HvJ EU 21 april 2026, C-769/22, ECLI:EU:C:2026:326
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Voltallige zitting)
21 april 2026 ( *1 )
Inhoud
I. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
B. Unierecht
1. Primair recht
a) VEU
b) VWEU
c) Handvest
2. Afgeleid recht
a) Richtlijn 2000/31
b) Richtlijn 2006/123
c) Richtlijn 2010/13
d) Richtlijn 2015/1535
e) Richtlijn 2018/1808
f) AVG
C. Hongaars recht
1. Hongaarse grondwet
2. Hongaars burgerlijk wetboek
3. Wet op de bescherming van kinderen
4. Wet inzake commerciële reclame
5. Wet op de mediadiensten
6. Wet op het strafregister
7. Wet op het openbaar onderwijs
II. Precontentieuze procedure en procedure bij het Hof
III. Beroep
A. Eerste tot en met de derde en vijfde grief, ontleend aan schending van richtlijn 2000/31, richtlijn 2006/123, richtlijn 2010/13, artikel 56 VWEU en de artikelen 1, 7, 11 en 21 van het Handvest
1. Eerste grief, ontleend aan schending van richtlijn 2010/13
a) Schending van artikel 6 bis, lid 1, van richtlijn 2010/13
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
b) Schending van artikel 2 en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2010/13
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Schending van artikel 9, lid 1, onder c), ii), van richtlijn 2010/13
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
d) Conclusie
2. Tweede grief, ontleend aan schending van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31
a) Bestaan van een beperking in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31
1) § 6/A van de wet op de bescherming van kinderen
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
2) § 8, lid 1a, van de wet inzake commerciële reclame
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
b) Rechtvaardiging van de beperkingen overeenkomstig artikel 3, lid 4, van richtlijn 2000/31
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Conclusie
3. Derde grief, ontleend aan schending van de artikelen 16 en 19 van richtlijn 2006/123 en van artikel 56 VWEU
a) Bestaan van een beperking in de zin van de artikelen 16 en 19 van richtlijn 2006/123 en van artikel 56 VWEU
1) § 6/A van de wet op de bescherming van kinderen
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
2) § 8, lid 1a, van de wet inzake commerciële reclame
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
3) § 9, lid 12, van de wet op het openbaar onderwijs
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
b) Rechtvaardiging van de beperkingen in de zin van de artikelen 16 en 19 van richtlijn 2006/123 en artikel 56 VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Conclusie
4. Vijfde grief, ontleend aan schending van de artikelen 1, 7, 11 en 21 van het Handvest
a) Toepasselijkheid van het Handvest op § 6/A van de wet op de bescherming van kinderen en op § 9, lid 12, van de wet op het openbaar onderwijs
b) Bestaan van een niet-nakoming van de uit artikel 21 van het Handvest voortvloeiende verplichtingen
c) Bestaan van beperkingen van de door de artikelen 7 en 21 van het Handvest gewaarborgde rechten en vrijheden
1) Bestaan van een beperking van het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
2) Bestaan van een beperking van de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
d) Rechtvaardiging van de beperkingen van de door de artikelen 7 en 21 van het Handvest gewaarborgde rechten en vrijheden
e) Bestaan van schending van artikel 1 van het Handvest
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
f) Conclusie
B. Zesde grief, ontleend aan schending van artikel 2 VEU
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
a) Bindend karakter van artikel 2 VEU
b) Schending van de uit artikel 2 VEU voortvloeiende verplichtingen
C. Vierde grief: schending van artikel 10 AVG en artikel 8, lid 2, van het Handvest
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
Kosten
„Niet-nakoming – Artikel 258 VWEU – Nationale wetgeving die ter bescherming van kinderen beperkingen invoert in verband met afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, geslachtsverandering of homoseksualiteit – Richtlijnen 2000/31/EG, 2006/123/EG, 2010/13/EU – Verordening (EU) 2016/679 – Beperkingen op seksuele voorlichting – Discriminatieverbod – In artikel 2 VEU verankerde waarden van de Europese Unie – Inroeping van deze waarden in een beroep wegens niet-nakoming – Artikelen 1, 7, 11 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Bescherming van persoonsgegevens”
In zaak C‑769/22,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 19 december 2022,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Di Bucci, L. Malferrari, J. Tomkin en K. Talabér-Ritz, vervolgens door D. Calleja Crespo, L. Malferrari, J. Tomkin en K. Talabér-Ritz als gemachtigden,
verzoekster,
ondersteund door:
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door C. Jacob, M. Jacobs, C. Pochet, A. Van Baelen en L. Van den Broeck als gemachtigden,
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door D. Elkan, J. Farver Kronborg en C. A.‑S. Maertens als gemachtigden,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller, R. Kanitz en N. Scheffel als gemachtigden,
Republiek Estland, vertegenwoordigd door H. Hirsik en M. Kriisa als gemachtigden,
Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, A. Joyce, M. Lane en D. O’Reilly, vervolgens door M. Browne, Chief State Solicitor, R. Fanning, Attorney General, A. Burke en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door B. Quigley, SC, en S. Brittain, BL,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door K. Boskovits als gemachtigde,
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis, A. Pérez-Zurita Gutiérrez en J. Ruiz Sánchez als gemachtigden,
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Fodda, E. Leclerc en T. Stéhelin, vervolgens door B. Fodda en T. Stéhelin als gemachtigden,
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door A. Germeaux en T. Schell als gemachtigden, bijgestaan door P.‑E. Partsch, avocat,
Republiek Malta, vertegenwoordigd door A. Buhagiar als gemachtigde, bijgestaan door D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogado,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, C. S. Schillemans en J. Langer als gemachtigden,
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, L. Medeiros en A. Pimenta als gemachtigden,
Republiek Slovenië, vertegenwoordigd door A. Vran als gemachtigde,
Republiek Finland, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
Koninkrijk Zweden, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Eklinder, F.‑L. Göransson, C. Meyer-Seitz, A. M. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson, vervolgens door H. Eklinder, F.‑L. Göransson, C. Meyer-Seitz, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson en O. Simonsson als gemachtigden,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door G. Corstens, E. Paladini en A. Tamás als gemachtigden,
interveniënten,
tegen
Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET HOF (Voltallige zitting),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún (rapporteur), I. Ziemele, J. Passer, O. Spineanu-Matei, M. Condinanzi en F. Schalin, kamerpresidenten, S. Rodin, E. Regan, N. Piçarra, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, M. Gavalec, B. Smulders, S. Gervasoni, N. Fenger en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 november 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof: a) vast te stellen dat Hongarije, door het aannemen van de a pedofil bűnelkövetőkkel szembeni szigorúbb fellépésről, valamint a gyermekek védelme érdekében egyes törvények módosításáról szóló 2021. évi LXXIX. törvény (wet LXXIX van 2021 tot invoering van strengere maatregelen tegen pedofiele delinquenten en tot wijziging van bepaalde wetten ter bescherming van kinderen) van 15 juni 2021 (Magyar Közlöny 2021/118.; hierna: „wijzigingswet”), zijn verplichtingen krachtens het Unierecht niet is nagekomen als volgt: (1) – door de invoering van § 6/A in de a gyermekek védelmeről és a gyámügyi igazgatásról szóló 1997. évi XXXI. törvény (wet nr. XXXI van 1997 op de bescherming van kinderen en de uitoefening van voogdij) van 8 mei 1997 (Magyar Közlöny 1997/39.), die verbiedt om aan minderjarigen inhoud ter beschikking te stellen die afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, of geslachtsverandering of homoseksualiteit promoot of afbeeldt, heeft Hongarije inbreuk gemaakt op artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1), de artikelen 16 en 19 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36), artikel 56 VWEU en de artikelen 1, 7, 11 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”); – door de invoering van § 8, lid 1a, in de a gazdasági reklámtevékenység alapvető feltételeiről és egyes korlátairól szóló 2008. évi XLVIII. törvény (wet nr. XLVIII van 2008 inzake basisvereisten voor en bepaalde beperkingen van commerciële reclame) van 28 juni 2008 (Magyar Közlöny 2008/95.), die verbiedt om aan minderjarigen reclame ter beschikking te stellen die afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, of geslachtsverandering of homoseksualiteit promoot of afbeeldt, heeft Hongarije inbreuk gemaakt op artikel 9, lid 1, onder c), ii), van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB 2010, L 95, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 (PB 2018, L 303, blz. 69) (hierna: „richtlijn 2010/13”), artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31, de artikelen 16 en 19 van richtlijn 2006/123, artikel 56 VWEU en de artikelen 1, 7, 11 en 21 van het Handvest; – door de invoering van § 9, lid 6, in de a mediaszolgáltatásokról és a tömegkommunikációról szóló 2010. évi CLXXXV. törvény (wet nr. CLXXXV van 2010 betreffende mediadiensten en massamedia) van 31 december 2010 (Magyar Közlöny 2010/202.), die aanbieders van lineairemediadiensten verplicht om alle programma’s waarvan een wezenlijk onderdeel bestaat in de promotie of de afbeelding van afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, of van geslachtsverandering of van homoseksualiteit, in te delen in categorie V en deze bijgevolg alleen uit te zenden tussen 22.00 uur en 5.00 uur, alsook door de vaststelling van § 32, lid 4a, van deze wet, die uitsluit dat programma’s waarvan een wezenlijk onderdeel bestaat in de promotie of de afbeelding van afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, of van geslachtsverandering of van homoseksualiteit worden beschouwd als informatie van algemeen belang of bewustmakingsboodschap, heeft Hongarije inbreuk gemaakt op artikel 6 bis, lid 1, van richtlijn 2010/13 en de artikelen 1, 7, 11 en 21 van het Handvest; – door de wijziging van § 179, lid 2, van wet nr. CLXXXV van 2010 betreffende mediadiensten en massamedia, die de Médiatanács (mediaraad, Hongarije) verplicht om de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt te verzoeken om doeltreffende maatregelen en om op te treden om een einde te maken aan de door de mediaraad vastgestelde overtredingen, heeft Hongarije inbreuk gemaakt op artikel 2 en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2010/13; – door de wijziging van § 9, lid 12, van a nemzeti köznevelésről szóló 11. évi CXC. törvény (wet nr. CXC van 2011 inzake het nationaal openbaar onderwijs) van 29 december 2011 (Magyar Közlöny 2006/123.), die verbiedt dat activiteiten betreffende seksuele voorlichting, het seksleven, seksuele gerichtheid en seksuele ontwikkeling zijn gericht op het promoten van afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, of van geslachtsverandering of van homoseksualiteit, heeft Hongarije inbreuk gemaakt op de artikelen 16 en 19 van richtlijn 2006/123, artikel 56 VWEU en de artikelen 1, 7, 11 en 21 van het Handvest; (2) door het aannemen van de in punt 1 bedoelde bepalingen heeft Hongarije artikel 2 VEU geschonden; (3) door de wijziging van § 67, lid 1, onder a) tot en met d), van de a bministratinügyi nyilvántartási rendszerről, az Európai Unió tagállamainak bíróságai által magyar állampolgárokkal szemben hozott ítéletek nyilvántartásáról, valamint a bűnügyi és rendészeti biometrikus adatok nyilvántartásáról szóló 2009. évi XLVII. törvény (wet nr. XLVII van 2009 op het strafregister, het register van tegen Hongaarse burgers gewezen uitspraken van de rechterlijke instanties van de lidstaten van de Europese Unie en de opslag van biometrische gegevens door politie en justitie) van 19 juni 2009 (Magyar Közlöny 2009/83.), die het organisme dat rechtstreeks toegang tot geregistreerde gegevens heeft te verplichten om de gemachtigde persoon kennis te laten nemen van de geregistreerde gegevens van personen die zich jegens minderjarigen schuldig hebben gemaakt aan schending van de seksuele vrijheid en schending van de seksuele zeden, heeft Hongarije inbreuk gemaakt op artikel 10 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: „AVG”) en artikel 8, lid 2, van het Handvest, en b) Hongarije te verwijzen in de kosten.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
