HvJ EU 25 november 2025, C-713/23, ECLI:EU:C:2025:917
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
25 november 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikelen 20 en 21 VWEU – Artikelen 7 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Burgers van de Unie van hetzelfde geslacht die een huwelijk zijn aangegaan tijdens de uitoefening van dit recht – Verplichting van de lidstaat van oorsprong om het huwelijk te erkennen en over te schrijven in het register van de burgerlijke stand – Nationale regeling die een dergelijke erkenning en overschrijving verbiedt op grond dat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet is toegestaan”
In zaak C‑713/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen) bij beslissing van 8 november 2023, ingekomen bij het Hof op 23 november 2023, in de procedure
Jakub Cupriak-Trojan,
Mateusz Trojan
tegen
Wojewoda Mazowiecki,
in tegenwoordigheid van:
Prokurator Prokuratury Okręgowej w Warszawie,
Prokurator Regionalny w Warszawie,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos, J. Passer en O. Spineanu-Matei, kamerpresidenten, S. Rodin, E. Regan, D. Gratsias, M. Gavalec, Z. Csehi en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 december 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– Jakub Cupriak-Trojan en Mateusz Trojan, vertegenwoordigd door P. Knut, A. Kula en A. Mazurczak, adwokaci,
– Wojewoda Mazowiecki, vertegenwoordigd door K. Płowucha, radca prawny,
– Prokurator Prokuratury Okręgowej w Warszawie, vertegenwoordigd door M. Gawarecka en M. B. Nowak,
– Prokurator Regionalny w Warszawie, vertegenwoordigd door M. Adamajtys en H. Więckowska,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Malczewska en A. Siwek-Ślusarek als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez en A. Torró Molés als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en A. Hanje als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en E. Montaguti als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Jakub Cupriak-Trojan en Mateusz Trojan (hierna samen: „echtgenoten in het hoofdgeding”) en de Wojewoda Mazowiecki (woiwode van Mazovië, Polen) over een verzoek tot erkenning en overschrijving van hun Duitse huwelijksakte in het Poolse register van de burgerlijke stand.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
VEU en VWEU
3 Artikel 4, lid 2, VEU luidt als volgt: „De [Europese] Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid. Met name de nationale veiligheid blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat.”
4 Artikel 20 VWEU bepaalt het volgende: „1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan. 2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, a) het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven; [...] Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”
5 Artikel 21, lid 1, VWEU luidt: „Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”
Handvest
6 Artikel 7 van het Handvest, met het opschrift „De eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven”, bepaalt: „Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”
7 Artikel 9 van het Handvest, met het opschrift „Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten”, luidt: „Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.”
8 Artikel 21 van het Handvest, met het opschrift „Non-discriminatie”, bepaalt in lid 1: „Iedere discriminatie, met name op grond van [...] seksuele gerichtheid, is verboden.”
Richtlijn 2004/38
9 Volgens artikel 1, onder a), van richtlijn 2004/38 betreft deze richtlijn onder meer de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden.
10 Artikel 2, punt 2, van deze richtlijn definieert het begrip „familielid” voor de toepassing van deze richtlijn. Overeenkomstig artikel 2, punt 2, onder a), valt onder „familielid” ook „de echtgenoot”.
Pools recht
Grondwet
11 Artikel 18 van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen; hierna: „grondwet”) luidt als volgt: „De Republiek Polen beschermt het huwelijk als de verbintenis tussen een vrouw en een man, het gezin, het moederschap en de hoedanigheid van ouder.”
12 Artikel 47 van de grondwet bepaalt: „Eenieder heeft recht op rechtsbescherming van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn waardigheid en zijn reputatie, en heeft het recht om over zijn privéleven te beslissen.”
Wetboek familierecht
13 Artikel 1, lid 1, van de ustawa – Kodeks rodzinny i opiekuńczy (wetboek familierecht) van 25 februari 1964 (Dz. U. nr. 9, volgnr. 59), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „Het huwelijk wordt gesloten wanneer een man en een vrouw die gelijktijdig aanwezig zijn, voor het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand verklaren dat zij in de echt verbonden willen worden.”
Wet betreffende de akten van de burgerlijke stand
14 Artikel 3 van de ustawa – Prawo o aktach stanu cywilnego (wet betreffende de akten van de burgerlijke stand) van 28 november 2014 (Dz. U. volgnr. 1741), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet betreffende de akten van de burgerlijke stand”), luidt als volgt: „Akten van de burgerlijke stand vormen het enige bewijs van de daarin vastgestelde feiten; de onjuistheid ervan kan enkel in het kader van een gerechtelijke procedure worden aangetoond.”
15 Artikel 104 van deze wet bepaalt het volgende: „1. Een buitenlands document van de burgerlijke stand dat het bewijs vormt van een gebeurtenis en de registratie ervan, kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand. 2. De overschrijving bestaat in een getrouwe en letterlijke overdracht van de inhoud van het buitenlandse document van de burgerlijke stand, zowel op taalkundig als op formeel vlak, zonder enige wijziging van de schrijfwijze van de voor‑ en achternamen van de personen die in het buitenlandse document van de burgerlijke stand worden genoemd. [...] 5. De overschrijving is verplicht wanneer een Pools staatsburger op wie een buitenlands document van de burgerlijke stand betrekking heeft, houder is van een in de Republiek Polen opgestelde akte van de burgerlijke stand waarin eerdere gebeurtenissen zijn vastgesteld, en deze burger verzoekt om uitvoering van een maatregel met betrekking tot de burgerlijke stand of om een Pools identiteitsbewijs of een PESEL-nummer [(identificatienummer van natuurlijke personen met de Poolse nationaliteit)]. [...]”
