HvJ EU 19 juni 2025, C-200/24, ECLI:EU:C:2025:459
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
19 juni 2025 ( *1 )
„Niet-nakoming – Artikel 49 VWEU – Vrijheid van vestiging – Artikel 56 VWEU – Vrijheid van dienstverrichting – Richtlijn 2000/31/EG – Elektronische handel – Artikel 8, lid 1 – Door een lid van een gereglementeerd beroep verleende dienst inzake commerciële communicatie – Nationale wettelijke regeling die reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun activiteiten verbiedt – Beperking – Rechtvaardiging – Bescherming van de volksgezondheid”
In zaak C‑200/24,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 13 maart 2024,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door U. Małecka en M. Mataija als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, A. Arabadjiev en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Polen, door artikel 94a, lid 1, van de ustawa – Prawo farmaceutyczne (geneesmiddelenwet) van 6 september 2001 (Dz. U. nr. 126, volgnr. 1381) vast te stellen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1), en krachtens de artikelen 49 en 56 VWEU.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. VWEU
2 Artikel 49 VWEU luidt als volgt: „[…] beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat [zijn] verboden. […] De vrijheid van vestiging omvat […] de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen […]”.
3 Artikel 56 VWEU bepaalt: „[…] de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie [zijn] verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. […]”
2. Richtlijnen 98/34 en 2015/1535
4 Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1998, L 204, blz. 37), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 (PB 2012, L 316, blz. 12) (hierna: „richtlijn 98/34”) is ingetrokken bij richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 (PB 2015, L 241, blz. 1), die op 7 oktober 2015 in werking is getreden.
5 Artikel 1, lid 1, onder b), eerste alinea, van richtlijn 2015/1535 luidt: „In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] b) ‚dienst’: elke dienst van de informatiemaatschappij, dat wil zeggen elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht.”
6 Artikel 10, tweede alinea, van richtlijn 2015/1535 bepaalt: „Verwijzingen naar [richtlijn 98/34] gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.”
7 Uit deze tabel volgt dat artikel 1, lid 1, onder b), eerste alinea, van richtlijn 2015/1535 overeenkomt met artikel 1, eerste alinea, punt 2, eerste alinea, van richtlijn 98/34.
3. Richtlijn 2000/31
8 Artikel 2 van richtlijn 2000/31 stelt: „Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚diensten van de informatiemaatschappij’: diensten zoals omschreven in [artikel 1, lid 1, onder b), eerste alinea, van richtlijn 2015/1535]; […] f) ‚commerciële communicatie’: elke vorm van communicatie bestemd voor het direct of indirect promoten van de goederen, diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon, die een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of een gereglementeerd beroep uitoefent. Het navolgende vormt op zich geen commerciële communicatie: – informatie die rechtstreeks toegang geeft tot de activiteit van een onderneming, organisatie of persoon, in het bijzonder een domeinnaam of een elektronischepostadres; – mededelingen over de goederen of diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon, die onafhankelijk van deze en in het bijzonder zonder financiële tegenprestatie zijn samengesteld; […]”
9 Artikel 8 van die richtlijn luidt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat het gebruik van commerciële communicatie die deel uitmaakt van een door een lid van een gereglementeerd beroep verleende dienst van de informatiemaatschappij, of die op zichzelf een dergelijke dienst uitmaakt, wordt toegestaan, mits de beroepsregels, met name ten aanzien van de onafhankelijkheid, de beroepseer en het beroepsgeheim, alsmede de eerlijkheid ten opzichte van cliënten en confraters in acht worden genomen. 2. Onverminderd de autonomie van de beroepsverenigingen en ‑organisaties stimuleren de lidstaten en de Commissie deze verenigingen en organisaties om gedragscodes op communautair niveau op te stellen, waarin wordt vastgelegd welke informatie in overeenstemming met lid 1 voor commerciële communicatie mag worden verstrekt. […]”
4. Richtlijn 2001/83
10 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67) bepaalt in artikel 87, lid 3: „Reclame voor een geneesmiddel: – moet het rationele gebruik van een geneesmiddel bevorderen door het objectief voor te stellen zonder de eigenschappen ervan te overdrijven, – mag niet misleidend zijn.”
5. Richtlijn 2006/123
11 Overweging 100 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36) luidt: „Het is noodzakelijk om het algehele verbod op commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen te laten vervallen; daarbij gaat het niet om verboden betreffende de inhoud van commerciële communicatie, maar wel om bepalingen die algemeen en voor een bepaald beroep een of meer vormen van commerciële communicatie verbieden, bijvoorbeeld een verbod op alle reclame in een of meer media. Wat de inhoud en wijze van commerciële communicatie betreft, moeten beroepsbeoefenaren worden aangespoord om, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, op communautair niveau gedragscodes op te stellen.”
12 Artikel 4, punt 12, van deze richtlijn luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] 12) ‚commerciële communicatie’: elke vorm van communicatie die is bestemd voor het direct of indirect promoten van de goederen, de diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon die een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of een gereglementeerd beroep uitoefent. Het navolgende vormt als zodanig geen commerciële communicatie: a) informatie die rechtstreeks toegang biedt tot de activiteit van een onderneming, organisatie of persoon, waaronder in het bijzonder een domeinnaam of een e-mailadres; b) mededelingen over de goederen, de diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon die onafhankelijk van deze zijn samengesteld, in het bijzonder wanneer ze zonder financiële tegenprestatie worden verstrekt.”
13 Artikel 24 van deze richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten trekken elk algeheel verbod op commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen in. 2. De lidstaten zien erop toe dat de commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen in overeenstemming is met de beroepsregels, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht, welke in het bijzonder betreffen de onafhankelijkheid, waardigheid en integriteit van het beroep evenals het beroepsgeheim, op een wijze die strookt met de specifieke aard van elk beroep. Beroepsregels inzake commerciële communicatie zijn niet-discriminatoir, om dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigd en evenredig.”
B. Pools recht
14 De geneesmiddelenwet is gewijzigd bij de ustawa o refundacji leków, środków spożywczych specjalnego przeznaczenia żywieniowego oraz wyrobów medycznych (wet betreffende de terugbetaling van geneesmiddelen, voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen en medische hulpmiddelen) van 12 mei 2011 (Dz. U. nr. 122, volgnr. 696) (hierna: „gewijzigde geneesmiddelenwet”).