2 Artikel 4 van het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie, ondertekend te Straatsburg op 5 mei 1989, bepaalt: „De partijen waarborgen de vrijheid van meningsuiting en van informatie overeenkomstig artikel 10 van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [EVRM] alsmede de vrijheid van ontvangst en verzetten zich niet tegen de doorgifte op hun grondgebied van programma’s die verenigbaar zijn met het bepaalde in het onderhavige verdrag.”
3 In artikel 7, lid 2, van dit verdrag is bepaald: „De onderdelen van de programmadiensten die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van kinderen of adolescenten kunnen schaden, mogen niet worden doorgegeven wanneer dezen hier vanwege het tijdstip van uitzending en ontvangst naar kunnen kijken.”
B. Unierecht
1. Primair recht
a) VEU
4 Artikel 2 VEU bepaalt: „De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.”
5 Artikel 4, leden 2 en 3, VEU bepaalt: „2. De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid. Met name de nationale veiligheid blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat. 3. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.”
6 Artikel 7 VEU bepaalt: „1. Op een met redenen omkleed voorstel van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement of de Europese Commissie kan de Raad, na goedkeuring van het Europees Parlement, met een meerderheid van vier vijfden van zijn leden constateren dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van in artikel 2, bedoelde waarden door een lidstaat. Alvorens die constatering te doen, hoort de Raad de betrokken lidstaat en kan hij die lidstaat volgens dezelfde procedure aanbevelingen doen. De Raad gaat regelmatig na of de redenen die tot zijn constatering hebben geleid nog bestaan. 2. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van een derde van de lidstaten of van de Europese Commissie, en na goedkeuring van het Europees Parlement, een ernstige en voortdurende schending van de in artikel 2 bedoelde waarden door een lidstaat constateren, na de lidstaat in kwestie om opmerkingen te hebben verzocht. 3. Wanneer de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van de Verdragen op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen. De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van de Verdragen blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat. […]”
7 Artikel 19, lid 1, VEU luidt als volgt: „Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. Het verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen.”
8 Artikel 49 VEU bepaalt: „Elke Europese staat die de in artikel 2 bedoelde waarden eerbiedigt en zich ertoe verbindt deze uit te dragen, kan verzoeken lid te worden van de Unie. […] […]”
b) VWEU
9 Artikel 16, lid 1, VWEU luidt als volgt: „Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.”
10 Artikel 34 VWEU bepaalt: „Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.”
11 Artikel 36 VWEU luidt: „De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.”
12 Artikel 56 VWEU luidt als volgt: „In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.”
13 Artikel 57 VWEU is geformuleerd als volgt: „In de zin van de Verdragen worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.”
14 Artikel 165 TFUE bepaalt: „1. De Unie draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid. […]”
15 Artikel 166, lid 1, VWEU luidt: „De Unie legt inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer waardoor de activiteiten van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding.”
16 Artikel 258 VWEU bepaalt: „Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na deze staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken. Indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.”
c) Handvest
17 Artikel 1 van het Handvest luidt als volgt: „De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.”
18 Artikel 7 van het Handvest is als volgt geformuleerd: „Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”
19 Artikel 8 van het Handvest luidt als volgt: „1. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. 2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan. […]”
20 Artikel 11 van het Handvest bepaalt: „1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. 2. De vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd.”
21 Artikel 14, lid 3, van het Handvest luidt: „De vrijheid om met inachtneming van de democratische beginselen instellingen voor onderwijs op te richten en het recht van ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van het onderwijs en de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, hun levensbeschouwelijke en hun opvoedkundige overtuiging, worden geëerbiedigd volgens de nationale wetten die de uitoefening ervan beheersen.”
22 In artikel 20 van het Handvest is bepaald: „Eenieder is gelijk voor de wet.”
23 In artikel 21 van het Handvest staat te lezen: „1. Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden. […]”
24 Artikel 24 van het Handvest bepaalt: „1. Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden wordt in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang gehecht. 2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging. […]”
25 Artikel 52 van het Handvest luidt: „1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. […] 3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. […]”
2. Afgeleid recht
a) Richtlijn 2000/31
26 In de overwegingen 8, 10, 18, 21 en 22 van richtlijn 2000/31 heet het: „(8) Met deze richtlijn wordt beoogd een juridisch kader te scheppen teneinde het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij tussen de lidstaten te waarborgen, doch niet het strafrecht als zodanig te harmoniseren. […] (10) Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de in de onderhavige richtlijn beoogde maatregelen niet verder dan hetgeen nodig is om de doelstelling van de goede werking van de interne markt te verwezenlijken. Daar waar optreden op communautair niveau noodzakelijk is en om te verzekeren dat wat de elektronische handel aangaat effectief een ruimte zonder binnengrenzen voorbehouden is, dient de richtlijn een hoog beschermingsniveau te garanderen voor doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder voor de bescherming van minderjarigen, menselijke waardigheid, consumenten en volksgezondheid. Volgens [artikel 152 EG, thans artikel 168 VWEU,] vormt de gezondheidsbescherming een wezenlijk bestanddeel van het Gemeenschapsbeleid op andere gebieden. […] (18) Diensten van de informatiemaatschappij bestrijken een grote verscheidenheid aan economische activiteiten die online plaatsvinden; die activiteiten kunnen in het bijzonder in de onlineverkoop van goederen bestaan. Activiteiten zoals de levering van goederen als zodanig of de verstrekking van offlinediensten vallen niet onder de richtlijn. Diensten van de informatiemaatschappij blijven niet beperkt tot diensten waarvoor online contracten gesloten worden, maar ook, voor zover zij een economische activiteit vormen, betrekking hebben op diensten waarvoor de afnemers niet betalen, zoals diensten die bestaan in het aanbieden van online-informatie of commerciële communicatie, of diensten die instrumenten verschaffen voor het opzoeken en ophalen van en het toegang krijgen tot gegevens. Onder diensten van de informatiemaatschappij worden ook verstaan diensten voor het doorgeven van informatie via een communicatienetwerk, voor het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk of het toegankelijk maken van informatie die verstrekt is door een afnemer van een dienst. Televisieomroepactiviteiten in de zin van richtlijn 89/552/EEG [van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23)] en radio-omroepactiviteiten zijn geen diensten van de informatiemaatschappij omdat zij niet op individueel verzoek verricht worden. Diensten daarentegen die van punt tot punt worden doorgegeven, zoals video op verzoek of het verlenen van commerciële communicatie via elektronische post, zijn wel diensten van de informatiemaatschappij. Het gebruik van elektronische post of van gelijkwaardige individuele communicatie, bijvoorbeeld door natuurlijke personen voor doeleinden die buiten hun beroepsactiviteiten vallen, met inbegrip van het gebruik van deze communicatiemiddelen voor het afsluiten van contracten tussen deze personen, is geen dienst van de informatiemaatschappij. De contractuele relatie tussen werknemer en werkgever is geen dienst van de informatiemaatschappij. Activiteiten die van nature niet op een afstand en met behulp van elektronische middelen kunnen worden verricht, zoals de wettelijke controle op de rekeningen van ondernemingen of een medisch consult waarbij een lichamelijk onderzoek van de patiënt vereist is, zijn geen diensten van de informatiemaatschappij. […] (21) In verband met de reikwijdte van het gecoördineerde gebied wordt niet vooruitgelopen op toekomstige communautaire harmonisatie met betrekking tot diensten van de informatiemaatschappij noch op toekomstige nationale wetgeving die overeenkomstig het Gemeenschapsrecht wordt aangenomen. Het gecoördineerde gebied heeft alleen betrekking op vereisten voor online-activiteiten zoals online-informatie, onlinereclame, onlinewinkelen en onlinecontracten, en niet op wettelijke vereisten van de lidstaten voor goederen, zoals veiligheidsnormen, etiketteringsvoorschriften of aansprakelijkheid van goederen, dan wel de vereisten van de lidstaten in verband met de levering of het vervoer van goederen, met inbegrip van distributie van geneesmiddelen. De uitoefening van het preferentiële recht door overheidsinstanties met betrekking tot bepaalde goederen, zoals kunstwerken, valt niet onder het gecoördineerde gebied. (22) Met het oog op een doeltreffende bescherming van de algemene belangen moet de controle op de diensten van de informatiemaatschappij bij de bron van de activiteit gebeuren. Daarom is het nodig te waarborgen dat de bevoegde autoriteiten deze bescherming niet alleen voor de burgers van hun eigen land bieden, maar voor alle burgers van de Gemeenschap. Ter verbetering van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten is het onontbeerlijk deze verantwoordelijkheid van de lidstaat vanwaar de diensten stammen duidelijk te omschrijven. Met het oog op een doeltreffende waarborging van het vrije dienstenverkeer en van de rechtszekerheid voor de dienstverleners en de afnemers van de diensten, moeten deze diensten bovendien in beginsel aan het rechtsstelsel van de lidstaat waar de dienstverlener gevestigd is, worden onderworpen.”
