Gerecht EU 20 april 1999, T-305/94, ECLI:EU:T:1999:80
Tekst
Trefwoorden
1 Procedure - Inleidend verzoekschrift - Verweerschrift - Repliek - Vormvereisten - Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen - Middelen rechtens niet uiteengezet in verzoekschrift en in memories - Algemene verwijzing naar andere stukken - Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c, 46, lid 1, sub b, en 47, lid 1)
2 Procedure - Middelen van niet-ontvankelijkheid van openbare orde - Ambtshalve onderzoek door rechter - Voordracht van nieuwe middelen in loop van geding
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2, en 113)
3 Procedure - Gezag van gewijsde - Arrest op hogere voorziening gewezen, waarbij Hof zaak zelf afdoet - Draagwijdte
('s Hofs Statuut-EG, art. 54, eerste alinea)
4 Mededinging - Administratieve procedure - Beschikking van Commissie houdende vaststelling van inbreuk, welke is gegeven nadat eerste beschikking nietig is verklaard wegens procedurefout - Beginsel ne bis in idem - Schending - Geen
5 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Grondrechten - Eerbiediging verzekerd door gemeenschapsrechter - Inaanmerkingneming van Europees Verdrag voor rechten van de mens
(Verdrag betreffende de Europese Unie, art. F, lid 2)
6 Mededinging - Administratieve procedure - Verplichtingen van Commissie - Inachtneming van redelijke termijn - Beoordelingscriteria - Schending - Gevolgen
(EG-Verdrag, art. 178 en 215, tweede alinea; verordening nr. 17 van de Raad)
7 Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Gevolgen - Nietigverklaring van beschikking van Commissie houdende vaststelling van inbreuk op mededingingsregels - Gevolgen ten aanzien van adressaten die geen beroep hebben ingesteld - Geen
(EG-Verdrag, art. 85, 173 en 189)
8 Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Gevolgen - Beschikking van Commissie houdende vaststelling van inbreuk op mededingingsregels - Nietigverklaring wegens procedurefout die in laatste fase van vaststelling van beschikking is gemaakt - Voorbereidende handelingen niet aangetast
9 Mededinging - Administratieve procedure - Hoorzittingen - Nietigverklaring wegens procedurefout van beschikking van Commissie houdende vaststelling van inbreuk - Voorbereidende handelingen niet aangetast - Nieuwe beschikking - Verplichting om nieuwe hoorzitting te organiseren - Voorwaarden
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie)
10 Exceptie van onwettigheid - Draagwijdte - Handelingen ten aanzien waarvan exceptie van onwettigheid mogelijk is - Reglement van orde van een instelling
(EG-Verdrag, art. 173 en 184)
11 Handelingen van de instellingen - Authentisatie van vastgestelde handelingen - Modaliteiten - Reglement van orde van Commissie
(Reglement van orde van de Commissie van 1993, art. 16, eerste alinea)
12 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Beginsel van continuïteit in samenstelling van administratieve organen - Geen
13 Mededinging - Administratieve procedure - Taalregeling - Bijlagen bij mededeling van punten van bezwaar - Terbeschikkingstelling in oorspronkelijke taal
(Verordening nr. 1 van de Raad, art. 3; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 2, lid 1)
14 Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van rechten van verdediging - Recht van partijen waartegen procedure is ingeleid om mededeling van verslag van raadadviseur-auditeur te ontvangen en daarover opmerkingen te maken - Geen
15 Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Verificatiebeschikking als bedoeld in artikel 14 van verordening nr. 17 - Voorwaarden voor ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 173; verordening nr. 17 van de Raad, art. 14, lid 3)
16 Mededinging - Administratieve procedure - Verificatiebevoegdheden van Commissie - Verificatie op schriftelijke opdracht - Bescherming tegen willekeurige of onredelijke ingrepen van openbaar gezag - Voorwaarden
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 14, lid 2)
17 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Rechten van verdediging - Eerbiediging in administratieve procedures - Mededinging - Tot onderneming gerichte beschikking houdende verzoek om inlichtingen - Recht om te weigeren antwoord te geven dat erkenning van inbreuk inhoudt
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 11)
18 Mededinging - Administratieve procedure - Verificatiebevoegdheden van Commissie - Gebruik van bij verificatie verkregen inlichtingen - Grenzen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 14 en 20, lid 1)
19 Mededinging - Mededingingsregelingen - Bewijs - Weigering van of onmogelijkheid voor onderneming te antwoorden op verzoeken om inlichtingen - Uitgesloten
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1; verordening nr. 17 van de Raad)
20 Mededinging - Administratieve procedure - Mededeling van punten van bezwaar - Latere mededeling van documenten - Voorwaarden - Eerbiediging van rechten van verdediging
(Verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 4)
21 Mededinging - Mededingingsregelingen - Complexe inbreuk met kenmerken van overeenkomst en kenmerken van onderling afgestemde feitelijke gedraging - Eén enkele kwalificatie als "overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging" - Toelaatbaarheid - Gevolgen voor aan te dragen bewijzen
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
22 Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedraging - Begrip - Coördinatie en samenwerking in strijd met verplichting van elke onderneming om marktgedrag zelfstandig te bepalen
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
23 Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedraging - Parallelle gedraging - Vermoeden van onderlinge afstemming - Bewijs van onderlinge afstemming geleverd
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
24 Mededinging - Mededingingsregelingen - Ondernemingen aan wie inbreuk bestaande in deelneming aan gehele mededingingsregeling, ten laste kan worden gelegd - Criteria
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
25 Mededinging - Gemeenschapsregels - Inbreuken - Toerekening - Rechtspersoon die onderneming exploiteerde ten tijde van inbreuk - Verdwijning - Toerekening aan rechtspersoon die exploitatie voortzet
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
26 Mededinging - Gemeenschapsregels - Inbreuk gepleegd door dochtermaatschappij - Toerekening aan moedermaatschappij - Voorwaarden
(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)
27 Mededinging - Administratieve procedure - Toegang tot dossier - Doel - Eerbiediging van rechten van verdediging - Voor verdediging dienstige stukken - Beoordeling alleen door Commissie - Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 17 van de Raad)
28 Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van rechten van verdediging - Onregelmatige toegang tot dossier - Gevolgen
(Verordening nr. 17 van de Raad)
29 Mededinging - Administratieve procedure - Verjaring van recht van vervolging - Schorsing - Beschikking van Commissie waarbij geldboete wordt opgelegd
(Verordening nr. 2988/74 van de Raad, art. 3)
30 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels - Wenselijkheid, wijze van berekening van geldboete mee te delen
(EG-Verdrag, art. 190; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
31 Mededinging - Geldboeten - Beoordeling op basis van individueel gedrag van onderneming - Geen sanctie opgelegd aan andere marktdeelnemer - Geen invloed
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
32 Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Bevoegdheid van Commissie - Bevelen aan ondernemingen - Grenzen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
Samenvatting
1 Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep.
Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst zelf van het verzoekschrift. Deze tekst mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzing naar bepaalde passages uit erbij gevoegde stukken, doch een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen in het verzoekschrift niet ondervangen. Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen.
Deze uitlegging van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering ziet ook op de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de repliek, die volgens artikel 47, lid 1, van dat Reglement dient om het verzoekschrift aan te vullen, alsmede, volgens artikel 46, lid 1, sub b, van dat Reglement, op de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het verweerschrift.
2 Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen. Uit dien hoofde moeten volgens artikel 48, lid 2, van dat Reglement niet-ontvankelijk worden verklaard, de middelen die voor het eerst zijn aangevoerd in repliek en niet steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
3 Het gezag van gewijsde geldt enkel voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijze zijn beslecht.
De tweede zin van artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut heeft niet tot gevolg, dat wanneer het Hof in het kader van een hogere voorziening de zaak zelf afdoet door een of meer van de door verzoekers aangevoerde middelen te aanvaarden, het ipso iure alle door verzoekers in die zaak voorgedragen feitelijke en juridische punten beslecht.
4 Wanneer het Hof een beschikking van de Commissie houdende vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels en oplegging van geldboeten, wegens het ontbreken van authentisatie nietig heeft verklaard zonder de door betrokken ondernemingen aangevoerde middelen ten gronde te beslechten, en de Commissie jegens die ondernemingen een nieuwe beschikking geeft waarin zij zich ertoe beperkt, de door het Hof als een nietigheidsgrond aangemerkte procedurefout weg te werken, kan niet worden aangenomen dat de Commissie die ondernemingen tweemaal voor eenzelfde feitencomplex heeft vervolgd of hun in strijd met het beginsel ne bis in idem tweemaal een sanctie heeft opgelegd voor eenzelfde inbreuk.
5 De grondrechten vormen een wezenlijk onderdeel van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging de gemeenschapsrechter verzekert. Daarbij laat de gemeenschapsrechter zich leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, alsmede door aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, waarnaar artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie uitdrukkelijk verwijst, heeft in dit opzicht bijzondere betekenis.
6 De schending van het algemene beginsel van gemeenschapsrecht inzake de inachtneming van een redelijke termijn bij de vaststelling van beschikkingen aan het einde van administratieve procedures ter zake van mededinging rechtvaardigt de nietigverklaring van een beschikking van de Commissie slechts voor zover zij ook een schending van de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen impliceert. Wanneer niet is aangetoond, dat als gevolg van het verstrijken van overdreven veel tijd de betrokken ondernemingen zich minder doeltreffend hebben kunnen verdedigen, heeft de niet-inachtneming van het beginsel van een redelijke termijn immers geen gevolgen voor de geldigheid van de administratieve procedure en kan zij derhalve slechts worden aangemerkt als een schadebrengend feit dat in het kader van een beroep krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag voor de gemeenschapsrechter kan worden aangevoerd.
Of de duur van de procedure voor de Commissie redelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke elementen van de zaak, met name de context van de zaak, het gedrag van partijen tijdens de procedure, het belang van de zaak voor de verschillende betrokken ondernemingen en de ingewikkeldheid ervan.
7 Een beschikking van de Commissie waarbij jegens verschillende ondernemingen inbreuken op artikel 85 van het Verdrag worden vastgesteld en aan elk van die ondernemingen een geldboete wordt opgelegd, moet, al is zij in de vorm van één enkele beschikking geredigeerd en bekendgemaakt, als een bundel individuele beschikkingen worden aangemerkt.
Wanneer een van de adressaten een beroep tot nietigverklaring instelt, worden aan de gemeenschapsrechter derhalve slechts die onderdelen van de beschikking voorgelegd die op die adressaat betrekking hebben. De onderdelen van de beschikking die op andere adressaten betrekking hebben en waartegen niet is opgekomen, vallen daarentegen niet onder het voorwerp van het geschil dat de gemeenschapsrechter dient te beslechten. Derhalve kan de beschikking slechts nietig worden verklaard met betrekking tot de adressaten die in hun beroep in het gelijk zijn gesteld.
In die omstandigheden schendt de Commissie het non-discriminatiebeginsel niet door, nadat het Hof een eerste mededingingsbeschikking wegens een vormgebrek nietig heeft verklaard, een nieuwe beschikking te geven die enkel is gericht tot de adressaten van de nietig verklaarde beschikking die in hun beroep in het gelijk waren gesteld.
