HvJ EU 21 mei 2026, C-557/24, ECLI:EU:C:2026:419
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
21 mei 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Economisch en monetair beleid – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Besluiten die de Europese Centrale Bank (ECB) heeft vastgesteld met betrekking tot Banca Carige SpA – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die rechten toekent aan particulieren – Beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen – Belangenconflict – Evenredigheid – Gelijke behandeling – Recht op eigendom – Motivering van het arrest van het Gerecht”
In zaak C‑557/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 14 augustus 2024,
Malacalza Investimenti Srl, gevestigd te Genua (Italië),
Vittorio Malacalza, wonende te Genua (Italië),
vertegenwoordigd door L. Boggio, S. M. Carbone, en A. D’Angelo, avvocati,
rekwiranten,
andere partijen in de procedure:
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door G. Marafioti, A. Pizzolla en E. Yoo als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. A. Messina, A. Steiblytė en D. Triantafyllou als gemachtigden,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias (rapporteur) en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 november 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening verzoeken Malacalza Investimenti Srl en Vittorio Malacalza om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 5 juni 2024, Malacalza Investimenti en Malacalza/ECB (T‑134/21, EU:T:2024:362; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van hun beroep tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatige gedrag van de Europese Centrale Bank (ECB) bij de uitoefening van haar taak als prudentieel toezichthouder van Banca Carige SpA tussen 2014 en 2019.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Verordening nr. 575/2013
2 Artikel 1, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1) bepaalt het volgende: „In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan instellingen waarop overeenkomstig richtlijn 2013/36/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338)] toezicht wordt uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden: a) eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico, marktrisico, operationeel risico en afwikkelingsrisico; b) vereisten ter beperking van grote blootstellingen; c) na de inwerkingtreding van de in artikel 460 bedoelde gedelegeerde handeling, liquiditeitsvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico; d) rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c) en met betrekking tot hefboomfinanciering; e) openbaarmakingsvereisten.”
2. Verordening nr. 1024/2013
3 Het „gemeenschappelijk toezichtsmechanisme” (GTM) wordt in artikel 2, punt 9, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63) gedefinieerd als „het systeem voor financieel toezicht dat bestaat uit de ECB en nationale bevoegde autoriteiten van deelnemende lidstaten als omschreven in artikel 6 van deze verordening.”
4 Artikel 4 van deze verordening bepaalt: „1. Binnen het kader van artikel 6 heeft de ECB overeenkomstig lid 3 van dit artikel de exclusieve bevoegdheid om met het oog op het prudentieel toezicht ten aanzien van alle in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen de volgende taken uit te voeren: […] d) zorgen voor de naleving van de handelingen bedoeld in artikel 4, lid 3, eerste alinea, waarbij prudentiële eisen voor kredietinstellingen zijn vastgesteld op het gebied van eigenvermogensvereisten, securitisatie, grenswaarde voor omvangrijke risico’s, liquiditeit, hefboomratio, en verslaglegging en openbaarmaking van informatie dienaangaande; e) toezien op de naleving van de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, bedoelde handelingen op grond waarvan kredietinstellingen moeten beschikken over solide governanceregelingen, met inbegrip van de betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen die gesteld worden aan de personen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur van kredietinstellingen, risicobeheerprocessen, mechanismen voor interne controle, beloningsbeleid en beloningspraktijk en een doeltreffend intern beoordelingsproces van kapitaaltoereikendheid, inclusief interne-ratingmodellen; f) toetsingen verrichten en, zo nodig in coördinatie met de [Europese Bankautoriteit (EBA)], stresstests uitvoeren en eventueel publiceren, teneinde te bepalen of de door kredietinstellingen ingevoerde regelingen, strategieën, processen en mechanismen en het door deze instellingen aangehouden eigen vermogen een degelijk beheer en een solide dekking van hun risico’s waarborgen, en op basis van het verrichten van toetsingen aan kredietinstellingen specifieke additionele eigenvermogensvereisten, specifieke publicatievereisten, specifieke liquiditeitsvereisten en andere maatregelen opleggen waar die krachtens het toepasselijke Unierecht specifiek voor de bevoegde autoriteiten zijn bestemd; […] 3. Voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen past de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. Wanneer het toepasselijke Unierecht bestaat uit verordeningen die de lidstaten thans uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, past de ECB tevens de nationale wetgeving toe wanneer door hen van die keuzemogelijkheden gebruikgemaakt wordt. […]”
5 Artikel 9, leden 1 en 2, van die verordening bepaalt het volgende: „1. Met het exclusieve oogmerk om de haar bij artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, lid 2, opgedragen taken uit te voeren, wordt de ECB, in voorkomend geval, aangemerkt als de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit van de deelnemende lidstaten zoals vastgelegd in het toepasselijke Unierecht. Met datzelfde exclusieve oogmerk beschikt de ECB over alle in deze verordening bepaalde bevoegdheden en verplichtingen. Zij heeft ook alle bevoegdheden en verplichtingen die de bevoegde en de aangewezen autoriteiten krachtens het toepasselijke Unierecht hebben, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Met name heeft de ECB de bevoegdheden die zijn opgesomd in de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk. […] 2. De ECB oefent de in lid 1 van dit artikel vermelde bevoegdheden uit overeenkomstig de in artikel 4, lid 3, eerste alinea bedoelde handelingen. Bij de uitoefening van hun respectieve toezicht- en onderzoeksbevoegdheden werken de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten nauw samen.”
6 Artikel 16 van die verordening luidt als volgt: „1. Voor de uitvoering van haar in artikel 4, lid 1, bedoelde taken heeft de ECB, onverminderd andere aan haar verleende bevoegdheden, de in lid 2 van dit artikel vermelde bevoegdheden om van eender welke kredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding in deelnemende lidstaten te eisen dat zij in een vroeg stadium de nodige maatregelen neemt om zich voordoende problemen te verhelpen in een of meer van de volgende omstandigheden: a) de kredietinstelling voldoet niet aan de voorschriften van de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, vermelde handelingen; b) de ECB beschikt over aanwijzingen dat de kredietinstelling waarschijnlijk binnen de komende twaalf maanden niet zal voldoen aan de voorschriften van de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, vermelde handelingen; c) in het kader van een toetsend vermogenstoezicht overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt f), wordt vastgesteld dat de door de kredietinstelling ingevoerde regelingen, strategieën, procedures en mechanismen en het eigen vermogen en de liquiditeit die door die kredietinstelling worden aangehouden, geen degelijk beheer en geen solide dekking van haar risico’s waarborgen. 2. Voor de toepassing van artikel 9, lid 1, heeft de ECB met name de volgende bevoegdheden: a) zij kan de instellingen verplichten om bovenop de kapitaalvereisten als bedoeld de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, vermelde handelingen eigen vermogen aan te houden in verband met aspecten van risico’s en risico’s die niet onder de toepasselijke handelingen van [de Europese Unie] vallen; b) zij kan verlangen dat de regelingen, procedures, mechanismen en strategieën worden aangescherpt; c) zij kan de instellingen verplichten een plan te presenteren om opnieuw te voldoen aan de toezichtvereisten overeenkomstig de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, vermelde handelingen, met opgave van een uiterste termijn voor de uitvoering ervan; zij kan tevens verlangen dat het plan qua reikwijdte en uiterste termijn wordt bijgesteld; d) zij kan de instellingen verplichten in verband met de eigenvermogensvereisten een specifiek voorzieningenbeleid te voeren of activa op een specifieke wijze te behandelen; e) zij kan restricties of beperkingen opleggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, de transacties of het netwerk van instellingen of de afstoting verlangen van activiteiten die buitensporige risico’s voor de soliditeit van een instelling met zich brengen; f) zij kan verlangen dat het aan de werkzaamheden, producten en systemen van instellingen verbonden risico wordt beperkt; g) zij kan van de instellingen verlangen dat zij de variabele beloning tot een bepaald percentage van hun netto-inkomsten beperken indien deze beloning niet met de instandhouding van een solide kapitaalbasis te verenigen is; h) zij kan van de instellingen verlangen dat zij hun nettowinst gebruiken om het eigen vermogen te versterken; i) zij kan uitkeringen door de instelling aan aandeelhouders, leden of houders van aanvullend-tier 1-instrumenten beperken of verbieden mits het verbod geen wanbetaling van de instelling vormt; j) zij kan aanvullende rapportagevereisten opleggen of een frequentere rapportage verlangen, onder meer wat de rapportage over kapitaal en liquiditeitsposities betreft; k) zij kan specifieke liquiditeitsvereisten opleggen, waaronder beperkingen ten aanzien van looptijdverschillen tussen activa en passiva; l) zij kan aanvullende informatie verlangen; m) zij kan te allen tijde leden van het leidinggevend orgaan van kredietinstellingen ontslaan die niet aan de vereisten van de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, vermelde handelingen voldoen.”
3. Richtlijn 2013/36
7 Artikel 1 van richtlijn 2013/36 luidt als volgt: „Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot: a) toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (gezamenlijk ‚instellingen’ genoemd); b) toezichtbevoegdheden en -instrumenten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op instellingen door bevoegde autoriteiten; c) het prudentieel toezicht op instellingen door bevoegde autoriteiten op een wijze die strookt met de voorschriften die in [verordening nr. 575/2013] zijn vastgelegd; d) openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op de instellingen.”
8 Artikel 142 van deze richtlijn bepaalt het volgende: „1. Indien een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, stelt zij een kapitaalconserveringsplan op en dient zij dit uiterlijk vijf werkdagen nadat zij heeft geconstateerd dat zij niet aan dat vereiste voldoet, bij de bevoegde autoriteit in, tenzij de bevoegde autoriteit een langere termijn toestaat, welke termijn ten hoogste tien dagen mag bedragen. […] 3. De bevoegde autoriteit beoordeelt het kapitaalconserveringsplan en keurt het plan uitsluitend goed indien zij het aannemelijk acht dat de tenuitvoerlegging van het plan voor voldoende instandhouding of verhoging van het kapitaal zou zorgen opdat de instelling binnen een termijn die de bevoegde autoriteit passend oordeelt, aan haar gecombineerde buffervereisten kan voldoen. […]”
4. Richtlijn 2014/59
9 Artikel 2, lid 1, punt 21, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190) definieert een „bevoegde autoriteit” voor de toepassing van richtlijn 2014/59 als met name de ECB „wat betreft specifieke taken die haar bij verordening [nr. 1024/2013] zijn toegewezen”.
10 Artikel 27 („Vroegtijdige-interventiemaatregelen”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: Wanneer een [kredietinstelling of beleggingsonderneming] de voorschriften van verordening [nr. 575/2013], richtlijn [2013/36], titel II van richtlijn 2014/65/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (PB 2014, L 173, blz. 349)], of een van de voorschriften van de artikelen 3 tot en met 7, de artikelen 14 tot en met 17, en de artikelen 24, 25 en 26 van verordening (EU) nr. 600/2014 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2014, L 173, blz. 84)], overtreedt of wegens een snel verslechterende financiële toestand, waaronder begrepen een verslechterende liquiditeitssituatie, een toenemende mate van hefboomfinanciering, hoeveelheid slechte leningen of concentratie van risico’s, beoordeeld aan de hand van een reeks voorwaarden, waaronder eventueel het vereiste aan eigen vermogen van de instelling plus 1,5 procentpunten, waarschijnlijk in de nabije toekomst zal overtreden, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten […] ten minste de volgende maatregelen ter beschikking hebben: […]”
11 Artikel 28 („Afzetting van het hogere management en het leidinggevend orgaan”) van richtlijn 2014/59 luidt: „In geval van een significante verslechtering van de financiële positie van een instelling, bij ernstige overtredingen van wetten, reglementen of van de statuten van de instelling of ernstige administratieve onregelmatigheden, waarbij andere overeenkomstig artikel 27 genomen maatregelen niet volstaan om die verslechtering te keren, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de afzetting van het volledige hogere management of leidinggevende orgaan van de instelling, dan wel van individuele leden daarvan kunnen eisen. De aanstelling van het nieuwe hogere management of leidinggevende orgaan geschiedt in overeenstemming met het nationale recht en het Unierecht en is onderworpen aan de goedkeuring of instemming van de bevoegde autoriteit.”
