Gerecht EU 8 juli 2004, T-50/00, ECLI:EU:T:2004:220
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
8 juli 2004 ( *1 )
In zaak T-50/00,
Dalmine SpA, gevestigd te Dalmine (Italië), vertegenwoordigd door M. Siragusa en F. Moretti, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Erhalt en A. Whelan als gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B — naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1), of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. J. Forwood, kamerpresident, J. Pirrung en A. W. H. Meij, rechters,
griffier: J. Plingers, administrateur,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 19, 20 en 21 maart 2003,
het navolgende
Arrest
Feiten en procedure ( 1 )
1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B — naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1; hierna: „bestreden beschikking”).
[...]
1. Procesverloop voor het Gerecht
34 Bij zeven verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 28 februari en 3 april 2000, hebben Mannesmann, Corus, Dalmine, NKK Corp., Nippon, Kawasaki en Sumitomo beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld.
35 Bij beschikking van 18 juni 2002 is beslist, de partijen gehoord, om de zeven zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te voegen voor de mondelinge behandeling. Ten gevolge van deze voeging hebben alle verzoeksters in de zeven zaken alle dossiers betreffende de onderhavige procedure ter griffie van het Gerecht kunnen raadplegen. Er zijn ook maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen.
36 Op rapport van de rechterrapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) beslist over te gaan tot de mondelinge behandeling. De partijen hebben pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting van 19, 20 en 21 maart 2003.
Conclusies van de partijen
37 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage: — de bestreden beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren; — subsidiair, de haar opgelegde geldboete nietig te verklaren of het bedrag ervan te verlagen; — de Commissie in de kosten te verwijzen.
38 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage: — het beroep in zijn geheel te verwerpen; — verzoekster in de kosten te verwijzen.
De vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking
39 Ter terechtzitting heeft Dalmine verklaard dat zij, nadat zij in het kader van de door het Gerecht gelaste maatregelen tot organisatie van de procesgang een niet-vertrouwelijke samenvatting van de onherkenbaar gemaakte passages van bepaalde dossierstukken had ontvangen, afzag van haar middel inzake schending van de rechten van de verdediging wegens de vertrouwelijke behandeling van deze stukken tijdens de administratieve procedure.
1. De middelen inzake schending van wezenlijke vormvoorschriften tijdens de administratieve procedure
De wettigheid van de door de Commissie tijdens het onderzoek gestelde vragen
Argumenten van partijen
40 Volgens verzoekster is haar recht om niet tot haar eigen beschuldiging bij te dragen geschonden door de tendentieuze vragen die de Commissie tijdens het onderzoek heeft gesteld. Met deze vragen wilde de Commissie haar in strijd met de rechtspraak van het Hof dwingen het bestaan van een inbreuk te erkennen (arrest Hof van 18 oktober 1989, Orkem/Commissie, 374/87, Jurispr. blz. 3283, punten 34 en 35). Verzoekster is dan ook van mening dat de bestreden beschikking nietig dient te worden verklaard voor zover zij is gebaseerd op de antwoorden op de betrokken vragen.
41 Op 13 februari en 22 april 1997 heeft de Commissie verzoekster op grond van artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17 ondervraagd. Daarbij heeft de Commissie getracht Dalmine een bekentenis te ontlokken over haar deelneming aan bepaalde bijeenkomsten tussen producenten van stalen buizen en over het onwettige doel van deze bijeenkomsten. Zij heeft een beschrijving gegeven van de betrokken ongeoorloofde praktijken, met name de overeenkomsten inzake eerbiediging van de nationale markten en de prijsafspraken, waarvoor zij een bevestiging van Dalmines deelneming zocht. De Commissie heeft Dalmine met name verzocht om een opsomming van „de vastgestelde besluiten [...], de besproken of vastgestelde verdeelsleutels (.sharing keys') per geografische zone en de geldigheidsduur ervan, de besproken of vastgestelde prijzen per geografische zone en type en de geldigheidsduur ervan”, en verweet haar dat zij niet meteen op deze vragen wilde antwoorden.
42 Op 12 juni 1997 heeft de Commissie Dalmine opnieuw verzocht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Aangezien zij van mening was dat de antwoorden van Dalmine nog steeds onvolledig waren, heeft de Commissie haar bij beschikking van 6 oktober 1997 gelast om op straffe van een dwangsom de gewenste inlichtingen binnen een termijn van 30 dagen te verstrekken. Deze beschikking, waartegen Dalmine beroep heeft ingesteld (beschikking Dalmine/Commissie, hierboven aangehaald in punt 7), heeft Dalmine schade berokkend.
43 De Commissie ontkent dat zij Dalmine met haar vragen heeft gedwongen zichzelf te beschuldigen.
44 Verder herinnert de Commissie eraan dat het de ondernemingen en ondernemersverenigingen vrijstaat niet te antwoorden op de vragen die hun op grond van artikel 11 van verordening nr. 17 zijn gesteld (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, bekend als het „cementarrest”, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punt 734). Volgens artikel 15, lid 1, sub b, van verordening nr. 17 kunnen slechts sancties worden opgelegd wanneer een onderneming onjuiste informatie verstrekt.
Beoordeling door het Gerecht
45 Volgens het hierboven in punt 40 aangehaalde arrest Orkem/Commissie (punt 32) betreft het onderhavige middel de rechten van verdediging van ondernemingen (zie ook arrest Mannesmannröhren-Werke/Commissie, hierboven aangehaald in punt 8, punt 63). Volgens deze rechtspraak wordt aan een onderneming waartoe bij beschikking een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17 is gericht, een zwijgrecht verleend, voor zover zij anders antwoorden zou moeten geven waarmee zij het bestaan van de inbreuk zou erkennen, terwijl die bewijslast op de Commissie rust (arresten Orkem/Commissie, reeds aangehaald, punt 35, en Mannesmannröhren-Werke/Commissie, reeds aangehaald, punt 67).
46 Daarentegen is het vaste rechtspraak dat de ondernemingen niet verplicht zijn krachtens deze rechtsregel een antwoord te verstrekken op een eenvoudig verzoek om inlichtingen op grond van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 17, en zij kunnen dus niet stellen dat hun recht om zichzelf niet te beschuldigen is geschonden doordat zij vrijwillig op een dergelijk verzoek hebben geantwoord (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 734).
47 Ook al zouden Dalmines argumenten inzake het ongeoorloofde karakter van de gestelde vragen in het kader van de onderhavige procedure ontvankelijk zijn, hoewel zij niet binnen de in artikel 230 EG gestelde termijn een ontvankelijk beroep tegen de beschikking van 6 oktober 1997 heeft ingesteld (zie dienaangaande beschikking Dalmine/Commissie, hierboven aangehaald in punt 7, waarbij het beroep van Dalmine tegen deze beschikking van 6 oktober 1997 niet-ontvankelijk is verklaard), kan in casu worden volstaan met op te merken dat de bestreden beschikking in dit opzicht slechts onwettig zou kunnen zijn voor zover Dalmine door de bij de beschikking van 6 oktober 1997 gestelde vragen ertoe was aangezet het bestaan van de in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken te erkennen in de zin van het hierboven in punt 40 aangehaalde arrest Orkem/Commissie. De Commissie heeft in haar oorspronkelijke verzoek van 22 april 1997 weliswaar een lange reeks vragen gesteld, maar bij haar beschikking van 6 oktober 1997 heeft de Commissie Dalmine enkel verzocht documenten en louter objectieve informatie te verstrekken. Dit verzoek kan Dalmine er dan ook niet toe hebben aangezet het bestaan van een inbreuk te erkennen.
48 Met betrekking tot de vragen die aan de Argentijnse vennootschappen Technit Group en Siderca zijn gesteld onder bedreiging van een dwangsom die zij hoofdelijk met Dalmine zouden dienen te betalen omdat deze drie vennootschappen eenzelfde onderneming vormden (punt 13 en artikel 2, tweede alinea, van de beschikking van 6 oktober 1997), dient te worden opgemerkt dat het laatste streepje van vraag 2, die bij beschikking van 6 oktober 1997 opnieuw aan deze ondernemingen is gesteld en die in de bijlage daarvan is opgenomen, weliswaar ongeveer overeenstemt met het laatste streepje van de vragen 1.6, 1.7 en 2.3 die op grond van een beschikking van 15 mei 1998 aan Mannesmann zijn gesteld, en dat het Gerecht in zijn hierboven in punt 8 aangehaalde arrest Mannesmannröhren-Werke/Commissie op basis van het hierboven in punt 40 aangehaalde arrest Orkem/Commissie dat streepje nietig heeft verklaard.
49 Afgezien van het feit dat de Commissie niet rechtstreeks aan Dalmine als rechtspersoon heeft gevraagd om deze inlichtingen te verstrekken, dient evenwel te worden opgemerkt dat dit streepje van de vraag enkel verband houdt met de betrekkingen tussen de Europese en de Latijns-Amerikaanse producenten, en dat dit onderdeel van de in de mededeling van de punten van bezwaar verweten overeenkomst in de bestreden beschikking niet is onderzocht.
50 In deze omstandigheden dient te worden aanvaard dat dit onderdeel van de beschikking van de Commissie van 6 oktober 1997 Dalmine niet ertoe heeft kunnen aanzetten zichzelf te beschuldigen van de inbreuk bestaande in de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde marktverdelingsovereenkomst tussen de Japanse en de Europese producenten. Ook al zou de Commissie dus in dit opzicht een onwettige handeling hebben gesteld, kon deze totaal geen invloed hebben op de inhoud van de bestreden beschikking en dus niet de onwettigheid ervan met zich brengen.
51 Gelet op een en ander, dient het onderhavige middel te worden verworpen.
De overeenstemming tussen de mededeling van punten van bezwaar en de bestreden beschikking met betrekking tot de aangevoerde bewijselementen
Argumenten van partijen
52 Dalmine herinnert eraan dat de Commissie de beschuldigde ondernemingen alle stukken dient mee te delen waarop haar grieven zijn gebaseerd (XXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid, blz. 113 en 114). In casu heeft de Commissie evenwel zowel in de mededeling van punten van bezwaar als in de bestreden beschikking documenten aangehaald die niet bij de mededeling van punten van bezwaar waren gevoegd.
53 De volgende documenten zijn niet bij de mededeling van punten van bezwaar gevoegd: — een faxbericht van Sumitomo van 12 januari 1990, aangehaald in punt 70 van de mededeling van punten van bezwaar, weergegeven op bladzijde 4785 van het dossier van de Commissie en vermeld in punt 71 van de bestreden beschikking; — een rapport van Vallourec van 1994, aangehaald in punt 119 van de mededeling van punten van bezwaar, weergegeven op bladzijde 14617 van het dossier van de Commissie en vermeld in punt 92 van de bestreden beschikking.
54 Bovendien worden in de bestreden beschikking een aantal documenten aangehaald die weliswaar bij de mededeling van punten van bezwaar waren gevoegd, maar niet in deze mededeling waren vermeld. Het gaat om de processenverbaal van verhoor van Benelli, Jachia en Ciocca van 2, 5 en 8 juni 1995, 6 september 1995 en 21 februari 1996 (weergegeven op bladzijde 8220 ter van het dossier en vermeld in punt 54 van de bestreden beschikking).
55 Hierdoor heeft de Commissie het onderzoek door Dalmine van de stukken à charge aanzienlijk bemoeilijkt. Terwijl in de bestreden beschikking de documenten zijn aangeduid met het nummer waaronder zij zijn ingeschreven, zijn de mededeling van punten van bezwaar en het dossier dat Dalmine in de gebouwen van de Commissie heeft kunnen onderzoeken volgens een andere methode geordend. De Commissie heeft aldus de rechten van de verdediging onherstelbaar geschonden, wat op zich de nietigverklaring van de bestreden beschikking rechtvaardigt. Subsidiair stelt Dalmine dat de betrokken stukken à charge uit de debatten dienen te worden geweerd, zodat zij bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beschikking buiten beschouwing dienen te worden gelaten (arrest Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T-30/91, Jurispr. blz. II-1775, punt 98).
56 De Commissie wijst erop dat Dalmine op 3 maart 1999 de gelegenheid heeft gekregen om alle in de mededeling van punten van bezwaar of in de bijlage daarvan aangehaalde documenten te onderzoeken, toen zij toegang kreeg tot het dossier. Eikan dan ook geen sprake zijn van enige schending van de rechten van de verdediging (cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 144).
