Gerecht EU 12 juli 2019, T-772/15, ECLI:EU:T:2019:519
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
12 juli 2019 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van optische diskdrives – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Heimelijke afspraken over aanbestedingen betreffende optische diskdrives voor laptops en desktops – Rechten van de verdediging – Motiveringsplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Geldboeten – Eén enkele voortdurende inbreuk – Richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006”
In zaak T‑772/15,
Quanta Storage, Inc., gevestigd te Taoyuan (Taiwan), vertegenwoordigd door O. Geiss, advocaat, B. Hartnett, barrister, en W. Sparks, solicitor,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Giolito en F. van Schaik als gemachtigden, bijgestaan door C. Thomas, advocaat,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2015) 7135 final van de Commissie van 21 oktober 2015 in een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39639 – Optical Disk Drivers) en, subsidiair, verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, I. Labucka en I. Ulloa Rubio (rapporteur), rechters,
griffier: N. Schall, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 mei 2018,
het navolgende
Arrest ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1 Volgens besluit C(2015) 7135 final in een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39639 – Optical Disk Drivers) (hierna: „bestreden besluit”), betreffende heimelijke afspraken die betrekking hadden op aanbestedingen van optische diskdrives voor desktops en laptops die door twee computerfabrikanten waren georganiseerd, is verzoekster, Quanta Storage, Inc., een speler in de sector van apparaten voor de opslag van IT-gegevens en ontplooit zij onderzoek en ontwikkeling, engineering en levering van optische diskdrives (hierna: „odd’s”). Zij is in februari 1999 opgericht. Het betreft een vennootschap waarvan de aandelen zijn genoteerd aan de beurs van Taipei te Taiwan (Republiek China) (bestreden besluit, overweging 23).
2 De betrokken inbreuk heeft betrekking op odd’s die in door Dell en Hewlett Packard (hierna: „HP”) vervaardigde personal computers (desktops en laptops) (hierna: „pc’s”) worden gebruikt. Odd’s worden ook gebruikt in vele andere voor de consument bestemde apparatuur, zoals spelers voor compact discs (hierna: „cd’s”) of digital versatile discs (hierna: „dvd’s”), spelconsoles en andere perifere elektronische apparatuur (bestreden besluit, overweging 28).
3 De odd’s die in pc’s worden gebruikt, variëren in afmeting, laadmechanisme (gleuf of plaat) en soorten disk die zij kunnen lezen of branden. De odd’s kunnen in twee groepen worden onderverdeeld: halfhoge spelers („half-height”; hierna: „HH”) voor desktops en dunne spelers voor laptops. De subgroep van de dunne spelers omvat spelers van verschillende afmetingen. Afhankelijk van hun technische functionaliteit zijn er verschillende typen HH- en dunne spelers (bestreden besluit, overweging 29).
4 Op de wereldwijde markt voor pc’s zijn Dell en HP de twee belangrijkste fabrikanten van originele producten. Dell en HP gebruiken klassieke aanbestedingsprocedures die op wereldschaal worden gevoerd, die onder meer driemaandelijkse onderhandelingen over een wereldwijd geldende prijs en totale aankoopvolumes met een klein aantal voorgeselecteerde leveranciers van odd’s omvatten. In de regel speelden regionale vraagstukken geen rol in de aanbestedingen voor odd’s, behalve dan de verwachte vraag in regio’s die op het totale aankoopvolume van invloed waren (bestreden besluit, overweging 32).
5 De aanbestedingsprocedures omvatten prijsaanvragen, prijsaanvragen langs elektronische weg, online-onderhandelingen, elektronische veilingen en bilaterale onderhandelingen (offline). Na afloop van een aanbesteding kenden de afnemers volumes aan de deelnemende odd-leveranciers toe (aan alle of op zijn minst aan de meeste van hen, behalve wanneer er een uitsluitingsregeling was) volgens de door hen aangeboden prijs. De winnende offerte kreeg bijvoorbeeld 35 à 45 % van de totale opdracht voor het kwartaal in kwestie toegewezen, de tweede beste offerte 25 à 30 %, de derde 20 %, etc. Deze klassieke aanbestedingsprocedures werden gebruikt door de teams die bij de afnemers waren belast met de aanbestedingen, met als doel om een doeltreffende aanbesteding tegen competitieve prijzen te realiseren. Met het oog daarop gebruikten zij alle mogelijke handgrepen om prijsconcurrentie tussen de odd-leveranciers te stimuleren (bestreden besluit, overweging 33).