16 In artikel 105, lid 1, van die wet is bepaald: „De inhoud van het buitenlandse document van de burgerlijke stand wordt door middel van een materieel-technische handeling overgedragen in het register van de burgerlijke stand; de overschrijving wordt vermeld in de akte van de burgerlijke stand.”
17 Artikel 107 van die wet luidt als volgt: „Het hoofd van de burgerlijke stand weigert de overschrijving te verrichten in het geval dat: [...] 3) de overschrijving in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de rechtsorde van de Republiek Polen.”
Wet op het internationaal privaatrecht
18 Artikel 7 van de ustawa – Prawo prywatne międzynarodowe (wet op het internationaal privaatrecht) van 4 februari 2011 (Dz. U. nr. 80, volgnr. 432), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „Buitenlands recht wordt niet toegepast indien dit gevolgen zou hebben die in strijd zijn met de fundamentele beginselen van de rechtsorde van de Republiek Polen.”
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
19 Artikel 1138 van de ustawa – Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „Een buitenlands openbaar document heeft dezelfde bewijskracht als een Pools openbaar document. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
20 Jakub Cupriak-Trojan, die de Poolse en de Duitse nationaliteit heeft, en Mateusz Trojan, die de Poolse nationaliteit bezit, zijn op 6 juni 2018 in Berlijn (Duitsland) in het huwelijk getreden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat zij ten tijde van de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing in Duitsland verbleven, maar naar Polen wilden reizen en daar als echtpaar wilden verblijven.
21 Ter gelegenheid van hun huwelijk heeft Cupriak-Trojan de familienaam van Trojan als tweede deel toegevoegd aan zijn eigen familienaam. Op verzoek van Cupriak-Trojan heeft de Kierownik Urzędu Stanu Cywilnego m.st. Warszawy (hoofd van de burgerlijke stand Warschau, Polen) een besluit genomen waarbij zijn familienaam ook in Polen op dezelfde wijze is gewijzigd.
22 Cupriak-Trojan heeft het hoofd van de burgerlijke stand van Warschau tevens verzocht om overschrijving van de Duitse huwelijksakte in het Poolse register van de burgerlijke stand. Bij besluit van 8 augustus 2019 werd dit verzoek afgewezen op grond dat het Poolse recht niet voorziet in het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht en dat de overschrijving van een dergelijke buitenlandse huwelijksakte bijgevolg in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde.
23 De echtgenoten in het hoofdgeding zijn tegen dit besluit opgekomen bij de woiwode van Mazovië. De woiwode heeft dit besluit bevestigd en heeft tevens vastgesteld dat de Duitse huwelijksakte en het Poolse equivalent daarvan naar hun vorm tegenstrijdig waren. Volgens deze autoriteit moest het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand van Warschau bij overschrijving van de Duitse huwelijksakte de voor- en achternamen van de twee mannen inschrijven, waarbij de gegevens van een van hen onder de rubriek „vrouw” zouden worden vermeld. Aangezien het huwelijk in Polen enkel kan worden voltrokken tussen een man en een vrouw, zou het echter onwettig zijn om de gegevens van beide mannen in de akten van de burgerlijke stand over te schrijven als echtgenoten, niettegenstaande de vermelding van de verschillende rubrieken in het model van de akte.
24 De echtgenoten in het hoofdgeding hebben tegen het besluit van de woiwode van Mazovië beroep ingesteld bij de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie (bestuursrechter in eerste aanleg Warschau, Polen), waarbij zij met name hebben aangevoerd dat de in artikel 18 van de grondwet neergelegde verplichting om het huwelijk te beschermen als de verbintenis tussen een vrouw en een man, niet tot gevolg heeft dat geen akte mag worden genomen van een in het buitenland gesloten huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht.
25 Bij uitspraak van 1 juli 2020 heeft deze rechter dit beroep verworpen, met name op grond dat de overschrijving van een huwelijksakte als in het hoofdgeding in strijd is met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde, in de zin van artikel 107, punt 3, van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand. De redenering volgen van de echtgenoten in het hoofdgeding zou er immers toe leiden dat in de nationale rechtsorde huwelijken tussen een vrouw en een man en huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht naast elkaar kunnen bestaan, hetgeen niet is opgenomen in de grondwet noch in de nationale wetten, met name in het wetboek familierecht, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie. Deze rechter was tevens van oordeel dat de weigering tot overschrijving van een dergelijke huwelijksakte niet in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelezen in samenhang met artikel 12 ervan, noch met artikel 21, lid 1, VWEU. Het hoofdgeding betreft namelijk een kwestie met betrekking tot de burgerlijke staat die geen verband houdt met het recht om op het grondgebied van een lidstaat te reizen en te verblijven.
