HvJ EU 12 december 2024, C-680/22, ECLI:EU:C:2024:1019

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

12 december 2024 ( *1 )

„Hogere voorziening – Ambtenarenrecht – Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie – Tijdelijke functionarissen – Tuchtprocedure – Administratief onderzoek – Begrip ‚plagiaat’ – Aanstelling door het tot aanstelling bevoegd gezag van een onderzoeker met wie dat gezag een zakenrelatie heeft – Belangenconflict – Artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Objectieve onpartijdigheid – Artikel 17 bis – Vrijheid van meningsuiting van de ambtenaar – Artikelen 11, 12 en 21 – Eerbiediging van de beginselen van loyaliteit en onpartijdigheid”

In zaak C‑680/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 november 2022,

DD, vertegenwoordigd door N. Lorenz, Rechtsanwältin,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. O’Flaherty, vervolgens door S. Rautio als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, Rechtsanwalt,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en Z. Csehi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 december 2023,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening verzoekt DD om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 september 2022, DD/FRA (T‑470/20, EU:T:2022:511; hierna: „bestreden arrest”), houdende afwijzing van zijn beroep tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van 12 november 2019 waarbij hem de tuchtmaatregel van ontslag is opgelegd (hierna: „ontslagbesluit”) en van het besluit van 15 april 2020 tot afwijzing van de klacht tegen het ontslagbesluit (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”), alsook, ten tweede, vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij stelt te hebben geleden.

Toepasselijke bepalingen

2 Artikel 11, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt: „Een ambtenaar houdt bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden en bij het bepalen van zijn gedrag uitsluitend de belangen van de [Europese] Unie voor ogen. Hij vraagt noch aanvaardt aanwijzingen van enige regering of van enig gezag, organisatie of persoon buiten zijn instelling. Hij vervult de hem toevertrouwde taken op objectieve en onpartijdige wijze en met inachtneming van zijn loyaliteitsplicht tegenover de Unie.”

3 Artikel 12 van het Statuut luidt: „De ambtenaar dient zich te onthouden van iedere handeling en van iedere manier van optreden die afbreuk zouden kunnen doen aan de waardigheid van zijn functie als ambtenaar.”

4 Artikel 17 bis, lid 1, van het Statuut luidt: „De ambtenaar heeft het recht van vrijheid van meningsuiting mits hij de beginselen van loyaliteit en onpartijdigheid betracht.”

5 Artikel 21 van het Statuut bepaalt: „Ongeacht de rang welke hij in het ambtelijk bestel bekleedt, is iedere ambtenaar verplicht zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen; hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken welke hem zijn toevertrouwd. De ambtenaar, belast met de zorg voor de gang van zaken in een tak van dienst, is verantwoordelijk tegenover zijn chefs voor de uitoefening van het gezag dat hem is toegekend, alsmede voor de uitvoering der door hem verstrekte opdrachten. De eigen verantwoordelijkheid zijner ondergeschikten ontheft hem in genen dele van de verantwoordelijkheid welke hij zelf draagt.”

6 Titel VI van het Statuut heeft als opschrift „Tuchtregeling”. Die titel omvat artikel 86 van het Statuut dat luidt als volgt: „1. De ambtenaar of gewezen ambtenaar die, opzettelijk of uit nalatigheid, de hem door dit Statuut opgelegde verplichtingen niet nakomt, stelt zich aan een tuchtmaatregel bloot. 2. Wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag [(hierna: ‚TABG’)] of [het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)] kennis [krijgt] van gegevens die het bestaan van een verzuim in de zin van lid 1 doen vermoeden, kunnen zij een administratief onderzoek instellen teneinde na te gaan of er inderdaad sprake is van een dergelijk verzuim. 3. De tuchtmaatregelen en -procedures en de maatregelen en de procedures betreffende het administratief onderzoek staan in bijlage IX.”

7 Bijlage IX bij het Statuut, met als opschrift „Tuchtprocedure”, bepaalt in artikel 1 het volgende: „1. Wanneer bij een onderzoek van OLAF de mogelijke persoonlijke betrokkenheid van een ambtenaar of een voormalig ambtenaar van een instelling aan het licht wordt gebracht, wordt deze ambtenaar hiervan spoedig op de hoogte gesteld zolang het onderzoek daardoor niet wordt gehinderd. In ieder geval mogen conclusies die specifiek een met name genoemd ambtenaar van de instelling betreffen, na afronding van het onderzoek pas worden vastgesteld nadat de betrokkene zijn oordeel over de feiten heeft kunnen geven. In de conclusies wordt naar dat oordeel verwezen. 2. In gevallen waarin voor het onderzoek absolute geheimhouding is vereist en waarin gebruik moet worden gemaakt van onderzoekprocedures die onder de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke instantie vallen, kan de nakoming van de verplichting om de ambtenaar van de instelling te vragen zijn oordeel te geven, in overleg met het [TABG] worden opgeschort. In dat geval kan geen tuchtprocedure worden ingeleid voordat de betrokken ambtenaar zijn oordeel heeft kunnen geven. 3. Als na een OLAF-onderzoek blijkt dat een ambtenaar van de instelling jegens wie bepaalde aantijgingen zijn geuit, niets ten laste kan worden gelegd, wordt het onderzoek zonder verder gevolg afgesloten bij besluit van de directeur van OLAF, die de ambtenaar en de instelling waartoe hij behoort daarvan schriftelijk op de hoogte stelt. De ambtenaar kan vragen dat dit besluit in zijn persoonsdossier wordt opgenomen.”

8 Artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut luidt: „1. Het bepaalde in artikel 1 van deze bijlage is mutatis mutandis van toepassing op andere door het [TABG] ingestelde administratieve onderzoeken. 2. Wanneer het onderzoek is afgerond brengt het [TABG] de betrokkene daarvan op de hoogte en doet het hem de conclusies van het onderzoeksrapport toekomen, alsmede, als hij daarom vraagt, alle documenten die rechtstreeks verband houden met de jegens hem geuite aantijgingen, mits de legitieme belangen van derden worden beschermd. […]”

9 Artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut luidt: „Op grond van het onderzoeksrapport kan het [TABG], nadat het de betrokken ambtenaar inzage in al het bewijsmateriaal uit het dossier heeft gegeven en hem heeft gehoord: a) besluiten dat tegen de betrokken ambtenaar geen duidelijke beschuldigingen kunnen worden ingebracht. De betrokken ambtenaar krijgt daarvan schriftelijk bericht, of b) besluiten dat, zelfs indien verplichtingen niet zijn of lijken te zijn nagekomen, geen tuchtmaatregel wordt getroffen en, in voorkomend geval, de betrokken ambtenaar een terechtwijzing geven; of c) in geval van niet-nakoming van de verplichtingen, als bedoeld in artikel 86 van het Statuut: i) besluiten de in afdeling 4 bedoelde tuchtprocedure in te leiden, of ii) besluiten een tuchtprocedure bij de tuchtraad in te leiden.”

10 Artikel 22 van bijlage IX bij het Statuut luidt: „1. Na de ambtenaar te hebben gehoord neemt het [TABG] binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het advies van de raad, zijn besluit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 9 en 10 van deze bijlage. Dit besluit dient met redenen te zijn omkleed. 2. Als het [TABG] besluit de zaak af te sluiten zonder een tuchtmaatregel op te leggen, stelt het de ambtenaar daarvan onverwijld schriftelijk in kennis. De ambtenaar kan vragen dat dit besluit in zijn persoonsdossier wordt opgenomen.”