6 Dell heeft voornamelijk aanbestedingen via online-onderhandelingen gehouden. Deze konden een bepaalde duur hebben of na een bepaalde periode aflopen, bijvoorbeeld 10 minuten na de laatste offerte, wanneer geen van de odd-leveranciers een nieuwe offerte uitbracht. In sommige gevallen konden de online-onderhandelingen meerdere uren duren, wanneer de aanbesteding levendiger verliep of de duur van de online-onderhandelingen werd verlengd om de odd-leveranciers ertoe aan te zetten om offertes te blijven uitbrengen. Omgekeerd kon Dell, zelfs wanneer de duur van de online-onderhandelingen onbepaald was en van de eindofferte afhing, op elk moment aankondigen dat de online-onderhandelingen werden afgesloten. Dell kon beslissen om van een procedure met „uitsluitend een rangschikking” over te stappen op een „blinde” procedure. Bovendien kon zij de online-onderhandelingen annuleren indien de aanbesteding of het resultaat daarvan niet tot tevredenheid stemde en in de plaats daarvan bilaterale onderhandelingen voeren. Op het onderhandelingsproces dat online werd gevoerd, werd toezicht gehouden door de managers die bij Dell wereldwijd voor de inkoop verantwoordelijk waren (bestreden besluit, overweging 37).
7 Bij HP werden hoofdzakelijk aanbestedingsprocedures gebruikt die uit prijsaanvragen en elektronische prijsaanvragen bestonden. De twee procedures werden online gevoerd, met gebruikmaking van hetzelfde platform. De prijsaanvragen vonden driemaandelijks plaats. Daarbij werden online-onderhandelingen en offline gevoerde bilaterale onderhandelingen over een specifieke periode van meestal twee weken gecombineerd. De odd-leveranciers werd gevraagd om deel te nemen aan een aanbestedingsronde die gedurende een bepaalde periode openstond om hun offertes via een online-platform en via e-mail uit te brengen. Nadat de eerste veilingronde was afgesloten, belegde HP vergaderingen met elk van de deelnemers en ving zij onderhandelingen aan op basis van de door odd-leverancier uitgebrachte offerte om van elke leverancier de beste offerte te verkrijgen, zonder de identiteit of de offertes van de andere odd-leveranciers te onthullen. De elektronische prijsaanvragen werden normaliter in de vorm van een omgekeerde aanbesteding georganiseerd. De inschrijvers logden dan op een specifiek tijdstip in op een online-platform. De veiling begon vervolgens met een door HP vastgestelde prijs. Daarna werden de inschrijvers, die gaandeweg lagere offertes uitbrachten, na elke uitgebrachte offerte in kennis gesteld van hun eigen rangschikking. Na het verstrijken van de toegekende tijd won de odd-leverancier die de laagste offerte had uitgebracht de veiling en werden de overige leveranciers als tweede en derde gerangschikt, afhankelijk van hun offertes (bestreden besluit, overwegingen 41‑44).
Administratieve procedure
8 Op 14 januari 2009 heeft de Commissie een verzoek om immuniteit op basis van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „clementieregeling”) van Philips ontvangen. Dit verzoek is op 29 januari en 2 maart 2009 in die zin aangevuld dat het, naast Philips, ook Lite-On en hun gemeenschappelijke onderneming Philips & Lite-On Digital Solutions Corporation (hierna: „PLDS”) zou dekken (bestreden besluit, overweging 54).
9 Op 29 juni 2009 heeft de Commissie een verzoek om inlichtingen toegezonden aan de ondernemingen die op odd-gebied actief zijn (bestreden besluit, overweging 55).