26 De echtgenoten in het hoofdgeding hebben daarop cassatieberoep tegen deze beslissing ingesteld bij de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen), de verwijzende rechter. Zij zijn van mening dat de weigering om hun huwelijk te erkennen een onevenredige beperking vormt van hun recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, vanwege het feit dat hun burgerlijke staat in Polen en in Duitsland anders wordt beoordeeld. Dit zou hen ontmoedigen, of zelfs verhinderen, om van deze vrijheid van verkeer gebruik te maken. In het bijzonder zou het vooruitzicht om onder verschillende vormen van de burgerlijke staat samen te wonen – namelijk als gehuwden in Duitsland en als ongehuwden in Polen – en om in Polen niet hetzelfde privéleven en familie- en gezinsleven te kunnen voortzetten als in Duitsland, hen ervan kunnen weerhouden op het grondgebied van de Republiek Polen te verblijven.
27 De verwijzende rechter heeft twijfels over de uitlegging van artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest.
28 Deze rechter wijst erop dat in Polen de overschrijving van een buitenlands document van de burgerlijke stand bestaat in een getrouwe en letterlijke overdracht van de inhoud van dit document, zowel op taalkundig als op formeel vlak, zonder enige wijziging van de schrijfwijze van de voor‑ en achternamen van de personen die in dat document worden genoemd. De inhoud ervan wordt door middel van een materieel-technische handeling overgedragen in het register van de burgerlijke stand en de overschrijving wordt vermeld in de akte van de burgerlijke stand. Uit die overschrijving vloeit een Poolse akte van de burgerlijke stand voort die „losstaat” van de oorspronkelijke akte waarin de gebeurtenis is vastgesteld, en waarvan het verdere lot in de Poolse rechtsorde niet afhangt van het lot van de buitenlandse akte. Overeenkomstig artikel 3 van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand heeft de overschrijving van een buitenlandse akte van de burgerlijke stand als rechtstreeks rechtsgevolg dat een Poolse akte van de burgerlijke stand wordt gecreëerd die dezelfde bewijskracht heeft als in Polen opgestelde akten van de burgerlijke stand.
29 De verwijzende rechter merkt op dat de vragen inzake de burgerlijke stand en de daarmee verband houdende regels inzake het huwelijk aangelegenheden zijn die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. Hij vraagt zich echter af of het verschil tussen de in Duitsland geldende regels en die welke gelden in Polen niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van iedere burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
30 In dit verband benadrukt de verwijzende rechter, onder verwijzing naar het arrest van 24 november 2016, Parris (C‑443/15, EU:C:2016:897, punt 59), dat de lidstaten over een beoordelingsvrijheid beschikken om al dan niet het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in hun rechtsorde in te voeren. Volgens de rechtspraak van het Hof dienen de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden evenwel het Unierecht in acht te nemen, en met name het recht op vrij verkeer en verblijf.
31 Volgens de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit de arresten van 5 juni 2018, Coman e.a. (C‑673/16, EU:C:2018:385), en 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo (C‑490/20, EU:C:2021:1008), omvatten de rechten die onderdanen van de lidstaten krachtens het Unierecht genieten ook het recht om zowel in het gastland als in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, wanneer zij naar deze lidstaat terugkeren, een normaal gezinsleven te leiden, samen met hun familieleden. Bijgevolg stelt de verwijzende rechter zich met name vragen over de beperking van het recht van de echtgenoten in het hoofdgeding om als echtpaar een gezinsleven te leiden in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, in casu in Polen, en om de daaraan verbonden rechten te genieten.
32 Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat, volgens de nationale rechtspraak, het Unierecht tot op heden niet voorziet in een absolute verplichting om in andere lidstaten opgestelde akten van de burgerlijke stand, waaronder het huwelijk, over te schrijven in het nationale register van de burgerlijke stand, en dat de weigering tot overschrijving van een buitenlands document van de burgerlijke stand kan worden gerechtvaardigd door de toepassing van artikel 107, punt 3, van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand. De nationale rechterlijke instanties hebben tevens geoordeeld dat de invoering van het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in de Poolse rechtsorde door middel van een overschrijving in het register van de burgerlijke stand vragen kan doen rijzen over de mogelijkheid om een dergelijke verbintenis gelijk te stellen met het huwelijk als bedoeld in het Poolse burgerlijk recht. De verwijzende rechter merkt evenwel ook op dat de nationale rechterlijke instanties deze kwesties nog niet nauwkeurig hebben onderzocht in het kader van het recht van vrij verkeer en verblijf, gelet op de in artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest neergelegde grondrechten.
33 In dit verband haalt de verwijzende rechter de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan over de juridische erkenning van verbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht, met name in het kader van het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven.
34 De verwijzende rechter brengt twee hypothesen voor de beslechting van het hoofdgeding ter sprake, waarvan de eerste hypothese zijn voorkeur heeft. Volgens die eerste hypothese kan het gerechtvaardigd zijn om artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU aldus uit te leggen dat een weigering tot overschrijving zoals die in het hoofdgeding neerkomt op schending door de betrokken lidstaat van het recht van burgers van de Unie om een gezinsleven te leiden als echtpaar, van wie de huwelijksakte is overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van een andere lidstaat, en ook wijst op discriminatie op grond van geslacht en seksuele gerichtheid. Hieruit volgt dat deze weigering die personen belet hun recht om vrij op het grondgebied van die lidstaat te reizen en te verblijven volledig uit te oefenen.