15 Artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet bepaalt: „Reclame voor apotheken en farmaceutische verkooppunten alsook voor hun activiteiten is verboden. Informatie over de locatie en de openingstijden van apotheken of farmaceutische verkooppunten vormt geen reclame.”
16 Artikel 129b, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet luidt: „Een geldboete van maximaal 50000 [Poolse zloty (PLN) (ongeveer 12000 EUR)] wordt opgelegd aan eenieder die in strijd met artikel 94a reclame maakt voor een apotheek, een farmaceutisch of parafarmaceutisch verkooppunt of voor hun activiteiten.”
II. Precontentieuze procedure
17 De wijzigingen van de geneesmiddelenwet zijn op 1 januari 2012 in werking getreden. Artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet verbiedt reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun activiteiten. Deze bepaling preciseert dat mededelingen over de openingstijden en de locatie van apotheken en farmaceutische verkooppunten geen reclame vormen. Op het verbod in kwestie staat een boete van maximaal 50000 PLN.
18 Op 25 januari 2019 heeft de Commissie de Republiek Polen een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij stelde dat deze bepaling in strijd is met artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31, betreffende het gebruik van commerciële communicatie die deel uitmaakt van een door een lid van een gereglementeerd beroep verleende dienst van de informatiemaatschappij, en met de artikelen 49 en 56 VWEU, die betrekking hebben op respectievelijk de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting.
19 In antwoord hierop heeft de Republiek Polen in haar brief van 25 maart 2019 allereerst aangevoerd dat de omvang van de uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende beperking van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting uitsluitend betrekking heeft op boodschappen die uitdrukkelijk tot doel hebben de verkoop van in apotheken aangeboden producten te verhogen. Vervolgens heeft zij uiteengezet dat deze bepaling als algemene doelstelling heeft een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen. Ten slotte heeft zij betoogd dat deze bepaling niet in strijd is met richtlijn 2000/31, aangezien een zeer groot deel van de door apothekers verrichte farmaceutische diensten geen deel uitmaakt van de activiteiten van apotheken of farmaceutische verkooppunten en dus niet onder het betrokken verbod valt.
20 Aangezien de Commissie geen genoegen kon nemen met het antwoord van de Republiek Polen, heeft zij deze lidstaat op 3 juli 2020 een met redenen omkleed advies gezonden met het verzoek om binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van dat advies de nodige maatregelen te nemen om aan haar verplichtingen te voldoen. De Commissie handhaaft het in de aanmaningsbrief uiteengezette standpunt en stelt in dat advies dat uit de besluiten van de administratieve autoriteiten en de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Republiek Polen blijkt dat het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod een aanzienlijke reikwijdte heeft.
21 De Republiek Polen heeft bij brief van 1 oktober 2020 op het met redenen omkleed advies geantwoord en daarbij een uiteenzetting gegeven van de omstandigheden, die werden gekenmerkt door de aanwezigheid van negatieve fenomenen op de Poolse farmaceutische markt, waarin deze bepaling is vastgesteld. Bovendien heeft deze lidstaat te kennen gegeven dat hij bereid was de bewoordingen van die bepaling te wijzigen.
22 Na vruchteloze uitwisselingen heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
III. Beroep
23 Ter ondersteuning van haar beroep voert de Commissie drie grieven aan, ontleend aan schending van, ten eerste, artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31, ten tweede, artikel 49 VWEU en, ten derde, artikel 56 VWEU.
A. Eerste grief: schending van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31
1. Argumenten van partijen
24 Vooraf zet de Commissie onder verwijzing naar het arrest van 4 mei 2017, Vanderborght (C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 42), uiteen dat artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 tot doel heeft de leden van een gereglementeerd beroep de mogelijk te bieden gebruik te maken van de diensten van de informatiemaatschappij om hun activiteiten te promoten. Zij herinnert eraan dat het Hof in de punten 43 en 44 van dat arrest heeft geoordeeld dat de in artikel 2, onder f), van deze richtlijn bedoelde commerciële communicatie moet voldoen aan de voor het betrokken beroep geldende beroepsregels, die evenwel niet mogen leiden tot een algemeen en absoluut verbod op elke vorm van online reclame.
25 In casu valt reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun activiteiten, onder meer via een website die is opgezet door een persoon die een gereglementeerd beroep uitoefent, onder dat artikel 8, lid 1.
26 Artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet verbiedt echter elke vorm van commerciële communicatie, ook langs elektronische weg, in het bijzonder via een website die is opgezet door een apotheker die werkzaam is in een apotheek of in een farmaceutisch verkooppunt. Deze bepaling is dus in strijd met genoemd artikel 8, lid 1.
27 Bijgevolg betwist de Commissie de gegrondheid van de argumenten die de Republiek Polen in haar antwoord op het met redenen omkleed advies heeft aangevoerd.
28 In de eerste plaats, voor zover deze lidstaat stelt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen apothekers als beroepscategorie en de vestigingen waarin zij werkzaam zijn, die niet beperkt zijn tot apotheken en farmaceutische verkooppunten, betoogt de Commissie dat een zeer groot aantal apothekers in apotheken of in die verkooppunten werken.
29 In dit verband merkt de Commissie op dat volgens een rapport van de Główny Urząd Statystyczny (centraal bureau voor de statistiek, Polen) in 2021 37300 personen het beroep van apotheker in Polen mochten uitoefenen en dat 26000 van hen, te weten ongeveer 69,7 %, werkzaam waren in een apotheek of in een farmaceutisch verkooppunt.
30 De Commissie voegt hieraan toe dat, aangezien artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 betrekking heeft op alle leden van een gereglementeerd beroep, het nationale recht niet verenigbaar met deze bepaling kan worden geacht op de enkele grond dat bepaalde leden van het betrokken gereglementeerde beroep reclame voor zichzelf mogen maken.
31 In de tweede plaats, voor zover de Republiek Polen stelt dat het reclameverbod alleen geldt voor de exploitatie van apotheken en farmaceutische verkooppunten en niet voor de door apothekers verrichte diensten, stelt de Commissie dat een dergelijk onderscheid kunstmatig is. Naar Pools recht zouden apotheken namelijk in handen moeten zijn van en geëxploiteerd worden door apothekers of op zijn minst worden beheerd door apothekers.