12 Artikel 29 („Tijdelijk bewindvoerder”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: „Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de in artikel 28 bedoelde vervanging van het hogere management of het leidinggevend orgaan niet volstaat om de situatie te verhelpen, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten een of meer tijdelijke bewindvoerders van de instelling kunnen aanstellen. De bevoegde autoriteiten kunnen een tijdelijke bewindvoerder aanstellen die, naargelang van de omstandigheden, het bestuur van de instelling tijdelijk vervangt, dan wel tijdelijk met het bestuur van de instelling samenwerkt; de bevoegde autoriteit deelt bij de aanstelling van de bestuurder mee welke optie zij verkiest. Indien de bevoegde autoriteit de tijdelijk bewindvoerder aanstelt om met het bestuur van de instelling samen te werken, deelt zij bij de aanstelling mee welke rol, taken en bevoegdheden aan de tijdelijk bewindvoerder worden toegekend, en aan welke regels aangaande het raadplegen van de tijdelijk bewindvoerder of het verkrijgen van diens goedkeuring het bestuur van de instelling zich dient te houden alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen. De bevoegde autoriteit moet de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar maken, tenzij de tijdelijk bewindvoerder geen bevoegdheid heeft om de instelling te vertegenwoordigen. De lidstaten waarborgen voorts dat de tijdelijk bewindvoerder de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis heeft om zijn functies uit te oefenen en geen conflicterende belangen heeft.”
5. Richtlijn 2017/1132
13 Artikel 72, leden 1 en 4, van richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB 2017, L 169, blz. 46) bepaalt: „1. Bij elke verhoging van het geplaatste kapitaal tegen inbreng in geld, worden de aandelen eerst aangeboden aan de aandeelhouders naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen. […] 4. Het voorkeurrecht kan niet bij de statuten of de oprichtingsakte worden beperkt of opgeheven. Dat kan wel geschieden bij besluit van de algemene vergadering. […] […]”
B. Italiaans recht
14 Artikel 53, lid 1, onder d bis), van decreto legislativo n. 385 – Testo unico delle leggi in materia bancaria e creditizia (wetsbesluit nr. 385 – gecoördineerde tekst van de wetten op het bank- en kredietwezen) van 1 september 1993 (GURI nr. 230 van 30 september 1993 en gewoon supplement nr. 92; hierna: „gecoördineerde banktekst”) belast de Banca d’Italia (Italiaanse centrale bank), de toezichthoudende autoriteit in die lidstaat in de zin van de Unieregeling, met de taak om informatie over kredietinstellingen te publiceren, met name informatie over de kapitaaltoereikendheid, de risicobeperking, de deelnemingen die kunnen worden gehouden, het bestuur en de administratieve of boekhoudkundige organisatie.
15 Artikel 53 bis, lid 1, onder d), van de gecoördineerde banktekst bepaalt dat de toezichthoudende autoriteit, indien de situatie dit vereist, specifieke maatregelen kan nemen ten aanzien van een of meerdere banken of het bankwezen als geheel. Die maatregelen kunnen erin bestaan dat: – de activiteiten of de territoriale structuur van de bank worden ingeperkt; – aan de bank een verbod wordt opgelegd om bepaalde transacties te verrichten, waaronder vennootschapsrechtelijke transacties, om winsten of andere kapitaalbestanddelen uit te keren, alsmede, in verband met financiële instrumenten die voor toezichtsdoeleinden kunnen worden opgenomen in het kapitaal, om interesten uit te keren; – grenzen worden gesteld aan het totaalbedrag van het variabele deel van de beloningen binnen de bank, wanneer dat nodig is voor het behoud van een gezonde kapitaalbasis, alsmede, voor banken die uitzonderlijke overheidssteun ontvangen, grenzen worden gesteld aan de totale beloning van de leden van de raad van bestuur van de bank.
16 Artikel 56 van die tekst bepaalt: „1. De Banca d’Italia ziet erop toe dat wijzigingen in de statuten van banken niet in strijd zijn met een gezonde en prudente bedrijfsvoering. 2. De procedure voor inschrijving in het handelsregister kan pas worden ingeleid nadat de in lid 1 bedoelde controle is verricht.”
17 Artikel 67, lid 1, onder e), van die tekst bepaalt dat de toezichthoudende autoriteit – ter uitvoering van het toezicht op geconsolideerde basis – de moedermaatschappij door middel van algemene maatregelen informatie verstrekt over de bankgroep als geheel of over de onderdelen daarvan, met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid, de risicobeperking in de verschillende samenstellingen van die groep, de deelnemingen, het bedrijfsbestuur, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, alsmede de interne controles en de belonings- en stimuleringssystemen.
18 Overeenkomstig artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst kan de Banca d’Italia de in dat artikel vermelde vroegtijdige-interventiemaatregelen vaststellen wanneer zij, na een snelle verslechtering van de situatie van de betrokken bank of van haar groep, met name een schending van verordening nr. 575/2013 en titel II van richtlijn 2014/65 vaststelt of verwacht.
19 Volgens artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70 van die tekst kan de toezichthouder een instelling onder tijdelijk bewind stellen in geval van ernstige schendingen van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of ernstige onregelmatigheden in het beheer van de kredietinstelling, wanneer de verslechtering van de situatie van de bank of bankgroep bijzonder significant is, wanneer ernstige verliezen van activa voorzienbaar zijn of wanneer om tijdelijke bewindvoering is verzocht bij gemotiveerd verzoek van de bestuursorganen of de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van de kredietinstelling.
20 Artikel 69 noviesdecies van de gecoördineerde banktekst bepaalt dat de toezichthouder een kredietinstelling of de moedermaatschappij van een bankgroep kan verzoeken om, wanneer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van die tekst, het vastgestelde saneringsplan – zelfs maar gedeeltelijk – uit te voeren, een plan op te stellen om met alle of sommige schuldeisers te onderhandelen over een herstructurering van de schuld of, in voorkomend geval, hun rechtsvorm te wijzigen.
21 Uit artikel 71, lid 6, van de gecoördineerde banktekst volgt dat tijdelijk bewindvoerders over bepaalde kwaliteiten moeten beschikken om hun taken te kunnen uitoefenen. Zo moeten zij onder meer vrij zijn van belangenconflicten.
22 Overeenkomstig artikel 72, lid 5, van die tekst moet de bevoegdheid voor het instellen van vennootschappelijke aansprakelijkheidsvorderingen tegen leden van ontbonden bestuurlijke en toezichthoudende organen, gedurende het tijdelijk bewind worden uitgeoefend door de tijdelijk bewindvoerders.
II. Voorgeschiedenis van het geding
23 De voorgeschiedenis van het geding, die in de punten 2 tot en met 25 van het bestreden arrest is uiteengezet, kan ten behoeve van de onderhavige zaak als volgt worden samengevat.
24 Banca Carige was een in Italië gevestigde beursgenoteerde kredietinstelling die sinds 2014 onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB stond krachtens verordening nr. 1024/2013. Rekwiranten waren aandeelhouders van Banca Carige en Malacalza was van 31 maart 2016 tot en met 3 augustus 2018 ook lid en vicevoorzitter van haar raad van bestuur.
25 Op 23 april 2015 heeft een buitengewone vergadering van aandeelhouders van Banca Carige een kapitaalverhoging van 850 miljoen EUR goedgekeurd om het kapitaaltekort te verhelpen dat de ECB in 2014 bij een alomvattende beoordeling had vastgesteld.
26 Bij besluit ECB/SSM/2016-F1T87K3OQ2OV1UORLH26/26 van 9 december 2016 heeft de ECB een vroegtijdige-interventiemaatregel ten aanzien van Banca Carige vastgesteld (hierna: „vroegtijdige-interventiemaatregel”). Daarin werd de bank verzocht om vóór 28 februari 2017 een strategisch plan en een operationeel plan te presenteren voor de vermindering van het aantal niet-renderende leningen, met een duidelijke vermelding van de te nemen maatregelen en van het tijdschema voor het bereiken van die doelstelling.
27 In september 2017 heeft de raad van bestuur van Banca Carige, in reactie op de in de vroegtijdige-interventiemaatregel geformuleerde doelstellingen, zijn goedkeuring gehecht aan een herkapitalisatieplan dat onder meer een kapitaalverhoging van 560 miljoen EUR omvatte, die voor het einde van 2017 moest worden uitgevoerd. Na de goedkeuring van het prospectus door de Commissione nazionale per le società e la borsa (nationale vennootschaps- en beursautoriteit, Italië) werd de kapitaalverhoging op 21 december 2017 uitgevoerd, voor een bedrag van 544 miljoen EUR.
28 Op 28 december 2017 heeft de ECB Banca Carige in kennis gesteld van haar besluit tot vaststelling van de prudentiële vereisten voor Banca Carige voor 2018. Vervolgens heeft Banca Carige tevergeefs getracht haar eigen vermogen te verhogen teneinde aan de toepasselijke vereisten te voldoen.
29 Deze mislukte pogingen verergerden de spanningen binnen de raad van bestuur van Banca Carige over de wijze waarop de niet-naleving van de eigenvermogensvereisten moest worden verholpen en het in september 2017 goedgekeurde herkapitalisatieplan moest worden uitgevoerd. Deze meningsverschillen hebben geleid tot diverse ontslagnemingen, waaronder die van Malacalza, waardoor een nieuwe raad van bestuur moest worden benoemd. Derhalve hebben de aandeelhouders van Banca Carige op de buitengewone algemene vergadering van 20 september 2018 nieuwe bestuurders benoemd, waarbij Pietro Modiano werd benoemd tot voorzitter van de raad van bestuur en Fabio Innocenzi werd benoemd tot directeur.
30 Gelet op de mislukte pogingen van Banca Carige om haar kapitaalinstrumenten op de markt te plaatsen, heeft de ECB bij besluit ECB-SSM-2018-ITCAR-6 van 14 september 2018 (hierna: „eigenvermogensbesluit”) geweigerd om het door Banca Carige ingediende kapitaalconserveringsplan goed te keuren en haar verzocht om uiterlijk 30 november 2018 een strategie voor te leggen en door de raad van bestuur te laten goedkeuren waarmee de vereisten op uiterlijk 31 december 2018 opnieuw zouden worden nageleefd en die naleving duurzaam zou worden gewaarborgd.
31 Om aan dit verzoek te voldoen heeft de raad van bestuur van Banca Carige op 12 november 2018 een kapitaalconserveringsplan vastgesteld dat uit twee stappen bestond, namelijk eerst een uitgifte van achtergestelde obligaties van categorie 2 en vervolgens een aan goedkeuring van de aandeelhouders onderhevige kapitaalverhoging.