Voorgeschiedenis van het geding

11 De voorgeschiedenis van het geding wordt als volgt uiteengezet in de punten 2 tot en met 36 van het bestreden arrest: „2 Op 1 augustus 2000 werd [rekwirant] door het tot het aangaan van de aanstellingsovereenkomst bevoegde gezag (hierna: ‚TAOBG’) van een instantie van de Unie – het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (EUMC), thans het FRA – aangeworven als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder a), van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: ‚RAP’). Hij kreeg aanvankelijk een overeenkomst voor bepaalde tijd en met ingang van 16 december 2006 een overeenkomst voor onbepaalde tijd. 3 Bij brief van 13 juni 2013 heeft de toenmalige directeur van het FRA [rekwirant] in kennis gesteld van zijn besluit om zijn overeenkomst op te zeggen. 4 Bij arrest van 8 oktober 2015, DD/FRA (F‑106/13 en F‑25/14, EU:F:2015:118; hierna: ‚arrest houdende nietigverklaring’), heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken het ontslagbesluit nietig verklaard op grond dat de directeur van het FRA [rekwirant] vóór de vaststelling ervan niet uitdrukkelijk had meegedeeld dat hij op basis van verschillende incidenten voornemens was zijn overeenkomst op te zeggen en hem niet had verzocht zijn oordeel daarover te geven. 5 Op 29 februari 2016 heeft het FRA, onder leiding van een nieuwe directeur, [rekwirant] in zijn functie herplaatst ter uitvoering van het [arrest houdende nietigverklaring]. 6 Bij e-mail van dezelfde dag werd [rekwirant] door zijn afdelingshoofd verzocht om een interne nota van circa 15 tot 20 bladzijden te schrijven over mensenrechtennormen en de rechtspraak inzake de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst op internationaal niveau en op het niveau van de Unie. Deze nota moest uiterlijk op 18 maart 2016 klaar zijn. 7 [Rekwirant] heeft zijn afdelingshoofd bij e-mail van 18 maart 2016 een document van 31 bladzijden toegestuurd dat werd omschreven als ‚een eerste ontwerp over de vrijheid van godsdienst’, met als opschrift ‚Interne informatienota over mogelijke relevante FRA-projecten betreffende de vrijheid van gedachte’ (hierna: ‚betwiste nota’). 8 Begin april 2016 werd de betwiste nota opgenomen in het documentenbeheersysteem van het FRA (document management system; hierna: ‚DMS’), waartoe alle collega’s van [rekwirant] toegang hadden. 9 Op 7 april 2016 heeft het afdelingshoofd van [rekwirant] hem meegedeeld dat hij de betwiste nota naar de directeur van het FRA had doorgestuurd en heeft hij [rekwirant] verzocht de link naar dit document in het DMS toe te sturen aan een van zijn collega’s, zodat deze kennis kon nemen van het document en de daarin vervatte analyse. 10 Bij e-mail van 16 oktober 2017 heeft het afdelingshoofd [rekwirant] verzocht om de betwiste nota te herwerken en de aan de vrijheid van godsdienst gewijde analyse vanuit het oogpunt van de Unie grondiger uit te werken, rekening houdend met een eventuele publicatie. 11 Verder is het zo dat [rekwirant] op 7 november 2017 een intern beroep heeft ingesteld tegen zijn beoordelingsrapport voor het jaar 2016, waarbij hij aanvoerde dat de beoordeling van zijn efficiëntie, zijn bekwaamheid en zijn gedrag ‚zeer goed’ in plaats van ‚bevredigend’ had moeten zijn. In dit verband heeft [rekwirant] met betrekking tot de betwiste nota ten eerste aangevoerd dat zijn afdelingshoofd, die zijn beoordelaar was, tijdens het beoordelingsgesprek weliswaar bevestigde dat die nota zeer nuttig was en dat de doelstelling ervan bereikt was, maar dat hij er later kritiek op had geuit. Ten tweede waren de opmerkingen van de beoordelaar over het feit dat de betwiste nota voornamelijk uit verwijzingen naar rechtspraak bestond volgens [rekwirant] onterecht, aangezien in de nota ook een juridische, conceptuele en beleidsanalyse was opgenomen. 12 Op 1 december 2017 heeft [rekwirant] een herwerkte versie van de betwiste nota verstuurd. 13 Op 5 december 2017 heeft de directeur van het FRA het interne beroep tegen het beoordelingsrapport van 2016 verworpen. Bij die gelegenheid heeft de directeur van het FRA aangegeven dat hij had vernomen dat heel wat tekst in de betwiste nota rechtstreeks was overgenomen uit verschillende bronnen, met name documenten van de Raad van Europa, zonder dat die documenten in die nota van bronvermelding waren voorzien, en dat [rekwirant] zijn afdelingshoofd hier niet van op de hoogte had gebracht en aldus de indruk had gewekt dat die nota een eigen verwezenlijking was. 14 Op 9 februari 2018 heeft de directeur van het FRA OLAF geraadpleegd over de mogelijkheid om een administratief onderzoek in te stellen naar het gedrag van [rekwirant]. 15 Op 20 maart 2018 heeft OLAF besloten geen onderzoek in te stellen omdat er ‚onvoldoende aanwijzingen waren voor fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten’. 16 Op 23 maart 2018 heeft de directeur van het FRA een administratief onderzoek ingesteld naar het gedrag van [rekwirant] met betrekking tot de betwiste nota (hierna: ‚besluit tot instelling van het administratief onderzoek’). De aangestelde onderzoeker [(hierna: ‚onderzoeker’)] heeft verklaard dat er geen sprake was van een belangenconflict. Met dit onderzoek moest ten eerste worden uitgemaakt in hoeverre [rekwirant] precies de betwiste nota, waarin passages waren opgenomen die kwamen uit niet van het FRA afkomstige documenten en die noch als citaten waren aangeduid noch van bronvermelding waren voorzien, had voorgesteld als een eigen verwezenlijking, ten tweede op welke van die documenten er eventueel auteursrechten rustte, ten derde of [rekwirant] in het kader van zijn werkzaamheden bij het FRA nog andere documenten op het gebied van vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst had opgesteld waarbij er ook sprake was van de twee voornoemde omstandigheden, en ten vierde of er eventueel sprake was van een schending van het Statuut of intellectuele-eigendomsrechten. 17 Op 23 en 24 april 2018 heeft de onderzoeker zeven getuigen gehoord en ook [rekwirant], die aan de onderzoeker schriftelijke opmerkingen heeft verstrekt. 18 Op 17 juni 2018 heeft de onderzoeker [rekwirant] zijn voorlopige conclusies toegestuurd. 19 Op 2 juli 2018 heeft [rekwirant] opmerkingen ingediend over de voorlopige conclusies van de onderzoeker. 20 Op 23 juli 2018 heeft de onderzoeker zijn eindrapport ingediend (hierna: ‚onderzoeksrapport’), waarin er tot de conclusie is gekomen dat [rekwirant] de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut en zijn plichten tot loyaliteit en samenwerking had geschonden. De onderzoeker heeft in wezen ten eerste opgemerkt dat het kopiëren en gebruiken van het werk van anderen zonder bronvermelding en het vervolgens afdoen daarvan als een eigen verwezenlijking, een vorm van bedrog, oneerlijkheid en bedrieglijke toe-eigening was die niet alleen indruiste tegen artikel 12 van het Statuut, maar ook tegen nagenoeg elke morele norm, ten tweede dat [rekwirant] de andere leden van zijn afdeling bewust had misleid en belangrijke informatie had achtergehouden, hetgeen in strijd was met de artikelen 11 en 12 van het Statuut, ten derde dat het feit dat [rekwirant] een periode van drie weken nodig had gehad voor de betwiste nota terwijl deze voornamelijk gekopieerd werk betrof, een andere, relatief lichte schending van artikel 12 van het Statuut vormde, ten vierde dat de vermelding van de betwiste nota als een verwezenlijking in de context van zijn beoordeling voor 2016 misleidend was en ook schending van artikel 12 van het Statuut opleverde, ten vijfde dat ook het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal zonder de auteur – in dit geval de Raad van Europa – daarvan in kennis te stellen, artikel 12 van het Statuut schond, ten zesde dat rekwirant misleidend en/of oneerlijk had gehandeld en hierbij dus niet uitsluitend de belangen van de Unie voor ogen had gehouden, hetgeen in strijd was met artikel 11 van het Statuut en met de loyaliteitsplicht, en ten zevende dat het gebruik van het werk van anderen zonder bronvermelding en zonder zijn meerderen daarvan op de hoogte te brengen in strijd was met artikel 21 van het Statuut en met de samenwerkingsplicht van [rekwirant]. 21 Op 15 oktober 2018 is [rekwirant] krachtens artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut gehoord door de directeur van het FRA en heeft hij vervolgens op dezelfde dag een schriftelijke verklaring ingediend. 22 Bij besluit van 23 oktober 2018 heeft de directeur van het FRA bij de tuchtraad een tuchtprocedure ingeleid tegen rekwirant (hierna: ‚besluit tot inleiding van een tuchtprocedure’). Dit besluit is op 7 november 2018 ter kennis gebracht van [rekwirant]. 23 Bij besluit van 26 februari 2019 van de directeur van het FRA werd de tuchtraad ingesteld. 24 Op 27 februari 2019 heeft de directeur van het FRA het rapport voor de tuchtraad opgesteld overeenkomstig artikel 12 van bijlage IX bij het Statuut (hierna: ‚rapport van de directeur van het FRA’). 25 Op 21 maart 2019 heeft [rekwirant] zijn verweerschrift ingediend bij de voorzitter van de tuchtraad. 26 Op 22 maart 2019 werd [rekwirant] gehoord door de tuchtraad. 27 Op 7 mei 2019 heeft de tuchtraad overeenkomstig artikel 18 van bijlage IX bij het Statuut een met redenen omkleed advies uitgebracht (hierna: ‚advies van de tuchtraad’), waarin de beschuldiging dat rekwirant in strijd met de hem uit hoofde van de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut opgelegde verplichtingen had gehandeld, te weten door andermans verwezenlijkingen voor te stellen als de zijne en geen bronnen te vermelden, gegrond is verklaard. De tuchtraad heeft een terugzetting van [rekwirant] met twee rangen, dus naar de rang AD 7, aanbevolen en geen gewag gemaakt van verzachtende omstandigheden. 28 De tuchtraad heeft in wezen opgemerkt, ten eerste, dat [rekwirant] niet alleen de belangen van de Unie, maar vooral ook zijn eigen belangen voor ogen had door de eer te willen opstrijken voor een tekst die hij niet zelf had opgesteld, ten tweede, dat hij zich niet op een verantwoordelijke wijze had gedragen zoals van een personeelslid van het FRA mag worden verwacht, ten derde, dat zijn handelingen de goede naam van het FRA hadden kunnen aantasten en, ten vierde, dat hij zijn meerderen niet had bijgestaan en zelfs tegen hun wil had gehandeld door andermans verwezenlijkingen als de zijne voor te stellen. 29 Zo heeft de tuchtraad vastgesteld dat [rekwirant] in de eerste plaats artikel 11 van het Statuut had geschonden door bewust gekopieerd werk als zijn eigen verwezenlijking voor te stellen; dat hij in de tweede plaats artikel 12 van het Statuut had geschonden aangezien de voorstelling van verwezenlijkingen van anderen als de zijne een kwalijke invloed heeft gehad op de goede naam van [rekwirant], en dat hij in de derde plaats artikel 21 van het Statuut had geschonden door de hem opgedragen taken niet uit te voeren maar andermans verwezenlijkingen als de zijne voor te stellen, waardoor het risico was ontstaan dat de betwiste nota of passages daarvan in een of meerdere door het FRA gepubliceerde documenten werden opgenomen, hetgeen de goede naam van het FRA had kunnen aantasten. 30 Op 11 juli 2019 is [rekwirant] overeenkomstig artikel 22 van bijlage IX bij het Statuut door de directeur van het FRA gehoord (hierna: ‚hoorzitting van 11 juli 2019’) en heeft hij zijn schriftelijke verklaring ingediend. 31 Op 11 oktober 2019 heeft [rekwirant] een nota van de directeur van 10 oktober 2019 ontvangen, waarin deze te kennen gaf dat hij voornemens was hem de maatregel van ontslag op te leggen en [rekwirant] werd verzocht zijn schriftelijke opmerkingen daarover binnen tien werkdagen mee te delen. 32 Op 24 oktober 2019 heeft [rekwirant] de directeur van het FRA zijn opmerkingen toegestuurd. 33 Op 12 november 2019 heeft de directeur van het FRA als TAOBG het ontslagbesluit vastgesteld, dat van kracht werd op 15 november 2019. Bij dit besluit heeft de directeur van het FRA de conclusies van de tuchtraad bevestigd, behalve wat de voorgestelde maatregel betreft omdat hij van mening was dat terugzetting in rang de ernst van de schendingen van de in de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut neergelegde professionele verplichtingen onvoldoende weerspiegelde. De directeur van het FRA heeft er in het bijzonder eerst op gewezen dat de tuchtraad geen verzachtende, maar juist verzwarende omstandigheden had genoemd, namelijk het feit dat [rekwirant] bewust had gehandeld, dat hij had geprobeerd zelf de eer op te strijken voor geplagieerd werk, dat hij de ernst van zijn gedrag niet had ingezien, en dat er een reëel risico was ontstaan dat de goede naam van het FRA zou worden aangetast. Voorts wees hij erop dat de vertrouwensband ernstig in het gedrang was gekomen. 34 Bovendien had de tuchtraad volgens de directeur van het FRA onvoldoende rekening gehouden met de ernst van de schendingen van het Statuut met betrekking tot, ten eerste, het gedrag van [rekwirant], dat door de directeur van het FRA als ‚een uiterst ernstige schending’ werd aangemerkt, en, ten tweede, de gevolgen van dat gedrag voor de goede naam van het FRA, aangezien [rekwirant] naar de mening van die directeur, alleen handelend, gedurende een aanzienlijke periode bewust een ernstig risico op aantasting van die goede naam had doen ontstaan. De directeur van het FRA was het eens met de vaststelling van de tuchtraad dat de vertrouwensband ernstig in het gedrang was gekomen, maar meende dat die band onherroepelijk was verbroken zodat terugzetting in rang bijgevolg geen passende maatregel was. 35 Op 16 december 2019 heeft [rekwirant] een klacht ingediend tegen het ontslagbesluit. 36 Bij besluit van 15 april 2020 werd die klacht door de directeur van het FRA afgewezen.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 juli 2020, heeft rekwirant het in punt 1 van het onderhavige arrest bedoelde beroep ingesteld.