10 Op 30 juni 2009 heeft de Commissie Philips, Lite-On en PLDS voorwaardelijke immuniteit toegekend (bestreden besluit, overweging 56).
11 Op 18 juli 2012 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan dertien odd-leveranciers, waaronder verzoekster (hierna: „mededeling van punten van bezwaar”). Zij heeft daarin uiteengezet dat deze vennootschappen inbreuk hadden gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Overeenkomst), door deel te nemen aan een mededelingsregeling inzake odd’s die zich van 5 februari 2004 tot en met 29 juni 2009 had uitgestrekt, bestaande in de onderlinge afstemming van hun gedrag ten aanzien van de aanbestedingen die door twee computerfabrikanten, Dell en HP, waren georganiseerd.
12 Op 26 oktober 2012 heeft verzoekster haar schriftelijke opmerkingen in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ingediend.
13 Dell heeft 23 november 2012 geantwoord op het verzoek om inlichtingen dat de Commissie haar had toegezonden (bestreden besluit, overweging 61).
14 Op 29 en 30 november 2012 is een hoorzitting gehouden, waaraan alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben deelgenomen (bestreden besluit, overweging 60).
15 Op 14 december 2012 heeft de Commissie alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar verzocht om toezending van de relevante documenten die zij van Dell en HP hadden ontvangen. Zij hebben aan dit verzoek gehoor gegeven en ieder van hen heeft toegang gehad tot de antwoorden van de andere odd-leveranciers (bestreden besluit, overweging 62).
16 Op 13 maart 2015 heeft de Commissie verzoekster bepaalde documenten toegezonden die zij van Dell en HP had ontvangen en haar om haar opmerkingen verzocht. Verzoekster heeft daar bij brief van 27 maart 2015 gehoor aan gegeven.
17 Op 9 juni 2015 heeft verzoekster de raadadviseur-auditeur van de Commissie schriftelijk verzocht om te bevestigen dat de Commissie Dell en HP had verzocht om bewijzen die aantoonden dat deze ondernemingen hun leveranciers inlichtingen over hun concurrenten hadden verstrekt. In zijn antwoord van 23 juni heeft hij uiteengezet dat de Commissie geen dergelijk verzoek tot die ondernemingen had gericht.
18 Op 3 juni 2015 heeft de Commissie verzoekster een „letter of facts” doen toekomen, waarin zij heeft toegelicht welk gebruik zij van die documenten wilde maken.
19 Op 21 oktober 2015 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.
Bestreden besluit
20 De Commissie is in het bestreden besluit tot het oordeel gekomen dat de deelnemers aan de mededingingsregeling hun concurrentiegedrag vanaf minstens 23 juni 2004 tot 25 november 2008 onderling hadden afgestemd. Zij heeft verduidelijkt dat deze onderlinge afstemming via een netwerk van parallelle bilaterale contacten had plaatsgevonden. Volgens haar trachtten de deelnemers aan de mededingingsregeling hun volumes op de markt aan te passen en te bereiken dat de prijzen op een hoger niveau bleven dan dat waarop zij zich zonder deze bilaterale contacten zouden hebben bevonden (bestreden besluit, overweging 67).
21 De Commissie heeft in het bestreden besluit gepreciseerd dat de onderlinge afstemming tussen de karteldeelnemers betrekking had op de klanten van Dell en HP, de twee belangrijkste fabrikanten van originele producten op de wereldwijde markt van pc’s. Volgens de Commissie pasten Dell en HP, naast bilaterale onderhandelingen met hun odd-leveranciers, gestandaardiseerde aanbestedingsprocedures toe die minstens één keer per kwartaal plaatsvonden. Zij heeft erop gewezen dat de kartelleden hun netwerk van bilaterale contacten gebruikten om deze aanbestedingsprocedures te manipuleren, waardoor zij de pogingen van hun klanten om tot prijsconcurrentie aan te zetten dwarsboomden (bestreden besluit, overweging 68).
22 Volgens de Commissie konden de kartelleden door geregelde informatie-uitwisselingen, onder meer nog voordat zij aan de aanbestedingsprocedure deelnamen, zeer duidelijk achterhalen wat de intenties van hun concurrenten waren en dus hun concurrentiestrategie voorzien (bestreden besluit, overweging 69).
