkbaar zijn met die van de substitueerbaarheid aan de vraagzijde. Het criterium van de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde impliceert aldus dat de producenten door een eenvoudige aanpassing krachtig genoeg op deze markt kunnen gaan opereren om een serieus tegenwicht te vormen voor de reeds op deze markt aanwezige producenten (arrest Gerecht van 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T‑191/98, T‑212/98–T‑214/98, Jurispr. blz. II‑3275, punt 829).
58 Wat de producten zelf betreft, deze kunnen een afzonderlijke markt vormen, wanneer zij te individualiseren zijn op grond van bijzondere productiekenmerken waardoor zij specifiek geschikt zijn voor het doel waarvoor zij worden gebruikt, of op grond van hun gebruik (arrest hof van 21 februari 1973, Europemballage en Continental Can/Commissie, 6/72, jurispr. blz. 215, punt 33).
59 Ten slotte heeft de Commissie een bekendmaking inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht uitgevaardigd (PB 1997, C 372, blz. 5; hierna: „bekendmaking inzake de bepaling van de markt”), waarin zij de criteria heeft vastgesteld op basis waarvan de relevante productmarkt en de relevante geografische markt moeten worden afgebakend. De relevante productmarkt wordt hierin omschreven als de markt die „alle producten en/of diensten [omvat] die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd”. De geografische markt wordt omschreven als „het gebied waarbinnen de betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van goederen of diensten, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen”. Bij de bepaling van de relevante markt in het kader waarvan een bepaald mededingingsprobleem dient te worden beoordeeld, dienen de productmarkt en de geografische markt dus te worden gecombineerd.
60 In het licht van deze overwegingen dient te worden onderzocht of de Commissie in de punten 14 en 22 van de bestreden beschikking terecht tot de conclusie is gekomen dat er twee verschillende productmarkten en geografische markten bestaan, namelijk die voor garen voor de automobielsector in de EER en die voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen. De Commissie is tot deze conclusie gekomen op basis van de beoordeling van de substitueerbaarheid van de producten aan de vraagzijde en aan de aanbodzijde.
61 Wat ten eerste de substitueerbaarheid aan de vraagzijde betreft, bevat de bestreden beschikking een reeks elementen die lijken aan te tonen dat hiervan geen sprake is.
62 In de eerste plaats blijkt uit de punten 14 en 22 van de bestreden beschikking dat de vraagzijde in de automobielsector wordt gevormd door belangrijke klanten en dat dezen veel minder talrijk zijn dan de andere ondernemingen die goederen afnemen op de markt voor industrieel garen. Verzoeksters hebben deze vaststelling niet betwist. Zij hebben ter terechtzitting bevestigd dat de afnemers uit de automobielsector de meeste macht bezitten omdat zij grote hoeveelheden afnemen.
63 In de tweede plaats blijkt uit bovengenoemde punten van de bestreden beschikking dat de afnemers uit de automobielsector garen kopen voor hun in verschillende landen gevestigde productie-eenheden en dat zij dus voor elk van deze landen een uniform product eisen. Deze behoefte aan uniformiteit, die overigens door verzoeksters niet wordt betwist, valt economisch perfect te verklaren. Er kan immers redelijkerwijs van worden uitgegaan dat de aanpassing van de productiemachines aan het soort garen dat wordt gebruikt, kosten meebrengt. De automobielnijverheid tracht deze kosten dus te drukken door grote hoeveelheden van een zeer specifiek soort garen aan te kopen en de in verschillende landen geïnstalleerde productiemachines één enkele keer hieraan aan te passen.
64 In de derde plaats blijkt uit de punten 14 en 22 van de bestreden beschikking dat garen voor de automobielsector aan bijzonder strenge normen moet voldoen die specifiek zijn voor deze sector en dat de traceerbaarheid van het product het om redenen die verband houden met de productkwaliteit en de productaansprakelijkheid van wezenlijk belang is. Verzoeksters hebben deze vaststelling zowel in hun verzoekschrift als ter terechtzitting bevestigd.
65 Zij hebben immers erkend dat over het algemeen de klanten beslissen welk garen zij voor hun productie nodig hebben, en dus het product kiezen dat voldoet aan hun behoeften als gebruikers. Wat meer bepaald de klanten uit de automobielsector betreft, hebben verzoeksters erkend dat dezen eisen dat het aangekochte garen ten minste voldoet aan ISO-norm 9002. Zij hebben zelfs ter terechtzitting gepreciseerd dat het garen voor de automobielsector bijzondere kenmerken bezit, aangeduid met de code „TS950”, en dat zij bij de productie met deze elementen rekening houden.
66 Voorts hebben verzoeksters beschreven volgens welke procedure het garen door de klanten uit de automobielsector wordt gekeurd. Om te beginnen ontwikkelen verzoeksters een soort garen dat ten minste voldoet aan ISO-norm 9002. Vervolgens wordt dit garen getest door de automobielfabrikant die het in zijn productie wenst te gebruiken, en ten slotte wordt het door deze laatste gecertificeerd, indien deze test succesvol is.
67 Gelet op deze overwegingen dient te worden aangenomen dat het door de automobielsector gekozen specifieke garen niet door ander industrieel garen kan worden vervangen. Het feit dat dit soort garen ook aan andere klanten dan die uit de automobielsector wordt verkocht, doet niet ter zake. Anders dan de andere mogelijke kopers van dit product zullen de ondernemingen uit de automobielsector immers slechts garen kopen dat specifieke intrinsieke kwaliteiten bezit en wegens deze bijzondere kwaliteiten door hen is gecertificeerd. Verzoeksters kunnen dus niet redelijkerwijs stellen dat er sprake is van substitueerbaarheid aan de vraagzijde.
68 Het antwoord van Coats op het verzoek om inlichtingen van de Commissie bevestigt eveneens dat er geen sprake is van substitueerbaarheid aan de vraagzijde. Coats heeft immers opgemerkt dat bepaalde klanten uit de confectiesector borduurgaren gebruiken, terwijl bepaalde klanten uit de borduursector confectiegaren gebruiken. Zij heeft daarentegen niet gewaagd van een dergelijke substitueerbaarheid aan de vraagzijde voor zover het gaat om de klanten uit de automobielsector.
69 Ten tweede heeft de Commissie zich weliswaar op het standpunt gesteld dat industrieel garen aan de aanbodzijde als één enkele productmarkt kan worden beschouwd, aangezien er geen strikte overeenstemming is tussen het uiteindelijke gebruik en het soort vezel en/of de structuur van het garen en de betrokken productieprocessen vergelijkbaar of onderling verwisselbaar zijn, maar zij heeft niettemin geconcludeerd dat dit niet het geval is voor garen voor de automobielsector.
70 De Commissie heeft deze conclusie gebaseerd op de specifieke kenmerken van het garen voor de automobielsector, op de noodzaak om een standaardofferte uit te brengen en op het vermogen tegemoet te komen aan bestellingen van belangrijke klanten uit deze sector. Zij heeft zich eveneens gebaseerd op het feit dat de geografische markt voor garen voor de automobielsector, anders dan die voor industrieel garen, die louter regionaal is, het gehele grondgebied van de EER bestrijkt. Gelet op deze factoren was zij van mening dat slechts enkele ondernemingen aan dit soort vraag kunnen voldoen (zie punt 22 van de bestreden beschikking).
71 Om te beginnen vereist substitueerbaarheid aan de aanbodzijde volgens punt 20 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt dat aanbieders in antwoord op geringe en duurzame wijzigingen van de betrokken prijzen kunnen overschakelen op de productie van de relevante producten en deze op korte termijn op de markt kunnen brengen zonder aanzienlijke bijkomende kosten te maken of risico's te lopen. Voorts merkt de Commissie in punt 21 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt op dat van een dergelijke substitueerbaarheid vaak sprake is wanneer ondernemingen een breed assortiment kwaliteiten of soorten van één product op de markt brengen, en dat zelfs wanneer deze verschillende kwaliteiten voor een bepaalde eindafnemer of consumentengroep niet substitueerbaar zijn, zij in één productmarkt zullen worden ondergebracht. Industrieel garen stemt op het eerste gezicht overeen met het soort product dat in punt 21 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt wordt bedoeld.