27 Artikel 1 van richtlijn 2000/31 bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door het vrije verkeer van de diensten van de informatiemaatschappij tussen lidstaten te waarborgen. 2. Voor zover voor de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstelling nodig, worden met deze richtlijn bepaalde nationale bepalingen nader tot elkaar gebracht die van toepassing zijn op de diensten van de informatiemaatschappij en betrekking hebben op de interne markt, de vestiging van de dienstverleners, de commerciële communicatie, langs elektronische weg gesloten contracten, de aansprakelijkheid van tussenpersonen, gedragscodes, de buitengerechtelijke geschillenregeling, rechtsgedingen en de samenwerking tussen lidstaten.”
28 Artikel 2 van die richtlijn bepaalt: „Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ,diensten van de informatiemaatschappij’: diensten zoals omschreven in artikel 1, [lid 1, onder b), van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 2015, L 241, blz. 1)]; […] h) ,gecoördineerd gebied’: de in de nationale rechtsstelsels vastgelegde vereisten voor dienstverleners van de informatiemaatschappij en diensten van de informatiemaatschappij, ongeacht of die vereisten van algemene aard zijn dan wel specifiek daarop zijn toegesneden: i) Het gecoördineerde gebied omvat vereisten waaraan de dienstverlener moet voldoen met betrekking tot: – het starten van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij, zoals vereisten inzake kwalificatie, vergunning en aanmelding, – het uitoefenen van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij, zoals vereisten inzake gedrag van de dienstverlener, vereisten inzake kwaliteit en inhoud van de dienst inclusief inzake reclame en contracten, of vereisten inzake aansprakelijkheid van de dienstverlener. ii) Het gecoördineerde gebied omvat geen vereisten zoals: – vereisten die van toepassing zijn op goederen als zodanig, – vereisten die van toepassing zijn op de levering van goederen, – vereisten die van toepassing zijn op diensten die niet langs elektronische weg verleend worden. […]”
29 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „1. Iedere lidstaat zorgt ervoor dat de diensten van de informatiemaatschappij die worden verleend door een op zijn grondgebied gevestigde dienstverlener voldoen aan de in die lidstaat geldende nationale bepalingen die binnen het gecoördineerde gebied vallen. 2. De lidstaten mogen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de in de bijlage genoemde gebieden. 4. De lidstaten kunnen maatregelen nemen om voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij van lid 2 af te wijken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) De maatregelen moeten: i) noodzakelijk zijn voor een van de volgende doelstellingen: – de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen, – de bescherming van de volksgezondheid, – de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie, – de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers; ii) worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij waardoor afbreuk wordt gedaan aan de onder i) genoemde doelstellingen of een ernstig gevaar daarvoor ontstaat; iii) evenredig zijn aan die doelstellingen; b) De lidstaat moet, alvorens de betrokken maatregelen te nemen en onverminderd eventuele rechtszaken, met inbegrip van het vooronderzoek en in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verrichte handelingen: – de in lid 1 bedoelde lidstaat verzoeken maatregelen te nemen, maar deze is daar niet of onvoldoende op ingegaan; – de Commissie en de in lid 1 bedoelde lidstaat in kennis stellen van zijn voornemen om de betrokken maatregelen te nemen. 5. In urgente gevallen kunnen de lidstaten afwijken van de in lid 4, onder b), genoemde voorwaarden. In dat geval moeten de Commissie en de in lid 1 bedoelde lidstaat onverwijld in kennis gesteld worden van de maatregelen en van de redenen van de urgentie. 6. Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaat om de uitvoering van de betrokken maatregelen voort te zetten, gaat de Commissie zo spoedig mogelijk na of de haar ter kennis gebrachte maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. Concludeert zij dat de maatregelen niet verenigbaar zijn, dan verzoekt zij de lidstaat in kwestie om van beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering onmiddellijk te staken.”
30 Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat het starten en het uitoefenen van een activiteit van dienstverlener op het gebied van de informatiemaatschappij niet afhankelijk worden gesteld van een voorafgaande vergunning of enig ander vereiste met gelijke werking. 2. Lid 1 laat vergunningsstelsels onverlet die niet specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de diensten van de informatiemaatschappij […].”
b) Richtlijn 2006/123
31 De overwegingen 7, 9 en 27 van richtlijn 2006/123 luiden als volgt: (7) Deze richtlijn biedt een algemeen rechtskader voor een grote verscheidenheid van diensten en houdt daarbij rekening met de bijzondere kenmerken van de verschillende activiteiten of beroepen en hun reglementering. Dit kader stoelt op een dynamische en selectieve aanpak waarbij allereerst belemmeringen die snel kunnen worden verwijderd, uit de weg worden geruimd en waarbij voor de andere belemmeringen een aanvang wordt gemaakt met een proces van evaluatie, raadpleging en vervolgens harmonisatie met betrekking tot specifieke vraagstukken; dit proces moet leiden tot de geleidelijke en gecoördineerde modernisering van de nationale regelgevingsstelsels voor diensten, die van essentieel belang is voor de verwezenlijking van een echte interne dienstenmarkt tegen 2010. Er dient te worden gezorgd voor een evenwichtige combinatie van maatregelen inzake doelgerichte harmonisatie, administratieve samenwerking, de bepaling over het vrij verrichten van diensten en de stimulering van de opstelling van gedragscodes over bepaalde vraagstukken. Deze coördinatie van de nationale wetgevende regimes dienen te zorgen voor een hoge mate van communautaire juridische integratie en een hoog beschermingsniveau voor de doelstellingen van algemeen belang, en met name de consumentenbescherming, hetgeen wezenlijk is voor het vertrouwen tussen de lidstaten. In deze richtlijn wordt ook rekening gehouden met andere doelstellingen van algemeen belang, zoals de bescherming van het milieu, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de noodzaak van de naleving van het arbeidsrecht. […] (9) Deze richtlijn is alleen van toepassing op eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit. Deze richtlijn is derhalve niet van toepassing op eisen zoals verkeersregels, regels betreffende de ontwikkeling of het gebruik van land, voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, en evenmin op administratieve sancties wegens het niet naleven van dergelijke voorschriften die de dienstenactiviteit niet specifiek regelen of daarop specifiek van invloed zijn, maar die de dienstverrichters bij de uitvoering van hun economische activiteit in acht dienen te nemen op dezelfde wijze als natuurlijke personen die als particulier handelen. […] (27) Deze richtlijn dient niet van toepassing te zijn op sociale diensten op het gebied van huisvesting, kinderzorg en hulp aan gezinnen en personen in nood, die worden verleend door de staat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, door dienstverrichters die hiervoor een opdracht of een mandaat hebben gekregen van de staat of door liefdadigheidsinstellingen die als zodanig door de staat zijn erkend, met het doel ondersteuning te geven aan personen met permanente of tijdelijke bijzondere behoeften wegens hun ontoereikende gezinsinkomen of met een volledig of gedeeltelijk gebrek aan onafhankelijkheid en die gevaar lopen te worden gemarginaliseerd. Deze diensten zijn van wezenlijk belang voor de waarborging van het grondrecht op menselijke waardigheid en integriteit en een uiting van de beginselen van sociale samenhang en solidariteit en dienen door deze richtlijn onverlet te worden gelaten.”