35 Volgens de tweede hypothese kunnen deze twee bepalingen aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een weigering tot overschrijving als die in het hoofdgeding, aangezien deze weigering de burgers van de Unie niet het recht ontneemt om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaat die een dergelijke overschrijving heeft geweigerd. In casu heeft een buitenlands overheidsdocument van de burgerlijke stand dat in een andere lidstaat is afgegeven, waaronder een document dat een huwelijk vaststelt, dezelfde bewijskracht als de overheidsdocumenten die door de Poolse autoriteiten zijn afgegeven. Voor het gebruik van een dergelijk in een andere lidstaat opgesteld overheidsdocument gelden geen andere beperkingen dan de verplichting om het document in de nationale taal te vertalen.
36 In die omstandigheden heeft de Naczelny Sąd Administracyjny de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het [Handvest] en met artikel 2, punt 2, van richtlijn [2004/38] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat waarvan een burger van de Unie de nationaliteit bezit, welke burger met een andere burger van de Unie (een persoon van hetzelfde geslacht) in een andere lidstaat in het huwelijk is getreden overeenkomstig de wetgeving van die staat, kunnen weigeren de huwelijksakte te erkennen en over te schrijven in het nationale register van de burgerlijke stand en aldus kunnen verhinderen dat die personen in die staat kunnen verblijven in die burgerlijke staat en onder dezelfde familienaam, omdat het recht van het gastland niet in een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht voorziet?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
37 Vooraf moet worden vastgesteld dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de artikelen 20 en 21 VWEU, gelezen in het licht van het Handvest en artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38. Het hoofdgeding betreft het verzoek van de echtgenoten in het hoofdgeding om de Duitse huwelijksakte te laten overschrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand teneinde als echtpaar te worden erkend in Polen, de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben. Het voorwerp van dit geding valt dus niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38, die uitsluitend de voorwaarden regelt voor binnenkomst en verblijf van een burger van de Unie in andere lidstaten dan de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft (zie in die zin arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat volgens welke het huwelijk tussen twee onderdanen van die lidstaat van hetzelfde geslacht, dat zij tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf wettig hebben gesloten in een andere lidstaat waarin zij een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd, niet kan worden erkend en de huwelijksakte niet kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van de eerstbedoelde lidstaat op grond dat het recht van die lidstaat zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht.
39 Opgemerkt zij dat Cupriak-Trojan, die zowel de Poolse als de Duitse nationaliteit heeft, en Trojan, als Pools onderdaan, beide krachtens artikel 20, lid 1, VWEU de hoedanigheid van burger van de Unie hebben.
40 De hoedanigheid van burger van de Unie vormt de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten [arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, EU:C:2001:458, punt 31, en 29 april 2025, Commissie/Malta (Staatsburgerschap door investeringen), C‑181/23, EU:C:2025:283, punt 92].
41 Artikel 20, lid 2, VWEU en de artikelen 21 en 22 VWEU verbinden een reeks rechten aan die hoedanigheid. Overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU verleent het Unieburgerschap iedere burger van de Unie, binnen de beperkingen van het VWEU en de maatregelen tot uitvoering daarvan, met name een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten (arresten van 7 oktober 2010, Lassal, C‑162/09, EU:C:2010:592, punt 29; 13 september 2016, Rendón Marín, C‑165/14, EU:C:2016:675, punt 70, en 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 52).
42 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof kan een onderdaan van een lidstaat die in zijn hoedanigheid van burger van de Unie heeft gebruikgemaakt van zijn vrijheid om naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van oorsprong te reizen en daar te verblijven, zich beroepen op de aan die hoedanigheid verbonden rechten, met name op die waarin artikel 21, lid 1, VWEU voorziet, in voorkomend geval ook ten opzichte van zijn lidstaat van oorsprong (arresten van 23 oktober 2007, Morgan en Bucher, C‑11/06 en C‑12/06, EU:C:2007:626, punt 22, en 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 31).
43 De rechten die onderdanen van de lidstaten krachtens die bepaling genieten, omvatten ook het recht om zowel in het gastland als in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, wanneer zij naar deze lidstaat terugkeren, een normaal gezinsleven te leiden, samen met hun familieleden, met inbegrip van hun echtgenoot (zie in die zin arresten van 14 november 2017, Lounes, C‑165/16, EU:C:2017:862, punt 52, en 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punten 32 en 34).
