HvJ EU 26 juni 2025, C-555/23, ECLI:EU:C:2025:484
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
26 juni 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2010/13/EU – Aanbieders van audiovisuele mediadiensten – Nationale regeling die de verplichting inhoudt om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en die de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit verbiedt – Beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht – Grenzen – Legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen – Rechtzekerheidsbeginsel”
In de gevoegde zaken C‑555/23 en C‑556/23,
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) bij beslissingen van 2 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op 4 september 2023, in de procedures
Makeleio EPE (C‑555/23),
Zougla G.R. AE (C‑556/23)
tegen
Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (ESR),
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– Makeleio EPE, vertegenwoordigd door S. Charalampous, dikigoros,
– Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (ESR), vertegenwoordigd door Z. Chatzipavlou en A. Dimitrakopoulou als gemachtigden,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door Z. Chatzipavlou, K. Konsta, M. Tassopoulou en D. Tsagkaraki als gemachtigden,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door F.‑L. Göransson, J. Olsson, A. Runeskjöld en H. Shev als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo, L. Malferrari, G. Meessen en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van, ten eerste, richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB 2010, L 95, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 (PB 2018, L 303, blz. 69) (hierna: „richtlijn 2010/13”), en ten tweede, de artikelen 20 en 21 en artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen, enerzijds, Makeleio EPE (zaak C‑555/23) en Zougla G.R. AE (hierna: „Zougla”) (zaak C‑556/23) en, anderzijds, Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (nationale radio- en televisieraad, Griekenland; hierna: „ESR”) over de rechtmatigheid van twee besluiten waarbij aan die ondernemingen een administratieve sanctie is opgelegd wegens de uitzending van programma’s van inferieure kwaliteit en de niet-nakoming van de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen (hierna: „besluiten in het hoofdgeding”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2010/13
3 De overwegingen 11, 18, 21, 38, 41, 59, 83 en 104 van richtlijn 2010/13 luiden als volgt: „(11) Het is noodzakelijk, teneinde concurrentievervalsing te voorkomen, de rechtszekerheid te vergroten, bij te dragen tot de voltooiing van de interne markt en het ontstaan van één enkele informatieruimte te vergemakkelijken, om voor alle audiovisuele mediadiensten, zowel televisieomroep (d.w.z. lineaire audiovisuele mediadiensten) als audiovisuele mediadiensten op aanvraag (d.w.z. non-lineaire audiovisuele mediadiensten), ten minste één basispakket van gecoördineerde voorschriften vast te stellen. […] (18) Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) [(PB 2002, L 108, blz. 33)] laat volgens haar artikel 1, lid 3, de maatregelen onverlet die op het niveau van de Unie of op nationaal niveau zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder voor wat betreft regulering van de inhoud en audiovisueel beleid. […] (21) Voor de toepassing van deze richtlijn dient de definitie van audiovisuele mediadienst alleen audiovisuele mediadiensten, televisieomroepdiensten of diensten op aanvraag, die massamedia zijn, te omvatten, dat wil zeggen, die bedoeld zijn voor ontvangst door, en een duidelijke impact kunnen hebben op, een significant deel van het publiek. Het bereik daarvan dient zich evenwel te beperken tot diensten als gedefinieerd door het [VWEU], waardoor het wel op alle vormen van economische activiteit betrekking heeft, met inbegrip van die van openbare-dienstverleningsbedrijven, doch niet op activiteiten die in hoofdzaak niet-economisch zijn en niet concurreren met televisie-uitzendingen, zoals particuliere websites en diensten die bestaan in het leveren of verspreiden van audiovisuele inhoud die door particuliere gebruikers wordt gegenereerd om te worden gedeeld en uitgewisseld met groepen met gemeenschappelijke belangen. […] (38) Vanwege de technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van digitale satellietuitzendingen, dienen de bijkomende criteria te worden aangepast teneinde een adequate regelgeving en een effectieve toepassing ervan te garanderen en om de marktspelers werkelijk greep op de inhoud van audiovisuele mediadiensten te geven. […] (41) De lidstaten moeten op de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden meer gedetailleerde of strengere maatregelen kunnen toepassen op aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, er evenwel op toezien dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het recht van de Unie. […] Het begrip ‚regels van algemeen publiek belang’ is door het Hof van Justitie ontwikkeld in zijn rechtspraak betreffende de artikelen 43 en 49 [EG] (thans 49 en 56 [VWEU]), en omvat onder meer regels inzake consumentenbescherming, bescherming van minderjarigen en cultuurbeleid. De verzoekende lidstaat moet ervoor zorgen dat de specifieke nationale regels ter zake objectief noodzakelijk zijn, op niet-discriminerende wijze worden toegepast, geschikt zijn om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en zich beperken tot hetgeen noodzakelijk is om deze te verwezenlijken. […] (59) De beschikbaarheid van schadelijke inhoud via audiovisuele mediadiensten is een bron van zorg voor wetgevers, de media-industrie en ouders. Er zullen tevens nieuwe uitdagingen bijkomen, met name in verband met nieuwe platforms en nieuwe producten. Derhalve zijn er voorschriften nodig ter bescherming van de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten, met inbegrip van audiovisuele commerciële communicatie. […] (83) Teneinde te waarborgen dat de belangen van de consumenten als kijkers naar uitzendingen volledig en naar behoren worden beschermd, moet televisiereclame aan minimumnormen en criteria worden onderworpen en moeten de lidstaten het recht behouden om voor televisie-omroepmaatschappijen die onder hun bevoegdheid vallen, meer gedetailleerde en strengere voorschriften uit te vaardigen en in bepaalde gevallen verschillende voorwaarden te stellen. […] (104) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het realiseren van een ruimte zonder binnengrenzen voor audiovisuele mediadiensten waarbij tegelijk een hoog beschermingsniveau wordt gewaarborgd wat betreft doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid, en de bevordering van de rechten van personen met een handicap, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.”
