HvJ EU 11 juni 2026, C-65/25, ECLI:EU:C:2026:475

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

11 juni 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme – Richtlijn (EU) 2015/849 – Gemeenschappelijke vereisten voor kredietservicers en kredietkopers – Richtlijn (EU) 2021/2167 – Artikel 10 – Overeenkomst tot collectieve overdracht van niet-renderende schuldvorderingen – Nationale regelgeving die voor dit soort overeenkomsten geen schriftelijke vorm voorschrijft en evenmin bepaalt dat de overnemer aan prudentieel toezicht moet worden onderworpen”

In zaak C‑65/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale di Brindisi (rechter in eerste aanleg Brindisi, Italië) bij beslissing van 22 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2025, in de procedure

IFIS NPL INVESTING SpA

tegen

JM,

OT,

VR,

CL,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– JM, OT, VR en CL, vertegenwoordigd door L. Bardaro en S. Bardaro, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door M. Cherubini, avvocato dello Stato, E. Cicatelli en C. De Nicola, procuratori dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Manzaneque Valverde, P. A. Messina en D. Triantafyllou als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het Unierecht, met name de bepalingen inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, alsmede van de beginselen van doeltreffende bescherming, transparantie, en goede trouw.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen IFIS NPL INVESTING SpA (hierna: „Ifis”) en JM, OT, VR en CL over de gedwongen invordering – door middel van beslag op onroerend goed – van een schuldvordering die IFIS stelt op deze vier personen te hebben.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2015/849

3 In artikel 2 van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73), die ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding, is de werkingssfeer van deze richtlijn omschreven. Zo is richtlijn 2015/849 volgens artikel 2, lid 1, van toepassing op kredietinstellingen, financiële instellingen en de in punt 3 van deze bepaling bedoelde natuurlijke of rechtspersonen.

4 Artikel 3 van deze richtlijn luidt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‚kredietinstelling’: een kredietinstelling als omschreven in punt 1) van artikel 4, lid 1, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad [van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1)], […]; 2) ‚financiële instelling’: a) een onderneming die geen kredietinstelling is en die een of meer van de werkzaamheden verricht die zijn opgenomen onder de punten 2) tot en met 12), 14) en 15) van bijlage I bij richtlijn 2013/36/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338)], met inbegrip van de werkzaamheden van wisselkantoren; […]”

Richtlijn 2013/36

5 Bijlage I („Lijst van werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen”) bij richtlijn 2013/36 bepaalt in de eerste alinea, punten 2 tot en met 12, 14 en 15: „2. Verstrekken van leningen, waaronder consumentenkrediet, kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerend goed, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties (met inbegrip van voorschotten). 3. Financiële leasing. 4. Betalingsdiensten […]. 5. Uitgifte en beheer van andere betaalmiddelen […]. 6. Verlenen van garanties en stellen van borgtochten. 7. Handelen voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van cliënten in: a) geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositocertificaten enz.); b) deviezen; c) financiële futures en opties; d) swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten; e) effecten; 8. Deelneming aan effectenemissies en dienstverrichting in verband daarmee. 9. Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen. 10. Bemiddeling op interbankenmarkten. 11. Vermogensbeheer en ‑advisering. 12. Bewaarneming en beheer van effecten. […] 14. Verhuur van safes. 15. Uitgifte van elektronisch geld.”

Richtlijn 2021/2167

6 In artikel 1 („Onderwerp”) van richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 november inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU (PB 2021, L 438, blz. 1) is het volgende opgenomen: „Deze richtlijn stelt een gemeenschappelijk kader en vereisten vast voor: a) kredietservicers van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, die is gesloten door een in de Unie gevestigde kredietinstelling, die namens een kredietkoper optreden; b) kredietkopers van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet renderende kredietovereenkomst zelf, die is gesloten door een in de Unie gevestigde kredietinstelling.”

7 Artikel 2 („Toepassingsgebied”) van deze richtlijn bepaalt in lid 5: „Deze richtlijn is niet van toepassing op: […] d) de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een kredietovereenkomst, of van de kredietovereenkomst zelf, vóór de in artikel 32, lid 2, eerste alinea, bedoelde datum.”