13 Met zijn beroep verzocht rekwirant het Gerecht, ten eerste, het ontslagbesluit nietig te verklaren, ten tweede, in voorkomend geval, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren, ten derde, de door hem geleden materiële en immateriële schade te vergoeden en, ten vierde, het FRA te verwijzen in de kosten. Ter ondersteuning van zijn eerste twee vorderingen voerde rekwirant primair acht middelen en subsidiair één middel aan: – ten eerste: schending van het rechtszekerheidsbeginsel, onjuiste rechtsopvattingen en een kennelijk onjuiste beoordeling, schending van § 7, lid 1, van het Bundesgesetz über das Urheberrecht an Werken der Literatur und der Kunst und über verwandte Schutzrechte (Urheberrechtsgesetz) (Oostenrijkse wet op de auteursrechtelijke bescherming van werken van letterkunde en kunst en op naburige rechten) van 9 april 1936 (BGBl. 1936, 111/1936), en schending van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), aangezien i) het plagiaat als een inbreuk op het Statuut is aangemerkt, ii) de gekopieerde teksten niet door de wet op de auteursrechtelijke bescherming van werken van letterkunde en kunst en op naburige rechten worden beschermd, en iii) zijn vrijheid van meningsuiting is geschonden; – ten tweede: schending van de zorgvuldigheidsplicht en zorgplicht door de onderzoeker en door de directeur van het FRA bij de inleiding van de tuchtprocedure en bij het nemen van het ontslagbesluit, en door de tuchtraad, alsmede schending van het vermoeden van onschuld en van de hoge bewijsstandaard in administratieve onderzoeken en tuchtprocedures; – ten derde: gebrek aan neutraliteit, onpartijdigheid en objectiviteit van de directeur van het FRA in zijn hoedanigheid van TAOBG, schending van het vermoeden van onschuld en misbruik van bevoegdheid; – ten vierde: kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de schending door rekwirant van de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut; – ten vijfde: onrechtmatige instelling van het administratief onderzoek zonder begin van bewijs en onrechtmatige inleiding van de tuchtprocedure; – ten zesde: niet-naleving door de onderzoeker van het onderzoekskader en schending van artikel 4, lid 2, en artikel 7, lid 6, van besluit 2013/01 van de raad van bestuur van het FRA van 22 mei 2013 betreffende het uitvoeren van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures, schending van artikel 4, lid 1, onder a) tot en met d), en artikel 5, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39), en, voorafgaand aan de toepasselijkheid van verordening 2018/1725, schending van artikel 4, lid 1, onder a) tot en met d), en van artikel 5, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8, blz. 1), alsmede niet-inachtneming van de gevolgen van een arrest houdende nietigverklaring; – ten zevende: gebrek aan onpartijdigheid, neutraliteit en objectiviteit van de onderzoeker; – ten achtste: schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, alsmede schending van de artikelen 1, 2 en artikel 12 van bijlage IX bij het Statuut, en – ten negende en subsidiair: schending van het evenredigheidsbeginsel bij het opleggen van de maatregel van ontslag, gezien de feiten die rekwirant ten laste worden gelegd.

14 In het bestreden arrest heeft het Gerecht de vorderingen tot nietigverklaring en schadevergoeding van rekwirant in hun geheel afgewezen. Het Gerecht heeft ook beslist dat de verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang niet hoefden te worden ingewilligd.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

15 Rekwirant verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – bijgevolg het ontslagbesluit nietig te verklaren en in voorkomend geval het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – de door hem geleden materiële en immateriële schade te vergoeden, en – het FRA te verwijzen in alle kosten.

16 Het FRA verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirant te verwijzen in alle kosten.

Hogere voorziening

Eerste middel

17 Met zijn eerste middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het in de punten 179 tot en met 193 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij zijn beoordeling inzake de objectieve onpartijdigheid van de onderzoeker, en dat het in dat verband geen toereikende motivering heeft verschaft. Dit middel bestaat uit twee onderdelen.

Argumenten van partijen

18 Met het eerste onderdeel van zijn eerste middel voert rekwirant ten eerste aan dat het Gerecht, door in de punten 179 tot en met 185 van het bestreden arrest te oordelen dat de door hem overgelegde bewijzen niet volstonden om tot de slotsom te komen dat de onderzoeker niet voldoende subjectief onpartijdig was, heeft nagelaten om aan de hand van die bewijzen te onderzoeken of die onderzoeker mogelijkerwijs onvoldoende objectief onpartijdig was. Een onderzoek van de feiten in het licht van het gebrek aan objectieve onpartijdigheid moet volgens rekwirant volstaan, zelfs als er geen bewijs is voor het gebrek aan subjectieve onpartijdigheid.