32 Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn stelt algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten vast, met waarborging van een hoge kwaliteit van de diensten.”
33 Artikel 2, leden 1 en 2, van die richtlijn luidt: „1. Deze richtlijn is van toepassing op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd. 2. Deze richtlijn is niet van toepassing op de volgende activiteiten: a) niet-economische diensten van algemeen belang; […] c) elektronische-communicatiediensten en -netwerken en bijbehorende faciliteiten en diensten, wat de aangelegenheden betreft die vallen onder de richtlijnen 2002/19/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 7)], 2002/20/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21)], 2002/21/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33)], 2002/22/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universele dienstrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 51)] en 2002/58/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37)]; […] g) audiovisuele diensten, met inbegrip van cinematografische diensten, ongeacht hun wijze van productie, distributie en doorgifte, en radio-omroep; […] i) werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag overeenkomstig [artikel 45 EG, thans artikel 51 VWEU]; j) sociale diensten betreffende sociale huisvesting, kinderzorg en ondersteuning van gezinnen of personen in permanente of tijdelijke nood, die worden verleend door de staat, door dienstverrichters die hiervoor een opdracht […] of een mandaat [hebben] gekregen van de staat, of door liefdadigheidsinstellingen die als zodanig door de staat zijn erkend; […]”
34 Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „Indien de bepalingen van deze richtlijn strijdig zijn met een bepaling van andere communautaire regelgeving die betrekking heeft op specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in specifieke sectoren of voor specifieke beroepen, dan heeft de bepaling van de andere communautaire regelgeving voorrang en is deze van toepassing op die specifieke sectoren of beroepen. Hieronder wordt begrepen: a) richtlijn 96/71/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1)]; b) verordening (EEG) nr. 1408/71 [van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1)]; c) [richtlijn 89/552]; d) richtlijn 2005/36/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22)].”
35 Artikel 4 van richtlijn 2006/123 definieert, in zijn respectieve punten 1 en 7, een „dienst” als elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 57 VWEU, en een „eis” met name als elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten of voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, de regels van beroepsorden of de collectieve regels van beroepsverenigingen of andere beroepsorganisaties, die deze in het kader van de hun toegekende juridische bevoegdheden hebben vastgesteld.
36 Artikel 16 van deze richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten eerbiedigen het recht van dienstverrichters om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn. De lidstaat waar de dienst wordt verricht, zorgt voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit op zijn grondgebied. De lidstaten maken de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de naleving van eisen die niet aan de volgende beginselen voldoen: a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor rechtspersonen, naar de lidstaat waar zij gevestigd zijn; b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu; c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken. 2. De lidstaten stellen geen beperkingen aan het vrij verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter door de volgende eisen te stellen: a) een verplichting voor de dienstverrichter een vestiging op hun grondgebied te hebben; b) een verplichting voor de dienstverrichter bij hun bevoegde instanties een vergunning te verkrijgen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging op hun grondgebied, behalve wanneer deze richtlijn of een ander communautair instrument daarin voorziet; c) een verbod voor de dienstverrichter op hun grondgebied een bepaalde vorm of soort infrastructuur, met inbegrip van een kantoor of kabinet, op te zetten om de betrokken diensten te verrichten; d) de toepassing van een specifieke contractuele regeling tussen de dienstverrichter en de afnemer die het verrichten van diensten door zelfstandigen verhindert of beperkt; e) een verplichting voor de dienstverrichter om specifiek voor de uitoefening van een dienstenactiviteit een door hun bevoegde instanties afgegeven identiteitsdocument te bezitten; f) eisen, andere dan die welke noodzakelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid op het werk, die betrekking hebben op het gebruik van uitrusting en materiaal die een integrerend deel van de dienstverrichting vormen; g) beperkingen van het vrij verrichten van diensten zoals bedoeld in artikel 19. 3. De lidstaat waarnaar de dienstverrichter zich begeeft, wordt niet verhinderd om, in overeenstemming met lid 1, eisen aan het verrichten van een dienstenactiviteit te stellen als deze gerechtvaardigd zijn om redenen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Ook wordt die lidstaat niet verhinderd om in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht zijn voorschriften inzake de arbeidsvoorwaarden toe te passen, waaronder die welke zijn neergelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten. […]”
37 Artikel 19 van deze richtlijn luidt: „De lidstaten leggen een afnemer geen eisen op die het gebruik van een dienst van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter beperken, met name niet: a) een verplichting bij hun bevoegde instanties een vergunning te verkrijgen of een verklaring af te leggen; b) discriminerende beperkingen op het verkrijgen van financiële bijstand vanwege het feit dat de dienstverrichter in een andere lidstaat is gevestigd of vanwege de plaats waar de dienst wordt verricht.”
c) Richtlijn 2010/13
38 De overwegingen 11, 18, 31, 33, 41, 60, 83 en 104 van richtlijn 2010/13 luiden: (11) Het is noodzakelijk, teneinde concurrentievervalsing te voorkomen, de rechtszekerheid te vergroten, bij te dragen tot de voltooiing van de interne markt en het ontstaan van één enkele informatieruimte te vergemakkelijken, om voor alle audiovisuele mediadiensten, zowel televisieomroep (d.w.z. lineaire audiovisuele mediadiensten) als audiovisuele mediadiensten op aanvraag (d.w.z. non-lineaire audiovisuele mediadiensten), ten minste een basispakket van gecoördineerde voorschriften vast te stellen. […] (18) Richtlijn [2002/21] laat volgens haar artikel 1, lid 3, de maatregelen onverlet die op het niveau van de Unie of op nationaal niveau zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder voor wat betreft regulering van de inhoud en audiovisueel beleid. […] (31) In deze richtlijn dient een ruim begrip van audiovisuele commerciële communicatie te worden vastgesteld. Dit begrip dient echter niet te omvatten de kosteloos uitgezonden boodschappen van de overheid en liefdadigheidsinstanties. […] (33) Het land-van-oorsprongbeginsel dient te worden beschouwd als het kernpunt van deze richtlijn, aangezien het essentieel is voor de totstandbrenging van een interne markt. Dit beginsel moet voor alle audiovisuele mediadiensten gelden teneinde de aanbieders van mediadiensten de rechtszekerheid te bieden die zij nodig hebben als grondslag voor nieuwe businessmodellen en voor de ontwikkeling van deze diensten. Het is tevens essentieel voor het vrije verkeer van informatie en audiovisuele programma’s in de interne markt. […] (41) De lidstaten moeten op de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden meer gedetailleerde of strengere maatregelen kunnen toepassen op aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, er evenwel op toeziend dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het recht van de Unie. […] […] (60) Er dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden tussen enerzijds de maatregelen ter bescherming van de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en de menselijke waardigheid en anderzijds het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting, zoals dat in het [Handvest] is neergelegd. Het doel van deze maatregelen, zoals het gebruik van persoonlijke identificatienummers (pincodes), filtersystemen of etikettering, dient derhalve te zijn, de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en de menselijke waardigheid een adequate bescherming te bieden, met name wat betreft audiovisuele mediadiensten op aanvraag. In de aanbeveling betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord wordt reeds het belang van filtersystemen en etikettering erkend en een aantal mogelijke maatregelen genoemd ten behoeve van minderjarigen, zoals het systematisch ter beschikking van de gebruikers stellen van een doeltreffend, actualiseerbaar en eenvoudig te gebruiken filtersysteem op het ogenblik dat zij zich abonneren op een toegangsdienst, of toegang tot diensten die speciaal voor kinderen zijn bestemd uitrusten met een automatisch filterinstrument. […] (83) Teneinde te waarborgen dat de belangen van de consumenten als kijkers naar uitzendingen volledig en naar behoren worden beschermd, moet televisiereclame aan minimumnormen en criteria worden onderworpen en moeten de lidstaten het recht behouden om voor televisie-omroepmaatschappijen die onder hun bevoegdheid vallen, meer gedetailleerde en strengere voorschriften uit te vaardigen en in bepaalde gevallen verschillende voorwaarden te stellen. […] (104) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het realiseren van een ruimte zonder binnengrenzen voor audiovisuele mediadiensten waarbij tegelijk een hoog beschermingsniveau wordt gewaarborgd wat betreft doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid, en de bevordering van de rechten van personen met een handicap, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.”