4 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2010/13 bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚audiovisuele mediadienst’: i) een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 [VWEU], indien het hoofddoel van de dienst of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma’s voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn [2002/21]; bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd onder e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd onder g) van dit lid; ii) audiovisuele commerciële communicatie; […] b) ‚programma’: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma’s en origineel drama; […] c) ‚redactionele verantwoordelijkheid’: het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma’s en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van televisie-uitzendingen, hetzij een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Redactionele verantwoordelijkheid behelst niet noodzakelijkerwijs een wettelijke aansprakelijkheid voor de inhoud of de aangeboden diensten krachtens het nationale recht; d) ‚aanbieder van mediadiensten’: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd; […] e) ‚televisieomroep’ of ‚televisie-uitzending’: (d.w.z. een lineaire audiovisuele mediadienst): een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst voor het gelijktijdig bekijken van programma’s op basis van een programmaschema; […] g) ‚audiovisuele mediadienst op aanvraag’ (d.w.z. een niet-lineaire audiovisuele mediadienst): een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst die de gebruiker de mogelijkheid biedt tot het bekijken van programma’s op diens individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de aanbieder van mediadiensten geselecteerde programmacatalogus; […]”
5 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2010/13 luidt: „Elke lidstaat ziet erop toe dat alle audiovisuele mediadiensten, uitgezonden door onder zijn bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten, voldoen aan de regels van het rechtsstelsel dat van toepassing is op audiovisuele mediadiensten die bestemd zijn voor het publiek in die lidstaat.”
6 Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat die regels in overeenstemming zijn met het Unierecht.”
7 In artikel 6, lid 1, van die richtlijn is het volgende bepaald: „Onverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen, zorgen de lidstaten er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten: a) het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden; b) het publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van richtlijn (EU) 2017/541 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB 2017, L 88, blz. 6)].”
8 Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2010/13 luidt: „De lidstaten zien erop toe dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende voorschriften voldoet: […] c) zij mag niet: i) de menselijke waardigheid aantasten; […] […]”
Richtlijn 2018/1972
9 Overweging 7 van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB 2018, L 321, blz. 36) luidt als volgt: „[…] De inhoud van televisieprogramma’s valt onder richtlijn [2010/13]. Het reguleren van audiovisueel beleid en audiovisuele inhoud strekt tot het verwezenlijken van doelstellingen van algemeen belang, zoals vrijheid van meningsuiting, pluralisme van de media, onpartijdigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale insluiting, consumentenbescherming en de bescherming van minderjarigen. […]”
10 Artikel 2 van richtlijn 2018/1972, dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21 heeft vervangen, luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‚elektronischecommunicatienetwerk’: de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie”.
Grieks recht
Wet 4779/2021
11 Nomos 4779/2021 Ensomatosi stin ethniki nomothesia tis Odigias (ΕΕ) 2010/13 tou Europaïkou Koinovouliou kai tou Symvouliou tis 10is Martíou 2010 gia ton syntonismo orismenon nomothetikon, kanonistikon kai dioikitikon diataxeon ton kraton melon skhetika me tin parochi ypiresion optikoakoustikon meson, opos echei tropopoiitheí me tin Odigía (ΕΕ) 2018/1808 tou Europaïkou Koinovouliou kai tou Symvouliou tis 14is Noemvríou 2018 kai alles diataxeis armodiotitas tis Genikis Grammateias Epikoinonías kai Enimerosis [wet 4779/2021 tot omzetting in nationale wetgeving van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018, en houdende andere bepalingen onder de bevoegdheid van de Genikis Grammateias Epikoinonías kai Enimerosis (algemeen secretariaat communicatie en informatieverstrekking)] van 20 februari 2021 (FEK A’ 27), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie ervan (hierna: „wet 4779/2021”), bepaalt in artikel 8 het volgende: „Audiovisuele mediadiensten mogen niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep op grond van hun ras, kleur, nationale of etnische afkomst, afstamming, godsdienst, handicap, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of -kenmerken.”
12 Artikel 36, lid 1, van wet 4779/2021 luidt als volgt: „In geval van schending van artikel 8 […] door een aanbieder van mediadiensten met of zonder abonnement, legt de [ESR] de sancties op waarin is voorzien bij respectievelijk nomos 2644/1998 [– Gia tin parochi syndromitikon radiofonikon kai tileoptikon ypiresion kai synafeis diataxeis (wet 2644/1998 betreffende het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling en aanverwante bepalingen) van 13 oktober 1998 (FEK A’ 233) en nomos 2328/1995 [– Nomiko kathestos tis idiotikis tileorasis kai tis topikis radiophonías, rythmisi thematon tis radiotileoptikis agoras kai alles diataxeis (wet 2328/1995 betreffende het wettelijk regime van de particuliere televisie en de plaatselijke radio en televisie, de regeling van de radio-/televisiemarkt en houdende andere bepalingen) van 3 augustus 1995 (FEK A’ 159)].”
Wet 2328/1995
13 Artikel 1 van wet 2328/1995, in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, bepaalt: „1. Voor de oprichting, de inrichting en de exploitatie van particuliere televisiezenders die op de daartoe beschikbare kanalen of op de beschikbare radiofrequenties een signaal uitzenden dat de huishoudelijke ontvangtoestellen gewoonlijk ontvangen, is overeenkomstig de bepalingen van deze wet een vergunning vereist. Vergunningen worden verleend in het algemeen belang en het gebruik ervan is een openbare dienst. De zenders waaraan deze vergunningen worden verleend, moeten toezien op de kwaliteit van het programma, de objectiviteit van de informatie, de waarborging van pluralisme en de bevordering van cultuur door de uitzending van literaire en artistieke programma’s. 2. De vergunning voor de oprichting, de inrichting en de exploitatie heeft betrekking op de uitzending van een draadloos signaal, de radiofrequentiekanalen, het gebruik van grondstations of satellieten […].”
14 Artikel 4, lid 1, onder a), van wet 2328/1995 luidt als volgt: „In geval van schending van de bepalingen van de nationale wetgeving, [de wetgeving] van de Europese Unie en het internationale recht die rechtstreeks of onrechtstreeks de particuliere televisiezenders en, meer in het algemeen, de werking van de particuliere televisie beheersen, […] worden door de ESR de volgende sancties opgelegd […]. Bij de keuze van aard en omvang van de administratieve sancties wordt rekening gehouden met de ernst van de overtreding, het publiek van het programma in het kader waarvan de overtreding werd begaan, het aandeel in de markt voor radio‑ en televisieomroepdiensten dat de houder van de vergunning in voorkomend geval heeft verworven, de hoogte van de gerealiseerde of geplande investeringen en het mogelijk bestaan van recidive […].”