32 Deze instelling is van mening dat het begrip „commerciële communicatie” in de zin van artikel 2, onder f), van richtlijn 2000/31 communicatie omvat die bedoeld is om direct of indirect de goederen of diensten te promoten die worden geleverd door de leden van een gereglementeerd beroep of door een onderneming of organisatie waarin zij een dergelijk beroep uitoefenen.
33 Om de naleving van artikel 8, lid 1, van deze richtlijn te waarborgen, zouden de lidstaten dus in beginsel verplicht zijn om alle dergelijke commerciële communicatie toe te staan. Apothekers zouden dus niet alleen reclame moeten kunnen maken voor zichzelf en de diensten die zij aanbieden, maar ook voor de apotheken die zij exploiteren of waarvoor zij werken.
34 In de derde en laatste plaats, voor zover de Republiek Polen aanvoert dat de gewijzigde geneesmiddelenwet apotheken en farmaceutische verkooppunten toestaat om met name receptvrije geneesmiddelen op afstand te verkopen, is de Commissie van mening dat dit een andere kwestie is dan die welke in casu relevant is. De mogelijkheid om deze geneesmiddelen op afstand te verkopen, met name door de exploitatie van een website, moet immers worden onderscheiden van de mogelijkheid om reclame te maken voor een apotheek en voor de diensten die zij aanbiedt, waaronder met name de verkoop van dergelijke geneesmiddelen op afstand. Artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet verbiedt apotheken om hun diensten voor verkoop op afstand te promoten, zoals wordt bevestigd door verschillende beslissingen van de Poolse autoriteiten.
35 De Commissie voegt hieraan toe dat zelfs indien zou worden geoordeeld dat deze bepaling commerciële communicatie betreffende online verkochte producten niet verbiedt, deze bepaling niettemin een algemeen en absoluut verbod op reclame inhoudt, wat in strijd is met artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31. In dat geval zou namelijk bepaalde commerciële communicatie zijn toegestaan. Andere commerciële communicatie zou echter verboden zijn.
36 In dit verband haalt de Commissie verschillende besluiten van Poolse administratieve autoriteiten en beslissingen van rechterlijke instanties aan waaruit blijkt dat communicatie die in strijd wordt geacht met artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet, tevens informatie omvat over de door apotheken verrichte diensten en informatie over de prijzen van de producten, ook via internet.
37 Het verbod op commerciële communicatie met betrekking tot laatstgenoemde informatie is algemeen en absoluut, aangezien niet vereist is dat die informatie individueel wordt beoordeeld. De Commissie stelt dat zelfs indien het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod niet van toepassing is op bepaalde activiteiten van apothekers, het dus niettemin een algeheel verbod vormt in de zin van het arrest van 5 april 2011, Société fiduciaire nationale d’expertise comptable (C‑119/09, EU:C:2011:208, punt 29), betreffende artikel 24 van richtlijn 2006/123, dat naar analogie relevant is.
38 Als verweer voert de Republiek Polen aan dat artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet weliswaar reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun activiteiten verbiedt, deze bepaling geen reclame voor farmaceutische diensten verbiedt. Het in deze bepaling verankerde verbod is dus zowel gericht tot exploitanten van apotheken, die niet uitsluitend apothekers zijn, als tot al degenen die reclame kunnen maken, zoals de pers en reclamebureaus.
39 In dit verband verstrekt de Republiek Polen ten eerste verschillende gegevens van het centraal bureau voor de statistiek en van de Rejestr Aptek (register van apotheken, Polen) over het aantal actieve apotheken en het aantal vergunningen dat is verleend aan apothekers of aan als apotheker optredende ondernemingen. Uit deze gegevens leidt zij af dat de uitoefening van het beroep van apotheker en de exploitatie van een apotheek niet als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd.
40 Ten tweede wijst de Republiek Polen erop dat volgens de gegevens van de Naczelna Izba Aptekarska (hoogste farmaceutische kamer, Polen) op 31 december 2022 bijna een derde van de apothekers buiten apotheken of farmaceutische verkooppunten werkzaam was. Deze lidstaat preciseert dat apothekers met name werkzaam kunnen zijn aan universiteiten, wetenschappelijke instellingen, ziekenhuizen, klinieken, instellingen die belast zijn met de controle van en het toezicht op de productie en het in de handel brengen van geneesmiddelen, instellingen voor de registratie van geneesmiddelen en niet-gouvernementele organisaties.
41 Hieruit volgt dat artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet niet van toepassing is op alle aspecten van de activiteit van apotheker als gereglementeerd beroep, maar enkel op de activiteit van een apotheek of een farmaceutisch verkooppunt, die niet noodzakelijkerwijs door een apotheker moet worden uitgeoefend. Het uit deze bepaling voortvloeiende verbod is dus niet absoluut en betreft slechts een van de mogelijke vormen van uitoefening van het beroep van apotheker.
42 Bovendien betwist de Republiek Polen dat de rechtspraak over artikel 24, lid 1, van richtlijn 2006/123 in casu relevant is voor de uitlegging van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31.
2. Beoordeling door het Hof
43 In artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 is het beginsel verankerd dat de lidstaten ervoor zorgen dat het gebruik van commerciële communicatie die deel uitmaakt van een door een lid van een gereglementeerd beroep verleende dienst van de informatiemaatschappij, of die op zichzelf een dergelijke dienst uitmaakt, wordt toegestaan.
44 Dat lid 1 strekt ertoe de leden van een gereglementeerd beroep de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van diensten van de informatiemaatschappij om hun activiteiten te promoten (arrest van 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 42).
45 Het is juist dat volgens dat lid 1 commerciële communicatie enkel mag worden toegestaan voor zover de beroepsregels, met name ten aanzien van de onafhankelijkheid, de waardigheid en eer van het betrokken gereglementeerde beroep en het beroepsgeheim, alsmede de eerlijkheid ten opzichte van cliënten en confraters, in acht worden genomen. Aan lid 1 zou echter zijn nuttig effect worden ontnomen en de door de Uniewetgever nagestreefde doelstelling zou worden ondermijnd indien beroepsregels elke vorm van online reclame ter promotie van de activiteit van een persoon die een gereglementeerd beroep uitoefent op algemene en absolute wijze kunnen verbieden (zie in die zin arrest van 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punten 43 en 44).
46 Die uitlegging vindt steun in de omstandigheid dat de lidstaten en de Commissie volgens artikel 8, lid 2, van richtlijn 2000/31 stimuleren dat er gedragscodes worden opgesteld waarin dit soort reclame niet wordt verboden, maar veeleer wordt gepreciseerd welke informatie voor commerciële communicatie kan worden verstrekt met eerbiediging van die beroepsregels (arrest van 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 45).