44 In dit verband heeft het Hof, wat betreft familieleden van een burger van de Unie die derdelanders zijn, reeds geoordeeld dat wanneer een burger van de Unie een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf krachtens en onder eerbiediging van de voorwaarden van richtlijn 2004/38, in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, de nuttige werking van de rechten die de betrokken burger van de Unie aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleent, vereist dat het gezinsleven dat deze burger in die lidstaat heeft geleid, kan worden voortgezet bij diens terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit, hetgeen met name inhoudt dat laatstgenoemde lidstaat een afgeleid verblijfsrecht moet toekennen aan het betrokken familielid dat derdelander is. Zonder een dergelijk afgeleid verblijfsrecht zou deze burger van de Unie er immers van kunnen worden weerhouden de lidstaat van zijn nationaliteit te verlaten om krachtens artikel 21, lid 1, VWEU zijn recht uit te oefenen om in een andere lidstaat te verblijven of na de uitoefening van dit recht terug te keren naar zijn lidstaat van oorsprong, omdat hij niet de zekerheid heeft dat hij in zijn lidstaat van oorsprong het gezinsleven dat hij in het gastland heeft opgebouwd of bestendigd, kan voortzetten (zie in die zin arresten van 11 december 2007, Eind, C‑291/05, EU:C:2007:771, punten 35 en 36, en 12 maart 2014, O. en B., C‑456/12, EU:C:2014:135, punt 54).
45 Het Hof heeft met name reeds vastgesteld dat er sprake is van een dergelijke verplichting tot toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan de echtgenoot van een burger van de Unie, in een situatie waarin deze echtgenoot een derdelander was van hetzelfde geslacht als de burger van de Unie en het huwelijk met deze laatste in het gastland wettig was gesloten (zie in die zin arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punten 53 en 56).
46 Met betrekking tot de situatie van twee burgers van de Unie die, zoals in het hoofdgeding, in het gastland samenleven en daar overeenkomstig het recht van die lidstaat een huwelijk hebben gesloten, vereist de nuttige werking van de rechten die deze burgers aan artikel 21, lid 1, VWEU ontlenen a fortiori dat deze burgers de zekerheid kunnen hebben dat zij in de lidstaat van oorsprong het gezinsleven dat zij in het gastland hebben opgebouwd of bestendigd, met name door hun huwelijk, kunnen voortzetten.
47 Bij de huidige stand van het Unierecht behoren de regels inzake het huwelijk weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten en laat het Unierecht deze bevoegdheid onverlet. Het staat deze lidstaten dus vrij om in hun nationale recht al dan niet te voorzien in het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht (zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 37, en 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo, C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 52).
48 Evenwel moet elke lidstaat bij de uitoefening van die bevoegdheid het Unierecht in acht nemen en, in het bijzonder, de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, door daartoe de burgerlijke staat van personen te erkennen die in een andere lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat is vastgesteld (arresten van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo, C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 52, en 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 53).
49 In casu komt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens naar voren dat de echtgenoten in het hoofdgeding de Poolse autoriteiten verzoeken om het huwelijk dat zij in de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in Duitsland hebben gesloten, over te schrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand met het oog op de erkenning van dit huwelijk in Polen. Dit verzoek werd afgewezen op grond dat het Poolse recht het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt en volgens dat recht een dergelijke overschrijving dus niet mogelijk is.
50 De verwijzende rechter heeft twijfels over de gevolgen van een dergelijke weigering voor de mogelijkheid van deze echtgenoten om in Polen het gezinsleven voort te zetten dat in Duitsland is opgebouwd of bestendigd door hun huwelijk. In dit verband en onder voorbehoud van verificatie door deze rechter, hebben die echtgenoten in hun bij het Hof ingediende opmerkingen verduidelijkt dat, gedurende een bepaalde periode waarin Trojan in Polen woonde en werkte, Cupriak-Trojan werkloos was en niet was verzekerd onder de openbare ziektekostenverzekering, terwijl hij wel zou zijn verzekerd indien de gevolgen van hun huwelijk in Polen waren erkend. Evenzo werd het verzoek om de familienaam van Cupriak-Trojan voor een van zijn onroerende goederen bij te werken in het kadaster door een Poolse rechter toegestaan, maar voor een ander onroerend goed door een andere Poolse rechter afgewezen, op grond dat de huwelijksakte van personen van hetzelfde geslacht niet werd aanvaard als grondslag voor een dergelijk verzoek.
51 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de weigering door de autoriteiten van een lidstaat waarvan twee burgers van de Unie van hetzelfde geslacht de nationaliteit hebben, om het huwelijk te erkennen dat zij overeenkomstig de daartoe vastgestelde procedures wettig hebben gesloten in een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan deze burgers van de Unie gebruik hebben gemaakt van hun recht om er vrij te reizen en te verblijven, een belemmering kan vormen voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU vervatte recht, aangezien een dergelijke weigering voor hen kan leiden tot ernstige administratieve, professionele en persoonlijke ongemakken (zie naar analogie arrest van 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 In het bijzonder staat een dergelijke weigering eraan in de weg dat die burgers van de Unie, die tijdens hun verblijf in het gastland een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd door daar te wonen als echtpaar, dit gezinsleven voortzetten met deze zekere juridische staat die aan derden kan worden tegengeworpen, en worden zij door die weigering gedwongen om na hun terugkeer naar hun lidstaat van oorsprong samen te wonen als ongehuwden.
53 Wanneer dit huwelijk niet wordt erkend in de lidstaat van oorsprong, bestaat er dan ook een concreet risico dat die burgers bij hun terugkeer naar die lidstaat ernstig worden belemmerd in de organisatie van hun gezinsleven, aangezien zij zich voor tal van handelingen in het dagelijkse leven, zowel in de publieke als in de privésfeer, niet kunnen beroepen op hun huwelijkse staat, die nochtans wettig is vastgesteld in het gastland.