23 De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat de kartelleden met geregelde tussenpozen informatie over de prijzen voor specifieke klanten uitwisselden alsook informatie die geen verband met de prijzen hield, zoals de productie op dat moment en de leveringscapaciteit, de stand van de voorraden of het moment waarop nieuwe producten of verbeteringen werden geïntroduceerd. Zij heeft erop gewezen dat de odd-leveranciers de eindresultaten van de afgeronde aanbestedingsprocedures bewaakten, dat wil zeggen welke rangschikking en prijs en welk volume waren verkregen (bestreden besluit, overweging 70).
24 De Commissie heeft ook uiteengezet dat de leveranciers, die goed wisten dat zij hun contacten geheim moesten houden voor hun klanten, middelen gebruikten om met elkaar contact op te nemen die afdoende werden geacht om het gewenste resultaat te bereiken. Zij heeft verduidelijkt dat er in 2003 overigens een poging was geweest om een startvergadering te beleggen om geregelde multilaterale contacten tussen de odd-leveranciers te organiseren, maar dat die was mislukt nadat een klant daarvan op de hoogte was geraakt. Volgens de Commissie zijn er in plaats daarvan bilaterale contacten geweest, hoofdzakelijk in de vorm van telefoongesprekken en soms ook per e mail, mede via privé-e-mailadressen (hotmail) en instant messaging, of via bijeenkomsten, hoofdzakelijk op het niveau van de beheerders van wereldwijde accounts (bestreden besluit, overweging 71).
25 De Commissie heeft vastgesteld dat de deelnemers aan de mededingingsregeling geregeld contact met elkaar opnamen en dat de contacten, hoofdzakelijk via de telefoon, frequenter werden toen aanbestedingsprocedures werden gevoerd. Dan vonden meerdere gesprekken per dag plaats tussen telkens twee karteldeelnemers. Zij heeft gepreciseerd dat de contacten tussen sommige paren van karteldeelnemers duidelijk vaker plaatsvonden dan bij sommige andere paren (bestreden besluit, overweging 72).
26 Voor de berekening van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete heeft de Commissie zich gebaseerd op de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten”).
27 Om te beginnen heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat het ten behoeve van de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete passend was, gelet op de aanzienlijke verschillen in duur van de deelname van de leveranciers en teneinde de werkelijke impact van de mededingingsregeling tot uiting te laten komen, om gebruik te maken van een jaargemiddelde, berekend op basis van de reële waarde van de verkopen die de ondernemingen hadden gerealiseerd in de volledige kalendermaanden waarin zij ieder aan de inbreuk hadden deelgenomen (bestreden besluit, overweging 527).
28 De Commissie heeft toegelicht dat de waarde van de verkopen was berekend op basis van de voor laptops en desktops bestemde odd-verkopen die waren gefactureerd aan entiteiten van HP en Dell die zich in de EER bevonden. De Commissie heeft verduidelijkt dat de ten aanzien van verzoekster in aanmerking genomen jaarlijkse verkopen ook de verkopen van voor laptops en desktops van HP en Dell bestemde odd’s aan Sony Optiarc omvatten (bestreden besluit, overwegingen 528 en 529).
29 Bovendien was de Commissie van oordeel dat de relevante waarde van de verkopen afzonderlijk voor Dell en HP moest worden berekend en dat twee vermenigvuldigingscoëfficiënten moesten worden toegepast, omdat het mededingingsverstorende gedrag ten aanzien van HP veel later was aangevangen en er zo rekening kon worden gehouden met de wijze waarop de mededingingsregeling zich had ontwikkeld (bestreden besluit, overweging 530).
30 Vervolgens heeft de Commissie beslist dat het percentage voor de ernst in dit geval voor alle adressaten van het bestreden besluit op 16 % moest worden vastgesteld, aangezien prijsafspraken naar hun aard tot de ernstigste inbreuken op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst behoorden en de mededingingsregeling zich op zijn minst tot de gehele EER uitstrekte (bestreden besluit, overweging 544).