47 Daaruit volgt dat beroepsregels de inhoud en de vorm van de in artikel 8, lid 1, van die richtlijn bedoelde commerciële communicatie kunnen afbakenen, maar geen algemeen en absoluut verbod van dit soort communicatie mogen bevatten (arrest van 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 46).
48 In casu wordt in de eerste plaats niet betwist dat het beroep van apotheker in Polen een gereglementeerd beroep is.
49 In de tweede plaats voert de Republiek Polen aan dat niet alle apothekers werkzaam zijn in een apotheek, aangezien de studies die zij hebben voltooid hun toegang geven tot andere activiteiten. Deze lidstaat betwist echter niet dat, zoals de Commissie betoogt, volgens een rapport van het centraal bureau voor de statistiek in 2021, 37300 personen bevoegd waren om het beroep van apotheker in Polen uit te oefenen en dat 26000 van hen, te weten ongeveer 69,7 %, werkzaam waren in een apotheek of in een farmaceutisch verkooppunt.
50 Bovendien stemmen deze gegevens overeen met die van de hoogste farmaceutische kamer, waarnaar de Republiek Polen verwijst, volgens welke op 31 december 2022 bijna een derde van de apothekers buiten apotheken of farmaceutische verkooppunten werkzaam was.
51 In dit verband volstaat het op te merken dat, aangezien artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 betrekking heeft op alle leden van een gereglementeerd beroep, het nationale recht niet kan worden geacht verenigbaar te zijn met deze bepaling op de enkele grond dat bepaalde leden van het betrokken gereglementeerde beroep niet onder het in dat recht verankerde reclameverbod vallen.
52 Indien dat het geval zou zijn, zouden de lidstaten deze bepaling namelijk kunnen omzeilen middels verbodsbepalingen die een marginale reeks activiteiten van de leden van een gereglementeerd beroep zouden ontzien.
53 In de derde en laatste plaats moet, voor zover de Republiek Polen in essentie betoogt dat artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet apotheken niet verbiedt om receptvrije geneesmiddelen op afstand te verkopen of informatie te verstrekken over de prijzen en de wijze van levering van dergelijke producten, worden vastgesteld dat apotheken echter geen reclame mogen maken voor hun dienst van verkoop op afstand.
54 Bovendien betwist de Republiek Polen niet dat het uit deze bepaling voortvloeiende verbod in verschillende Poolse administratieve besluiten en rechterlijke beslissingen, waarnaar de Commissie in het met redenen omkleed advies verwijst, is toegepast op de verspreiding van informatie over de door apotheken verrichte diensten en de prijzen van de aangeboden producten, ook via internet. Integendeel, in het antwoord op het met redenen omkleed advies erkent deze lidstaat dat „de ongelukkige formulering [van die bepaling] de geneesmiddelenautoriteiten en de rechterlijke instanties ertoe heeft gebracht herhaaldelijk te oordelen dat elke andere handeling dan het verstrekken van informatie over de locatie en de openingstijden van een apotheek of een farmaceutisch [verkoop]punt reclame vormt”.
55 Hoe dan ook is het verbod van artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet, ook al is het niet van toepassing op alle activiteiten die door apothekers in een apotheek kunnen worden verricht, maar slechts op een deel daarvan, niettemin algemeen en absoluut en dus in strijd met artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31.
56 Wat artikel 24 van richtlijn 2006/123 betreft, volgt uit de rechtspraak dat elk verbod voor leden van een gereglementeerd beroep om gebruik te maken van commerciële communicatie in strijd is met deze bepaling, zelfs wanneer het betrokken verbod slechts betrekking heeft op bepaalde vormen van commerciële communicatie en niet op alle commerciële communicatie (zie in die zin arrest van 5 april 2011, Société fiduciaire nationale d’expertise comptable, C‑119/09, EU:C:2011:208, punt 29).
57 De Republiek Polen betoogt dat de rechtspraak inzake artikel 24, lid 1, van richtlijn 2006/123 niet naar analogie op artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 kan worden toegepast.
58 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 commerciële communicatie toestaat, mits bepaalde beroepsregels in acht worden genomen.
59 Artikel 24, lid 1, van richtlijn 2006/123 bepaalt dat elk algeheel verbod op commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen wordt ingetrokken, en artikel 24, lid 2, bepaalt dat dergelijke communicatie in overeenstemming moet zijn met bepaalde beroepsregels.
60 Het toestaan van commerciële communicatie op voorwaarde dat bepaalde beroepsregels worden nageleefd of het algehele verbod op commerciële communicatie op voorwaarde dat soortgelijke regels in acht worden genomen, leidt tot een vergelijkbaar resultaat, temeer daar commerciële communicatie in de twee betrokken richtlijnen op dezelfde wijze wordt gedefinieerd, zoals blijkt uit de punten 8 en 12 van het onderhavige arrest.
61 Vervolgens is het door de Republiek Polen aangevoerde feit dat richtlijn 2000/31 geen overweging bevat die vergelijkbaar is met overweging 100 van richtlijn 2006/123, waarop het Hof zich in het in punt 56 hierboven aangehaalde arrest heeft gebaseerd, irrelevant. Deze overweging 100 beoogt namelijk enkel de draagwijdte uit te leggen van de uitdrukking „algeheel verbod” op commerciële communicatie, die niet voorkomt in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31, aangezien deze laatste bepaling gaat over toestemming voor commerciële communicatie, en niet over intrekking van de verboden op die communicatie.
62 Ten slotte volgt uit de rechtspraak dat deze richtlijnen beide invulling geven aan het in artikel 56 VWEU verankerde beginsel van het vrij verrichten van diensten (arrest van 30 mei 2024, Airbnb Ireland en Amazon Services Europe, C‑662/22 en C‑667/22, EU:C:2024:432, punten 46 en 47).
63 De argumenten van de Republiek Polen inzake de analoge toepassing van de rechtspraak inzake artikel 24, lid 1, van richtlijn 2006/123 in het kader van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 moeten bijgevolg worden afgewezen.