39 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2010/13 bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ,audiovisuele mediadienst’: i) een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 [VWEU] die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, met als hoofddoel de levering aan het algemene publiek van programma’s ter informatie, vermaak of educatie via elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21. Bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd [onder] e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd in [onder] g) van dit lid; ii) audiovisuele commerciële communicatie; […] d) ,aanbieder van mediadiensten’: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd; […] h) ,audiovisuele commerciële communicatie’: beelden, al dan niet met geluid, welke dienen om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten. Dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van audiovisuele commerciële communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing; i) ,televisiereclame’: de door een publieke of particuliere onderneming of natuurlijke persoon, tegen betaling of soortgelijke vergoeding dan wel ten behoeve van zelfpromotie uitgezonden boodschap — in welke vorm dan ook — in verband met de uitoefening van een commerciële, industriële, ambachtelijke activiteit of van een beroep, ter bevordering van de levering tegen betaling van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen; […]”
40 Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt: „1. Elke lidstaat ziet erop toe dat alle audiovisuele mediadiensten, uitgezonden door onder zijn bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten, voldoen aan de regels van het rechtsstelsel dat van toepassing is op audiovisuele mediadiensten die bestemd zijn voor het publiek in die lidstaat. […]”
41 In artikel 3, leden 1 en 2, van deze richtlijn heet het: „1. De lidstaten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren niet de doorgifte op hun grondgebied van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen. 2. Een lidstaat mag tijdelijk afwijken van lid 1 van dit artikel indien een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 6, lid 1, onder a), of artikel 6 bis, lid 1, of afbreuk doet aan de volksgezondheid of een belangrijk en ernstig risico daarop vormt. Voor de in de eerste alinea bedoelde afwijking gelden de volgende voorwaarden: a) tijdens de voorafgaande 12 maanden heeft de aanbieder van mediadiensten al minstens tweemaal gedrag vertoond zoals beschreven in de eerste alinea; b) de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de lidstaat voornemens is te treffen indien een dergelijke inbreuk opnieuw [plaatsvindt]; c) de betrokken lidstaat heeft de rechten van verdediging van de aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder de mogelijkheid gegeven zijn standpunt inzake de vermeende inbreuken kenbaar te maken; en d) overleg met de lidstaat die ten aanzien van de aanbieder van mediadiensten bevoegd is en met de Commissie, heeft binnen een maand na de ontvangst door de Commissie van de onder b) bedoelde kennisgeving niet tot een minnelijke schikking geleid. Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen en nadat zij [de Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA)] verzocht heeft een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), neemt de Commissie een besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. […]”
42 Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt: „1. Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat die regels in overeenstemming zijn met het Unierecht. 2. Indien een lidstaat: a) op grond van de hem door lid 1 geboden vrijheid strengere of meer gedetailleerde regels van algemeen publiek belang heeft aangenomen, en b) van oordeel is dat een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een audiovisuele mediadienst aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht, kan hij de bevoegde lidstaat verzoeken zich over in verband met dit lid vastgestelde problemen te buigen. Beide lidstaten werken loyaal en vlot samen om tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen. Bij ontvangst van een met redenen omkleed verzoek als bedoeld in de eerste alinea, verzoekt de bevoegde lidstaat de aanbieder van mediadiensten de desbetreffende regels van algemeen belang na te leven. De bevoegde lidstaat informeert de verzoekende lidstaat regelmatig over de stappen die zijn ondernomen om deze problemen aan te pakken. Binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek licht de bevoegde lidstaat de verzoekende lidstaat en de Commissie in over de verkregen resultaten en licht toe waarom geen oplossing kon worden gevonden. Beide lidstaten kunnen het contactcomité verzoeken de zaak te gelegener tijd te onderzoeken. 3. De betrokken lidstaat kan passende maatregelen tegen de betrokken aanbieder van mediadiensten nemen indien: a) hij van oordeel is dat het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is; en b) hij bewijs overlegt dat de betrokken aanbieder van mediadiensten zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om de strengere voorschriften op door deze richtlijn gecoördineerde gebieden te omzeilen, welke voorschriften op hem van toepassing zouden zijn indien hij in de betrokken lidstaat zou zijn gevestigd; aan de hand van dat bewijs kan de omzeiling redelijkerwijs worden vastgesteld, zonder dat moet worden bewezen dat de aanbieder van de mediadienst die strengere voorschriften beoogt te omzeilen. Die maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze toegepast en staan in verhouding tot de beoogde doelstellingen. 4. Een lidstaat mag slechts maatregelen uit hoofde van lid 3 nemen wanneer alle volgende voorwaarden vervuld zijn: a) de lidstaat heeft de Commissie en de lidstaat waarin de aanbieder van mediadiensten is gevestigd, in kennis gesteld van zijn voornemen om die maatregelen te nemen, met opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling heeft gebaseerd; b) de lidstaat heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de vermeende omzeiling en de maatregelen die de kennisgevende lidstaat voornemens is te nemen; en c) de Commissie heeft, nadat zij ERGA heeft verzocht een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, en in het bijzonder dat de beoordeling door de lidstaat die de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde maatregelen neemt, gegrond is; de Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd. 5. Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 4, onder a), neemt de Commissie het besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. Indien de Commissie besluit dat die maatregelen niet verenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat de beoogde maatregelen niet neemt. Indien de Commissie niet over voldoende informatie beschikt om het besluit te nemen op grond van de eerste alinea, verzoekt zij de betrokken lidstaat binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving om alle nodige informatie om dat besluit te nemen. De termijn waarbinnen de Commissie het besluit moet nemen, wordt geschorst tot die lidstaat die nodige informatie heeft bezorgd. De schorsing van deze termijn duurt nooit langer dan een maand. 6. De lidstaten zorgen er in het kader van hun nationale recht met passende middelen voor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten deze richtlijn daadwerkelijk naleven. 7. Richtlijn [2000/31] is van toepassing, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Indien richtlijn [2000/31] in strijd is met een bepaling van onderhavige richtlijn, prevaleert de onderhavige richtlijn, tenzij in de onderhavige richtlijn anders is bepaald.”
43 Artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2010/13 bepaalt: „Onverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen, zorgen de lidstaten er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten: a) het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden”.
44 Artikel 6 bis van deze richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verstrekte audiovisuele mediadiensten die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Het kan hierbij onder meer gaan om selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor leeftijdscontrole of andere technische maatregelen. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen. Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen. […]”
45 Artikel 9, lid 1, onder c) en g), van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende voorschriften voldoet: […] c) zij mag niet: i) de menselijke waardigheid aantasten; ii) enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bevatten of bevorderen; iii) aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor gezondheid of veiligheid; iv) aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu; […] g) audiovisuele commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke, geestelijke of morele schade berokkenen; derhalve mag zij minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten om een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, mag zij hen niet rechtstreeks aanmoedigen om hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen goederen of diensten te kopen, mag zij het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen niet uitbuiten, en mag zij niet ongegrond minderjarigen in gevaarlijke situaties tonen.”
46 Artikel 28 ter van diezelfde richtlijn luidt: „1. Onverminderd de artikelen 12 tot en met 15 van [richtlijn 2000/31] zorgen de lidstaten ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om: a) minderjarigen te beschermen tegen programma’s, door gebruikers gegenereerde video’s en audiovisuele commerciële communicatie die hun lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling kunnen aantasten, overeenkomstig artikel 6 bis, lid 1; b) het algemene publiek te beschermen tegen programma’s, door gebruikers gegenereerde video’s en audiovisuele commerciële communicatie die aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden; c) het grote publiek van programma’s, door gebruikers gegenereerde video’s en audiovisuele commerciële communicatie met inhoud waarvan de verspreiding krachtens het Unierecht een strafbaar feit vormt, namelijk het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van richtlijn (EU) 2017/541 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB 2017, L 88, blz. 6)], strafbare feiten in verband met kinderpornografie als bedoeld in artikel 5, lid 4, van richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad [van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie en ter vervanging van kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB 2011, L 335, blz. 1)] en strafbare feiten die vallen onder racisme en vreemdelingenhaat als bedoeld in artikel 1 van kaderbesluit 2008/913/JBZ [van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB 2008, L 328, blz. 55)]. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms voldoen aan de in artikel 9, lid 1, bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders in de handel gebracht, verkocht en georganiseerd wordt. De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om te voldoen aan de in artikel 9, lid 1, bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders van videoplatforms niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt, rekening houdend met de beperkte controle van deze videoplatforms op die audiovisuele commerciële communicatie. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van videoplatforms gebruikers duidelijk informeren indien programma’s en door gebruikers gegenereerde video’s audiovisuele commerciële communicatie bevatten mits die communicatie overeenkomstig lid 3, derde alinea, onder c), wordt vermeld of de aanbieder van dat feit op de hoogte is. De lidstaten moedigen het gebruik van coregulering en de toepassing van zelfregulering aan middels gedragscodes als bepaald in artikel 4 bis, lid 1, teneinde de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie over voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen bevatten, en stoffen met nutritionele en fysiologische effecten, met name vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers, waarvan een buitensporig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is, daadwerkelijk te verminderen. Via dergelijke gedragscodes moet ervoor worden gezorgd dat in deze audiovisuele commerciële communicatie geen nadruk wordt gelegd op de positieve kwaliteit van de nutritionele aspecten van dergelijke voedingsmiddelen en dranken. 