31 Tot slot heeft de Commissie uiteengezet dat zij, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, had beslist om een bedrag van 16 % als afschrikking toe te voegen (bestreden besluit, overwegingen 554 en 555).
32 Het dispositief van het bestreden besluit luidt, voor zover het verzoekster betreft, als volgt: „Artikel 1 Onderstaande ondernemingen hebben inbreuk gepleegd op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door, gedurende de aangegeven perioden, deel te nemen aan één enkele, voortdurende inbreuk die uit meerdere afzonderlijke inbreuken bestond in de sector van de optische diskdrives in de gehele EER, in de vorm van prijsafspraken: [...] h) [verzoekster] van 14 februari 2008 tot 28 oktober 2008, voor haar onderlinge afstemming ten aanzien van Dell en HP. Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd: [...] h) [verzoekster]: 7146000 EUR”.
Procedure en conclusies van partijen
33 Bij op 29 december 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
34 De Commissie heeft haar verweerschrift op 29 april 2016 neergelegd.
35 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
36 Partijen hebben ter terechtzitting van 2 mei 2018 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
37 Verzoekster concludeert tot: – nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover dit op haar betrekking heeft; – subsidiair, verlaging van de haar opgelegde geldboete; – verwijzing van de Commissie in de kosten.
38 De Commissie concludeert tot: – verwerping van het beroep; – vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete op 7186000 EUR: – verwijzing van verzoekster in de kosten.
In rechte
39 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan. Het eerste betreft schending van de rechten van de verdediging en het recht op behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de motiveringsplicht; het tweede kennelijke schending van het recht en niet-nakoming van de motiveringsplicht omdat het dispositief van het bestreden besluit en de redenering van de Commissie van elkaar afwijken op het punt van de duur van de inbreuk betreffende HP; het derde gebrek aan bewijs en een ontoereikende motivering wat betreft verzoeksters deelname aan één enkele en voortdurende inbreuk; het vierde onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen en het vijfde schending van het recht en de feiten bij de berekening van het bedrag van de geldboete en niet-nakoming van de motiveringsplicht.
40 Eerst moet het vierde middel, inzake de onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen, worden onderzocht en daarna de overige middelen, in de volgorde waarin zij zijn aangevoerd. [omissis]
Vijfde middel: schending van het recht en de feiten bij de berekening van het bedrag van de geldboete en niet-nakoming van de motiveringsplicht
[omissis]
Verzoek van de Commissie om verhoging van de geldboete
270 In haar verweerschrift licht de Commissie toe dat zij er voor de berekening van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete voor heeft gekozen om alle verkopen aan Dell en HP van odd’s voor integratie in servers uit te sluiten. Zij heeft zich ten behoeve van die aftrek gebaseerd op door verzoekster aangereikte schattingen volgens welke op zijn minst 10 % van haar verkopen van odd’s in servers van Dell waren geïntegreerd. Meteen na vaststelling van het bestreden besluit heeft Dell de Commissie exacte gegevens verstrekt, waaruit bleek dat minder dan 1 % van de odd’s op die manier is geïntegreerd. Uiteindelijk is de in het bestreden besluit aan verzoekster opgelegde geldboete 40000 EUR lager dan de geldboete die haar moeten worden opgelegd op basis van de juiste waarde van de omzet. Om verzoekster passend voor haar inbreuk te bestraffen en ervoor te zorgen dat de adressaten van het bestreden besluit gelijk worden behandeld, heeft de Commissie het Gerecht dan ook verzocht van zijn volledige rechtsmacht gebruik te maken en het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete op 7186000 EUR vast te stellen.
271 Verzoekster bestrijdt de argumenten van de Commissie.
272 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht in het kader van de hem bij artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 verleende volledige rechtsmacht bevoegd is om te beoordelen of passende geldboeten zijn opgelegd. In het kader van zijn volledige rechtsmacht kan de Unierechter namelijk niet alleen het bestreden besluit nietig verklaren, zoals is bepaald in artikel 264 VWEU, maar ook de bij dit besluit opgelegde sanctie wijzigen (zie arrest van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, EU:T:2008:415, punt 242 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
273 Zoals de Commissie benadrukt, is de Unierechter dus niet enkel bevoegd om eenvoudig wettigheidstoezicht op de sanctie uit te oefenen, maar is hij op basis van zijn volledige rechtsmacht ook bevoegd om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en derhalve de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen (zie arrest van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, EU:T:2008:415, punt 243 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
274 Ofschoon in de meeste gevallen door de verzoekende partijen wordt verzocht om uitoefening van de volledige rechtsmacht teneinde een verlaging van het bedrag van de geldboete te verkrijgen, verzet niets er zich in die omstandigheden tegen dat ook de Commissie de kwestie van het bedrag van de geldboete aan de Unierechter kan voorleggen en om verhoging van dat bedrag kan verzoeken (arrest van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, EU:T:2008:415, punt 244).
275 Bijgevolg staat het aan het Gerecht om, in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, op de datum waarop het uitspraak doet te beoordelen of het bedrag van de aan de verzoekende partij opgelegde geldboete de zwaarte van de in geding zijnde inbreuk correct weerspiegelt (zie arrest van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie, T‑343/06, EU:T:2012:478, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
276 Tot slot kan, zoals de Commissie in haar verweerschrift in herinnering brengt, het bedrag van de geldboete niet worden gehandhaafd wanneer dit bedrag voortvloeit uit het feit dat een onjuist feitelijk element in aanmerking is genomen (zie arrest van 7 juni 2011, Arkema France e.a./Commissie, T‑217/06, EU:T:2011:251, punt 274 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
277 In de onderhavige zaak heeft verzoekster de Commissie haar schatting bij e-mail van 28 september 2015 doen toekomen. Dell heeft haar schatting dan weer bij e-mail van 21 oktober 2015 toegezonden, zijnde de dag waarop de Commissie het bestreden besluit heeft vastgesteld.
278 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de geloofwaardigheid en bijgevolg de bewijskracht van een document volgens de algemene bewijsregels afhangt van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het gericht is en van de inhoud ervan (arrest van 12 december 2014, Eni/Commissie, T‑558/08, EU:T:2014:1080, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
279 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de door verzoekster overgelegde schatting en ook die van Dell bij eenvoudige e-mails zijn toegezonden, in antwoord op de e-mails van de Commissie, die noch de handtekening noch de namen van de voor de schattingen verantwoordelijke personen bevatten.
280 Vervolgens moet erop worden gewezen dat in de e-mail van die onderneming, ter onderbouwing van de conclusie dat minder dan 1 % van de odd’s in servers van Dell waren geïntegreerd, weliswaar is gepreciseerd dat dit percentage 0,4 % op basis van inkomsten, 0,5 % op basis van kosten en 0,7 % op basis van hoeveelheden was, maar daarin wordt geen toelichting gegeven bij de methode waarmee dat percentage kon worden berekend.
281 In verzoeksters e-mail is alleen uiteengezet dat op zijn minst 10 % van haar odd’s in servers van Dell waren geïntegreerd, ook hier zonder dat een toelichting bij de gebruikte methode wordt gegeven.
282 Bijgevolg kan de door Dell aangereikte schatting weliswaar beter onderbouwd lijken, maar is zij onvoldoende betrouwbaar om met zekerheid vast te stellen dat de aanvankelijk door verzoekster overgelegde schatting een onjuist feitelijk element is in de zin van het arrest van 7 juni 2011, Arkema France e.a./Commissie (T‑217/06, EU:T:2011:251, punt 274). Het voordeel van de twijfel moet dus verzoekster ten goede komen.
283 Bijgevolg moet het verzoek van de Commissie om verhoging van het bedrag van de geldboete worden afgewezen. [omissis]
HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Het verzoek van de Europese Commissie om verhoging van het bedrag van de geldboete van Quanta Storage, Inc. wordt afgewezen.
3) Quanta Storage zal haar eigen kosten en vier vijfde van die van de Commissie dragen.
Gratsias Labucka Ulloa Rubio Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 juli 2019. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.