Wet 2863/2000
15 Artikel 4, lid 1, van de nomos 2863/2000 – Ethniko Symvoulio Radiotileorasis kai alles arches kai organa tou tomea parochis radiotileoptikon ypiresion (wet 2863/2000 met betrekking tot de nationale radio- en televisieraad en andere autoriteiten en organen in de radio-/televisieomroepsector) van 29 november 2000 (FEK A’ 262), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, luidt: „De ESR oefent de door de Syntagma tis Elladas (grondwet van de Helleense Republiek) vastgestelde rechtstreekse controle door de staat uit op het gebied van de levering van radio- en televisiediensten van welke aard ook, door de vaststelling van uitvoerbare individuele bestuurshandelingen. In het bijzonder: […] e) legt die raad de in artikel 4, lid 1, van [wet 2328/1995] en in artikel 12 en artikel 15, lid 3, van [wet 2644/1998] bedoelde administratieve sancties en maatregelen op […]”.
Wet 2644/1998
16 Artikel 1, lid 1, van wet 2644/1998 bepaalt: „Het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling is overeenkomstig artikel 15 van de grondwet van de Helleense Republiek onderworpen aan rechtstreekse controle door de staat en vormt een openbare dienst die tot doel heeft het publiek objectief en onpartijdig te informeren en een hoog niveau van permanente opleiding en vermaak te verzekeren. Voor de toepassing van deze wet wordt onder het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling verstaan de rechtstreekse transmissie aan het publiek, met welke technische middelen of methoden dan ook (zenders die uitsluitend via zendmasten uitzenden, kabel- of satellietzenders) van radio- en televisieprogramma’s waartoe de toegang is onderworpen aan voorwaarden die worden opgelegd door de houder van de in deze wet bedoelde vergunning. Als het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling wordt ook beschouwd het aanbieden van televisiediensten via andere breedbandnetwerken, ongeacht of de aanbieder van de dienst een vergunning [van de ESR] heeft verkregen voor de programma’s die hij doorgeeft, dan wel of hij daartoe op grond van een overeenkomst programma’s doorgeeft waarvoor in een andere lidstaat een vergunning is verleend.”
17 Artikel 10 van wet 2644/1998 luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 3, leden 1 tot en met 12, 14, 17 en 22, van [wet 2328/1995] betreffende de eerbiediging van de waardigheid, de persoonlijke levenssfeer en de algemene deelname van het individu aan het economische, sociale en politieke leven, de uitvoeringsvoorwaarden en voorwaarden voor de uitzending van radio- en televisiereclame en aanverwante boodschappen, de bescherming van kinderen, de waarborging van politiek pluralisme en de toegang van partijen tot radio- en televisieprogramma’s, alsmede de bescherming van de belangen van de consument en meer in het algemeen van de belangen van de burgers zijn ook van toepassing op de inhoud van de betaalradio- en televisiediensten. 2. De gedragscodes die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 2, van nomos 1866/1989 – Idrysi Ethinkou Symvouliou Radiotileoraseos kai parochi adeion gia tin idrysi kai leitourgia tileoptikon stathmon (wet 1866/1989 betreffende de oprichting van de nationale radio- en televisieraad en de afgifte van vergunningen voor de oprichting en exploitatie van televisiezenders) van 6 oktober 1989 (FEK A’ 222), alsmede de bepalingen die zijn opgesteld door de ESR en zijn vastgesteld volgens de procedure van artikel 3, lid 15, van [wet 2328/1995] zijn ook van toepassing op audiovisuele inhoud die wordt uitgezonden door houders van een vergunning op grond van deze wet […].”
18 Krachtens artikel 12 van wet 2644/1998 legt de ESR administratieve sancties op in geval van schending van de bepalingen van die wet, van het Unierecht, en van het internationale recht, die van toepassing zijn op het aanbieden van radio- en televisiediensten waarop die wet betrekking heeft.
Presidentieel decreet 77/2003
19 Artikel 1 van de proedriko diatagma 77/2003 – Kodikas deontologias eidiseografikon kai allon dimosiografikon kai politikon ekpompon (presidentieel decreet 77/2003 houdende een gedragscode voor nieuws- en andere journalistieke en politieke uitzendingen) van 28 maart 2003 (FEK A’ 75), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: „presidentieel decreet 77/2003”), bepaalt: „De bepalingen van deze code zijn van toepassing op nieuws-, journalistieke en politieke uitzendingen op openbare en particuliere radio- en televisiezenders […].”
20 Artikel 2, lid 1, van presidentieel decreet 77/2003 luidt: „Nieuws- en andere journalistieke en politieke uitzendingen moeten het kwaliteitsniveau waarborgen dat vereist is voor de sociale taak van de radio en de televisie en voor de culturele ontwikkeling van het land […].”
21 Artikel 4 van presidentieel besluit 77/2003 bepaalt: „1. Personen mogen niet worden voorgesteld op een wijze die in de concrete omstandigheden kan aanzetten tot hun vernedering, sociaal isolement of discriminatie door een deel van het publiek op grond van onder meer geslacht, ras, nationaliteit, taal, godsdienst, ideologie, leeftijd, ziekte, handicap, seksuele gerichtheid of beroep. 2. Het is verboden vernederende, racistische, xenofobe of seksistische boodschappen of kwalificaties alsook intolerante stellingen te verspreiden, en meer in het algemeen mogen etnische of religieuze minderheden en andere kwetsbare of zwakke groepen niet worden geschaad.”
22 Artikel 9, lid 2, van presidentieel decreet 77/2003 luidt als volgt: „Personen die deelnemen aan of vermeld worden in uitzendingen, moeten op billijke, correcte en waardige wijze worden behandeld. In het bijzonder mag hun persoonlijkheid, eer en waardigheid niet worden aangetast. Voorts moeten hun privé- en gezinsleven, beroepsactiviteiten en recht op vrijheid van meningsuiting worden geëerbiedigd. De uitoefening van kritiek is niet onverenigbaar met de eerbiediging van de rechten van de personen die worden getoond of genoemd.”
Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
23 Makeleio en Zougla zijn vennootschappen naar Grieks recht die websites van kranten exploiteren waarop ook audiovisuele inhoud wordt aangeboden.
24 Op 29 juni 2021 heeft Makeleio op haar website www.makeleio.gr een programma uitgezonden waarin de presentator verslag uitbracht van het bezoek dat vertegenwoordigers van de lhbt+-gemeenschap brachten aan de Griekse minister-president, waarbij die presentator scheldwoorden gebruikte en zich in het bijzonder beledigend en denigrerend uitliet over homoseksuele personen. Die presentator maakte ironische opmerkingen over de seksuele gerichtheid van die personen en zette aldus indirect het publiek aan tot het plegen van verbaal en fysiek geweld jegens hen, in navolging van vergelijkbaar geweld dat hij naar eigen zeggen zelf had gepleegd toen hij jonger was.
25 Op 22 februari 2021 heeft Zougla op haar website www.zougla.gr een radioprogramma doorgegeven van een radiostation dat ook via het internet uitzendt. Dat programma is in audiovisuele vorm op de website van Zougla uitgezonden. In het kader van die uitzending heeft de presentator met betrekking tot een strafzaak inzake bepaalde aan derden ten laste gelegde pedofiliehandelingen, bepaalde politici mondeling aangevallen met lasterlijke en beledigende uitlatingen. In die context heeft die presentator meer bepaald over een van die personen gesteld dat hij „bewust verkrachters van minderjarigen en pedofielen heeft beschermd en hen verantwoordelijke functies heeft toegekend in het kader waarvan zij hun ziekelijke seksuele impulsen konden proberen te voldoen”. Voorts heeft hij gesteld dat de betrokken persoon „op zijn minst een aanstoker en een mededader [was]” bij aan derden ten laste gelegde pedofiliehandelingen en verkrachting van minderjarigen.
26 Over elk van die twee programma’s (hierna: „in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s”) is voor de ESR een procedure gevoerd.
27 De ESR was van mening dat het door Makeleio uitgezonden programma herhaaldelijk en op duidelijk denigrerende en beledigende wijze had verwezen naar een specifieke bevolkingsgroep op basis van de seksuele gerichtheid van haar leden, waarbij die leden werden vernederd en sociaal gestigmatiseerd. In het licht van die feiten heeft de ESR in besluit nr. 140/2021 vastgesteld dat Makeleio inbreuk had gemaakt op, ten eerste, het verbod van artikel 8 van wet 4779/2021 tot het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen wegens de seksuele gerichtheid van hun leden, en ten tweede, de verplichting tot eerbiediging van de menselijke waarde en waardigheid alsmede het verbod om inhoud van inferieure kwaliteit uit te zenden overeenkomstig artikel 1, lid 1, van wet 2328/1995 alsook artikel 2, lid 1, artikel 4 en artikel 9, lid 2, van presidentieel decreet 77/2003. Bijgevolg heeft de ESR Makeleio een geldboete van 30000 EUR opgelegd voor elk van de twee begane inbreuken.
28 Wat het door Zougla uitgezonden programma betreft, was de ESR van mening dat het betreffende programma onder het mom van informatie en werkelijke feiten het publiek veronderstellingen en standpunten van de presentator had voorgeschoteld die totaal ongegrond waren en de daarin vermelde personen beledigden. Door dat programma was de doorgegeven radio-uitzending van „extreem inferieure kwaliteit” en tastte zij de waardigheid van die personen aan. In het licht van die feiten heeft de ESR in besluit nr. 99/2021 vastgesteld dat Zougla krachtens artikel 1, lid 1, van wet 2328/1995 alsook artikel 2, lid 1, artikel 4 en artikel 9, lid 2, van presidentieel decreet 77/2003, de verplichting tot eerbiediging van de menselijke waarde en waardigheid en het verbod op de uitzending van programma’s van inferieure kwaliteit had geschonden. Derhalve heeft de ESR wegens het begaan van deze twee inbreuken aan Zougla twee geldboeten – van respectievelijk 40000 EUR en 80000 EUR – opgelegd.
29 In de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde besluiten heeft de ESR vastgesteld dat uit de bewoordingen van de bepalingen van nationaal recht waarop hij die besluiten heeft gebaseerd, blijkt dat die bepalingen uitsluitend van toepassing zijn op de aanbieders van traditionele televisiediensten, namelijk de televisiediensten die door televisiezenders worden aangeboden, hetzij via analoge en digitale omroepfrequenties, hetzij per satelliet, hetzij via breedbandnetwerken.
30 De ESR heeft die bepalingen van nationaal recht echter in die zin uitgelegd dat zij, ondanks de bewoordingen ervan, ook van toepassing zijn op aanbieders van via het internet uitgezonden audiovisuele inhoud (hierna: „aanbieders van onlinetelevisiediensten”), waaronder Makeleio en Zougla. Daartoe heeft hij zich gebaseerd op de uitleggingscriteria voor het begrip „audiovisuele mediadiensten” in de zin van richtlijn 2010/13 uit de rechtspraak die teruggaat op het arrest van 21 oktober 2015, New Media Online (C‑347/14, EU:C:2015:709), waaruit blijkt dat audiovisuele inhoud die via het internet wordt uitgezonden door een marktdeelnemer die niet de exploitant van een televisiezender is, onder dat begrip valt.
31 Makeleio en Zougla hebben bij de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland), de verwijzende rechter, beroepen tot nietigverklaring ingediend tegen de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde besluiten.
32 Volgens het binnen de Symvoulio tis Epikrateias heersende standpunt moesten de nationale bepalingen waarop de ESR de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde besluiten had gebaseerd, zodanig worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op aanbieders van onlinetelevisiediensten.