19 Ten tweede is er volgens rekwirant reeds sprake van een gebrek aan objectieve onpartijdigheid als – anders dan het Gerecht in de punten 186 tot en met 192 van het bestreden arrest heeft geoordeeld – dienaangaande gerechtvaardigde twijfel bestaat die niet kan worden weggenomen. Rekwirant voert ook aan dat in casu de twijfel over de onpartijdigheid van de onderzoeker vanuit het oogpunt van derde-waarnemers gerechtvaardigd is. Volgens hem is elke twijfel over de onafhankelijkheid of de onpartijdigheid van een externe adviseur gerechtvaardigd vanuit het oogpunt van een derde-waarnemer wanneer blijkt dat die adviseur ook juridisch advies geeft en herhaaldelijk betalingen van de werkgever ontvangt. Bovendien bevestigen de vaststellingen in de punten 189 tot en met 191 van het bestreden arrest het bestaan van gerechtvaardigde twijfel, maar heeft het Gerecht die feiten onjuist gekwalificeerd. Voorts heeft het Gerecht in punt 187 van het bestreden arrest blijk gegeven van een andere onjuiste rechtsopvatting, aangezien het niet aan rekwirant maar wel aan het FRA stond om die twijfel weg te nemen.

20 Ten derde betoogt rekwirant dat de vaststelling van het Gerecht in punt 191 van het bestreden arrest dat de aan de onderzoeker betaalde bedragen gerechtvaardigd waren door de hoeveelheid werk die hem was opgedragen irrelevant is in de onderhavige zaak, aangezien daarmee de gerechtvaardigde twijfel niet wordt weggenomen over het bestaan van een financieel belangenconflict bij de onderzoeker. Dit soort belangenconflict is volgens hem te beschouwen als een van de meest ernstige vormen van onrechtmatigheid en als zodanig moet elk belangenconflict om financiële redenen als relevant worden beschouwd, ongeacht het bedrag dat ermee gemoeid is. Bijgevolg voert rekwirant aan dat, anders dan het Gerecht in punt 192 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 18 september 2012, Allgeier/FRA (F‑58/10, EU:F:2012:130), in casu relevant is.

21 Ten vierde en ten slotte betoogt rekwirant dat het Gerecht de bewijzen onjuist heeft opgevat en in punt 189 van het bestreden arrest een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. In dat verband stelt hij dat uit het aan het Gerecht ter beoordeling voorgelegde bewijs bleek dat de door de onderzoeker geleverde dienst waarvoor hij is beloond in feite bestond in het verlenen van juridisch advies.

22 Met het tweede onderdeel van zijn eerste middel betoogt rekwirant dat het Gerecht de ter beoordeling voorgelegde bewijzen en feiten niet rechtens genoegzaam heeft onderzocht, en dat het in de punten 187 tot en met 193 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 292 tot en met 296 van dat arrest rekwirants eerste en tweede verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang af te wijzen.

23 Het FRA voert om te beginnen aan dat de hogere voorziening grotendeels een herhaling is van de standpunten en de argumenten die rekwirant in zijn verzoekschrift en repliek in eerste aanleg heeft aangevoerd. Bijgevolg zijn volgens die instantie verschillende zogenaamd juridische argumenten die in de hogere voorziening worden aangevoerd in werkelijkheid pogingen om feiten te betwisten.

24 Het FRA is van mening dat het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

25 Met het tweede onderdeel van het eerste middel, dat eerst moet worden onderzocht, bekritiseert rekwirant de punten 292 tot en met 296 van het bestreden arrest voor zover het Gerecht daarmee ten onrechte heeft geweigerd de maatregelen tot organisatie van de procesgang toe te wijzen waar hij om had verzocht teneinde aan te tonen dat de onderzoeker niet onpartijdig was en dat het Gerecht bijgevolg de ter beoordeling voorgelegde bewijzen niet naar behoren heeft onderzocht. Bovendien heeft het Gerecht volgens hem die bewijzen in de punten 187 tot en met 193 van dat arrest onjuist opgevat.

26 In dit verband zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan deze rechterlijke instantie voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven (arrest van 4 maart 2021, Liaño Reig/GAR, C‑947/19 P, EU:C:2021:172, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Bijgevolg kan rekwirant in het stadium van de onderhavige hogere voorziening niet met succes opkomen tegen de beslissing van het Gerecht om niet over te gaan tot de in zijn geschriften voor het Gerecht voorgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie.

28 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, waarmee in wezen wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit te sluiten dat er gerechtvaardigde twijfel bestaat over de objectieve onpartijdigheid van de onderzoeker, zij eraan herinnerd dat de instellingen, organen en instanties van de Unie volgens vaste rechtspraak gehouden zijn de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, waaronder het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur, te eerbiedigen. Dat artikel bepaalt met name dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld (zie in die zin arrest van 11 januari 2024, Hamers/Cedefop, C‑111/22 P, EU:C:2024:5, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Dienaangaande heeft het Hof verduidelijkt dat het vereiste van onpartijdigheid waaraan instellingen, organen en instanties van de Unie zijn gehouden bij de uitvoering van hun taken, tot doel heeft de aan de Unie ten grondslag liggende gelijke behandeling te waarborgen. Dit vereiste strekt er met name toe om belangenconflicten van ambtenaren en andere personeelsleden die voor rekening van de instellingen, organen en instanties van de Unie optreden, te voorkomen. Aangezien het van fundamenteel belang is dat de onafhankelijkheid en integriteit gewaarborgd zijn, zowel wat de interne werking als wat het externe imago van de instellingen, organen en instanties van de Unie betreft, geldt het vereiste van onpartijdigheid in alle omstandigheden waarin de ambtenaar die of het personeelslid dat zich over een zaak dient uit te spreken, redelijkerwijs moet begrijpen dat deze zijn onafhankelijkheid ter zake in de ogen van derden kunnen aantasten (arrest van 11 januari 2024, Hamers/Cedefop, C‑111/22 P, EU:C:2024:5, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Dat vereiste van onpartijdigheid omvat een subjectieve component volgens welke geen enkel lid van de betrokken instelling blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en een objectieve component. Die laatste component waar rekwirant zich op beroept houdt in dat alle instellingen, organen en instanties van de Unie voldoende waarborgen moeten bieden om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten (arrest van 14 maart 2024, D & A Pharma/Commissie en EMA, C‑291/22 P, EU:C:2024:228, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 In het bijzonder behoeft voor het bewijs dat de organisatie van een administratieve procedure onvoldoende garanties biedt om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent mogelijke vooringenomenheid uit te sluiten, geen gebrek aan onpartijdigheid te worden vastgesteld. Het volstaat dat in dat verband een gerechtvaardigde twijfel bestaat die niet kan worden weggenomen (arrest van 11 januari 2024, Hamers/Cedefop, C‑111/22 P, EU:C:2024:5, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Hieruit volgt dat van personen van wie de zaken door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie worden behandeld niet kan worden verlangd dat zij ter onderbouwing van hun betoog dat er in een administratieve procedure niet aan het vereiste van objectieve onpartijdigheid is voldaan, concrete aanwijzingen van partijdigheid verstrekken. De objectieve onpartijdigheid wordt immers los van het concrete gedrag van de betrokken persoon beoordeeld (arrest van 14 maart 2024, D & A Pharma/Commissie en EMA, C‑291/22 P, EU:C:2024:228, punt 80).

33 Na in punt 186 van het bestreden arrest in wezen aan deze rechtspraak te hebben herinnerd, heeft het Gerecht in punt 187 van dat arrest geoordeeld dat rekwirant niet had aangetoond dat de relatie tussen het FRA en de onderzoeker gerechtvaardigde twijfel kon doen ontstaan over de objectieve onpartijdigheid van de onderzoeker. In dit verband heeft het Gerecht in de punten 188 tot en met 191 van dat arrest ten eerste opgemerkt dat uit het door rekwirant overgelegde bewijs bleek dat de onderzoeker niet met het FRA maar met de Europese Commissie een werkrelatie had gehad, ten tweede dat het door rekwirant aangevoerde bewijs betreffende de hoedanigheid van de onderzoeker als juridisch adviseur van het FRA niet volstond om gerechtvaardigde twijfel over het bestaan van een eventuele vooringenomenheid te staven, in het bijzonder omdat de rol van de onderzoeker beperkt was tot die van externe adviseur, en ten derde, wat de financiële belangen tussen de onderzoeker en het FRA betreft, dat het bedrag van de tussen hen gesloten overeenkomsten redelijk en gerechtvaardigd was gelet op de hoeveelheid werk die voor de uitvoering van die taken was vereist.