72 Ten slotte bevestigt de Commissie in de punten 22 en 23 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt met concrete voorbeelden dat de betrokken aanbieders de onderscheiden kwaliteiten onmiddellijk en zonder aanzienlijke verhoging van de kosten moeten kunnen aanbieden en verkopen, en dat er geen bijzondere distributiemoeilijkheden mogen bestaan.
73 In het licht van deze overwegingen dient te worden vastgesteld of de Commissie het criterium van de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde correct heeft beoordeeld.
74 In de eerste plaats moeten de producenten van garen voor de automobielsector, zoals hierboven in de punten 63 en volgende is opgemerkt, hun productiemachines zo afstellen dat het vervaardigde garen aan specifieke normen voldoet.
75 In de tweede plaats kan de redenering van verzoeksters betreffende de geringe productiekosten van garen voor de automobielsector niet overtuigen. Verzoeksters stellen niet alleen dat het garen in de regel wordt vervaardigd volgens de eisen van de automobielsector en in die kwaliteit wordt geleverd aan de klanten uit andere industriële sectoren, maar ook dat de kosten voor het aanpassen van de productieketen te hoog zouden zijn indien een product enkel voor de automobielsector zou moeten worden gemaakt en de productieketen vervolgens zou moeten worden gewijzigd en aangepast met het oog op de vervaardiging van producten voor andere industriële sectoren.
76 Dit neemt evenwel niet weg dat een onderneming die reeds aanwezig is op de markt voor garen voor de automobielsector en met het oog op de rationalisatie van de productie hoofdzakelijk garen produceert dat aan de strengere norm voldoet, ongeacht de bestemming van het product, slechts aldus zal handelen omdat zij aanwezig is op de automobielmarkt en de kosten van de productie volgens de specifieke normen die gelden voor garen voor de automobielsector, hoog zijn. Met andere woorden, een onderneming die zich voornamelijk bezighoudt met confectiegaren of borduurgaren, zal er geen enkel belang bij hebben, speciaal garen voor de automobielsector te vervaardigen op de loutere grond dat zij dit garen eventueel zou kunnen verkopen aan klanten uit de automobielsector.
77 De stelling van verzoeksters dat de kosten voor het produceren van garen voor de automobielsector zo laag zijn dat dit garen steeds volgens strengere normen wordt geproduceerd, is dus niet bewezen voor zover het gaat om de producenten van industrieel garen.
78 In de derde plaats hebben verzoeksters tijdens de administratieve procedure niet in twijfel getrokken dat de twee markten geografisch gezien duidelijk verschillen. In haar antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie heeft Amann de markt voor garen voor de automobielsector zelfs als mondiaal gekwalificeerd. Coats heeft eveneens aangestipt dat op deze laatste markt, gelet op de specifieke kenmerken ervan, slechts „regionale” en „globale” aanbieders opereren, waarbij deze termen in de context van het antwoord dienen te worden opgevat als „op het gehele grondgebied van de EER” en „mondiaal”.
79 Aldus zou voor substitueerbaarheid aan de aanbodzijde vereist zijn dat de meeste garenproducenten in staat zijn voor elke klant uit de automobielsector een grote hoeveelheid specifiek en uniform garen te produceren en deze binnen een korte termijn in de gehele EER te distribueren. Gelet op de voorgaande overwegingen kan bezwaarlijk worden gesteld dat dit het geval is.
80 De Commissie heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat er aan de aanbodzijde twee afzonderlijke product- en geografische markten bestaan.
81 Dienaangaande zij gepreciseerd dat de Commissie de antwoorden van verzoeksters en de andere betrokken ondernemingen op basis waarvan zij heeft geconcludeerd dat er twee afzonderlijke productmarkten bestaan, correct heeft beoordeeld en geïnterpreteerd.
82 Om te beginnen heeft de Commissie verzoeksters gevraagd of naaigaren voor industriële kleding, borduur- en speciaal garen voor industrieel gebruik en huishoudgaren verschillende productmarkten binnen de garensector vormen. De Commissie heeft tevens een tabel ter bepaling van de relevante geografische markten voor elk van bovengenoemde categorieën garen overgelegd, die een specifieke rubriek, „Garen voor auto’s”, omvatte. Zij heeft gepreciseerd dat deze laatste categorie deel uitmaakte van de categorie van speciaal garen voor industrieel gebruik, maar tevens opgemerkt dat zij Amann en Cousin wenste te raadplegen over de relevante geografische markt voor dit soort garen.
83 In haar antwoord op dit verzoek om inlichtingen heeft Amann opgemerkt dat de gedetailleerde opsplitsing door de Commissie correct was, omdat „de productspecificaties en de specifieke behoeften van de klanten in met name de kledingindustrie zich onder meer op het gebied van het kleurenassortiment duidelijk onderscheiden van die van de andere twee sectoren”. Cousin was het ook volkomen eens met de door de Commissie voorgestelde indeling. Zij heeft niettemin gepreciseerd dat het zeer moeilijk is om de markten te evalueren, voornamelijk wanneer het gaat om speciaal garen, gelet op het feit dat dit op zeer uiteenlopende wijzen wordt gebruikt, en opgemerkt dat zij meer dan 80 beroepen heeft geteld.
84 Aldus hebben verzoeksters weliswaar uitdrukkelijk erkend dat de markt voor speciaal garen een afzonderlijke productmarkt vormt, maar, anders dan de Commissie in haar memories heeft gesteld, niet dat de markt voor garen voor de automobielsector, die deel uitmaakt van de markt voor speciaal garen, zelf een afzonderlijke productmarkt vormt.
85 Gütermann heeft eveneens met de door de Commissie voorgestelde indeling ingestemd, maar zij heeft zich niet expliciet over de markt voor garen voor de automobielsector uitgesproken. Coats heeft op de vraag betreffende de productmarkten geantwoord dat de producten volgens haar niet voldoende van elkaar verschilden om te kunnen spreken van drie afzonderlijke markten, ook al erkende zij dat de markt voor garen voor de automobielsector specifieke kenmerken vertoont, zoals hierboven in punt 78 is uiteengezet. Enkel Oxley heeft zonder meer bevestigd dat de markt voor garen voor de automobielsector een afzonderlijke markt vormt, en hiervoor argumenten aangevoerd.
86 De interpretatie van deze elementen, om uit te maken of er een afzonderlijke markt voor garen voor de automobielsector bestaat, mag dan minder voor de hand liggen dan de Commissie stelt, dit neemt niet weg dat haar conclusies niet op een kennelijke beoordelingsfout berusten en dat zij de feiten niet heeft verdraaid.
87 Haar conclusies worden overigens bevestigd door andere aanwijzingen, zoals die welke te vinden zijn op de websites van de ondernemingen, die over het algemeen een afzonderlijke rubriek bevatten voor garen voor de automobielsector. Zo ook bezitten al deze ondernemingen garenmerken die specifiek voor deze sector zijn ontwikkeld.
88 Uit al het bovenstaande blijkt dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door ervan uit te gaan dat de markt voor garen voor de automobielsector en de markt voor industrieel garen in casu verschillende markten vormen.
b) Bestaan van een „totaalplan”
89 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het begrip „één enkele inbreuk” doelt op een situatie waarin meerdere ondernemingen hebben deelgenomen aan een inbreuk bestaande in een voortgezette gedraging met één enkel economisch doel, de mededinging te verstoren, dan wel in individuele inbreuken die onderling zijn verbonden door hetzelfde doel (alle elementen hebben hetzelfde doel) en dezelfde subjecten (dezelfde betrokken ondernemingen die welbewust aan het gemeenschappelijke doel deelnemen) (arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T‑53/03, Jurispr. blz. II‑1333, punt 257).