8 Lid 1 van artikel 10 („Betrekkingen met de kredietnemer, communicatie in verband met overdrachten en verdere communicatie”) van die richtlijn stelt een aantal eisen aan kredietkopers en kredietservicers in hun betrekkingen met kredietnemers. Artikel 10, lid 2, somt de gegevens op die de kredietkoper of kredietservicer na elke overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, op papier of op een andere duurzame drager, aan de kredietnemer moet meedelen.

9 Artikel 32 („Omzetting”) van die richtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten stellen uiterlijk op 29 december 2023 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken die bekend. Zij delen de [Europese] Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee. 2. Zij passen de in lid 1 bedoelde bepalingen toe vanaf 30 december 2023. […]”

10 In artikel 33 („Inwerkingtreding”) van richtlijn 2021/2167 is bepaald: „Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”

Italiaans recht

11 Overeenkomstig artikel 106, lid 1, van decreto legislativo n. 385 – Testo unico delle leggi in materia bancaria e creditizia (wetsbesluit nr. 385 houdende gecoördineerde tekst van de wetten op het bank- en kredietwezen) van 1 september 1993 (GURI nr. 230 van 30 september 1993, gewoon supplement nr. 92), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie „mag de activiteit van het verlenen van elke vorm van financiering aan het publiek uitsluitend worden verricht door erkende financiële tussenpersonen die zijn ingeschreven in een speciaal register dat wordt bijgehouden door de [Banca d’Italia (Italiaanse centrale bank)]”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 Ifis heeft bij de Tribunale di Brindisi (rechter in eerste aanleg Brindisi, Italië), de verwijzende rechter, een procedure tot beslag op onroerend goed ingesteld tegen JM, OT, VR en CL. Daarbij heeft zij zich beroepen op een schuldvordering op deze personen die door een hypotheek op onroerend goed was gewaarborgd. Ifis stelt dat zij na verschillende opeenvolgende overdrachten houder van deze schuldvordering is geworden. Volgens de gegevens in het verzoek om een prejudiciële beslissing vloeit die schuldvordering voort uit een betalingsbevel dat in 1997 ten gunste van een Italiaanse bank is uitgevaardigd.

13 De verwijzende rechter verduidelijkt om te beginnen dat Ifis hem de overeenkomsten tot overdracht van schuldvorderingen heeft overgelegd, met daarbij de volledige lijsten van de vorderingen waarop deze overdrachten betrekking hadden. Deze overdrachtsovereenkomsten zijn weliswaar schriftelijk vastgelegd, maar niet in de vorm van een authentieke akte of een gewaarmerkte onderhandse akte. Bovendien beschikken zij niet over een vaste datum die aan derden kan worden tegengeworpen.

14 Verder blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de talrijke schuldvorderingen in casu hebben plaatsgevonden tussen entiteiten die niet allemaal zijn ingeschreven in het in punt 11 van dit arrest bedoelde register van financiële tussenpersonen waarop prudentieel toezicht wordt uitgeoefend door de Italiaanse centrale bank. Een dergelijke inschrijving vereist overeenkomstig de nationale regeling inzake de bestrijding van het witwassen van geld dat er een specifieke interne organisatie bestaat ter bestrijding van het witwassen van geld.

15 Volgens de verwijzende rechter roept dit zelfs twijfel op over de vraag of Ifis daadwerkelijk en rechtmatig houder is van de schuldvordering waarop zij haar beroep baseert.

16 In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich af of de nationale regeling die van toepassing is op overeenkomsten tot collectieve overdracht van niet-renderende schuldvorderingen, in het licht waarvan de bij hem aanhangige zaak moet worden beoordeeld, verenigbaar is met het Unierecht, met name met de regeling inzake de bestrijding van het witwassen van geld.

17 Die nationale regeling bepaalt namelijk niet dat dit soort overeenkomsten schriftelijk moet worden vastgelegd, laat staan in de vorm van een authentieke akte of een gewaarmerkte onderhandse akte, en voorziet evenmin in bijzondere formaliteiten om daaraan een vaste datum toe te kennen.