3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden de passende maatregelen bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de in het geding zijnde rechten en gerechtvaardigde belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben gecreëerd of geüpload, alsmede het algemeen belang. De lidstaten zorgen ervoor dat alle onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms […] dergelijke maatregelen toepassen. Die maatregelen zijn uitvoerbaar en proportioneel, rekening houdend met de omvang van de videoplatformdienst en de aard van de verleende dienst. Die maatregelen leiden niet tot eventuele controlemaatregelen vooraf of filtering bij het uploaden van inhoud die niet voldoen aan artikel 15 van [richtlijn 2000/31]. Ter bescherming van minderjarigen, als bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel, gelden voor de meest schadelijke inhoud de meest strikte toegangscontrolemaatregelen. Die maatregelen omvatten naargelang het geval: a) opnemen en toepassen, in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in lid 1 bedoelde voorschriften; b) opnemen en toepassen in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in artikel 9, lid 1 bedoelde voorschriften inzake audiovisuele commerciële communicatie die door de aanbieders van videoplatformdiensten niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt; c) beschikken over een functie waarmee gebruikers die door gebruikers gegenereerde video’s uploaden, kunnen verklaren of die video’s audiovisuele commerciële communicatie bevatten, voor zover zij zulks weten of redelijkerwijs zouden kunnen weten; d) tot stand brengen en gebruiken van transparante en gebruiksvriendelijke mechanismen waarmee gebruikers van een videoplatform de in lid 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van videoplatforms aangeboden inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren; e) tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers ervan kunnen uitleggen welk gevolg er is gegeven aan de in onder d) genoemde rapportage en markeringen; f) tot stand brengen en gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole van gebruikers van videoplatforms met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten; g) tot stand brengen en gebruiken van gemakkelijk te bedienen systemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in lid 1 bedoelde inhoud kunnen geven; h) ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht die door de eindgebruiker worden beheerd met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten; i) tot stand brengen en gebruiken van transparante, gemakkelijk te gebruiken en doeltreffende procedures voor de behandeling en afhandeling van klachten van de gebruikers bij de aanbieder van videoplatforms omtrent de uitvoering van de onder d) tot en met h) genoemde maatregelen; j) voorzien in doeltreffende maatregelen en instrumenten op het gebied van mediageletterdheid en vergroten van de bekendheid van gebruikers met die maatregelen en instrumenten. Door aanbieders van videoplatforms op grond van de derde alinea, onder f) en h), verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen, worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame. 4. Voor de uitvoering van de in de leden 1 en 3 van dit artikel genoemde maatregelen moedigen de lidstaten het gebruik aan van coregulering overeenkomstig artikel 4 bis, lid 1. 5. De lidstaten stellen de nodige mechanismen vast om de geschiktheid van de door de aanbieders van videoplatforms getroffen maatregelen, die zijn bedoeld in lid 3, te beoordelen. De lidstaten belasten de nationale regulerende instanties of organen met de beoordeling van die maatregelen. 6. De lidstaten kunnen aanbieders van videoplatforms maatregelen opleggen die gedetailleerder of strenger zijn dan de in lid 3 van dit artikel genoemde maatregelen. Bij de vaststelling van die maatregelen voldoen de lidstaten aan de in het toepasselijke Unierecht vastgestelde voorschriften, zoals de voorschriften van de artikelen 12 tot en met 15 van [richtlijn 2000/31] of artikel 25 van [richtlijn 2011/93]. 7. De lidstaten waarborgen dat mechanismen beschikbaar zijn voor buitengerechtelijke beslechting van geschillen tussen gebruikers en aanbieders van videoplatforms wat betreft de toepassing van de leden 1 en 3. Door middel van deze mechanismen is het mogelijk geschillen op onpartijdige wijze te beslechten en zij ontnemen de gebruiker niet het recht op juridische bescherming overeenkomstig het nationaal recht. 8. De lidstaten zien erop toe dat gebruikers hun rechten met betrekking tot aanbieders van videoplatforms op grond van de leden 1 en 3 voor een gerechtelijke instantie kunnen laten gelden. 9. De Commissie moedigt aanbieders van videoplatforms aan beste praktijken inzake de in lid 4 bedoelde gedragscodes op basis van coregulering te delen. 10. De lidstaten en de Commissie kunnen zelfregulering door middel van de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde Uniegedragscodes stimuleren.”
d) Richtlijn 2015/1535
47 Artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535 definieert een „dienst” als „elke dienst van de informatiemaatschappij, dat wil zeggen elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht”.
48 Artikel 5, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Onverminderd artikel 7 delen de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee, tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval louter met een mededeling van de betrokken norm kan worden volstaan. Zij geven de Commissie tevens kennis van de redenen waarom de vaststelling van dit technisch voorschrift nodig is, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp zelf blijken. In voorkomend geval delen de lidstaten tegelijkertijd aan de Commissie de tekst mee, tenzij deze reeds in samenhang met een eerdere mededeling is doorgegeven, van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die tekst noodzakelijk is om de reikwijdte van het ontwerp van het technische voorschrift te kunnen beoordelen. De lidstaten gaan in de in de eerste en de tweede alinea van dit lid genoemde omstandigheden tot een nieuwe mededeling aan de Commissie over, indien zij in het ontwerp voor een technisch voorschrift significante wijzigingen aanbrengen die een verandering van het toepassingsgebied, een verkorting van het oorspronkelijk geplande tijdschema voor de toepassing, een toevoeging van specificaties of eisen of het stringenter maken ervan tot gevolg hebben. […] De Commissie stelt de overige lidstaten onverwijld van het haar voorgelegde ontwerp voor een technisch voorschrift en van alle aan haar verstrekte documenten in kennis. Zij kan het ontwerp tevens voor advies voorleggen aan het in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde comité en, in voorkomend geval, aan het comité dat op het betrokken gebied bevoegd is. Wat de in artikel 1, lid 1, onder f), tweede alinea, punt iii), van deze richtlijn bedoelde technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten betreft, kunnen de opmerkingen of uitvoerig gemotiveerde meningen van de Commissie of van de lidstaten alleen betrekking hebben op het aspect dat eventueel een belemmering vormt voor het handelsverkeer of, wat betreft de regels betreffende diensten, het vrije verkeer van diensten of de vrijheid van vestiging van dienstverleners, doch niet op het fiscale of financiële aspect van de maatregel.”
e) Richtlijn 2018/1808
49 In overweging 20 van richtlijn 2018/1808 heet het: „De passende maatregelen voor de bescherming van minderjarigen die van toepassing zijn op televisie-uitzendingen, moeten ook gelden voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Dat moet het niveau van bescherming verhogen. De benadering van minimale harmonisatie biedt de lidstaten de mogelijkheid een hoger niveau van bescherming te ontwikkelen [tegen] inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. De meest schadelijke inhoud, die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten maar niet noodzakelijkerwijs strafbaar is, moet onderworpen zijn aan de strengste maatregelen zoals versleuteling en doeltreffend ouderlijk toezicht, waarbij de mogelijkheid voor de lidstaten tot het vaststellen van strengere maatregelen onverlet wordt gelaten.”
f) AVG
50 De overwegingen 1, 4, 10 en 154 AVG luiden als volgt: „(1) De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens is een grondrecht. Krachtens artikel 8, lid 1, van het [Handvest] en artikel 16, lid 1, [VWEU] heeft eenieder recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. […] (4) De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. Deze verordening eerbiedigt alle grondrechten alsook de vrijheden en beginselen die zijn erkend in het Handvest zoals dat in de Verdragen is verankerd, met name de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, woning en communicatie, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en het recht op culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid. […] (10) Teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie op te heffen, dient het niveau van bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het vlak van verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijkwaardig te zijn. Er moet gezorgd worden voor een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de regels inzake bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Met het oog op de verwerking van persoonsgegevens voor het vervullen van een wettelijke verplichting, voor het vervullen van een taak van algemeen belang of bij de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, moet de lidstaten worden toegestaan nationale bepalingen te handhaven of in te voeren ter nadere precisering van de wijze waarop de regels van deze verordening moeten worden toegepast. In samenhang met de algemene en horizontale wetgeving inzake gegevensbescherming ter uitvoering van richtlijn 95/46/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31)] beschikken de lidstaten over verscheidene sectorgebonden wetten op gebieden waar behoefte is aan meer specifieke bepalingen. Deze verordening biedt de lidstaten ook ruimte om eigen regels voor de toepassing vast te stellen, onder meer wat de verwerking van bijzondere persoonsgegevenscategorieën (‚gevoelige gegevens’) betreft. In zoverre staat deze verordening niet in de weg aan lidstatelijk recht waarin specifieke situaties op het gebied van gegevensverwerking nader worden omschreven, meer bepaald door nauwkeuriger te bepalen in welke gevallen verwerking van persoonsgegevens rechtmatig geschiedt. […] (154) Deze verordening biedt de mogelijkheid om bij de toepassing daarvan rekening te houden met het beginsel recht van toegang van het publiek tot officiële documenten. De toegang van het publiek tot officiële documenten kan als een algemeen belang worden beschouwd. Persoonsgegevens in documenten die in het bezit zijn van een overheidsinstantie of overheidsorgaan, moeten door die instantie of dat orgaan kunnen worden vrijgegeven, indien in het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de overheidsinstantie of het overheidsorgaan van toepassing is, in de vrijgave van die gegevens wordt voorzien. Die wetgeving moet de toegang van het publiek tot officiële documenten en het hergebruik van overheidsinformatie verzoenen met het recht op bescherming van persoonsgegevens, en mag derhalve voorzien in de noodzakelijke afstemming op het recht op de bescherming van persoonsgegevens krachtens deze verordening. De verwijzing naar overheidsinstanties en -organen in die context moet alle autoriteiten en andere organen die onder het lidstatelijke recht inzake de toegang van het publiek tot documenten vallen, omvatten. Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad [van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie (PB 2003, L 345, blz. 90)] doet geen afbreuk aan en heeft geen gevolgen voor het niveau van bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van het Unierecht en het lidstatelijke recht, en houdt met name geen wijziging in van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen en rechten. Meer bepaald mag die richtlijn niet gelden voor documenten die krachtens de toegangsregelingen niet of in beperkte mate mogen worden ingezien omwille van de bescherming van persoonsgegevens, en voor delen van documenten die krachtens die regelingen mogen worden ingezien, maar die persoonsgegevens bevatten waarvan het hergebruik bij wet onverenigbaar is verklaard met het recht inzake bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.”