64 Het eerste middel moet dan ook worden aanvaard.
B. Tweede en derde grief: schending van de artikelen 49 en 56 VWEU
65 Uit de rechtspraak volgt dat wanneer een rechtsgebied is geharmoniseerd, alle daaronder vallende nationale regelingen aan de bepalingen van die harmonisatiemaatregel moeten worden getoetst en niet aan het primaire recht (zie in die zin arresten van 14 december 2004, Commissie/Duitsland,C‑463/01, EU:C:2004:797, punt 36; 30 april 2009, Lidl Magyarország,C‑132/08, EU:C:2009:281, punt 42, en 30 mei 2024, Airbnb Ireland en Amazon Services Europe, C‑662/22 en C‑667/22, EU:C:2024:432, punt 86).
66 Aangezien het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod niet alleen betrekking heeft op commerciële communicatie die, als onderdeel van een dienst van de informatiemaatschappij, onder de bij richtlijn 2000/31 tot stand gebrachte harmonisatie valt, maar ook op elke vorm van reclame, moeten ook de tweede en de derde grief van de Commissie worden onderzocht, die betrekking hebben op de in de artikelen 49 en 56 VWEU verankerde beperkingen op respectievelijk de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting. Deze grieven kunnen tezamen worden onderzocht.
1. Bestaan van beperkingen
a) Argumenten van partijen
67 Wat de vrijheid van vestiging betreft, voert de Commissie aan dat het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod in Polen gevestigde personen, maar ook in andere lidstaten gevestigde personen die in Polen een apotheek of een farmaceutisch verkooppunt willen openen, de mogelijkheid ontneemt om hun huidige en potentiële klanten over hun activiteiten te informeren. Zij merkt op dat deze situatie bijzonder nadelig is voor de tweede categorie personen, voor wie de toegang tot de markt wordt bemoeilijkt.
68 Wat de vrijheid van dienstverrichting betreft, betoogt de Commissie dat dit verbod het voor in Polen gevestigde apothekers moeilijker maakt om diensten te verlenen aan in andere lidstaten gevestigde afnemers en voor in andere lidstaten gevestigde apothekers om diensten te verlenen in Polen. Zij voert tevens aan dat dit verbod de mogelijkheid beperkt – voor klanten in Polen – om gebruik te maken van de diensten van apothekers uit andere lidstaten en – voor in Polen gevestigde apothekers – om gebruik te maken van reclamediensten.
69 De Commissie preciseert dat de Republiek Polen tijdens de precontentieuze procedure niet heeft betwist dat het bestreden verbod leidt tot beperkingen van zowel de vrijheid van vestiging als de vrijheid van dienstverrichting. Deze lidstaat heeft enkel gesteld dat deze beperkingen gerechtvaardigd waren uit hoofde van de noodzaak om de volksgezondheid te beschermen.
70 Voor het Hof heeft de Republiek Polen geen argumenten aangevoerd die het bestaan van beperkingen van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting in twijfel trekken, maar heeft zij betoogd dat deze beperkingen gerechtvaardigd waren door de dwingende reden van algemeen belang die verband houdt met de bescherming van de volksgezondheid.
b) Beoordeling door het Hof
71 Volgens vaste rechtspraak moeten alle maatregelen die de uitoefening van de door artikelen 49 en 56 VWEU gewaarborgde vrijheden verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken, als beperkingen van de vrijheid van vestiging en/of de vrijheid van dienstverrichting worden beschouwd [arrest van 8 juni 2023, Fastweb e.a. (Termijn voor facturering), C‑468/20, EU:C:2023:447, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
72 Het begrip „beperking” omvat de door een lidstaat genomen maatregelen die weliswaar zonder onderscheid toepasselijk zijn, maar niettemin de toegang tot de markt voor ondernemingen van andere lidstaten ongunstig beïnvloeden [arrest van 8 juni 2023, Fastweb e.a. (Termijn voor facturering), C‑468/20, EU:C:2023:447, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
73 In de eerste plaats beperkt een nationale wettelijke regeling waarbij op algemene en absolute wijze alle reclame voor een bepaalde activiteit wordt verboden, de mogelijkheid voor de personen die deze activiteit uitoefenen om bekendheid te verwerven bij potentiële klanten en de diensten te promoten die zij aan hen wensen aan te bieden. Een dergelijke wettelijke regeling moet dus worden geacht de vrijheid van dienstverrichting te beperken (arrest van 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punten 63 en 64).
74 In casu is dit het geval voor artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet, zoals blijkt uit de wijze waarop deze bepaling is toegepast in Poolse administratieve besluiten en rechterlijke beslissingen waarop de Commissie zich in het met redenen omkleed advies heeft gebaseerd, die in punt 54 van het onderhavige arrest zijn vermeld en die, zoals in dat punt in herinnering is gebracht, door de Republiek Polen niet worden betwist. De beperking van de vrijheid van dienstverrichting is in casu dus aangetoond.
75 In de tweede plaats belet deze bepaling eenieder die in Polen een apotheek wil exploiteren, om potentiële klanten daarover te informeren. Het daarin verankerde reclameverbod heeft met name tot gevolg dat het voor nieuwe apotheken moeilijker wordt om de markt te betreden.
76 Een dergelijke situatie kan nog nadeliger zijn voor marktdeelnemers uit andere lidstaten dan de Republiek Polen, die extra inspanningen moeten leveren om zich kenbaar te maken bij klanten in Polen. Het reclameverbod vormt dus een extra belemmering voor marktdeelnemers uit andere lidstaten die in Polen een apotheek willen vestigen (zie naar analogie arrest van 17 juli 2008, Corporación Dermoestética,C‑500/06, EU:C:2008:421, punt 33).
77 Bijgevolg leidt artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet ook tot een beperking van de vrijheid van vestiging.
2. Rechtvaardiging van de beperkingen
a) Argumenten van partijen
78 De Commissie herinnert eraan dat de Republiek Polen tijdens de precontentieuze procedure heeft aangevoerd dat het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod de volksgezondheid beschermt, ten eerste door de overconsumptie van geneesmiddelen en voedingssupplementen te verminderen en ten tweede door de professionele onafhankelijkheid van apothekers te waarborgen. Deze instelling erkent dat de bescherming van de volksgezondheid een dwingende reden van algemeen belang vormt die beperkingen van de vrijheid van vestiging of de vrijheid van dienstverrichting kan rechtvaardigen. In casu heeft de Republiek Polen echter niet aangetoond dat de uit dit verbod voortvloeiende beperkingen om die reden gerechtvaardigd waren.