18 Verder verplicht die nationale regeling collectieve overnemers van niet-renderende schuldvorderingen niet om zich in te schrijven in het register van financiële tussenpersonen. Daardoor hoeven zij in de praktijk niet te voldoen aan de nationale antiwitwasregeling die geldt voor de in dat register ingeschreven natuurlijke en rechtspersonen, noch de interne organisatorische maatregelen te treffen die voor een dergelijke inschrijving zijn vereist. Dergelijke overnemers zijn evenmin onderworpen aan het prudentieel toezicht van de Italiaanse centrale bank.

19 De verwijzende rechter stelt zich dan ook de vraag of een dergelijke nationale regeling, in haar geheel bezien, niet in strijd is met het Unierecht inzake de bestrijding van het witwassen van geld. Indien dit het geval zou zijn, rijst ook de vraag welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden en, in het bijzonder, of de meervoudige overdrachten van schuldvorderingen die in het kader van de bij hem aanhangige zaak hebben plaatsgevonden, geheel of gedeeltelijk als ongeldig of minstens als niet-tegenstelbaar kunnen worden beschouwd, zodat de door Ifis ter ondersteuning van haar beroep aangevoerde executoriale titel als niet-bestaand moet worden beschouwd.

20 De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat de nationale regeling die van toepassing is op de bij hem aanhangige zaak dateert van vóór de regeling waarbij richtlijn 2021/2167 in Italiaans recht is omgezet en die op 13 augustus 2024 in werking is getreden. Sindsdien zijn die twijfels over de verenigbaarheid van de nationale regeling met het Unierecht weggenomen en worden collectieve overdrachten van niet-renderende schuldvorderingen thans uitgebreider geregeld. In deze context vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af of deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij gedeeltelijk terugwerkende kracht heeft.

21 Daarop heeft de Tribunale di Brindisi de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten het Unierecht, en met name de regeling inzake de bestrijding van het witwassen van geld, evenals de algemene beginselen van doeltreffende bescherming, transparantie, en objectieve goede trouw met de daaruit voortvloeiende informatieverplichtingen, worden geacht in de weg te staan, en zo ja, onder welke voorwaarden, aan een nationale regeling op het gebied van collectieve (of cumulatieve) overdracht van niet-renderende leningen – die van toepassing was op de concrete situatie die zich voordeed vóór de goedkeuring van decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 116 van 30 juli 2024, dat in werking is getreden op 13 augustus 2024 en waarbij richtlijn [2021/2167] in nationaal recht is omgezet, – met de volgende kenmerken: a) zij schrijft niet voor, als geldigheidsvereiste of als bewijsvereiste, dat de overdracht schriftelijk wordt vastgelegd, met name in de vorm van een authentieke akte of een gewaarmerkte onderhandse akte, of in een andere vorm waarmee de dagtekening kan worden aangetoond, en dit geldt met name ook indien de contractant waarvan de leningen worden overgedragen een consument is; b) tot aan de inwerkingtreding van het voormelde wetsbesluit gold voor entiteiten die zich bezighouden met collectieve overdrachten geen verplichting tot inschrijving in een aan toezicht onderworpen register [van natuurlijke en rechtspersonen], aangezien die entiteiten volgens de [Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië)] geen financiële activiteiten verrichten, met als gevolg dat zij, doordat een authentieke akte niet verplicht is, tevens automatisch buiten de werkingssfeer van de regeling inzake de bestrijding van het witwassen van geld vallen? 2) Indien het Hof oordeelt dat die regeling in strijd is met het Unierecht, legt de Unieregeling, zoals beschreven, om het nuttig effect van communautaire belangen te beschermen, dan de radicale sanctie op van nietigheid: a) van de overdrachten van schuldvorderingen die hebben plaatsgevonden toen de regeling van vóór de goedkeuring van het wetsbesluit tot omzetting van richtlijn [2021/2167] in nationaal recht, nog van kracht was? b) van de volmachten tot inning die zijn verleend aan entiteiten die niet zijn ingeschreven in een register van natuurlijke en rechtspersonen die onder toezicht staan van de onafhankelijke sectorale autoriteit die is belast met de controle op de naleving van de regeling inzake de bestrijding van het witwassen van geld?”