32 De eerste stap vond plaats met een inschrijving op obligaties ten belope van 318,2 miljoen EUR door het Fondo interbancario di tutela dei depositi (interbancair depositobeschermingsfonds, Italië; hierna: „FITD”) via zijn fonds voor vrijwillige interventie en van 1,8 miljoen EUR door Banco di Desio e della Brianza, een in Italië gevestigde bank.
33 In het kader van de tweede stap is op 22 december 2018 een buitengewone algemene vergadering van de aandeelhouders van Banca Carige bijeengeroepen om een kapitaalverhoging middels omwisseling van achtergestelde obligaties tegen nieuw uitgegeven aandelen goed te keuren, teneinde het tier 1-kapitaal te versterken. Dit laatste voorstel werd echter niet aangenomen omdat aandeelhouders die 70 % van het kapitaal bezaten zich daar tijdens die vergadering tegen hadden verzet. Alvorens zich over dit voorstel uit te spreken, wensten deze aandeelhouders namelijk dat hun zowel het ondernemingsplan als de balans betreffende de door Banca Carige in 2018 uitgeoefende activiteiten werd meegedeeld.
34 Vervolgens heeft Banca Carige op 23 december 2018 bij perscommuniqué meegedeeld dat de vicevoorzitter en een ander lid van de raad met onmiddellijke ingang ontslag hadden genomen. Op 2 januari 2019 heeft zij in een tweede perscommuniqué aangegeven dat vijf andere leden van de raad van bestuur met ingang van die datum ontslag zouden nemen, waaronder voorzitter Modiano en directeur Innocenzi. Deze ontslagen hebben geleid tot het wegvallen van de raad van bestuur op grond van de statuten van Banca Carige en het Italiaanse recht. Overeenkomstig deze statuten behielden de vier overgebleven leden van de raad van bestuur hun functie om het dagelijks bestuur te verzekeren.
35 Op 1 januari 2019 heeft de ECB besloten om Banca Carige onder tijdelijk bewind te stellen (hierna: „besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind”) op grond van de bepalingen van de gecoördineerde banktekst. Dit besluit heeft geleid tot, ten eerste, de ontbinding van de raad van bestuur van Banca Carige en de vervanging van de voormalige leden van die raad door drie tijdelijke bewindvoerders, waaronder met name Modiano en Innocenzi, ten tweede, de ontbinding van het comité van toezicht van Banca Carige en de vervanging van de voormalige leden van dat comité door drie andere personen en, ten derde, de toewijzing aan de nieuwe organen van een opdracht om de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat Banca Carige opnieuw duurzaam aan de vermogensvereisten voldoet.
36 Op 2 januari 2019 is de vaststelling van het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind bij perscommuniqué bekendgemaakt en heeft de nationale vennootschaps- en beursautoriteit de verhandeling van door Banca Carige uitgegeven of gewaarborgde effecten opgeschort gedurende de periode van toepassing van dat besluit dan wel totdat, met name als gevolg van nieuwe initiatieven van de bevoegde prudentiële toezichthoudende autoriteiten, opnieuw een volledig informatiekader over die effecten was hersteld.
37 Na een herbeoordeling van de omstandigheden op basis waarvan het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind was genomen, is deze maatregel van tijdelijk bewind driemaal verlengd, op 29 maart, 30 september en 20 december 2019, om de situatie van Banca Carige te stabiliseren en de versterking van het eigen vermogen te kunnen afronden.
38 Op 9 augustus 2019 hebben Banca Carige, Cassa Centrale Banca – Credito Cooperativo Italiano SpA, een moedermaatschappij van een groep van Italiaanse kredietinstellingen, het FITD en het fonds voor vrijwillige interventie van het FITD een kaderovereenkomst ondertekend waarin een bedrijfsplan werd omschreven dat met name voorzag in een verhoging van het kapitaal van Banca Carige met 700 miljoen EUR en de uitgifte van nieuwe achtergestelde obligaties van categorie 2. De ECB heeft bij brief van 18 september 2019 op basis van artikel 56 van de gecoördineerde banktekst vastgesteld dat de beoogde kapitaalverhoging niet in strijd was met een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de bank.
39 Op 20 september 2019 heeft een buitengewone vergadering van aandeelhouders van Banca Carige deze kapitaalverhoging goedgekeurd. Malacalza Investimenti heeft deze vergadering niet bijgewoond.
40 Op 31 januari 2020, nadat die kapitaalverhoging had plaatsgevonden, is tijdens de gewone vergadering van aandeelhouders van Banca Carige een nieuwe raad van bestuur en een nieuwe raad van commissarissen verkozen en de tijdelijke bewindvoerders en het comité van toezicht hebben op diezelfde datum het bestuur van Banca Carige overgedragen aan de nieuw verkozen organen.
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
41 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 maart 2021, hebben rekwiranten beroep ingesteld strekkende tot veroordeling van de ECB tot betaling van 870525670 EUR aan Malacalza Investimenti en 9544022 EUR aan Malacalza, of een ander passend geacht hoger of lager bedrag, te bepalen naar billijkheid, als vergoeding voor de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatige gedrag van de ECB bij de uitoefening van haar taak als prudentieel toezichthouder van Banca Carige tussen 2014 en 2019. Tevens verzoeken zij, „voor zover nodig”, te verklaren dat de maatregelen waarvan de onrechtmatigheid wordt aangevoerd, ongeldig zijn.
42 Bij besluit van 21 juli 2021 is de Europese Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de ECB.
43 In punt 28 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat rekwiranten zich beriepen op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB wegens acht vermeende onrechtmatigheden: – ten eerste, een voldoende gekwalificeerde schending door de ECB van de Italiaanse wetgeving omdat zij niet heeft opgetreden om vermeende misleidende verklaringen van de bewindvoerders van Banca Carige over de soliditeit ervan te corrigeren; – ten tweede, een voldoende gekwalificeerde schending door de ECB van de Unieregelgeving in verband met haar betrekkingen met de raad van bestuur van Banca Carige; – ten derde, een voldoende gekwalificeerde schending door de ECB van de Italiaanse wetgeving met betrekking tot de goedkeuring op 18 september 2019 van een kapitaalverhoging die in strijd is met het recht van voorkeur zoals opgenomen in de statuten van Banca Carige; – ten vierde, een voldoende gekwalificeerde schending door de ECB van de Italiaanse wetgeving in verband met de benoeming van tijdelijke bewindvoerders met een vermeend belangenconflict; – ten vijfde, een voldoende gekwalificeerde schending door de ECB van verschillende regels en beginselen bij de vaststelling van de vroegtijdige-interventiemaatregel; – ten zesde, een voldoende gekwalificeerde schending door de ECB, in het eigenvermogensbesluit, van het evenredigheidsbeginsel, omdat Banca Carige daarin een te korte termijn was opgelegd om te kunnen voldoen aan de haar opgelegde eigenvermogensvereisten; – ten zevende, een voldoende gekwalificeerde schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen door de ECB als gevolg van aan de aandeelhouders gedane toezeggingen over de situatie van Banca Carige, en – ten achtste, een voldoende gekwalificeerde schending door de ECB van het recht op eigendom van de aandeelhouders wegens de aanzienlijke waardevermindering van hun deelnemingen in Banca Carige.
44 Nadat het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest heeft gewezen op de rechtspraak volgens welke voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie jegens particulieren moet zijn voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden, namelijk de onrechtmatigheid van de aan de instelling of haar medewerkers toerekenbare gedraging, het bestaan van schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de aangevoerde gedraging en de gestelde schade, heeft het in punt 35 van dat arrest opgemerkt dat het opportuun was om te onderzoeken of aan de eerste van deze voorwaarden was voldaan. In dit verband heeft het Gerecht opgemerkt dat dit volgens de rechtspraak het geval is wanneer de bestreden gedraging verband houdt met een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren en de aan de instelling verweten schending voldoende gekwalificeerd is.
45 Met betrekking tot de aard van de regels die kunnen leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, heeft het Gerecht er in de punten 36 en 37 van het bestreden arrest op gewezen dat – volgens zijn rechtspraak – een rechtsregel ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren wanneer deze regel hun een voordeel verschaft dat als verworven recht kan worden aangemerkt, hun belangen beoogt te beschermen of hun rechten toekent waarvan de inhoud voldoende kan worden vastgesteld, en dat de Unie slechts aansprakelijk kan worden gesteld indien de door de ingeroepen regel geboden bescherming daadwerkelijk geldt voor de particulier die er zich op beroept. Het voegde daaraan toe dat een regel niet in aanmerking kan worden genomen indien hij de particulier die zich erop beroept geen enkel recht verleent, zelfs als hij andere personen wel een recht verleent.
46 Wat de aard van de schending betreft die is vereist om de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie te doen ontstaan, heeft het Gerecht in de punten 38 tot en met 45 van het bestreden arrest de relevante rechtspraak onderzocht en in punt 46 van dat arrest geoordeeld dat daaruit volgde dat rekwiranten, om de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB aan te tonen, rechtens genoegzaam moesten bewijzen dat de Unie kennelijk en ernstig inbreuk heeft gemaakt op een regel van Unierecht waarbij rechten worden toegekend aan particulieren en daarbij haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden. Het Gerecht heeft daar in punt 47 van dat arrest aan toegevoegd dat, om te bepalen of er sprake is van een dergelijke inbreuk, de Unierechter in het licht van het door rekwiranten aangevoerde bewijs rekening moet houden met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de ECB bij de uitoefening van haar prudentiële toezichtstaken beschikt.
47 Het Gerecht heeft achtereenvolgens de acht door rekwiranten aangevoerde onrechtmatigheden onderzocht, waarnaar in punt 43 van het onderhavige arrest wordt verwezen.
48 Wat de eerste onrechtmatigheid betreft, heeft het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest opgemerkt dat de ECB volgens rekwiranten op voldoende gekwalificeerde wijze artikel 53, lid 1, onder d bis), artikel 53 bis, lid 1, onder d), en artikel 67, lid 1, onder e), van de gecoördineerde banktekst had geschonden door de gesteld misleidende verklaringen van de bewindvoerders van Banca Carige over de soliditeit ervan niet te corrigeren.
49 In dit verband heeft het Gerecht in punt 68 van het bestreden arrest opgemerkt dat de ECB bij artikel 53, lid 1, onder d bis) en artikel 67, lid 1, onder e), van die tekst een algemene verplichting wordt opgelegd om bepaalde categorieën informatie te publiceren met het oog op een doelstelling van algemeen belang, namelijk het verzekeren van de goede werking en stabiliteit van de markten, en dat daarbij geen verplichting wordt opgelegd om op specifieke wijze te reageren wanneer marktdeelnemers verklaringen over de soliditeit van bepaalde instellingen doen die door anderen als misleidend worden beschouwd. Het Gerecht heeft bijgevolg geoordeeld dat uit deze bepalingen niet kan worden afgeleid dat investeerders een recht hebben op interventie van de ECB, in elke lidstaat, iedere keer dat er over onder haar toezicht staande instellingen verklaringen worden gedaan die investeerders geheel of gedeeltelijk ongegrond zouden kunnen achten. Uit de punten 69 en 70 van dat arrest blijkt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat de bewindvoerders van Banca Carige dergelijke verklaringen hadden gedaan, niet tot een andere conclusie kon leiden.
50 Wat artikel 53 bis, lid 1, onder d), van de gecoördineerde banktekst betreft, heeft het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest geoordeeld dat uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat deze irrelevant is om te bepalen of aan de ECB een verplichting is opgelegd om verklaringen over de financiële stabiliteit van een bank die aan bepaalde actoren worden toegeschreven en door anderen onjuist worden geacht, recht te zetten. Het Gerecht heeft dan ook in punt 75 van dat arrest geoordeeld dat het betoog van rekwiranten betreffende de eerste aan de ECB verweten onrechtmatigheid moest worden afgewezen.
51 Wat de tweede aan de ECB verweten onrechtmatigheid betreft, heeft het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest opgemerkt dat de ECB volgens rekwiranten de artikelen 4 en 16 van verordening nr. 1024/2013 had geschonden: – door met Modiano en Innocenzi overeen te komen dat zij op 2 januari 2019 ontslag zouden nemen, waardoor de raad van bestuur van Banca Carige kwam te vervallen en dus de weg werd vrijgemaakt voor de plaatsing van deze instelling onder tijdelijk bewind; – door de bevoegdheden van de raad van bestuur van Banca Carige te willen beperken tot de ratificatie van de besluiten van de directeur tijdens de vergadering van 16 februari 2018 en tijdens opeenvolgende uitwisselingen tussen Malacalza, Nouy (de voorzitter van de raad van toezicht van de ECB) en Quintana (een lid van het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht van de ECB), en – door de omvang van de kapitaalproblemen van Banca Carige maandenlang verborgen te houden voor de raad van bestuur, door deze pas op 21 juni 2018 in kennis te stellen van de inhoud van een brief die de ECB al op 4 juni 2018 aan de directeur had gestuurd.
52 Na in de punten 79 tot en met 84 van het bestreden arrest de artikelen 4 en 16 van verordening nr. 1024/2013 te hebben geanalyseerd, heeft het Gerecht in de punten 85 en 86 van dat arrest geoordeeld dat deze bepalingen niet beogen rechten toe te kennen aan particulieren en dus niet als grondslag kunnen dienen voor de vaststelling dat een aan de ECB verweten gedraging in het kader van haar prudentieel toezicht op Banca Carige onrechtmatig is in die zin dat de Unie aansprakelijk kan worden gesteld voor deze gedraging, en dat bijgevolg het betoog van rekwiranten betreffende de tweede onrechtmatigheid moest worden afgewezen.
53 Wat de derde onrechtmatigheid betreft, heeft het Gerecht in punt 87 van het bestreden arrest opgemerkt dat rekwiranten de ECB verweten dat zij op voldoende gekwalificeerde wijze artikel 56 van de gecoördineerde banktekst heeft geschonden door op 18 september 2019 een kapitaalverhoging goed te keuren die in strijd is met het recht van voorkeur dat in de statuten van Banca Carige is toegekend aan de aandeelhouders.
54 In dit verband blijkt uit de punten 92 en 93 van het bestreden arrest dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het overeenkomstig artikel 56 van de gecoördineerde banktekst te verrichten onderzoek niet ziet op de verenigbaarheid van de voorgenomen statutaire wijziging met het recht van voorkeur van aandeelhouders, maar op de verenigbaarheid van die wijziging met het vereiste van een gezonde en prudente bedrijfsvoering, zodat het doel dat in aanmerking moet worden genomen bij die beoordeling de stabiliteit van de betreffende kredietinstelling en – meer in het algemeen – het financiële stelsel als geheel is. Het Gerecht heeft daaruit in punt 94 van dat arrest afgeleid dat artikel 56 van de gecoördineerde banktekst op zich geen rechten toekent aan particulieren, zodat het betoog van rekwiranten betreffende de derde aan de ECB verweten onrechtmatigheid moest worden afgewezen.
55 Wat de vierde aan de ECB verweten onrechtmatigheid betreft, heeft het Gerecht er in punt 95 van het bestreden arrest op gewezen dat rekwiranten hebben betoogd dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze artikel 71, lid 6, van de gecoördineerde banktekst heeft geschonden door de voormalige voorzitter van de raad van bestuur, Modiano, en de voormalige directeur van Banca Carige, Innocenzi, als tijdelijke bewindvoerders aan te stellen, aangezien het voor beide personen delicaat zou zijn geweest om vennootschappelijke aansprakelijkheidsvorderingen in te stellen tegen de bestuurlijke en toezichthoudende organen van Banca Carige (of sommige van hun leden). Deze twee personen zijn dus door hun aanstelling als tijdelijke bewindvoerders gevrijwaard van enige aansprakelijkheidsvordering die tegen hen zou kunnen worden ingesteld wegens besluiten die zij hebben genomen in de uitoefening van hun vroegere functie.
56 In dit verband heeft het Gerecht in punt 104 van het bestreden arrest geoordeeld dat artikel 71, lid 6, van de gecoördineerde banktekst ertoe strekte rechten aan particulieren toe te kennen.
57 Het Gerecht heeft evenwel in de punten 108 en 109 van het bestreden arrest vastgesteld dat het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind niet was gebaseerd op „ernstige onregelmatigheden” begaan door de voormalige bestuursorganen van Banca Carige, maar op de „aanzienlijke verslechtering van de situatie van de bank” in de zin van de artikelen 69 octiesdecies en 70 van de gecoördineerde banktekst, die het gevolg was van de financiële moeilijkheden die dateerden van vóór hun benoeming. In dit verband heeft het Gerecht in de punten 112 tot en met 116 van dat arrest geoordeeld dat de ECB haar beoordelingsbevoegdheid op redelijke wijze had uitgeoefend door Modiano en Innocenzi te benoemen tot tijdelijke bewindvoerders, welke individuen voldoende bekend waren met de gang van zaken bij Banca Carige om snel te kunnen reageren op de crisissituatie waarin de bank zich bevond, temeer daar de aandeelhoudersvergadering en de aandeelhouders die individueel of gezamenlijk een vijfde van het maatschappelijk kapitaal of een ander in de statuten van de bank vastgesteld bedrag bezaten, vanaf de hervatting van het gewone bestuur van Banca Carige de mogelijkheid hadden om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen Modiano en Innocenzi, binnen een termijn van vijf jaar vanaf de datum waarop zij hun functie als lid van de raad van bestuur hadden neergelegd. Het Gerecht is in punt 117 van het bestreden arrest dan ook tot de slotsom gekomen dat het betoog betreffende de vierde aan de ECB verweten onrechtmatigheid moest worden afgewezen, aangezien geen voldoende gekwalificeerde schending is vastgesteld.
58 Wat de vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid betreft, heeft het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest vastgesteld dat rekwiranten in dit verband zes grieven aanvoerden. Uit punt 119 van dat arrest blijkt dat rekwiranten met hun eerste grief betogen dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst heeft geschonden door de vroegtijdige‑interventiemaatregel vast te stellen hoewel enkel sprake was van een risico op schending van het toepasselijke regelgevingskader, terwijl volgens rekwiranten op grond van deze bepaling bewijs moest worden geleverd van een voorzienbare schending. Het Gerecht heeft deze eerste grief in punt 129 van dat arrest afgewezen op grond dat artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst een doelstelling van algemeen belang nastreefde en er niet toe strekte aan particulieren rechten toe te kennen, en dat de ECB in casu met de vaststelling van die maatregel beoogde om deze doelstelling te verwezenlijken.
59 Uit punt 130 van het bestreden arrest blijkt dat rekwiranten met de tweede grief hebben betoogd dat de ECB artikel 69 noviesdecies van de gecoördineerde banktekst op voldoende gekwalificeerde wijze had geschonden door Banca Carige in de vroegtijdige-interventiemaatregel de verplichting op te leggen om gesteld niet-renderende leningen tegen ongunstige voorwaarden te verkopen. Volgens rekwiranten kon echter op basis van deze bepaling geen dergelijke verplichting worden opgelegd.
60 Dienaangaande volgt uit de punten 134 en 138 van het bestreden arrest dat het Gerecht van oordeel was dat artikel 69 noviesdecies van de gecoördineerde banktekst de toezichthoudende autoriteit enkel de bevoegdheid verleende om kredietinstellingen te verzoeken een plan voor het onderhandelen van een schuldherstructurering op te stellen of ten uitvoer te leggen en op zich geen rechten toekende aan particulieren, maar een doelstelling van algemeen belang nastreefde en dat de ECB deze bevoegdheid had uitgeoefend door middel van de vroegtijdige-interventiemaatregel om deze doelstelling verwezenlijken. Nadat het Gerecht in punt 135 van dat arrest de wezenlijke inhoud van die maatregel heeft samengevat, heeft het in punt 136 van dat arrest vastgesteld dat – anders dan rekwiranten stellen – in de vroegtijdige‑interventiemaatregel niet was vereist dat Banca Carige niet‑renderende leningen zou verkopen, laat staan dat zij dit zou doen tegen gedurende een bepaalde periode vastgelegde prijzen. Het Gerecht heeft daar in punt 137 van dat arrest aan toegevoegd dat artikel 69 noviesdecies van de gecoördineerde banktekst zich er niet tegen verzette dat in de vroegtijdige-interventiemaatregel minimumdoelstellingen en termijnen zouden worden vastgesteld voor de vermindering van niet-renderende leningen. Derhalve heeft het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest geoordeeld dat de tweede grief moest worden afgewezen.
61 Uit de punten 140 en 141 van het bestreden arrest blijkt dat de derde grief in essentie was ontleend aan een gekwalificeerde schending van artikel 16, lid 1, onder b), van verordening nr. 1024/2013 bij de vaststelling van de vroegtijdige-interventiemaatregel. Het Gerecht heeft er in de punten 142 en 143 van dat arrest op gewezen dat deze bepaling de ECB bevoegdheden op het gebied van prudentieel toezicht verleende met het oog op een doelstelling van algemeen belang, zonder rechten toe te kennen aan particulieren, en dat de derde grief dus moest worden afgewezen.
62 In punt 144 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat rekwiranten met hun vierde grief hebben betoogd dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze het beginsel van gelijke behandeling had geschonden door aan Banca Carige in het kader van de vroegtijdige-interventiemaatregel strengere maatregelen op te leggen dan aan andere kredietinstellingen die zich in een vergelijkbare situatie bevonden. In dit verband heeft het Gerecht er in punt 146 van dat arrest op gewezen dat dit beginsel rechten kan verlenen aan particulieren. Uit punt 151 van dat arrest volgt echter dat het Gerecht van oordeel was dat rekwiranten, om te bewijzen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van dat beginsel, moesten aantonen dat andere Italiaanse kredietinstellingen die zich in een vergelijkbare situatie als Banca Carige bevonden, anders waren behandeld. Het Gerecht heeft in punt 152 van dat arrest vastgesteld dat rekwiranten weliswaar een rapport hadden overgelegd waarin de hoeveelheid niet-renderende leningen van Banca Carige wordt vergeleken met die van andere Italiaanse kredietinstellingen, maar dat zij deze specifieke situatie niet in verband hadden gebracht met de besluiten van de ECB om aan te tonen dat er sprake is van een daadwerkelijk verschil in behandeling tussen Banca Carige en andere Italiaanse kredietinstellingen. Bijgevolg heeft het Gerecht de vierde grief eveneens afgewezen.
63 Met betrekking tot de vijfde grief heeft het Gerecht in punt 154 van het bestreden arrest opgemerkt dat rekwiranten hebben betoogd dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze het evenredigheidsbeginsel had geschonden door Banca Carige een verplichting op te leggen die leidde tot een onmiddellijke vermindering van de waarde van de door haar verstrekte leningen, waardoor zij aanzienlijke verliezen heeft geleden, terwijl er minder drastische maatregelen mogelijk waren.
64 In dit verband heeft het Gerecht in punt 155 van het bestreden arrest herhaald dat het evenredigheidsbeginsel rechten kan verlenen aan particulieren. Op basis van de in de punten 160 tot en met 164 van dat arrest verrichte analyse van de redenen die de vaststelling van de vroegtijdige-interventiemaatregel hadden gerechtvaardigd, heeft het Gerecht in de punten 165 tot en met 167 van dat arrest evenwel geoordeeld dat de ECB – gelet op het risico waarmee Banca Carige te maken had – kon verklaren dat het passend en noodzakelijk was om de vroegtijdige-interventiemaatregel vast te stellen, zonder dat er alternatieve oplossingen bestonden om de moeilijkheden van de bank op bevredigende wijze te verhelpen, en dat rekwiranten geen bewijs hadden aangevoerd waaruit bleek dat de ECB met de vaststelling van die maatregel het evenredigheidsbeginsel ernstig en kennelijk had geschonden. Derhalve heeft het Gerecht de vijfde grief alsook het betoog betreffende de vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid in zijn geheel afgewezen.
65 Voorts heeft het Gerecht in de punten 168 tot en met 174 van het bestreden arrest de zesde grief, die rekwiranten hadden aangevoerd in het kader van de vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid, onderzocht en afgewezen. Met deze grief verzochten rekwiranten om de vroegtijdige‑interventiemaatregel op basis van artikel 277 VWEU incidenteel niet‑toepasselijk te doen verklaren wegens de gestelde onwettigheid ervan. Het Gerecht heeft deze exceptie van onwettigheid afgewezen, op grond dat een dergelijke exceptie op straffe van niet-ontvankelijkheid alleen van toepassing was op handelingen van algemene strekking en dat de vroegtijdige-interventiemaatregel geen handeling van die strekking vormde.
66 Uit punt 175 van het bestreden arrest komt naar voren dat rekwiranten de ECB in het kader van de zesde onrechtmatigheid verweten dat zij Banca Carige in het eigenvermogensbesluit een te korte termijn had opgelegd om te kunnen voldoen aan de bij dat besluit gestelde vereisten. Meer in het bijzonder was het volgens rekwiranten niet redelijk om van Banca Carige te verlangen dat zij uiterlijk op 31 december 2018, slechts 19 dagen na de datum die de ECB had vastgesteld voor de indiening en goedkeuring van een kapitaalconserveringsplan door de raad van bestuur van Banca Carige, aan deze vereisten zou voldoen.
67 Het Gerecht heeft in de punten 181 tot en met 183 van het bestreden arrest de motivering van het eigenvermogensbesluit onderzocht en is in de punten 184 tot en met 186 van dat arrest om te beginnen tot de slotsom gekomen dat de ECB, gelet op het reële risico dat Banca Carige er niet in zou slagen om haar eigen vermogen in de nabije toekomst te herstellen, had kunnen oordelen dat het passend en noodzakelijk was om van haar te vereisen dat zij uiterlijk op 30 november 2018 een nieuw plan zou indienen en door haar raad van bestuur zou laten goedkeuren teneinde uiterlijk op 31 december 2018 opnieuw te voldoen aan de vermogensvereisten en de naleving daarvan duurzaam te waarborgen. Voorts hadden rekwiranten volgens het Gerecht geen bewijs aangevoerd waaruit bleek dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze het evenredigheidsbeginsel had geschonden door het eigenvermogensbesluit vast te stellen. Bijgevolg heeft het Gerecht het betoog van rekwiranten betreffende de zesde onrechtmatigheid afgewezen.
68 In punt 187 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat rekwiranten in het kader van de zevende aan de ECB verweten onrechtmatigheid drie grieven aanvoerden die betrekking hadden op de stelling dat het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen door de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze was geschonden.
69 Vooraf heeft het Gerecht in de punten 189 tot en met 191 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen volgens de rechtspraak een algemeen beginsel van het Unierecht is dat ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren. De mogelijkheid om een beroep te doen op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen is volgens de rechtspraak onderworpen aan drie cumulatieve voorwaarden: de betrokkene moet van de instanties van de Unie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen hebben gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn; deze toezeggingen moeten gegronde verwachtingen kunnen wekken bij degene tot wie zij gericht zijn; en zij moeten overeenstemmen met de toepasselijke voorschriften. De rechtspraak verduidelijkt tevens dat iedere marktdeelnemer bij wie een autoriteit gegronde verwachtingen heeft gewekt dat beginsel kan inroepen. Wanneer een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer echter kon voorzien dat een voor zijn belangen nadelige maatregel zou worden vastgesteld, kan hij zich niet op dat beginsel beroepen.
70 In het licht van deze overwegingen heeft het Gerecht de drie door rekwiranten aangevoerde grieven onderzocht. Zoals blijkt uit punt 193 van het bestreden arrest, verweten rekwiranten de ECB met de eerste grief dat zij niet is opgetreden om de gesteld misleidende verklaringen van de bewindvoerders van Banca Carige over de financiële soliditeit van die bank te corrigeren.
71 In dit verband heeft het Gerecht in punt 196 van het bestreden arrest opgemerkt dat, ten eerste, het feit dat de ECB niet heeft ingegrepen om de gesteld misleidende verklaringen te corrigeren niet kan worden beschouwd als het verstrekken door de ECB van toezeggingen over de wijze waarop zij ten aanzien van Banca Carige wenste op te treden en, ten tweede, een dergelijk verzuim – wat de vorm betreft – hoe dan ook niet voldoet aan het vereiste dat toezeggingen nauwkeurig, onvoorwaardelijk en onderling overeenstemmend moeten zijn om een gewettigd vertrouwen te kunnen wekken. Bijgevolg heeft het Gerecht de eerste grief afgewezen.
72 Zoals blijkt uit de punten 198 tot en met 202 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht de tweede grief niet-ontvankelijk verklaard. Met deze grief voerden rekwiranten aan dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen had geschonden door de kapitaalverhogingen die de bank vóór 2019 had doorgevoerd, positief te beoordelen. Het Gerecht was van oordeel dat de essentiële elementen waarop een grief is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk moeten blijken uit de door de verzoekende partij overgelegde schriftelijke stukken. In casu hadden rekwiranten echter op algemene wijze verwezen naar kapitaalverhogingen die de bank in 2015 en 2018 heeft doorgevoerd, zonder exact aan te geven op welke specifieke kapitaalverhogingen de tweede grief ziet. Bovendien hadden zij geen enkel bewijsstuk aangevoerd waaruit bleek dat de ECB positieve beoordelingen had geformuleerd of dat deze beoordelingen voldeden aan de vereisten van de rechtspraak om bij hen een gewettigd vertrouwen te kunnen wekken met betrekking tot het gedrag van de ECB.
73 Om de in de punten 203 tot en met 207 van het bestreden arrest uiteengezette redenen heeft het Gerecht ook de derde grief niet-ontvankelijk verklaard. Met deze grief hadden rekwiranten betoogd dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen had geschonden door aan de aandeelhouders van Banca Carige toezeggingen te doen over de soliditeit ervan, die hen ertoe hebben gebracht aanzienlijke investeringen te doen. Het Gerecht heeft in dit verband vastgesteld dat rekwiranten geen enkel bewijs hadden aangeleverd waaruit bleek welke toezeggingen de ECB zou hebben gegeven, of onder welke omstandigheden deze toezeggingen zouden zijn gedaan. Na alle in het kader van de zevende aangevoerde onrechtmatigheid geformuleerde grieven te hebben afgewezen, heeft het Gerecht het betoog van rekwiranten betreffende die onrechtmatigheid dan ook in zijn geheel afgewezen.
74 Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 208 tot en met 215 het betoog van rekwiranten betreffende de achtste onrechtmatigheid onderzocht, waarmee zij aanvoerden dat de ECB hun recht op eigendom heeft geschonden door met haar handelen en nalaten een aanzienlijke daling van de waarde van hun deelnemingen in Banca Carige te veroorzaken. Het Gerecht heeft weliswaar erkend dat het recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) een rechtsregel is die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, maar heeft vastgesteld dat rekwiranten alleen hadden aangegeven dat de waarde van hun deelnemingen was gedaald en dat zij deze ontwikkeling hadden toegeschreven aan besluiten die Banca Carige naar aanleiding van maatregelen van de ECB heeft genomen, zonder evenwel aan te tonen dat die maatregelen dit resultaat hebben veroorzaakt en zonder een analyse over te leggen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat dit resultaat niet direct of indirect, gedeeltelijk of volledig, voortvloeide uit andere feiten of omstandigheden. Derhalve heeft het Gerecht het betoog betreffende de achtste aan de ECB verweten onrechtmatigheid niet-ontvankelijk verklaard.
75 Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 216 en 217 van het bestreden arrest geoordeeld dat geen van de door rekwiranten aangevoerde onrechtmatigheden kon leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB in de zin van artikel 340, derde alinea, VWEU, en dat het beroep derhalve moest worden verworpen, zonder dat hoefde te worden nagegaan of was voldaan aan de andere voorwaarden waaraan volgens de rechtspraak moet zijn voldaan om een instelling van de Unie aansprakelijk te kunnen stellen, en zonder dat uitspraak hoefde te worden gedaan over de door rekwiranten gevraagde maatregelen van instructie.
IV. Conclusies van partijen
76 Rekwiranten verzoeken het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht; – subsidiair, het beroep zelf af te doen en hun vorderingen toe te wijzen, en – de ECB en de Commissie te verwijzen in de kosten.
77 De ECB verzoekt het Hof om de hogere voorziening niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren en rekwiranten in beide gevallen te verwijzen in de kosten. Meer subsidiair verzoekt de ECB het Hof om de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht ingeval het zou beslissen om de hogere voorziening toe te wijzen en het bestreden arrest te vernietigen.
78 De Commissie verzoekt het Hof om de hogere voorziening af te wijzen op grond dat zij ten dele niet-ontvankelijk of niet ter zake dienend en volledig ongegrond is, en om rekwiranten te verwijzen in de kosten.
V. Verzoek om schorsing van de behandeling
79 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 december 2025, hebben rekwiranten het Hof verzocht om, indien het voornemens zou zijn om af te wijken van de conclusie van de advocaat-generaal, die heeft voorgesteld het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, de behandeling van de onderhavige zaak te schorsen overeenkomstig artikel 55 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof totdat het Gerecht of, in voorkomend geval, het Hof in geval van hogere voorziening uitspraak doet over het bij het Gerecht aanhangige beroep in zaak T‑612/20, Malacalza Investimenti/ECB, dat strekt tot nietigverklaring van het besluit waarbij Banca Carige onder tijdelijk bewind is geplaatst.
80 Het Hof, de advocaat-generaal gehoord, is van oordeel dat de behandeling van de onderhavige zaak niet hoeft te worden geschorst, zodat het verzoek om schorsing moet worden afgewezen.
VI. Hogere voorziening
A. Ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
81 De ECB werpt op dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is. Zij betoogt dat rekwiranten niet verduidelijken welke onjuiste rechtsopvattingen zij het Gerecht verwijten, niet duidelijk genoeg aangeven welke elementen het Gerecht onjuist heeft opgevat, slechts hun in eerste aanleg aangevoerde argumenten herhalen, en nieuwe middelen voordragen die niet voor het Gerecht zijn aangevoerd en die het voorwerp van het geding wijzigen.
82 Rekwiranten bestrijden de argumenten van de ECB en achten hun hogere voorziening ontvankelijk.
2. Beoordeling door het Hof
83 Uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het betrokken middel, duidelijk moet aangegeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑680/22 P, EU:C:2024:1019, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Met name een middel waarvan het betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren, voldoet niet aan die vereisten, in het bijzonder omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die ter zake onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt wat de wezenlijke onderdelen zijn waarop dat middel berust. Tevens heeft het Hof reeds geoordeeld dat een hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer zij geen coherente structuur heeft, slechts algemene beweringen bevat en geen precieze aanwijzingen verstrekt over de punten van de bestreden beslissing waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt (arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑680/22 P, EU:C:2024:1019, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 Voorts volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is, ten eerste, om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de aan het Hof overgelegde processtukken en, ten tweede, om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht echter de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht deze feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (arrest van 12 juni 2025, ZR/EUIPO, C‑364/23 P, EU:C:2025:428, punt 32).
86 In casu moet worden vastgesteld dat, in het algemeen en onder voorbehoud van een individuele analyse van de door rekwiranten aangevoerde middelen en argumenten, uit het in hogere voorziening uiteengezette betoog kan worden afgeleid op welke overwegingen van het bestreden arrest de hogere voorziening betrekking heeft en welke fouten het Gerecht worden verweten, zodat de hogere voorziening niet zonder meer niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
87 Wat het argument van de ECB betreft dat rekwiranten slechts argumenten herhalen die zij reeds voor het Gerecht hebben aangevoerd, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist. De procedure in hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen indien een rekwirant zijn hogere voorziening niet op die manier kon baseren op middelen en argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd (arrest van 12 juni 2025, ZR/EUIPO, C‑364/23 P, EU:C:2025:428, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Bijgevolg moeten de door de ECB aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid tegen de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
B. Ten gronde
89 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten zeven middelen aan. Het eerste middel heeft betrekking op schending van de algemene beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen, evenredigheid, gelijke behandeling, verbod van rechtsmisbruik en bescherming van eigendom, schending of onjuiste opvatting van artikel 53, lid 1, onder d bis), en artikel 53 bis, lid 1, onder d), van de gecoördineerde banktekst, schending van artikel 340, derde alinea, VWEU, alsmede een ontoereikende motivering. Het tweede middel betreft schending van de artikelen 69 octiesdecies en 69 noviesdecies van de gecoördineerde banktekst, gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 16 van verordening nr. 1024/2013 en met de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen, gelijke behandeling, evenredigheid, bescherming van eigendom, verbod van rechtsmisbruik, bewijslast, alsmede een ontoereikende motivering. Het derde middel is gebaseerd op schending van de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen, evenredigheid en doeltreffende bescherming van rechten, alsmede een ontoereikende motivering. Het vierde middel is ontleend aan schending van het beginsel van bevoegdheidstoedeling en van de artikelen 4 en 16 van verordening nr. 1024/2013, van het Italiaanse recht en van het beginsel van bescherming van eigendom, alsmede een ontoereikende motivering. Het vijfde middel betreft schending van de artikelen 41 en 47 van het Handvest, van artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/59, van het algemene beginsel van onpartijdigheid en van artikel 72, lid 6, van de gecoördineerde banktekst, alsmede een ontoereikende motivering. Het zesde middel is ontleend aan schending van het recht op eigendom, van artikel 72, lid 4, van richtlijn 2017/1132, van artikel 9 van verordening nr. 1024/2013, schending of in elk geval onjuiste opvatting van het Italiaanse recht, onjuiste opvatting van hun betoog, alsmede een ontoereikende motivering. Het zevende middel heeft betrekking op de omstandigheid dat hun argumenten niet zijn onderzocht en op een ontoereikende motivering.
1. Eerste middel
90 Het eerste middel bestaat uit vijf onderdelen.
a) Eerste onderdeel
1) Argumenten van partijen
91 Rekwiranten betwisten de punten 187 tot en met 207 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op de zevende aan de ECB verweten onrechtmatigheid. Zij voeren aan dat zij voor het Gerecht hadden betoogd dat de toezichthoudende activiteit van de ECB wegens haar regelgevende kenmerken en de wijze waarop zij in casu is toegepast, bij hen een gewettigd vertrouwen had gewekt in de gezonde en prudente bedrijfsvoering van Banca Carige vanaf 2015. Zij stellen dat zij wegens hun vertrouwen in de doeltreffendheid van de toezichthoudende activiteiten van de ECB in Banca Carige hebben geïnvesteerd en om die reden ertoe zijn aangezet die investeringen aan te houden. Volgens rekwiranten heeft de schending van hun gewettigd vertrouwen ook geleid tot schending van hun recht op eigendom. De plaatsing van Banca Carige onder tijdelijk bewind en de daaropvolgende kapitaalverhoging, die was „georkestreerd” door de door de ECB benoemde, gecontroleerde en gemachtigde tijdelijke bewindvoerders van Banca Carige, zouden immers tot hun onteigening hebben geleid.
92 Hun beroep is dus met name gebaseerd op schending door de ECB, in strijd met de algemene beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van eigendom, van de verwachtingen die zij bij investeerders had gewekt dat de aanzienlijke kapitaalverhogingen van Banca Carige in 2015 en 2017 de kapitaalkracht en financiële soliditeit van die bank zouden kunnen waarborgen. Rekwiranten hebben voor het Gerecht betoogd dat het aan deze schending ten grondslag liggende gedrag bestond in de door de ECB verrichte controles van de situatie van Banca Carige en in de voorschriften betreffende de door deze bank te nemen maatregelen. Deze voorschriften waren door de bestuurders van Banca Carige aan de aandeelhouders meegedeeld. Het Gerecht heeft in het bestreden arrest de „eenheid van feitelijke en juridische elementen” van hun betoog „verbroken” door dit onder te verdelen in vier verschillende onrechtmatigheden, die zijn onderzocht in respectievelijk de punten 59 tot en met 75, 87 tot en met 93, 118 tot en met 174 en 187 tot en met 207 van het bestreden arrest. Dit komt neer op een onjuiste opvatting van hun betoog.
93 In dezelfde context voeren rekwiranten in essentie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich te baseren op de in punt 191 van het bestreden arrest onvolledig aangehaalde rechtspraak, terwijl die rechtspraak geen betrekking heeft op een geval als het onderhavige.
94 De ECB en de Commissie zijn van mening dat de argumenten van rekwiranten moeten worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
95 Volgens vaste rechtspraak kan de betrokkene zich alleen op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroepen indien hij van de bevoegde instanties van de Unie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn (arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/Pinxten, C‑130/19, EU:C:2021:782, punt 365 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96 Uit deze rechtspraak blijkt dat handelingen van de autoriteit die voor het toezicht op de banksector verantwoordelijk is, of het gedrag van deze autoriteit in dat kader, op zich en bij gebreke van toezeggingen zoals bedoeld in de in het vorige punt van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, niet kunnen worden geacht bij de betrokkenen een gewettigd vertrouwen te hebben gewekt.
97 In het bijzonder kan het enkele feit dat de bevoegde autoriteit een onder haar prudentieel toezicht staande kredietinstelling heeft verplicht tot bepaalde maatregelen die ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd, niet worden geacht bij de aandeelhouders van die instelling een gewettigd vertrouwen te hebben gewekt in de blijvende financiële stabiliteit van die instelling of in het uitblijven van toekomstige aanvullende maatregelen ten aanzien van haar, bij gebreke van nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen van die autoriteit dienaangaande.
98 Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de argumenten van rekwiranten – ontleend aan, ten eerste, de vermeende omstandigheid dat de ECB in strijd met de toepasselijke Italiaanse regeling niet zou hebben ingegrepen om de gesteld misleidende verklaringen over de soliditeit van Banca Carige te corrigeren, ten tweede, de vermeende goedkeuring door de ECB, eveneens in strijd met die regeling, van de kapitaalverhoging van Banca Carige en, ten derde, de vaststelling door de ECB van de vroegtijdige-interventiemaatregel, die in strijd zou zijn met verschillende regels en beginselen – niet geschikt waren om aan te tonen dat de ECB het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen had geschonden, en door deze argumenten afzonderlijk te onderzoeken in respectievelijk de punten 59 tot en met 75, 87 tot en met 93 en 118 tot en met 174 van het bestreden arrest als eerste, derde en vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid.
99 De argumenten van rekwiranten tegen punt 191 van het bestreden arrest zijn niet ter zake dienend. De in dat punt gegeven uiteenzetting van de rechtspraak maakt namelijk geen deel uit van de gronden waarop het Gerecht de afwijzing heeft gebaseerd van een of meer van de drie grieven waarin het de zevende aan de ECB verweten onrechtmatigheid had onderverdeeld.
100 Met name blijkt uit punt 196 van het bestreden arrest dat het Gerecht de eerste van deze drie grieven heeft afgewezen op grond van de rechtens juiste overweging dat het feit dat de ECB niet heeft ingegrepen om de gesteld misleidende verklaringen over de situatie van Banca Carige te corrigeren, niet kan worden beschouwd als het verstrekken door de ECB van toezeggingen over de wijze waarop zij ten aanzien van Banca Carige wenste op te treden en dat een dergelijk verzuim hoe dan ook niet voldoet aan het vereiste dat toezeggingen nauwkeurig, onvoorwaardelijk en onderling overeenstemmend moeten zijn om een gewettigd vertrouwen te kunnen wekken.
101 Wat de tweede en de derde grief betreft, blijkt uit respectievelijk de punten 199 tot en met 202 en 204 tot en met 206 van het bestreden arrest dat het Gerecht deze grieven niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat rekwiranten de essentiële feitelijke en juridische elementen waarop die grieven waren gebaseerd, niet coherent en begrijpelijk hebben uiteengezet.
102 Wat de gestelde schending van het recht op eigendom van rekwiranten betreft, blijkt uit hun in punt 91 van het onderhavige arrest samengevatte betoog dat deze schending volgens hen het rechtstreekse gevolg was van de voldoende gekwalificeerde schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen door de ECB. Aangezien het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft geoordeeld dat op basis van het door rekwiranten voor het Gerecht aangevoerde betoog geen schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen kon worden vastgesteld, kan hun argument inzake de beweerde schending van hun recht op eigendom evenmin slagen.
103 Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet ter zake dienend is.
b) Tweede onderdeel
1) Argumenten van partijen
104 Rekwiranten betwisten de punten 193 tot en met 197 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht de eerste grief die is aangevoerd in het kader van de zevende aan de ECB verweten onrechtmatigheid, heeft onderzocht en afgewezen. Zij voeren in dit verband aan dat de toezeggingen van de ECB die hun gewettigd vertrouwen zouden hebben gewekt, voortvloeiden uit handelingen met betrekking tot de situatie van Banca Carige die de ECB had vastgesteld en via perscommuniqués openbaar had gemaakt en niet uit het stilzwijgen van de ECB, dat deze perscommuniqués enkel heeft bevestigd.
105 Rekwiranten voegen hieraan toe dat de verwijzing door het Gerecht in punt 196 van het bestreden arrest naar de „vorm” van de handelingen van de ECB impliceert dat de toezeggingen die nodig zijn om een gewettigd vertrouwen te kunnen doen ontstaan, passen binnen een contractuele verhouding, terwijl het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen juist specifiek van toepassing is op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de instellingen van de Unie en leidt tot een „niet-contractuele sanctie”.
106 Bovendien heeft het Gerecht hun betoog onjuist opgevat door in punt 196 van het bestreden arrest op te merken dat zij „de hoop konden hebben dat de situatie van [Banca Carige] zou verbeteren”. Zij benadrukken in dit verband dat niet het voor het Gerecht aangevoerde feit dat de situatie van Banca Carige niet was verbeterd maar het feit dat de ECB, ten eerste, slechts enkele maanden na de kapitaalverhoging van 2015 de vroegtijdige-interventiemaatregel had vastgesteld en, ten tweede, in het eigenvermogensbesluit had verklaard dat Banca Carige reeds op 1 januari 2018 niet meer voldeed aan de eigenvermogensvereisten, slechts enkele dagen na de nieuwe kapitaalverhoging van Banca Carige, die overeenkomstig de aanwijzingen van de ECB was doorgevoerd en krachtens artikel 56 van de gecoördineerde banktekst was goedgekeurd.
107 De ECB en de Commissie zijn van mening dat de argumenten van rekwiranten moeten worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
108 In de eerste plaats moet het argument van rekwiranten dat de toezeggingen van de ECB die een gewettigd vertrouwen hebben gewekt voortvloeien uit de door de ECB ten aanzien van Banca Carige vastgestelde handelingen, worden afgewezen om de in punt 96 van het onderhavige arrest uiteengezette reden.
109 In de tweede plaats betekent de verwijzing in punt 196 van het bestreden arrest naar de „vorm” van het feit dat de ECB niet heeft ingegrepen om de gesteld misleidende verklaringen over de situatie van Banca Carige te corrigeren – anders dan rekwiranten stellen met hun in punt 105 van het onderhavige arrest aangehaalde argument – niet dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de toezeggingen die nodig zijn om een gewettigd vertrouwen te wekken, binnen een contractueel kader moesten vallen. Met het gebruik van de term „vorm” heeft het Gerecht duidelijk willen benadrukken dat een loutere onachtzaamheid van de ECB geen nauwkeurige en onvoorwaardelijke toezegging vormt die overeenkomstig de in punt 95 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak een beschermenswaardig gewettigd vertrouwen kan doen ontstaan. Deze overweging, die in overeenstemming is met die rechtspraak, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
110 Wat in de derde plaats de verwijzing in punt 196 van het bestreden arrest betreft naar „de hoop [die rekwiranten] konden hebben dat de situatie van [Banca Carige] zou verbeteren”, volstaat het op te merken dat het Gerecht daarin slechts een hypothese heeft overwogen die overigens geen gevolgen heeft gehad voor de redenering in dat punt, zoals blijkt uit een lezing van dat punt in zijn geheel.
111 In de vierde en laatste plaats blijkt uit een gezamenlijke lezing van de punten 193 tot en met 197 van het bestreden arrest dat het Gerecht terecht heeft begrepen dat de door rekwiranten aangevoerde onrechtmatigheid die is ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, met name bestond in het feit dat de ECB niet zou hebben ingegrepen om de gesteld misleidende verklaringen van derden over Banca Carige te corrigeren. Zoals blijkt uit punt 98 van het onderhavige arrest heeft het Gerecht verder ook de andere argumenten van rekwiranten in aanmerking genomen en deze als afzonderlijke onrechtmatigheden onderzocht, waarbij het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, heeft geoordeeld dat zij niet konden aantonen dat de ECB het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen had geschonden. Bijgevolg moet het argument van rekwiranten dat het Gerecht hun betoog onjuist heeft opgevat, worden afgewezen.
112 Gelet op het voorgaande dient het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond te worden verklaard.
c) Derde onderdeel
1) Argumenten van partijen
113 Rekwiranten betwisten de punten 198 tot en met 207 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op het onderzoek van de tweede en de derde grief die zijn aangevoerd in het kader van de zevende aan de ECB verweten onrechtmatigheid. Zij zijn van mening dat het Gerecht volledig is voorbijgegaan aan hun argumenten dat er een gewettigd vertrouwen in hun voordeel bestond als gevolg van de handelingen van de ECB, hetgeen neerkomt op een ontoereikende motivering van het bestreden arrest. Zij voegen hieraan toe dat de verklaring in punt 199 van het bestreden arrest dat rekwiranten „op algemene wijze [hadden] verwezen naar kapitaalverhogingen die de bank in 2015, 2016, 2017 en 2018 heeft doorgevoerd, zonder exact aan te geven op welke specifieke kapitaalverhogingen de tweede grief ziet”, aantoont dat het Gerecht de stukken in het dossier onjuist heeft gelezen, aangezien er in 2016 en 2018 geen kapitaalverhogingen bij Banca Carige hebben plaatsgevonden.
114 De ECB en de Commissie zijn van mening dat de argumenten van rekwiranten moeten worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
115 De argumenten van rekwiranten tegen de punten 198 tot en met 207 van het bestreden arrest, die betrekking hebben op de tweede en de derde grief die zijn aangevoerd in het kader van de zevende aan de ECB verweten onrechtmatigheid, moeten ongegrond worden verklaard. Het Gerecht heeft namelijk in respectievelijk de punten 199 tot en met 202 en 204 tot en met 207 van het bestreden arrest rechtens genoegzaam uiteengezet waarom deze twee grieven niet-ontvankelijk moesten worden verklaard, zodat dit deel van dat arrest – anders dan rekwiranten stellen – toereikend is gemotiveerd.
116 Bovendien blijkt uit punt 111 van het onderhavige arrest dat het Gerecht niet is voorbijgegaan aan het betoog van rekwiranten betreffende de handelingen van de ECB, maar dit in andere delen van het bestreden arrest heeft onderzocht.
117 Ten slotte moet het argument van rekwiranten dat in punt 199 van het bestreden arrest ten onrechte wordt verwezen naar kapitaalverhogingen van Banca Carige in 2016 en 2018, terwijl er in die jaren geen kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden, worden afgewezen.
118 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 199 van het bestreden arrest heeft verklaard dat rekwiranten in hun schriftelijke stukken zelf naar kapitaalverhogingen hadden verwezen. Zelfs indien het Gerecht die stukken onjuist zou hebben gelezen, kan een dergelijke fout geen afbreuk doen aan de beoordeling dat de tweede grief betreffende de zevende aan de ECB verweten onrechtmatigheid niet-ontvankelijk was.
119 Deze overweging is immers rechtens genoegzaam gebaseerd op de vaststelling in punt 200 van het bestreden arrest dat rekwiranten geen bewijsstukken hadden aangevoerd waaruit bleek dat de ECB positieve beoordelingen over de vóór 2019 door Banca Carige verrichte kapitaalverhogingen had geformuleerd die bij rekwiranten een gewettigd vertrouwen konden wekken met betrekking tot het gedrag van de ECB.
120 Gelet op een en ander is het derde onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet ter zake dienend.
d) Vierde onderdeel
1) Argumenten van partijen
121 Rekwiranten betwisten de in de punten 118 tot en met 174 uiteengezette redenen van het bestreden arrest, die betrekking hebben op de vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid. Zij voeren aan dat hun grieven „kritische opmerkingen op basis van de relevante bepalingen van de gecoördineerde banktekst” bevatten, die een aanvulling vormden op de gestelde schending van zowel het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen als de beginselen van evenredigheid, gelijke behandeling, bescherming van eigendom en verbod van misbruik.
122 De ECB en de Commissie zijn van mening dat de argumenten van rekwiranten moeten worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
123 Het vierde onderdeel van het eerste middel moet overeenkomstig de in de punten 83 en 84 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
124 Rekwiranten geven immers enkel aan dat hun grieven „kritische opmerkingen” bevatten op basis van de gecoördineerde banktekst, zonder aan te geven wat de inhoud van die opmerkingen was of welke onjuiste rechtsopvatting zij het Gerecht verwijten.
e) Vijfde onderdeel
1) Argumenten van partijen
125 Rekwiranten betwisten de punten 68 tot en met 74 van het bestreden arrest. Zij betogen dat het Gerecht artikel 53 bis, lid 1, onder d), van de gecoördineerde banktekst onjuist heeft uitgelegd en zelfs onjuist heeft opgevat. Volgens hen verleent deze bepaling, gezien de reikwijdte ervan, aan de toezichthoudende autoriteit „alle nuttige bevoegdheden en verplichtingen”.
126 De ECB en de Commissie zijn van mening dat de argumenten van rekwiranten moeten worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
127 De punten 68 tot en met 74 van het bestreden arrest behoren tot het deel van dat arrest dat is gewijd aan het onderzoek van de eerste onrechtmatigheid, die erin bestaat dat de ECB in strijd met de toepasselijke Italiaanse regeling niet zou hebben ingegrepen om de gesteld misleidende verklaringen over de soliditeit van Banca Carige te corrigeren. Nadat het Gerecht in de punten 72 en 73 van dat arrest de in punt 15 van het onderhavige arrest vermelde inhoud van artikel 53 bis, lid 1, onder d), van de gecoördineerde banktekst had samengevat, heeft het in punt 74 van het bestreden arrest vastgesteld dat deze bepaling de ECB niet verplicht om verklaringen over de financiële stabiliteit van een kredietinstelling, die aan bepaalde actoren worden toegeschreven en die door anderen onjuist worden geacht, te corrigeren.
128 Anders dan rekwiranten stellen, heeft het Gerecht die bepaling juist gelezen.
129 Derhalve moet het vijfde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
130 Gelet op een en ander dient het eerste middel te worden afgewezen.
2. Tweede middel
131 Het tweede middel betreft de motivering van het bestreden arrest wat betreft het onderzoek van de vijfde onrechtmatigheid, die erin bestaat dat de ECB bij de vaststelling van de vroegtijdige-interventiemaatregel verschillende regels en beginselen heeft geschonden. Dit middel valt uiteen in zes onderdelen.
a) Eerste en derde onderdeel
1) Argumenten van partijen
132 Met het eerste onderdeel betwisten rekwiranten de afwijzing, om de in de punten 119 tot en met 129 van het bestreden arrest uiteengezette redenen, van de eerste grief die is aangevoerd in het kader van de vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid, die erin bestaat dat zij op voldoende gekwalificeerde wijze artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst heeft geschonden door de vroegtijdige-interventiemaatregel vast te stellen. Volgens rekwiranten heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 125, 126 en 129 van dat arrest te oordelen dat deze bepaling geen rechten toekent aan particulieren. Rekwiranten merken in dit verband op dat zij voor het Gerecht hadden aangevoerd dat verschillende algemene beginselen van het Unierecht die rechten toekennen aan particulieren waren geschonden, waaronder het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. Voorts betogen zij dat artikel 69 octiesdecies van de gecoördineerde banktekst de schending van de in verordening nr. 575/2013 neergelegde vereisten noemt als een van de voorwaarden om de daarin bedoelde maatregelen te kunnen vaststellen.
133 Met het derde onderdeel verwijten rekwiranten het Gerecht in essentie dat het in de punten 126 tot en met 128 van het bestreden arrest de vroegtijdige-interventiemaatregel onjuist heeft gelezen.