54 Hieruit volgt dat de weigering door de autoriteiten van een lidstaat om het huwelijk te erkennen dat twee burgers van de Unie van hetzelfde geslacht hebben gesloten tijdens hun verblijf in een andere lidstaat, een belemmering vormt voor de uitoefening van hun in artikel 21, lid 1, VWEU vervatte recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Een dergelijke weigering heeft immers tot gevolg dat die Unieburgers de mogelijkheid wordt ontnomen om terug te keren naar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en daar het in het gastland opgebouwde of bestendigde gezinsleven voort te zetten.
55 Volgens vaste rechtspraak kan een belemmering van het vrije verkeer van personen die, zoals in het hoofdgeding, geen verband houdt met de nationaliteit van de betrokken personen, evenwel worden gerechtvaardigd indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig is aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een maatregel van een lidstaat die een door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid beperkt, gerechtvaardigd is door een door het Unierecht erkende dwingende reden van algemeen belang, moet een dergelijke maatregel bovendien worden geacht het recht van de Unie ten uitvoer te brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zodat hij in overeenstemming moet zijn met de in het Handvest neergelegde grondrechten (zie in die zin arresten van 30 april 2014, Pfleger e.a., C‑390/12, EU:C:2014:281, punt 36, en 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C‑254/23, EU:C:2025:569, punt 105).
56 Blijkens de rechtspraak van het Hof is een maatregel evenredig wanneer hij geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien kan een doelstelling van algemeen belang niet worden nagestreefd zonder rekening te houden met het feit dat deze doelstelling moet worden verzoend met de door de maatregel aangetaste grondrechten, zulks via een evenwichtige afweging tussen deze doelstelling en de op het spel staande rechten, om ervoor te zorgen dat de door die maatregel berokkende nadelen niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doelen [arresten van 22 november 2022, Luxembourg Business Registers, C‑37/20 en C‑601/20, EU:C:2022:912, punt 64; 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C‑365/21, EU:C:2023:236, punt 59, en 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C‑254/23, EU:C:2025:569, punt 109].
57 In casu blijkt uit de opmerkingen van de verwijzende rechter dat het verzoek van de echtgenoten in het hoofdgeding om het in Duitsland gesloten huwelijk over te schrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand met het oog op de erkenning van dit huwelijk in Polen, is afgewezen op grond dat het Poolse recht het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt en dat een dergelijke overschrijving bijgevolg in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde.
58 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Unie krachtens artikel 4, lid 2, VEU verplicht is de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, te eerbiedigen (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Bovendien worden volgens artikel 9 van het Handvest het recht te huwen en het recht een gezin te stichten gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.
60 Voorts heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het begrip „openbare orde”, wanneer het moet dienen als rechtvaardiging voor een afwijking van een fundamentele vrijheid, strikt dient te worden opgevat, zodat de draagwijdte ervan niet zonder controle van de instellingen van de Unie door elk van de lidstaten eenzijdig kan worden bepaald. De openbare orde kan bijgevolg slechts worden aangevoerd in geval van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 De verplichting voor de lidstaat van oorsprong om een huwelijk tussen burgers van de Unie van hetzelfde geslacht dat in het gastland is gesloten tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf, te erkennen teneinde hen in staat te stellen terug te keren naar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en daar hun gezinsleven voort te zetten met behoud van hun in het gastland wettig vastgestelde huwelijkse staat, doet geen afbreuk aan het in het nationale recht van de lidstaat van oorsprong omschreven instituut van het huwelijk, dat – zoals in punt 47 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten. Deze verplichting betekent namelijk niet dat de lidstaat van oorsprong het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in zijn wetgeving moet opnemen. Zij houdt slechts in dat die lidstaat de erkenning van dergelijke huwelijken, die in het gastland zijn gesloten overeenkomstig het recht daarvan, dient te waarborgen enkel met het doel deze burgers in staat te stellen de rechten uit te oefenen die zij aan het Unierecht ontlenen (zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 45, en 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo, C‑490/20, EU:C:2021:1008, punten 56 en 57).
62 Aldus druist een dergelijke verplichting tot erkenning niet in tegen de nationale identiteit en vormt zij geen bedreiging voor de openbare orde van de lidstaat van oorsprong.
63 Hieraan dient te worden toegevoegd dat – gelet op de in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak – een nationale maatregel die de uitoefening van het vrije verkeer van personen kan belemmeren, slechts kan worden gerechtvaardigd indien deze maatregel in overeenstemming is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en in het bijzonder met het in artikel 7 ervan bedoelde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en met het in artikel 21, lid 1, ervan neergelegde verbod van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid (zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 47; 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo, C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 58, en 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 62).