Ontvankelijkheid

22 De Italiaanse regering en de Commissie betogen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.

23 Volgens de Italiaanse regering is de uiteenzetting door de verwijzende rechter van de nationale toepasselijke bepalingen onvolledig en op bepaalde punten onjuist. Het precieze voorwerp van de tweede vraag is ook onduidelijk. Verder betogen deze regering en de Commissie dat de Unierechtelijke bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht, niet voldoende nauwkeurig zijn aangeduid.

24 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter is aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging of beoordeling van de geldigheid van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 28 november 2024, ENGIE Deutschland, C‑293/23, EU:C:2024:992, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 De nationale rechter dient wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen een omschrijving te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd (zie arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C‑320/90–C‑322/90, EU:C:1993:26, punt 6, en 16 oktober 2025, Braila Winds, C‑391/23, EU:C:2025:799, punt 30).

26 De gegevens in de verwijzingsbeslissingen moeten ten eerste het Hof in staat stellen een nuttig antwoord te geven op de vragen van de nationale rechter, en ten tweede de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden in staat stellen het hun bij artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende recht uit te oefenen om opmerkingen in te dienen. Het Hof dient erop toe te zien dat dit recht gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht (arrest van 16 oktober 2025, Braila Winds, C‑391/23, EU:C:2025:799, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 In casu wordt het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding voldoende omschreven in het verzoek om een prejudiciële beslissing om aan deze vereisten te voldoen en is het mogelijk de redenen te begrijpen waarom de verwijzende rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Wat het betoog van de Italiaanse regering betreft dat het nationale recht onvolledig en zelfs onjuist is weergegeven, is het vaste rechtspraak dat het niet aan het Hof is om in het kader van het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van rechterlijke samenwerking de door de nationale rechter gegeven uitlegging van het nationale recht te verifiëren of ter discussie te stellen, aangezien deze uitlegging tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale rechter behoort (zie in die zin arrest van 12 december 2024, Volvo Group Belgium, C‑436/23, EU:C:2024:1023, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Bijgevolg is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

29 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het Unierecht – in het bijzonder de richtlijnen 2021/2167 en 2015/849 – en de beginselen van doeltreffende bescherming, transparantie, en objectieve goede trouw aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling inzake de collectieve overdracht van niet-renderende schuldvorderingen op grond waarvan dergelijke overeenkomsten, in de periode vóór het verstrijken van de omzettingstermijn voor richtlijn 2021/2167, niet schriftelijk moesten worden vastgelegd, zodat natuurlijke of rechtspersonen wier activiteit bestond in het verrichten van dergelijke overdrachten van schuldvorderingen niet onder het prudentieel toezicht vielen van de nationale autoriteit die bevoegd is voor de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.

30 Wat in de eerste plaats richtlijn 2021/2167 betreft, zij opgemerkt dat artikel 10 van deze richtlijn bepaalde eisen stelt aan kopers en servicers van niet-renderende kredieten in hun betrekkingen met kredietnemers. In met name artikel 10, lid 2, worden de gegevens opgesomd die de kredietkoper of kredietservicer na de overdracht van de rechten van een kredietgever krachtens een niet-renderende kredietovereenkomst, of van de niet-renderende kredietovereenkomst zelf, op papier of op een andere duurzame drager aan de kredietnemer moet meedelen.

31 Evenwel zij opgemerkt dat richtlijn 2021/2167, die is vastgesteld op 24 november 2021, overeenkomstig de artikelen 32 en 33 ervan op 29 december 2021 in werking is getreden en de omzettingstermijn ervan op 29 december 2023 is verstreken.