79 De Republiek Polen handhaaft voor het Hof het standpunt dat zij tijdens de precontentieuze procedure heeft ingenomen.
1) Overconsumptie van geneesmiddelen
80 De Commissie betoogt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen twee soorten reclame, te weten enerzijds reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun activiteiten en anderzijds reclame voor geneesmiddelen.
81 Wat het eerste soort reclame betreft, betoogt de Commissie dat de Republiek Polen niet heeft aangetoond dat er een verband bestaat tussen het reclameverbod en de vermindering van overconsumptie van geneesmiddelen.
82 Wat de tweede soort betreft, zet de Commissie uiteen dat reclame voor geneesmiddelen niet verboden is, mits zij voldoet aan specifieke voorwaarden, zoals het verbod om reclame te maken voor geneesmiddelen die uitsluitend op recept kunnen worden verkregen of de verplichting om het geneesmiddel op objectieve en niet-misleidende wijze aan te bieden en informatie over het rationele gebruik ervan te verstrekken overeenkomstig artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83.
83 Maatregelen waarin deze voorwaarden in de context van reclame voor geneesmiddelen worden vastgesteld, kunnen dus worden geacht verband te houden met de doelstelling van de bescherming van de volksgezondheid om overconsumptie van geneesmiddelen tegen te gaan.
84 Evenwel zijn reclameactiviteiten volgens de Commissie, en zoals de Republiek Polen stelt, weliswaar in beginsel bedoeld om nieuwe klanten aan te trekken en oude klanten te behouden, maar leiden deze activiteiten er niet noodzakelijkerwijs toe dat klanten meer geneesmiddelen kopen. Reclame voor een apotheek kan daarentegen tot gevolg hebben dat het marktaandeel van die apotheek toeneemt ten nadele van andere apotheken en andere plaatsen waar geneesmiddelen worden verkocht.
85 Daarnaast betoogt de Commissie dat in Polen bepaalde receptvrije geneesmiddelen verkrijgbaar zijn buiten apotheken of farmaceutische verkooppunten, in winkels, supermarkten, kiosken of benzinestations. Voor de verkoop van deze geneesmiddelen in dergelijke inrichtingen is geen kennisgeving of vergunning vereist en, ook al gaat het om een minderheid in verhouding tot de verkoop in een apotheek, toch is deze verkoop niet verwaarloosbaar, zoals blijkt uit een in 2015 verrichte studie waarnaar de Republiek Polen verwijst. De verkoop van geneesmiddelen in deze inrichtingen kan een verhoogd risico voor de gezondheid opleveren wegens een eventuele overconsumptie of niet-passend gebruik.
86 In dit verband is het van weinig belang dat alleen bepaalde receptvrije geneesmiddelen buiten apotheken beschikbaar zijn, aangezien het aantal van deze geneesmiddelen relatief groot is en overconsumptie ervan tot ernstige vergiftiging kan leiden.
87 De Commissie leidt hieruit af dat het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod niet geschikt is om het gestelde doel van vermindering van overconsumptie van geneesmiddelen te bereiken. Integendeel, dit verbod zou in strijd kunnen zijn met deze doelstelling, omdat bepaalde geneesmiddelen vrij verkrijgbaar zijn in inrichtingen waar de klanten geen professioneel advies krijgen over het gebruik ervan.
88 De Commissie is hoe dan ook van mening dat, gesteld al dat het uit deze bepaling voortvloeiende verbod geschikt zou zijn om dat doel te bereiken, hetzelfde resultaat met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.
89 De Republiek Polen brengt hiertegen in dat reclameboodschappen van apotheken tot doel hebben potentiële klanten ertoe aan te zetten gebruik te maken van hun diensten en de verkoop van producten te bevorderen, met name van receptvrije geneesmiddelen en voedingssupplementen. Apotheekklanten zijn een type consument dat bijzonder kwetsbaar is voor reclame en dat beschermd zou moet worden tegen technieken die bedoeld zijn om hen aan te moedigen meer te kopen. Het gebruik van de diensten van apotheken mag dus niet voortvloeien uit reclame, maar moet verband houden met de gezondheidsbehoeften van de patiënt. Gezien de noodzaak om de gezondheid te beschermen, dient de concurrentie tussen apotheken niet gebaseerd te zijn op reclame, maar op de hoogste kwaliteit van dienstverlening en de aldus verworven reputatie.
90 De Republiek Polen voegt hieraan toe dat het verbod om reclame te maken voor de activiteiten van apotheken en farmaceutische verkooppunten moet worden beschouwd in samenhang met reclame voor geneesmiddelen. Volgens artikel 87, lid 3, eerste streepje, van richtlijn 2001/83 moet reclame voor een geneesmiddel het rationele gebruik ervan bevorderen door het objectief voor te stellen zonder de eigenschappen ervan te overdrijven. Dergelijke reclame kan niet los worden gezien van reclame voor apotheken en farmaceutische verkooppunten. Het is dus moeilijk om reclame voor een apotheek te bedenken die bij de patiënt niet direct of indirect geneesmiddelen of bepaalde daarmee verband houdende diensten oproept.
91 In dit verband preciseert de Republiek Polen dat vóór de invoering van artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet de nationale algemene voorschriften inzake reclame van toepassing waren op farmaceutische activiteiten. Het resultaat daarvan was onbevredigend, aangezien de exploitanten van apotheken marketingactiviteiten verrichtten die uitsluitend op economische doelstellingen waren gericht. Dit leidde tot overconsumptie van met name vrij verkrijgbare medicijnen en voedingssupplementen.
92 De Republiek Polen verklaart dat het onmogelijk is om de doeltreffendheid van het uit deze bepaling voortvloeiende verbod aan te tonen, althans in de vorm van cijfers. De overconsumptie van geneesmiddelen en voedingssupplementen blijft echter gebruikelijk in Polen, zoals blijkt uit statistische gegevens met vergelijkingen met andere lidstaten.
93 Voorts wijst de Republiek Polen erop dat andere inrichtingen dan apotheken en farmaceutische verkooppunten, zoals drogisterijen, winkels die gespecialiseerd zijn in de verkoop van medische apparatuur en detailhandelszaken, weliswaar bepaalde geneesmiddelen mogen verkopen, maar dat deze verkoopmethode enkel betrekking heeft op bepaalde receptvrije geneesmiddelen.
2) Professionele onafhankelijkheid van apothekers
94 De Commissie erkent dat bepaalde nationale maatregelen die de medische beroepen zeggenschap geven over beslissingen ter bescherming van de volksgezondheid, gerechtvaardigd kunnen zijn.