64 Wat betreft het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, blijkt dienaangaande uit de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) dat de door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde rechten overeenkomstig artikel 52, lid 3, ervan dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als de rechten die zijn gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM, waarbij laatstgenoemde bepaling een minimumbeschermingsniveau vormt (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Blijkens de rechtspraak van het EHRM kan de relatie van een koppel van hetzelfde geslacht onder de begrippen „privéleven” en „familie- en gezinsleven” vallen, net zoals de relatie van een koppel van verschillend geslacht dat zich in dezelfde situatie bevindt (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 In dit verband heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 8 EVRM een positieve verplichting oplegt aan de lidstaten om een rechtskader in te voeren dat de juridische erkenning en bescherming van koppels van hetzelfde geslacht waarborgt, en dat de Republiek Polen deze verplichting niet is nagekomen, waardoor de betrokkenen niet in staat zijn om fundamentele aspecten van hun privéleven en van hun familie- en gezinsleven te organiseren. Met betrekking tot personen van hetzelfde geslacht die wettig een huwelijk in het buitenland hebben gesloten, heeft het EHRM met name vastgesteld dat de Poolse autoriteiten, door te weigeren dit huwelijk in welke vorm dan ook over te schrijven, deze personen in een rechtsvacuüm hebben gelaten en niet hebben voorzien in de essentiële behoeften op het gebied van de erkenning en bescherming van koppels van hetzelfde geslacht in een stabiele relatie. Het EHRM heeft aldus geoordeeld dat geen van de door de Poolse regering aangevoerde redenen van algemeen belang zwaarder weegt dan het belang van die personen om hun respectieve relaties naar behoren erkend en beschermd te zien door de wet (EHRM, 12 december 2023, Przybyszewska e.a. tegen Polen, CE:ECHR:2023:1212JUD001145417, §§ 113, 123 en 124; EHRM, 19 september 2024, Formela e.a. tegen Polen, CE:ECHR:2024:0919JUD005882812, §§ 20, 25, 26 en 29, en EHRM, 24 april 2025, Andersen tegen Polen, CE:ECHR:2025:0424JUD005366220, §§ 11, 14‑19).
67 Het ontbreken van erkenning van het huwelijk dat twee burgers van de Unie van hetzelfde geslacht hebben gesloten overeenkomstig het recht van de lidstaat waarin deze burgers van de Unie hun recht van vrij verkeer en verblijf hebben uitgeoefend, op grond dat het recht van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten en waarin deze burgers van de Unie hun privéleven en hun familie- en gezinsleven wensen voort te zetten zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht, is derhalve in strijd met de door artikel 7 van het Handvest aan koppels van hetzelfde geslacht gewaarborgde grondrechten.
68 Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, is het dus aan een lidstaat die het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt, om passende procedures in te voeren voor de erkenning van een dergelijk huwelijk wanneer dit is gesloten overeenkomstig het recht van het gastland door twee burgers van de Unie tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf.
69 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de keuze van de wijzen van de erkenning van huwelijken die door burgers van de Unie zijn gesloten in de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat, behoort tot de beoordelingsvrijheid van de lidstaten in het kader van de uitoefening van hun in punt 47 van het onderhavige arrest genoemde bevoegdheid inzake de regels betreffende het huwelijk. De overschrijving van huwelijksakten in het register van de burgerlijke stand van deze lidstaten is dus slechts een van de vele wijzen waarop een dergelijke erkenning tot stand kan komen. Deze wijzen mogen evenwel de uitoefening van de bij artikel 21 VWEU verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
70 Wanneer de lidstaten gebruikmaken van de beoordelingsvrijheid waarover zij beschikken om passende procedures in te voeren voor de erkenning van een huwelijk dat door twee burgers van de Unie werd gesloten tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat, moeten zij bovendien artikel 21, lid 1, van het Handvest in acht nemen. In dit verband moet erop worden gewezen dat het in deze bepaling neergelegde verbod van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid, als algemeen beginsel van Unierecht, een dwingend karakter heeft (zie naar analogie arresten van 15 januari 2014, Association de médiation sociale, C‑176/12, EU:C:2014:2, punt 47; 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punt 76, en 22 januari 2019, Cresco Investigation, C‑193/17, EU:C:2019:43, punt 76).
71 Ofschoon in het buitenland opgestelde huwelijksakten in beginsel dezelfde bewijskracht kunnen hebben als Poolse huwelijksakten, is het in de praktijk uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk om aan die akten rechten te ontlenen, aangezien de erkenning van die akten, zonder overschrijving ervan in het Poolse register van de burgerlijke stand, onder de beoordelingsbevoegdheid van die bestuurlijke autoriteiten valt en dus kan leiden tot uiteenlopende beslissingen door die autoriteiten, zoals blijkt uit de in punt 50 van het onderhavige arrest vermelde omstandigheden van het hoofdgeding.
72 Zowel uit de door de verwijzende rechter verstrekte opmerkingen als uit de opmerkingen die de Poolse regering bij het Hof heeft ingediend, komt namelijk naar voren dat de overschrijving van de huwelijksakte in het Poolse register van de burgerlijke stand volgens het Poolse recht de enige wijze is om een in een andere lidstaat dan de Republiek Polen gesloten huwelijk daadwerkelijk te kunnen laten erkennen door de Poolse bestuurlijke autoriteiten.
73 Aan de uitoefening van het recht op erkenning van het in een andere lidstaat gesloten huwelijk kan dus afbreuk worden gedaan door de beoordelingsbevoegdheid waarover de bevoegde autoriteiten beschikken in het kader van een procedure voor de erkenning van de huwelijksakte, aangezien deze beoordelingsbevoegdheid leidt tot uiteenlopende benaderingen met betrekking tot een dergelijke erkenning, die kunnen leiden tot de in punt 51 van het onderhavige arrest genoemde ernstige administratieve, professionele en persoonlijke ongemakken (zie naar analogie arrest van 4 oktober 2024, Mirin, C‑4/23, EU:C:2024:845, punt 69).
74 Bovendien blijkt uit de aan het Hof verstrekte gegevens dat koppels van verschillend geslacht naar Pools recht de mogelijkheid hebben om hun huwelijksakte te laten overschrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand wanneer dit huwelijk in een andere lidstaat is gesloten. Koppels van hetzelfde geslacht, zoals in het hoofdgeding, kunnen daarentegen wegens hun seksuele gerichtheid niet voldoen aan de door het Poolse recht gestelde voorwaarden voor een dergelijke overschrijving.
75 Zoals in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beschikken de lidstaten weliswaar over beoordelingsvrijheid met betrekking tot de wijzen van de erkenning van huwelijken die door burgers van de Unie zijn gesloten tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat, maar de omstandigheid dat er geen wijze van erkenning bestaat die gelijkwaardig is aan die voor koppels van verschillend geslacht, vormt een door artikel 21, lid 1, van het Handvest verboden discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. Hieruit volgt dat, wanneer een lidstaat in het kader van deze beoordelingsvrijheid ervoor kiest om in zijn nationale recht één enkele wijze van erkenning vast te stellen van huwelijken die door burgers van de Unie zijn gesloten in de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat – zoals in casu de overschrijving van de huwelijksakte in het register van de burgerlijke stand –, deze lidstaat verplicht is die wijze zonder onderscheid toe te passen op huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht en op huwelijken tussen personen van verschillend geslacht.
76 Ten slotte moet erop worden gewezen dat zowel artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU als artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest op zichzelf volstaan en niet hoeven te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Indien de verwijzende rechter vaststelt dat zijn nationale recht niet in overeenstemming met het Unierecht kan worden uitgelegd, is hij derhalve gehouden om binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit deze bepalingen en de volle werking daarvan te waarborgen door, zo nodig, de betrokken nationale bepalingen buiten toepassing te laten (zie in die zin arresten van 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punten 78 en 79, en 3 juni 2025, Kinsa, C‑460/23, EU:C:2025:392, punt 72).
77 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat volgens welke het huwelijk tussen twee onderdanen van die lidstaat van hetzelfde geslacht, dat zij tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf wettig hebben gesloten in een andere lidstaat waarin zij een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd, niet kan worden erkend en de huwelijksakte niet kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van de eerstbedoelde lidstaat, op grond dat het recht van die lidstaat zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht, wanneer deze overschrijving het enige middel is dat in die lidstaat is voorzien om een dergelijke erkenning mogelijk te maken.
Kosten
78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat volgens welke het huwelijk tussen twee onderdanen van die lidstaat van hetzelfde geslacht, dat zij tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf wettig hebben gesloten in een andere lidstaat waarin zij een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd, niet kan worden erkend en de huwelijksakte niet kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van de eerstbedoelde lidstaat, op grond dat het recht van die lidstaat zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht, wanneer deze overschrijving het enige middel is dat in die lidstaat is voorzien om een dergelijke erkenning mogelijk te maken.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 10 juli 2025, C-254/23, ECLI:EU:C:2025:569
- HvJ EU 3 juni 2025, C-460/23, ECLI:EU:C:2025:392
- HvJ EU 29 april 2025, C-181/23, ECLI:EU:C:2025:283
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-4/23, ECLI:EU:C:2024:845
- HvJ EU 23 maart 2023, C-365/21, ECLI:EU:C:2023:236
- HvJ EU 22 november 2022, C-37/20, ECLI:EU:C:2022:912
- HvJ EU 14 december 2021, C-490/20, ECLI:EU:C:2021:1008
- HvJ EU 22 januari 2019, C-193/17, ECLI:EU:C:2019:43
- HvJ EU 5 juni 2018, C-673/16, ECLI:EU:C:2018:385
- HvJ EU 17 april 2018, C-414/16, ECLI:EU:C:2018:257
- HvJ EU 14 november 2017, C-165/16, ECLI:EU:C:2017:862
- HvJ EU 24 november 2016, C-443/15, ECLI:EU:C:2016:897
- HvJ EU 13 september 2016, C-165/14, ECLI:EU:C:2016:675
- HvJ EU 30 april 2014, C-390/12, ECLI:EU:C:2014:281
- HvJ EU 12 maart 2014, C-456/12, ECLI:EU:C:2014:135
- HvJ EU 15 januari 2014, C-176/12, ECLI:EU:C:2014:2
- HvJ EU 7 oktober 2010, C-162/09, ECLI:EU:C:2010:592
- HvJ EU 11 december 2007, C-291/05, ECLI:EU:C:2007:771
- HvJ EU 23 oktober 2007, C-11/06, ECLI:EU:C:2007:626
- HvJ EU 20 september 2001, C-184/99, ECLI:EU:C:2001:458