32 Hoewel de lidstaten overeenkomstig artikel 32, lid 2, van deze richtlijn de ter omzetting van deze richtlijn genomen maatregelen vanaf 30 december 2023 toepassen, volgt uit artikel 2, lid 5, onder d), ervan dat deze richtlijn niet van toepassing is op de overdracht van de rechten van een kredietgever, of van de kredietovereenkomst zelf, wanneer die overdracht vóór 29 december 2023 heeft plaatsgevonden.

33 Aangezien uit het dossier waarover het Hof beschikt naar voren lijkt te komen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten zich vóór 29 december 2023 hebben voorgedaan, is richtlijn 2021/2167 ratione temporis niet van toepassing op dit geding.

34 Voor zover de verwijzende rechter overweegt de vereisten van artikel 10 van richtlijn 2021/2167 met terugwerkende kracht toe te passen, zij opgemerkt dat het vaste rechtspraak is dat de lidstaten niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij de richtlijn niet in nationaal recht hebben omgezet vóór het verstrijken van de termijn voor de omzetting ervan (arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a., C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Volgens eveneens vaste rechtspraak mogen lidstaten tot wie een richtlijn is gericht gedurende de termijn voor de omzetting van deze richtlijn weliswaar geen bepalingen vaststellen die de verwezenlijking van het door die richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen (arrest van 25 januari 2022, VYSOČINA WIND, C‑181/20, EU:C:2022:51, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar een richtlijn kan pas na het verstrijken van die termijn rechtstreekse werking hebben (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a., C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Bijgevolg is het uitgesloten dat artikel 10 van richtlijn 2021/2167 aldus wordt uitgelegd dat de daarin neergelegde verplichtingen met terugwerkende kracht van toepassing zijn.

37 Wat in de tweede plaats richtlijn 2015/849 betreft, volgt uit een gecombineerde lezing van artikel 2, lid 1, en artikel 3 ervan dat deze richtlijn alleen van toepassing is op entiteiten die bepaalde economische activiteiten uitoefenen die in artikel 2, lid 1, worden opgesomd. Het opkopen of servicen van niet-renderende schuldvorderingen behoort echter niet tot deze activiteiten.

38 Bijgevolg is noch richtlijn 2021/2167 noch richtlijn 2015/849 van toepassing op een nationale regeling inzake collectieve overdracht van niet-renderende schuldvorderingen met de in punt 29 van dit arrest samengevatte kenmerken.

39 In de derde en laatste plaats zij eraan herinnerd dat de lidstaten de algemene beginselen van het Unierecht in acht moeten nemen bij de uitvoering van dat recht (zie in die zin arrest van 3 september 2015, A2A, C‑89/14, EU:C:2015:537, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling geeft geen uitvoering aan richtlijn 2021/2167 noch aan richtlijn 2015/849, zoals in het vorige punt is vastgesteld, noch aan enige andere Unierechtelijke norm. Bijgevolg zijn de beginselen waarvan de verwijzende rechter in zijn eerste vraag eveneens om uitlegging verzoekt, evenmin van toepassing op deze regeling.

40 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2021/2167 – met name artikel 10 – en richtlijn 2015/849 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling inzake collectieve overdracht van niet-renderende schuldvorderingen op grond waarvan dergelijke overeenkomsten, in de periode vóór het verstrijken van de omzettingstermijn voor richtlijn 2021/2167, niet schriftelijk moesten worden vastgelegd, zodat natuurlijke of rechtspersonen wier activiteit bestond in het verrichten van dergelijke overdrachten van schuldvorderingen niet onder het prudentieel toezicht vielen van de nationale autoriteit die bevoegd is voor de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.

Tweede vraag

41 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU – met name artikel 10 – en richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling inzake collectieve overdracht van niet-renderende schuldvorderingen op grond waarvan dergelijke overeenkomsten, in de periode vóór het verstrijken van de omzettingstermijn voor richtlijn 2021/2167, niet schriftelijk moesten worden vastgelegd, zodat natuurlijke of rechtspersonen wier activiteit bestond in het verrichten van dergelijke overdrachten van schuldvorderingen niet onder het prudentieel toezicht vielen van de nationale autoriteit die bevoegd is voor de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken