HvJ EU 12 juni 2025, C-364/23, ECLI:EU:C:2025:428
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 juni 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Interinstitutionele overgang – Verzoek om overgang krachtens artikel 8 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie dat is ingediend naar aanleiding van een kennisgeving van een vacature – Afwijzing van dit verzoek – Verplichting om rekening te houden met de in artikel 29, lid 1, van dit Statuut bepaalde volgorde van prioriteit – Onjuiste rechtsopvattingen – Tegenstrijdige motivering”
In zaak C‑364/23 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 8 juni 2023,
ZR, vertegenwoordigd door A. Champetier en S. Rodrigues, avocats,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door E. Lekan en A. Lukošiūtė als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt ZR om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 maart 2023, ZR/EUIPO (T‑400/21, EU:T:2023:169; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het beroep heeft verworpen dat zij had ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 8 september 2020 waarin deze laatste haar verzoek om overgang naar het EUIPO heeft afgewezen (hierna: „litigieuze besluit”).
I. Toepasselijke bepalingen
A. Verordening 2017/1001
2 Overeenkomstig artikel 143, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), „[gelden] [h]et Statuut van de ambtenaren [van de Europese Unie], de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden [van de Unie], en de in gemeenschappelijk overleg door de instellingen van de Unie vastgestelde regelingen ter uitvoering van dat Statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, […] voor het personeel van het [EUIPO], onverminderd de toepassing van artikel 166 van deze verordening op de leden van de kamer van beroep.”
B. Het Statuut
3 Artikel 1 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Unie, in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „Statuut”), luidt als volgt: „1. Ambtenaar van de Unie in de zin van dit Statuut is hij die, op de bij dit Statuut bepaalde wijze, in een vast ambt bij een der instellingen van de Unie is aangesteld bij schriftelijk besluit van het [tot aanstelling] bevoegde gezag [(hierna: ‚TABG’)] van deze instelling. 2. Deze definitie is ook van toepassing op de personen die zijn aangesteld door de organen van de Unie, op wie dit Statuut van toepassing is krachtens de besluiten waarbij zij zijn opgericht (hierna ‚organen’ te noemen). Verwijzingen in dit Statuut naar de instellingen zijn ook van toepassing op de organen, tenzij in dit Statuut anders is bepaald.”
4 Artikel 4 van het Statuut bepaalt: „Aanstelling of bevordering kan er slechts toe strekken in een vacature te voorzien overeenkomstig de bepalingen van dit statuut. Iedere vacature bij een instelling wordt ter kennis van het personeel dezer instelling gebracht, zodra het [TABG] besloten heeft dat in deze vacature moet worden voorzien. Kan in deze vacature niet worden voorzien door overplaatsing, aanstelling in een ambt overeenkomstig artikel 45 bis of bevordering, dan wordt zij ter kennis van het personeel van de overige instellingen gebracht en/of wordt een intern vergelijkend onderzoek georganiseerd.”
5 Artikel 8 van het Statuut luidt: „De ambtenaar die bij een andere instelling van de Europese Unie is gedetacheerd, kan na zes maanden verzoeken naar deze instelling over te gaan. Indien aan dit verzoek, in onderlinge overeenstemming tussen de instelling waartoe de ambtenaar behoort en de instelling waarbij hij is gedetacheerd, gevolg wordt gegeven, wordt de ambtenaar geacht zijn gehele loopbaan bij de Unie te hebben volbracht bij laatstgenoemde instelling. Hij komt niet, uit hoofde van deze overgang, in aanmerking voor enig financieel voordeel bij dit statuut bepaald voor het geval van beëindiging van de dienst van een ambtenaar bij een instelling van de Unie. […]”
6 In artikel 29, lid 1, van het Statuut is bepaald: „Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het [TABG] eerst: a) de mogelijkheden om in het ambt te voorzien door middel van: i) overplaatsing, of ii) aanstelling overeenkomstig artikel 45 bis, of iii) bevordering binnen de instelling; b) de verzoeken tot overgang van ambtenaren in dezelfde rang van andere instellingen, en/of c) indien niet op de onder a) en b) genoemde wijzen in de vacature kon worden voorzien, de mogelijkheid om in voorkomend geval gebruik te maken van lijsten van geschikte kandidaten in de zin van artikel 30, rekening houdend met de relevante bepalingen in bijlage III betreffende geschikte kandidaten, en/of d) de mogelijkheden om een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren, dat alleen openstaat voor de ambtenaren en de tijdelijke functionarissen in de zin van artikel 2 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie; of gaat over tot een vergelijkend onderzoek op basis van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de basis van beide. […] […]”
II. Voorgeschiedenis van het geding
7 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 2 tot en met 13 van het bestreden arrest en kan als volgt worden samengevat.
8 Rekwirante, ambtenaar in de rang AD 5 bij de Europese Commissie, is op haar verzoek gedetacheerd bij het EUIPO, waar zij met ingang van 16 september 2013 de functie van assistent intellectuele eigendom heeft uitgeoefend als tijdelijk functionaris.
9 Op 1 maart 2019 heeft rekwirante met het EUIPO een nieuwe overeenkomst met een looptijd van vijf jaar gesloten, op grond waarvan zij de functie van specialist intellectuele eigendom heeft uitgeoefend als tijdelijk functionaris in de rang AD 6.
10 In maart 2020 heeft het EUIPO een interne oproep tot het indienen van blijken van belangstelling gepubliceerd met het oog op de benoeming van tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten tot EUIPO-ambtenaar in het kader van de jaarlijkse overgangsprocedure (hierna: „jaarlijkse overgangsprocedure”). Deze oproep stond open voor alle beroepsprofielen, waaronder die met betrekking tot intellectuele eigendom. Het EUIPO gaf erin aan dat het TABG de ingediende sollicitaties zou analyseren rekening houdend met het belang van de dienst en op basis van criteria zoals: i) sleutelfuncties of -kennis binnen het EUIPO; ii) loopbaan en prestaties binnen het EUIPO; iii) bestaande mogelijkheden in de personeelsformatie; iv) gevolgen voor de begroting, en v) resterende duur van de overeenkomst of resterende geldigheidsduur van de reservelijsten (hierna: „criteria op het gebied van overgangen”).
11 Rekwirante heeft op 31 maart 2020 gereageerd op de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling en verzocht om overgang naar het EUIPO overeenkomstig artikel 8 van het Statuut.
12 Op 16 april 2020 publiceerde het EUIPO de kennisgeving van een vacature EXT/20/38/AD 6/Specialist intellectuele eigendom met het oog op het opstellen van een reservelijst van kandidaten voor het uitoefenen van de functie van specialist intellectuele eigendom door middel van de aanwerving van een tijdelijk functionaris in de rang AD 6 (hierna: „externe kennisgeving van een vacature”).
13 Op 28 april 2020 heeft het EUIPO voorts de interne kennisgeving van een vacature IM/FT&TA/20/47/AD/OD bekendgemaakt voor ambtenaren of tijdelijk functionarissen in de rangen AD 5 tot en met AD 8, ter voorziening in een ambt van specialist intellectuele eigendom (hierna: „interne kennisgeving van een vacature”).
14 Op 12 mei 2020 heeft rekwirante gesolliciteerd naar aanleiding van deze interne kennisgeving van een vacature.
15 Bij e‑mail van diezelfde dag, gericht aan het TABG, heeft zij verwezen naar genoemde kennisgeving van een vacature en krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut verzocht om overgang naar het EUIPO, overeenkomstig de artikelen 8 en 29 van het Statuut (hierna: „litigieuze verzoek”).
16 Op 8 september 2020 heeft het TABG dit verzoek bij het litigieuze besluit afgewezen.
17 Op 5 november 2020 heeft het EUIPO een tijdelijk functionaris in dienst genomen, die was geselecteerd naar aanleiding van de bekendmaking van de externe kennisgeving van een vacature.
18 Op 8 december 2020 heeft rekwirante krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht tegen het litigieuze besluit ingediend, die bij besluit van 22 maart 2021 is afgewezen (hierna: „besluit op de klacht”).
III. Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 juli 2021, heeft rekwirante beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en, voor zover nodig, van het besluit op de klacht.
20 Tot staving van haar beroep heeft zij drie middelen aangevoerd. Het eerste middel was in essentie ontleend aan schending van de artikelen 4, 8, 29 en 110 van het Statuut en van het beginsel van continuïteit van loopbaan van ambtenaren van de Unie. Het tweede middel had betrekking op schending van het beginsel van gelijke behandeling. Het derde middel, ten slotte, was ontleend aan schending van de motiveringsplicht, een kennelijk onjuiste beoordeling en niet-nakoming van de zorgplicht.
21 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht deze drie middelen afgewezen en dat beroep derhalve in zijn geheel verworpen.
22 Wat met name het onderzoek van het eerste middel betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat het litigieuze verzoek moest worden aangemerkt als een verzoek om overgang krachtens artikel 8, eerste alinea, van het Statuut, en niet als een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature. Het Gerecht heeft tevens geoordeeld dat een dergelijk verzoek om overgang naar zijn aard niet kon worden beschouwd als een verzoek dat erop gericht was te voorzien in een vacature waarvoor een kennisgeving van een vacature gold, zodat het EUIPO bij de behandeling van het litigieuze verzoek geen rekening hoefde te houden met artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut noch met de regels van artikel 4 van het Statuut.
IV. Conclusies van partijen in hogere voorziening
23 Rekwirante verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het litigieuze besluit en het besluit op de klacht nietig te verklaren of, bij gebreke daarvan, de zaak voor afdoening terug te verwijzen naar het Gerecht, en – het EUIPO te verwijzen in de kosten.
24 Het EUIPO verzoekt het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel kennelijk niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren, en – rekwirante te verwijzen in de kosten van de procedure bij het Gerecht en in die van de hogere voorziening.
V. Hogere voorziening
25 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante drie middelen aan, waarmee zij opkomt tegen respectievelijk de afwijzing van elk van de drie in eerste aanleg aangevoerde middelen.
A. Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
1. Argumenten van partijen
26 Het EUIPO is van mening dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat zij hoofdzakelijk is gebaseerd op de vermeende onjuiste uitlegging van het litigieuze verzoek door het Gerecht, aangezien het Gerecht dit verzoek volgens rekwirante ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om overgang krachtens artikel 8 van het Statuut, en niet als een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature.
27 Dit argument is namelijk niet voldoende duidelijk en nauwkeurig om het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen, omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt welke de wezenlijke onderdelen zijn waarop deze hogere voorziening steunt. Bovendien vormt dit argument een poging om het litigieuze verzoek te herinterpreteren op een wijze die duidelijk in strijd is met de in het dossier vastgestelde feiten.
28 Wat betreft de overige argumenten die zijn aangevoerd tot staving van de hogere voorziening, herhaalt rekwirante enkel de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, zonder duidelijk te maken op welke onjuiste rechtsopvatting het bestreden arrest zou berusten.
29 Rekwirante betoogt dat de hogere voorziening ontvankelijk is.
2. Beoordeling door het Hof
30 Uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het betrokken middel, duidelijk moet aangegeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven (arrest van 12 december 2024, DD/FRA,C‑680/22 P, EU:C:2024:1019, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Met name een middel waarvan het betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren, voldoet niet aan die vereisten, in het bijzonder omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die ter zake onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt wat de wezenlijke onderdelen zijn waarop dat middel berust. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat een hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer zij geen coherente structuur heeft, slechts algemene beweringen bevat en geen precieze aanwijzingen verstrekt over de punten van de bestreden beslissing waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt (arrest van 12 december 2024, DD/FRA,C‑680/22 P, EU:C:2024:1019, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Voorts volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is, ten eerste, om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de aan het Hof overgelegde processtukken en, ten tweede, om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht echter de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht deze feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (arrest van 4 april 2017, Ombudsman/Staelen,C‑337/15 P, EU:C:2017:256, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat de juridische kwalificatie van het litigieuze verzoek deel uitmaakt van de juridische kwalificatie van de feiten en zij, overeenkomstig de in het vorige punt van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst. Anders dan het EUIPO stelt, wijst rekwirante bovendien op verschillende punten van het bestreden arrest, met name de punten 45 tot en met 48 en 60 tot en met 64 ervan, waarin het Gerecht volgens rekwirante blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen of de bewijzen met betrekking tot die juridische kwalificatie onjuist heeft opgevat, door op begrijpelijke wijze aan te geven waarom zij van mening is dat het bestreden arrest moet worden vernietigd.
34 Voor zover het EUIPO betoogt dat rekwirante de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, zij er voorts aan herinnerd dat wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist, de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen indien een rekwirant zijn hogere voorziening niet aldus kon baseren op middelen en argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd (arrest van 4 oktober 2024, Aeris Invest/Commissie en GAR, C‑535/22 P, EU:C:2024:819, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 De onderhavige hogere voorziening moet derhalve ontvankelijk worden verklaard.
B. Eerste middel
36 Met haar eerste middel, dat uit drie onderdelen bestaat, verwijt rekwirante het Gerecht het eerste middel dat zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, te hebben afgewezen.
1. Eerste onderdeel van het eerste middel
a) Argumenten van partijen
37 Met het eerste onderdeel van haar eerste middel betwist rekwirante de juridische kwalificatie van het litigieuze verzoek door het Gerecht en verwijt zij het Gerecht blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van de artikelen 4, 8 en 29 van het Statuut.
38 Ten eerste heeft het Gerecht volgens rekwirante in de punten 45 tot en met 48 van het bestreden arrest de bewijzen onjuist opgevat door dit verzoek niet aan te merken als een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature maar als een verzoek om overgang krachtens artikel 8 van het Statuut.
39 Ten tweede geeft deze juridische kwalificatie blijk van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen verband is tussen de artikelen 8 en 29 van het Statuut.
40 Het Gerecht heeft immers in punt 60 van het bestreden arrest een absoluut onderscheid gemaakt tussen de interinstitutionele overgangen krachtens artikel 8 van het Statuut en die naar aanleiding van de bekendmaking van kennisgevingen van interinstitutionele vacatures overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut.
41 Evenwel moet overeenkomstig artikel 4 van het Statuut iedere vacature worden bekendgemaakt en regelt artikel 29 van het Statuut de wijzen waarop in een dergelijke vacature wordt voorzien, waaronder de overgang in de zin van artikel 8 van het Statuut. De artikelen 8 en 29 van het Statuut regelen dus niet twee afzonderlijke procedures.
42 Ten derde heeft het Gerecht in de punten 48 en 61 tot en met 63 van het bestreden arrest artikel 8 van het Statuut aldus uitgelegd dat het alleen van toepassing is in geval van een verzoek om overgang zonder dat er een vacature is. Van een dergelijk geval kan echter geen sprake zijn, omdat het in strijd zou zijn met artikel 4 van het Statuut, waarin is bepaald dat er een vacant ambt moet zijn waarnaar de ambtenaar kan overgaan.
43 Het Gerecht heeft dus ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 64 van dat arrest te oordelen dat het EUIPO bij de behandeling van het litigieuze verzoek geen rekening hoefde te houden met artikel 4 en artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut.
44 Ten vierde is het litigieuze besluit het resultaat van een willekeurige procedure, namelijk de jaarlijkse overgangsprocedure, waarmee het EUIPO artikel 29 van het Statuut heeft omzeild door rekening te houden met criteria zoals prestaties of de resterende duur van de overeenkomst, die relevant zijn voor de bevordering en niet voor de aanwerving. Bovendien is deze procedure tevens in strijd met het Statuut, aangezien zij niet alleen van toepassing is op gedetacheerde ambtenaren die om overgang verzoeken, maar ook op personen die wensen te worden aangeworven van een reservelijst, terwijl deze laatsten niet kunnen worden aangeworven op basis van artikel 8 van het Statuut, aangezien zij geen ambtenaar zijn.
45 Het EUIPO betoogt dat rekwirante de in punt 60 van het bestreden arrest bedoelde en in punt 40 van het onderhavige arrest genoemde twee soorten interinstitutionele overgangen verwart, en verduidelijkt dat de jaarlijkse overgangsprocedure bedoeld is om structuur te geven aan de toepassing van artikel 8 van het Statuut bij de aanstelling, tot EUIPO-ambtenaar, van ambtenaren van andere instellingen die reeds als tijdelijk functionaris of arbeidscontractant bij het EUIPO werkzaam zijn.
46 Volgens het EUIPO heeft rekwirante tijdens de administratieve procedure en in haar verzoekschriften in eerste aanleg en in het kader van de hogere voorziening stelselmatig verwezen naar het litigieuze verzoek als een „verzoek om overgang”. Met haar hogere voorziening tracht zij evenwel aan te voeren dat het litigieuze verzoek in werkelijkheid een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature betrof, hetgeen zou betekenen dat het voorwerp van het voor het Gerecht aanhangige geding wordt gewijzigd en dat er voor het eerst voor het Hof een argument wordt aangevoerd dat rekwirante voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, zodat dit argument niet-ontvankelijk is.
47 Zelfs indien wordt aangenomen dat het litigieuze verzoek is ingediend op basis van artikel 29, lid 1, van het Statuut, neemt dit niet weg dat rekwirante een overgang naar het EUIPO wilde verkrijgen.
48 Hoe dan ook heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat het EUIPO geen rekening hoefde te houden met artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut, noch met artikel 4 ervan, aangezien de interne kennisgeving van een vacature krachtens artikel 29, lid 1, onder a), van het Statuut was bekendgemaakt om in een vacature te voorzien door de aanwerving van een ambtenaar of een tijdelijk functionaris die reeds bij dat bureau werkzaam was.
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
49 Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 170, lid 1, tweede zin, van het Reglement voor de procesvoering het voorwerp van het geschil voor het Gerecht niet mag worden gewijzigd in hogere voorziening. Volgens vaste rechtspraak is het Hof dus in hogere voorziening enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing van de rechter in eerste aanleg op de middelen en argumenten die voor hem zijn aangevoerd. Een partij kan een middel dat zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd dus niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren, aangezien zij anders bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (arrest van 27 februari 2025, Lukoil/Transparantieregister e.a.,C‑223/24 P, EU:C:2025:129, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 In casu blijkt uit de punten 56 tot en met 58 van het bestreden arrest dat rekwirante met het tweede onderdeel van het eerste middel van haar beroep in eerste aanleg in essentie heeft aangevoerd dat het EUIPO overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut het litigieuze verzoek moest onderzoeken met betrekking tot de vacature waarin het EUIPO naar aanleiding van de bekendmaking van de interne kennisgeving van een vacature wilde voorzien. Zoals naar voren komt uit punt 43 van het onderhavige arrest, verwijt rekwirante in essentie dat het Gerecht met het eerste onderdeel van het eerste middel van haar hogere voorziening blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door dit betoog af te wijzen. Hieruit volgt dat rekwirante, anders dan het EUIPO stelt, met dit eerste onderdeel geen argument aanvoert dat niet voor het Gerecht is aangevoerd en het voorwerp van het bij deze rechter aanhangige geding niet wijzigt, zodat dit onderdeel ontvankelijk is.
51 Bijgevolg is het eerste onderdeel van het eerste middel ontvankelijk.
2) Ten gronde
52 In punt 60 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat rekwirante met haar betoog dat artikel 8 en artikel 29, lid 1, van het Statuut gelijktijdig moeten worden toegepast, de interinstitutionele overgangen krachtens artikel 8 van het Statuut verwart met de interinstitutionele overgangen naar aanleiding van de bekendmaking van kennisgevingen van interinstitutionele vacatures overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut.
53 In de punten 61 en 62 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat een op artikel 8, eerste alinea, van het Statuut gebaseerd verzoek om interinstitutionele overgang naar zijn aard niet kon worden beschouwd als een verzoek dat erop gericht was te voorzien in een vacature waarvoor een kennisgeving van een vacature gold, en dat het litigieuze verzoek bijgevolg niet geldig in verband kon worden gebracht met de vacature waarop de interne kennisgeving van een vacature betrekking had.
54 Het Gerecht heeft dan ook in punt 63 van dat arrest rekwirantes argument verworpen dat het EUIPO uit hoofde van artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut verplicht was om bij de behandeling van de naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature ingediende sollicitaties rekening te houden met het litigieuze verzoek.
55 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 64 van datzelfde arrest daaraan toegevoegd dat het EUIPO bij de behandeling van dit verzoek evenmin rekening hoefde te houden met artikel 4 van het Statuut, aangezien dit artikel 29, lid 1, onder b) en dat artikel 4 betrekking hebben op de kennisgeving van vacatures aan het personeel van de andere instellingen. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat rekwirantes betoog dat het EUIPO de in dat artikel 29 genoemde volgorde van prioriteit en de regels van dat artikel 4 had geschonden, niet ter zake dienend was.
56 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat uit artikel 8, eerste alinea, van het Statuut blijkt dat een ambtenaar van een instelling van de Unie die bij een andere instelling is gedetacheerd, na zes maanden kan verzoeken naar deze instelling over te gaan.
57 Voorts volgt uit artikel 29, lid 1, onder a) tot en met c), van het Statuut dat het TABG, alvorens te voorzien in vacatures bij een instelling, eerst de mogelijkheden onderzoekt om binnen die instelling in het ambt te voorzien door middel van overplaatsing, aanstelling overeenkomstig artikel 45 bis of bevordering, alsmede de verzoeken tot overgang onderzoekt van ambtenaren in dezelfde rang van andere instellingen en/of, indien niet op deze wijzen in de vacature kon worden voorzien, de mogelijkheid onderzoekt om gebruik te maken van lijsten van geschikte kandidaten die zijn opgesteld naar aanleiding van een algemeen vergelijkend onderzoek.
58 Het Hof heeft geoordeeld dat dit artikel 29, lid 1, van het Statuut de fasen noemt die achtereenvolgens moeten worden doorlopen wanneer moet worden voorzien in een vacature bij een instelling, waarbij het TABG de in die bepaling genoemde mogelijkheden tot aanwerving achtereenvolgens moet onderzoeken. Deze bepaling verleent dus voorrang aan ambtenaren die reeds bij de betrokken instelling werkzaam zijn boven ambtenaren van andere instellingen, en geeft aan deze laatsten voorrang boven personen op lijsten van geschikte kandidaten die zijn opgesteld naar aanleiding van een algemeen vergelijkend onderzoek (zie in die zin arrest van 18 maart 1999, Carbajo Ferrero/Parlement,C‑304/97 P, EU:C:1999:152, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Hierbij zij opgemerkt dat de begrippen „overgang” in de zin van artikel 8 van het Statuut en „overplaatsing” in de zin van artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut als gelijkwaardig moeten worden beschouwd.
60 Ofschoon in de Franse taalversie van deze bepalingen respectievelijk de termen transféré/transfert en mutation worden gebruikt, worden in tal van andere taalversies van deze bepalingen immers dezelfde of althans zeer vergelijkbare termen gebruikt. Dit geldt niet alleen voor de Engelse taalversie van deze bepalingen, de procestaal (respectievelijk transferred/transfer en transfer), maar ook voor de Spaanse (transferido/transferencia en traslado), de Duitse (Übernahme en Übernahmeanträge), de Italiaanse (trasferito/trasferimento en trasferimento), de Nederlandse (over te gaan/overgang en overgang), de Portugese (transferência en transferência) of de Roemeense (transferul/transfer en transfer) taalversie van die bepalingen.
61 Overigens heeft het Hof in verband met de in artikel 7 van het Statuut bedoelde overplaatsing binnen een instelling reeds geoordeeld dat er sprake is van een overplaatsing wanneer een ambtenaar een vacant ambt gaat bezetten (zie in die zin arresten van 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie, 161/80 en 162/80, EU:C:1981:51, punt 19, en 21 mei 1981, Kindermann/Commissie,60/80, EU:C:1981:115, punt 12).
62 Hieruit volgt dat wanneer het TABG overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het Statuut heeft vastgesteld dat de aanwervingsprocedure ten minste tot de in artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut bedoelde verzoeken moet worden uitgebreid, teneinde de persoon te kunnen aanstellen die uit een oogpunt van prestatievermogen, vakbekwaamheid en integriteit aan de hoogste eisen voldoet, het TABG een kennisgeving van een vacature moet publiceren, waarin overeenkomstig laatstgenoemde bepaling rekening moet worden gehouden met de krachtens artikel 8 van het Statuut ingediende verzoeken om interinstitutionele overgang.
63 Het is juist dat artikel 8 van het Statuut betrekking heeft op de situatie van een individueel beschouwde ambtenaar, door hem het recht te verlenen om te verzoeken over te gaan naar de instelling waarbij hij sinds ten minste zes maanden is gedetacheerd. Dit betekent evenwel niet dat wanneer het TABG het noodzakelijk acht om, teneinde de persoon te kunnen aanstellen die uit een oogpunt van prestatievermogen, vakbekwaamheid en integriteit aan de hoogste eisen voldoet, de aanwervingsprocedure uit te breiden en verder te laten gaan dan de mogelijkheden die artikel 29, lid 1, onder a), van het Statuut biedt, het TABG geen rekening hoeft te houden met verzoek om interinstitutionele overgang dat is ingediend krachtens artikel 8 van het Statuut.
64 Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 4, eerste alinea, van het Statuut, kan elke aanstelling er immers slechts toe strekken in een vacature te voorzien. Dientengevolge, en zoals rekwirante betoogt, kan een ambtenaar in geval van een interinstitutionele overgang krachtens artikel 8 van het Statuut dus alleen overgaan naar een vacant ambt bij de instelling waarbij hij is gedetacheerd, daaronder begrepen naar het ambt dat hij bij zijn detachering tijdelijk vervult. Bovendien moet het vacante ambt waarnaar die ambtenaar overgaat, overeenkomstig artikel 1 bis, lid 1, van het Statuut een vast ambt zijn. Om in een dergelijke vacature te voorzien, moet het TABG de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bedoelde volgorde van prioriteit in acht nemen (zie in die zin en naar analogie arresten van 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie, 161/80 en 162/80, EU:C:1981:51, punt 19, en 21 mei 1981, Kindermann/Commissie,60/80, EU:C:1981:115, punt 12).
65 Het is juist dat – zoals het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht – het Statuut geen recht verleent op een interinstitutionele overgang krachtens artikel 8 van het Statuut.
66 Uit dit artikel blijkt evenwel dat de ambtenaar van een instelling die sinds ten minste zes maanden bij een andere instelling is gedetacheerd, kan verzoeken naar die andere instelling over te gaan. Teneinde de doeltreffendheid van dit recht te waarborgen, is elke instelling die een dergelijk verzoek ontvangt in het kader van een uitgebreide aanwervingsprocedure die verder gaat dan de mogelijkheden die artikel 29, lid 1, onder a), van het Statuut biedt, verplicht hiermee rekening te houden en het verzoek in overweging te nemen met het oog op de invulling van de betrokken vacature.
67 Door in punt 61 van het bestreden arrest te oordelen dat een op artikel 8, eerste alinea, van het Statuut gebaseerd verzoek om interinstitutionele overgang naar zijn aard niet kon worden beschouwd als een verzoek dat erop gericht was te voorzien in een vacature waarvoor een kennisgeving van een vacature gold, heeft het Gerecht dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
68 Bijgevolg zijn ook de punten 62 tot en met 64 van dat arrest, die op deze onjuiste premisse zijn gebaseerd, onrechtmatig.
69 Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de in punt 67 van het onderhavige arrest bedoelde onjuiste rechtsopvatting bovendien ook gevolgen gehad voor de juridische kwalificatie van het litigieuze verzoek. In de punten 40 tot en met 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers in essentie uitgesloten dat het litigieuze verzoek kon worden beschouwd en behandeld als een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het Statuut, omdat het verzoek was gebaseerd op artikel 8 van het Statuut en deze twee bepalingen volgens het Gerecht niet gelijktijdig konden worden toegepast.
70 Aangezien laatstgenoemde beoordeling van het Gerecht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, moet worden opgemerkt dat ook de juridische kwalificatie van het litigieuze verzoek blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zonder dat hoeft te worden onderzocht of het Gerecht, zoals rekwirante stelt, de bewijzen met betrekking tot die kwalificatie onjuist heeft opgevat.
71 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden aanvaard.
2. Derde onderdeel van het eerste middel
a) Argumenten van partijen
72 Met het derde onderdeel van haar eerste middel stelt rekwirante dat zij in eerste aanleg heeft betoogd dat de jaarlijkse overgangsprocedure geen rechtsgrondslag had, dat die procedure in strijd was met de artikelen 4 en 29 van het Statuut en dat er geen verband bestond tussen die procedure en artikel 8 van het Statuut. Het Gerecht is echter – in strijd met de rechten van verdediging – slechts gedeeltelijk op deze argumenten ingegaan.
73 In punt 69 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers geoordeeld dat rekwirantes argumenten betreffende de jaarlijkse overgangsprocedure irrelevant waren, aangezien deze betrekking hadden op haar in punt 11 van het onderhavige arrest bedoelde verzoek om overgang van 31 maart 2020, terwijl het beroep in eerste aanleg een ander overgangsverzoek betrof, dat was ingediend buiten de termijn voor het indienen van blijken van belangstelling in het kader van die procedure.
74 Deze vaststelling is evenwel in tegenspraak met punt 47 van het bestreden arrest en berust tevens op een onjuiste opvatting van de bewijzen, aangezien uit het dossier blijkt dat het litigieuze besluit is vastgesteld in het kader van de jaarlijkse overgangsprocedure en het Gerecht in punt 51 van dat arrest heeft bevestigd dat „uit het [litigieuze] besluit blijkt dat het EUIPO het litigieuze verzoek heeft geanalyseerd in het licht van de criteria op het gebied van overgangen”.
75 Rekwirante is derhalve van mening dat zij het recht heeft om op te komen tegen de jaarlijkse overgangsprocedure, aangezien deze op haar is toegepast.
76 In zijn antwoord stelt het EUIPO dat rekwirante enkel de argumenten herhaalt die zij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, zodat deze argumenten niet-ontvankelijk zijn. Aangezien het litigieuze verzoek is ingediend onder verwijzing naar de interne kennisgeving van een vacature, is bovendien elk argument waarmee de jaarlijkse overgangsprocedure wordt betwist, irrelevant.
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
77 Wat de ontvankelijkheid van het derde onderdeel van het eerste middel betreft, volstaat het vast te stellen dat rekwirante niet enkel middelen en argumenten herhaalt die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd, maar het Gerecht met name verwijt dat het niet alle argumenten heeft onderzocht die zij heeft aangevoerd om de rechtmatigheid van de jaarlijkse overgangsprocedure ter discussie te stellen en dat de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdig is.
78 Zowel de vraag of het Gerecht het voorwerp of de inhoud van de verschillende door de verzoekende partij aangevoerde vorderingen en middelen heeft gewijzigd (zie in die zin arrest van 7 juni 2018, Ori Martin/Hof van Justitie van de Europese Unie,C‑463/17 P, EU:C:2018:411, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak) als de vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig is (arrest van 12 december 2024, DD/FRA,C‑587/21 P, EU:C:2024:1017, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zijn rechtsvragen die in het kader van een hogere voorziening kunnen worden opgeworpen.
79 Hieruit volgt dat, overeenkomstig de in punt 34 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak, het derde onderdeel van het eerste middel ontvankelijk is.
2) Ten gronde
80 In punt 69 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat elk argument met betrekking tot de jaarlijkse overgangsprocedure irrelevant was in het kader van de rechtmatigheidstoetsing van het litigieuze besluit, aangezien het litigieuze verzoek was ingediend buiten de termijn voor het indienen van blijken van belangstelling in het kader van die procedure.
81 Zoals rekwirante betoogt, spreekt deze vaststelling met name de vaststelling in punt 51 van dat arrest tegen, namelijk dat „uit het [litigieuze] besluit blijkt dat het EUIPO het litigieuze verzoek heeft geanalyseerd in het licht van de criteria op het gebied van overgangen” en dat „het litigieuze verzoek talrijke verwijzingen naar [deze] criteria bevat”, met dien verstande dat die criteria zijn ontwikkeld in het kader van de jaarlijkse overgangsprocedure, zoals blijkt uit punt 10 van het onderhavige arrest.
82 Bijgevolg geeft de motivering van het bestreden arrest dienaangaande blijk van een tegenstrijdigheid.
83 Punt 69 van het bestreden arrest, waarin is geoordeeld dat „elk argument met betrekking tot de jaarlijkse overgangsprocedure irrelevant is in het kader van de rechtmatigheidstoetsing van het [litigieuze besluit]”, is immers in tegenspraak met punt 51 van dat arrest, waarin is vastgesteld dat „uit het [litigieuze] besluit blijkt dat het EUIPO het litigieuze verzoek heeft geanalyseerd in het licht van de criteria op het gebied van overgangen”.
84 Gelet op het voorgaande moet het derde onderdeel van het eerste middel worden aanvaard.
C. Eerste onderdeel van het tweede middel
1. Argumenten van partijen
85 Met haar tweede middel, dat uit drie onderdelen bestaat, verwijt rekwirante het Gerecht het tweede middel dat zij in eerste aanleg had aangevoerd, te hebben afgewezen.
86 Met het eerste onderdeel van haar tweede middel komt rekwirante op tegen het feit dat het Gerecht haar argumenten betreffende de ongelijke behandeling van externe kandidaten en ambtenaren die wensten over te gaan naar een andere instelling heeft afgewezen op grond dat deze argumenten waren gebaseerd op niet-inachtneming van de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde van prioriteit.
87 In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat, gelet op de kwalificatie van het litigieuze verzoek als een „verzoek om overgang krachtens artikel 8, eerste alinea, van het Statuut”, elk argument inzake schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut irrelevant was.
88 In de tweede plaats betwist rekwirante de vaststelling in punt 79 van het bestreden arrest dat zij als ambtenaar die verzoekt om naar het EUIPO over te gaan, haar situatie niet kan gelijkstellen met die van een tijdelijk aangeworven kandidaat omdat voor deze twee situaties twee verschillende regelingen gelden, namelijk respectievelijk het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie. Volgens rekwirante is deze vaststelling immers niet in overeenstemming met de interne kennisgeving van een vacature, die zowel openstond voor ambtenaren als voor tijdelijke functionarissen.
89 Het EUIPO betoogt dat rekwirante met haar tweede middel tracht het litigieuze verzoek te herinterpreteren als een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature, hetgeen een onrechtmatige poging vormt om een nieuw onderzoek van de feiten en bewijzen van het dossier te verkrijgen, zodat dit middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
90 Hoe dan ook voert het EUIPO met betrekking tot het eerste onderdeel van dit middel aan dat de interne kennisgeving van een vacature niet kon worden toegepast op de bij het EUIPO gedetacheerde ambtenaren, dat wil zeggen op de situatie waarin rekwirante zich bevond.
2. Beoordeling door het Hof
a) Ontvankelijkheid
91 Voor zover rekwirante volgens het EUIPO met haar tweede middel tracht het litigieuze verzoek te herinterpreteren als een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature, hetgeen een onrechtmatige poging vormt om een nieuw oordeel van de feiten en bewijzen van het dossier te verkrijgen, volstaat het op te merken dat rekwirante om redenen die zijn uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel de juridische kwalificatie van dat verzoek kan betwisten.
92 Bijgevolg is het tweede middel, het eerste onderdeel ervan daaronder begrepen, ontvankelijk.
b) Ten gronde
93 Het eerste onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op de afwijzing door het Gerecht van rekwirantes betoog dat de niet-inachtneming van de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde van prioriteit heeft geleid tot een ongelijke behandeling van externe kandidaten en ambtenaren die wensten te worden overgeplaatst.
94 In punt 76 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in essentie geoordeeld dat elk argument inzake schending van deze bepaling irrelevant was, aangezien het bij hem ingestelde beroep strekte tot nietigverklaring van een besluit tot afwijzing van een op artikel 8, eerste alinea, van het Statuut gebaseerd verzoek om overgang, namelijk het litigieuze besluit, en niet tot nietigverklaring van een besluit tot afwijzing van rekwirantes sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature.
95 Om de bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel uiteengezette redenen moet worden geoordeeld dat deze conclusie blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de volgorde van prioriteit relevant kan zijn voor het onderzoek van het litigieuze verzoek door het EUIPO.
96 Om dezelfde redenen geeft ook punt 79 van het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In dat punt heeft het Gerecht immers geoordeeld dat rekwirantes argument inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling ongegrond was, aangezien rekwirantes situatie en die van de kandidaat die naar aanleiding van de bekendmaking van de externe kennisgeving van een vacature tijdelijk is aangeworven, onder twee verschillende regelingen vallen, namelijk respectievelijk het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, zodat die situaties niet vergelijkbaar zijn.
97 Zodra het TABG het noodzakelijk heeft geacht om een aanwervingsprocedure uit te breiden en verder te laten gaan dan de mogelijkheden die artikel 29, lid 1, onder a), van het Statuut biedt, zijn zowel de ambtenaren in rekwirantes situatie als de kandidaten die als tijdelijk functionaris in een vast ambt zijn aangeworven, onderworpen aan de bepalingen van hoofdstuk 1 van titel III van het Statuut, waarin met name dat artikel 29, lid 1 is opgenomen.
98 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden aanvaard.
99 Aangezien het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel alsmede het eerste onderdeel van het tweede middel slagen, moet bijgevolg de hogere voorziening worden toegewezen, zodat het bestreden arrest moet worden vernietigd, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere onderdelen van deze middelen of over het derde middel.
VI. Beroep bij het Gerecht
100 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
101 Dat is in casu het geval.
102 Zoals in punt 20 van het onderhavige arrest is vermeld, heeft rekwirante ter ondersteuning van haar beroep drie middelen aangevoerd: ten eerste, in essentie, schending van de artikelen 4, 8, 29 en 110 van het Statuut en van het beginsel van continuïteit van de loopbaan van ambtenaren van de Unie; ten tweede, schending van het beginsel van gelijke behandeling en, ten derde, schending van de motiveringsplicht, een kennelijk onjuiste beoordeling en niet-nakoming van de zorgplicht.
103 Met haar eerste middel voert rekwirante met name aan dat het EUIPO artikel 29 van het Statuut heeft geschonden door het litigieuze verzoek niet in aanmerking te nemen in het kader van de interne kennisgeving van een vacature. Rekwirante voegt hieraan toe dat deze kennisgeving van een vacature niet aangeeft dat zij op dat artikel 29, lid 1, onder a), is gebaseerd en, meer in het algemeen, niet vermeldt op welke rechtsgrondslag zij is gebaseerd.
104 Het EUIPO antwoordt dat het het litigieuze verzoek niet in aanmerking kon nemen in het kader van die interne kennisgeving van een vacature, aangezien deze betrekking had op de „interne mobiliteit” van het personeel van het EUIPO en dus uitsluitend was gericht tot de ambtenaren en tot de tijdelijke functionarissen van het EUIPO, en niet tot de ambtenaren van andere instellingen, zoals rekwirante, een ambtenaar van de Commissie.
105 Uit de lezing van het litigieuze besluit en het besluit op de klacht komt naar voren dat het EUIPO het litigieuze verzoek heeft afgewezen hoofdzakelijk op grond dat dit verzoek niet in aanmerking kon worden genomen in het kader van de interne kennisgeving van een vacature, aangezien deze kennisgeving was bekendgemaakt overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder a), van het Statuut en alleen was gericht tot de ambtenaren en tot de tijdelijke functionarissen van het EUIPO, en niet tot de ambtenaren van andere instellingen, zoals rekwirante. Volgens het EUIPO kon dat verzoek alleen in aanmerking worden genomen in het kader van een overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b), van het Statuut bekendgemaakte kennisgeving van een interinstitutionele overgang. Het EUIPO heeft er ook op gewezen dat het rekwirantes verzoek om overgang had onderzocht in het kader van de jaarlijkse overgangsprocedure en in het licht van de criteria op het gebied van overgangen, en dat het heeft vastgesteld dat rekwirantes overgang naar het EUIPO niet in het belang van de dienst was, met name gelet op het beperkte aantal beschikbare ambten. De externe kennisgeving van een vacature was irrelevant voor de beoordeling van het litigieuze verzoek, aangezien die kennisgeving was gericht op de aanwerving van tijdelijke functionarissen en rekwirante reeds een ambt van tijdelijk functionaris bij het EUIPO vervulde.
106 Zoals rekwirante betoogt, wordt in de interne kennisgeving van een vacature, waarvan zij een kopie bij haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft gevoegd, niet vermeld op grond van welke punten van artikel 29, lid 1, van het Statuut deze werd bekendgemaakt. Uit de in die kennisgeving opgenomen vermelding dat zowel ambtenaren als tijdelijke functionarissen konden solliciteren kan overigens worden afgeleid dat het volgens het TABG noodzakelijk was om, teneinde de persoon te kunnen aanstellen die uit een oogpunt van prestatievermogen, vakbekwaamheid en integriteit aan de hoogste eisen voldoet, de aanwervingsprocedure uit te breiden en verder te laten gaan dan de mogelijkheden die dat artikel 29, lid 1, onder a), biedt.
107 Blijkens punt 69 van het onderhavige arrest had het TABG in een dergelijke context het litigieuze verzoek moeten beschouwen en behandelen als een sollicitatie naar aanleiding van de interne kennisgeving van een vacature overeenkomstig dat artikel 29, lid 1.
108 Zoals in punt 66 van het onderhavige arrest is aangegeven, is de instelling die een krachtens artikel 8 van het Statuut ingediend verzoek om overgang ontvangt in het kader van een uitgebreide aanwervingsprocedure die verder gaat dan de mogelijkheden die datzelfde artikel 29, lid 1, onder a), biedt, immers verplicht hiermee rekening te houden en het verzoek in overweging te nemen met het oog op de invulling van de betrokken vacature. Bijgevolg kon het TABG het litigieuze verzoek niet afwijzen op grond dat rekwirante oorspronkelijk een ambtenaar van de Commissie was.
109 De omstandigheid dat het litigieuze verzoek door het TABG is onderzocht in het kader van een andere procedure, namelijk de jaarlijkse overgangsprocedure, kan niet tot een andere conclusie leiden, temeer daar een van de redenen die het TABG heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van zijn weigering om in het kader van die procedure te verzoeken om rekwirantes overgang, het beperkte aantal beschikbare ambten was.
110 Bijgevolg moet het eerste middel van het beroep worden aanvaard en moet het litigieuze besluit nietig worden verklaard, zonder dat de andere middelen van het beroep hoeven te worden onderzocht.
111 Met betrekking tot de vordering van het beroep die strekt tot nietigverklaring, „voor zover nodig”, van het besluit op de klacht, zij opgemerkt dat over deze vordering niet specifiek uitspraak hoeft te worden gedaan, aangezien het besluit op de klacht het litigieuze besluit slechts bevestigt (zie in die zin arrest van 21 februari 2018, LL/Parlement,C‑326/16 P, EU:C:2018:83, punten 36 tot en met 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
VII. Kosten
112 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet.
113 Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten voor zover dit is gevorderd.
114 Aangezien het EUIPO in casu in het ongelijk is gesteld, dient het EUIPO overeenkomstig de vordering van rekwirante te worden verwezen in zijn eigen kosten alsook in de kosten die rekwirante in het kader van de onderhavige hogere voorziening en in eerste aanleg heeft gemaakt.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 maart 2023, ZR/EUIPO (T‑400/21, EU:T:2023:169), wordt vernietigd.
2) Het besluit van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 8 september 2020 tot afwijzing van het verzoek van ZR van 12 mei 2020, waarbij deze laatste overeenkomstig de artikelen 8 en 29 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie heeft verzocht om haar overgang naar het EUIPO, wordt nietig verklaard.
3) Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wordt verwezen in zijn eigen kosten alsook in de kosten die ZR in het kader van de onderhavige hogere voorziening en in eerste aanleg heeft gemaakt.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 12 december 2024, C-587/21, ECLI:EU:C:2024:1017
- HvJ EU 12 december 2024, C-680/22, ECLI:EU:C:2024:1019
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-535/22, ECLI:EU:C:2024:819
- HvJ EU 7 juni 2018, C-463/17, ECLI:EU:C:2018:411
- HvJ EU 21 februari 2018, C-326/16, ECLI:EU:C:2018:83
- HvJ EU 4 april 2017, C-337/15, ECLI:EU:C:2017:256