90 Voorts kan een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortgezette gedraging. Deze uitlegging kan niet worden betwist met het argument dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging op zich ook afzonderlijk een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen, wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een totaalplan, mag de Commissie de aansprakelijkheid voor deze handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 258).
91 Bovendien kan het begrip „één enkele inbreuk” volgens vaste rechtspraak slaan op de juridische kwalificatie van een mededingingsverstorende gedraging die bestaat uit overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen (zie in die zin arresten Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punten 696‑698; 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punt 186, en 12 december 2007, BASF/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr. blz. II‑4949, punt 159).
92 Voorts kan het begrip „gemeenschappelijk doel” niet worden bepaald door een algemene verwijzing naar de verstoring van de mededinging op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft, aangezien de ongunstige beïnvloeding van de mededinging, als doel of gevolg, een wezenlijk element is van elke gedraging die binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG valt. Een dergelijke definitie van het begrip „gemeenschappelijk doel” dreigt het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” een deel van zijn zin te ontnemen, daar zij ertoe zou leiden dat verschillende bij artikel 81, lid 1, EG verboden gedragingen in een sector van de economie stelselmatig als bestanddelen van één enkele inbreuk zouden moeten worden aangemerkt. Ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden gekwalificeerd, moet aldus worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan bedoeld is om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van mededingingsverstorende gevolgen dat de daders beogen, dit in het kader van een totaalplan met één enkel doel. Dienaangaande moet rekening worden gehouden met elke omstandigheid die dat verband kan aantonen of weerleggen, zoals de toepassingsperiode, de inhoud (met inbegrip van de gehanteerde methoden) en, daarmee samenhangend, het doel van de verschillende handelingen in kwestie (zie in die zin arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 91, punten 179‑181).
93 De Commissie kan dus op objectieve gronden verschillende procedures inleiden, verschillende inbreuken vaststellen en verschillende geldboeten opleggen (zie in die zin arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „arrest Tokai II”, punt 124).
94 Ten slotte heeft de kwalificatie van bepaalde onrechtmatige gedragingen als één enkele inbreuk dan wel als verschillende inbreuken in beginsel invloed op de sanctie die kan worden opgelegd, aangezien de vaststelling van verschillende inbreuken kan leiden tot de oplegging van verschillende geldboeten, die elk binnen de bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 gestelde perken moeten blijven (arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 91, punt 158).
95 In het licht van deze overwegingen dient te worden beoordeeld of er een „totaalplan” bestond.
96 Verzoeksters stellen om te beginnen voornamelijk dat het gemeenschappelijke subjectieve element is gelegen in het feit dat elk van de inbreuken de normale prijsevolutie beoogde te vervalsen. Een dergelijk streven om de prijzen te vervalsen is evenwel inherent aan elk prijskartel en kan op zich niet het bestaan van een gemeenschappelijk subjectief element aantonen. Anders dan verzoeksters stellen, is de Commissie er in de bestreden beschikking niet principieel van uitgegaan dat de inbreuken onderling verbonden zijn. In punt 269 van deze beschikking heeft zij immers louter gewag gemaakt van het bestaan van één enkel mededingingsverstorend doel en één enkel economisch doel dat inherent is aan dit soort mededingingsregeling, namelijk het vervalsen van de normale prijsevolutie, maar tegelijkertijd beklemtoond dat dit mededingingsverstorende en dit economische doel in het kader van elk van de drie verschillende inbreuken werden nagestreefd.
97 Voorts heeft de Commissie ter onderbouwing van haar stelling dat er geen sprake is van één enkele inbreuk, naast het feit dat de markt voor garen voor de automobielsector en die voor industrieel garen afzonderlijke markten vormen, zoals overigens hierboven in de punten 53 tot en met 88 is opgemerkt, voornamelijk aangevoerd dat de meeste deelnemers aan de mededingingsregelingen niet dezelfde waren en dat een algemene coördinatie van deze regelingen ontbrak. Verzoeksters hebben niets tegen deze criteria kunnen inbrengen en hebben dus niet aangetoond dat de verschillende mededingingsverstorende handelingen „nauw met elkaar verbonden” zijn.
98 Wat in de eerste plaats het criterium betreft dat het niet ging om dezelfde deelnemers, heeft de Commissie in de punten 96 en 216 van de bestreden beschikking de deelnemers aan de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector en die op de markt voor industrieel garen opgesomd. Zij heeft zich vervolgens in punt 265, sub a, van de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat de meeste ondernemingen slechts aan één enkele mededingingsregeling hadden deelgenomen, aangezien zij niet actief waren op de markten waarop de andere mededingingsregeling betrekking had.
99 Vastgesteld dient te worden dat van de tien ondernemingen die aan de ene en/of de andere mededingingsregeling hebben deelgenomen, slechts drie bij beide regelingen betrokken waren. Ackermann Nähgarne GmbH & Co, Bieze Stork BV, BST, Cousin, Gütermann, Zwicky en Oxley waren immers slechts bij één ervan betrokken. Enkel Coats, Barbour (tot haar overname door Coats) en Amann hebben aan de twee mededingingsregelingen deelgenomen. Het loutere feit dat deze drie ondernemingen aan de twee mededingingsregelingen hebben deelgenomen, vormt op zich geen aanwijzing dat er sprake was van een gemeenschappelijke strategie (zie in die zin arrest Tokai II, aangehaald in punt 93, punt 120). Bovendien werden de ondernemingen, op Barbour na, niet door dezelfde personen vertegenwoordigd op de bijeenkomsten die werden georganiseerd in het kader van de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector en in het kader van die op de markt voor industrieel garen, gedurende de periode dat deze twee mededingingsregelingen elkaar overlapten (1998‑2000).
100 De vaststelling van de Commissie in punt 265, sub a, van de bestreden beschikking berust dus niet op een kennelijke beoordelingsfout.
101 In de tweede plaats vormt de inhoud van de mededingingsregelingen evenmin het bewijs van het bestaan van een totaalplan. Uit de bestreden beschikking blijkt immers dat de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector en die op de markt voor industrieel garen inhoudelijk duidelijk van elkaar verschillen.
102 Wat de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector betreft, blijkt uit de punten 215, 220, 223, 224, 226, 228 tot en met 230, 233 tot en met 236 en 238 van de bestreden beschikking dat de door de kartelleden uitgewisselde informatie betrekking had op de prijzen die voor bepaalde klanten werden gehanteerd, en dat werd overeengekomen om minimale richtprijzen voor de aan de klanten uit de automobielsector verkochte basisproducten vast te stellen, alsook twee soorten richtprijzen voor respectievelijk bestaande en nieuwe klanten en minimale richtprijzen voor bepaalde klanten waarover informatie werd uitgewisseld. De deelnemers zijn eveneens overeengekomen om onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen.
103 Wat de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen betreft, blijkt uit de punten 99 tot en met 153 van de bestreden beschikking dat de uitgewisselde informatie betrekking had op de prijs- en kortingslijsten, op de toepassing van verhogingen van de catalogusprijzen, op verlagingen van kortingen en op de verhoging van de speciale prijzen die golden voor bepaalde klanten, en dat de partijen overeenkomsten hebben gesloten over de toekomstige prijslijsten, over het maximale kortingspercentage, over de verlagingen van de kortingen en over de verhoging van de speciale prijzen die golden voor bepaalde klanten en tevens zijn overeengekomen om onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen.