51 Artikel 1 AVG bepaalt: „1. Bij deze verordening worden regels vastgesteld betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van persoonsgegevens. 2. Deze verordening beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens. 3. Het vrije verkeer van persoonsgegevens in de Unie wordt noch beperkt noch verboden om redenen die verband houden met de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens.”
52 Artikel 5 van deze verordening bepaalt: „1. Persoonsgegevens moeten: a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‚rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’); […] f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging (,integriteit en vertrouwelijkheid’); […]”
53 In artikel 6 van die verordening is bepaald: „1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken. […]”
54 In artikel 10 van deze verordening heet het: „Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.”
55 Artikel 24 AVG bepaalt: „1. Rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico’s voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, treft de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Die maatregelen worden geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd. 2. Wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten, omvatten de in lid 1 bedoelde maatregelen een passend gegevensbeschermingsbeleid dat door de verwerkingsverantwoordelijke wordt uitgevoerd. 3. Het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes als bedoeld in artikel 40 of goedgekeurde certificeringsmechanismen als bedoeld in artikel 42 kan worden gebruikt als element om aan te tonen dat de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke zijn nagekomen.”
56 Artikel 86 van die verordening bepaalt: „Persoonsgegevens in officiële documenten die voor de uitvoering van een taak van algemeen belang in het bezit zijn van een overheidsinstantie, een overheidsorgaan of een particulier orgaan, mogen door de instantie of het orgaan in kwestie worden bekendgemaakt in overeenstemming met het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de overheidsinstantie of het orgaan van toepassing is, teneinde het recht van toegang van het publiek tot officiële documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening.”
C. Hongaars recht
1. Hongaarse grondwet
57 Artikel XV, lid 5, van de Magyarország Alaptörvénye (Hongaarse grondwet), in de op het onderhavige geding toepasselijke versie, bepaalt: „Hongarije beschermt middels bijzondere maatregelen gezinnen, kinderen, vrouwen, ouderen en gehandicapten.”
58 Artikel XVI van deze grondwet luidt als volgt: „1. Ieder kind heeft recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn goede lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling. Hongarije beschermt het recht van kinderen om zich te vereenzelvigen met het geslacht dat zij hebben bij de geboorte en waarborgt onderwijs dat berust op waarden die zijn gebaseerd op de grondwettelijke identiteit van ons vaderland en zijn christelijke cultuur. 2. Ouders hebben het recht de opvoeding te kiezen die aan hun kinderen moet worden gegeven.”
2. Hongaars burgerlijk wetboek
59 In § 4:146 van a polgári törvénykönyvről szóló 2013. évi V. törvény (wet nr. V van 2013 tot vaststelling van het burgerlijk wetboek; hierna: „Hongaars burgerlijk wetboek”) is bepaald: „1. Het minderjarige kind staat onder ouderlijk gezag of onder voogdij. 2. Het ouderlijk gezag omvat het recht en de verplichting om de naam van het minderjarige kind te kiezen, om te beslissen over het onderhoud dat, en de opvoeding die aan het kind moeten worden gegeven, en om te beslissen over diens woonplaats, om diens vermogen te beheren en diens wettelijke vertegenwoordiging te verzekeren, alsmede het recht om een voogd aan te wijzen en een persoon van de voogdij uit te sluiten.”
60 § 4:224 van dit wetboek bepaalt: „Tenzij in deze wet anders is bepaald, is de voogd de beschermer, de opvoeder, de bewindvoerder en de wettelijk vertegenwoordiger van het onder voogdij staande kind.
61 § 8:1, lid 2, van dit wetboek bepaalt: „1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: […] 2) ‚leden van dezelfde familie’: naaste familieleden, partners, echtgenoten van bloedverwanten in rechtstreekse opgaande en neergaande lijn, bloedverwanten in rechtstreekse opgaande en neergaande lijn, broers en zussen van echtgenoten, en echtgenoten van broers en zussen. […]”
3. Wet op de bescherming van kinderen
62 § 1, lid 1, van wet nr. XXXI van 1997 betreffende de bescherming van kinderen en beheer van de voogdij, zoals gewijzigd bij de wijzigingswet (hierna: „wet op de bescherming van kinderen”), bepaalt: „Deze wet heeft tot doel de basisregels vast te stellen volgens welke de Staat, de lokale overheden en de natuurlijke en rechtspersonen die belast zijn met de bescherming van kinderen alsmede andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid, middels specifieke prestaties en maatregelen bijdragen tot de uitoefening van de wettelijke rechten en belangen van kinderen en tot de vervulling van de ouderlijke verplichtingen, en erop toezien dat situaties waarin kinderen kwetsbaar zijn worden voorkomen en verholpen, dat het gebrek aan ouderlijke zorg wordt ondervangen en dat wordt verzekerd dat jongvolwassenen die het stelsel voor kinderbescherming hebben verlaten, in de samenleving integreren.”
63 § 4 van deze wet luidt als volgt: „1. Deze wet is van toepassing op: a) voor zover zij op het grondgebied van Hongarije verblijven, en behoudens de in lid [3] bedoelde afwijking, kinderen, jongvolwassenen en hun ouders met de Hongaarse nationaliteit, op hen die, behoudens een andersluidende bepaling in een internationaal verdrag, de status van gevestigde persoon, immigrant of toegelaten persoon hebben, alsmede op hen die door de Hongaarse autoriteiten zijn erkend als vluchtelingen, personen die subsidiaire bescherming genieten of staatlozen; b) eenieder die het recht van vrij verkeer en verblijf geniet krachtens de [a szabad mozgás és tartózkodás jogával rendelkező személyek beutazásáról és tartózkodásáról szóló 2007. évi I. törvény (wet nr. I. van 2007 betreffende de binnenkomst en het verblijf van personen die het recht van vrij verkeer en verblijf genieten)], indien hij op het tijdstip van de aanvraag van prestaties zijn recht van vrij verkeer en verblijf van meer dan drie maanden op het Hongaarse grondgebied uitoefent overeenkomstig wet nr. I. van 2007 betreffende de binnenkomst en het verblijf van personen die het recht van vrij verkeer en verblijf genieten en een wettelijke woonplaats heeft overeenkomstig de [a polgárok személyi adatainak és lakcímének nyilvántartásáról szóló 1992. évi LXVI. törvény (wet nr. LXVI. van 1992 betreffende het register van persoonsgegevens en adressen van burgers)]; […] 3. Naast de in lid [1] bedoelde personen is deze wet ook van toepassing op de bescherming van een kind met een niet-Hongaarse nationaliteit dat op het Hongaarse grondgebied verblijft, indien het kind zonder tijdelijke plaatsing, plaatsing onder opvoedkundig toezicht of aanwijzing van een voogd in gevaar zou komen of onvermijdelijk schade zou lijden.”
64 § 5, onder s), van de wet op de bescherming van kinderen definieert het begrip „beheerder” als volgt: „sa) het orgaan dat bij regeringsbesluit is aangewezen voor het uitoefenen van de beheersfuncties namens de landelijke overheid, de lokale overheid en de vereniging van lokale overheden (hierna gezamenlijk: ‚overheidsbeheerder’); sb) de erkende kerk, haar interne kerkelijke rechtspersoon, alsmede de geïntegreerde kerk, de geregistreerde kerk en hun interne kerkelijke rechtspersoon, die krachtens § 9/D, lid (5), en § 9/F, lid (1), van de [a lelkiismereti és vallásszabadság jogáról, valamint az egyházak, vallásfelekezetek és vallási közösségek jogállásáról szóló 2011. évi CCVI. törvény] (wet nr. CCVI van 2011 inzake het recht op vrijheid van overtuiging en godsdienst en inzake de juridische status van kerken, geloofsovertuigingen en kerkgenootschappen) een overeenkomst heeft gesloten die mede de uitvoering van taken op het gebied van kinderwelzijn en -bescherming of maatschappelijke taken omvat […]); sc) de individuele ondernemer; sd) andere in Hongarije gevestigde rechtspersonen en eenmanszaken dan die als bedoeld onder sa) en sb); se) het op het nationale grondgebied geregistreerde filiaal van een onderneming die is gevestigd in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: ‚staat van de EER’) en – indien de dienstverrichters van de betrokken staat krachtens een met de Europese Gemeenschap en haar lidstaten gesloten internationaal verdrag ten aanzien van de vrijheid van vestiging dezelfde juridische status hebben als dienstverrichters uit de staten van de EER – het op het nationale grondgebied geregistreerde filiaal van een onderneming die in een andere staat dan een staat van de EER is gevestigd [de onder sc) tot en met se) bedoelde entiteiten, hierna gezamenlijk ‚niet-overheidsbeheerder’ genoemd], indien deze, onder de in deze wet en andere wetgeving bepaalde omstandigheden, zorgt voor de omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de verrichting van diensten ten behoeve van het welzijn en de bescherming van kinderen.”