34 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Bijgevolg levert de beoordeling van de feiten – behoudens het geval van onjuiste opvatting van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie arrest van 25 april 2024, NS/Parlement, C‑218/23 P, EU:C:2024:358, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Van een dergelijke onjuiste opvatting is sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijzen, de beoordeling van de bestaande bewijzen kennelijk onjuist blijkt te zijn. Een dergelijke onjuiste opvatting moet echter duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. Wanneer een rekwirant stelt dat bewijzen onjuist zijn opgevat, moet hij bovendien nauwkeurig aangeven welke bewijzen het Gerecht onjuist heeft opgevat en welke beoordelingsfouten het Gerecht naar zijn mening tot die onjuiste opvatting hebben gebracht (arresten van 27 april 2023, Fondazione Cassa di Risparmio di Pesaro e.a./Commissie, C‑549/21 P, EU:C:2023:340, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 januari 2024, Foz/Raad, C‑524/22 P, EU:C:2024:23, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Hieruit volgt dat het eerste middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover rekwirant met zijn argumenten aanvoert dat de voor het Gerecht aangevoerde bewijzen omtrent de rol van de onderzoeker als juridisch adviseur van het FRA en het hoge bedrag van de bezoldiging die het FRA hem in het kader van de tussen hen gesloten overeenkomsten voor extern advies had betaald, gerechtvaardigde twijfel konden doen rijzen over de objectieve onpartijdigheid van die onderzoeker. Met die argumenten beoogt rekwirant immers een nieuwe beoordeling van die bewijzen te verkrijgen. Hoewel rekwirant het Gerecht formeel verwijt dat het bepaalde van die bewijzen onjuist heeft opgevat – in het bijzonder die betreffende de hoedanigheid van de onderzoeker als juridisch adviseur van het FRA – moet worden vastgesteld dat rekwirant, onder het mom van een gestelde onjuiste opvatting, in werkelijkheid beoogt een nieuw onderzoek te verkrijgen van de argumenten die dienaangaande reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd, zonder evenwel uiteen te zetten in welk opzicht het Gerecht de feiten en het bewijs kennelijk onjuist heeft beoordeeld.

37 Voor zover rekwirant bovendien met het eerste middel het Gerecht verwijt in punt 191 van het bestreden arrest blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te oordelen dat het loutere bestaan van een financiële relatie tussen de onderzoeker en het FRA, ongeacht het bedrag van de betaalde bezoldiging, volstond om gerechtvaardigde twijfel te doen rijzen over de objectieve onpartijdigheid van die onderzoeker, moet zijn betoog ongegrond worden verklaard. Dit enkele feit volstaat immers niet om bij een onderzoeker een belangenconflict te creëren dat de tuchtprocedure ongeldig kan maken, omdat anders de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie van de Unie de mogelijkheid wordt ontnomen om voor verschillende opdrachten dezelfde onderzoeker in te schakelen. Bovendien kan uit het feit dat een onderzoeker reeds externe adviesactiviteiten voor het FRA heeft verricht, geen belangenconflict voortvloeien wanneer die andere activiteiten geen betrekking hebben op het voorwerp van het betrokken onderzoek. Uit de punten 189 en 190 van het bestreden arrest blijkt niet dat dit het geval is.

38 Voor zover rekwirant het Gerecht ten slotte verwijt dat het in punt 192 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met die welke heeft geleid tot het arrest van 18 september 2012, Allgeier/FRA (F‑58/10, EU:F:2012:130), moet zijn betoog als niet ter zake dienend worden afgewezen, aangezien, ten eerste, het enkele feit dat het Gerecht in het bestreden arrest in voorkomend geval is afgeweken van de oplossing die is gekozen in een arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken, geen onjuiste rechtsopvatting kan opleveren en, ten tweede, de betreffende overweging ten overvloede is gegeven.

39 Hieruit volgt dat het eerste middel van de hogere voorziening dient te worden afgewezen.

Tweede middel

Argumenten van partijen

40 Met zijn tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het in de punten 67 tot en met 98 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen, de bewijzen onjuist heeft opgevat en kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt bij zijn onderzoek van het door het FRA aan rekwirant ten laste gelegde gedrag, namelijk het plegen van „plagiaat” om de betwiste nota op te stellen, en dat het dienaangaande geen toereikende motivering heeft verstrekt.

41 Ten eerste bekritiseert hij in wezen de uitlegging die het Gerecht in de punten 58 tot en met 61, 70, 72, 79 en 81 van het bestreden arrest aan het begrip „plagiaat” heeft gegeven. In dat verband heeft het Gerecht volgens rekwirant een juridisch irrelevante definitie voorgesteld van een term die niet onder het Unierecht valt, maar veeleer deel uitmaakt van de omgangstaal en heeft het die term gebruikt om het gedrag van rekwirant te beoordelen en te veroordelen, terwijl het gedrag van rekwirant uitsluitend had moeten worden beoordeeld aan de hand van de uit het Statuut voortvloeiende verplichtingen.

42 Voorts heeft het Gerecht volgens rekwirant in punt 60 van het bestreden arrest ten onrechte verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Pelham e.a. (C‑476/17, EU:C:2018:1002) over de uitlegging van de draagwijdte van de „beperking voor citaten” die is neergelegd in richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10). Op grond van die beperking kan een onderscheid worden gemaakt tussen rechtmatige citaten en inbreuken op auteursrechten. Rekwirant voert aan dat die conclusie in casu niet relevant is. Hij betoogt in dat verband dat richtlijn 2001/29 de harmonisatie betreft van bepaalde aspecten van het auteursrecht. Bovendien blijkt uit de bewoordingen en de context van die conclusie dat de daarin gebruikte term „plagiaat” betrekking heeft op een schending van het auteursrecht in het kader van de overschrijding van de grenzen van de beperking voor citaten. Het FRA is evenwel zelf van mening dat de regelgeving inzake auteursrechten in het kader van de onderhavige zaak niet van groot belang is, aldus rekwirant. Voorts stelt hij dat het in die conclusie ontwikkelde standpunt slechts relevant is indien de gekopieerde teksten in Oostenrijk auteursrechtelijk worden beschermd. Bijgevolg geeft het bestreden arrest blijk van een andere onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Gerecht in punt 81 van dat arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het toepasselijke nationale auteursrecht in casu niet relevant was.

43 Ten tweede voert rekwirant aan dat het Gerecht ten onrechte de toepasselijkheid van artikel 11 van het Handvest lijkt af te wijzen. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voert hij aan dat de vrijheid van meningsuiting van toepassing is op de ontvangst en mededeling van alle informatie en ideeën, ongeacht de inhoud ervan.

44 Rekwirant stelt in dat verband dat het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verwijzen naar de bewoordingen van het advies van de tuchtraad, terwijl alleen die van het besluit van het TABG relevant zijn voor de beoordeling van de wettigheid van dat besluit. Bovendien geven de overwegingen van het Gerecht in de punten 90, 91 en 97 van het bestreden arrest, volgens welke de verplichting om bronnen te vermelden in wezen niet kan worden beschouwd als een buitensporige beperking van de vrijheid van meningsuiting, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens rekwirant kan volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting ook voortvloeien uit het feit dat aan de betrokkene formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties worden opgelegd. De verplichting om bronnen bekend te maken is een formaliteit of een voorwaarde die verband houdt met de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en van informatie. Het Gerecht heeft dus niet voldaan aan de uit artikel 52, lid 3, van het Handvest voortvloeiende verplichting dat de rechterlijke instanties van de Unie bij de uitlegging van het Handvest rekening moeten houden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

45 Het Gerecht heeft evenmin rekening gehouden met het arrest van het EHRM van 25 november 1999, Hashman en Harrup tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1999:1125JUD 002559494), met betrekking tot de uitlegging van het in artikel 52, lid 1, van het Handvest vermelde vereiste dat beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden „bij wet [moeten] worden gesteld”. Het Gerecht is voorbijgegaan aan dit argument van rekwirant en heeft daarop dus niet afdoende geantwoord, zodat het bestreden arrest niet rechtens genoegzaam is gemotiveerd.

46 Volgens rekwirant viel het door hem opstellen en delen van de betwiste nota onder de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie. Ten eerste volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat ontslag om redenen van tuchtrechtelijke aard een dergelijke vrijheid kan schenden, en ten tweede is in casu niet voldaan aan de voorwaarden voor een geldige beperking ervan overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest. Het Gerecht heeft dus nagelaten om artikel 11 van het Handvest overeenkomstig de uit artikel 52, lid 3, van het Handvest voortvloeiende verplichting uit te leggen in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens door niet uit te leggen in welk opzicht het aan rekwirant verweten gedrag – dat moet worden beschermd door artikel 11 van het Handvest en waarvoor geen enkele geldige wettelijke beperking geldt – als ongeschikt en strafbaar moest worden beschouwd.

47 Ten derde heeft het Gerecht volgens rekwirant wat de omstandigheid betreft dat er geen geldige wettelijke beperking is, in het gehele bestreden arrest en in het bijzonder in de punten 67 tot en met 69 en 95 tot en met 98 ervan een onjuiste uitlegging gegeven aan de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut. Hij voert in dit verband aan dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de context die voortvloeit uit de hervorming van het Statuut van 2004, waarin rekening is gehouden met de in artikel 11 van het Handvest neergelegde vrijheid van meningsuiting en met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 52 daarvan. Artikel 11 van het Handvest was immers de aanleiding voor de hervorming van artikel 17 van het Statuut en voor de invoeging van artikel 17 bis in het Statuut, aangezien de algemene bepalingen van de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut niet voldoende duidelijk en nauwkeurig waren met betrekking tot de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting van de ambtenaar of functionaris van de Unie.

48 Ten vierde heeft het Gerecht volgens rekwirant blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, het bewijs onjuist opgevat en het bestreden arrest ontoereikend gemotiveerd in de punten 72 en 218 ervan. In dit verband betoogt rekwirant dat het FRA inderdaad beschikt over interne regels op het gebied van het opstellen en aanleveren van onderzoeksresultaten. Die regels waarborgen echter een correcte verwijzing in een later stadium dan dat van het eerste ontwerp van een onderzoeksnota zoals de betwiste nota. Rekwirant voert aan dat, anders dan in wezen volgt uit de punten 73, 74 en 95 van het bestreden arrest, het feit dat in de betwiste nota die een „eerste schets” was en een overzicht gaf van de structuur en de inhoud van het van hem gevraagde onderzoek, geen verwijzingen en voetnoten zijn opgenomen, niet kan worden beschouwd als ongeschikt gedrag of een oneerlijke handeling van zijn kant. Rekwirant heeft zich gehouden aan de interne regels van het FRA en kan daarom niet op die grond worden bestraft.

49 Het FRA voert in wezen aan dat de door rekwirant in het kader van het tweede middel aangevoerde argumenten niet-ontvankelijk zijn en acht die argumenten hoe dan ook kennelijk ongegrond.

Beoordeling door het Hof

50 Wat in de eerste plaats het betoog van rekwirant dat ziet op de uitlegging door het Gerecht van het begrip „plagiaat” betreft en dat in wezen betrekking heeft op de overwegingen in de punten 58 tot en met 61, 70, 72, 79 en 81 van het bestreden arrest, moet worden opgemerkt dat dit betoog niet kan slagen.

51 Rekwirant stelt inderdaad terecht dat het begrip „plagiaat” geen Unierechtelijk begrip is en dat vraagstukken betreffende het auteursrecht in beginsel onder het recht van de lidstaten vallen.

52 In casu heeft het Gerecht echter, zoals met name volgt uit de – door rekwirant in de onderhavige hogere voorziening niet betwiste – punten 55 en 56 van het bestreden arrest, geoordeeld dat voor de beantwoording van het eerste onderdeel van het eerste middel van het beroep in eerste aanleg waarmee werd betoogd dat het plagiaat geen inbreuk op het Statuut vormde, rekening moest worden gehouden met het feit dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat de gevolgen van rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren. In die omstandigheden heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat om te bepalen of de aan rekwirant verweten gedraging rechtsgeldig had kunnen worden bestraft als schending van de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut – die op grond van artikel 11, eerste alinea, RAP van toepassing zijn op tijdelijk functionarissen – en of rekwirant de omvang van de verplichtingen die het Statuut hem met betrekking tot het verweten gedrag oplegt nauwkeurig had kunnen kennen, de aard van dat gedrag moest worden bepaald.

53 Hetzelfde geldt voor de kritiek van rekwirant op punt 57 van het bestreden arrest, aangezien het Gerecht in dat punt enkel heeft verklaard dat er een verschil bestond in de formulering van enerzijds het ontslagbesluit waarin het FRA had vastgesteld dat rekwirant plagiaat had gepleegd, en anderzijds het advies van de tuchtraad volgens hetwelk de aan rekwirant verweten gedraging, die onverenigbaar was met de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut, in wezen bestond in de bewuste voorstelling van een document dat gekopieerd werk was als een eigen verwezenlijking. Nadat het op die manier het doel van zijn onderzoek had afgebakend, is het Gerecht in de punten 58 tot en met 76 van het bestreden arrest nagegaan of het aan rekwirant verweten gedrag, namelijk de bewuste voorstelling van een document dat grotendeels gekopieerd werk was als zijn eigen verwezenlijking, onder het in het ontslagbesluit aangehaalde begrip „plagiaat” viel, en dus een schending van de uit de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut voortvloeiende verplichtingen kon opleveren.

54 Bovendien heeft het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat wanneer een ambtenaar de uit het Statuut voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, het handelen in overeenstemming met het nationale recht de betrokkene geen immuniteit verleent ten aanzien van de toepassing van het Statuut. Het Gerecht heeft in punt 81 van het bestreden arrest dus op goede gronden en zonder de feiten onjuist te hebben opgevat, geoordeeld dat uit het oogpunt van de statutaire bepalingen de verwijzingen naar het Oostenrijkse recht in casu niet relevant waren zodat de draagwijdte van dat recht niet hoefde te worden onderzocht.

55 Wat in de tweede plaats de grief betreft dat het Gerecht in de punten 90 en 91 van het bestreden arrest ten onrechte het argument van rekwirant heeft afgewezen dat het FRA hem heeft belet om zijn door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting op absolute wijze uit te oefenen, en dat het in de punten 86 tot en met 98 van dat arrest de argumenten inzake schending van artikel 52, leden 1 en 3, van het Handvest niet heeft onderzocht, ook die grief berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

56 Anders dan rekwirant stelt, heeft het Gerecht in geen enkel punt van het bestreden arrest immers vastgesteld dat de inhoud van de betwiste nota niet onder de vrijheid van meningsuiting viel zodat artikel 11 van het Handvest buiten toepassing moest worden gelaten, laat staan dat volgens het Gerecht een tuchtmaatregel wegens plagiaat in voorkomend geval niet kon worden beschouwd als een beperking van die vrijheid en dus niet bij wet moest worden gesteld overeenkomstig de voorwaarde van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

57 Integendeel, zoals in het bijzonder volgt uit de punten 86 tot en met 94 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht geoordeeld dat het recht op vrijheid van meningsuiting krachtens artikel 11, eerste alinea, van het Handvest de vrijheid van mening en de vrijheid om informatie of ideeën te ontvangen of te verstrekken omvat, zonder inmenging van enig openbaar gezag en zonder rekening te houden met grenzen. Het Gerecht heeft tevens geoordeeld dat een beperking van dat recht volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest slechts in overeenstemming met het Unierecht is indien zij „bij wet is gesteld”, een doelstelling van algemeen belang nastreeft die als zodanig door de Unie wordt erkend, en niet buitensporig is. In dit verband heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut rechtmatige beperkingen van de uitoefening van dat recht in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest vormen en dat die beperkingen niet als buitensporig kunnen worden beschouwd.

58 Voor zover rekwirant aanvoert dat het Gerecht de gevolgen van het arrest van het EHRM van 25 november 1999, Hashman en Harrup tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1999:1125JUD002559494), niet heeft onderzocht, zij er bovendien aan herinnerd dat een middel dat is ontleend aan het feit dat het Gerecht niet heeft geantwoord op in eerste aanleg aangevoerde argumenten, in wezen neerkomt op het aanvoeren van een schending van de motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van toepassing is op het Gerecht (arrest van 9 november 2023, XC/Commissie, C‑527/21 P, EU:C:2023:850, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 De motiveringsplicht houdt niet in dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt, en de motivering van het Gerecht kan impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (arrest van 9 november 2023, XC/Commissie, C‑527/21 P, EU:C:2023:850, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 In casu heeft rekwirant in zijn verzoekschrift in eerste aanleg aangevoerd dat een beperking van het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting die „bij wet is gesteld” in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest, een zekere mate van duidelijkheid en voorzienbaarheid van de betrokken wet vereist. Hij betoogde in dit verband dat uit het arrest van het EHRM van 25 november 1999, Hashman en Harrup tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1999:1125JUD002559494), volgt dat een bijzonder onnauwkeurige norm die de betrokken persoon geen aanwijzingen geeft over het soort gedrag dat in strijd is met het bevel, niet kan worden beschouwd als „een wet” in de zin van die bepaling van het Handvest.

61 Na te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens welke een norm niet rechtsgeldig beperkingen van de vrijheid van meningsuiting kan opleggen indien zij niet voldoende nauwkeurig is geformuleerd om de burger in staat te stellen zijn gedrag aan te passen – hetgeen overigens ook het rechtszekerheidsbeginsel vereist – heeft het Gerecht in de punten 94 tot en met 98 van het bestreden arrest geoordeeld dat de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut voldoende nauwkeurige wettelijke beperkingen van het recht op vrijheid van meningsuiting vormden. Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het de motiveringsplicht op dit punt heeft geschonden.

62 Voor zover rekwirant het Gerecht verwijt dat het zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, moeten de argumenten die hij in die zin aanvoert dan ook ongegrond worden verklaard.

63 Wat in de derde plaats de argumenten betreft volgens welke het Gerecht in de punten 67 tot en met 69 en 95 tot en met 98 van het bestreden arrest de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut onjuist heeft uitgelegd als bepalingen die een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting invoeren, zij eraan herinnerd dat artikel 17 bis, lid 1, van het Statuut dit recht uitdrukkelijk toekent aan de ambtenaar of functionaris van de Unie binnen de grenzen van de strikte eerbiediging van de beginselen van loyaliteit en onpartijdigheid.