104 Bovengenoemde punten van de bestreden beschikking bevestigen dat de twee mededingingsregelingen duidelijk inhoudelijk van elkaar verschillen. Het bestaan van enkele gelijkenissen tussen deze twee mededingingsregelingen, zoals de overeenkomst om onderbieding van de prijzen van de gevestigde leverancier te voorkomen, kan op zich niet afdoen aan deze vaststelling.
105 In de derde plaats is er een aanzienlijk verschil in de wijze waarop de twee kartels functioneerden. Zoals de Commissie in punt 218 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, was de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector immers vrij flexibel georganiseerd en vonden er op onregelmatige tijdstippen kleine bijeenkomsten plaats, die werden aangevuld door frequente bilaterale contacten. Uit de punten 96 tot en met 99 en 149 tot en met 153 van de bestreden beschikking blijkt dat in het kader van de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen ten minste éénmaal per jaar een bijeenkomst plaatsvond en dat deze in twee sessies was opgesplitst, één die was gewijd aan de markt van de Noordse landen en één die betrekking had op de Benelux-markt. Uit deze punten blijkt tevens dat periodiek bilaterale contacten plaatsvonden.
106 Gelet op deze elementen heeft de Commissie geen beoordelingsfout gemaakt door in de punten 265 tot en met 267 van de bestreden beschikking te concluderen dat de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector en die op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen van elkaar dienden te worden onderscheiden en dus twee verschillende inbreuken vormden.
107 Dienaangaande zij opgemerkt dat de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en die op de markt voor industrieel garen in de Noordse landen, anders dan de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector, als één enkele inbreuk zijn beschouwd op grond van het feit dat de producten identiek waren, dat de deelnemers aan de mededingingsregeling dezelfde waren, dat de mededingingsregelingen inhoudelijk vergelijkbaar waren en op soortgelijke wijze functioneerden, dat de bijeenkomsten op dezelfde dag werden gehouden en dat de deelnemende ondernemingen daarop door dezelfde personen werden vertegenwoordigd.
108 Voorts is het argument dat de bevoegdheden bij verzoeksters niet intern zijn opgesplitst naargelang het gaat om handel in industrieel garen dan wel om handel in garen voor de automobielsector, en dat de bestuurders en vennoten van de deelnemende ondernemingen noodzakelijkerwijs kennis hadden van het bestaan van de verschillende mededingingsregelingen, niet ter zake dienend. Deze punten bewijzen geenszins het bestaan van een gemeenschappelijk subjectief element.
109 Ook het argument van verzoeksters dat er sprake was van een algemene coördinatie, gelet op de frequente contacten tussen een vertegenwoordiger van Coats en de zaakvoerder van Amann, dient te worden verworpen. De stukken bevatten geen verklaringen die kunnen worden gezien als een aanwijzing dat er sprake was van een algemene coördinatie. Ter terechtzitting hebben verzoeksters erkend dat zij het Gerecht geen specifiek document konden voorleggen waaruit blijkt dat de wil tot een algemene coördinatie tussen Amann en Coats aanwezig was.
110 Ten slotte stellen verzoeksters ten onrechte dat het criterium van de afbakening van de productmarkt geen geldig beoordelingscriterium kan zijn omdat het de Commissie in het geval van verwante producten een oncontroleerbare beoordelingsmarge zou verlenen om het bestaan van twee verschillende inbreuken vast te stellen. De betrokken beoordelingsbevoegdheid van de Commissie is immers niet onbeperkt, aangezien de Commissie onderworpen blijft aan de controle van het Gerecht, zoals hierboven in punt 54 is uiteengezet. Voorts was het criterium betreffende de productmarkten in casu slechts één van de criteria op basis waarvan is geconcludeerd dat er sprake was van twee verschillende inbreuken.
111 Gelet op al deze overwegingen moet het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003 ongegrond worden verklaard.
B – Middelen strekkende tot een verlaging van de geldboete
1. Middel van verzoeksters inzake niet-inachtneming van de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde bovengrens voor sancties
a) Argumenten van partijen
112 Het middel van verzoeksters omvat drie grieven.
113 In het kader van de eerste grief stellen verzoeksters dat de twee inbreuken in werkelijkheid slechts één enkele inbreuk vormen en dat hun dus slechts één geldboete kan worden opgelegd, waarvan het bedrag het plafond van 10 % van de totale omzet niet mag overschrijden. Het gecumuleerde bedrag van de geldboeten overschrijdt evenwel dit plafond, zodat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 zijn geschonden.
114 Verzoeksters stellen dienaangaande dat het communautair- constitutionele beginsel „nulla poena sine lege” is geschonden. Zij laken in wezen het feit dat de Commissie zich door het opdelen van de markten waarop parallelle inbreuken zijn vastgesteld, een onbeperkte beoordelingsmarge verleent om geldboeten op te leggen die het plafond van 10 % van de totale omzet overschrijden. Volgens hen volgt uit het legaliteitsbeginsel niet alleen dat het voor de rechter verboden is om zonder wettelijke grondslag straffen op te leggen, maar ook dat de wetgever verplicht is om nauwkeurige en heldere strafnormen vast te stellen. Niet alleen de constitutieve bestanddelen van een norm, maar ook de juridische gevolgen ervan moeten dus duidelijk zijn. Deze vereisten gelden ook voor bovengenoemde bepalingen, die in geldboeten voor inbreuken op de mededingingsregels voorzien.
115 Verzoeksters zijn ter terechtzitting verzocht om hun betoog nader toe te lichten. Daarop hebben zij gepreciseerd dat dit aldus diende te worden opgevat dat zij ook de wettigheid van de norm zelf betwistten en dus een exceptie van onwettigheid tegen artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 opwerpen.
116 Voorts wijzen zij het argument van de Commissie dat zij het beginsel ne bis in idem in acht dient te nemen, van de hand, aangezien dit beginsel geen garanties biedt dat de vaststelling van het bestaan van één of meerdere inbreuken correct is. Zij stellen in wezen dat het probleem zich in een eerdere fase situeert, dat wil zeggen bij de vaststelling zelf of er sprake is van één of meerdere inbreuken.
117 Met hun tweede grief stellen verzoeksters dat de Commissie één enkele geldboete voor verschillende inbreuken kan opleggen indien het gaat om soortgelijke handelingen die op verschillende markten zijn verricht en de deelnemers grotendeels dezelfde ondernemingen zijn. Deze twee voorwaarden zijn volgens hen in casu vervuld.
118 Verzoeksters stellen vast dat de Commissie zonder enige motivering van haar vroegere praktijk is afgeweken. Indien de Commissie geen gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid om één enkele geldboete voor verschillende inbreuken op te leggen, dient zij deze keuze overeenkomstig de algemene beginselen van het Europese bestuursrecht te motiveren. In casu heeft de Commissie dus artikel 253 EG geschonden.
119 Vervolgens vergelijken verzoeksters de bestreden beschikking met de beschikking van de Commissie van 21 november 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/E-1/37.512 – Vitaminen) (PB 2003, L 6, blz. 1; hierna: „vitaminebeschikking”). De Commissie heeft daarin namelijk de voor de verschillende inbreuken opgelegde geldboeten samengebundeld tot één algemene geldboete en het dus nodig geacht om het plafond van 10 % van de totale omzet in acht te nemen. Evenals in de vitaminebeschikking zijn de mededingingsregelingen in de onderhavige zaak verbonden door eenzelfde materiële en „ruimtelijk-temporele” context.
120 Met hun derde grief stellen verzoeksters dat de door de Commissie beoogde afschrikkende werking reeds is bereikt door de oplegging van de geldboete voor de inbreuk op de markt voor industrieel garen. De Commissie had daar dus rekening mee moeten houden bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete voor de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector.
121 De Commissie wijst deze argumenten van de hand.
b) Beoordeling door het Gerecht
122 Het onderhavige middel van verzoeksters omvat in wezen drie grieven, ten eerste, schending van het beginsel nulla poena sine lege, ten tweede, niet-nakoming van de verplichting om één enkele geldboete voor verschillende inbreuken op te leggen en, ten derde, niet-inachtneming van de wettelijke doelstellingen van de sanctie.
Grief inzake schending van het beginsel nulla poena sine lege en exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003
123 In de eerste plaats dient de exceptie van onwettigheid te worden onderzocht die verzoeksters op drie gronden tegen artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 hebben opgeworpen. Ten eerste stellen verzoeksters in wezen dat het begrip „inbreuk” zelf, zoals bedoeld in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, onduidelijk is. Ten tweede stellen zij dat het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” evenmin duidelijk omschreven is en dat de Commissie aldus het bedrag van de geldboete willekeurig kan beïnvloeden door de markten waarop parallelle inbreuken zijn vastgesteld, op te delen. Ten derde stellen zij dat de in deze artikelen vastgestelde sancties ook onduidelijk zijn.
124 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof het beginsel van de legaliteit van sancties een uitvloeisel is van het rechtszekerheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is en met name vereist dat iedere communautaire regeling, inzonderheid wanneer daarbij sancties worden opgelegd of op grond daarvan sancties kunnen worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig is, zodat de betrokken personen ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (zie in die zin arresten Hof van 9 juli 1981, Gondrand Frères en Garancini, 169/80, Jurispr. blz. 1931, punt 17, en 13 februari 1996, van Es Douane Agenten, C‑143/93, Jurispr. blz. I‑431, punt 27, en arrest Gerecht van 5 april 2006, Degussa/Commissie, T‑279/02, Jurispr. blz. II‑897, punt 66).
125 Dit beginsel, dat deel uitmaakt van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben en in verschillende internationale verdragen, met name in artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), is neergelegd, geldt zowel voor strafrechtelijke normen als voor specifieke bestuurlijke instrumenten waarbij bestuurlijke sancties worden opgelegd of op grond waarvan dergelijke sancties kunnen worden opgelegd (zie in die zin arrest Hof van 18 november 1987, Maizena e.a., 137/85, Jurispr. blz. 4587, punt 15). Het is niet enkel van toepassing op de regels waarbij de constitutieve bestanddelen van een inbreuk worden vastgesteld, maar ook op de regels waarbij de gevolgen van een inbreuk op deze regels worden vastgesteld (zie in die zin arrest Hof van 12 december 1996, X, C‑74/95 en C‑129/95, Jurispr. blz. I‑6609, punt 25, en arrest Degussa/Commissie, hierboven aangehaald in punt 124, punt 67).
126 Dienaangaande zij herinnerd aan de bewoordingen van artikel 7, lid 1, EVRM:
„Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.”
127 Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) volgt uit deze bepaling dat de wet een duidelijke omschrijving van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen moet geven. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de daaraan door de rechter gegeven interpretatie, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (zie arrest EHRM van 22 juni 2000, Coëme e.a./België, Recueil des arrêts et décisions, 2000-VII, blz. 1, § 145) (arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 69).
128 Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat ter vervulling van de voorwaarden van artikel 7, lid 1, EVRM niet vereist is dat de bepalingen op grond waarvan deze sancties worden opgelegd, zo nauwkeurig zijn geformuleerd dat de mogelijke gevolgen van een inbreuk daarop met absolute zekerheid voorzienbaar zijn (arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 71).
129 Volgens de rechtspraak van het EHRM brengen vage begrippen in een bepaling immers niet noodzakelijkerwijs een schending van artikel 7 EVRM met zich, en is het feit dat een wet een beoordelingsmarge toekent op zich niet in strijd met het vereiste van voorzienbaarheid, mits de omvang en de wijze van uitoefening van een dergelijke bevoegdheid, gelet op het betrokken rechtmatige doel, voldoende duidelijk zijn omschreven om de justitiabele naar behoren tegen willekeur te beschermen (zie arresten EHRM van 25 februari 1992, Margareta en Roger Andersson/Zweden, reeks A, nr. 226, § 75). In dat verband houdt het EHRM niet alleen rekening met de wettekst zelf, maar ook met de vraag of de gebruikte onbepaalde begrippen in vaste en gepubliceerde rechtspraak zijn toegelicht (zie arrest EHRM van 27 september 1995, G./Frankrijk, reeks A, nr. 325‑B, § 25) (arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 72).
130 Aangaande de verenigbaarheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 met het beginsel van legaliteit van sancties, zoals dit beginsel door de gemeenschapsrechter in overeenstemming met de door het EHRM verstrekte aanwijzingen en de constitutionele tradities van de lidstaten is erkend, moet worden vastgesteld dat de Commissie in casu, anders dan verzoeksters stellen, niet over een onbeperkte beoordelingsmarge beschikt om, ten eerste, inbreuken op de mededingingsregels vast te stellen, ten tweede, uit te maken of de verschillende onrechtmatige handelingen één enkele voortdurende inbreuk of verschillende op zich staande inbreuken vormen en, ten derde, het bedrag van de geldboeten voor deze inbreuken vast te stellen.
131 In de eerste plaats zijn de inbreuken op de mededingingsregels waarvoor de Commissie krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geldboeten kan opleggen, enkel die welke indruisen tegen de artikelen 81 EG en 82 EG. Verzoeksters stellen ten onrechte dat de Commissie bij de vaststelling van dergelijke inbreuken over een onbeperkte beoordelingsmarge beschikt. Om te beginnen wordt de vraag of aan de voorwaarden van de artikelen 81 EG en 82 EG is voldaan, in beginsel in volle omvang door de gemeenschapsrechter getoetst (zie in die zin naar analogie arrest Hof van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, Jurispr. blz. I‑3111, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Gerecht van 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie, T‑99/04, Jurispr. blz. II‑1501, punt 144). Voorts wordt in de rechtspraak weliswaar erkend dat de Commissie over een zekere beoordelingsmarge beschikt indien voor deze vaststelling ingewikkelde economische of technische beoordelingen dienen te worden verricht, maar deze marge is geenszins onbeperkt. Het bestaan van deze beoordelingsmarge impliceert immers niet dat het Gerecht de interpretatie van dergelijke gegevens door de Commissie niet mag toetsen. De gemeenschapsrechter dient met name niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen en de betrouwbaarheid en samenhang ervan te controleren, maar hij moet ook controleren of deze elementen alle relevante feiten omvatten die bij de beoordeling van een complexe toestand in aanmerking moeten worden genomen, en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie in die zin arrest Microsoft/Commissie, aangehaald in punt 54, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
132 Voorts stellen verzoeksters niet dat zij op basis van de omschrijving van één van de in artikel 81 EG bedoelde inbreuken, namelijk „overeenkomsten tussen ondernemingen […] welke […] ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in […] het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden […]”, niet konden weten dat de mededingingsregelingen op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen en die op de markt voor garen voor de automobielsector in de EER inbreuken in de zin van dit artikel 81 EG vormden en dat zij daarvoor dus aansprakelijk konden worden gesteld.
133 Wat in de tweede plaats het argument betreft dat er geen criteria bestaan om uit te maken of sprake is van één enkele voortdurende inbreuk of van verschillende op zich staande inbreuken, dient te worden erkend dat deze criteria niet als zodanig worden genoemd in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, en evenmin in artikel 81 EG. Het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” is evenwel in een constante en gepubliceerde rechtspraak gebruikt en toegelicht. De criteria zoals die van het overeenstemmende doel (alle elementen hebben hetzelfde doel) en de overeenstemmende subjecten (dezelfde betrokken ondernemingen nemen welbewust aan het gemeenschappelijke doel deel), op basis waarvan dient te worden uitgemaakt of de gepleegde inbreuken deel uitmaakten van een „totaalplan” en aldus één enkele inbreuk vormen, zijn reeds jarenlang door de rechtspraak verfijnd, onder meer door de rechtspraak die hierboven in punt 89 is aangehaald.