65 § 6/A van de wet op de bescherming van kinderen bepaalt: „Teneinde de doelstellingen van deze wet en de rechten van kinderen te waarborgen, is het verboden om aan personen jonger dan 18 jaar materiaal ter beschikking te stellen met pornografische inhoud, alsook materiaal met inhoud die seksualiteit op zich beschrijft, of die afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, of geslachtsverandering of homoseksualiteit promoot of afbeeldt.”
4. Wet inzake commerciële reclame
66 § 8, leden 1 en 1a, van wet XLVIII van 2008 betreffende de basisvoorwaarden en bepaalde beperkingen voor activiteiten op het gebied van commerciële reclame, zoals gewijzigd bij de wijzigingswet (hierna: „wet inzake commerciële reclame”), luidt: „1. Reclame die de lichamelijke, geestelijke, emotionele of morele ontwikkeling van kinderen en minderjarigen kan aantasten, is verboden. 1a. Het is verboden aan personen jonger dan 18 jaar reclame ter beschikking te stellen die seksualiteit op zich beschrijft, of die afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, of geslachtsverandering of homoseksualiteit promoot of afbeeldt.”
5. Wet op de mediadiensten
67 § 9 van wet nr. CLXXXV van 2010 inzake mediadiensten en middelen voor massacommunicatie, zoals gewijzigd bij de wijzigingswet (hierna: „wet op de mediadiensten”), bepaalt: „1. De aanbieder van lineairemediadiensten deelt alle programma’s die hij voornemens is uit te zenden, met uitzondering van nieuwsprogramma’s, programma’s met politiek nieuws, sportprogramma’s, aankondigingen voor programma’s, politieke reclame, telewinkelen, bewustmakingsboodschappen en informatie van algemeen belang, vóór de uitzending in een van de in de leden 2 tot en met 7 genoemde categorieën. […] 6. Programma’s die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen negatief kunnen beïnvloeden, met name doordat een bepalend onderdeel daarvan bestaat in de promotie en de afbeelding van geweld, van afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, van geslachtsverandering of van homoseksualiteit, alsmede in de directe, naturalistische of nodeloze weergave van seksualiteit, moeten worden ingedeeld in categorie V. Deze programma’s worden ingedeeld in de categorie: niet geschikt voor een publiek onder de 18 jaar. 7. De uitzendingen die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen ernstig kunnen schaden, met name wegens de pornografische inhoud, de extreem gewelddadige aard ervan of omdat zij nodeloos geweld afbeelden, moeten worden ingedeeld in categorie VI. 8. De Mediaraad maakt, in een aanbeveling, de belangrijkste beginselen bekend van zijn praktijk bij de toepassing van de gedetailleerde criteria voor de classificatie overeenkomstig de leden 2 tot en met 7, de signalen die vóór en tijdens de bekendmaking van elk programma moeten worden gebruikt en de wijze waarop de classificatie wordt meegedeeld, indien het algemeen belang van de bescherming van minderjarigen of de noodzaak om een uniforme bescherming van minderjarigen te waarborgen dit rechtvaardigt. […]”
68 § 10, lid 1, onder d), van deze wet bepaalt dat een programma van de categorie V enkel tussen 22.00 en 5.00 uur mag worden uitgezonden.
69 § 24, lid 1, van die wet bepaalt: „Commerciële communicatie die in het kader van mediadiensten wordt bekendgemaakt […] mag geen discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, burgerschap, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging, een lichamelijke of geestelijke handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid inhouden of dergelijke discriminatie bevorderen.”
70 § 32, lid 4a, van die wet luidt: „Programma’s die de goede lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van kinderen kunnen schaden, met name doordat een bepalend onderdeel daarvan bestaat in de afbeelding van seksualiteit op zich of van pornografie, alsmede in de promotie en de afbeelding van afwijkingen van de met het geslacht bij de geboorte overeenkomende persoonlijke identiteit, van geslachtsverandering of van homoseksualiteit, mogen niet worden aangemerkt als informatie van algemeen belang of als bewustmakingsboodschap.”
71 § 179 van de wet op de mediadiensten bepaalt: „[…] 2. In het geval er problemen worden gedetecteerd ten opzichte van het bepaalde in lid 1 en in geval van schending van de relevante bepalingen van deze wet en van de wet op de [a sajtószabadságról és a médiatartalmak alapvető szabályairól szóló 2010. évi CIV. Törvény (wet nr. CIV van 2010 inzake de persvrijheid en de fundamentele regels inzake media-inhoud)] is de Mediaraad gehouden een verzoek om doeltreffend optreden te richten tot de lidstaat onder wiens bevoegdheid de in lid 1 bedoelde aanbieder van mediadiensten valt. In dit verband verzoekt de Mediaraad de lidstaat om in te grijpen om een einde te maken aan de door de Mediaraad gemelde inbreuken. […] 4. De Mediaraad kan de in § 187, lid 3, onder b) en c), en lid 4, bedoelde rechtsgevolgen toepassen ten aanzien van de in lid 1 bedoelde aanbieder van mediadiensten indien: a) hij vaststelt dat de maatregel waarom hij de lidstaat met rechterlijke bevoegdheid krachtens lid 2 heeft verzocht niet binnen twee maanden is genomen dan wel, ofschoon binnen deze termijn genomen, niet op passende wijze is genomen, b) op basis van bewijsmateriaal kan worden vastgesteld dat de aanbieder van mediadiensten zich buiten Hongarije heeft gevestigd met het doel te voorkomen dat hij de strengere regels dient na te leven die krachtens deze wet of de [wet nr. CIV van 2010 inzake de persvrijheid en de fundamentele regels inzake media-inhoud] op hem van toepassing zouden zijn, c) de Mediaraad, alvorens het in lid 1 bedoelde juridische gevolg toe te passen, de lidstaat waar de aanbieder van mediadiensten is gevestigd en de Europese Commissie schriftelijk in kennis heeft gesteld van het toe te passen juridische gevolg en van de motivering van zijn conclusie, d) de Mediaraad de betrokken aanbieder van mediadiensten heeft verzocht om zijn standpunt, opmerkingen en bewijsmateriaal met betrekking tot de omzeiling van de regels en de voorgenomen juridische gevolgen kenbaar te maken; e) het voorgenomen juridische gevolg volgens het besluit van de Europese Commissie verenigbaar is met het Unierecht en de onder c) bedoelde vaststellingen gegrond zijn, en f) het voorgenomen juridische gevolg evenredig en noodzakelijk is in verhouding tot het te beschermen belang.”
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 10 EVRM
- Artikel 3 VWEU
- Artikel 4 VWEU
- Artikel 5 VWEU
- Artikel 6 VWEU
- Artikel 16 VWEU
- Artikel 19 VWEU
- Artikel 34 VWEU
- Artikel 36 VWEU
- Artikel 51 VWEU
- Artikel 56 VWEU
- Artikel 57 VWEU
- Artikel 165 VWEU
- Artikel 166 VWEU
- Artikel 168 VWEU
- Artikel 258 VWEU
- Artikel 260 VWEU
- Artikel 263 VWEU
- Artikel 19 VvL
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 december 2025, C-417/23, ECLI:EU:C:2025:1017
- HvJ EU 25 november 2025, C-713/23, ECLI:EU:C:2025:917
- HvJ EU 26 juni 2025, C-555/23, ECLI:EU:C:2025:484
- HvJ EU 19 juni 2025, C-200/24, ECLI:EU:C:2025:459
- HvJ EU 3 juni 2025, C-460/23, ECLI:EU:C:2025:392
- HvJ EU 29 april 2025, C-181/23, ECLI:EU:C:2025:283
- HvJ EU 3 april 2025, C-710/23, ECLI:EU:C:2025:231
- HvJ EU 13 maart 2025, C-247/23, ECLI:EU:C:2025:172
- HvJ EU 27 februari 2025, C-517/23, ECLI:EU:C:2025:122
- HvJ EU 9 januari 2025, C-394/23, ECLI:EU:C:2025:2
- HvJ EU 5 december 2024, C-506/23, ECLI:EU:C:2024:1003
- HvJ EU 19 november 2024, C-808/21, ECLI:EU:C:2024:962
- HvJ EU 19 november 2024, C-814/21, ECLI:EU:C:2024:963
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-4/23, ECLI:EU:C:2024:845
- HvJ EU 26 september 2024, C-432/23, ECLI:EU:C:2024:791
- HvJ EU 30 mei 2024, C-662/22, ECLI:EU:C:2024:432
- HvJ EU 7 maart 2024, C-740/22, ECLI:EU:C:2024:216
- HvJ EU 9 november 2023, C-376/22, ECLI:EU:C:2023:835
- HvJ EU 4 juli 2023, C-252/21, ECLI:EU:C:2023:537
- HvJ EU 5 juni 2023, C-204/21, ECLI:EU:C:2023:442