134 Volgens de ECB heeft het Gerecht in dat arrest het betoog van rekwiranten uitvoerig geanalyseerd, zowel wat betreft artikel 69 octiesdecies van de gecoördineerde banktekst als wat betreft de vermeende schending van de algemene beginselen van het Unierecht, zoals het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel. In hun hogere voorziening voeren rekwiranten geen enkel gegeven aan waaruit naar voren komt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 69 octiesdecies geen rechten toekent aan particulieren. Bovendien is de door rekwiranten genoemde verordening nr. 575/2013 niet relevant, aangezien zij voor het Gerecht niet hebben aangevoerd dat deze verordening niet is nageleefd.
135 Zonder specifiek in te gaan op het eerste onderdeel van het tweede middel, is de Commissie van mening dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
136 Volgens de rechtspraak van het Hof moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie of een van haar instellingen, zoals de ECB, op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU zijn voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijk schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de schending van de op de auteur van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137 Uit deze rechtspraak volgt dat de eerste voorwaarde voor die aansprakelijkheid, die betrekking heeft op de onrechtmatigheid van de aan de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie van de Unie verweten gedraging uit twee onderdelen bestaat, te weten, ten eerste dat er sprake is van een schending van een rechtsregel van de Unie die beoogt rechten aan particulieren toe te kennen, en ten tweede dat die schending voldoende gekwalificeerd is (arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
138 Wat het eerste onderdeel van deze voorwaarde betreft, is het vaste rechtspraak dat de rechten van particulieren niet alleen ontstaan doordat Unierechtelijke bepalingen ze uitdrukkelijk toekennen, maar ook doordat deze bepalingen duidelijk omschreven positieve of negatieve verplichtingen opleggen aan zowel particulieren als de lidstaten en de instellingen, organen en instanties van de Unie (arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 De niet-nakoming van dergelijke verplichtingen kan afbreuk doen aan de rechten die aldus krachtens de betrokken bepalingen van Unierecht impliciet aan particulieren worden toegekend. De volle werking van deze bepalingen en de bescherming van de rechten die zij beogen toe te kennen, vereisen dat particulieren schadevergoeding kunnen verkrijgen (arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
140 In casu blijkt uit punt 119 van het bestreden arrest dat rekwiranten met hun eerste grief in het kader van de vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid hebben betoogd dat de ECB op voldoende gekwalificeerde wijze artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst had geschonden door de vroegtijdige‑interventiemaatregel vast te stellen terwijl enkel sprake was van een risico op schending van het toepasselijke regelgevingskader, terwijl op grond van deze bepaling bewijs moest worden geleverd van een voorzienbare schending.
141 In dit verband zij eraan herinnerd dat de ECB krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1024/2013 de exclusieve bevoegdheid heeft om de in dat lid genoemde taken uit te voeren met het oog op het prudentieel toezicht ten aanzien van alle in de deelnemende lidstaten – waaronder de Republiek Italië – gevestigde kredietinstellingen. Overeenkomstig artikel 4, lid 3, eerste alinea, eerste volzin, van die verordening past de ECB voor het vervullen van die taken alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet.
142 Artikel 69 octiesdecies van de gecoördineerde banktekst is een van de bepalingen waarbij artikel 27 van richtlijn 2014/59 in Italiaans recht is omgezet. Krachtens artikel 9, lid 1, tweede alinea, tweede zin, van verordening nr. 1024/2013 beschikt de ECB voor de uitvoering van de haar bij artikel 4, lid 1, van deze verordening opgedragen taken over de bevoegdheden die dat artikel 69 octiesdecies aan de Italiaanse centrale bank verleent.
143 Zoals de advocaat-generaal in de punten 70 tot en met 72 van zijn conclusie heeft opgemerkt kunnen de in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst bedoelde maatregelen van invloed zijn op de rechten en de rechtspositie van de betrokken kredietinstelling en haar aandeelhouders, met name wanneer die maatregelen de besluiten van die instelling wijzigen of de uitkering van dividenden aan die aandeelhouders verhinderen.
144 Artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst staat de ECB echter niet toe om de in deze bepaling genoemde maatregelen vast te stellen zolang niet is voldaan aan de daarin genoemde voorwaarden, waarbij de betrokken kredietinstelling en haar aandeelhouders het recht hebben om te eisen dat die verplichting wordt nagekomen.
145 Hieruit volgt overeenkomstig de in de punten 138 en 139 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst rechten toekent aan particulieren, zodat deze vergoeding kunnen verkrijgen van de schade die zij zouden hebben geleden in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van die bepaling.
146 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in het arrest van 15 juli 2025, ECB en Commissie/Corneli (C‑777/22 P en C‑789/22 P, EU:C:2025:580, punten 100‑105), reeds heeft geoordeeld dat de rekwirante in die zaken weliswaar inmiddels haar aandelen in het kapitaal van Banca Carige had verkocht, maar dat zij niettemin belang bleef houden bij de nietigverklaring van het besluit om Banca Carige onder tijdelijk bewind te plaatsen, aangezien zij voornemens was om beroep tegen de ECB in te stellen tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van de vaststelling van dat besluit.
147 Deze beoordeling bevestigt de conclusie dat bepalingen als artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst, die de ECB als toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid verlenen om ten aanzien van kredietinstellingen die onder haar prudentieel toezicht staan maatregelen vast te stellen die de rechtspositie van deze instellingen en hun aandeelhouders beïnvloeden, ertoe strekken rechten toe te kennen aan particulieren aangezien zij de omstandigheden waarin die maatregelen kunnen worden vastgesteld, specifiek omschrijven.
148 Uit een en ander volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 129 van het bestreden arrest te oordelen dat artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst, dat een doelstelling van algemeen belang nastreeft, niet beoogt rechten toe te kennen aan particulieren.
149 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden aanvaard en moet het bestreden arrest worden vernietigd – zonder dat het derde onderdeel, dat is gericht tegen hetzelfde deel van dat arrest, hoeft te worden onderzocht – voor zover daarbij het beroep van rekwiranten is verworpen wat betreft de vermeende schending door de ECB van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder a), van de gecoördineerde banktekst bij de vaststelling van de vroegtijdige-interventiemaatregel.
b) Tweede onderdeel
1) Argumenten van partijen
150 Rekwiranten betogen dat het Gerecht zichzelf heeft tegengesproken door in punt 135, tweede streepje, van het bestreden arrest, aan te geven dat het strategische plan dat Banca Carige overeenkomstig de vroegtijdige-interventiemaatregel moest indienen „kwantitatieve doelstellingen voor de vermindering van niet‑renderende leningen [moest] bevatten”, maar vervolgens in punt 136 van dat arrest te verklaren dat in die maatregel „niet [was] vereist dat [Banca Carige] niet‑renderende leningen zou verkopen, laat staan dat zij dit zou doen tegen prijzen die gedurende een bepaalde periode waren vastgelegd.” Rekwiranten erkennen dat de ECB de verkoopprijs van de te verkopen niet-renderende leningen niet heeft vastgelegd, maar zijn van mening dat het Gerecht rekening had moeten houden met het feit dat een verplichte verkoop van dergelijke leningen enkel kon leiden tot een verkoop ervan tegen zeer lage prijzen.
151 De ECB en de Commissie zijn van mening dat het tweede onderdeel moet worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
152 Het Hof stelt vast dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de punten 135 en 136 van het bestreden arrest.
153 De in punt 135, tweede streepje, van het bestreden arrest genoemde omstandigheid dat de ECB van Banca Carige in de vroegtijdige-interventiemaatregel heeft verlangd om een strategisch plan en een operationeel plan in te dienen die met name doelstellingen voor de vermindering van niet-renderende leningen moesten bevatten, betekent niet – zoals het Gerecht in punt 136 van dat arrest terecht heeft opgemerkt – dat de ECB aan Banca Carige de verplichting heeft opgelegd om deze leningen te verkopen, laat staan deze tegen ongunstige voorwaarden te verkopen. Het stond immers aan Banca Carige om te bepalen op welke wijze zij die leningen kon verminderen.
154 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
c) Vierde onderdeel
1) Argumenten van partijen
155 Rekwiranten komen op tegen de in punt 152 van het bestreden arrest uiteengezette reden ter rechtvaardiging van de afwijzing van de vierde grief betreffende de vijfde aan de ECB verweten onrechtmatigheid, die is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling bij de vaststelling van de vroegtijdige-interventiemaatregel. Zij betogen dat de stelling van het Gerecht dat „zij […] [de] specifieke situatie [van Banca Carige] niet in verband [hebben] gebracht met de besluiten van de ECB om aan te tonen dat er sprake is van een daadwerkelijk verschil in behandeling tussen [Banca Carige] en andere Italiaanse kredietinstellingen” niet op enig element berust, in strijd is met de stukken die zij in eerste aanleg hadden overgelegd en niet voldoet aan de motiveringsplicht.
156 Daarnaast verwijten zij het Gerecht dat het geen gevolg heeft gegeven aan hun verzoek om „een technisch deskundigenonderzoek te gelasten ter vaststelling en vergelijking van de situatie van andere banken ten opzichte van het door de ECB toegepaste verschil in behandeling” en dat het geen rekening heeft gehouden met het arrest van 23 mei 1996, Hedley Lomas (C‑5/94, EU:C:1996:205, punt 29), waaruit volgens rekwiranten blijkt dat de „bewijslast met betrekking tot de gronden die de handelingen van de instellingen rechtens rechtvaardigen” rust op die instellingen.
157 Rekwiranten voegen daaraan toe dat in casu, met inachtneming van artikel 47 van het Handvest, de „regel van de nabijheid van het bewijs” moest worden toegepast, volgens welke wanneer slechts één partij kennis heeft van de feiten die „het voorwerp zijn van het bewijs”, terwijl de andere partij daar geen toegang toe heeft, de bewijslast op de eerste partij rust en niet op de tweede. Volgens rekwiranten stond vast dat alleen de ECB de situatie van de onder haar toezicht staande kredietinstellingen kende.
158 De ECB en de Commissie zijn van mening dat het vierde onderdeel moet worden afgewezen.
2) Beoordeling door het Hof
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 december 2025, C-136/24, ECLI:EU:C:2025:977
- HvJ EU 11 september 2025, C-59/23, ECLI:EU:C:2025:686
- HvJ EU 15 juli 2025, C-777/22, ECLI:EU:C:2025:580
- HvJ EU 12 juni 2025, C-364/23, ECLI:EU:C:2025:428
- HvJ EU 12 december 2024, C-680/22, ECLI:EU:C:2024:1019
- Gerecht EU 5 juni 2024, T-134/21, ECLI:EU:T:2024:362
- HvJ EU 5 maart 2024, C-755/21, ECLI:EU:C:2024:202
- HvJ EU 2 februari 2023, C-649/20, ECLI:EU:C:2023:60
- Gerecht EU 12 oktober 2022, T-502/19, ECLI:EU:T:2022:627
- HvJ EU 30 september 2021, C-130/19, ECLI:EU:C:2021:782
- HvJ EU 20 januari 2021, C-301/19, ECLI:EU:C:2021:39
- HvJ EU 16 december 2020, C-597/18, ECLI:EU:C:2020:1028
- HvJ EU 21 september 2010, C-514/07, ECLI:EU:C:2010:541
- HvJ EU 18 maart 2010, C-419/08, ECLI:EU:C:2010:147
- HvJ EU 23 mei 1996, C-5/94, ECLI:EU:C:1996:205