33 In deze omstandigheden heeft de Symvoulio tis Epikrateias de behandeling van de zaken geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende in de zaken C‑555/23 en C‑556/23 gelijk geformuleerde vragen: „1) Valt het waarborgen van de eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid, en het tegengaan van de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit door aanbieders van televisiediensten, met name inhoud met de kenmerken van de uitzending van [de verzoeksters in de hoofdgedingen], onder de doelstellingen van richtlijn [2010/13], en derhalve binnen de werkingssfeer ervan? 2) Indien de verplichting tot eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid en/of het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit, met name inhoud met de kenmerken van [de uitzendingen die in de hoofdgedingen aan de orde zijn], binnen de werkingssfeer van [richtlijn 2010/13] valt (vallen): is een nationale bepaling volgens welke de genoemde verplichtingen gelden voor alle aanbieders van televisiediensten behalve voor de aanbieders die hun televisieprogramma’s slechts via het internet uitzenden, in strijd met artikel 4, lid 1, van [richtlijn 2010/13], gelezen in samenhang met het beginsel van gelijke behandeling, dat is verankerd in de artikelen 20 en 21 van het [Handvest]? 3) Indien het antwoord op de eerste [en de tweede vraag] bevestigend luidt: dient de nationale regelgevende instantie dan – om te verzekeren dat [richtlijn 2010/13] daadwerkelijk doeltreffend is – de nationale regels waarbij de betreffende verplichtingen worden opgelegd, zonder onderscheid toe te passen op alle aanbieders van televisiediensten, ondanks dat deze verplichtingen en de daaraan verbonden sancties volgens het nationale recht gelden voor alle overige aanbieders van televisiediensten, maar niet voor degenen die hun televisieprogramma’s slechts via het internet uitzenden? Of is het opleggen van administratieve sancties wegens schending van genoemde verplichtingen door een online televisie-uitzending indien dit gebeurt op grond van een ruime uitlegging of analoge toepassing van de nationale regels inzake andere televisiediensten, onverenigbaar met het beginsel ‚nullum crimen, nulla poena sine lege certa’, dat is verankerd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het [Handvest], gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel? 4) Indien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag ontkennend luidt en [door het Hof] wordt geoordeeld dat de verplichting tot eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid en/of het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit (met name inhoud zoals [de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s]) niet vallen binnen de werkingssfeer van [richtlijn 2010/13] in de zin van artikel 4, lid 1: volgt dan uit artikel 2, lid 1, van [die richtlijn], in het geval dat de wettelijke regeling van een lidstaat deze verplichtingen op straffe van administratieve sancties oplegt aan aanbieders van televisiediensten via zendmasten, via satellietverbindingen of via breedbandnetwerken, maar niet aan aanbieders van onlinetelevisiediensten, dat de bevoegde nationale instantie uit hoofde van het beginsel van gelijke behandeling gehouden is om ook bij een online televisie-uitzending de mogelijkheid van oplegging van administratieve sancties wegens schending van bovengenoemde regels te overwegen? 5) Indien het antwoord op de vierde vraag bevestigend luidt: is op grond van de voorgaande overwegingen en op basis van een uitlegging van het nationale recht die in overeenstemming is met het recht van de Unie en, in het bijzonder, met de genoemde bepalingen van [richtlijn 2010/13], de verplichting van de nationale regelgevende instantie om de regels van het nationale recht waarbij genoemde verplichtingen worden opgelegd, zonder onderscheid op alle televisiediensten toe te passen, ongeacht de wijze van transmissie, verenigbaar met het beginsel ‚nullum crimen, nulla poena sine lege certa’ en het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien deze verplichtingen, die het nationale recht aan alle overige aanbieders van televisiediensten oplegt, niet van toepassing zijn op onlinetelevisie?”
34 Bij beslissing van de president van het Hof van 2 oktober 2023 zijn de zaken C‑555/23 en C‑556/23 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
Kwalificatie van verzoeksters in de hoofdgedingen als „aanbieders van audiovisuele mediadiensten” in de zin van richtlijn 2010/13
35 Uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt dat de vragen van de verwijzende rechter berusten op de premisse dat de uitzending van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s een audiovisuele mediadienst is die onder richtlijn 2010/13 valt en verzoeksters in de hoofdgedingen dus „aanbieders van mediadiensten” zijn in de zin van die richtlijn.
36 In haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting heeft Makeleio evenwel aangevoerd dat zij geen „aanbieder van mediadiensten” is in de zin van die richtlijn en dat die richtlijn derhalve niet op haar van toepassing is.
37 In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en de nationale rechterlijke instanties in beginsel aan de nationale rechterlijke instantie staat om te onderzoeken of in de bij haar aanhangige zaak aan de feitelijke voorwaarden voor toepasselijkheid van een Unierechtelijke norm is voldaan en dat het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing in voorkomend geval preciseringen kan geven teneinde de nationale rechterlijke instantie bij haar uitlegging te leiden (arrest van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Het staat derhalve aan het Hof om de verwijzende rechter de nodige uitleggingselementen te verstrekken met betrekking tot het begrip „audiovisuele mediadienst” in de zin van die richtlijn zodat hij kan nagaan of de uitzending van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s daadwerkelijk onder dit begrip valt en of Makeleio en Zougla dus moeten worden beschouwd als „aanbieders van mediadiensten” in de zin van die richtlijn.
39 In deze context zij eraan herinnerd dat overeenkomstig de in artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13 neergelegde definitie, het begrip „audiovisuele mediadienst” ziet op een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 VWEU waarvan het hoofddoel of het hoofddoel van een losstaand gedeelte daarvan bestaat in de levering van programma’s voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21.
40 Voorts wordt volgens artikel 1, lid 1, onder d), van richtlijn 2010/13 voor de toepassing van deze richtlijn onder „aanbieder van audiovisuele mediadiensten” verstaan de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd.
41 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat – zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13, gelezen in het licht van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2018/1972, dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21 heeft vervangen – zowel de uitzending van programma’s door middel van analoge en digitale omroepfrequenties als de uitzending van programma’s via het internet onder het begrip „audiovisuele mediadiensten” in de zin van richtlijn 2010/13 kunnen vallen.
42 Hieruit volgt dat het begrip „aanbieder van audiovisuele mediadiensten” in de zin van die richtlijn zowel de in punt 29 vermelde aanbieders van traditionele televisiediensten omvat als de aanbieders van onlinetelevisiediensten.
43 In de tweede plaats wordt niet betwist dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s zijn uitgezonden ter informatie of vermaak en voorts dat zij zijn uitgezonden via websites en dus via elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2018/1972.
44 In de derde plaats ziet het begrip „programma” in de zin van richtlijn 2010/13 volgens de definitie in artikel 1, lid 1, onder b), ervan op „een reeks bewegende beelden, […] die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma’s en origineel drama”.
45 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de beschikbaarstelling van videofilms van korte duur met korte fragmenten van lokale nieuwsbulletins, sport of amusement op een website van een krant, onder het begrip „programma” in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2010/13 valt (arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C‑347/14, EU:C:2015:709, punt 24).
46 Het Hof kwam tot die vaststelling door zich met name te baseren op het feit dat – net zoals bij een televisie-uitzending – dergelijke video’s gericht zijn op een massapubliek en daarop duidelijk een impact kunnen hebben in de zin van overweging 21 van die richtlijn. Voorts verschilt de wijze van selectie van die video’s niet van de wijze van selectie bij audiovisuele mediadiensten op aanvraag die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen. De internetgebruiker heeft immers de mogelijkheid om toegang te krijgen tot de video die hem interesseert op individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de beheerder van de internetkrant opgestelde catalogus of lijst. Ten slotte concurreren de video’s over de actualiteit met de informatiediensten die door de aanbieders van televisie-uitzendingen worden aangeboden en de video’s over culturele evenementen, sportevenementen of die onderhoudende reportages brengen, met muziekzenders, sportzenders en amusementsprogramma’s (zie in die zin arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C‑347/14, EU:C:2015:709, punten 21 en 23).
47 In casu heeft de ESR ter terechtzitting opgemerkt dat het in geding zijnde programma van Makeleio een programma was dat dagelijks in audiovisuele vorm op de website van die entiteit werd uitgezonden, dat deze uitzending meerdere uren duurde, een eigen naam had, door dezelfde journalist werd gepresenteerd en met het logo van Makeleio werd uitgezonden, dat Makeleio op haar website het publiek informeerde over de dagelijkse uitzending van dat programma en de uitzendtijdstippen ervan, dat de uitzending van het programma aanvankelijk lineair was en vervolgens online werd geplaatst zodat de belangstellenden op verzoek toegang konden krijgen, en dat er op die website een lijst bestond aan de hand waarvan naar eerdere uitzendingen kon worden gezocht. De ESR heeft ook opgemerkt dat de in geding zijnde uitzending van Zougla dezelfde kenmerken vertoonde.
48 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter moet derhalve worden vastgesteld dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s – als video’s in het schema of in de catalogus van het audiovisuele aanbod dat in het kader van de elektronische versie van een krant wordt aangeboden – „programma’s” zijn in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2010/13.
49 In de vierde plaats heeft het Hof met betrekking tot de criteria die de verwijzende rechter in aanmerking moet nemen bij de beoordeling van het in artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13 bedoelde „hoofddoel” van een dienst bestaande in de beschikbaarstelling van video’s in het kader van de elektronische versie van een krant, vastgesteld dat moet worden onderzocht of die dienst als zodanig een autonome inhoud en functie heeft ten opzichte van de journalistieke activiteit van de beheerder van de betrokken website, en niet enkel een onlosmakelijke aanvulling op deze activiteit is, met name door de banden van het audiovisuele aanbod met de aangeboden teksten (arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C‑347/14, EU:C:2015:709, punt 37).
50 Het staat dus aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s een autonome inhoud en functie hebben ten opzichte van de artikelen in de geschreven pers van de uitgever van de onlinekrant. Indien dat het geval is, vallen die programma’s binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13. Als die programma’s daarentegen alleen maar een onlosmakelijke nevenactiviteit zijn van de journalistieke activiteit van die uitgever, namelijk wegens de banden met de aangeboden teksten, vallen zij niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn.
51 In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het feit dat de op de website van een krant aangeboden video’s los van het raadplegen van de artikelen van de elektronische versie van die krant toegankelijk en consulteerbaar zijn, erop kan wijzen dat de op een dergelijke website aangeboden dienst van beschikbaarstelling van video’s zou kunnen worden geacht een autonome inhoud en functie te hebben ten opzichte van de journalistieke activiteit van de beheerder van die website en dus een dienst te vormen die losstaat van de andere door die website aangeboden diensten (arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C‑347/14, EU:C:2015:709, punt 36).
52 In de vijfde plaats behelst het begrip „redactionele verantwoordelijkheid” volgens artikel 1, lid 1, onder c), van richtlijn 2010/13 het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma’s en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van televisie-uitzendingen, hetzij een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag.
53 Bij een op de website van een krant aangeboden dienst van beschikbaarstelling van video’s kan een dergelijke controle met name betrekking hebben op het online plaatsen en verwijderen van video’s, het tijdschema en de tijdstippen voor de uitzending van de video’s op deze website, de periode gedurende welke die voor internetgebruikers toegankelijk zijn, de structuur van die website, de wijze waarop de video’s worden gepresenteerd en geselecteerd, het systeem voor het zoeken naar video’s en het bijwerken van de inhoud van die website.
54 Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen of Makeleio en Zougla redactionele verantwoordelijkheid dragen in de zin van artikel 1, lid 1, onder c), van richtlijn 2010/13 voor de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s, kunnen de in punt 47 van het onderhavige arrest genoemde elementen erop wijzen dat dit het geval is. Het door Makeleio ter terechtzitting bevestigde feit dat de presentator van haar in geding zijnde programma een journalist was die door die entiteit in dienst was genomen om live-uitzendingen te verzorgen en om dat programma dagelijks te presenteren, en dat Makeleio voorts had besloten haar in geding zijnde programma uit te zenden, bevestigt dat die entiteit de redactionele verantwoordelijkheid voor die uitzending op zich nam.
55 Gelet op de overwegingen in de punten 37 tot en met 54 van het onderhavige arrest en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moeten de gestelde vragen dus worden beantwoord uitgaande van de premisse dat Makeleio en Zougla „aanbieders van mediadiensten” zijn in de zin van richtlijn 2010/13, en meer bepaald aanbieders van onlinetelevisiediensten, en dat de uitzending van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s een „audiovisuele mediadienst” in de zin van deze richtlijn vormt.
Uitlegging van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling
56 In haar schriftelijke opmerkingen uit de Europese Commissie twijfels over de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling, volgens welke de nationale bepalingen die voorzien in de verplichting om op straffe van een sanctie de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en in het verbod om inhoud van inferieure kwaliteit uit te zenden, niet van toepassing zijn op aanbieders van onlinetelevisiediensten.
57 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het Hof volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van bepalingen van de nationale rechtsorde in beginsel de kwalificaties in de verwijzingsbeslissing tot uitgangspunt dient te nemen. Het Hof is namelijk niet bevoegd om het nationale recht van een lidstaat uit te leggen (arrest van 5 december 2023, Deutsche Wohnen, C‑807/21, EU:C:2023:950, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Bijgevolg moeten de gestelde vragen worden beantwoord op basis van de premisse dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling niet van toepassing is op aanbieders van onlinetelevisiediensten.
Eerste vraag in beide zaken
59 Om te beginnen blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter zich, gelet op de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling, afvraagt of de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13 vallen.
60 Blijkens het opschrift en overweging 11 van richtlijn 2010/13 beoogt die richtlijn de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten met het oog op de voltooiing van een echte interne markt voor deze diensten. Daartoe stelt die richtlijn een minimumpakket gecoördineerde regels vast die van toepassing zijn op alle audiovisuele mediadiensten, waarvan sommige, zoals blijkt uit overweging 18 van die richtlijn en overweging 7 van richtlijn 2018/1972, betrekking hebben op de inhoud van die diensten.
61 Zoals de advocaat-generaal in punt 72 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, grijpt richtlijn 2010/13 niet verder in op de inhoud van audiovisuele mediadiensten dan met de minimumeisen van die richtlijn. De afwezigheid van een dergelijk ingrijpen weerspiegelt bovendien de wens van de Uniewetgever om de aanbieders van die diensten werkelijk greep te geven op de inhoud van die diensten, zoals in overweging 38 van de richtlijn is vermeld.
62 Richtlijn 2010/13 bevat dus geen bepalingen over de kwaliteit op zich van de inhoud van de programma’s die binnen haar werkingssfeer vallen, noch voorziet zij in enige verbodsgrond wegens een slechte of inferieure kwaliteit van de uitgezonden inhoud.
63 Het verbod op de uitzending van programma’s van inferieure kwaliteit valt bijgevolg niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13 omdat het verder gaat dat de minimumvereisten die door die richtlijn worden opgelegd.
64 In casu blijkt uit de gegevens in de verzoeken om een prejudiciële beslissing – en is door de ESR bovendien ter terechtzitting voor het Hof bevestigd – dat de inhoud van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma’s op grond van het enkele feit dat dergelijke inhoud werd geacht de menselijke waardigheid aan te tasten is aangemerkt als „van inferieure kwaliteit” en aldus werd geacht te vallen onder het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit dat is neergelegd in de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling.
65 Gelet op de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde geschillen moet derhalve worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in beide zaken in wezen wenst te vernemen of richtlijn 2010/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.
66 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13, dat deel uitmaakt van de voor alle audiovisuele mediadiensten geldende bepalingen in hoofdstuk III van deze richtlijn, de lidstaten verplicht om er met passende middelen voor te zorgen dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders worden aangeboden, niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep op basis van een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden, of publiekelijk het plegen van een terroristisch misdrijf uitlokken, „[o]nverminderd [hun] verplichting […] de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen”.
67 Met die laatste zinsnede heeft de Uniewetgever de lidstaten dus niet alleen verplicht om bij de uitvoering van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 de menselijke waardigheid te eerbiedigen, maar ook om de menselijke waardigheid te beschermen. Deze verplichting houdt in het bijzonder in dat, zoals blijkt uit de lezing van deze bepaling in haar geheel, de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de inhoud van de audiovisuele mediadiensten die door de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders wordt aangeboden, de waarde van de menselijke waardigheid niet aantast.
68 Derhalve volgt uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 dat de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en het verbod om inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, onder die bepaling vallen.
69 In de tweede plaats bevestigt de context van artikel 6, lid 1, een dergelijke uitlegging.
70 Overeenkomstig artikel 1, lid 1, onder a), ii), van richtlijn 2010/13 valt audiovisuele commerciële communicatie namelijk onder het begrip „audiovisuele mediadienst” in de zin van deze richtlijn. Het feit dat artikel 9 van de richtlijn, dat eveneens deel uitmaakt van de bepalingen van hoofdstuk III, de lidstaten verplicht erop toe te zien dat die communicatie aan bepaalde vereisten voldoet, waaronder met name – krachtens lid 1, onder c), i), ervan – dat de menselijke waardigheid niet mag worden aangetast, bevestigt dat de Uniewetgever in het kader van de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden heeft willen voorzien in een verbodsgrond die specifiek is gebaseerd op een aantasting van de waarde van de menselijke waardigheid als uitvloeisel van de verplichting om die waarde te eerbiedigen.
71 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat richtlijn 2010/13, zoals blijkt uit overweging 104 ervan, tot doel heeft een ruimte zonder binnengrenzen voor audiovisuele mediadiensten te realiseren waarbij tegelijk een hoog beschermingsniveau wordt gewaarborgd wat betreft doelstellingen van algemeen belang en met name de bescherming van de menselijke waardigheid. Voorts volgt uit overweging 59 van die richtlijn dat voorschriften zoals die van artikel 6 van de richtlijn nodig zijn ter bescherming van in het bijzonder de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten.
72 Een uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 volgens welke die bepaling de verplichting omvat om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en het verbod om inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, strookt dus zowel met de doelstellingen van die richtlijn als met die van de betreffende bepaling zelf.
73 Derhalve volgt uit de letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 dat de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen alsmede het verbod om inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, onder die bepaling en dus binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen.
74 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag in beide zaken worden geantwoord dat richtlijn 2010/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn en met name van artikel 6, lid 1, ervan, valt.
Tweede vraag in beide zaken
75 Gelet op het antwoord op de eerste vraag in beide zaken en gelet op de overwegingen in punt 64 van het onderhavige arrest, moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in beide zaken in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13, gelezen in het licht van het gelijkheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast.
76 Er zij aan herinnerd dat het Hof op grond van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23), waarvan de gewijzigde versie is gecodificeerd bij richtlijn 2010/13, heeft geoordeeld dat een dergelijke richtlijn de regels voor de gebieden waarop zij van toepassing is niet volledig harmoniseert, maar voorziet in minimumvoorschriften waaraan uitzendingen afkomstig uit en bedoeld voor ontvangst in de Europese Unie moeten voldoen (arrest van 18 juli 2013, Sky Italia, C‑234/12, EU:C:2013:496, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Zoals volgt uit artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13 alsook uit de overwegingen 41 en 83 van die richtlijn, mogen de lidstaten in deze context, teneinde te waarborgen dat de belangen van de consumenten als kijkers naar uitzendingen volledig en naar behoren worden beschermd, voor aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, meer gedetailleerde en strengere voorschriften uitvaardigen en in bepaalde gevallen verschillende voorwaarden stellen op de onder deze richtlijn vallende gebieden, mits die regels stroken met het Unierecht en, inzonderheid, met de algemene beginselen daarvan (arrest van 3 februari 2021, Fussl Modestraße Mayr, C‑555/19, EU:C:2021:89, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Een nationale regeling op grond waarvan de waarde van de menselijke waardigheid moet worden geëerbiedigd en geen inhoud mag worden uitgezonden welke die waarde aantast, doet niet meer dan de verplichting om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en de verbodsgrond inzake de aantasting van de menselijke waardigheid uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 overnemen, zodat een dergelijke regeling geen „meer gedetailleerde” of „strengere” regels in de zin van artikel 4, lid 1, van die richtlijn bevat en bijgevolg niet onder laatstgenoemde bepaling valt.
79 Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord in het licht van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 en niet in het licht van artikel 4, lid 1, van die richtlijn.
80 Een nationale regeling die enkel een vereiste formuleert dat voortvloeit uit de minimumvoorschriften van die richtlijn, zoals de uit artikel 6, lid 1, van die richtlijn volgende verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, moet dwingend van toepassing zijn op alle aanbieders van mediadiensten die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen.
81 Anders zou een dergelijke nationale regeling namelijk niet alleen indruisen tegen de personele werkingssfeer van richtlijn 2010/13 en met name van artikel 6, lid 1, ervan, maar ook de verwezenlijking in gevaar brengen van de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling om een interne markt voor audiovisuele mediadiensten tot stand te brengen, alsmede de verwezenlijking van de in artikel 6, lid 1, bedoelde doelstelling van bescherming van de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten.