8 Dat het Hof een beschikking van de Commissie houdende vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels, nietig heeft verklaard wegens een procedurefout die tijdens de laatste fase van de vaststelling van de beschikking is gemaakt en enkel betrekking heeft op de wijze waarop deze beschikking is vastgesteld, in casu het ontbreken van authentisatie van de betrokken handeling, tast de geldigheid van de maatregelen die ter voorbereiding van die beschikking die zijn getroffen vóór de fase waarin de procedurefout is vastgesteld, niet aan.
9 Aangezien de omstandigheid dat het Hof een beschikking van de Commissie houdende vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels, nietig heeft verklaard wegens een procedurefout, namelijk het ontbreken van authentisatie, de geldigheid van de voorbereidende maatregelen die zijn getroffen vóór de fase waarin de fout is gemaakt, niet aantast, moet de Commissie de belanghebbende ondernemingen slechts dan horen alvorens een nieuwe beschikking vast te stellen, wanneer deze beschikking punten van bezwaar bevat die in de nietig verklaarde beschikking niet voorkwamen. Dat de omstandigheden, zowel feitelijk als rechtens, waarin de nieuwe beschikking is gegeven, verschilden van de omstandigheden ten tijde van de vaststelling van de aanvankelijke beschikking, betekent geenszins dat de nieuwe beschikking nieuwe punten van bezwaar bevat.
10 In artikel 184 van het Verdrag komt een algemeen beginsel tot uitdrukking, krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een beschikking die haar rechtstreeks en individueel raakt, de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende handelingen der instellingen mag aanvechten wanneer zij niet - krachtens artikel 173 van het Verdrag - rechtstreeks tegen die handelingen in beroep kon komen, zodat zij, zonder nietigverklaring te mogen vorderen, de gevolgen ervan had te dragen.
Artikel 184 van het Verdrag moet dus ruim worden uitgelegd teneinde een doeltreffende controle van de wettigheid van de handelingen van de instellingen te verzekeren. De werkingssfeer van dit artikel strekt zich uit tot handelingen van de instellingen welke, ofschoon geen verordening in formele zin, soortgelijke gevolgen sorteren, en met name tot de bepalingen van een reglement van orde van een instelling welke, ofschoon zij niet de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking vormen, de wezenlijke vormvoorschriften voor de vaststelling van die beschikking bevatten en derhalve de rechtszekerheid van de adressaten van de beschikking waarborgen.
In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een mededingingsbeschikking van de Commissie kan bijgevolg een exceptie van onwettigheid worden opgeworpen tegen de bepalingen van het reglement van orde van die instelling die particulieren beschermen. Er moet evenwel een rechtstreeks juridisch verband bestaan tussen de bestreden individuele beschikking en de bepalingen van het reglement van orde waartegen de exceptie van onwettigheid wordt opgeworpen.
11 De wijze van authentisatie van de handelingen van de Commissie waarin artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van deze instelling van 1993 voorziet, biedt op zichzelf voldoende waarborgen om in geval van betwisting te kunnen nagaan, of de betekende of bekendgemaakte teksten exact overeenstemmen met de tekst die door het college is vastgesteld, en dus weergeven wat de auteur ervan heeft gewild. Wanneer die tekst als bijlage bij de notulen is gevoegd en op de eerste bladzijde van die notulen de handtekening van de voorzitter en de secretaris-generaal voorkomt, bestaat er tussen die notulen en de documenten waarop zij betrekking hebben, een band die zekerheid biedt omtrent de exacte inhoud en vorm van het besluit van het college.
12 Er bestaat geen algemeen beginsel van gemeenschapsrecht volgens hetwelk de samenstelling van een administratief orgaan onveranderd moet blijven zolang voor dat orgaan een procedure aanhangig is welke tot een geldboete kan leiden.
13 De niet van de Commissie uitgaande bijlagen bij de mededeling van de punten van bezwaar mogen niet als "stukken" in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1 van de Raad worden aangemerkt. Deze bijlagen moeten immers worden beschouwd als bewijsstukken waarop de Commissie zich baseert. Derhalve moeten zij als zodanig aan de adressaat ter kennis worden gebracht. De Commissie schendt artikel 3 van die verordening niet wanneer zij die bijlagen in de oorspronkelijke taal meedeelt.
14 De rechten van de verdediging eisen niet, dat de ondernemingen waartegen een procedure in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag is ingeleid, de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over het verslag van de raadadviseur-auditeur. De rechten van de verdediging zijn immers rechtens genoegzaam geëerbiedigd wanneer de verschillende bij de opstelling van de eindbeschikking betrokken instanties naar behoren op de hoogte zijn gebracht van hetgeen de ondernemingen hebben geantwoord op de hun door de Commissie meegedeelde punten van bezwaar en op de bewijselementen die de Commissie tot staving van deze punten van bezwaar heeft aangedragen. Het verslag van de raadadviseur-auditeur is namelijk een zuiver intern document van de Commissie, dat slechts de waarde van een niet-bindend advies heeft en niet tot doel heeft het betoog van de ondernemingen aan te vullen of te corrigeren, en evenmin nieuwe punten van bezwaar te formuleren of nieuw bewijsmateriaal tegen de ondernemingen aan te dragen.
15 Volgens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 zijn de verificatiebeschikkingen op zichzelf vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 van het Verdrag.
In het kader van een beroep tot nietigverklaring van de door de Commissie krachtens artikel 85, lid 1, van het Verdrag gegeven eindbeschikking kan een onderneming zich derhalve niet beroepen op de onwettigheid van een tot haar gerichte verificatiebeschikking waartegen zij niet binnen de gestelde termijn is opgekomen. Zij is daarentegen wel bevoegd om in het kader van een dergelijk beroep en voor zover door de Commissie verkregen stukken tegen haar worden aangewend, de wettigheid te betwisten van de tot andere ondernemingen gerichte verificatiebeschikkingen waaromtrent niet met zekerheid vaststaat dat zij zonder enige twijfel bevoegd was om de wettigheid ervan te betwisten in het kader van een rechtstreeks beroep tegen die beschikkingen. De onderneming is ook bevoegd om op te komen tegen het verloop van de door de Commissie verrichte verificaties.
16 Uit artikel 14, lid 2, van verordening nr. 17 volgt, dat de op basis van een gewone schriftelijke opdracht verrichte verificaties op de vrijwillige medewerking van de ondernemingen berusten. Wanneer de onderneming heeft meegewerkt aan een op een gewone schriftelijke opdracht verrichte verificatie, is het middel inzake een onredelijk ingrijpen van het openbaar gezag in de privé-werkzaamheden van de natuurlijke of rechtspersoon ongegrond bij gebreke van enig element waaruit blijkt dat de Commissie verder is gegaan dan de door de onderneming aangeboden medewerking.
17 De eerbiediging van de rechten van de verdediging moet, als grondbeginsel, niet alleen worden verzekerd in de administratieve procedures die tot het opleggen van sancties kunnen leiden, maar ook in de procedures van voorafgaand onderzoek, zoals de in artikel 11 van verordening nr. 17 bedoelde verzoeken om inlichtingen, die beslissend kunnen zijn voor de totstandkoming van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen welke tot aansprakelijkheid van die ondernemingen kunnen leiden.
Al heeft de Commissie, om de nuttige werking van artikel 11, leden 2 en 5, van verordening nr. 17 te waarborgen, het recht de onderneming te verplichten alle noodzakelijke inlichtingen te verstrekken over feiten waarvan zij eventueel kennis heeft, en, zo nodig, de desbetreffende in haar bezit zijnde documenten over te leggen, ook wanneer deze tegen haarzelf of tegen een andere onderneming bewijs kunnen opleveren van een gedraging die in strijd is met de mededingingsregels, zij mag niet bij wege van een beschikking waarbij om inlichtingen wordt verzocht, inbreuk maken op de rechten van de verdediging van de onderneming. Zo mag zij de onderneming niet verplichten, antwoorden te geven waardoor deze het bestaan zou erkennen van de inbreuk die door de Commissie moet worden bewezen.
18 Gelet op de artikelen 14 en 20, lid 1, van verordening nr. 17, mogen tijdens verificaties verkregen inlichtingen niet worden gebruikt voor andere doelen dan die welke zijn vermeld in de opdracht tot verificatie of in de verificatiebeschikking. Dit vereiste strekt er immers niet alleen toe, de geheimhoudingsplicht veilig te stellen, maar ook de rechten van de verdediging van de ondernemingen te beschermen.
Dit betekent echter niet, dat het de Commissie verboden is, een onderzoeksprocedure in te leiden teneinde gegevens waarvan zij tijdens een eerdere verificatie toevallig kennis heeft gekregen, op hun juistheid te controleren of aan te vullen, indien die gegevens wijzen op het bestaan van met de mededingingsregels van het Verdrag strijdige gedragingen. Verder heeft de Commissie, wanneer zij in een eerste zaak documenten heeft verkregen en deze heeft gebruikt als aanwijzing om een andere procedure in te leiden, het recht om op basis van verificatieopdrachten of -beschikkingen betreffende die tweede procedure, een nieuwe kopie van die documenten te verlangen en deze dan als bewijsmiddel in die tweede zaak te gebruiken.
De tegenovergestelde oplossing zou immers verder gaan dan nodig is ter bescherming van het zakengeheim en van de rechten van de verdediging, en zou de Commissie derhalve op ongerechtvaardigde wijze belemmeren in de vervulling van haar taak, toe te zien op de naleving van de mededingingsregels op de gemeenschappelijke markt.
19 De weigering of de onmogelijkheid om te antwoorden op door de Commissie krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 geformuleerde verzoeken om inlichtingen, kan op zichzelf geen bewijs van deelneming van de onderneming aan een mededingingsregeling opleveren.
20 Geen enkele bepaling verbiedt de Commissie, de partijen bij een mededingingsprocedure na het toesturen van de mededeling van de punten van bezwaar nieuwe stukken mee te delen waarvan zij meent dat deze haar stelling ondersteunen, mits aan de ondernemingen de nodige tijd wordt gegeven om hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken. Dat een stuk niet was vermeld in de mededeling van de punten van bezwaar en er ook niet als bijlage aan toegevoegd was, kan derhalve op zichzelf de wettigheid van de beschikking niet aantasten.
21 In het kader van een complexe inbreuk waarbij verschillende producenten gedurende een aantal jaren samen de markt probeerden te reguleren, kan van de Commissie niet worden geëist, dat zij de inbreuk voor elke onderneming op elk tijdstip precies als overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedragingen kwalificeert, daar artikel 85 van het Verdrag in elk geval op beide vormen van inbreuk ziet.
De Commissie heeft derhalve het recht een dergelijke complexe inbreuk als overeenkomst "en/of" onderling afgestemde feitelijke gedragingen te kwalificeren voor zover die inbreuk componenten bevat die als "overeenkomst" moeten worden gekwalificeerd en andere componenten die als "onderling afgestemde feitelijke gedragingen" moeten worden gekwalificeerd. In die omstandigheden mag de dubbele kwalificatie niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen, dat elk van de feiten zowel de kenmerken van een overeenkomst als die van onderling afgestemde feitelijke gedragingen vertoont, maar moet zij worden gezien als de aanduiding van een complex geheel van feiten waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet.
22 Zo artikel 85 van het Verdrag onderscheid maakt tussen het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedragingen" en het begrip "overeenkomsten tussen ondernemingen" of "besluiten van ondernemersverenigingen", is dit om onder de verbodsbepalingen van dit artikel een vorm van coördinatie tussen ondernemingen te doen vallen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's der onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking. De criteria coördinatie en samenwerking houden allerminst in, dat er een werkelijk "plan" moet zijn opgesteld, en dienen te worden verstaan tegen de achtergrond van de in de mededingingsbepalingen van het Verdrag besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen, welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit, dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag der concurrenten aan te passen, doch staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact dat tot doel of tot gevolg heeft, hetzij beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag.
23 Wanneer de Commissie haar vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels baseert op de overweging, dat de aangetoonde feiten alleen hun verklaring kunnen vinden in een gedragsafstemming van de ondernemingen, kunnen de belanghebbenden ermee volstaan een ander licht te werpen op die feiten en daarvoor een verklaring te bieden die voor de door de Commissie gegeven verklaring in de plaats kan treden.
Wanneer het bewijs van de onderlinge afstemming evenwel niet voortvloeit uit de enkele vaststelling van gelijklopend marktgedrag, maar uit stukken die aantonen dat de praktijken het resultaat waren van onderlinge afstemming, dienen de betrokken ondernemingen niet gewoon een alternatieve uitlegging te geven voor de door de Commissie vastgestelde feiten, maar dienen zij het bestaan van die door de Commissie aan de hand van overgelegde stukken aangetoonde feiten te weerleggen.
24 Een onderneming kan aansprakelijk worden gesteld voor een gehele mededingingsregeling, bestaande in het gedurende verschillende jaren op geregelde tijdstippen organiseren van bijeenkomsten van concurrerende producenten met het doel ongeoorloofde praktijken overeen te komen om de werking van een markt op artificiële wijze te reguleren, zelfs indien vaststaat dat zij slechts aan een of meer bestanddelen van de mededingingsregeling rechtstreeks heeft deelgenomen, wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten, dat de samenspanning waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan om het normale spel van de mededinging te vervalsen, en dat dit algemene plan alle bestanddelen van de mededingingsregeling omvatte.
25 Wanneer het bestaan van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag is bewezen, moet worden bepaald, welke natuurlijke of rechtspersoon de onderneming exploiteerde op het ogenblik waarop de inbreuk is begaan, teneinde deze aansprakelijk te stellen.
Wanneer de exploitant van deze onderneming evenwel tussen het ogenblik van de inbreuk en het ogenblik waarop verantwoording wordt gevraagd, juridisch heeft opgehouden te bestaan, moet eerst worden uitgemaakt, met behulp van welk samenstel van materiële en menselijke factoren de inbreuk is begaan, om vervolgens te bepalen, wie de exploitatie van dit samenstel van factoren heeft overgenomen, teneinde te vermijden dat de onderneming aan aansprakelijkstelling ontsnapt door de omstandigheid dat degene die haar op het moment van de inbreuk exploiteerde, niet meer bestaat.
26 De omstandigheid dat een dochtermaatschappij eigen rechtspersoonlijkheid bezit, sluit niet uit dat haar gedrag aan de moedermaatschappij wordt toegerekend; dit kan met name het geval zijn wanneer de dochtermaatschappij haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalt, doch in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt.
27 De toegang tot het dossier in mededingingszaken heeft tot doel, degenen tot wie een mededeling van punten van bezwaar is gericht, in staat te stellen kennis te nemen van de bewijselementen in het dossier van de Commissie, opdat zij op basis van die elementen een dienstig antwoord kunnen geven op de conclusies waartoe de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar is gekomen.
De toegang tot het dossier is een van de procedurele waarborgen ter bescherming van de rechten van de verdediging. De daadwerkelijke eerbiediging van dat grondbeginsel eist, dat de betrokken onderneming reeds tijdens de administratieve procedure haar standpunt met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, grieven en omstandigheden naar behoren kenbaar kan maken.
In het kader van de in verordening nr. 17 geregelde procedure op tegenspraak is het dus niet alleen aan de Commissie, uit te maken welke documenten dienstig zijn voor de verdediging. Gezien het algemene beginsel van procedurele gelijkheid (equality of arms), kan niet worden aanvaard, dat de Commissie als enige kan beslissen, documenten al dan niet tegen de ondernemingen te gebruiken, terwijl deze er geen toegang toe hebben gehad en dus niet de overeenkomstige beslissing hebben kunnen nemen, deze al dan niet voor hun verdediging te gebruiken.
Het recht op toegang tot het dossier geldt evenwel niet voor de interne documenten van de instelling, de zakengeheimen van andere ondernemingen en alle andere vertrouwelijke informatie.
28 In het kader van een administratieve procedure inzake mededinging kan een schending van de rechten van de verdediging van een onderneming bij de toegang tot het dossier van de Commissie slechts tot nietigverklaring van de beschikking houdende vaststelling van een inbreuk leiden, wanneer de verdedigingsmogelijkheden van de betrokken onderneming zijn aangetast door de voorwaarden waaronder zij toegang heeft gekregen tot het dossier. Daartoe volstaat, dat het niet openleggen van bepaalde documenten van dat dossier het procesverloop en de inhoud van de beschikking ten nadele van de belanghebbende heeft kunnen beïnvloeden.
In dat geval kan de schending van de rechten van de verdediging tijdens de administratieve procedure niet worden geregulariseerd tijdens de procedure voor het Gerecht. Deze laatste procedure is immers beperkt tot rechterlijk toezicht binnen het kader van de opgeworpen middelen en kan dus niet een volledige instructie van de zaak in het kader van een administratieve procedure vervangen.
29 Artikel 3 van verordening nr. 2988/74 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht, heeft tot doel, schorsing van de verjaring mogelijk te maken wanneer de Commissie niet kan handelen om een objectieve reden die haar niet kan worden toegerekend en die verband houdt met het feit zelf dat een beroep aanhangig is. Een beschikking van de Commissie waarbij een boete wordt opgelegd, kan immers niet als definitief worden beschouwd zolang de wettelijke termijn om daartegen een beroep in te stellen, nog niet is verstreken, of, in voorkomend geval, zolang een beroep aanhangig is.
30 De door artikel 190 van het Verdrag geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen.
Met betrekking tot een beschikking waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten worden opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de draagwijdte van de motiveringsplicht met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald aan de hand van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld. Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete over beoordelingsvrijheid en kan niet worden aangenomen, dat zij verplicht is daarvoor een bepaalde wiskundige formule toe te passen.
Het is zeker wenselijk, dat de ondernemingen - om met volledige kennis van zaken hun standpunt te kunnen bepalen - op een door de Commissie opportuun geachte wijze gedetailleerd kennis kunnen nemen van de wijze van berekening van de geldboete die hun is opgelegd, zonder daarvoor de beschikking van de Commissie in rechte te moeten aanvechten.
Dergelijke cijfergegevens vormen evenwel geen aanvullende en achteraf verstrekte motivering van de beschikking, maar de uitdrukking in cijfers van de in die beschikking genoemde criteria, wanneer die criteria zelf kunnen worden gekwantificeerd.
31 Wanneer een onderneming door haar gedrag artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft geschonden, kan zij zich niet aan sanctie onttrekken met het argument dat aan een andere marktdeelnemer geen geldboete is opgelegd, wanneer de situatie van deze laatste zelfs niet het voorwerp van een procedure voor het Gerecht is.
32 De toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kan voor de betrokken ondernemingen het verbod omvatten, bepaalde activiteiten, praktijken of toestanden waarvan de onwettigheid is vastgesteld, te continueren, maar ook het bevel, een dergelijk gedrag in de toekomst achterwege te laten. Aangezien dit artikel naar gelang van de vastgestelde inbreuk moet worden toegepast, is de Commissie bevoegd de omvang te preciseren van de op de betrokken ondernemingen rustende verplichting om een einde te maken aan de inbreuk. Dergelijke verplichtingen voor de ondernemingen mogen immers niet verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is om het gestelde doel, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand, te bereiken.
Partijen
In de gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94,
Limburgse Vinyl Maatschappij NV, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Dupong, advocaat aldaar, Rue de la Boucherie 4-6,
Elf Atochem SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door X. de Roux, C.-H. Léger en J.-P. Gunther, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
BASF AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Ludwigshafen (Duitsland), vertegenwoordigd door F. Hermanns, advocaat te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch en M. Wolters, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,
Shell International Chemical Company Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door K. B. Parker, QC, lid van de balie van Engeland en Wales, en J. W. Osborne, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Hoss, advocaat aldaar, Place Winston Churchill 2,
DSM NV en DSM Kunststoffen BV, vennootschappen naar Nederlands recht, gevestigd te Heerlen (Nederland), vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Dupong, advocaat aldaar, Rue de la Boucherie 4-6,
Wacker-Chemie GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te München (Duitsland),
Hoechst AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Frankfurt-am-Main (Duitsland),
beide vertegenwoordigd door H. Hellmann en H.-J. Hellmann, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch en M. Wolters, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,
Société artésienne de vinyle, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door B. van de Walle de Ghelcke, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Val Sainte-Croix 7,
Montedison SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door G. Celona en G. Aghina, advocaten te Milaan, en P. A. M. Ferrari, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Margue, advocaat aldaar, Rue Philippe II 20,
Imperial Chemical Industries plc, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door D. Vaughan, QC, D. Anderson, Barrister, lid van de balie van Engeland en Wales, en V. White en R. Coles, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Dupong, advocaat aldaar, Rue de la Boucherie 4-6,
Hüls AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Marl (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Herrmann, advocaat te Keulen, en vervolgens door F. Montag, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
Enichem SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Milaan, vertegenwoordigd door M. Siragusa, advocaat te Rome, en F. M. Moretti, advocaat te Bologna, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger, Hoss en Prussen, advocaten aldaar, Place Winston Churchill 2,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. J. Drijber, J. Currall en M. van der Woude, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door E. Morgan de Rivery, advocaat te Parijs, A. Böhlke, advocaat te Frankfurt-am-Main, D. Lloyd Jones, Barrister, lid van de balie van Engeland en Wales, R. M. Morresi, advocaat te Bologna, en N. Forwood, QC, en vervolgens alleen door J. Currall, bijgestaan door bovengenoemde advocaten en eveneens door M. van der Woude, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/31.865 - PVC) (PB L 239, blz. 14),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, K. Lenaerts en A. Potocki, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 9 tot 12 februari 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten van het geding
1 Naar aanleiding van verificaties bij ondernemingen uit de polypropyleensector op 13 en 14 oktober 1983, die waren verricht krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), begon de Commissie van de Europese Gemeenschappen een onderzoek met betrekking tot polyvinylchloride (hierna: "PVC"). In dat verband verrichtte zij verschillende verificaties bij de betrokken ondernemingen en verzocht zij hun herhaalde malen om inlichtingen.
2 Op 24 maart 1988 besloot de Commissie op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 ambtshalve een procedure in te leiden tegen veertien PVC-producenten. Op 5 april 1988 zond zij ieder van hen een mededeling van punten van bezwaar als bedoeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 (PB 1963, blz. 2268; hierna: "verordening nr. 99/63"). Alle adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar maakten in de loop van juni 1988 hun standpunt kenbaar. In de loop van september 1988 werden allen gehoord, met uitzondering van Shell International Chemical Company Ltd, die daar niet om had gevraagd.
3 Op 1 december 1988 bracht het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities advies uit over de ontwerp-beschikking van de Commissie.
4 Aan het einde van de procedure gaf de Commissie beschikking 89/190/EEG van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.865, PVC) (PB 1989, L 74, blz. 1; hierna: "aanvankelijke beschikking" of "beschikking van 1988"). Bij deze beschikking legde de Commissie wegens schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag een geldboete op aan de navolgende PVC-producenten: Atochem SA, BASF AG, DSM NV, Enichem SpA, Hoechst AG, Hüls AG, Imperial Chemical Industries plc, Limburgse Vinyl Maatschappij NV, Montedison SpA, Norsk Hydro AS, Société artésienne de vinyle, Shell International Chemical Company Ltd, Solvay et Cie en Wacker-Chemie GmbH.
5 Met uitzondering van Solvay et Cie (hierna: "Solvay") stelden al deze ondernemingen bij de gemeenschapsrechter een beroep tot nietigverklaring van die beschikking in.
6 Bij beschikking van 19 juni 1990, Norsk Hydro/Commissie (T-106/89, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), verklaarde het Gerecht het beroep van Norsk Hydro niet-ontvankelijk.
7 De onder de nummers T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89 ingeschreven zaken werden gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
8 Bij arrest van 27 februari 1992, BASF e.a./Commissie (T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, Jurispr. blz. II-315), verklaarde het Gerecht de beschikking van 1988 non-existent.
9 Op hogere voorziening van de Commissie vernietigde het Hof bij arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555; hierna: "arrest van 15 juni 1994"), het arrest van het Gerecht en verklaarde het de beschikking van 1988 nietig.
10 Daarop gaf de Commissie op 27 juli 1994 een nieuwe beschikking jegens de producenten tot wie de aanvankelijke beschikking was gericht, met uitzondering evenwel van Solvay en Norsk Hydro AS (hierna: "Norsk Hydro") [beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van arTikel 85 van het EG-Verdrag (IV/31.865 - PVC) (PB L 239, blz. 14; hierna: "beschikking van 1994")].
11 De beschikking van 1994 bepaalt hetgeen volgt:
"Artikel 1
BASF AG, DSM NV, Elf Atochem SA, Enichem SpA, Hoechst AG, Hüls AG, Imperial Chemical Industries plc, Limburgse Vinyl Maatschappij NV, Montedison SpA, Société artésienne de vinyle SA, Shell International Chemical [Company] Ltd en Wacker-Chemie GmbH hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door [tezamen met Norsk Hydro (...) en Solvay (...)] gedurende de in deze beschikking aangegeven periodes deel te nemen aan een rond augustus 1980 tot stand gekomen overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die in de Gemeenschap PVC verkopen geregelde bijeenkomsten bijwoonden met het doel richtprijzen en richtquota vast te stellen, gezamenlijke initiatieven te plannen om het prijsniveau te verhogen en toezicht te houden op de toepassing van de genoemde heimelijke afspraken.
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen die nog steeds actief zijn in de PVC-sector in de Gemeenschap (behalve Norsk Hydro en Solvay, tot wie reeds een geldige aanmaning tot beëindiging is gericht), moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan met betrekking tot hun PVC-activiteiten onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat normaal onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de productie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringsplannen van andere individuele producenten of op grond waarvan zij de naleving van elke uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de Gemeenschap zouden kunnen controleren. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie betreffende de PVC-sector, waaraan de producenten deelnemen, dient op zodanige wijze te worden toegepast dat elke informatie waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid, uitgesloten is; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
i) BASF AG: een boete van 1 500 000 ECU;
ii) DSM NV: een boete van 600 000 ECU;
iii) Elf Atochem SA: een boete van 3 200 000 ECU;
iv) Enichem SpA: een boete van 2 500 000 ECU;
v) Hoechst AG: een boete van 1 500 000 ECU;
vi) Hüls AG: een boete van 2 200 000 ECU;
vii) Imperial Chemical Industries plc: een boete van 2 500 000 ECU;
viii) Limburgse Vinyl Maatschappij NV: een boete van 750 000 ECU;
ix) Montedison SpA: een boete van 1 750 000 ECU;
x) Société artésienne de vinyle SA: een boete van 400 000 ECU;
xi) Shell International Chemical Company Ltd: een boete van 850 000 ECU;
xii) Wacker-Chemie GmbH: een boete van 1 500 000 ECU."
Procedure
12 Bij verschillende verzoekschriften, die tussen 5 en 14 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht zijn neergelegd, hebben Limburgse Vinyl Maatschappij NV (hierna: "LVM"), Elf Atochem, BASF AG (hierna: "BASF"), Shell International Chemical Company Ltd (hierna: "Shell"), DSM NV en DSM Kunststoffen BV (hierna: "DSM"), Wacker-Chemie GmbH (hierna: "Wacker"), Hoechst AG (hierna: "Hoechst"), Société artésienne de vinyle (hierna: "SAV"), Montedison SpA (hierna: "Montedison"), Imperial Chemical Industries plc (hierna: "ICI"), Hüls AG (hierna: "Hüls") en Enichem SpA (hierna: "Enichem") deze beroepen ingesteld.
13 Krachtens artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering heeft op 6 april 1995 een vergadering van de leden van de uitgebreide Derde kamer met de partijen plaatsgevonden. Op deze vergadering hebben partijen erin toegestemd dat de schriftelijke behandeling wordt geschorst en dat de mondelinge behandeling wordt beperkt tot de middelen van procedurele aard, en hebben zij zich uitgesproken voor voeging van de zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94.
14 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten zonder instructie of maatregelen tot organisatie van de procesgang over te gaan tot de mondelinge behandeling waarbij enkel de middelen van procedurele aard zouden worden onderzocht.
15 Bij beschikking van de president van de uitgebreide Derde kamer van 25 april 1995 (niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) zijn de zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94 overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling.
16 De mondelinge behandeling heeft op 13 en 14 juni 1995 plaatsgevonden.
17 Bij beschikking van 14 juli 1995 (niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) heeft de president van de uitgebreide Derde kamer de hervatting van de schriftelijke behandeling gelast en de voeging van de zaken ongedaan gemaakt.
18 De schriftelijke behandeling is afgesloten op 20 februari 1996.
19 In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) partijen bij brief van 7 mei 1997 in kennis gesteld van zijn beslissing om elk van hen inzage te verlenen in het dossier van de Commissie in de zaak die tot de beschikking van 1994 heeft geleid, behalve in de interne documenten van de Commissie en in de documenten die zakengeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevatten.
20 Na tijdens de maanden juni en juli 1997 het dossier te hebben ingezien, hebben alle verzoeksters, behalve die in de zaken T-315/94 en T-316/94, naar gelang van het geval, in juli en september 1997 ter griffie van het Gerecht opmerkingen neergelegd. De Commissie heeft haar antwoord daarop in de loop van de maand december 1997 ingediend.
21 Bij beschikking van 22 januari 1998 heeft de president van de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht, partijen gehoord, de zaken opnieuw gevoegd voor de mondelinge behandeling.
22 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten de mondelinge behandeling te openen en heeft het, bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang, partijen verzocht een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en een aantal documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.
23 Ter terechtzitting, van 9 tot 12 februari 1998, zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
24 Zij hebben toen verklaard, er geen enkel bezwaar tegen te hebben dat de zaken worden gevoegd voor het arrest.
25 Ter terechtzitting was het Gerecht samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, C. P. Briët, K. Lenaerts, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters. Wegens het verstrijken van de ambtstermijn van rechter Briët op 17 september 1998 hebben, overeenkomstig artikel 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, slechts de drie ondertekenende rechters aan de beraadslaging deelgenomen.
Conclusies van partijen
26 Elke verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beschikking van 1994 geheel of ten dele nietig te verklaren;
- subsidiair, de haar oplegde boete nietig te verklaren of te verlagen;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
27 In de zaken T-315/94, T-316/94 en T-329/94 concluderen Wacker, Hoechst en Hüls tevens dat het het Gerecht behage:
- te gelasten dat het rapport van de raadadviseur-auditeur aan het dossier wordt toegevoegd en aan verzoekster wordt meegedeeld;
- te gelasten dat het proces-verbaal van de hoorzitting, met inbegrip van de bijlagen, aan verzoekster wordt meegedeeld.
28 In de zaken T-315/94 en T-329/94 concluderen Wacker en Hüls verder dat het het Gerecht behage:
- verweerster te gelasten het advies van de juridische dienst over de procedurele vraagpunten betreffende de omstreden beschikking aan het Gerecht over te leggen en aan hen mee te delen.
29 In de zaken T-315/94 en T-316/94 concluderen Wacker en Hoechst dat het het Gerecht behage:
- de in zaak T-92/89 overgelegde processtukken in aanmerking te nemen.
30 In zaak T-325/94 concludeert Montedison tevens dat het het Gerecht behage:
- de Commissie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ten belope van de kosten voor het stellen van de waarborg en van alle andere uit de beschikking van 1994 voortvloeiende kosten;
- de in zaak T-104/89 overgelegde stukken en documenten aan het dossier van deze zaak toe te voegen;
- als getuigen te horen de gedelegeerd bestuurder en de verantwoordelijk bestuurder van Montedison op 1 november 1982.
31 De Commissie concludeert in elke zaak, dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid van de middelen ten aanzien van de artikelen 44, lid 1, 46, lid 1, en 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering
32 De Commissie heeft ten aanzien van verschillende middelen van de verzoeksters excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, die naar gelang van het geval zijn gebaseerd op artikel 44, lid 1, sub c, of op artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Eén verzoekster heeft ook een op artikel 46, lid 1, van dit reglement gebaseerde exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Elk van deze categorieën excepties van niet-ontvankelijkheid zal afzonderlijk worden onderzocht.
I - De op artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering gebaseerde excepties van niet-ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
33 De Commissie merkt op, dat Montedison in repliek algemeen verwijst naar alle door partijen in hun gemeenschappelijke pleidooien ter terechtzitting van 13 en 14 juni 1995 ontwikkelde middelen van procedurele aard. De tekst van die pleidooien is niet bij haar memorie gevoegd op grond van de overweging, dat het Gerecht er kennis van zou hebben.
34 Verder wijst zij erop, dat Enichem in repliek en ter inleiding van het gedeelte van haar memorie dat betrekking heeft op de middelen van procedurele aard, alle middelen van procedurele aard noemt die verzoeksters in hun gemeenschappelijke pleidooien ter terechtzitting van 13 en 14 juni 1995 hebben ontwikkeld, en verklaart, dat zij die middelen voor haar rekening neemt. Enichem legt daartoe, samen met haar memorie van repliek, de tekst van de pleitnota's van alle raadslieden van verzoeksters over.
35 Dergelijke verwijzingen voldoen evenwel niet aan de bepalingen van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (beschikking Gerecht van 29 november 1993, Koelman/Commissie, T-56/92, Jurispr. blz. II-1267, punten 21-23). Het Gerecht mag immers niet in de plaats van verzoeker proberen uit de documenten waarnaar wordt verwezen, de elementen te zoeken en te distilleren die als grondslag voor de in het verzoekschrift geformuleerde vorderingen in aanmerking zouden kunnen komen.
36 De Commissie betoogt ook, dat de middelen die Shell in de tekst zelf van de repliek heeft genoemd en in de bijlagen daarbij heeft ontwikkeld, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard en buiten de behandeling dienen te blijven (arresten Hof van 13 december 1990, Commissie/Griekenland, C-347/88, Jurispr. blz. I-4747, punt 29, en 13 maart 1992, Commissie/Duitsland, C-43/90, Jurispr. blz. I-1909, punt 8; arrest Gerecht van 29 juni 1995, ICI/Commissie, T-37/91, Jurispr. blz. II-1901, punt 46, en beschikking Gerecht van 28 april 1993, de Hoe/Commissie, T-85/92, Jurispr. blz. II-523).
37 Elke memorie moet immers duidelijk de feiten van de zaak en het toepasselijke recht aangeven en moet, met uitzondering van het verzoekschrift, antwoorden op de vorige memorie. Door aldus te verwijzen naar bijlagen die door andere advocaten in andere zaken zijn overgelegd, verplicht verzoekster het Gerecht, zelf te proberen daaruit de elementen te distilleren die Shell tot staving van haar verzoekschrift wou aanvoeren. Bovendien zijn die bijlagen slechts nota's die sommige advocaten voor de terechtzitting van 13 en 14 juni 1995 hadden opgesteld, maar die niet noodzakelijk overeenkomen met hetgeen daadwerkelijk is gepleit; de notulen van de terechtzitting zijn evenwel niet toegankelijk. Verzoekster baseert zich overigens slechts op bepaalde gedeelten van de pleitnota's van een van de advocaten; daarbij komt, dat sommige van die nota's zelf verwijzen naar de argumenten die andere partijen in hun conclusies en memories hebben voorgedragen.
38 Ten slotte herinnert de Commissie eraan, dat de president van de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht na afloop van de mondelinge behandeling, de enige fase van de procedure waarvoor de zaken waren gevoegd, die voeging ongedaan heeft gemaakt.
Beoordeling door het Gerecht
39 Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst zelf van het verzoekschrift. Deze tekst mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzing naar bepaalde passages uit de erbij gevoegde stukken, doch een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen in het verzoekschrift niet ondervangen (zie, onder meer, beschikking Koelman/Commissie, reeds aangehaald, punt 21). Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (arrest Gerecht van 7 november 1997, Cipeke/Commissie, T-84/96, Jurispr. blz. II-2081, punt 34).
40 Deze uitlegging van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering ziet ook op de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de repliek, die volgens artikel 47, lid 1, van dat Reglement dient om het verzoekschrift aan te vullen.
41 Opgemerkt zij, dat Shell, Montedison en Enichem in casu in hun repliek algemeen verwijzen naar de middelen en argumenten die een aantal verzoeksters tijdens de mondelinge behandeling voor het Gerecht op 13 en 14 juni 1995 gezamenlijk hebben ontwikkeld. Deze algemene verwijzing naar documenten, ook al gaat het om documenten die als bijlage bij de repliek zijn gevoegd, kan de uiteenzetting van de feiten, middelen en argumenten in de tekst zelf van het verzoekschrift niet vervangen.
42 Het Gerecht wijst er ook op, dat Enichem de tekst van haar repliek op specifieke punten aanvult door verwijzing naar de bijlagen. Het gaat evenwel slechts om algemene verwijzingen naar de betrokken bijlage, die het Gerecht dus niet in staat stellen, precies uit te maken welke argumenten het als aanvulling van de in het verzoekschrift uiteengezette middelen kan beschouwen.
43 In die omstandigheden voldoen de memories van repliek van Shell, Montedison en Enichem, voor zover daarin naar de gemeenschappelijke pleidooien wordt verwezen, niet aan de eisen van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering en kunnen zij derhalve niet in aanmerking worden genomen.
II - De op artikel 46, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering gebaseerde exceptie van niet-ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
44 Volgens Hüls staat artikel 46, lid 1, sub b, van het Reglement voor de procesvoering de Commissie niet toe, ter beantwoording van een aantal in haar verzoekschrift aangevoerde middelen te verwijzen naar het rapport ter terechtzitting in zaak T-86/89, Hüls/Commissie (arresten Hof van 8 juli 1965, Prakash/Commissie, 19/63 en 65/63, Jurispr. blz. 585, 603, 28 april 1971, Lütticke/Commissie, 4/69, Jurispr. blz. 325, punt 2, en Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punten 7 en 8; arresten Gerecht van 5 december 1990, Marcato/Commissie, T-82/89, Jurispr. blz. II-735, punt 22, en ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 47).
45 Volgens de Commissie is de in haar verweerschrift gehanteerde citeerwijze geen algemene verwijzing in de zin van de door verzoekster aangehaalde rechtspraak. In feite gaat verzoekster voorbij aan de specifieke functie van een bijlage, te weten formele verwijzing zonder overbodige herhaling. Verder is de Commissie van mening, dat de verwijzing naar een ander beroep tussen dezelfde partijen over eenzelfde probleem ontvankelijk is (arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 47).
Beoordeling door het Gerecht
46 Volgens artikel 46, lid 1, sub b, van het Reglement voor de procesvoering moet elk verweerschrift de aangevoerde gronden, zowel feitelijk als rechtens, bevatten. De door verweerder aangevoerde gronden moeten voldoende duidelijk en nauwkeurig, zij het summier, worden uiteengezet in de tekst zelf van het verweerschrift om verzoeker in staat te stellen zijn repliek voor te bereiden en het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep.
47 In casu heeft de Commissie zich ertoe beperkt, in haar verweerschrift onder het kopje "Middelen ten gronde" te verklaren, dat "[zij] zich genoopt ziet in deze procedure als verweer het betoog over te nemen dat zij reeds [in het kader van de beroepen tegen de beschikking van 1988] had gevoerd. Zij acht het bij de huidige stand van de procedure nuttig en verstandig, het verweerschrift niet letterlijk over te nemen, maar te verwijzen naar haar uiteenzetting in zaak T-86/89, zoals deze in het rapport ter terechtzitting is samengevat." Vervolgens noemt zij de overeenkomstige kopjes van het rapport ter terechtzitting, verwijst zij naar de bladzijden van dat rapport en formuleert zij opmerkingen ter aanvulling van de middelen waarnaar zij verwijst.
48 Het Gerecht stelt vast, dat de gronden, zowel rechtens als feitelijk, die verweerster onder het kopje "Middelen ten gronde" heeft aangevoerd, slechts in de vorm van kopjes zijn voorgedragen en derhalve niet voldoen aan de voor de ontvankelijkheid gestelde eisen van duidelijkheid en nauwkeurigheid. Bijgevolg moeten deze feitelijke en juridische elementen niet-ontvankelijk worden verklaard.
III - De op artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering gebaseerde excepties van niet-ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
49 De Commissie voert aan, dat elk voor het eerst in repliek aangevoerd middel dat niet steunt op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, een nieuw middel is dat op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet-ontvankelijk moet worden verklaard (arresten Gerecht van 10 maart 1992, SIV e.a./Commissie, T-68/89, T-77/89 en T-78/89, Jurispr. blz. II-1403, punt 82, 18 november 1992, Rendo e.a./Commissie, T-16/91, Jurispr. blz. II-2417, punt 131, en 21 februari 1995, SPO e.a./Commissie, T-29/92, Jurispr. blz. II-289, punt 409).
50 In casu zijn verschillende door LVM, BASF, DSM en ICI aangevoerde middelen op grond van deze regel niet-ontvankelijk.
51 De Commissie betoogt, dat de beschikking van de president van de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht van 14 juli 1995 waarbij de voortzetting van de schriftelijke behandeling is gelast en de voeging van de zaken ongedaan is gemaakt, niet aldus kan worden uitgelegd, dat zij partijen toestaat om het even welk middel van procedurele aard aan te voeren, ook middelen die slechts door andere verzoeksters in hun verzoekschrift waren uitgewerkt.
52 Daarbij komt, dat de meeste bijlagen bij de repliek van Hüls buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat zij in strijd met artikel 35, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering niet in de procestaal zijn gesteld.
Beoordeling door het Gerecht
53 Volgens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
54 In casu heeft BASF de middelen inzake schending van het beginsel ne bis in idem, schending van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: "EER-overeenkomst"), schending van het destijds geldende reglement van orde van de Commissie, verjaring, schending van het Europees verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: "EVRM") en niet-nakoming van de verplichting om verzoekster te horen alvorens af te wijken van de procedure van de verordeningen nr. 17 en nr. 99/63, voor het eerst in repliek aangevoerd.
55 ICI voert in repliek aan, dat het reglement van orde van de Commissie is geschonden doordat de beschikking van 1994 is gegeven zonder voorafgaande raadpleging van de juridische dienst van de Commissie. Zij betoogt, dat het vóór de terechtzitting van juni 1995 opgestelde rapport ter terechtzitting in zaak T-307/94 aan het licht heeft gebracht, dat de beschikking van 1994 zonder voorafgaande raadpleging van de juridische dienst van de Commissie is gegeven, en dat dit een nieuw feit vormt waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Dit argument kan niet worden aanvaard. Dienaangaande behoeft slechts te worden vastgesteld, dat in dit rapport ter terechtzitting niet wordt gezegd dat de juridische dienst helemaal niet is geraadpleegd, maar dat "er geen advies van de juridische dienst bestaat over de vraag, of op basis van de administratieve procedure die aan de vaststelling van de beschikking van 21 december 1988 is voorafgegaan, een nieuwe beschikking kon worden gegeven jegens de PVC-producenten" ("Die Kommission behauptet, es gebe kein Gutachen des Juristischen Dienstes zu der Frage, ob eine neue Entscheidung gegenüber den PVC-Herstellern auf der Grundlage des Verwaltungsverfahrens erlassen werden könne, das vor dem Erlaß der Entscheidung vom 21. Dezember 1988 durchgeführt worden sei"). Deze passage uit het rapport ter terechtzitting in zaak T-307/94 vormt dus geen nieuw feit in de zin dat daarin zou worden gezegd dat de beschikking van 1994 zonder voorafgaand advies van de juridische dienst is gegeven.
56 Voor zover het betoog van ICI aldus moet worden begrepen, dat in het kader van hetzelfde middel en door verwijzing naar de tekst van een van de als bijlage bij haar repliek gevoegde gemeenschappelijke pleidooien wordt gesteld, dat het ten tijde van de vaststelling van de beschikking van 1994 geldende reglement van orde van de Commissie onwettig was, moet worden vastgesteld, dat deze exceptie van onwettigheid voor het eerst in repliek is opgeworpen endat niets verzoekster belette die exceptie in haar inleidend verzoekschrift op te werpen.
57 Hüls beroept zich in repliek op de pleitnota's betreffende de ter terechtzitting van 13 en 14 juni 1995 gezamenlijk behandelde onderwerpen en voegt die pleitnota's als bijlage bij haar repliek. De in deze nota's behandelde onderwerpen betreffen, voor zover zij in de vorm van een in de repliek uitgewerkt betoog zijn uiteengezet, de middelen die verzoekster in haar inleidend verzoekschrift heeft aangevoerd. Dit is evenwel niet het geval met het middel inzake het ontbreken van deelneming van de toezichthoudende autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (hierna: "EVA"), dat dus in repliek voor het eerst is aangevoerd.
58 Bovendien zijn de als bijlage bij de repliek van Hüls gevoegde gemeenschappelijke pleitnota's niet in de door verzoekster gekozen procestaal gesteld, en heeft verzoekster, anders dan in artikel 35, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering wordt bepaald, geen uittreksels uit die omvangrijke bescheiden in vertaling overgelegd. In de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval en gelet op het feit dat het Gerecht heeft toegestaan dat voor de pleidooien over bepaalde gemeenschappelijke onderwerpen ter terechtzitting van 13 en 14 juni 1995 om het even welke procestaal wordt gebruikt, zou het niet aanvaarden van in een andere dan de door verzoekster gekozen procestaal gestelde bijlagen evenwel een overdreven formalisme vormen, ook al is de voeging van de zaken na die mondelinge behandeling ongedaan gemaakt. De bijlagen bij de repliek van Hüls moeten derhalve worden aanvaard zoals zij zijn.
59 LVM en DSM betogen in repliek tot staving van een middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel dat zij in hun verzoekschrift reeds hadden uiteengezet, dat de Commissie de krachtens artikel 190 EG-Verdrag op haar rustende motiveringsplicht niet is nagekomen. Gelet op de wijze waarop die grief in het kader van het betrokken middel is geformuleerd, staat die stelling niet los van het middel waaronder zij wordt geponeerd. Deze stelling kan derhalve niet worden aangemerkt als een afzonderlijk middel dat in repliek voor het eerst is aangevoerd.
60 Ten slotte kan het Gerecht volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen.
61 Elf Atochem voert in repliek voor het eerst aan, dat de Commissie de verplichting tot samenwerking met de toezichthoudende autoriteit van de EVA niet is nagekomen.
62 SAV stelt in haar inleidend verzoekschrift "schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en van de rechten van de verdediging doordat de procedure niet binnen een redelijke termijn is ingeleid". In repliek voegt zij daar onder het middel "Schending van de beginselen van behoorlijke rechtsbedeling en van de rechten van de verdediging" aan toe, dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de hoorzitting van september 1988 omdat zij niet voldoende tijd heeft gehad om het proces-verbaal van de hoorzitting vóór de vaststelling van de beschikking van 1988 te onderzoeken. Dit betoog moet als een volwaardig middel worden beschouwd omdat het geenszins doelt op het niet binnen een redelijke termijn inleiden van de procedure. Dit middel, dat niet aanknoopt bij een van de in het verzoekschrift uitgewerkte middelen, is dus in repliek voor het eerst aangevoerd.
63 In casu is in de loop van de behandeling evenwel niet gebleken van enig nieuw gegeven dat een rechtvaardiging kan vormen voor het feit dat Elf Atochem en SAV hun middelen te laat hebben voorgedragen. Die twee verzoeksters hadden die middelen dus in hun inleidend verzoekschrift kunnen voordragen. Bijgevolg kunnen zij die middelen overeenkomstig artikel 48, lid 2, niet in repliek aanvoeren.
64 Gelet op een en ander moeten de middelen van Elf Atochem, BASF, SAV, ICI en Hüls die in repliek voor het eerst zijn aangevoerd en niet steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering tot nietigverklaring van de beschikking van 1994
I - De middelen inzake vormgebreken en procedurefouten
65 De verschillende door verzoeksters aangevoerde middelen inzake vormgebreken en procedurefouten kunnen onder vier hoofdthema's worden gegroepeerd. Allereerst komen verzoeksters op tegen de uitlegging die de Commissie van de draagwijdte van het arrest van 15 juni 1994 houdende nietigverklaring van de beschikking van 1988 heeft gegeven, en tegen de gevolgen die zij aan dat arrest heeft verbonden (A). Vervolgens betogen zij, dat onregelmatigheden zijn begaan bij de vaststelling en de authentisatie van de beschikking van 1994 (B). Zij voeren ook aan, dat de procedure die aan de vaststelling van de beschikking van 1988 is voorafgegaan, onregelmatigheden vertoont (C). Ten slotte stellen zij, dat de beschikking van 1994 ontoereikend is gemotiveerd op een aantal punten die onder de eerste drie thema's vallen (D).
A - De werking van het arrest van 15 juni 1994 houdende nietigverklaring van de beschikking van 1988
66 De middelen en argumenten van verzoeksters draaien rond drie afzonderlijke ideeën. Verzoeksters stellen allereerst, dat het arrest van 15 juni 1994 eraan in de weg stond dat de Commissie een nieuwe beschikking gaf. Verder voeren sommige verzoeksters aan, dat het arrest van 15 juni 1994, door de beschikking van 1988 nietig te verklaren, de handelingen ter voorbereiding van die beschikking met terugwerkende kracht teniet heeft gedaan ten aanzien van alle adressaten van die handelingen. Ten slotte zijn verzoeksters van mening, dat zo de Commissie al een nieuwe beschikking kon geven om de nodige gevolgen te verbinden aan het arrest van 15 juni 1994, zij een aantal procedureregels in acht diende te nemen.
1. De bevoegdheid van de Commissie om na het arrest van 15 juni 1994 een nieuwe beschikking te geven
67 Het betoog van verzoeksters kan in drie takken worden verdeeld. In een eerste tak wordt betoogd, dat de Commissie na het arrest van 15 juni 1994 geen nieuwe beschikking kon geven in de "PVC-zaak". De tweede tak betreft de middelen inzake het tijdsverloop; volgens deze middelen was de Commissie niet meer bevoegd om de beschikking van 1994 te geven. De derde tak ten slotte betreft de middelen als zou de Commissie haar beoordelingsvrijheid verkeerd hebben opgevat.
68 Elk van deze takken van het betoog van verzoeksters zal afzonderlijk worden behandeld.
a) De middelen als zou de Commissie de beschikking van 1994 niet hebben kunnen geven
69 Tot staving van hun conclusie dat de Commissie de beschikking van 1994 niet kon geven, voeren verzoeksters twee middelen aan.
70 Het eerste middel betreft schending van het gezag van gewijsde, het tweede middel schending van het beginsel ne bis in idem.
Het middel inzake schending van het gezag van gewijsde
- Argumenten van partijen
71 LVM, DSM, ICI en Enichem voeren aan, dat de Commissie de beschikking van 1994 niet kon geven zonder het aan het arrest van 15 juni 1994 verbonden gezag van gewijsde te schenden.
72 LVM en DSM beklemtonen, dat voor het onderscheid tussen formele en materiële gebreken van de nietig verklaarde beschikking geen rechtsgrondslag is te vinden in bepalingen of rechtspraak. In artikel 174 van het Verdrag noch in het arrest van het Gerecht van 6 april 1995, BASF e.a./Commissie (T-80/89, T-81/89, T-83/89, T-87/89, T-88/89, T-90/89, T-93/89, T-95/89, T-97/89, T-99/89, T-100/89, T-101/89, T-103/89, T-105/89, T-107/89 en T-112/89, Jurispr. blz. II-729, punt 78), wordt een dergelijk onderscheid gemaakt. Aangezien het arrest van 15 juni 1994 dienaangaande niets zegt, moet het aldus worden uitgelegd, dat de zaak definitief is afgehandeld (arresten Hof van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad, 138/79, Jurispr. blz. 3333, punt 37, en 30 september 1982, Amylum/Raad, 108/81, Jurispr. blz. 3107, punt 5; conclusie van advocaat-generaal Reischl bij dit arrest, Jurispr. blz. 3139, 3151 en 3152). Dat het Hof, nadat het het arrest van het Gerecht had vernietigd, de zaak zelf heeft afgedaan omdat zij in staat van wijzen was, bevestigt deze uitlegging.
73 Enichem betoogt, dat het Hof met zijn arrest van 15 juni 1994 de tegen de PVC-producenten ingeleide procedure definitief heeft willen afsluiten en daartoe gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die het krachtens artikel 54, eerste alinea, tweede zin, van 's Hofs Statuut-EG heeft. Het Hof heeft dus, al heeft het niet alle middelen onderzocht, de zaak volledig afgedaan. Het gezag van gewijsde geldt dus voor alle aspecten van de zaak.
74 In feite komt de houding van de Commissie erop neer, dat aan de middelen ten gronde de voorrang wordt gegeven boven de middelen van procedurele aard, die als accessoir worden beschouwd. Elke onregelmatigheid in de procedure zou aldus gemakkelijk kunnen worden weggewerkt. Het aanvoeren van procedurefouten voor de gemeenschapsrechter zou derhalve nutteloos zijn en de inspanningen die daartoe in casu voor het Gerecht en vervolgens voor het Hof zijn gedaan, zouden vergeefs zijn geweest.
75 Volgens de Commissie geldt het gezag van gewijsde enkel voor de elementen waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan. In casu heeft het Hof in zijn arrest van 15 juni 1994 de beschikking van 1988 enkel nietig verklaard wegens het ontbreken van authentisatie in de voorgeschreven vormen, zodat enkel het oordeel van het Hof over de vormgebreken kracht van gewijsde heeft gekregen. De andere middelen van procedurele aard en de middelen ten gronde heeft het Hof dus niet onderzocht.
76 Zij voegt eraan toe, dat na de nietigverklaring van de beschikking van 1988 geen enkele bepaling het Hof de mogelijkheid bood de zaak naar het Gerecht te verwijzen.
- Beoordeling door het Gerecht
77 Het gezag van gewijsde geldt enkel voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijze zijn beslecht (arrest Hof van 19 februari 1991, Italië/Commissie, C-281/89, Jurispr. blz. I-347, punt 14, en beschikking Hof van 28 november 1996, Lenz/Commissie, C-277/95 P, Jurispr. blz. I-6109, punt 50).
78 In casu heeft het Hof in zijn arrest van 15 juni 1994 geoordeeld, dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door beschikking 89/190 non-existent te verklaren, en heeft het het bestreden arrest van het Gerecht vernietigd (punten 53 en 54). In die omstandigheden heeft het Hof overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, tweede volzin, van 's Hofs Statuut-EEG besloten de zaak zelf af te doen omdat zij in staat van wijzen was.
79 Daarop heeft het Hof de middelen die verzoeksters in hun bij het Gerecht ingestelde beroepen tot nietigverklaring van de beschikking van 1988 hadden aangevoerd, samengevat als volgt: "Tijdens de precontentieuze procedure zijn diverse onregelmatigheden begaan; de bestreden beschikking is niet dan wel ontoereikend gemotiveerd; de rechten van de verdediging zijn niet geëerbiedigd; het door de Commissie gehanteerde bewijssysteem is betwistbaar; de bestreden beschikking is in strijd met artikel 85 EEG-Verdrag en met algemene beginselen van het gemeenschapsrecht; zij is in strijd met de verjaringsregels; zij is onwettig wegens misbruik van bevoegdheid; de opgelegde geldboeten zijn onregelmatig" (punt 56).
80 Vervolgens heeft het Hof erop gewezen, dat "tot staving van - met name - het middel inzake het niet of ontoereikend gemotiveerd zijn van de bestreden beschikking" verzoeksters, "zakelijk weergegeven", aanvoerden "dat zij alle reden hadden om aan te nemen, dat de motivering van de hun betekende beschikking op een aantal, soms essentiële, punten afweek van de beschikking die het college van Commissieleden tijdens zijn vergadering van 21 december 1988 had vastgesteld" (punt 57). Het Hof heeft ook aangegeven: "Enkele verzoeksters leidden bovendien uit het verweer van de Commissie af, dat de beschikking niet was vastgesteld in twee van de talen waarin zij authentiek was, te weten het Italiaans en het Nederlands, daar aan het college enkel de in het Duits, Engels en Frans geredigeerde ontwerpen waren voorgelegd" (punt 58). Verder heeft het Hof gepreciSeerd: "In de laatste stand van hun betoog voerden verzoeksters aan, dat de Commissie in strijd met artikel 12 van haar reglement van orde had gehandeld" (punt 59). Vervolgens heeft het Hof "[de gegrondheid van het] middel" onderzocht.
81 Na te hebben vastgesteld, dat de Commissie artikel 12, eerste alinea, van haar reglement van orde had geschonden door de bestreden beschikking niet te authentiseren op de wijze die in die bepaling is voorgeschreven, heeft het Hof geoordeeld: "Derhalve dient die beschikking nietig te worden verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften en behoeven de overige door verzoeksters aangevoerde middelen niet te worden onderzocht" (punt 78).
82 Het arrest van 15 juni 1994 heeft derhalve noch de andere door verzoeksters voor het Gerecht aangevoerde middelen van procedurele aard, noch de middelen ten gronde, noch, ten slotte, de subsidiaire middelen inzake de opgelegde geldboeten daadwerkelijk of noodzakelijkerwijze beslecht.
83 Artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut bepaalt overigens: "In geval van gegrondheid van de hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Het kan dan de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht."
84 De tweede zin van deze bepaling heeft niet tot gevolg, dat wanneer het Hof de zaak zelf afdoet door een of meer van de door verzoekers aangevoerde middelen te aanvaarden, het ipso iure alle door verzoekers in die zaak voorgedragen feitelijke en juridische punten beslecht. De stelling van Enichem komt neer op de ontkenning dat het gezag van gewijsde enkel geldt voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijze zijn beslecht.
85 Gelet op een en ander moet het middel worden afgewezen.
Het middel inzake schending van het beginsel ne bis in idem
- Argumenten van partijen
86 LVM, DSM, Montedison en ICI betogen, dat de Commissie het beginsel ne bis in idem heeft geschonden door een nieuwe beschikking te geven nadat het Hof de beschikking van 1988 nietig had verklaard.
87 LVM, DSM en ICI herinneren eraan, dat het tot de taken van de gemeenschapsrechter behoort, de inachtneming van de algemene rechtsbeginselen te verzekeren. Daartoe behoort ook het beginsel ne bis in idem (arresten Hof van 5 mei 1966, Gutmann/Commissie, 18/65 en 35/65, Jurispr. blz. 150, en 15 maart 1967, Gutmann/Commissie, 18/65 en 35/65, Jurispr. blz. 74), dat mede tot uiting komt in protocol nr. 7 bij het EVRM en in artikel 14, lid 7, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend te New York op 16 maart 1966.
88 Volgens LVM en DSM heeft de Commissie beide aspecten van dit beginsel miskend: zij heeft tweemaal een sanctie opgelegd voor dezelfde inbreuk en zij heeft tweemaal een vervolging ingesteld ter zake van eenzelfde feitencomplex, ook al betrof de tweede vervolging slechts de vaststelling en de betekening van de beschikking van 1994 (arresten van 5 mei 1966, Gutmann/Commissie, reeds aangehaald, blz. 174, en 15 maart 1967, Gutmann/Commissie, reeds aangehaald, blz. 81, en conclusie van advocaat-generaal Mayras bij arrest Hof van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, 7/72, Jurispr. blz. 1281, 1296).
89 Voor de vaststelling van een schending van het beginsel ne bis in idem is enkel doorslaggevend, dat de ten laste gelegde feiten dezelfde zijn (arrest Boehringer/Commissie, reeds aangehaald, punt 6), hetgeen in casu het geval is. Noch de omstandigheid dat de aanvankelijke beschikking nietig is verklaard - waardoor de rechtsgevolgen ervan ongedaan zijn gemaakt, maar niet het feit zelf dat een vervolging is ingesteld, een inbreuk is vastgesteld en een geldboete is opgelegd - noch het gezag van gewijsde is relevant.
90 ICI wijst erop, dat het arrest van 15 juni 1994 verbindend en definitief is, en daardoor kracht van gewijsde heeft gekregen (artikel 65 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof), zonder dat het Hof de zaak naar het Gerecht verwijst. Aangezien de hele beschikking van 1988 nietig is verklaard en niet slechts een aspect ervan, levert het arrest van het Hof een definitieve vrijspraak op. De Commissie heeft dus in strijd met het beginsel ne bis in idem gehandeld door eenzelfde beschikking op basis van dezelfde feitelijke en juridische gegevens vast te stellen. Ten slotte heeft het Hof in zijn arrest van 15 juni 1994 de Commissie niet gelast een nieuwe beschikking te geven (zie, a contrario, arrest Hof van 23 oktober 1974, Transocean Marine Paint/Commissie, 17/74, Jurispr. blz. 1063, punt 22).
91 De Commissie merkt om te beginnen op, dat het door LVM, DSM en ICI in het kader van dit middel gevoerde betoog in tegenspraak is met hun stelling, dat de beschikking van 1988 nooit heeft bestaan omdat zij ex tunc nietig is verklaard.
92 Verder heeft het Hof de relevantie van het beginsel ne bis in idem in het communautaire mededingingsrecht erkend (arrest Boehringer/Commissie, reeds aangehaald), zodat het beroep van verzoeksters op het EVRM of op het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten overbodig is.
93 Het betoog van verzoeksters is in elk geval ongegrond omdat na de nietigverklaring van de beschikking van 1988 door het Hof de beschikking van 1994 moet worden beschouwd als de eerste beschikking waarbij de op de PVC-markt actieve ondernemingen een sanctie is opgelegd wegens inbreuk op de bepalingen van artikel 85 van het Verdrag. Rechtens noch feitelijk zijn aan de ondernemingen twee geldboeten opgelegd.
94 Daarbij komt, dat de regel ne bis in idem enkel betrekking heeft op de mogelijkheid om sancties op te leggen; hij mag dus niet worden verward met het beginsel van het gezag van gewijsde.
- Beoordeling door het Gerecht
95 Volgens verzoeksters heeft de Commissie met de beschikking van 1994 het algemene rechtsbeginsel ne bis in idem geschonden. Dit beginsel verbiedt, tweemaal een sanctie op te leggen voor eenzelfde inbreuk en tweemaal een vervolging in te stellen ter zake van eenzelfde feitencomplex.
96 Ter zake van dit middel is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie een onderneming niet op grond van de verordeningen ns. 17 en nr. 99/63 wegens schending van de communautaire mededingingsregels kan vervolgen of beboeten voor een gedraging die de mededinging beperkt, waarvan het Gerecht dan wel het Hof reeds heeft vastgesteld, of de Commissie het bewijs daarvan had geleverd.
97 In casu heeft het Hof de beschikking van 1988 nietig verklaard bij arrest van 15 juni 1994. Door na deze nietigverklaring de beschikking van 1994 te geven, heeft de Commissie verzoeksters dus niet tweemaal een sanctie opgelegd voor eenzelfde inbreuk.
98 Verder heeft het Hof bij de nietigverklaring van de beschikking van 1988 in zijn arrest van 15 juni 1994 geen enkel van de door verzoeksters aangevoerde middelen ten gronde beslecht (zie hierboven punt 81). Met de beschikking van 1994 heeft de Commissie dus alleen het door het Hof als een nietigheidsgrond aangemerkte vormgebrek weggewerkt. De Commissie heeft verzoeksters derhalve niet tweemaal vervolgd voor eenzelfde feitencomplex.
99 Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
b) De middelen inzake het tijdsverloop
100 Sommige verzoeksters voeren tot staving van hun vordering tot nietigverklaring van de beschikking van 1994 een aantal middelen inzake het tijdsverloop aan. De Commissie zou het beginsel van de redelijke termijn hebben geschonden. Zij zou rechtsmisbruik hebben gepleegd. Ten slotte zou zij de beginselen betreffende een eerlijk proces niet in acht hebben genomen. Gelet op het feit dat de Commissie deze middelen gezamenlijk beantwoordt, zullen haar argumenten na de argumenten van verzoeksters gezamenlijk worden weergegeven.
Argumenten van partijen
- Het middel inzake schending van het beginsel van de redelijke termijn
101 Volgens LVM, DSM en ICI kunnen de bij een procedure op grond van artikel 85 van het Verdrag betrokken partijen rechtens verlangen, dat de Commissie binnen een redelijke termijn beslist. Deze waarborg van een redelijke termijn is in het gemeenschapsrecht verankerd (zie, onder meer, arrest Hof van 24 november 1987, RSV/Commissie, 223/85, Jurispr. blz. 4617, punt 14) en staat los van de verjaringsregels neergelegd in verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 241; hierna: "verordening nr. 2988/74").
102 Bovendien volgt uit artikel 6, lid 1, EVRM, dat over de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn moet worden beslist om te voorkomen dat de justitiabelen te lang in onzekerheid verkeren over hun rechtspositie.
103 Volgens LVM en DSM geldt als beginpunt van de redelijke termijn elke onderzoekshandeling in de zin van artikel 2 van verordening nr. 2988/74 (arresten Europees Hof voor de rechten van de mens van 15 juli 1982, Eckle, Series A, nr. 51, punt 73, 10 december 1982, Foti e.a., Series A, nr. 56, punt 52, en 10 december 1982, Corigliano, Series A, nr. 57, punt 34). Als eindpunt van de termijn geldt het tijdstip van vaststelling van de aanvankelijke beschikking.
104 Volgens deze verzoeksters is de termijn in casu ingegaan in december 1983, toen de Commissie de verificatie verrichtte, en geëindigd in december 1988. Hij bestrijkt dus een periode van vijf jaar, waarin de Commissie van april 1984 tot januari 1987, dat wil zeggen bijna drie jaar, heeft stilgezeten.
105 In het kader van het EVRM kan een redelijke termijn evenwel niet meer dan twee jaar bedragen, tenzij in geval van bijzondere omstandigheden (arrest Europees Hof voor de rechten van de mens van 28 juni 1978, König, Series A, nr. 27, punten 98 en 99). Het enkele feit dat het hier om het mededingingsrecht gaat, vormt geen bijzondere omstandigheid.
106 Bovendien heeft de niet-inachtneming van een redelijke termijn voor het geven van de beschikking van 1988 en, a fortiori, van de beschikking van 1994, bij de ondernemingen een gewettigd vertrouwen doen ontstaan dat het onderzoek geen vervolg zou krijgen.
107 Volgens ICI kende de vertraging in casu twee fasen. Tijdens de instructieperiode heeft de Commissie stilgezeten van 5 juni 1984, datum waarop verzoekster heeft geantwoord op een krachtens artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17 gegeven beschikking, tot januari 1987, toen met verificaties bij andere PVC-producenten is begonnen. Haar inziens is dit een onredelijk lange periode (arrest RSV/Commissie, reeds aangehaald, en arresten Gerecht van 2 mei 1995, NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad, T-163/94 en T-165/94, Jurispr. blz. II-1381, en 28 september 1995, Sytraval en Brink's France/Commissie, T-95/94, Jurispr. blz. II-2651).
108 De door de beroepen in rechte veroorzaakte vertraging, bijna vijf jaar, is aan de Commissie te wijten daar is vastgesteld dat zij een aantal procedurefouten heeft gemaakt.
109 Volgens LVM, DSM en ICI was de Commissie na het verstrijken van een redelijke termijn niet meer bevoegd om de beschikking van 1988 en, a fortiori, de beschikking van 1994 te geven. Deze laatste moet dus nietig worden verklaard wegens onbevoegdheid van de Commissie (arresten Hof van 12 november 1987, Ferriere San Carlo/Commissie, 344/85, Jurispr. blz. 4435, en RSV/Commissie, reeds aangehaald).
- Het middel inzake rechtsmisbruik
110 Wacker en Hoechst betogen dat, de verjaringsregels buiten beschouwing gelaten, de lange periode tussen 1983 en 1987 tijdens welke de Commissie heeft stilgezeten, en de periode tussen het begin van de gestelde inbreuk en de datum van vaststelling van de beschikking van 1994, namelijk veertien jaar, rechtsmisbruik opleveren. Die vertraging is uitsluitend aan de Commissie te wijten.
- Het middel inzake schending van de beginselen betreffende een eerlijk proces
111 Hüls en Enichem betogen dat de Commissie de beginselen betreffende een eerlijk proces heeft geschonden.
112 Volgens Enichem is het recht op een eerlijk proces geschonden omdat er zeer veel tijd is verlopen tussen de eerste onderzoekshandelingen en de datum van vaststelling van de beschikking van 1994. Partijen zijn daardoor in zeer grote moeilijkheden en verlegenheid gebracht omdat de feiten niet meer exact kunnen worden gereconstrueerd.
113 Volgens Hüls verdraagt de handelwijze van de Commissie zich niet met de regels betreffende een eerlijk proces.
114 Ofschoon de Commissie uiterlijk in 1983 kennis had van de gestelde inbreuk, heeft zij pas in september 1987 verificaties verricht bij Hüls. Een dergelijke vertraging bij de inleiding van de procedure heeft de verweermogelijkheden van Hüls aangetast en de facto geleid tot een omkering van de bewijslast ten haren nadele. Dit geldt des te meer voor 1994. De totale duur van de vertraging dient overigens gevolgen te hebben voor de hoogte van de geldboete (arrest Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223).
115 Bovendien kent het geldende gemeenschapsrecht het beginsel van de rechtsverwerking (arresten Hof van 14 juli 1972, ICI/Commissie, 48/69, Jurispr. blz. 619, punt 49, en 18 oktober 1989, Orkem/Commissie, 374/87, Jurispr. blz. 3283, punt 30; zie ook artikel 6 EVRM en beslissing nr. 13258/87 van de Europese Commissie voor de rechten van de mens van 9 februari 1990 in de zaak Melchers & Co./Bondsrepubliek Duitsland). Verordening nr. 2988/74 kan het vraagstuk niet uitputtend hebben geregeld; in geval van conflict heeft het beginsel van rechtsverwerking, een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, in elk geval voorrang boven de verordening. Wegens deze rechtsverwerking kon de Commissie in 1994 geen beschikking geven over feiten die zich bijna vijftien jaar eerder hadden voorgedaan.
116 Om te beginnen betwist de Commissie niet, dat het gemeenschapsrecht een op de eisen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur gebaseerd algemeen rechtsbeginsel kent, volgens hetwelk een administratief gezag zijn bevoegdheden binnen een bepaalde termijn moet uitoefenen (arrest Hof van 15 juli 1970, Boehringer/Commissie, 45/69, Jurispr. blz. 769, punt 6).
117 Verordening nr. 2988/74 beantwoordt evenwel juist aan dit rechtszekerheidsstreven doordat de Commissie en de marktdeelnemers dankzij deze verordening op voorhand weten, binnen welke termijnen de Commissie een inbreuk op de communautaire mededingingsregels kan vaststellen.
118 Deze verordening sluit elke verwijzing naar de aparte juridische criteria "overdreven vertraging", onredelijke termijn, rechtsmisbruik, eerlijk proces of verwerking van het recht van vervolging uit. Dergelijke criteria scheppen overigens slechts verwarring en rechtsonzekerheid daar zij niet tot het vaste geschreven recht behoren (arrest van 15 juli 1970, Boehringer/Commissie, reeds aangehaald, punt 47) en op een vaag en subjectief idee berusten.
119 Op de argumenten van LVM en DSM antwoordt de Commissie, dat als gevolg van deze verordening ook de toepassing van artikel 6 EVRM irrelevant is voor de rechtspositie van de ondernemingen. Zelfs al zou de verwijzing naar het EVRM ter zake dienend zijn, de rechtspraak waarop deze verzoeksters zich beroepen, is dit niet daar zij betrekking heeft op het begrip redelijke termijn in strafzaken tegen natuurlijke personen en niet in zaken waarin het economisch recht op rechtspersonen wordt toegepast. Voor deze laatste materie, waar complexe feitelijke situaties aan de orde zijn, is de door LVM en DSM genoemde termijn van twee jaar kennelijk onvoldoende, zoals blijkt uit de duur van de desbetreffende procedures voor het Gerecht of het Hof. Ten slotte kan - nog steeds in de hypothese dat de verwijzing naar artikel 6 EVRM ter zake dienend is - de redelijke termijn pas ingaan vanaf de mededeling van de punten van bezwaar; maatregelen van instructie, zoals de verificaties en verzoeken om inlichtingen, beogen slechts de feiten op te helderen en vormen geen beschuldigingen. In casu is de beschikking van 1988 enkele maanden na de mededeling van de punten van bezwaar vastgesteld. Anders dan LVM en DSM stellen, kan aan de Commissie dus geen stilzitten worden verweten dat een gewettigd vertrouwen omtrent de uitkomst van de administratieve procedure heeft doen ontstaan.
Beoordeling door het Gerecht
120 Volgens vaste rechtspraak vormen de grondrechten een wezenlijk onderdeel van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging de gemeenschapsrechter verzekert (zie met name advies 2/94 van het Hof van 28 maart 1996, Jurispr. blz. I-1759, punt 33, en arrest Hof van 29 mei 1997, Kremzow, C-299/95, Jurispr. blz. I-2629, punt 14). Daarbij laten het Hof en het Gerecht zich leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, alsmede door aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Het EVRM heeft in dit opzicht bijzondere betekenis (arresten Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18, en Kremzow, reeds aangehaald, punt 14). Artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt overigens: "De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het [EVRM] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht."
121 Derhalve moet tegen de achtergrond van deze overwegingen worden onderzocht, of de Commissie het algemene beginsel van gemeenschapsrecht inzake de eerbiediging van een redelijke termijn heeft geschonden bij de vaststelling van beschikkingen aan het einde van de administratieve procedures ter zake van de mededinging (arrest Gerecht van 22 oktober 1997, SCK en FNK/Commissie, T-213/95 en T-18/96, Jurispr. blz. II-1739, punt 56).
122 De schending van dit beginsel, aangenomen dat zij is aangetoond, rechtvaardigt de nietigverklaring van de beschikking van 1994 evenwel slechts voor zover zij ook een schending van de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen impliceert. Wanneer niet is aangetoond, dat als gevolg van het verstrijken van overdreven veel tijd de betrokken ondernemingen zich minder doeltreffend hebben kunnen verdedigen, heeft de niet-inachtneming van het beginsel van een redelijke termijn immers geen gevolgen voor de geldigheid van de administratieve procedure en kan zij derhalve slechts worden aangemerkt als een schadebrengend feit dat in het kader van een beroep krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag voor de gemeenschapsrechter kan worden aangevoerd.
123 In casu heeft de administratieve procedure voor de Commissie in totaal ongeveer 62 maanden geduurd. De periode gedurende dewelke de gemeenschapsrechter de rechtmatigheid van de beschikking van 1988 en de geldigheid van het arrest van het Gerecht heeft onderzocht, kan niet in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de duur van de procedure voor de Commissie.
124 Om uit te maken, of de duur van de voor de Commissie gevoerde administratieve procedure redelijk was, moet de fase van de procedure die is begonnen met de verificaties die in november 1983 op grond van artikel 14 van verordening nr. 17 in de PVC-sector zijn verricht, worden onderscheiden van de fase die is begonnen op de dag waarop de betrokken ondernemingen de mededeling van de punten van bezwaar hebben ontvangen. Voor elk van deze twee fasen zal afzonderlijk worden onderzocht, of de duur ervan redelijk was.
125 De eerste periode van 52 maanden loopt van de eerste verificaties in november 1983 tot maart 1988, wanneer de Commissie krachtens artikel 3 van verordening nr. 17 de in artikel 9, lid 3, van deze verordening bedoelde procedure inleidt.
126 Of de duur van een dergelijke procedurefase redelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke elementen van de zaak, met name de context van dE zaak, het gedrag van partijen tijdens de procedure, het belang van de zaak voor de verschillende betrokken ondernemingen en de ingewikkeldheid ervan.
127 Gelet op de stukken was de duur van de instructie in deze aan het Gerecht voorgelegde zaken redelijk.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10, ECLI:EU:T:2015:513
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10, ECLI:EU:T:2015:500
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-419/14, ECLI:EU:T:2018:445
- Gerecht EU 16 mei 2017, T-480/15, ECLI:EU:T:2017:339
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-393/10, ECLI:EU:T:2015:515
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-249/17, ECLI:EU:T:2020:458
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-475/14, ECLI:EU:T:2018:448
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, ECLI:EU:T:2015:514
- Gerecht EU 28 juni 2016, T-216/13, ECLI:EU:T:2016:369
- Gerecht EU 18 september 2024, T-671/19, ECLI:EU:T:2024:626
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-398/10, ECLI:EU:T:2015:498