64 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dienaangaande dat rekening moet worden gehouden met het feit dat wanneer de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren op het spel staat, hun plichten en verantwoordelijkheden bijzonder belangrijk zijn, zodat aan de betrokken instelling of instantie van de Unie een zekere beoordelingsvrijheid moet worden gelaten om uit te maken of de inmenging in de uitoefening van die vrijheid evenredig is aan het doel ervan (arrest van 6 maart 2001, Connoly/Commissie, C‑274/99 P, EU:C:2001:127, punt 49).

65 In het bijzonder vereist de in artikel 12 van het Statuut neergelegde loyaliteitsplicht dat de betrokken ambtenaar zich onthoudt van gedragingen die afbreuk doen aan de waardigheid van het ambt en aan het respect dat verschuldigd is aan de instelling en haar gezagsinstanties, maar ook dat hij, zeker wanneer hij een hoge rang bekleedt, blijk geeft van een boven elke verdenking verheven gedrag om het tussen de instelling en hemzelf bestaande vertrouwen te bestendigen (arrest van 12 november 2020, Fleig/EDEO, C‑446/19 P, EU:C:2020:918, punt 100).

66 In casu heeft het Gerecht in de punten 27, 33 en 60 tot en met 62 van het bestreden arrest op basis van de motivering van het ontslagbesluit en het advies van de tuchtraad vastgesteld dat het aan rekwirant verweten gedrag bestond in de bewuste voorstelling van een document als een eigen verwezenlijking terwijl het grotendeels ging om gekopieerd werk, aangezien er, anders dan bij een citaat, geen enkel verband werd gelegd tussen de betwiste nota en de gekopieerde documenten en uit die nota niet duidelijk bleek dat al die gekopieerde passages van elders afkomstig waren.

67 Uit deze overwegingen van het Gerecht blijkt duidelijk dat rekwirant niet is bestraft omdat hij in de betwiste nota een persoonlijke of afwijkende mening had geuit, maar omdat hij geschriften van anderen had voorgesteld als een eigen verwezenlijking zonder zijn bronnen te vermelden. Uit dergelijke feitelijke vaststellingen – die rekwirant niet betwist – kon het Gerecht in de punten 95 en 96 van het bestreden arrest op goede gronden afleiden dat dit gedrag van rekwirant in strijd kon zijn met de loyaliteitsplicht, waarvan de rechtsgrondslag wordt gevormd door de artikelen 11, 12 en 21 van het Statuut, die een legitieme beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting vormen omdat zij met name tot doel hebben de vertrouwensrelatie tussen een instelling en haar ambtenaren te vrijwaren.

68 Bijgevolg kon het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest op goede gronden oordelen dat die beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting in casu niet als buitensporig kon worden beschouwd aangezien rekwirant in staat bleef in de betwiste nota vrij zijn mening te uiten, zonder evenwel het recht te hebben om andermans werk als een eigen verwezenlijking voor te stellen en zijn bronnen niet te vermelden.

69 Anders dan rekwirant stelt, heeft het Gerecht door aldus te oordelen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

70 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

71 Met zijn derde middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het bij de beschrijving van het geding in punt 9 van het bestreden arrest de door hem overgelegde feiten en bewijzen onjuist heeft opgevat, in het bijzonder een bericht van het afdelingshoofd aan rekwirant waarin die hem verzocht om aan een van zijn collega’s de link te zenden die toegang gaf tot de in het DMS opgeslagen betwiste nota. Rekwirant stelt dat hij, anders dan het Gerecht in dit punt van het bestreden arrest heeft verklaard, niet louter werd „uitgenodigd” om die link te verzenden, maar dat het ging om een opdracht van het afdelingshoofd. Aldus heeft het Gerecht een van een hiërarchisch meerdere afkomstige opdracht die rekwirant niet kon negeren ten onrechte aangemerkt als slechts een „uitnodiging”. Overeenkomstig artikel 21 bis van het Statuut kan hij juridisch niet aansprakelijk worden gesteld voor de gevolgen van het opvolgen van die opdracht, tenzij die opdracht duidelijk in strijd is met de wet of met de geldende veiligheidsvoorschriften.

72 Volgens het FRA is het derde middel niet-ontvankelijk omdat rekwirant daarmee enkel de feitelijke vaststellingen van het Gerecht betwist.

Beoordeling door het Hof

73 Vastgesteld moet worden dat rekwirant met zijn derde middel alleen opkomt tegen de beschrijving door het Gerecht van de feiten in punt 9 van het bestreden arrest – het deel van dat arrest waarin de voorgeschiedenis wordt uiteengezet – zonder aan te geven in welk opzicht de gestelde onjuiste juridische kwalificatie van het door het afdelingshoofd aan rekwirant gezonden bericht de juridische beoordeling door het Gerecht in dat arrest kan aantasten. Hieruit volgt dat rekwirant, onder het mom van een dergelijke onjuiste juridische kwalificatie van de feiten, in werkelijkheid feitelijke beoordelingen van het Gerecht betwist zonder bovendien uiteen te zetten in welk opzicht die beoordelingen kennelijk onjuist of in strijd met de bewoordingen ervan zijn.

74 Bijgevolg is het derde middel overeenkomstig de in de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk.

Vierde middel

Argumenten van partijen

75 Met zijn vierde middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het in de punten 101, 106, 107, 111 tot en met 113 en 122 van het bestreden arrest, waarin het heeft onderzocht of het administratief onderzoek rechtmatig werd ingesteld, blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen, kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt en dienaangaande geen toereikende motivering heeft verstrekt.

76 Rekwirant betoogt ten eerste dat het Gerecht in punt 107 van het bestreden arrest de bewijzen onjuist heeft opgevat en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt aangezien uit de stukken van het dossier blijkt dat de raadpleging van OLAF alleen bij het rapport van de directeur van het FRA was gevoegd, en dat rekwirant dit rapport pas na 27 februari 2019 heeft ontvangen. Rekwirant was bijgevolg niet op de hoogte van de inhoud van de raadpleging van OLAF toen het onderzoek werd ingesteld op 23 maart 2018, en ook niet toen de tuchtprocedure werd ingeleid op 23 oktober 2018. Het Gerecht heeft dus volgens rekwirant blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwirant voldoende was geïnformeerd toen het onderzoek werd ingesteld en door naar analogie de rechtspraak van het arrest van 5 oktober 2005, Rasmussen/Commissie (T‑203/03, EU:T:2005:346), toe te passen.

77 Ten tweede stelt rekwirant dat het Gerecht de juridische context waarin administratieve onderzoeken worden ingesteld niet heeft beoordeeld. Om zich ervan te vergewissen dat het in artikel 86, leden 1 en 2, van het Statuut bedoelde criterium van het „begin van bewijs” bij de instelling van een administratief onderzoek wordt geverifieerd, moet volgens hem rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling. Het enige rechtmatige doel van een administratief onderzoek in dat verband is om op basis van een begin van bewijs vast te stellen dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat een ambtenaar of personeelslid van de Unie de krachtens het Statuut op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

78 Rekwirant is bovendien van mening dat een administratief onderzoek per definitie een gegevensverwerking is die volgens artikel 4 van verordening nr. 45/2001 „welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden” moet hebben. Hij voegt daaraan toe dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de artikelen 1 en 2 van bijlage IX bij het Statuut het TABG niet verplichten aan te geven welke specifieke bepalingen van het Statuut zijn geschonden, terwijl die vraag veeleer onder artikel 86, lid 2, van het Statuut en verordening nr. 45/2001 moet worden beoordeeld. Tot slot betoogt hij dat een administratief onderzoek volgens artikel 86, lid 2, van het Statuut alleen maar kan worden ingesteld om na te gaan of de ambtenaar of de functionaris van de Unie het Statuut heeft geschonden en niet bedoeld is om schendingen van het intellectuele-eigendomsrecht te onderzoeken.

79 Ten derde stelt rekwirant dat het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door af te wijken van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie (T‑48/05, EU:T:2008:257), welke rechtspraak is bevestigd in het arrest van 12 juli 2012, Commissie/Nanopoulos (T‑308/10 P, EU:T:2012:370). Volgens die rechtspraak moet de administratie over voldoende nauwkeurige en relevante informatie beschikken alvorens een tuchtprocedure in te leiden.

80 Het FRA voert aan dat het vierde middel niet-ontvankelijk is en hoe dan ook ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

81 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 86, lid 2, van het Statuut bepaalt dat het TABG een administratief onderzoek kan instellen om na te gaan of een verzuim in de zin van lid 1 van dat artikel bestaat wanneer dat gezag kennis krijgt van gegevens die het bestaan van een dergelijk verzuim doen vermoeden. Uit een gecombineerde lezing van de leden 1 en 2 van artikel 86 blijkt bovendien dat het Statuut de administratie de bevoegdheid verleent om een onderzoek in te stellen op grond van een vermeende niet-nakoming van statutaire verplichtingen.