95 Een absoluut verbod van reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun activiteiten is echter noch passend, noch noodzakelijk om de professionele onafhankelijkheid van apothekers te waarborgen.
96 De Commissie is van mening dat het door de Republiek Polen in haar antwoord op het met redenen omkleed advies genoemde doel van artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet, namelijk de professionele onafhankelijkheid van apothekers te beschermen tegen de gevolgen van beslissingen inzake reclame van eigenaren die geen apotheker zijn, niet kan gelden voor door apothekers geëxploiteerde apotheken.
97 Bovendien is zij, zelfs in het geval van apotheken die niet in handen zijn van of gecontroleerd worden door apothekers, van mening dat een absoluut reclameverbod niet altijd geschikt is om de beslissingsautonomie van apothekers te waarborgen in situaties die gevolgen hebben voor de gezondheid van patiënten. De vraag of voor dergelijke apotheken reclame kan worden gemaakt, staat volledig los van de vraag of apothekers mogelijk worden blootgesteld aan druk die eigenaren van apotheken die zelf geen apotheker zijn, op hen kunnen uitoefenen om in het financiële belang van de apotheek beslissingen te nemen die niettemin schadelijk zijn voor de gezondheid van de patiënten.
98 Hoe dan ook stelt de Commissie dat artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstelling van professionele onafhankelijkheid van apothekers te verwezenlijken. Zelfs indien een beperking van reclame geschikt zou zijn om dit doel te bereiken, zou een minder beperkende maatregel erin kunnen bestaan reclame voor apotheken onder bepaalde voorwaarden toe te staan.
99 De Republiek Polen blijft bij haar standpunt dat het uit deze bepaling voortvloeiende verbod apothekers beschermt tegen eventuele druk van de eigenaren van apotheken of farmaceutische verkooppunten om de verkoop van bepaalde producten te verhogen.
b) Beoordeling door het Hof
100 Volgens vaste rechtspraak is een beperking van de vrijheid van vestiging of de vrijheid van dienstverrichting slechts toelaatbaar voor zover zij gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, wat inhoudt dat zij geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel op coherente en systematische wijze te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken [zie in die zin, wat de vrijheid van dienstverrichting betreft, arrest van 18 juni 2019, Oostenrijk/Duitsland,C‑591/17, EU:C:2019:504, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en, wat de vrijheid van vestiging betreft, arrest van 6 oktober 2020, Commissie/Hongarije (Hoger onderwijs), C‑66/18, EU:C:2020:792, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
101 Voorts staat het aan de betrokken lidstaat om aan te tonen dat aan deze twee cumulatieve voorwaarden is voldaan [arrest van 6 oktober 2020, Commissie/Hongarije (Hoger onderwijs), C‑66/18, EU:C:2020:792, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
102 In casu behoort de bescherming van de volksgezondheid, die de Republiek Polen aanvoert als rechtvaardiging voor de uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende beperkingen van de vrijheid van vestiging of de vrijheid van dienstverrichting, tot de doelstellingen die kunnen worden beschouwd als dwingende vereisten van algemeen belang die een dergelijke beperking van de door het VWEU gewaarborgde vrijheden kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 19 mei 2009, Commissie/Italië,C‑531/06, EU:C:2009:315, punt 51, en 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103 Evenwel moet worden nagegaan of de Republiek Polen met haar argumenten betreffende, ten eerste, de overconsumptie van geneesmiddelen en, ten tweede, de professionele onafhankelijkheid van apothekers heeft aangetoond dat het uit die bepaling voortvloeiende verbod in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, waarvan de inhoud in punt 100 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
1) Overconsumptie van geneesmiddelen
104 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat apotheken diensten kunnen aanbieden, zoals screeningcampagnes, die geen verband houden met de verkoop van geneesmiddelen en die nochtans binnen de werkingssfeer vallen van het verbod van artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet, zoals blijkt uit de door de Commissie overgelegde bewijzen die in de punten 54 en 74 van het onderhavige arrest zijn vermeld. De Commissie heeft in het bijzonder verwezen naar een beslissing van een Poolse rechterlijke instantie die reclame voor de organisatie van screeningscampagnes onrechtmatig achtte.
105 In zoverre houdt een dergelijk verbod geen enkel verband met de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid, die bestaat in het tegengaan van overconsumptie van geneesmiddelen, zodat het niet als gerechtvaardigd kan worden beschouwd.
106 Voor zover het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod betrekking heeft op reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun diensten die verband houden met de verkoop van geneesmiddelen, moet ten eerste worden opgemerkt dat deze reclame, anders dan de Republiek Polen stelt, ten goede kan komen aan personen die geneesmiddelen kunnen kopen, aangezien zij daardoor op de hoogte kunnen worden gebracht van lagere prijzen of aanvullende diensten die een bepaalde apotheek aanbiedt. Na die reclame kunnen deze personen dus besluiten hun gebruikelijke geneesmiddelen te kopen bij een andere apotheek dan die waarvan zij voorheen klant waren, zonder dat dit leidt tot een toename van de hoeveelheid geneesmiddelen die door deze personen wordt gekocht.
107 Het verbod op deze reclame dreigt daarentegen apotheken die al vele jaren op een markt actief zijn, te bevoordelen ten nadele van apotheken die tot die markt willen toetreden en daar meer diensten of diensten van betere kwaliteit willen aanbieden.
108 Ten tweede zij eraan herinnerd dat, zoals de Republiek Polen overigens benadrukt, artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 bepaalt dat reclame voor een geneesmiddel het rationele gebruik ervan moet bevorderen door het objectief voor te stellen zonder de eigenschappen ervan te overdrijven, en niet misleidend mag zijn. De Uniewetgever heeft met deze bepaling het promoten van geneesmiddelen mogelijk willen maken zonder evenwel overconsumptie aan te moedigen.
109 Ten derde kunnen, zoals de Commissie betoogt op basis van een studie uit 2015 die de Republiek Polen in haar antwoord op het met redenen omkleed advies heeft genoemd, in die lidstaat ten minste bepaalde receptvrije geneesmiddelen buiten apotheken worden gekocht, met name in winkels, supermarkten, kiosken of benzinestations. Voorts wordt weliswaar minder van deze mogelijkheid gebruikgemaakt dan van de mogelijkheid tot aankopen in apotheken, maar deze eerste mogelijkheid is niet verwaarloosbaar. Volgens deze studie heeft een derde van de ondervraagden verklaard receptvrije geneesmiddelen in een supermarkt te kopen.
110 Ten vierde erkent de Republiek Polen dat overconsumptie van geneesmiddelen in deze lidstaat nog steeds aanzienlijk is, ondanks het verbod dat voortvloeit uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet.
111 De Republiek Polen voert weliswaar aan dat de overconsumptie zonder dit verbod nog hoger zou zijn geweest, maar dat het onmogelijk is om dit te bewijzen. Deze lidstaat heeft echter niet uiteengezet waarom het onmogelijk was om de gegevens over het gebruik van geneesmiddelen vóór de inwerkingtreding van deze bepaling te verzamelen en deze te vergelijken met de gegevens van de daaropvolgende periode.
112 Hieruit volgt dat de Republiek Polen, gelet op de voorwaarden die worden gesteld in de in punt 100 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, niet heeft aangetoond dat de uit die bepaling voortvloeiende beperkingen van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting geschikt zijn om te waarborgen dat de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid die erin bestaat overconsumptie van geneesmiddelen tegen te gaan, wordt verwezenlijkt.
113 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat dit doel kan worden nagestreefd met minder beperkende maatregelen dan het verbod dat voortvloeit uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet, zoals maatregelen die de inhoud van de reclame voor bepaalde door apotheken aangeboden diensten regelen.
114 Het uit deze bepaling voortvloeiende verbod gaat dus verder dan nodig is ter verwezenlijking van de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid, die erin bestaat overconsumptie van geneesmiddelen tegen te gaan.
2) Professionele onafhankelijkheid van apothekers
115 Uit de rechtspraak volgt dat, gelet op de bevoegdheid van de lidstaten om zelf te bepalen op welk niveau zij de bescherming van de volksgezondheid wensen te verzekeren, de lidstaten maatregelen kunnen nemen om het risico van aantasting van de professionele onafhankelijkheid van apothekers weg te nemen of te verminderen (zie naar analogie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk,C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 De bescherming van de onafhankelijkheid van het beroep van apotheker kan een dwingend vereiste van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid vormen, gelet op het belang van de vertrouwensrelatie die moet bestaan tussen de apotheker en zijn cliënt, die in beginsel een patiënt is (zie naar analogie arrest van 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punt 68).
117 De Republiek Polen betoogt dat het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod apothekers beschermt tegen eventuele druk van eigenaren van apotheken of farmaceutische verkooppunten om de verkoop van bepaalde producten te verhogen.
118 Ten eerste kan dit argument niet worden toegepast op apotheken die worden geëxploiteerd door apothekers die er tevens eigenaar van zijn.
119 Wat ten tweede de andere apotheken betreft, is het niet uitgesloten dat eigenaren van apotheken die zelf geen apotheker zijn, druk uitoefenen op de apothekers die zij in dienst hebben, opdat deze laatsten in het financiële belang van de apotheek beslissingen nemen die schadelijk zijn voor de gezondheid van patiënten. De Commissie heeft echter gelijk als zij in essentie stelt dat deze kwestie niet rechtstreeks verband houdt met de vraag of er reclame mag worden gemaakt voor apotheken.
120 Het verbod op elke vorm van reclame voor apotheken, farmaceutische verkooppunten en hun activiteiten is namelijk niet van dien aard dat het apothekers beschermt tegen druk die de eigenaren van apotheken zouden kunnen uitoefenen om de manier waarop apothekers hun klanten adviseren, te beïnvloeden. Dergelijke druk kan blijven bestaan, ongeacht of er wel of geen reclame wordt gemaakt voor deze apotheken.
121 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat het uit artikel 94a, lid 1, van de gewijzigde geneesmiddelenwet voortvloeiende verbod verder gaat dan noodzakelijk is om de professionele onafhankelijkheid van apothekers te beschermen. Een minder beperkende maatregel zou er namelijk in kunnen bestaan dat deze reclame wordt toegestaan met inachtneming van voorwaarden die het mogelijk maken de beroepsethiek van de apothekers te beschermen, waarbij – in voorkomend geval strikt – wordt afgebakend welke vormen van reclame op welke wijze mogen worden gebruikt (zie in die zin arrest van 4 mei 2017, Vanderborght,C‑339/15, EU:C:2017:335, punten 74 en 75).
122 Ten eerste moet reclame voor een geneesmiddel, zoals in punt 108 van het onderhavige arrest is opgemerkt, het rationele gebruik ervan bevorderen door het objectief voor te stellen zonder de eigenschappen ervan te overdrijven, en mag zij niet misleidend zijn. Ten tweede heeft de Republiek Polen, voor zover de reclame betrekking heeft op screeningsdiensten, niet uiteengezet waarom deze diensten de volksgezondheid in gevaar zouden brengen.
123 In die omstandigheden moeten ook de tweede en de derde grief worden aanvaard.
124 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Republiek Polen, door artikel 94a, lid 1, van de wet inzake het geneesmiddelenrecht vast te stellen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31 en krachtens de artikelen 49 en 56 VWEU.
Kosten
125 Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Daar de Poolse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Negende kamer) verklaart:
1) De Republiek Polen is, door artikel 94a, lid 1, van de ustawa – Prawo farmaceutyczne (geneesmiddelenwet) van 6 september 2001 vast te stellen, de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”), en krachtens de artikelen 49 en 56 VWEU.
2) De Republiek Polen wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 mei 2024, C-662/22, ECLI:EU:C:2024:432
- HvJ EU 8 juni 2023, C-468/20, ECLI:EU:C:2023:447
- HvJ EU 6 oktober 2020, C-66/18, ECLI:EU:C:2020:792
- HvJ EU 18 juni 2019, C-591/17, ECLI:EU:C:2019:504
- HvJ EU 4 mei 2017, C-339/15, ECLI:EU:C:2017:335
- HvJ EU 5 april 2011, C-119/09, ECLI:EU:C:2011:208
- HvJ EU 16 december 2010, C-89/09, ECLI:EU:C:2010:772
- HvJ EU 19 mei 2009, C-531/06, ECLI:EU:C:2009:315
- HvJ EU 30 april 2009, C-132/08, ECLI:EU:C:2009:281
- HvJ EU 17 juli 2008, C-500/06, ECLI:EU:C:2008:421
- HvJ EU 14 december 2004, C-463/01, ECLI:EU:C:2004:797