82 Hieruit volgt dat een nationale regeling die alleen bepaalde aanbieders van mediadiensten verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, in strijd is met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13.
83 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag in beide zaken worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast.
Derde vraag in beide zaken
84 Gelet op de antwoorden op de eerste en de tweede vraag in beide zaken, en gelet op de overwegingen in punt 64 van het onderhavige arrest, moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in beide zaken in wezen wenst te vernemen of het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, op grond van het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht ruim wordt uitgelegd teneinde de categorie van de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden onder de werkingssfeer van die nationale regeling te brengen.
85 Volgens vaste rechtspraak moet de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is namelijk inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien de nationale rechter daardoor in staat wordt gesteld binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige gedingen (arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C‑282/10, EU:C:2012:33, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Het beginsel van richtlijnconforme uitlegging vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, rekening houdend met het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C‑282/10, EU:C:2012:33, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 Zoals het Hof ook heeft geoordeeld wordt het beginsel van conforme uitlegging echter begrensd door de algemene rechtsbeginselen, die een bestanddeel zijn van het Unierecht, en met name door het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest (zie in die zin arresten van 28 juni 2012, Caronna, C‑7/11, EU:C:2012:396, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 24 maart 2021, Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze, C‑870/19 en C‑871/19, EU:C:2021:233, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 oktober 2021, Ministerul Lucrărilor Publice, Dezvoltării şi Administraţiei, C‑360/20, EU:C:2021:856, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Dat legaliteitsbeginsel vormt een bijzondere uitdrukking van het algemene rechtszekerheidsbeginsel en impliceert onder meer dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen, teneinde de voorzienbaarheid van zowel de definitie van het strafbare feit als de strafbepaling te waarborgen (arrest van 10 september 2024, Neves 77 Solutions, C‑351/22, EU:C:2024:723, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de door de betrokken rechterlijke instanties daaraan gegeven uitlegging, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (arrest van 14 september 2023, Commissie en IGG/Dansk Erhverv, C‑508/21 P en C‑509/21 P, EU:C:2023:669, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Wat in dat verband in het bijzonder een geval betreft dat betrekking heeft op de draagwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit een ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde wet, heeft het Hof verduidelijkt dat het beginsel dat de toepassing van de strafwet niet ten nadele van de verdachte mag worden uitgebreid – dat zelf een uitvloeisel is van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, en meer in het algemeen van het rechtszekerheidsbeginsel – zich verzet tegen de instelling van een strafvervolging wegens een feit dat niet duidelijk bij wet strafbaar is gesteld (arrest van 12 december 1996, X, C‑74/95 en C‑129/95, EU:C:1996:491, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90 Uiteindelijk wordt de voor de nationale rechter geldende verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht in het licht van een richtlijn, begrensd door het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, aangezien – zoals meermaals door het Hof is opgemerkt – een richtlijn uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering ervan vastgestelde nationale wet niet bepalend kan zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overtreders van de bepalingen ervan of hun aansprakelijkheid kan verzwaren (zie arrest van 28 juni 2012, Caronna, C‑7/11, EU:C:2012:396, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 Ten slotte moet worden opgemerkt dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen eveneens van toepassing is op overtredingen en sancties van niet-strafrechtelijke aard (zie in die zin arrest van 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a., C‑367/09, EU:C:2010:648, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92 Zoals blijkt uit punt 82 van het onderhavige arrest, is een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13.
93 Een dergelijke nationale regeling zou dus in overeenstemming met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 moeten worden uitgelegd dat ook aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden zich moeten houden aan de in die regeling neergelegde verplichting en dus kunnen worden bestraft in geval van niet-nakoming van die verplichting.
94 Wanneer echter een nationale regeling niet voorziet in de verplichting voor de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, en die regeling evenmin voorziet in de oplegging van een sanctie aan die aanbieders in geval van niet-nakoming van die verplichting, verbiedt het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen die aanbieders te bestraffen voor dergelijke gedragingen, ook al is een dergelijke nationale regeling in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 (zie naar analogie arrest van 28 juni 2012, Caronna, C‑7/11, EU:C:2012:396, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 Bijgevolg zou een uitlegging als die bedoeld in punt 93 van het onderhavige arrest neerkomen op een schending van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen en dus in strijd zijn met de grenzen die voortvloeien uit de aard van richtlijnen, op grond waarvan, zoals blijkt uit de in punt 90 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, een richtlijn uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering ervan vastgestelde nationale wet niet bepalend kan zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overtreders van de bepalingen ervan of hun aansprakelijkheid kan verzwaren.
96 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag in beide zaken worden geantwoord dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, op grond van het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht ruim wordt uitgelegd teneinde de categorie van de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden onder de werkingssfeer van die nationale regeling te brengen.
Vierde en vijfde vraag in beide zaken
97 Gelet op de antwoorden op de eerste vraag in beide zaken en gelet op de overwegingen in punt 64 van het onderhavige arrest, hoeft niet te worden geantwoord op de vierde en de vijfde vraag in beide zaken.
Kosten
98 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13, zoals gewijzigd, en met name van artikel 6, lid 1, ervan, valt.
2) Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/1808, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast.
3) Het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, op grond van het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht ruim wordt uitgelegd teneinde de categorie van de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden onder de werkingssfeer van die nationale regeling te brengen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Grieks.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 10 september 2024, C-351/22, ECLI:EU:C:2024:723
- HvJ EU 5 december 2023, C-807/21, ECLI:EU:C:2023:950
- HvJ EU 14 september 2023, C-508/21, ECLI:EU:C:2023:669
- HvJ EU 14 oktober 2021, C-360/20, ECLI:EU:C:2021:856
- HvJ EU 24 maart 2021, C-870/19, ECLI:EU:C:2021:233
- HvJ EU 3 februari 2021, C-555/19, ECLI:EU:C:2021:89
- HvJ EU 21 oktober 2015, C-347/14, ECLI:EU:C:2015:709
- HvJ EU 18 juli 2013, C-234/12, ECLI:EU:C:2013:496
- HvJ EU 28 juni 2012, C-7/11, ECLI:EU:C:2012:396
- HvJ EU 15 maart 2012, C-135/10, ECLI:EU:C:2012:140
- HvJ EU 24 januari 2012, C-282/10, ECLI:EU:C:2012:33
- HvJ EU 28 oktober 2010, C-367/09, ECLI:EU:C:2010:648
- HvJ EU 12 december 1996, C-74/95, ECLI:EU:C:1996:491