134 De Commissie kan dus op objectieve gronden verschillende procedures inleiden, verschillende inbreuken vaststellen en verschillende geldboeten opleggen (zie in die zin arrest Tokai II, aangehaald in punt 93, punt 124).
135 Dienaangaande blijkt duidelijk uit de analyse van het middel tot nietigverklaring van de bestreden beschikking (punten 53 en volgende hierboven) dat de criteria op basis waarvan de Commissie heeft geconcludeerd dat er sprake is van twee verschillende inbreuken, door de rechtspraak ontwikkelde, vaststaande criteria zijn.
136 Bepaalde criteria laten weliswaar een ruime beoordelingsmarge aan de Commissie, maar dat neemt niet weg dat bepaalde begrippen dankzij de controle die de gemeenschapsrechter over deze beoordelingsbevoegdheid uitoefent, juist in vaste en gepubliceerde rechtspraak zijn toegelicht. Dat geldt in het bijzonder voor de afbakening van de productmarkt en de geografische markt die de Commissie in casu heeft verricht en waarvoor zij ingewikkelde economische beoordelingen heeft moeten verrichten. Zoals bij het onderzoek van het eerste middel is uiteengezet (punten 53 en volgende hierboven), diende de Commissie zich bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid te houden aan de door de rechtspraak vastgestelde criteria, zoals de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde en aan de vraagzijde.
137 Bovendien heeft de Commissie met het oog op de transparantie en ter vergroting van de rechtszekerheid voor de betrokken ondernemingen de bekendmaking inzake de bepaling van de markt uitgevaardigd, waarin zij uiteenzet welke criteria zij in elk concreet geval ter bepaling van de relevante markt zal hanteren. Door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan te doen weten dat zij deze voortaan op de betrokken gevallen zal toepassen, stelt de Commissie grenzen aan de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid en kan zij niet van deze regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids‑ en het vertrouwensbeginsel. Bovendien vormt de bekendmaking inzake de bepaling van de markt weliswaar niet de rechtsgrondslag van de beschikking, maar zij bepaalt toch op algemene en abstracte wijze de criteria die de Commissie voor zichzelf heeft vastgesteld om te bepalen of er sprake is van één of meerdere markten, teneinde uit te maken of er één of meerdere inbreuken bestaan, en waarborgt derhalve de rechtszekerheid voor de ondernemingen (zie in die zin arrest Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punten 211 en 213). Hieruit volgt dat de bekendmaking inzake de bepaling van de markt heeft bijgedragen tot de nadere afbakening van de reeds uit artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voortvloeiende grenzen die aan de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie worden gesteld.
138 Dienaangaande blijkt uit de punten 4 en 5 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt dat „de Commissie de doorzichtigheid van haar beleid en haar besluitvorming op het gebied van het mededingingsbeleid [wil] verhogen” en dat „[d]e toegenomen doorzichtigheid […] tevens tot gevolg [zal] hebben dat de ondernemingen en hun adviseurs beter kunnen anticiperen op de mogelijkheid dat de Commissie in afzonderlijke zaken bezwaren aangaande de mededinging heeft. De ondernemingen kunnen bij hun eigen interne besluitvorming met een dergelijke mogelijkheid rekening houden wanneer zij bijvoorbeeld […] het sluiten van bepaalde overeenkomsten overwegen”.
139 Bijgevolg kan een bedachtzaam marktdeelnemer zich, gelet op de hierboven genoemde elementen, zo nodig met de bijstand van een juridisch adviseur, vooraf een voldoende nauwkeurig beeld vormen van de methode op basis waarvan de Commissie zal bepalen of bepaalde gedragingen van een onderneming één enkele voortdurende inbreuk dan wel verschillende op zich staande inbreuken vormen.
140 Wat in de derde plaats de stelling betreft dat de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde sancties niet duidelijk zijn, dient te worden vastgesteld dat de Commissie, anders dan verzoeksters stellen, niet over een onbeperkte beoordelingsmarge beschikt bij de vaststelling van geldboeten wegens inbreuken op de mededingingsregels (zie naar analogie arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 74).
141 Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 beperken immers de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie. Om te beginnen stellen deze bepalingen een objectief criterium vast volgens hetwelk de opgelegde geldboete voor elke onderneming of ondernemersvereniging niet meer dan 10 % van haar omzet mag bedragen. Aldus wordt aan de geldboete die kan worden opgelegd een becijferbare en absolute bovengrens gesteld, die per onderneming en per inbreuk wordt berekend, zodat het maximumbedrag van de geldboete die aan een bepaalde onderneming kan worden opgelegd, vooraf kan worden bepaald. Bovendien moet de Commissie volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003, dat artikel 23, lid 2, van deze verordening aanvult, bij de vaststelling van de geldboeten in elk concreet geval niet alleen rekening houden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk (zie naar analogie arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 75).
142 Het objectieve criterium van de bovengrens van de geldboete en de subjectieve criteria van de zwaarte en de duur van de inbreuk laten de Commissie weliswaar een ruime beoordelingsmarge, maar dat neemt niet weg dat deze criteria de Commissie in staat stellen bij de vaststelling van sancties rekening te houden met de ernst van de onrechtmatigheid van de betrokken gedraging. Bijgevolg dient in dit stadium te worden vastgesteld dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 de Commissie weliswaar een zekere beoordelingsmarge laten, maar tegelijkertijd de criteria en de grenzen vaststellen die zij bij de uitoefening van haar bevoegdheid op het gebied van geldboeten in acht dient te nemen (zie naar analogie arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 76).
143 Bovendien dient de Commissie bij de vaststelling van geldboeten op grond van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel, zoals die door de rechtspraak van het Hof en het Gerecht zijn ontwikkeld, in acht te nemen (zie naar analogie arrest Gerecht Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 77, en arrest van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, Jurispr. blz. II‑2567, punt 41).
144 Hieraan moet worden toegevoegd dat het Hof en het Gerecht krachtens artikel 229 EG en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 volledige rechtsmacht hebben ter zake van beroepen tegen beschikkingen van de Commissie tot vaststelling van geldboeten, en dat zij de beschikkingen van de Commissie dus niet alleen nietig kunnen verklaren, maar eveneens de opgelegde geldboete kunnen intrekken, verlagen of verhogen. De administratieve praktijk van de Commissie is aldus onderworpen aan volledige toetsing door de gemeenschapsrechter (zie naar analogie arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 143, punt 41). Bij deze toetsing neemt de gemeenschapsrechter de criteria van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 in acht. Dankzij deze toetsing konden eventuele onbepaalde begrippen in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, die in artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 zijn overgenomen, juist in een vaste en gepubliceerde rechtspraak worden toegelicht (zie in die zin naar analogie arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 79).
145 Overigens heeft de Commissie op grond van de in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht toegelichte criteria van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en van het recentere artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 zelf een bekende en toegankelijke administratieve praktijk ontwikkeld. De beschikkingspraktijk van de Commissie fungeert weliswaar op zich niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken (zie arrest Gerecht van 18 juli 2005, Scandinavian Airlines System/Commissie, T‑241/01, Jurispr. blz. II‑2917, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar dit neemt niet weg dat de Commissie ingevolge het beginsel van gelijke behandeling vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mag behandelen, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest Hof van 13 december 1984, Sermide, 106/83, Jurispr. blz. 4209, punt 28, en arrest Gerecht van 14 mei 1998, BPB de Eendracht/Commissie, T‑311/94, Jurispr. blz. II‑1129, punt 309).
146 Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat de Commissie met het oog op de transparantie en ter vergroting van de rechtszekerheid voor de betrokken ondernemingen richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) bekend heeft gemaakt, waarin zij uiteenzet welke berekeningsmethode zij in elk concreet geval zal hanteren. De hierboven in punt 137 uiteengezette overwegingen betreffende de bekendmaking inzake de bepaling van de markt gelden eveneens voor de richtsnoeren. Door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan te doen weten dat zij deze voortaan op de betrokken gevallen zal toepassen, heeft de Commissie namelijk grenzen gesteld aan de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid en kan zij niet van deze regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheids‑ en het vertrouwensbeginsel. Voorts vormen de richtsnoeren weliswaar niet de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking, maar zij bepalen toch op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van bij de bestreden beschikking opgelegde geldboeten dient te volgen, en waarborgen derhalve de rechtszekerheid van de ondernemingen (arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 137, punten 211 en 213). Hieruit volgt dat de vaststelling van de richtsnoeren door de Commissie, aangezien zij binnen het wettelijke kader van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en het recentere artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 is verricht, heeft bijgedragen tot de nadere afbakening van de reeds uit deze bepalingen voortvloeiende grenzen die aan de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie dienen te worden gesteld (zie in die zin en naar analogie arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 82).
147 Bijgevolg kan een bedachtzaam marktdeelnemer zich, gelet op de hierboven genoemde elementen, zo nodig met de bijstand van een juridisch adviseur, vooraf een voldoende nauwkeurig beeld vormen van de methode op basis waarvan de aan een bepaald gedrag verbonden geldboeten worden berekend, en van de ordegrootte van deze geldboeten. Het feit dat deze marktdeelnemer vooraf niet precies kan weten hoe hoog de geldboeten zullen zijn die de Commissie in een concreet geval zal opleggen, kan geen schending opleveren van het beginsel van legaliteit van sancties. Gelet op de zwaarte van de inbreuken waarvoor de Commissie sancties dient op te leggen, rechtvaardigt het doel, ondernemingen te bestraffen en af te schrikken, immers dat aan deze laatste niet de mogelijkheid wordt geboden het voordeel in te schatten dat hun deelname aan een inbreuk zou opleveren, door van meet af aan het bedrag van de geldboete die hun wegens die onrechtmatige gedraging zal worden opgelegd, in te calculeren (arresten Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 83, en Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 143, punt 45).
148 Zelfs al kunnen de ondernemingen vooraf niet precies weten hoe hoog de geldboeten zullen zijn die de Commissie in elk concreet geval zal vaststellen, is de Commissie ingevolge artikel 253 EG verplicht in de boetebeschikking met name het bedrag van de opgelegde geldboete en de in dat verband gekozen methode met redenen te omkleden, ook al is de context van de beschikking algemeen bekend. Deze motivering moet de redenering van de Commissie zo duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen dat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en aldus het nut van een beroep bij de gemeenschapsrechter kunnen beoordelen, en deze rechter in voorkomend geval zijn toezicht kan uitoefenen (arresten Degussa/Commissie, aangehaald in punt 124, punt 84, en Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, aangehaald in punt 143, punt 46).
149 Wat in de tweede plaats het argument betreft dat er sprake is van één enkele inbreuk en dat het plafond van 10 % van de omzet dus is overschreden, dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat uit het onderzoek van het middel tot nietigverklaring van de bestreden beschikking is gebleken dat de Commissie terecht heeft geconcludeerd dat er sprake is van twee verschillende inbreuken. Zoals hierboven in punt 94 is opgemerkt, kan de vaststelling van verschillende inbreuken leiden tot de oplegging van verschillende geldboeten, die elk binnen de bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 gestelde perken moeten blijven. De Commissie kon dus zonder meer één geldboete per inbreuk opleggen en was op het eerste gezicht niet verplicht om één enkele algemene geldboete op te leggen.
150 Voorts dient te worden bepaald of het totale bedrag van de geldboeten die worden opgelegd aan een onderneming die aan verschillende inbreuken heeft deelgenomen, het plafond van 10 % mag overschrijden. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepalen dat de geldboete voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging niet groter mag zijn dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. Deze bepalingen zeggen niets over de som van de verschillende aan een onderneming opgelegde geldboeten. Wanneer verzoeksters daadwerkelijk verschillende inbreuken hebben gepleegd, is het niet van belang of deze inbreuken in verschillende beschikkingen, dan wel in één enkele beschikking worden vastgesteld. Relevant is enkel de vraag of daadwerkelijk sprake is van verschillende inbreuken. De kwalificatie van bepaalde onrechtmatige gedragingen als één enkele inbreuk dan wel als verschillende inbreuken heeft aldus in beginsel invloed op de sanctie die daarvoor kan worden opgelegd, aangezien de vaststelling van verschillende inbreuken kan leiden tot de oplegging van verschillende geldboeten, die elk binnen de bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 gestelde perken moeten blijven (zie in die zin en naar analogie arresten Tokai II, aangehaald in punt 93, punt 118, en BASF/Commissie, aangehaald in punt 91, punt 158).
151 Hieruit volgt dat de Commissie het beginsel nulla poena sine lege niet heeft geschonden door twee geldboeten op te leggen waarvan het gecumuleerde bedrag het plafond van 10 % van de omzet van verzoeksters overschrijdt.
152 Gelet op al deze overwegingen dienen de grief inzake schending van het beginsel nulla poena sine lege en de exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 te worden afgewezen.
Grief dat één enkele geldboete voor verschillende inbreuken moet worden opgelegd
153 Het subsidiaire argument van verzoeksters dat zelfs in het geval van twee verschillende inbreuken één enkele algemene geldboete had moeten worden opgelegd, dient te worden verworpen.
154 Volgens de rechtspraak kan de Commissie voor verschillende inbreuken één geldboete opleggen (arresten Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T‑83/91, Jurispr. blz. II‑755, punt 236; 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 4761, en 30 september 2003, Michelin/Commissie, T‑203/01, Jurispr. blz. II‑4071, punt 265).
155 Het gaat evenwel slechts om een mogelijkheid waarvan de Commissie in bepaalde omstandigheden gebruik heeft gemaakt, met name wanneer de inbreuken deel uitmaken van een coherente algemene strategie (zie in die zin arresten Cimenteries CBR e.a./Commissie, aangehaald in punt 154, punten 4761‑4764, en Tetra Pak/Commissie, aangehaald in punt 154, punt 236), wanneer het gaat om dezelfde inbreuken (zie in die zin arrest Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80‑103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 127) of wanneer de in de beschikking van de Commissie vastgestelde inbreuken dezelfde soort gedragingen op verschillende markten betreffen, met name de vaststelling van prijzen en quota en de uitwisseling van informatie, en voornamelijk dezelfde ondernemingen bij deze inbreuken betrokken waren (zie in die zin arrest Gerecht van 6 april 1995, Cockerill Sambre/Commissie, T‑144/89, Jurispr. blz. II‑947, punt 92). Uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat deze omstandigheden in casu niet aanwezig zijn.
156 Uit deze rechtspraak kan evenmin worden afgeleid dat er sprake is van een vroegere praktijk van de Commissie waardoor deze zich ertoe zou hebben verbonden, automatisch gebruik te maken van deze mogelijkheid om één geldboete op te leggen voor verschillende inbreuken, en ook niet dat zij diende te motiveren waarom zij hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Deze rechtspraak toont veeleer aan dat de praktijk die erin bestaat één geldboete op te leggen een uitzondering vormt, aangezien zij slechts in bepaalde omstandigheden wordt toegepast.
157 De door verzoeksters aangevoerde beschikkingen van de Commissie wijzen evenmin op het bestaan van een dergelijke praktijk. Zowel in de beschikking van de Commissie van 10 oktober 2001 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/36.264 – Mercedes-Benz) (PB 2002, L 257, blz. 1; zie in het bijzonder punt 253) als in de hierboven in punt 119 aangehaalde vitaminebeschikking (punten 711 en 775) zijn voor de verschillende vastgestelde inbreuken immers verschillende boetebedragen opgelegd, die vervolgens zijn samengeteld tot het totale boetebedrag. De werkwijze van de Commissie bestond er dus in verschillende geldboeten op te leggen, die vervolgens zijn samengeteld. Hoe dan ook fungeert de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie zelf niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken, aangezien dit kader uitsluitend is vastgelegd in verordening nr. 17, verordening nr. 1/2003 en de richtsnoeren (zie in die zin en naar analogie arresten Gerecht van 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 234, en Michelin/Commissie, aangehaald in punt 154, punt 254).
158 Bijgevolg dient het argument te worden verworpen dat de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie erin bestond slechts één algemene geldboete op te leggen voor verschillende inbreuken en de bovengrens van 10 % van de totale omzet van de betrokken onderneming toe te passen op het eindbedrag van de geldboete, dat de optelsom vormt van de verschillende geldboeten die voor elke afzonderlijke door de betrokken onderneming gepleegde inbreuk zijn opgelegd.
Grief inzake niet-inachtneming van de wettelijke doelstellingen van de sanctie
159 Verzoeksters stellen ten onrechte dat de Commissie bij de oplegging van de geldboete voor de mededingingsregeling op de markt voor garen voor de automobielsector in de EER rekening had moeten houden met de afschrikkende werking van de geldboete die was opgelegd voor de mededingingsregeling op de markt voor industrieel garen in de Benelux en de Noordse landen.
160 Het afschrikkende effect dat de Commissie bij de bepaling van het bedrag van een geldboete mag nastreven, is er immers op gericht te verzekeren dat de ondernemingen de mededingingsregels naleven waaraan hun activiteiten binnen de Gemeenschap of de EER volgens het Verdrag moeten voldoen (arrest Gerecht van 29 november 2005, Heubach/Commissie, T‑64/02, Jurispr. blz. II‑5137, punt 181). Wanneer verschillende inbreuken zijn gepleegd, mag de Commissie ervan uitgaan dat een dergelijk doel niet door de loutere oplegging van een sanctie voor een van de inbreuken kan worden bereikt.
161 Bijgevolg moet deze grief worden afgewezen.
162 Uit al het voorgaande volgt dat het middel inzake niet-inachtneming van de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 vastgestelde bovengrens van de sanctie ongegrond moet worden verklaard.
2. Middel van verzoeksters inzake schending van het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel bij de oplegging van de geldboete
a) Argumenten van partijen
163 Verzoeksters voeren verschillende grieven aan ter onderbouwing van hun middel dat de geldboete onevenredig is en dat het gelijkheidsbeginsel bij de oplegging van de geldboete is geschonden.
164 Wat ten eerste de schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, stellen verzoeksters in de eerste plaats dat de Commissie bij de vaststelling van de geldboeten geen rekening heeft gehouden met het feit dat de betrokken ondernemingen aanzienlijk in omvang verschillen, hoewel zij volgens de richtsnoeren hiertoe verplicht is. De Commissie is ten onrechte uitsluitend uitgegaan van de omzet van de ondernemingen op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft. Zo bedraagt de aan verzoeksters opgelegde geldboete 13,7 % van de mondiale omzet van de groep, terwijl de aan Coats opgelegde geldboete slechts 2,3 % van haar mondiale omzet bedraagt. In vergelijking met belangrijke concurrenten als Coats is Amann naar eigen mening slechts een middelgrote onderneming.
165 In de tweede plaats is het evenredigheidsbeginsel geschonden omdat ook het in punt 1 A, zevende alinea, van de richtsnoeren bedoelde beginsel van gelijke bestraffing is geschonden. De Commissie heeft geen rekening gehouden met het economische vermogen van de ondernemingen en met hun vermogen om de geldboete te betalen, dat kan worden afgemeten aan hun totale omzet.
166 In de derde plaats is het door de richtsnoeren ingestelde „forfaitaire systeem” abnormaal nadelig voor kleine en middelgrote ondernemingen, zoals de commissaris die bevoegd is voor de mededinging en de Commissie zelf hebben bevestigd.
167 In de vierde plaats staat de aan verzoeksters opgelegde geldboete in een totale wanverhouding tot de omvang van de markt. De Commissie heeft aldus het beginsel van passende bestraffing en het evenredigheidsbeginsel geschonden. Boetebeschikkingen hebben immers zowel een repressief als een preventief doel en de geldboeten mogen dus niet hoger zijn dan wat nodig is om de „resocialisatie” van de dader te verzekeren. Hieruit volgt dat hoe kleiner de met de inbreuk behaalde omzet is ten opzichte van de totale omzet van een onderneming, des te meer de sanctie onder de grens van 10 % moet blijven.
168 Ten tweede stellen verzoeksters, met de cijfers in de hand, dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Zij zijn niet op dezelfde wijze behandeld als Coats, noch wat het basisbedrag van de geldboete betreft, noch wat het eindbedrag ervan betreft. De Commissie heeft immers geenszins rekening gehouden met het feit dat Amann zowel in absolute termen als – wat het industriële garen betreft – relatief gezien een kleine onderneming is. Zij heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door haar in dezelfde groep als Coats in te delen. Bovendien is de Commissie zelf ervan uitgegaan dat Coats een dominante positie inneemt, maar meldt zij in de bestreden beschikking niet hoe zij daarmee rekening heeft gehouden.
169 De Commissie dient rekening te houden met de omvang van de andere betrokken ondernemingen. De omvang en de economische macht van de ondernemingen vormen immers gelijkwaardige beoordelingsfactoren die bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete naast andere criteria in aanmerking dienen te worden genomen.
170 De Commissie wijst dit middel van de hand.
b) Beoordeling door het Gerecht
Schending van het evenredigheidsbeginsel
171 Het evenredigheidsbeginsel vereist dat handelingen van de gemeenschapsinstellingen niet verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel. Wat de berekening van de geldboeten betreft, moet de zwaarte van de inbreuken worden bepaald aan de hand van een groot aantal factoren en mag aan geen daarvan een belang worden toegekend dat niet in verhouding staat tot de overige beoordelingselementen. In deze context impliceert het evenredigheidsbeginsel dat de Commissie de geldboete moet vaststellen in verhouding tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking zijn genomen en dat zij daarbij deze factoren op samenhangende en objectief gerechtvaardigde wijze moet toepassen (arrest Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, Jurispr. blz. II‑3435, punten 226‑228).
– Argument dat de omvang van de markt niet in aanmerking is genomen
172 Verzoeksters verwijten de Commissie ten onrechte dat de door haar vastgestelde geldboeten niet evenredig zijn aan de omvang van de betrokken markten.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- HvJ EU 28 januari 2021, C-466/19, ECLI:EU:C:2021:76
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- Gerecht EU 20 mei 2015, T-456/10, ECLI:EU:T:2015:296
- Gerecht EU 24 september 2019, T-105/17, ECLI:EU:T:2019:675
- Gerecht EU 3 mei 2018, T-653/16, ECLI:EU:T:2018:241
- Gerecht EU 26 oktober 2017, T-704/14, ECLI:EU:T:2017:753
- Gerecht EU 18 november 2020, T-814/17, ECLI:EU:T:2020:545
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-249/17, ECLI:EU:T:2020:458
- Gerecht EU 28 maart 2019, T-433/16, ECLI:EU:T:2019:201
- Conclusie A-G Keulen 11 juli 2023, ECLI:NL:PHR:2023:676
- Gerecht EU 25 oktober 2023, T-136/19, ECLI:EU:T:2023:669
- Gerecht EU 24 mei 2023, T-451/20, ECLI:EU:T:2023:276