57 Verder preciseert de Commissie dat het op bladzijde 8220 1er van het administratief dossier weergegeven document in punt 46 van de mededeling van punten van bezwaar is aangehaald.
58 Ten slotte kunnen de documenten die bij de mededeling van punten van bezwaar zijn gevoegd, maar niet in de tekst ervan zijn genoemd, „in de beschikking [...] tegen een verzoeker in stelling worden gebracht voor zover deze uit de mededeling van punten van bezwaar redelijkerwijze kon opmaken, welke conclusies de Commissie eruit wenste te trekken” (cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 323).
Beoordeling door het Gerecht
59 De Commissie moet de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen toegang verschaffen tot het gehele onderzoeksdossier, met uitzondering van documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen of andere vertrouwelijke informatie bevatten en interne documenten van de Commissie, om hen in staat te stellen zich doeltreffend te verdedigen tegen de in de mededeling van punten van bezwaar in aanmerking genomen punten van bezwaar (cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 144).
60 Het feit dat een document in de mededeling van punten van bezwaar is genoemd, zonder in de bijlage ervan te zijn opgenomen, vormt evenwel in beginsel geen schending van de rechten van de verdediging, voor zover de adressaten van deze mededeling toegang krijgen tot dit document voordat zij op deze mededeling hoeven te antwoorden.
61 Aangaande de twee documenten die in casu in de mededeling van punten van bezwaar zijn aangehaald maar niet in de bijlage ervan zijn opgenomen, merkt de Commissie op, zonder op dit punt door Dalmine te worden tegengesproken, dat deze op 3 maart 1999 toegang tot deze stukken heeft gekregen.
62 Met betrekking tot het argument dat de wijze waarop de toegang tot het dossier was georganiseerd de identificatie van de twee betrokken documenten heeft bemoeilijkt, kan worden volstaan met op te merken dat Dalmine zich ondanks deze zogenaamde moeilijkheid in casu niet minder goed heeft kunnen verdedigen, aangezien zij in repliek heeft verklaard dat zij kennis heeft kunnen nemen van deze documenten toen zij toegang kreeg tot het dossier van de Commissie.
63 In elk geval heeft de Commissie de twee betrokken documenten zowel in de mededeling van punten van bezwaar als in de bestreden beschikking aangehaald om de algemene context te beschrijven waarin de in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken zijn gepleegd, en niet om de specifieke aard van deze inbreuken te schetsen, zodat het ontbreken van een verwijzing in de bestreden beschikking naar deze twee documenten niet afdoet aan de gegrondheid van deze beschikking. Het faxbericht van Sumitomo van 12 januari 1990 is immers in de twee documenten aangehaald in dat gedeelte van de beschrijving van de Europa-Japanclub dat betrekking heeft op de „speciale markten”, dat wil zeggen op de markten van derde landen. Wat het rapport van Vallourec van 1994 betreft, dit is kort vermeld in een voetnoot (voetnoot 65 van de mededeling van punten van bezwaar en voetnoot 30 van de bestreden beschikking) ter bevestiging van het door Dalmine niet betwiste feit dat „op 22 februari 1994 [...] Valtubes (dochteronderneming van Vallourec) de zeggenschap [overnam] van de Schotse installaties van [Corus] welke gespecialiseerd zijn in thermische behandeling en draadsnijden volgens het VAMprocédé, en [...] zij de onderneming Tubular Industries Scotland Limited (TISL) [oprichtte], marktleider in het Noordzeegebied voor de levering van buizen met hoogwaardige of standaardschroefdraadverbinding”.
64 Met betrekking tot de documenten die weliswaar in de bijlage bij de mededeling van punten van bezwaar zijn opgenomen, maar die niet in de mededeling zelf zijn vermeld, namelijk de processenverbaal van verhoor van Benelli, Jachia en Ciocca, kan worden volstaan met op te merken dat zowel in de mededeling van punten van bezwaar als in de bestreden beschikking is verwezen naar de getuigenissen van „enkele bestuurders van Dalmine” (zie punt 46 van de mededeling van punten van bezwaar en punt 54 van de bestreden beschikking) en dat enkel die van Biasizzo in extenso is aangehaald (zie punt 58 van de mededeling van punten van bezwaar en punt 64 van de bestreden beschikking). Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar naar deze documenten heeft verwezen, en dat deze verwijzingen in casu, gelet op het gebruik dat de Commissie later in de bestreden beschikking van deze elementen heeft gemaakt, volstonden om Dalmine in staat te stellen zich tijdens de administratieve procedure naar behoren op dit punt te verdedigen.
65 Bijgevolg dient het onderhavige middel te worden verworpen.
Toelaatbaarheid van bepaalde bewijselementen
66 Dalmine stelt dat bepaalde stukken die de Commissie tegen haar gebruikt, niet-ontvankelijk zijn als bewijs, en dat het gebruik hiervan een schending van haar rechten van verdediging inhoudt. Volgens haar dient de bestreden beschikking wegens het onregelmatige gebruik van deze stukken nietig te worden verklaard. Subsidiair stelt zij dat deze stukken uit de debatten dienen te worden geweerd en dus bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beschikking buiten beschouwing dienen te worden gelaten.
Het document verdeelsleutel
— Argumenten van partijen
67 Volgens verzoekster is het document Verdeelsleutel niet-ontvankelijk als bewijs van de in de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuken, omdat de Commissie niet bekend heeft gemaakt wie dit stuk heeft opgesteld en evenmin waar het vandaan komt. Bij ontbreken van dergelijke informatie dienen de authenticiteit en de bewijskracht van dit stuk à charge met de nodige omzichtigheid te worden beoordeeld.
68 Bovendien wekt punt 85 van de bestreden beschikking de indruk dat de opsteller van dit document niet aanwezig was op de bijeenkomst te Tokio van 5 november 1993, hoewel dit document wordt aangevoerd als bewijs van de overeenkomst inzake de eerbiediging van de markten die toen is gesloten. In deze omstandigheden kan Dalmine zich naar eigen zeggen niet tegen dit document verdedigen.
69 De Commissie antwoordt hierop dat het voor de uitoefening van de rechten van verdediging van verzoekster niet nodig is dat zij bekendmaakt wie haar het document Verdeelsleutel heeft bezorgd.
70 Zij wijst er verder op dat zij niet verplicht is de identiteit van haar informant prijs te geven. In dit verband verwijst zij naar punt II van mededeling 97/C 23/03 van de Commissie inzake de interne procedureregels voor de behandeling van verzoeken om toegang tot een dossier bij de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het EG-Verdrag, van de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (PB 1997, C 23, blz. 3; hierna: „mededeling inzake de toegang tot een dossier”).
71 Verder bevestigen verschillende bewijselementen in het dossier, met name die welke zijn opgesomd in de punten 121 en 122 van de bestreden beschikking, de inhoud van het document Verdeelsleutel.
— Beoordeling door het Gerecht
72 In het gemeenschapsrecht primeert het beginsel van de vrije bewijslevering en het enige relevante criterium ter beoordeling van aangevoerde bewijzen is de geloofwaardigheid ervan (conclusie van rechter Vesterdorf, aangewezen als advocaatgeneraal, bij arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T-1/89, Jurispr. blz. II-867, II-869; zie ook in die zin arrest Hof van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol, C-310/98 en C-406/98, Jurispr. blz. I-1797, punt 29, en arrest Gerecht van 7 november 2002, Vela en Tecnagrind/Commissie, T-141/99, T-142/99, T-150/99 en T-151/99, Jurispr. blz. II-4547, punt 223). Bovendien kan het noodzakelijk zijn voor de Commissie om de anonimiteit van de informanten te beschermen (zie in die zin arrest Hof van 7 november 1985, Adams/Commissie, 145/83, Jurispr. blz. I-3539, punt 34) en deze omstandigheid alleen kan de Commissie niet verplichten een van de bewijzen waarover zij beschikt, terzijde te schuiven.
73 De argumenten van Dalmine kunnen dus weliswaar relevant zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid, en dus van de bewijskracht, van het document Verdeelsleutel, maar er is geen reden om vast te stellen dat dit document niet-ontvankelijk is als bewijs en uit het dossier dient te worden verwijderd.
De processenverbaal van verhoor van de gewezen bestuurders van Dalmine
— Argumenten van partijen
74 Volgens Dalmine mocht geen gebruik worden gemaakt van de verklaringen die bepaalde van haar gewezen bestuurders in het kader van een strafzaak tegenover de procureur van de Republiek te Bergamo (Italië) hebben afgelegd.
75 In de eerste plaats heeft de Commissie de rechten van de verdediging zwaar geschonden door Dalmine niet tijdig mee te delen dat zij over vertrouwelijke verklaringen beschikte. Nadat de Commissie op 16 januari 1996 de autorità garante della Concorrenza e del Mercato (Italiaanse nationale mededingingsautoriteit; hierna: „Mededingingsautoriteit”) had verzocht om haar deze documenten toe te zenden, heeft zij immers drie jaar gewacht alvorens deze tezamen met de mededeling van punten van bezwaar aan Dalmine door te sturen. Aangezien Dalmine niet wist dat deze stukken zouden kunnen worden gebruikt, heeft zij niet de gelegenheid gekregen om zich te verdedigen.
76 In de tweede plaats verwijt Dalmine de Commissie dat zij de procedureregels zwaar heeft geschonden door verklaringen te gebruiken die zijn afgelegd in het kader van een strafprocedure die niets te maken heeft met het onderzoek waarmee zij belast was. De Commissie is niet gerechtigd om zich op deze verklaringen te beroepen buiten de context van de zaak waarin zij zijn afgelegd.
77 Ter terechtzitting heeft Dalmine dienaangaande opgemerkt dat volgens de rechtspraak van het Hof, met name zijn arrest van 16 juli 1992, Asociación Española de Banca Privada e.a., bekend als het arrest „Spaanse banken” (C-67/91, Jurispr. blz. I-4785, punten 35 e.V.), de geheimhoudingsplicht en de rechten van verdediging van een onderneming worden geschonden indien een nationale autoriteit in een nationale procedure tegen deze onderneming bewijselementen zou aanvoeren die zij heeft verkregen tijdens een onderzoek met een ander doel dan die procedure. Dit beginsel is volgens Dalmine van overeenkomstige toepassing op de onderhavige zaak, aangezien de Commissie bewijselementen heeft gebruikt die in het kader van een nationaal strafonderzoek zijn verzameld.
78 In de derde plaats zijn de betrokken verklaringen afgelegd door de gewezen bestuurders, die zich tegen beschuldigingen van corruptie trachtten te verdedigen, wat afdoet aan de bewijswaarde ervan. Aangezien meer bepaald personen in deze situatie, andere dan getuigen, niet verplicht zijn de waarheid te spreken, zijn hun verklaringen over het bestaan van een ongeoorloofde mededingingsregeling noch betrouwbaar noch correct.
79 De Commissie is het niet eens met deze argumenten.
80 Om te beginnen herinnert zij eraan dat zij op volkomen regelmatige wijze in het bezit is gekomen van de betrokken processenverbaal, met de instemming van de Mededingingsautoriteit en met de uitdrukkelijke toelating van de substituutprocureurs (bijlage 15 bij de mededeling van punten van bezwaar, blz. 8220 ter 1, en bijlage 1). Dalmine stelt niet op basis van welke rechtsgrondslag zij gerechtigd zou zijn om te worden ingelicht over het feit dat de Commissie vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar over deze processenverbaal beschikte. En ook al zou zij een dergelijk recht hebben, houdt de schending ervan in elk geval geen schending in van de rechten van de verdediging.
81 De Commissie heeft ter terechtzitting gesteld dat de processenverbaal met de verklaringen van de gewezen bestuurders van Dalmine tegenover een procureur van de Italiaanse Republiek haar zijn meegedeeld door de Mededingingsautoriteit, die deze van het openbaar ministerie had ontvangen. Zij zijn op regelmatige wijze dooide Italiaanse autoriteiten aan de Commissie doorgestuurd, zodat het gebruik dat zij ervan heeft gemaakt niet onwettig kan zijn.
82 Ten slotte is de Commissie van mening dat de betrokken processenverbaal aanwijzingen bevatten die tezamen met de andere informatie waarover zij beschikte, bewijskrachtig zijn.
— Beoordeling door het Gerecht
83 Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat Dalmine, zoals de Commissie terecht opmerkt, niet stelt op basis van welke rechtsgrondslag zij gerechtigd zou zijn om vóór de ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar ingelicht te worden over het feit dat de Commissie beschikte over de processenverbaal van verklaringen die bepaalde van haar bestuurders tegenover de procureur van de Republiek te Bergamo hadden afgelegd. De Commissie is immers, op het ogenblik waarop zij de ondernemingen die zij ervan verdenkt aan een inbreuk te hebben deelgenomen om inlichtingen verzoekt, geenszins verplicht om hen mee te delen over welke bewijselementen zij reeds beschikt. De verstrekking van dergelijke informatie kan in voorkomend geval afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie, doordat de betrokken ondernemingen aan de hand van deze informatie kunnen nagaan wat de Commissie reeds weet en wat dus nog voor haar verborgen kan worden gehouden.
84 Aangaande het argument van Dalmine inzake schending van de procedureregels, dat is gebaseerd op de overeenkomstige toepassing van de rechtspraak van het Hof, met name van zijn hierboven in punt 77 aangehaalde arrest Spaanse banken, dient te worden opgemerkt dat deze rechtspraak betrekking heeft op het gebruik door de nationale autoriteiten van informatie die de Commissie op grond van artikel 11 van verordening nr. 17 heeft verzameld. Deze situatie wordt uitdrukkelijk door artikel 20 van verordening nr. 17 geregeld.
85 Uit de bewoordingen van artikel 20 van verordening nr. 17 en bovenbedoelde rechtspraak blijkt dat de vraag of de Commissie gerechtigd is om krachtens verordening nr. 17 verzamelde informatie aan een nationale autoriteit door te zenden en of het deze laatste kan worden verboden om deze informatie rechtstreeks als bewijs te gebruiken, naar gemeenschapsrecht dient te worden beantwoord.
86 Daarentegen dient de vraag of een nationale officier van justitie of de bevoegde mededingingsautoriteiten gerechtigd zijn informatie die krachtens het nationale strafrecht is verzameld, aan de Commissie door te sturen en of de Commissie deze informatie vervolgens kan gebruiken, in beginsel te worden beoordeeld volgens de nationale rechtsvoorschriften die de onderzoeken door deze nationale autoriteiten beheersen, en dient deze vraag in een contentieuze procedure door de nationale rechter te worden beoordeeld. In het kader van een beroep op grond van artikel 230 EG is de gemeenschapsrechter immers niet bevoegd om de wettigheid van een door een nationale autoriteit gestelde handeling aan het nationale recht te toetsen (zie, naar analogie, arrest Hof van 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie, C-97/91, Jurispr. blz. I-6313, punt 9, en arrest Gerecht van 15 december 1999, Kesko/Commissie, T-22/97, Jurispr. blz. II-3775, punt 83).
87 In casu merkt Dalmine enkel op dat het onderzoek in het kader waarvan de betrokken verklaringen zijn afgelegd, een ander doel heeft dan het onderzoek van de Commissie. Uit haar betoog blijkt niet dat een bevoegde Italiaanse rechterlijke instantie zelfs maar is verzocht om na te gaan of de betrokken processenverbaal op regelmatige wijze zijn doorgezonden en op gemeenschapsniveau mochten worden gebruikt. In elk geval verstrekt zij ook geen gegevens die kunnen aantonen dat dit gebruik in strijd was met de toepasselijke bepalingen van Italiaans recht.
88 Bovendien dient te worden opgemerkt dat in de door Dalmine genoemde rechtspraak wordt uitgegaan van de noodzaak tot bescherming van de rechten van verdediging en het zakengeheim van ondernemingen die informatie verstrekken waarom de Commissie op grond van artikel 11 van verordening nr. 17 heeft verzocht in het kader van een specifiek onderzoek waarvan zij het doel kennen (arrest Spaanse banken, hierboven aangehaald in punt 77, punten 36-38). In casu hebben de betrokken processenverbaal evenwel betrekking op de verklaringen die gewezen bestuurders van Dalmine in eigen naam en niet in naam van deze laatste hebben afgelegd.
89 Het gebruik door de Commissie van deze bewijselementen tegen Dalmine kan de rechten van verdediging of het zakengeheim of zelfs het privé-leven van degenen die deze verklaringen hebben afgelegd niet schenden, aangezien zij niet bij de onderhavige procedure zijn betrokken.
90 Voor het overige kunnen de argumenten van Dalmine hooguit afdoen aan de geloofwaardigheid en dus aan de bewijskracht van de getuigenissen van haar directeuren, maar niet aan de ontvankelijkheid ervan in de onderhavige procedure. Deze argumenten zijn dus in het kader van het onderhavige middel irrelevant.
91 Gelet op een en ander, dient dit middel te worden verworpen.
De wettigheid van de verificatiebeschikking van de Commissie van 25 november 1994
Argumenten van partijen
92 Volgens Dalmine is de beschikking van de Commissie van 25 november 1994, die is vastgesteld op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 en die niet tot haar is gericht, onwettig. Bij deze beschikking heeft de Commissie verificaties gelast bij bepaalde ondernemingen die ervan werden verdacht in strijd met artikel 81 EG of artikel 53 van de EER-Overeenkomst aan mededingingsregelingen te hebben deelgenomen. De Commissie heeft gebruik gemaakt van bepaalde documenten die zij in beslag heeft genomen bij de verificaties die op grond van deze beschikking zijn verricht.
93 Het onderhavige middel omvat twee onderdelen.
94 In de eerste plaats is Dalmine van mening dat de Commissie met de beschikking van 25 november 1994 het onderzoeksdomein waarop de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA om haar medewerking had verzocht, op ongeoorloofde wijze heeft uitgebreid. Zij herinnert eraan dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de Commissie bij brief van 17 november 1994 heeft verzocht om bepaalde verificaties te verrichten in verband met eventuele inbreuken op artikel 56 van de EER-Overeenkomst met betrekking tot stalen buizen die in de Noorse offshoreaardolieindustrie worden gebruikt. Dalmine beklemtoont dat in dit verzoek geen sprake was van inbreuken op de communautaire mededingingsregels.
95 Volgens Dalmine diende de Commissie binnen de grenzen van het verzoek van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA te blijven totdat deze laatste tot de conclusie zou zijn gekomen dat er geen inbreuk op de EER-overeenkomst was en dat er mogelijkerwijs sprake was van negatieve beïnvloeding van de intracommunautaire handel. Niettemin heeft de Commissie op 25 november 1994 beslist om haar onderzoek tot inbreuken op artikel 81 EG uit te breiden. Volgens Dalmine zijn haar rechten van verdediging door deze beschikking geschonden en heeft de Commissie zich schuldig gemaakt aan misbruik van bevoegdheid en de in artikel 8, lid 3, van protocol 23 van de EER-Overeenkomst vastgestelde procedureregels geschonden.
96 In de tweede plaats verwijt Dalmine de Commissie dat zij de beschikking van 25 november 1994 niet tot haar heeft gericht. Zij stelt dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in haar brief van 17 november 1994 de Commissie had meegedeeld dat zij vermoedens had van Dalmines deelneming aan een mededingingsregeling op de Noorse markt. Dalmine behoort evenwel niet tot de adressaten van de beschikking van 25 november 1994.
97 Door dit verzuim zijn de rechten van verdediging van Dalmine geschonden. Volgens haar had de Commissie haar reeds op 25 november 1994 moeten wijzen op het feit dat haar gedrag mogelijkerwijs onwettig was. Indien er verdenkingen rusten op een persoon, heeft de betrokkene recht daarover te worden ingelicht. Hoewel de Commissie op 13 februari 1997 de eerste verificaties bij Dalmine heeft verricht, heeft zij tot 11 mei 1999 gewacht om haar bepaalde stukken toe te zenden waarover zij reeds in december 1994 beschikte.
98 Een dergelijk verzuim is bovendien discriminerend. Mocht de Commissie Dalmine de beschikking van 25 november 1994 hebben toegestuurd, dan had deze immers, zoals de adressaten van deze beschikking, de verweten gedragingen kunnen beëindigen.
99 De bestreden beschikking dient dan ook nietig te worden verklaard. Subsidiair dienen de door de Toezichthoudende Autoriteit aan de Commissie toegezonden stukken uit de debatten te worden geweerd en bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beschikking buiten beschouwing te worden gelaten. Ten slotte dient de datum van beëindiging van de inbreuk te worden vastgesteld op 25 november 1994, datum waarop de Commissie Dalmine op de hoogte had moeten brengen van de op haar rustende verdenkingen.
100 De Commissie is het niet eens met deze verwijten.
101 In de eerste plaats betwist zij dat de grenzen van haar onderzoeksbevoegdheid worden bepaald door het verzoek van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA. Zij herinnert eraan dat zij ambtshalve onderzoeken kan instellen, zodat zij a fortiori bevoegd is om ambtshalve op te treden wanneer zij inlichtingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA heeft gekregen. Deze laatste kan deze bevoegdheid niet blokkeren of beperken. Op het ogenblik waarop de Commissie besliste een verificatie te verrichten, kon zij niet weten of de resultaten van haar onderzoek relevant zouden zijn voor de toepassing van artikel 53 EER-overeenkomst dan wel voor die van artikel 81 EG, welke bepalingen van toepassing zijn wanneer een mededingingsregeling tussen ondernemingen de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloedt.
102 In de tweede plaats zet de Commissie uiteen dat Dalmine zich niet in dezelfde situatie bevond als de adressaten van de beschikking van 25 november 1994. Toen duidelijk werd dat Dalmine bij een mededingingsregeling betrokken was, heeft de Commissie beslist verificaties bij haar te verrichten, en heeft zij haar toegang tot het dossier verleend.
Beoordeling door het Gerecht
103 Aangaande het betoog van Dalmine in het eerste onderdeel van het onderhavige middel, dat de Commissie het onderzoeksdomein waarop de Toezichthoudende Autoriteit van de EER om haar medewerking had verzocht, op ongeoorloofde wijze heeft uitgebreid, dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat het Hof in zijn advies van 10 april 1992 (1/92, Jurispr. blz. I-2821) heeft verklaard dat de haar voorgelegde bepalingen van de EER-Overeenkomst, namelijk artikel 56 inzake de bevoegdheidsverdeling in mededingingszaken tussen de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie, verenigbaar zijn met het EG-Verdrag.
104 Het Hof is met betrekking tot artikel 56 van de EER-overeenkomst tot deze conclusie gekomen op basis van de vaststelling in de punten 40 en 41 van dit advies, dat de bevoegdheid van de Gemeenschap om op mededingingsgebied internationale overeenkomsten te sluiten noodzakelijkerwijs impliceert dat zij regels overeen kan komen inzake de verdeling tussen de verdragsluitende partijen van de bevoegdheden inzake mededinging, voor zover daardoor niet wordt afgedaan aan de aard van de bevoegdheden van de Gemeenschap en haar instellingen, zoals deze in het Verdrag zijn opgevat.
105 Uit advies 1/92 vloeit dus voort dat artikel 56 van de EER-overeenkomst niet afdoet aan de aard van de in het EG-Verdrag vastgelegde bevoegdheden van de Gemeenschap op mededingingsgebied.
106 Dienaangaande blijkt zowel uit de bewoordingen van artikel 56 van de EER-overeenkomst zelf als uit de gedetailleerde beschrijving van deze bepaling in de inleiding van advies 1/92, onder het opschrift „Samenvatting van het verzoek van de Commissie”, dat de Commissie na de inwerkingtreding van de EER-overeenkomst bij uitsluiting bevoegd blijft voor alle zaken die vóór de inwerkingtreding ervan binnen de communautaire bevoegdheid inzake mededinging vielen. Alle zaken waarin de handel tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap ongunstig wordt beïnvloed, blijven immers onder de bevoegdheid van de Commissie vallen, ongeacht of er daarnaast ook sprake is van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de Gemeenschap en de EVA-Staten en/of tussen de EVA-Staten onderling.
107 Gelet op het voorgaande, dient te worden vastgesteld dat de bepalingen van de EER-overeenkomst niet aldus kunnen worden uitgelegd dat de Commissie, zelfs tijdelijk, haar bevoegdheid zou verliezen om artikel 81 EG toe te passen op een mededingingsverstorende overeenkomst die de handel tussen lidstaten van de Gemeenschap ongunstig beïnvloedt.
108 In casu dient te worden vastgesteld dat de Commissie in haar beschikking van 25 november 1994 waarbij een onderzoek in de sector stalen buizen is ingeleid, met name artikel 81 EG en verordening nr. 17 als rechtsgrondslag heeft aangevoerd. Tijdens dit onderzoek heeft zij de haar bij verordening nr. 17 verleende bevoegdheden gebruikt om de in de bestreden beschikking aangevoerde bewijzen te verzamelen, en ten slotte heeft zij in de artikelen 1 en 2 van deze beschikking uitsluitend op grond van artikel 81 EG een sanctie wegens de inbreukmakende overeenkomsten opgelegd.
109 Gelet op een en ander, dient het eerste onderdeel van het eerste middel te worden verworpen.
110 Wat het tweede onderdeel van het onderhavige middel betreft, dient te worden vastgesteld dat in het gemeenschapsrecht niet het recht bestaat om vóór de formele toezending van een mededeling van punten van bezwaar over de stand van een administratieve procedure te worden ingelicht. Mocht het standpunt van Dalmine worden aanvaard, dan zou dit erop neerkomen dat een onderneming het recht heeft om over een onderzoek te worden ingelicht wanneer er vermoedens tegen haar bestaan, wat de werkzaamheden van de Commissie ernstig zou kunnen belemmeren.
111 Met betrekking tot het argument dat Dalmine is gediscrimineerd omdat zij niet de gelegenheid heeft gehad om de haar verweten inbreuken tijdig te beëindigen, dient te worden vastgesteld dat de Commissie ervan is uitgegaan dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk slechts tot 1 januari 1995 heeft geduurd (zie hierna, punten 317 e.V., en arresten Gerecht van heden, JFE Engineering e.a./Commissie, T-67/00, T-68/00, T-71/00 en T-78/00, en Mannesmannröhren-Werke/Commissie, T-44/00, Jurispr. blz. II-2223). Aangezien op 1 en 2 december 1994 verificaties zijn verricht in de gebouwen van de adressaten van de beschikking van 25 november 1994 (zie punt 1 van de bestreden beschikking), dient te worden vastgesteld dat Dalmine slechts één maand voor het einde van de tegen haar in aanmerking genomen inbreukperiode — of zelfs na de beëindiging ervan, indien rekening wordt gehouden met de duur van de inbreuk zoals die in bovenbedoeld arrest is vastgesteld — over het bestaan van het onderzoek is ingelicht.
112 Ook al zou Dalmine dus onmiddellijk hebben beslist haar inbreukmakende gedragingen te beëindigen, zou zij dus onmogelijk de mededingingsverstorende gevolgen van de marktverdelingsovereenkomst vóór het einde van de inbreukperiode hebben kunnen doen ophouden, en daarmee de duur ervan hebben kunnen verminderen. Het betoog van Dalmine kan dus niet afdoen aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk.
113 Met betrekking tot de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk kan worden volstaan met de vaststelling dat Dalmine en Vallourec de toepassing van hun leveringscontract pas bij ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar in januari 1999 hebben geschorst, terwijl de eerste verificatie in de gebouwen van Dalmine in februari 1997 is verricht. Aangezien Dalmine in februari 1997 geen stappen heeft gezet om haar inbreukmakende gedrag te beëindigen, is er geen enkele reden om aan te nemen dat zij dit wel zou hebben gedaan na een eventuele verificatie in december 1994.
114 Gelet op een en ander, dient het onderhavige middel in zijn geheel te worden verworpen.
De toegang tot het dossier
Argumenten van partijen
115 Dalmine stelt dat zij geen toegang heeft gekregen tot het volledige dossier. De Commissie heeft haar ondanks haar verzoek geen inzage willen verlenen in de door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA toegezonden stukken. Zij heeft zich daarbij verschuild achter het interne karakter van deze documenten, zonder enige verdere uitleg en zonder de inhoud ervan te hebben onderzocht, en, in het bijzonder, zonder overeenkomstig voetnoot 19 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier een onderscheid te maken tussen de documenten waarin de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA haar zienswijze te kennen geeft, en die welke zij alleen maar heeft verzameld. Dalmine is van mening dat zij daardoor mogelijkerwijs geen toegang heeft gehad tot bepaalde stukken à charge die eventueel in het dossier van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA waren opgenomen.
116 Verder verwijt Dalmine de Commissie dat zij niet heeft aangegeven welke van de stukken zijn verzameld tijdens de verificaties die op grond van de beschikking van 25 november 1994 zijn verricht, hoewel het gaat om stukken à charge (punt 53 van de bestreden beschikking).
117 De Commissie antwoordt op deze verwijten dat zij niet verplicht is de ondernemingen tijdens de administratieve procedure stukken mee te delen die zich niet in haar onderzoeksdossier bevinden en die zij niet voornemens is in haar eindbeschikking tegen de betrokken partijen te gebruiken (cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 383). Verder herinnert zij eraan dat zij tijdens de administratieve procedure geen toegang tot interne documenten hoeft te verlenen.
Beoordeling door het Gerecht
118 Punt II A 2 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier luidt als volgt: „Om redenen van administratieve vereenvoudiging en doeltreffendheid worden de interne documenten voortaan opgenomen in een (niet-toegankelijk) bestand van interne documenten met betrekking tot zaken die in onderzoek verkeren, waarin alle interne documenten chronologisch zijn gerangschikt. Deze classificatie geschiedt onder toezicht van de raadaviseur-auditeur die, indien nodig, kan garanderen dat de daarin opgenomen stukken ‚interne documenten’ zijn. Als ‚interne documenten’ worden onder meer aangemerkt: [...] c) de briefwisseling betreffende een zaak met andere openbare instanties (19); [...]”
119 In voetnoot 19 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier is gepreciseerd: „De vertrouwelijkheid van documenten die van het openbaar gezag uitgaan, dient bescherming te genieten. Deze regel geldt niet alleen ten aanzien van documenten van mededingingsautoriteiten maar tevens ten aanzien van die van andere overheden, van een lidstaat of van een derde land. [...] Niettemin dient onderscheid te worden gemaakt tussen de beoordelingen of opmerkingen van deze andere autoriteiten ten aanzien waarvan een absolute bescherming geldt, en de concrete stukken welke zij eventueel hebben verstrekt, aangezien deze laatste niet altijd onder de uitzondering vallen. [...]”
120 Uit de formulering van punt II A 2 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier blijkt dat de raadadviseurauditeur in het kader van de administratieve procedure niet stelselmatig toezicht hoeft uit te oefenen om na te gaan of de dossierstukken interne documenten zijn. Aangezien de raadadviseurauditeur volgens dat punt „indien nodig” een dergelijke verificatie „kan” verrichten, dient te worden vastgesteld dat zijn tussenkomst niet vereist is wanneer de kwalificatie van bepaalde documenten als „interne documenten” niet wordt betwist. Bovendien stond het aan Dalmine om de raadadviseurauditeur te verzoeken om na te gaan of de documenten die de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA aan de Commissie had toegezonden en die als interne documenten zijn gekwalificeerd, dat ook zijn.
121 Op een schriftelijke vraag van het Gerecht om alle briefwisseling tussen de Commissie en Dalmine betreffende de toegang tot interne documenten over te leggen, hebben de twee partijen een brief van Dalmine van 7 juni 1999 overgelegd. In deze brief stelde Dalmine met name dat zij niet kon uitmaken welke documenten door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA waren verzameld en vervolgens door haar aan de Commissie waren doorgezonden. Zij verzocht de Commissie om haar deze bewijselementen mee te delen, om toegang te kunnen krijgen tot het volledige dossier in haar zaak. In haar brief van 7 juni 1999 heeft Dalmine evenwel niet gevraagd dat de raadadviseurauditeur het interne karakter van de aldus door de Commissie meegedeelde documenten zou verifiëren.
122 De Commissie heeft verder een brief van haarzelf aan Dalmine van 11 mei 1999 overgelegd, waarbij de beschikking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 25 november 1994 was gevoegd waarbij deze de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 3, van protocol 23 van de EER-overeenkomst verzocht om verificaties op het grondgebied van de Gemeenschap te verrichten, alsook de beschikkingen waarbij de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 had beslist om daadwerkelijk verificaties te verrichten.
123 Op een andere vraag van het Gerecht heeft de Commissie geantwoord dat de documenten die zij van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA heeft ontvangen, in het administratief dossier zijn opgenomen en zijn weergegeven op de bladzijden 1 tot en met 350 daarvan, onder het opschrift „interne documenten, geheim”. Vaststaat dat Dalmine evenals de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar tussen 11 februari en 20 april 1999 toegang heeft gehad tot het administratief dossier van Commissie. Zij heeft kunnen vaststellen dat er 350 bladzijden interne documenten waren waartoe de Commissie de toegang weigerde, zodat het feit dat zij niet heeft verzocht om verificatie van het interne karakter ervan niet kan worden geweten aan het feit dat zij niet van het bestaan ervan op de hoogte was.
124 Dat het hierbij gaat om documenten van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA die later aan de Commissie zijn doorgezonden, en niet om interne documenten van de Commissie, zoals Dalmine vóór de ontvangst van de brief van 11 mei 1999 had kunnen aannemen, is in het kader van het onderzoek van het onderhavige middel irrelevant. Uit de bewoordingen van voetnoot 19 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier blijkt immers dat documenten van andere, zowel communautaire als niet-communautaire, overheden dezelfde bescherming moeten genieten als interne documenten van de Commissie.
125 In elk geval heeft het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht om een overzicht te geven van de inhoud van de bladzijden 1 tot en met 350 van haar administratief dossier. Uit dit overzicht blijkt dat alle betrokken documenten ontegensprekelijk interne documenten zijn, zodat Dalmine zich in elk geval niet minder goed heeft kunnen verdedigen door het feit dat de raadadviseurauditeur het interne karakter van deze documenten niet heeft geverifieerd, en haar rechten van verdediging daardoor dus niet zijn geschonden.
126 Wat ten slotte het verwijt van Dalmine betreft dat zij niet heeft kunnen uitmaken welke stukken à charge bij de verificaties zijn verzameld, kan worden volstaan met eraan te herinneren dat Dalmine toegang heeft gehad tot het volledige administratieve dossier. Aangezien de wettigheid van de verificaties niet meer in twijfel kan worden getrokken (zie hierboven, punten 103-114), heeft het door Dalmine gestelde probleem, zo dit al reëel zou zijn, haar rechten van verdediging niet kunnen schenden. Verder heeft Dalmine, nog afgezien van de vraag of de betrokken documenten inderdaad op onregelmatige wijze zijn verkregen, niet aangegeven hoe haar rechten kunnen zijn geschonden door de wijze waarop de documenten zijn verkregen.
127 Gelet op een en ander, dient het onderhavige middel te worden verworpen.
2. Middelen ten gronde
Ten overvloede aangevoerde gronden van de bestreden beschikking
Argumenten van partijen
128 Dalmine beklaagt zich over het feit dat de Commissie ervoor heeft geopteerd in de bestreden beschikking melding te maken van bepaalde feiten die weliswaar niets te maken hebben met de vastgestelde inbreuken, maar haar toch schade kunnen berokkenen. Zij herinnert eraan dat de vaststellingen inzake de mededingingsregelingen betreffende de markten buiten de Gemeenschap en inzake de vaststelling van prijzen (punt 54-61, 70-77 en 121-122 van de bestreden beschikking) geen verband houden met de in de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken. Zij zijn dan ook overbodig voor de vaststelling van de bestreden beschikking. Dalmine vreest dat derde ondernemingen op basis van deze vaststellingen vorderingen tot schadevergoeding zouden kunnen instellen.
129 Dalmine merkt op dat zij in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar en tijdens haar verhoor de Commissie heeft verzocht om in de bestreden beschikking geen andere feiten te vermelden dan die op basis waarvan de inbreuken zijn vastgesteld. Dit verzoek diende haar tegen aanspraken van derden te beschermen. De Commissie heeft hier niet op geantwoord.
130 Tot staving van deze grieven voert Dalmine aan dat het zakengeheim, dat door artikel 287 EG en artikel 20, lid 2, van verordening nr. 17 wordt beschermd, dient te worden geëerbiedigd en dat de geheimhoudingsplicht van de Commissie als een daadwerkelijk „dienstgeheim” dient te worden opgevat (zie conclusie van advocaatgeneraal Lenz bij arrest Hof van 24 juni 1986, AKZO Chemie/Commissie, 53/85, Jurispr. blz. 1965, 1966, 1977).
131 Verder beklemtoont Dalmine dat de Commissie slechts de „essentiële gedeelten van de beschikking” bekend hoeft te maken en „rekening [moet houden] met het rechtmatig belang van de ondernemingen, dat hun zakengeheimen niet aan de openbaarheid worden prijsgegeven” (artikel 21, lid 2, van verordening nr. 17). Volgens haar omvat het „essentiële gedeelte” van een mededingingsbeschikking, naast het dispositief, de belangrijkste gronden waarop de Commissie zich heeft gebaseerd. Het omvat daarentegen niet de aantijgingen die niet relevant zijn voor de vaststelling van de inbreuken op artikel 81, lid 1, EG. Dalmine verzoekt het Gerecht de irrelevante vaststellingen nietig te verklaren en hieruit de nodige conclusies inzake de geldigheid van de bestreden beschikking te trekken.
132 De Commissie stelt dat zij op het ogenblik waarop zij haar verweerschrift indiende, nog bezig was met het onderzoek van de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens in de bestreden beschikking, met het oog op de latere publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Dalmine kon haar dus verzoeken om bepaalde passages van deze beschikking niet bekend te maken.
133 De Commissie ontkent dat de bestreden beschikking inlichtingen bevat waarvan de bekendmaking derden ertoe zou kunnen aanzetten vorderingen tot schadevergoeding tegen Dalmine in te stellen. Het feit dat bepaalde praktijken niet in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van de inbreuk op artikel 81, lid 1, EG kan geen nadelige gevolgen hebben voor verzoekster.
Beoordeling door het Gerecht
134 Er kan worden volstaan met de vaststelling dat er geen rechtsregel bestaat die de adressaat van een beschikking de mogelijkheid biedt in het kader van een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 230 EG bepaalde gronden ervan aan te vechten, tenzij deze bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die zijn belangen kunnen schaden (zie in die zin arrest Gerecht van 22 maart 2000, Coca-Cola/Commissie, T-125/97 en T-127/97, Jurispr. blz. II-1733, punten 77 en 80-85). In beginsel kunnen de gronden van een beschikking niet dergelijke gevolgen hebben. In casu heeft verzoekster niet aangetoond in welke zin de bestreden gronden gevolgen kunnen hebben die haar rechtspositie kunnen aantasten.
135 Gelet op een en ander, kan het onderhavige middel niet worden aanvaard.
De in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk (Europa-Japanclub)
136 Dalmine betwist niet dat er een overeenkomst heeft bestaan tussen de adressaten van de bestreden beschikking, maar stelt dat deze geen betrekking had op de communautaire thuismarkten en dus niet onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt. Dienaangaande voert zij twee middelen aan.
Middelen betreffende de analyse van de relevante markt en het gedrag van de adressaten van de bestreden beschikking op deze markt
— Argumenten van partijen
137 Volgens Dalmine voldoet de bestreden beschikking niet aan het motiveringsvereiste van artikel 253 EG en is artikel 81 EG niet correct toegepast. Meer bepaald heeft de Commissie de relevante markt niet grondig geanalyseerd en kon zij dus niet beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 81, lid 1, EG was voldaan, zodat zij deze bepaling heeft geschonden.
138 Dalmine betwist de vaststelling dat de producenten van naadloze buizen van eikaars thuismarkten wegbleven. Zij herinnert eraan dat de verweten inbreuken slechts betrekking hebben op twee soorten producten: standaard-OCTGbuizen en „project”-transportbuizen. De Commissie heeft evenwel geen gegevens over deze producten verstrekt op basis waarvan kan worden nagegaan of is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden artikel 81, lid 1, EG, volgens hetwelk er sprake moet zijn van een mededingingsbeperking en de handel tussen de lidstaten ongunstig moet zijn beïnvloed. Zij heeft zich immers gebaseerd op gegevens betreffende een veel ruimere groep van producten (zie bijvoorbeeld bijlagen 1, 3 en 4 van de bestreden beschikking). Aldus is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de nationale producenten van stalen buizen op hun respectieve thuismarkten over een dominante positie beschikten.
139 Volgens Dalmine zou de Commissie tot een geheel andere conclusie zijn gekomen indien zij haar onderzoek had beperkt tot de situatie zoals die bestond op de markt van de relevante producten. Verzoekster verkoopt immers slechts een zeer geringe hoeveelheid standaard-OCTGbuizen op de Italiaanse markt, anders dan uit de tabel in punt 68 van de bestreden beschikking zou kunnen worden afgeleid, terwijl andere adressaten van de bestreden beschikking veel grote hoeveelheden van dit product op deze markt verkochten. Verzoekster beklemtoont dat de dominante positie die zij volgens de Commissie had slechts betrekking had op de verkoop van „premium”-buizen aan nationale aardoliemaatschappijen.
140 Verzoekster herinnert eraan dat de verklaringen van Biasizzo om de hierboven in punt 78 uiteengezette redenen geen betrouwbare bewijselementen à charge vormen. Verder konden deze verklaringen slechts betrekking hebben op de verkoop van OCTG-buizen, aangezien zij in de periode waarin de inbreuk is gepleegd geen transportbuizen verhandelde. Aangezien de meeste aan de vennootschap Agip verkochte OCTG-buizen „premium”-producten waren, hebben deze verklaringen slechts voor een klein deel betrekking op de verkoop van een van de betrokken producten. Verder zijn deze verklaringen in tegenspraak met de gegevens in de bijlagen bij de bestreden beschikking.
141 Wat de verkoop van „project”-transportbuizen betreft, neemt Dalmine naar eigen zeggen in vergelijking tot haar concurrenten tot wie de bestreden beschikking is gericht, een vrij sterke positie in op de Italiaanse markt. „Project”-transportbuizen maken evenwel slechts een gering deel uit van de op de Italiaanse markt verkochte transportbuizen. Verder herinnert Dalmine eraan dat zij in de betrokken periode aanzienlijke hoeveelheden „project”-transportbuizen op de Britse markt en, in mindere mate, in Duitsland en Frankrijk heeft verkocht. Verder verwijt zij de Commissie dat zij is voorbijgegaan aan het feit dat voor bepaalde toepassingen „project”-transportbuizen door stalen buizen kunnen worden vervangen. Ten slotte deed de invoer van OCTG-buizen en transportbuizen uit andere derde landen dan Japan aanzienlijk afbreuk aan de economische positie van Dalmine op de Italiaanse markt voor deze producten.
142 De Commissie antwoordt hierop dat zij de invloed van de mededingingsregeling op gemeenschapsniveau heeft onderzocht.
143 Uit de tabel in punt 68 van de bestreden beschikking blijkt dat de verdeling van de thuismarkten voor de relevante producten in acht is genomen. De gegevens in deze tabel worden bevestigd door de verklaringen van Vallourec en de bestuurders van Dalmine voor de procureur van de Republiek te Bergamo. Wat deze laatsten betreft, spreekt de Commissie de kritiek van verzoekster tegen dat de verklaringen van Biasizzo onbetrouwbaar zouden zijn.
144 Met betrekking tot de situatie op de Italiaanse markt herinnert de Commissie eraan dat de verkoop van standaard-OCTGbuizen en „project”-transportbuizen door Dalmine tussen 1990 en 1995 gemiddeld 13506 ton per jaar bedroeg (antwoord van Dalmine op een verzoek van de Commissie op grond van artikel 11 van verordening nr. 17). In diezelfde periode bedroeg de totale verkoop op deze markt door de acht bij de overeenkomst betrokken ondernemingen 14869 ton (zie bijlage 2 bij de bestreden beschikking; dit bedrag vormt de optelsom van de hoeveelheid in Italië geleverde standaard-OCTGbuizen met schroefdraad, namelijk 1514 ton, en de hoeveelheid in Italië geleverde „project”-transportbuizen, namelijk 13355 ton). In de betrokken periode had Dalmine dus een aandeel van 91 % op de Italiaanse markt van de relevante producten.
— Beoordeling door het Gerecht
145 Wat de gestelde schending van artikel 253 EG betreft, is het vaste rechtspraak dat de aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en hel belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben (zie bijvoorbeeld arresten Hof van 29 februari 1996, België/Commissie, C-56/93, Jurispr. blz. I-723, punt 86, en 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, point 63). De Commissie kan immers volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn (zie in die zin arrest Gerecht van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie, T-111/96, Jurispr. blz. I-2937, punt 131).
146 Gelet op de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak dient te worden overwogen dat grieven tegen ten overvloede aangevoerde gronden van een beschikking van de Commissie zonder meer als niet ter zake dienend moeten worden afgewezen, omdat zij niet tot de nietigverklaring van deze handeling kunnen leiden (zie, naar analogie, arrest Hof van 8 mei 2003, T. Port/Commissie, C-122/01 P, Jurispr. blz. I-4261, punt 17; zie ook hierboven, punt 134).
147 Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat de Commissie voor het bewijs van een inbreuk op artikel 81 EG geen nadelig gevolg voor de mededinging hoeft aan te tonen, wanneer zij het bestaan heeft aangetoond van een overeenkomst of van onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken (arresten Gerecht van 6 april 1995, Ferriere Nord/Commissie, T-143/89, Jurispr. blz. II-917, punten 30 e.V., en 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T-141/94, Jurispr. blz. II-347, punt 277).
148 In casu heeft de Commissie zich voor de vaststelling van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk primair gebaseerd op het mededingingsverstorende doel van de overeenkomst tot verdeling van de markten, daaronder begrepen de Duitse, de Britse, de Franse en de Italiaanse markt, en draagt zij hiervoor schriftelijke bewijzen aan (zie in het bijzonder punten 62-67 van de bestreden beschikking en arrest JFE Engineering e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 111, punten 173-337).
149 Hieruit volgt dat in punt 68 van de bestreden beschikking, dat betrekking heeft op de gevolgen van deze overeenkomst, een alternatieve grond wordt aangevoerd, zodat dit punt overbodig is binnen de algemene opzet van het gedeelte van de considerans van de bestreden beschikking dat betrekking heeft op de in artikel 1 vastgestelde inbreuk. Ook al zou Dalmine dus kunnen aantonen dat deze alternatieve motivering ontoereikend is, dient artikel 1 van de bestreden beschikking niet nietig te worden verklaard indien het mededingingsverstorende doel in de onderhavige zaak rechtens genoegzaam is bewezen (zie hierna, punt 152). Bijgevolg is het middel inzake ontoereikende motivering in dit opzicht niet ter zake dienend, en dient het dus te worden verworpen.
150 Voorzover Dalmine stelt dat de in de bestreden beschikking vastgestelde feiten geen inbreuk op artikel 81 EG uitmaken, dient verder te worden vastgesteld dat de hiervoor aangevoerde argumenten voornamelijk inhouden dat de bestrafte overeenkomst geen gevolgen heeft gehad, doordat zij specifiek betrekking had op standaard-OCTGbuizen en „project”-transporťbuizen.
151 Er dient dan ook opnieuw te worden vastgesteld dat, aangezien de Commissie voor het bewijs van een inbreuk op artikel 81 EG geen nadelig gevolg voor de mededinging hoeft aan tonen wanneer zij het bestaan heeft aangetoond van een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken (zie hierboven, punt 147, en de aldaar aangehaalde rechtspraak), en zich primair op het mededingingsverstorende doel van de marktverdelingsovereenkomst heeft gebaseerd, de argumenten van Dalmine betreffende de gevolgen van de overeenkomst in de onderhavige context irrelevant zijn.
152 Dalmine heeft evenwel ook de bewijswaarde van de verklaringen van Biasizzo in twijfel getrokken en in het bijzonder gesteld dat de betrokkene hoofdzakelijk belast was met de verkoop van OCTG-buizen en niet met die van „project”-trans-portbuizen. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat de Commissie zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd op een reeks bewijzen betreffende het doel van de ten laste gelegde overeenkomst, waarvan Dalmine de relevantie niet betwist, met name op de beknopte, maar uitdrukkelijke verklaringen van Verluca, en niet alleen op het element waarvan de bewijswaarde door Dalmine wordt betwist. Ook al zou deze kritiek dus gegrond zijn, kan deze op zich niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beschikking.
153 In elk geval dient te worden opgemerkt dat de verklaring van Biasizzo wordt bevestigd door andere verklaringen van zijn collega's, die de Commissie in haar dossier heeft opgenomen en waarop zij zich voor het Gerecht heeft gebaseerd, maar die zij in de bestreden beschikking niet heeft aangehaald. In het bijzonder blijkt uit de verklaring van Jachia van 5 juni 1995, die is weergegeven op bladzijde 8220 ter S6 van het dossier van de Commissie, dat er een afspraak bestond „om weg te blijven uit de gebieden die toebehoorden aan de verschillende marktdeelnemers”, en uit de verklaring van Ciocca van 8 juni 1995, die is weergegeven op bladzijde 8220 ter S3 van het dossier van de Commissie, dat er „een wereldwijd kartel van buizenproducenten [bestond]”.
154 Verder staat in casu vast, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het twistpunt gedurende welke periode Biasizzo precies verantwoordelijk was voor de verkoop van de twee in de bestreden beschikking bedoelde soorten producten, dat hij gedurende een belangrijk deel van de vastgestelde inbreukperiode verantwoordelijk is geweest voor de verkoop van OCTG-buizen door Dalmine, alsook gedurende ten minste verschillende maanden van deze periode voor de verkoop van „project”-transportbuizen, zodat hij persoonlijk kennis had van de door hem beschreven feiten.
155 Dienaangaande dient de conclusie te luiden dat de verklaring van Biasizzo betrouwbaar is, met name voor zover zij de verklaringen van Verluca bevestigt, waar deze spreekt over een overeenkomst tot verdeling van de thuismarkten (zie dienaangaande arrest JFE Engineering e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 111, punten 309 e.v.).
156 Voorzover Dalmine ten slotte stelt dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking bestrafte marktverdelingsovereenkomst geen invloed heeft gehad op de handel tussen lidstaten, dient eraan te worden herinnerd dat een besluit, een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, wanneer op grond van een geheel van bestanddelen, feitelijk en rechtens, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden verwacht dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel het handelsverkeer tussen lidstaten kunnen beïnvloeden (arrest Gerecht van 28 februari 2002, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T-395/94, Jurispr. blz. II-875, punten 79 en 90). De Commissie is dus niet verplicht aan te tonen dat de handel daadwerkelijk ongunstig wordt beïnvloed (arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 90), maar deze daadwerkelijke of potentiële invloed mag niet van zeer geringe betekenis zijn (arrest Hof van 25 oktober 2001, Ambulanz Glöckner, C-475/99, Jurispr. blz. I-8089, punt 48).
157 Een overeenkomst die ertoe strekt de nationale markten van de Gemeenschap te verdelen, zoals die welke in artikel 1 van de bestreden beschikking is bestraft, heeft noodzakelijkerwijs als potentieel gevolg — dat zou worden verwerkelijkt indien de overeenkomst werd uitgevoerd — dat het volume van de intracommunautaire handel vermindert. Het is dan ook duidelijk dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk aan deze voorwaarde voldoet.
158 Gelet op een en ander, dienen alle middelen en argumenten van Dalmine betreffende de analyse van de markt waarop de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk betrekking heeft, te worden verworpen.
Deelneming van Dalmine aan de inbreuk
— Argumenten van partijen
159 Dalmine stelt dat haar deelneming aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk geen merkbaar effect op de mededinging heeft gehad. Gelet op haar bescheiden positie op de Italiaanse markt voor standaard-OCTGbuizen en „project”-transportbuizen kon zij onder de producenten van naadloze stalen buizen niet de rol van leider vervullen. Verder heeft zij de betrokken mededingingsregeling niet in acht genomen en werd zij door de andere producenten als ongedisciplineerd beschouwd. Gelet op de kenmerken van de markt en op het ontbreken van een sanctieregeling om de naleving van de mededingingsregeling te verzekeren, heeft deze laatste de belangen van de concurrenten of van de klanten van de adressaten van de bestreden beschikking niet geschaad. Dalmine verwijt de Commissie dat zij geen rekening heeft gehouden met deze omstandigheden en geen onderscheid heeft gemaakt tussen haar situatie en die van de andere adressaten van de bestreden beschikking.
160 Volgens de Commissie is de stelling van Dalmine ongegrond. De enige relevante vraag om uit te maken of ondernemingen artikel 81, lid 1 EG hebben geschonden, is of hun marktgedrag het resultaat is van een wilsovereenstemming.
— Beoordeling door het Gerecht
161 Opnieuw dient te worden opgemerkt dat de Commissie rekening heeft gehouden met het mededingingsverstorende doel van de marktverdelingsovereenkomst waaraan Dalmine heeft deelgenomen, zodat het eventuele ontbreken van bewijzen van de mededelingsverstorende gevolgen van de individuele gedragingen van Dalmine niet afdoet aan de vaststelling dat zij de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk heeft gepleegd (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punten 1085-1088, en punt 147 hierboven, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Verder heeft de Commissie zich voor de vaststelling dat Dalmine aan deze inbreuk heeft deelgenomen primair op schriftelijke bewijzen gebaseerd, met name in de punten 62 tot en met 67 van de bestreden beschikking (zie ook hierboven, punt 152).
162 Met betrekking tot de bewering van Dalmine dat zij in de praktijk haar handelingsvrijheid heeft behouden, zij herinnerd aan de vaste rechtspraak dat, wanneer een onderneming deelneemt aan ondernemersvergaderingen die tot doel hebben de mededinging te verstoren, en zich niet publiekelijk van de inhoud ervan distantieert, waardoor zij bij de andere deelnemers de indruk wekt dat zij aan de uit deze vergaderingen resulterende mededingingsregeling deelneemt en zich daaraan zal houden, ervan uit kan worden gegaan dat zij aan de betrokken mededingingsregeling deelneemt (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 232; 10 maart 1992, Solvay/Commissie, T-12/89, Jurispr. blz. II-907, punt 98, en 6 april 1995, Tréfileurope/Commissie, T-141/89, Jurispr. blz. II-791, punten 85 en 86, en cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 1353).
163 Gelet op een en ander, kan het onderhavige middel niet worden aanvaard. De vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden beschikking dient dan ook te worden afgewezen.
De in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk
De clausules van het leveringscontract tussen Corus en Dalmine
— Argumenten van partijen
164 Dalmine betwist het standpunt van de Commissie dat bepaalde clausules van het leveringscontract met Corus ongeoorloofd zijn. In punt 153 van de bestreden beschikking lijkt de Commissie te stellen dat, ook al zouden de leveringscontracten van Corus geen maatregelen tot uitvoering van de in het kader van de Europa-Japanclub overeengekomen fundamentele regels inzake de eerbiediging van de thuismarkten vormen, een aantal bepalingen ervan in elk geval door artikel 81, lid 1, EG verboden zijn.
165 In de eerste plaats komt zij op tegen de juridische beoordeling van de clausules betreffende de vaststelling van de aan Corus verkochte hoeveelheden goederen.
166 In punt 153 van de bestreden beschikking stelt de Commissie dat „door de aan [Corus] te leveren hoeveelheden [gladde buizen] in percentages vast te leggen in plaats van in vaste hoeveelheden, [...] Vallourec, [Mannesmann] en Dalmine zich ertoe [verbonden] ten gunste van een concurrent hoeveelheden te leveren die niet van tevoren vaststonden”, wat verzoekster betwist.
167 Dalmine betoogt dat de behoeften van Corus op onvoorspelbare wijze fluctueerden met de vraag, zodat deze laatste niet het risico kon lopen zich voor een periode van vijf jaar ertoe te verbinden een vaste jaarlijkse hoeveelheid gladde buizen af te nemen.
168 Verder ontkent Dalmine dat zij zich ertoe heeft verbonden om onbepaalde hoeveelheden gladde buizen aan Dalmine te leveren. Artikel 4 van het leveringscontract bepaalt immers hoe de hoeveelheden door de partijen worden vastgesteld. Deze clausule luidt als volgt: „Voor elke specifieke kalendermaand dient [Corus] elke maand het bestelde tonnage drie maanden vooraf te bevestigen (zij dient bijvoorbeeld eind januari het tonnage voor april te bevestigen). [Corus] dient vervolgens de details van de bestelling van het maandelijkse tonnage twee maanden vooraf te specifiëren (zij dient bijvoorbeeld eind februari de details van de bestelling van april te bevestigen). Wijzigingen in de details van de bestellingen worden door Dalmine aanvaard tot 10 dagen voor de kalendermaand waarin de goederen worden geproduceerd. Na deze termijn zijn wijzigingen slechts mogelijk mits schriftelijke overeenkomst tussen de partijen.”
169 Verder is in deze clausule bepaald: „[Corus] en Dalmine houden maandelijks formele contactvergaderingen over operationele en technische aangelegenheden, om een regelmatige bevoorrading te verzekeren en een leveringsprogramma voor de toekomst (minstens drie maanden vooraf) vast te stellen.”
170 Dalmine betwist dan ook dat zij ervan zou hebben afgezien van een eventuele stijging van de vraag naar schroefdraadbuizen te profiteren in ruil voor een quotum van de leveringen van gladde buizen aan Corus.
171 Ten eerste had zij geen toegang tot de markt voor schroefdraadbuizen omdat de VAM-schroefdraadtechnologie in handen was van Vallourec en omdat haar productie van standaardschroefdraadbuizen zeer gering was. Het kan Dalmine dus niet euvel worden geduid dat zij Corus op de Britse markt voor „premium”-schroefdraadbuizen niet heeft beconcurreerd, aangezien zij hoe dan ook niet aanwezig was op deze markt.
172 Ten tweede is Dalmine het niet eens met de stelling in punt 153 van de bestreden beschikking dat zij zich niet tezamen met Mannesmann zou hebben verbonden om onbepaalde hoeveelheden gladde buizen aan Corus te leveren, indien zij niet tevens de zekerheid had gehad dat Corus hiervan niet zou profiteren om haar marktaandeel voor schroefdraadbuizen te verhogen. Deze zekerheid bestond volgens de bestreden beschikking hierin dat verzoekster in geval van boekhoudkundige verliezen het recht had om de overeenkomst te ontbinden [zie artikel 9, sub c, van het leveringscontract tussen Dalmine en Corus]. Dalmine betwist deze interpretatie. De ontbindingsclausule gold niet indien de verliezen voortvloeiden uit de onmogelijkheid om rechtstreeks van een stijging van de vraag naar schroefdraadbuizen te profiteren, maar wel indien zij werden veroorzaakt door een langdurige daling van de vraag naar deze producten en dus van de afname van gladde buizen door Corus.
173 In de tweede plaats betwist Dalmine de interpretatie van de Commissie betreffende de vaststelling van de contractuele prijs. Volgens de bestreden beschikking (punt 153) diende Corus Mannesmann en Dalmine de prijzen en de verkochte hoeveelheden van de schroefdraadbuizen mee te delen, hoewel dit vertrouwelijke gegevens zijn. De bestreden beschikking bevat ook kritiek op het feit dat de prijs van gladde buizen afhing van de prijs waaraan Corus deze doorverkocht na ze van een schroefdraad te hebben voorzien.
174 Volgens Dalmine is dit standpunt ongegrond en ontoereikend gemotiveerd. Aangaande de zogenaamde uitwisseling van vertrouwelijke informatie stelt Dalmine dat Corus haar niet de verkoopprijs van de door haar verkochte schroefdraadbuizen meedeelde. Deze prijs was weliswaar een van de parameters in de wiskundige formule voor de berekening van de prijs die Corus voor de gladde buizen betaalde, maar het was Corus die deze berekening verrichtte en Dalmine kreeg enkel het eindresultaat te weten. Dalmine herinnert eraan dat zij in geval van onenigheid over de aldus berekende prijs een beroep kon doen op een onafhankelijke derde. Door deze regeling kon het vertrouwelijke karakter van de door Corus toegepaste prijzen worden gewaarborgd.
175 De Commissie verdedigt haar standpunt dat de contractuele regeling inzake de vaststelling van de verkochte hoeveelheden goederen de mededinging beperkte.
176 Met betrekking tot de geldigheid van de clausule betreffende de bepaling van de contractuele prijs, beklemtoont de Commissie dat volgens de vastgestelde formule de prijzen van de gladde buizen afhingen van die van de schroefdraadbuizen. Vallourec, Mannesmann en Dalmine hadden er dus geen belang bij om Corus op het gebied van de prijs van schroefdraadbuizen in het Verenigd Koninkrijk te beconcurreren.
177 Volgens de Commissie staat vast dat de in artikel 6 van het betrokken leveringscontract vastgestelde prijsformule voor gladde buizen het gebruik impliceerde van informatie die concurrerende ondernemingen niet mogen uitwisselen.
— Beoordeling door het Gerecht
178 Het doel en de gevolgen van de drie leveringscontracten zijn door de Commissie in punt 111 van de bestreden beschikking omschreven als volgt: „Het doel van deze contracten was de levering van gladde buizen aan de marktleider voor OCTG in het Noordzeegebied, met het oogmerk een nationale producent in het Verenigd Koninkrijk te handhaven teneinde de ‚fundamentals’ in het kader van de Europa-Japanclub te doen respecteren. Deze contracten hadden tot doel en tot voornaamste gevolg dat de voorziening in de volledige behoefte aan gladde buizen van concurrent [Corus] (vanaf 1994 Vallourec) onder [Mannesmann], Vallourec en Dalmine werd verdeeld. Zij lieten de aankoopprijs van gladde buizen afhangen van de prijzen die [Corus] voor buizen met schroefdraad berekende. Aldus beperkten zij de vrijheid van [Corus] (na februari 1994 Vallourec) om zich te bevoorraden en verplichtten zij deze onderneming om haar verkoopprijzen aan haar concurrenten mee te delen, evenals de verkochte hoeveelheden. Op hun beurt verbonden [Mannesmann], Vallourec (tot februari 1994) en Dalmine zich ertoe een concurrent ([Corus], en vanaf maart 1994 Vallourec) producthoeveelheden te leveren die niet van tevoren vaststonden.”
179 De aan het Gerecht overgelegde leveringscontracten, met name dat van 4 december 1991 tussen Dalmine en Corus, bevestigen in wezen de feiten zoals die in de punten 111, 78 tot en met 82 en 153 van de bestreden beschikking zijn vastgesteld. Tezamen zorgden deze contracten ervoor dat de voorziening in de behoeften van Corus aan gladde buizen ten laatste vanaf 9 augustus 1993 tussen de drie andere Europese producenten werd verdeeld (40 % voor Vallourec, 30 % voor Dalmine en 30 % voor Mannesmann). Bovendien was in elk van deze contracten bedongen dat de prijs die Corus voor de gladde buizen betaalde, werd bepaald volgens een wiskundige formule die rekening hield met de prijs die zij voor haar schroefdraadbuizen kreeg.
180 Uit deze vaststellingen volgt dat de leveringscontracten tot doel en/of althans tot gevolg hadden dat voor de vier Europese producenten de risico's van de mededinging werden vervangen door een afspraak over de verdeling van de winst uit de mogelijke verkoop van schroefdraadbuizen op de Britse markt (zie, naar analogie, met betrekking tot onderling afgestemde feitelijke gedragingen, cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 3150).
181 Met elk van de leveringscontracten heeft Corus haar drie communautaire concurrenten op zo'n wijze gebonden dat zij geen daadwerkelijke of potentiële concurrentie op haar thuismarkt meer leveren, dit ten koste van haar vrije keuze van leveranciers. Deze concurrenten zouden hun verkoop van gladde buizen immers zien verminderen, mocht Corus minder schroefdraadbuizen verkopen. Verder zou de winstmarge op de verkoop van gladde buizen waartoe de drie leveranciers zich hebben verbonden, ook verminderen, mocht de prijs die Corus voor haar schroefdraadbuizen krijgt, dalen, en zou de winst zelfs kunnen omslaan in verlies. In deze omstandigheden was het praktisch ondenkbaar dat deze drie producenten Corus daadwerkelijk op de Britse markt voor schroefdraadbuizen wilden beconcurreren, met name op het gebied van de prijzen (zie punt 153 van de bestreden beschikking).
182 Omgekeerd heeft elk van de communautaire concurrenten van Corus, door dergelijke contracten te sluiten, zich van een indirecte deelneming op de thuismarkt van deze laatste en van een gedeelte van de daaruit voortvloeiende winsten verzekerd. Om deze voordelen te verkrijgen hebben zij de facto afgezien van de mogelijkheid om schroefdraadbuizen op de Britse markt te verkopen en, ten laatste vanaf de ondertekening van het derde contract op 9 augustus 1993, waarbij de resterende 30 % aan Mannesmann is toebedeeld, om een groter deel van de door Corus afgenomen gladde buizen te leveren dan vooraf aan elk van hen was toebedeeld.
183 Verder zijn de concurrenten van Corus de bezwarende en dus commercieel abnormale verplichting aangegaan om aan Corus hoeveelheden buizen te leveren die vooraf slechts zijn vastgesteld onder verwijzing naar haar verkopen van schroefdraadbuizen. Deze verplichting heeft de onderlinge afhankelijkheid tussen deze producenten en Corus versterkt, aangezien eerstgenoemden als contractueel gebonden leveranciers afhingen van het commerciële beleid van laatstgenoemde. Het argument van Dalmine dat de te leveren hoeveelheden buizen drie maanden vooraf werden vastgesteld, overeenkomstig de specifieke bepalingen van artikel 4 van haar leveringscontract met Corus, is irrelevant aangezien deze bepaling Dalmine niet de mogelijkheid bood om de te leveren hoeveelheden gladde buizen te verminderen, omdat deze uitsluitend van de behoeften van Corus afhingen.
184 Ook al zou de analyse van de Commissie in punt 153, eerste streepje, van de bestreden beschikking, betreffende de mogelijkheid om de overeenkomst te ontbinden, ongegrond zijn, zou dit niet afdoen aan het mededingingsverstorende karakter van de contracten die Corus met de drie andere communautaire producenten, waaronder Dalmine, had gesloten. Dit ondergeschikte geschilpunt van feitelijke aard hoeft dan ook in het kader van de onderhavige procedure niet te worden beslecht.
185 Vastgesteld dient te worden dat, indien de leveringscontracten niet hadden bestaan, de andere betrokken Europese producenten dan Corus er normalerwijs, afgezien van de fundamentele regels, een reëel of althans potentieel commercieel belang bij hadden gehad om Corus op de Britse markt van schroefdraadbuizen en elkaar als leveranciers van gladde buizen aan Corus te beconcurreren.
186 Met betrekking tot het argument van Dalmine dat praktische hindernissen haar beletten om rechtstreeks premium- en standaard-OCTGbuizen op de Britse markt te verkopen, dient te worden opgemerkt dat het bestaan van deze hindernissen nog niet aantoont dat zij zonder het met Corus en later met Vallourec gesloten leveringscontract dit product nooit op de betrokken markt had kunnen verkopen. Mochten de omstandigheden op de Britse markt voor OCTG-buizen positief zijn geëvolueerd, dan kan immers niet worden uitgesloten dat Dalmine een licentie had kunnen krijgen om „premium”-schroefdraadbuizen op deze markt in de handel te brengen, of haar productie van standaard-OCTGbuizen had kunnen verhogen om deze aldaar te verkopen. Door het betrokken leveringscontract te ondertekenen, heeft zij dus daadwerkelijk aanvaard dat haar commerciële vrijheid werd beknot, zoals blijkt uit de hierboven in de punten 182 tot en met 185 verrichte analyse.
187 Dienaangaande dient bovendien te worden opgemerkt dat elk van de contracten voor een oorspronkelijke duur van vijfjaar is gesloten. Deze betrekkelijk lange duur bevestigt en versterkt het mededingingsverstorende karakter van deze contracten, in het bijzonder omdat Dalmine en de twee andere leveranciers van Corus hebben afgezien van de mogelijkheid om rechtstreeks te profiteren van een eventuele groei van de Britse markt voor schroefdraadbuizen gedurende deze periode.
188 Bovendien impliceerde de in elk van de drie leveringscontracten vastgestelde prijsformule voor gladde buizen, zoals de Commissie in punt 111 van de bestreden beschikking opmerkt, een ongeoorloofde uitwisseling van commerciële informatie (zie punt 153 van de bestreden beschikking), die vertrouwelijk moet blijven omdat anders de concurrerende ondernemingen hun commercieel beleid niet langer zelfstandig kunnen bepalen (arrest Gerecht, Thyssen Stahl/Commissie, hierboven aangehaald in punt 147, punt 403, en arrest Gerecht van 11 maart 1999, British Steel/Commissie, T-151/94, Jurispr. blz. II-629, punten 383 e.V.).
189 Het argument van Dalmine dat Corus geen vertrouwelijke informatie over de door haar klanten betaalde prijzen aan haar leveranciers heeft verstrekt, kan de ondertekenaars van de leveringscontracten in de omstandigheden van het onderhavige geval niet vrijpleiten.
190 Corus deelde de prijs die zij voor haar schroefdraadbuizen kreeg, inderdaad niet als zodanig aan haar medecontractanten mee. De verklaring in punt 111 van de bestreden beschikking dat de leveringscontracten „[Corus] verplichtten [...] om haar verkoopprijzen aan haar concurrenten mee te delen”, dient dus te worden genuanceerd aangezien de contractuele verplichtingen niet zo ver gingen. Zoals de Commissie in punt 153 van de bestreden beschikking en voor het Gerecht terecht heeft opgemerkt, bestond er evenwel een wiskundig verband tussen de prijs van de schroefdraadbuizen en de prijs die voor de gladde buizen werd betaald, zodat de drie betrokken leveranciers precieze aanwijzingen kregen over de richting, het tijdstip en de omvang van elke prijsschommeling van de door Corus verkochte schroefdraadbuizen.
191 De verstrekking van dergelijke informatie aan concurrenten is niet alleen in strijd met artikel 81, lid 1, EG, maar bovendien maakt het geen wezenlijk verschil of deze informatie betrekking heeft op de prijzen zelf van de schroefdraadbuizen, dan wel enkel op de schommeling ervan. In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de in het vorige punt vastgestelde onnauwkeurigheid van weinig of geen belang is in de ruimere context van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, en dus niet afdoet aan de vaststelling van deze inbreuk.
192 Gelet op een en ander, dienen alle grieven betreffende de bepalingen van het tussen Dalmine en Corus gesloten leveringscontract te worden verworpen.
Middelen inzake het bestaan van een mededingingsregeling en de deelneming van Dalmine daaraan
— Argumenten van partijen
193 Dalmine betwist dat de met Corus gesloten leveringscontracten tot een mededingingsregeling zijn terug te voeren. Zij stelt dat zij enkel een leveringscontract met Corus heeft gesloten, en dit vervolgens heeft verlengd, om haar verkoop van gladde buizen op de Britse markt te doen stijgen. Dit is een volkomen wettig commercieel doel, dat de Commissie buiten beschouwing heeft willen laten, door enkel de positie van Corus op de betrokken markt te onderzoeken (punt 152 van de bestreden beschikking).
194 Dalmine verwerpt de interpretatie van de in punt 80 van de bestreden beschikking aangehaalde stukken waarmee de Commissie insinueert dat de leveringscontracten van Corus tot doel hadden de prijzen op de Britse markt kunstmatig hoog te houden. De stukken waarop de Commissie zich baseert dateren van voor de sluiting van de leveringscontracten en bevatten slechts beschouwingen over mogelijke scenario's. In werkelijkheid blijkt uit de betrokken stukken enkel dat Vallourec in 1990 geloofde dat het mogelijk was de prijzen hoog te houden door de Europese producenten een preferentiële behandeling op de Britse markt te verlenen. Uit deze stukken blijkt ook dat Corus niet de mogelijkheid uitsloot om haar goederen bij UTM, Siderca en Tubos de Acero de México SA te betrekken (zie de nota „Bijeenkomst van 24.7.1990 met British Steel”).
195 Dalmine is het evenmin eens met de analyse van de Commissie betreffende de leveringstermijnen. De door Corus opgelegde termijn van vijf tot zes weken kon slechts door Europese ondernemingen worden nagekomen, zowel wegens het transport van de betrokken producten als wegens de tijd die nodig was voor de productie na de ontvangst van een definitieve bestelling. Verzoekster herinnert er in dit verband aan dat Corus van haar verlangde dat zij tot tien dagen voor hel begin van de productiemaand wijzigingen in de bestellingen aanvaardde. De Commissie spreekt zichzelf dus tegen door enerzijds te overwegen dat de leveringstermijnen niet cruciaal waren en anderzijds de producenten te verwijten dat zij zich ertoe verbonden onbepaalde hoeveelheden goederen te leveren.
196 Verder betwist Dalmine de bewijskracht van de bewijselementen, in het bijzonder van die welke in de punten 78 en 80 van de bestreden beschikking zijn genoemd. De Commissie heeft de betrokken stukken verkeerd begrepen. De aangehaalde interne documenten van Vallourec tonen geenszins aan dat de feitelijke vaststellingen van de Commissie correct zijn, maar bevatten enkel beschouwingen over mogelijke gevolgen van de sluiting door Corus van haar fabriek te Clydesdale. Uit deze stukken kan geenszins worden afgeleid dat er een overeenkomst inzake de verdeling van de Britse markt was gesloten.
197 Volgens Dalmine wordt de hypothese dat er een mededingingsregeling heeft bestaan tegengesproken door het feit dat het leveringscontract tussen Mannesmann en Corus is gesloten drie jaar na de in 1990 tussen Corus en Vallourec gevoerde besprekingen waarop de Commissie haar stelling baseert dat er sprake was van een ongeoorloofde overeenkomst.
198 Dalmine ontkent dat zij heeft deelgenomen aan een overeenkomst met de andere Europese producenten inzake de verdeling van de Britse markt, zo deze overeenkomst al zou hebben bestaan. Zij herinnert eraan dat volgens de bestreden beschikking Vallourec en Corus tussen 1990 en 1991 zijn overeengekomen dat deze laatste zich enkel bij de communautaire producenten zou bevoorraden (zie punt 110 van de bestreden beschikking). Zoals blijkt uit de bestreden beschikking, was verzoekster niet bij deze besprekingen betrokken en de Commissie kan haar dus geen deelneming aan deze overeenkomst ten laste leggen. De Commissie kan haar dan ook niet verwijten dat zij op 4 december 1991 een leveringscontract met Corus heeft gesloten.
199 Dalmine beklemtoont dat de bewijselementen die de Commissie tot staving van haar stelling aanvoert, enkel betrekking hebben op Vallourec en Corus (zie punten 78, 91, 110, 146 en 152 van de bestreden beschikking). Zij is van mening dat zij zich niet naar behoren kan verdedigen tegen dergelijke bewijselementen, die uitsluitend betrekking hebben op derden.
200 Verder is Dalmine het niet eens met het standpunt van de Commissie dat zij zich later bij de overeenkomst tussen Vallourec en Corus heeft aangesloten, toen deze laatste overwoog om zich van de markt terug te trekken en haar productie van gladde buizen over te dragen. Volgens de in punt 91 van de bestreden beschikking aangehaalde bewijsstukken zouden Corus, Mannesmann, Vallourec en Dalmine op 29 januari 1993 zijn bijeengekomen. Deze bijeenkomst vond evenwel plaats vóór de sluiting van het leveringscontract tussen Mannesmann en Corus op 9 augustus 1993. Dalmine leidt hieruit af dat op 29 januari 1993 geen overeenkomst tussen de Europese producenten bestond. Verder lijkt de Commissie verzoekster te verwijten dat zij met de overname van de activiteiten van Corus door Vallourec heeft ingestemd. Verzoekster beklemtoont dat zij niets met deze transactie te maken heeft. Zij had er wel belang bij om een afzetmogelijkheid op de Britse markt te behouden en in die context wenste zij na de overname van de activiteiten van Corus door Vallourec verder gladde buizen op de Britse markt te verkopen.
201 Verder ziet de Commissie in de beslissing van Vallourec om na de overname van de productie van naadloze buizen van Corus de leveringscontracten te verlengen die deze laatste voordien met Mannesmann en Dalmine had gesloten, een aanwijzing dat er sprake was van een mededingingsregeling, wat Dalmine betwist. Volgens verzoekster ging het immers om een keuze van Vallourec, waarop zij geen invloed had, en hebben de partijen vrij beslist op basis van hun eigen commerciële belangen.
202 Ten slotte stelt Dalmine dat het leveringscontract dat zij met Corus heeft gesloten, slechts zeer geringe gevolgen op de markt heeft gehad. Van de ongeveer 20400 ton gladde buizen die zij op de Britse markt heeft verkocht, werd slechts 20 % verwerkt tot standaard-OCTGbuizen met schroefdraad (zie bijlage 2 bij de bestreden beschikking), wat neerkwam op 3 % van het Britse verbruik, 1,4 % van het communautaire verbruik en 0,08 % van het mondiale verbruik.
203 De Commissie is het niet eens met deze argumenten. Volgens haar had Corus geen enkel wettig belang om de betrokken contracten te sluiten.
204 Volgens de Commissie zijn deze leveringscontracten gesloten in het kader van de binnen de Europa-Japanclub vastgestelde fundamentele regels inzake de eerbiediging van de thuismarkten (punt 146 van de bestreden beschikking). Toen Corus in 1990 de productie van bepaalde naadloze buizen gedeeltelijk opgaf, ontstond het risico dat de clausule betreffende de bescherming van het Verenigd Koninkrijk haar effect zou verliezen. Corus en Vallourec hebben in juli 1990 dit probleem ter sprake gebracht tijdens hun onderhandelingen over de verlenging van de overeenkomst waarbij Vallourec aan Corus een licentie voor het gebruik van de VAM-schroefdraadtechnologie had verleend.
205 De Commissie is van mening dat zij rechtens genoegzaam het bestaan van een mededingingsregeling tussen deze twee ondernemingen heeft bewezen. Dienaangaande verwijst zij naar de nota „Bijeenkomst van 24.7.90 met British Steel” van Vallourec, die met name in punt 80 van de bestreden beschikking is aangehaald. De in hetzelfde punt genoemde nota „Strategische overwegingen” van Vallourec bevestigt volgens de Commissie eveneens haar stelling.
206 Volgens de Commissie kan geen argument worden geput uit het feit dat enige tijd is verstreken tussen de besprekingen tussen Vallourec en Corus in 1990 en de ondertekening van de overeenkomst tussen Corus en Mannesmann op 9 augustus 1993. Volgens haar valt in casu niet uit te sluiten dat reeds vóór de sluiting van het leveringscontract door Mannesmann een mededingingsregeling bestond. De Commissie beklemtoont dat het verbod van artikel 81, lid 1, EG in elk geval van toepassing is op elke overeenkomst, ongeacht de vorm ervan. Zij herinnert eraan dat zij uitputtend heeft aangetoond dat in het kader van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk een overeenkomst tot eerbiediging van de thuismarkten is gesloten.
207 Bovendien blijkt volgens haar duidelijk uit de in de punten 65, 67, 84 en 91 van de bestreden beschikking genoemde bewijselementen dat de besprekingen die Vallourec en Corus in 1990 hebben gevoerd over de gevolgen van de stapsgewijze terugtrekking van deze laatste van de markt en de sluiting van haar fabriek te Clydesdale, nauw verband hielden met de overeenkomst inzake de eerbiediging van de thuismarkten.
208 Dalmine, die partij was bij de overeenkomst inzake de eerbiediging van de thuismarkten, heeft volgens de Commissie verklaard dat de problemen die voortvloeiden uit de herstructurering van Corus, op Europees niveau dienden te worden opgelost, en achtte het opportuun om naast Vallourec en Mannesmann een leveringscontract met Corus te sluiten. Dalmine was zich duidelijk bewust van het feit dat zij, door een dergelijk leveringscontract te sluiten, bijdroeg tot de uitvoering van de overeenkomst inzake de eerbiediging van de thuismarkten en haar activiteiten met die van haar rechtstreekse concurrenten coördineerde.
— Beoordeling door het Gerecht
209 Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat, aangezien de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk is vastgesteld op basis van de in de leveringscontracten van Corus zelf vervatte mededingingsbeperkingen, de hierboven in het kader van de vorige middelen uiteengezette overwegingen over deze contracten volstaan om het bestaan van deze inbreuk aan te tonen.
210 Ongeacht de mate waarin de vier Europese producenten hebben samengespannen, dient immers te worden vastgesteld dat elk van hen een van de mededingingsbeperkende leveringscontracten heeft ondertekend in het kader van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk op artikel 81 EG. Hoewel in artikel 2, lid 1, van de bestreden beschikking is vastgesteld dat de leveringscontracten „in het kader van de in artikel 1 genoemde inbreuk” zijn gesloten, blijkt duidelijk uit de bewoordingen van punt 111 van de beschikking dat de sluiting van deze mededingingsverstorende contracten op zich de in artikel 2 vastgestelde inbreuk vormt.
211 Ook al zou Dalmine dus hebben kunnen aantonen dat zij er objectief gezien commercieel belang bij had om haar leveringscontract met Corus te sluiten, doet dit geenszins af aan de stelling van de Commissie dat deze overeenkomst onwettig was. Mededingingsverstorende praktijken zijn immers zeer vaak in het individuele commerciële belang van de ondernemingen, althans op korte termijn. Gelet op deze vaststellingen, hoeft geen uitspraak te worden gedaan over het twistpunt tussen partijen hoe belangrijk de leveringstermijnen voor Corus waren, aangezien het betoog dienaangaande van Dalmine erop gericht is aan te tonen dat het voor Corus uit commercieel oogpunt logisch was om over drie Europese leveranciers te beschikken.
212 Aangezien de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk rechtens genoegzaam is aangetoond, is het niet strikt noodzakelijk om de redenering van de Commissie over de samenspanning tussen de vier Europese producenten te onderzoeken. Voor het onderzoek van het onderhavige middel hoeven evenmin alle argumenten van Dalmine te worden bestudeerd betreffende de reeks aanwijzingen die de Commissie naast de leveringscontracten heeft aangevoerd om deze samenspanning aan te tonen.
213 Aangezien het evenwel voor de beoordeling van bepaalde andere aangevoerde middelen relevant is te weten in welke mate de vier communautaire producenten hebben samengespannen met betrekking tot de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, dient deze vraag nader te worden onderzocht.
214 In dit verband dient te worden opgemerkt dat gedragingen die passen in een algemeen plan en een gemeenschappelijk mededingingsverstorend doel nastreven, kunnen worden geacht deel uit te maken van één enkele overeenkomst (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 44, punt 4027). Indien de Commissie aantoont dat een onderneming die aan mededingingsregelingen heeft deelgenomen, wist of moest weten dat zij aldus betrokken was bij één enkele overeenkomst, kan zij immers worden geacht via haar deelneming aan de betrokken mededingingsregelingen met deze overeenkomst te hebben ingestemd (zie in die zin cementarrest, reeds aangehaald, punten 4068 en 4109).
215 In dat verband is het document „Overwegingen over de VAM-overeenkomst” van 23 maart 1990 bijzonder relevant. Onder het opschrift „Scenario 2” wijst Verluca, bestuurder van Vallourec, op de mogelijkheid om „van de Japanners gedaan te krijgen dat zij buiten [de] markt van het Verenigd Koninkrijk blijven, en dat de zaak onder Europeanen wordt geregeld”, en hij vervolgt: „In dat geval zouden de gladde buizen inderdaad onder [Mannesmann], [Vallourec] en Dalmine worden verdeeld.” In de volgende paragraaf merkt hij op dat „we er waarschijnlijk belang bij [zouden] hebben de verkoop van [Vallourec] zowel aan de prijs als aan het volume van de door [Corus] verkochte VAM te koppelen”.
216 Aangezien dit laatste voorstel precies overeenstemt met de voornaamste bepalingen van de overeenkomst die zestien maanden later tussen Vallourec en Corus zou worden gesloten, is het duidelijk dat Vallourec deze strategie daadwerkelijk heeft toegepast en dat deze overeenkomst is gesloten om deze strategie ten uitvoer te leggen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- Gerecht EU 8 september 2016, T-472/13, ECLI:EU:T:2016:449
- Gerecht EU 28 juni 2016, T-208/13, ECLI:EU:T:2016:368
- Gerecht EU 29 februari 2016, T-265/12, ECLI:EU:T:2016:111
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-340/17, ECLI:EU:T:2022:181
- Gerecht EU 2 juli 2019, T-405/15, ECLI:EU:T:2019:469
- Gerecht EU 2 juli 2019, T-406/15, ECLI:EU:T:2019:468
- Gerecht EU 13 december 2018, T-558/15, ECLI:EU:T:2018:945
- Gerecht EU 28 juni 2016, T-216/13, ECLI:EU:T:2016:369
- Gerecht EU 25 februari 2026, T-1180/23, ECLI:EU:T:2026:149
- Gerecht EU 18 september 2024, T-671/19, ECLI:EU:T:2024:626
- Gerecht EU 7 maart 2018, T-855/16, ECLI:EU:T:2018:118