82 Zoals het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, beschikt de administratie weliswaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid om een administratief onderzoek in te stellen, maar moet zij, zoals het Gerecht in punt 104 van dat arrest in wezen heeft geoordeeld, zich daartoe wel kunnen baseren op het bestaan van een redelijk vermoeden dat een tuchtrechtelijke overtreding is gepleegd. Hieruit volgt dat de administratie, teneinde de rechten van de betrokken ambtenaar of functionaris van de Unie te beschermen, zich ervan moet vergewissen dat zij, alvorens een onderzoek in te stellen, beschikt over aanwijzingen op grond waarvan kan worden vermoed dat die ambtenaar of functionaris zijn statutaire verplichtingen niet is nagekomen en, alvorens tegen hem een tuchtprocedure in te leiden, beschikt over voldoende nauwkeurige en relevante gegevens om haar verdenkingen te staven.

83 Na terecht op die beginselen te hebben gewezen, heeft het Gerecht in punt 106 van het bestreden arrest rekwirants argument afgewezen dat het besluit tot instelling van het administratief onderzoek geen melding maakte van artikel 21 van het Statuut en dat het TAOBG ten tijde van die inleiding niet precies wist welke bepalingen van het Statuut rekwirant mogelijkerwijs had geschonden.

84 Dienaangaande heeft het Gerecht ook in punt 106 terecht geoordeeld dat artikel 1 van bijlage IX bij het Statuut – waarnaar artikel 2 ervan verwijst met betrekking tot administratieve onderzoeken door het TABG – niet vereist dat dit gezag, of in voorkomend geval het TAOBG, de specifieke bepalingen van het Statuut aanwijst die zijn geschonden, mits – zoals het Gerecht in punt 107 van dat arrest heeft geoordeeld in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten – rekwirant beschikte over voldoende informatie om te begrijpen dat hem werd verweten de bepalingen van het Statuut te hebben geschonden die van de ambtenaren loyaal gedrag verlangen. Daarbij moest in het bijzonder worden gekeken naar de inhoud van het besluit tot instelling van het onderzoek, waarin er met name op werd gewezen dat de aan rekwirant verweten gedraging erin bestond dat hij in de betwiste nota delen had opgenomen die eenvoudigweg uit andere bronnen waren gekopieerd, zonder referenties te hebben vermeld of zijn afdelingshoofd daarvan in kennis te hebben gesteld, waardoor het leek alsof die nota een eigen verwezenlijking was.

85 In die omstandigheden heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een onjuiste opvatting van de bewijzen door op basis van een toereikende motivering in de punten 108 en 111 van het bestreden arrest te oordelen dat de procedure tegen rekwirant op rechtmatige wijze was ingesteld, aangezien het TABG bij de instelling van het administratief onderzoek over voldoende aanwijzingen beschikte op grond waarvan kon worden vermoed dat rekwirant zijn statutaire verplichtingen niet was nagekomen, en bij de inleiding van de tuchtprocedure over voldoende nauwkeurige en onderling overeenstemmende gegevens beschikte die de vermoedens bevestigden die de instelling van dat onderzoek hadden gerechtvaardigd.

86 Bijgevolg moet het vierde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

87 Met zijn vijfde middel voert rekwirant in wezen aan dat het Gerecht in de punten 16, 114, 119 tot en met 131, 135 en 136 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen, de bewijzen onjuist heeft opgevat, een ontoereikende motivering heeft verschaft en zijn beroep in eerste aanleg onvolledig heeft onderzocht, bij de beoordeling van de „juridische betekenis” van het besluit tot instelling van het onderzoek.

88 Volgens rekwirant heeft het FRA, anders dan het Gerecht stelt, zijn tuchtrechtelijke bevoegdheden niet overgedragen aan de onderzoeker, maar aan die onderzoeker een specifiek onderzoek met een specifiek doel en een specifieke strekking toevertrouwd. Het Gerecht heeft ook de juridische context van dat besluit onjuist beoordeeld. Dienaangaande herinnert rekwirant eraan dat verordening nr. 45/2001 bepaalt dat een gegevensverwerking zoals een administratief onderzoek „welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden” moet hebben en dat de verwerkte gegevens in het licht van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt „adequaat, ter zake dienend en niet buitensporig” dienen te zijn.

89 Het FRA betoogt dat het vijfde middel niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door het Hof

90 Met zijn vijfde middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het de „juridische betekenis” van het besluit tot instelling van het onderzoek onjuist heeft gekwalificeerd. Rekwirant vraagt echter onder het mom van een middel inzake onjuiste rechtsopvattingen – namelijk schending van de regels inzake de verwerking van gegevens tijdens de administratieve procedure, onjuiste opvatting van de bewijselementen, ontoereikende motivering en onvolledig onderzoek van zijn beroep – in werkelijkheid aan het Hof om zijn eigen beoordeling van de bewijselementen in de plaats te stellen van die van het Gerecht in de punten 16, 119, 114 tot en met 131, 135 en 136 van het bestreden arrest, hetgeen, zoals blijkt uit de in de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, niet tot de bevoegdheid van het Hof in het kader van een hogere voorziening behoort.

91 Voor zover rekwirant aanvoert dat het Gerecht de bewoordingen van het besluit tot instelling van het administratief onderzoek onjuist heeft opgevat, beperkt hij zich bovendien tot een herhaling van de argumenten die hij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, zoals blijkt uit de punten 122 tot en met 135 van het bestreden arrest, zonder duidelijk aan te geven in welk opzicht die punten blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

92 Het vijfde middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Zesde, zevende en achtste middel

Argumenten van partijen

93 Met zijn zesde middel betoogt rekwirant dat het Gerecht zijn beroep in eerste aanleg onvolledig heeft onderzocht omdat het niet heeft geantwoord op rekwirants argument dat de tuchtraad zich niet heeft beperkt tot de in het rapport van de directeur van het FRA vermelde feiten en dus het Statuut heeft geschonden.

94 Met zijn zevende middel betoogt rekwirant dat het Gerecht in de punten 194 en 200 tot en met 205 van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij bewijzen had overgelegd die konden aantonen dat het TABG reeds vóór de hoorzitting van 11 juli 2019 had besloten de maatregel van tuchtrechtelijk ontslag op te leggen. Door die bewijzen niet te hebben onderzocht heeft het Gerecht die onjuist opgevat, een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, het in eerste aanleg aangevoerde middel onvolledig onderzocht en zijn motiveringsplicht geschonden.

95 Met zijn achtste middel voert rekwirant aan dat uit de hogere voorziening in haar geheel blijkt dat het Gerecht artikel 47 van het Handvest heeft geschonden door hem geen doeltreffende voorziening in rechte toe te kennen.

96 Het FRA antwoordt dat het standpunt van rekwirant met betrekking tot het zesde middel vaag blijft en niet aangeeft op welke punten van het bestreden arrest het betrekking heeft.

97 Wat het zevende middel betreft voert die instantie aan dat, anders dan rekwirant stelt, het Gerecht in punt 202 in fine van het bestreden arrest naar zijn argumenten heeft verwezen en die in de punten 203 en 204 heeft beantwoord.

98 Ten slotte is het achtste middel volgens het FRA kennelijk niet-ontvankelijk.

Beoordeling door het Hof

99 Uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid, duidelijk moet aangegeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven (arrest van 18 januari 2024, Jenkinson/Raad e.a., C‑46/22 P, EU:C:2024:50, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 Een middel voldoet met name niet aan die vereisten en moet niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer het betoog ervan niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoezicht uit te oefenen, in het bijzonder omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die in zoverre onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt welke de belangrijkste gegevens zijn waarop het middel steunt (arrest van 18 januari 2024, Jenkinson/Raad e.a., C‑46/22 P, EU:C:2024:50, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Tevens heeft het Hof geoordeeld dat een hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer zij een coherente structuur mist, slechts algemene beweringen bevat en geen precieze aanwijzingen verstrekt over de punten van de bestreden beslissing waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt (arrest van 15 december 2022, Picard/Commissie, C‑366/21 P, EU:C:2022:984, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101 Wat in casu het zesde en het achtste middel betreft, volstaat het op te merken dat daarin niet nauwkeurig wordt aangegeven tegen welke rechtsoverwegingen van het bestreden arrest die middelen zijn gericht en op welke onjuiste rechtsopvattingen die overwegingen beweerdelijk berusten. Bovendien zijn die middelen zeer algemeen geformuleerd, zonder voldoende argumenten aan te voeren om het Hof in staat te stellen de gegrondheid ervan te beoordelen.

102 Wat voorts het zevende middel betreft, licht rekwirant weliswaar toe dat het betrekking heeft op de punten 194 en 200 tot en met 205 van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht wordt verweten dat het heeft nagelaten de bewijzen te vermelden en te onderzoeken waaruit blijkt dat het TABG reeds vóór het verhoor van 11 juli 2019 had besloten de maatregel van tuchtrechtelijk ontslag op te leggen, doch dit neemt niet weg dat de hogere voorziening op dit punt evenmin argumenten rechtens bevat die het gestelde motiveringsgebrek staven.

103 Bijgevolg moeten het zesde, het zevende en het achtste middel kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

104 Daar geen van de tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen slaagt, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

105 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd.

106 Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van het FRA worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van het FRA.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) DD wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA).

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in